Een monnikenwerk. Reconstructie van het middeleeuwse kloosterscriptorium. Case study: de laatmiddeleeuwse scriptoria van Ter Doest en Herne. (Thijs Ameye)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL I

HET SCRIPTORIUM: EEN RECONSTRUCTIE

 

1. Nomen est Omen: het woord scriptorium

 

Omdat deze verhandeling staat of valt met een gepaste benadering van het scriptorium is het noodzakelijk even stil te staan bij het woord “scriptorium”. Een onderzoek naar de verschillende betekenislagen ervan zou op zich al een interessante studie vormen. Het is hier echter onze bedoeling duidelijkheid te scheppen rond dit vaak slordig gehanteerde begrip en aldus tot een handige werkdefinitie van “het scriptorium” te komen.

Vooreerst valt op dat het scriptorium in wetenschappelijke studies dikwijls een andere betekenis wordt toegekend dan deze die wij kennen als zijnde de ruimte in een klooster waar handschriften worden gekopieerd. Deze ‘authentieke’ betekenis vinden we ook terug in gezaghebbende woordenboeken als de Dikke Van Dale[3]. In wetenschappelijke context echter wordt het “scriptorium” vaak heel arbitrair en zonder enige motivering gehanteerd als de verzamelnaam voor de literaire overlevering van een klooster. Het woord wordt als het ware losgekoppeld van zijn ruimtelijke aspect en krijgt een creatievere maar bovendien meer onderzoeksgebonden lading. Het scriptorium staat niet enkel meer voor de ruimte waar geschreven werd maar tevens, al naar gelang de studie, voor het aantal handschriften dat een klooster overleverde, de kopiisten die er actief waren, de inhoud, ja zelfs de paleografische en codicologische kenmerken van de handschriften.

Paleograaf Stiennon bijvoorbeeld heeft het bij zijn beschrijving van het scriptorium van het Kartuizerklooster te Luik niet over de werkomstandigheden en de ruimte waar handschriften werden gekopieerd, maar wel over de kopiisten en hun producten zelf[4]. Simpelweg kunnen we zeggen dat wanneer er heden ten dage in wetenschappelijke studies gesproken wordt over een ‘groot’ scriptorium daar meestal niet de oppervlakte van het schrijfvertrek mee bedoeld wordt, maar wel de grote literaire waarde en rijke handschriftentraditie van het klooster.

Een verklaring voor deze klemtoonverschuiving van het ruimtelijke naar het literaire aspect is het gebrek aan geschreven alsook iconografische bronnen over deze werkruimte en de activiteit van het schrijven zelf. Zo zijn rekeningen en normatieve bronnen over scriptoria niet in groten getale overgeleverd. De talrijke miniaturen van hun kant tonen vaak een stereotiep beeld van de kopiist aan zijn schrijftafel. Wat de archeologische overblijfselen van kloosterscriptoria betreft, bestaat er de nodige onduidelijkheid. In veel gevallen is de locatie van het scriptorium, indien er al één was, in het totale kloosterplan twijfelachtig. De belangrijkste reden hiervoor is het verschil in ligging van het scriptorium, afhankelijk van orde tot orde én van klooster tot klooster. Deze bronbeperkingen, waarmee een onderzoeker van kloosterscriptoria te maken heeft, kunnen we samenvatten in een veelzeggend citaat van E. Lesne:

 

«Ces ateliers [scriptoria] ne nous sont connus en général que par les manuscrits qui en sont sortis, dans la mesure ou ceux-ci subsistent et à la condition qu’ils puissent être identifiés»[5].

 

Dat de overgeleverde handschriften van een klooster de belangrijkste bronnen voor een reconstructie van het scriptorium van dit klooster vormen, kunnen we niet ontkennen. Toch is het geenszins het geval dat de benadering van het scriptorium in ons onderzoek beperkt zal blijven tot een onderzoek naar deze overgeleverde handschriften.

Zoals we het in onze inleiding reeds aanhaalden, willen we naast het literaire aspect dus tevens het ruimtelijke en spirituele aspect van het scriptorium onder de loep nemen. Daarom menen we dat zowel de Engelse, Franse als Nederlandse vertaling van het Latijnse woord “scriptorium” zijnde respectievelijk “writing room”, “lieu d’écriture” en “schrijfvertrek” tekortschieten en oneer doen aan de vele betekenissen van het woord. De brede benadering die we voorop hebben gesteld is dan ook gebaat bij een handige werkdefinitie van het scriptorium in functie van ons onderzoek. Aldus zullen we het woord scriptorium in wat volgt benaderen als:

 

De ruimte(s) in een klooster waar door bevoegden handschriften werden vervaardigd en gekopieerd evenals de producten en hun producenten, de specifieke omstandigheden en dieperliggende betekenis van deze arbeid.[6]

 

 

2. Opkomst en bloei van het middeleeuwse scriptorium

 

De opkomst van de middeleeuwse kloosterscriptoria hangt ontegensprekelijk samen met de opkomst van het Christendom in de vroege Middeleeuwen. Voor een geschreven religie als het Christendom, dat gebaseerd is op de Heilige Schriften, was het vanzelfsprekend dat de productie van boeken als één van de grote aandachtspunten werd aanzien. De nood aan deze geschriften zetten de eerste monastieke huizen in het begin van de zesde eeuw vervolgens aan tot het verzamelen én kopiëren van handschriften.

 

De eerste die de spirituele waarde van het kopiëren van handschriften in een scriptorium benadrukte, was Cassiodorus van Vivarium (ca. 490-580)[7]. Naar het voorbeeld van Benedictus’ abdij te Monte Cassino richtte deze gewezen Romeinse staatsman nabij Vivarium een nieuwe abdij op. In zijn Institutiones divinarum et saecularium litterarum, geschreven tussen 543 en 555, zong hij de boekkunst lof toe en voorspelde hij geluk aan diegenen die zich bezighielden met het kopiëren van de Heilige Schriten[8]. Daarenboven zette hij enkele regels uiteen voor het corrigeren van een tekst.

Benedictus van Nursia, die als oprichter van de Benedictijnse orde algemeen beschouwd wordt als de ‘vader van het Westerse monnikendom’, schreef in het 48ste hoofdstuk van zijn gezaghebbende Regula de noodzaak van regelmatige lectuur en dus de creatie van een bibliotheek in elk klooster voor[9]. Overtuigd van het verderfelijke der ledigheid, achtte Benedictus het noodzakelijk handenarbeid af te wisselen met studie, lectuur en meditatie[10]. Over de manier waarop men aan handschriften, essentieel voor studie en lectuur, kon geraken zwijgt de tekst. Maar hoewel geen woord wordt gerept over het afschrijven van handschriften, een werkzaamheid die nochtans de overgang vormt tussen handenarbeid en geestesoefening, vloeit de veronderstelling van een kloosterscriptorium fataal uit de Regula voort.

 

In hun beginperiode was het voor de kloosters in de eerste plaats van belang hun hoofd boven water te houden. Wilde een klooster zijn overlevingskansen gehandhaafd zien dan moesten de monniken worden ingezet om op het land te gaan werken[11]. De Heilige Ferreolus meende in zijn kloosterregel (c. 550) dat enkel de monniken die te zwak waren om aan veldarbeid te doen in aanmerking kwamen om te schrijven[12].

Waar Benedictus zweeg over het aanmaken van handschriften en volgens Ferreolus enkel de fysiek minderbegaafde monniken zich konden inlaten met kopiëren van handschriften, is het Cassiodorus’ grote verdienste dat hij intellectuele arbeid promootte als belangrijkste taak van de monniken.

Naarmate de kloosters meer en meer rijkdom verwierven, konden de monniken het veldwerk door leken laten verrichten. Dit bracht een verandering teweeg in het profiel van de scribent. Geheel naar Cassiodorus’ opvattingen werd het schrijven een taak voor de bekwaamste en meest intelligente monniken. Als abt van het Saint-Martin klooster te Tours[13] vergeleek Alcuinus de functie van de scribent als zijnde nobeler en verdienstelijker dan deze van een wijnboer:

 

Est opus egregium sacros jam scribere libros

Nec mercede sua scriptor et ipse caret.

Fodere quam vites melius est scribere libros,

Ille suo ventri serviet, iste animae.[14]

 

Aldus wees Alcuinus de monniken de weg van het veld naar het scriptorium met het heilzame karakter van het schrijven als overtuigende argument. Toch was het pas in 1277 dat een generaal kapittel van de Benedictijnen de monniken opriep, al naargelang hun capaciteiten, eerder boeken te bestuderen, te schrijven, te corrigeren, te illumineren en te binden dan op het veld te werken[15].

 

De evangelisatiegolven in de vroege Middeleeuwen zorgden voor een snelle verspreiding van het primitieve “Italiaans scriptorium”-model der eerste (Benedictijnen)kloosters. In de Karolingische periode bereikte het scriptorium zijn volle wasdom. Zoals gezegd maakte de toegenomen welvaart het de monniken mogelijk de zware handenarbeid op het land over te laten aan leken waardoor zij zich meer konden toeleggen op de lichtere geestesarbeid. Daarenboven was sedert de 8ste eeuw in het licht van de Karolingische Renaissance de interesse voor kennis en wetenschap en daarmee ook de vraag naar boeken sterk gegroeid. Dit resulteerde in een toename van de schrijfactiviteit en een ongekende bloei van het scriptorium. Verschillende kloosters, waaronder Saint-Martin de Tours, Corbie[16], Skt. Gallen[17] en St. Albans[18], verwierven grote bekendheid door hun handschriftencollectie en scriptoriumactiviteit[19].

 

Doordat intellectuele arbeid zo’n aanzien verwierf, kon men bij de bouw van een nieuw klooster niet meer voorbij aan de inrichting van een ruimte voor het schrijven en kopiëren van handschriften; een scriptorium werd onontbeerlijk. In ons volgende hoofdstuk zal blijken dat het antwoord op de vraag naar de locatie van het scriptorium in het middeleeuwse kloostergebouw niet vanzelfsprekend is.

 

 

3. Het scriptorium als ruimte

 

3.1. The ‘Production of space’ toegepast op het scriptorium

 

Het scriptorium als ruimte is doorheen de geschiedenis gevuld met de verschillende betekenissen die de mensen eraan hebben gegeven. Zoals Pierre Nora het in zijn Les Lieux de mémoire stelde, kan deze betekenisgeving van ruimte, de ‘Production of Space’[20], kwalijke gevolgen hebben voor de herinnering van een ruimte. Zo meent hij dat historici en de academische historische discipline verantwoordelijk zijn voor het feit dat het verleden in het geheugen van de mensen gedomineerd wordt door gemeenplaatsen. Als voorbeelden van deze lieux de mémoire ziet Nora onder andere de musea, kerkhoven, monumenten, archieven, enz. Het is thans de schuld van de historici dat deze sites uitgegroeid zijn tot artificiële creaties die de geschiedenis representeren als de ruimtelijke veruitwendiging van het collectief geheugen[21].

 

Een toepassing op de scriptoriumruimte geeft Nora’s visie voor een groot deel gelijk. Het scriptorium is in ons collectief geheugen immers evenzeer een artificiële creatie die doorheen de geschiedenis, al dan niet mede door historici, gecreëerd is. Het kunstmatige beeld van een grote zaal vol monniken die handschriften kopiëren en miniaturen aanbrengen is bij de benadering van de scriptoriumruimte gaan overheersen. Een passend voorbeeld is de romantische, maar weinig waarschijnlijke verbeelding van het kloosterscriptorium in Umberto Eco’s alom geprezen roman ‘De Naam van de Roos’[22].

In zijn kritiek op de ‘Production of Space’ besluit Nora ten slotte dat een ruimte in ons geheugen drie karakteristieken bezit: een materialistische, een symbolische en een functionele. Onze analoge definitie van het scriptorium in gedachten houdend, willen we het in dit hoofdstuk enkel hebben over het materialistische karakter van het scriptorium, namelijk de effectieve plaats in het kloostergebouw. Het symbolische karakter – de vraag naar de dieperliggende betekenis – en het functionele karakter – de vraag naar product, producent en specifieke werkomstandigheden – zullen in de volgende hoofdstukken aan bod komen.

 

3.2. Definitie van de scriptoriumruimte

 

Het scriptorium als ‘schrijfvertrek’, ‘lieu d’écriture’ en ‘writing-room’ veronderstelt een ruimte in het klooster die het mogelijk maakte handschriften te kopiëren. Verschillende historici waagden zich reeds aan een definitie van deze ruimte. De zeventiende-eeuwse historicus Charles Dufresne Du Cange omschreef het scriptorium als een kamer in een klooster voor het schrijven van boeken (cella in monasteries scriptioni librorum destinata)[23]. Volgens Maitland was elke onbestemde ruimte, ongeacht haar oppervlakte, een scriptorium, aangezien hij meende dat kleine cellen of kamers zonder functie gewoonlijk scriptoria werden genoemd, ook al werden er geen handschriften gekopieerd[24]. De Belgische historiograaf-archeoloog Thomas Coomans ging nog een stap verder en beweerde in 1990 dat het scriptorium een meubelstuk was, namelijk de schrijftafel die de kopiist in samenspraak met de abt installeerde op de plaats die het meest geschikt was voor zijn arbeid[25].

Geen van vorige definities is volledig maar in elk van hen schuilt een deel van de complexe waarheid. Een algemeen aanvaarde plaatsbepaling, die het scriptorium van een vaste locatie in het kloostergebouw voorzag, is er in de Middeleeuwen immers nooit geweest. Laat staan dat de monniken aan het scriptorium een eenduidige definitie hebben gegeven. Waar eet- en kapittelzaal doorheen de eeuwen een opvallende geografische constante kenden[26], was de lokalisatie van het scriptorium in het middeleeuwse kloosterplan allerminst een vaststaand gegeven. In wat volgt, zullen we pogen de belangrijkste determinanten voor de scriptoriumlokalisatie doorheen de Middeleeuwen te achterhalen.

 

3.3. Het middeleeuwse kloosterplan

 

Hét ideaaltypische kloosterplan is bij de Benedictijnen, noch bij de Cisterciënzers gekend. De heilige Benedictus voorzag in zijn Regel de inrichting van een keuken, een slaapzaal, een ziekenzaal, een kerk, een noviciaat, een gastenhuis, een kapittelzaal en enkele opslagruimtes, maar hij stelde geen model voor een kloosterplan op. De Cisterciënzers kenden wel een typische, sobere Cisterciënzerarchitectuur maar van een algemeen aanvaard Cisterciënzer kloosterplan was er in de voorschriften al evenmin sprake. Deze voorschriften, de Ecclesiastica Officia, veronderstelden in hoofdstuk 55 wel de aanwezigheid van een kerk, een kloosterpand, een kapittelzaal, een auditorium, een slaapzaal, een calefactorium, een eetzaal, een keuken en een opslagruimte[27]. Toch valt bij de Cisterciënzerstichtingen – in tegenstelling tot de Benedictijnen – een grote overeenkomst op wat betreft het kloosterplan.

 

Afbeelding 1: Karakteristiek Cisterciënzer kloosterplan

 

Een ideaaltypisch plan is er niet maar afbeelding 1 (zie bijlage nr.1) toont ons wel een modelplan waar menig Cisterciënzerklooster gelijkenissen mee vertoont. Grote afwezige op dit plan is echter het scriptorium.

Gegeven het gebrek aan consensus bij de oprichting van een nieuw kloostergebouw en de specifieke omstandigheden (ligging, klimaat, geldmiddelen,…) bij de bouw ervan, lijken de scriptoria wel sicut placent te zijn ingepast in het kloosterplan. De ruimtelijke variaties van het scriptorium zijn naderhand haast onoverzichtelijk en geen van hen kan als referentie doorgaan.

 

3.4. Het scriptorium: een ruimtelijke reconstructie

 

Het kloosterplan van Sankt-Gallen (afb. 2, zie bijlage nr. 2), dat model stond voor de bouw van de abdij in 830, toont het scriptorium als deel van de abdijkerk, gelegen vlak naast het koor aan de noordoostelijke zijde[28]. Deze rechthoekige ruimte had dezelfde oppervlakte als de sacristie die zich symmetrisch ten opzichte van de kerk bevond. Op de verdieping boven het scriptorium lag de bibliotheek. De koppeling scriptorium/bibliotheek en hun rechtstreekse verbinding met de kerk, zoals het plan voorzag, moest voor het praktische voordeel zorgen dat de productie, bewaring en het liturgische gebruik van handschriften zich op een kleine oppervlakte concentreerden.

 

Afbeelding 2: Kloosterplan van Sankt-Gallen

 

 

Hoewel de concentratie van deze functionele ruimtes in verscheidene andere abdijen voorkwam, is het kloosterplan voor het scriptorium van Sankt-Gallen mogelijk slechts een model gebleven. Volgens koninklijke vertegenwoordigers die de abdij in 966 bezochten, bevond de bibliotheek zich immers op het gelijkvloers, terwijl het scriptorium nabij de warmkamer of het calefactorium lag (proximum pirali scriptorium)[29].

De inrichting van een geschikt lokaal tot scriptorium zal veelal afhankelijk zijn geweest van de geldmiddelen en beschikbare ruimte in de abdij. Grote kamers of zalen bestemd voor scriptoriumactiviteit kwamen in verschillende kloosters voor, maar waren geenszins de algemene regel. In St. Albans was abt Paul de Caen naast bouwheer van de nog steeds bestaande kathedraal in 1077 ook verantwoordelijk voor de inrichting van een scriptorium. Deze ruimte bevond zich evenals te Crockersand Abbey en Birkenhead Priory (1375) boven de kapittelzaal (afb. 3).

 

Afbeelding 3: het scriptorium van Birkenhead Priory

 

Na Paul de Caen volgden de bibliofiele abten elkaar op. Dit resulteerde in de bouw van een nieuw scriptorium op kosten van abt Thomas de la Mare (1349-96) in samenwerking met de toenmalige scriptoriumverantwoordelijke, Thomas of Walsingham[30]. Naast St. Albans beschikten omstreeks het jaar 1100 onder andere de welvarende kloosters Saint-Martin de Tours, Sint-Maartens te Doornik[31] en Fulda over een grote scriptoriumruimte[32]. In Saint-Martin de Tours werden, tijdens het bewind van Alcuinus, een boek- en een ‘scribentenruimte’ gesignaleerd. Alcuinus zelf stelde inscripties op die deze plaatsen als bibliotheek en scriptorium aanduidden[33].

De praktische, rechtstreekse verbinding scriptorium/kerk, zoals het kloosterplan van Sankt-Gallen voorstelde, vinden we tevens terug in de abdijen van Sint-Bertijns[34] te Sint-Omaars en Lobbes[35] en in het scriptorium van de Luikse kathedraal[36]. Een ander origineel voorbeeld van architecturale aanpassing aan de praktische noden is de inrichting van het scriptorium San Salvador de Tavara (10de eeuw). In een land dat grotendeels bezet was door de Arabieren werd – wegens de omstandigheden – de ruimte van het scriptorium gekoppeld aan een verdedigingstoren. Een miniatuur uit de Apocalypse van Beatus, een product uit het eigen scriptorium, toont ons dat de abdij gedomineerd werd door een grote defensietoren bestaande uit 4 verdiepingen (afb. 4). Aanleunend tegen de toren, was het scriptorium een ruimte van twee verdiepingen die plaats bood aan ten minste twee scribenten en een tafeltje[37].

 

Afbeelding 4: kopiisten aan het werk in de scriptoriumruimte van San Salvador de Tavara

 

Abdijen die zich de luxe van een groot scriptorium niet konden veroorloven, kenmerkten zich vaak door hun praktische eenvoud. In plaats van één apart schrijfvertrek bevond het scriptorium in deze abdijen zich in een multifunctionele ruimte. Zo gebeurde het dat de bibliotheek en het scriptorium zich in éénzelfde ruimte bevonden. De boeken zaten dan in gesloten kasten die voor de nodige lichtinval verticaal tegen de muur waren opgesteld. In het midden van de ruimte stonden lange tafels of afzonderlijke schrijftafels en soms waren er ook tafeltjes tussen de boekenkasten. In de Cisterciënzerabdij van Furness in Engeland bevond de bibliotheek/scriptoriumruimte zich boven de kapittelzaal. Wanneer bibliotheek en scriptorium één ruimte vormden, was deze vaak – vooral in de Ierse abdijen – gelegen naast de keuken of het calefactorium, waar de monniken zich konden verwarmen.[38].

 

Het belang van verwarming bij het schrijven vinden we ook terug in de Cisterciënzerabdij van Villers in Brabant[39] alwaar onder het abbatiaat van Jacques de Bomal (1276-1283) en Jacques de Plancenoit (1310-1315) kleine scriptoriacellen werden ingericht rond het calefactorium[40]. Naast de combinatie bibliotheek/scriptorium kwam de koppeling calefactorium/scriptorium, zoals te Villers in Brabant, frequent voor en dan vooral in Cisterciënzerkloosters. Volgens de Ecclesiastica Officia, was het calefactorium de ruimte waar de monniken schoenen konden smeren, zich verwarmen en waar de aderlating gebeurde[41]. Het staat echter vast dat vaak ook scriptoriumactiviteiten plaats vonden in het calefactorium. Meestal werd de warmte enkel gebruikt voor het klaarmaken van de inkt en het perkament maar het gebeurde dat calefactoria ingericht waren als heuse scriptoria. Mooie voorbeelden hiervan zijn de calefactoria van de Provençaalse Cisterciënzerabdijen te Senanque[42] en Sylvacane[43]. De stelling van Marcel Aubert dat de kopiisten ontegensprekelijk werkzaam waren in het calefactorium moet hier worden herzien[44]. De kopiisten hadden inderdaad nood aan vuur om hun inkt te doen vloeien en hun perkament te drogen, maar deze behoefte mag ons niet doen concluderen dat het schrijven van handschriften daarom uitsluitend in het calefactorium gebeurde.

 

Het schrijven kon bovendien gebeuren in een andere multifunctionele ruimte: de monnikenzaal of salle des moines of day-room. Deze typische Cisterciënzerruimte lag gewoonlijk in het verlengde van de kapittelzaal en naast het calefactorium (zie afb.1, bijlage nr. 1). Erboven bevond zich de slaapzaal, vandaar de Engelse term (dormitory) undercroft als synoniem voor day-room. Daar normatieve teksten als de Ecclesiastica Oficcia de monnikenzaal niet expliciet vermelden, is er heden ten dage weinig over geweten, behalve dat het een ruimte was waar vele activiteiten plaatsvonden[45]. In Kirkstall Abbey[46] en Bonport[47] deed de monnikenzaal naast werkruimte ook dienst als noviciaat. Volgens A. Dimier werd de ruimte van de monnikenzaal meestal ingedeeld in een scriptorium en noviciaat met tussenbeide een muur die voor afscheiding zorgde[48]. Wanneer de abdij echter over een apart noviciaat beschikte, werd de monnikenzaal vooral gebruikt voor allerhande binnenwerken waaronder het kopiëren van handschriften. De salle des moines van Fontenay[49], Noirlac[50] en Vaucelles[51] geven ons een schitterend beeld van dit soort ruimte waar scriptoriumactiviteiten konden plaatsvinden (afb. 5).

 

Afbeelding 5: de salle des moines van Fontenay

 

Het grote, aparte scriptorium was zoals gezegd geen conditio sine qua non. De inrichting rond het calefactorium zoals in de Cisterciënzerabdij Villers, veronderstelde zelfs geen afgesloten ruimte meer. De abdij van Sint-Maartens te Doornik, behorend tot de orde van Cluny, bezat evenmin een gesloten ruimte voor de productie van handschriften. Hier was het scriptorium gelegen in het open kloosterpand. Een beschrijving van Herimann, de derde abt, over de eerste abt, Odo, geeft ons een beeld van de scriptoriumruimte in de abdij van Sint- Maartens te Doornik in de tweede helft van de elfde eeuw:

 

 … en hij (Odo) verheugde er zich over dat de Heer hem zoveel scribenten had toevertrouwd. Wanneer je het kloosterpand binnentrad, kon je over het algemeen twaalf jonge monniken zien die gezeten waren op een schrijfstoel en, in alle stilte, aan de met zorg en kunde gebouwde tafels schreven…[52].

 

 

De regel van de abdij der reguliere kanunniken van St. Victor te Parijs[53], de Consuetudines Regula Sancti Victoris Parisiensis, omschrijft het scriptorium als volgt:

 

 Loca etiam determinata ad eiusmodi (sc.scribendi) opus seorsum a conuentu, tamen intra claustrum praeparanda sunt, ubi sine perturbatione et strepitu scriptores operi suo quietus intendere possint. Ibi autem sedentes et operantes silentium diligenter seruare debent, … .[54]

 

Net als te Sint-Maartens hebben we hier dus ook te maken met de inrichting van een scriptorium in het kloosterpand. Ondanks hun centrale plaats in het kloosterpand moesten de scribenten van St. Victor van de kloostergemeenschap afgezonderd worden (seorsum a conuentu) zodat ze zich ongestoord en in alle rust konden toewijden aan hun arbeid (sine perturbatione et strepitu scriptores operi suo quietus intendere possint).

Het schrijven in een open kloosterpand kende vooral vóór 1200 veel succes maar had ongetwijfeld ook zijn nadelen. Zo zijn er tal van klachten bekend waarin monniken hun ongenoegen uitten over de moeilijke omstandigheden waarin moest worden gewerkt. Een Latijns couplet van een anonieme Benedictijner monnik van Ramsey Abbey in Huntingdonshire heeft als boodschap dat elk seizoen even nefast is voor het schrijven of studeren in het kloosterpand:

 

In vento minime pluvia nive sole sedere

Possumus in claustro nec scribere neque studere[55]

 

Waar de Benedictijnen blijkbaar de voorkeur gaven aan een grote, vaak afgesloten scriptoriumruimte die al dan niet ook als bibliotheek was ingericht, trad met de monastieke hervormingen vanaf het begin van de 12de eeuw bij Cisterciënzers en Kartuizers een ander soort scriptorium op de voorgrond: de kleine cellen of individuele scriptoria. Een buitenbeentje zijn de schrijfruimtes in veel Benedictijnerabdijen uit het laatmiddeleeuwse Engeland. Deze abdijen kenden kleine studieruimtes of ‘carrells’, gelegen in de kloostergang, alwaar geschreven en gelezen kon worden[56]. The Rites of Durham geven ons een mooi beeld van deze carrels:

 

 In the north syde of the Cloister, from the corner over against the Church dour to the corner over againste the Dorter dour, was all fynely glased fom the hight to the sole within a litle of the grownd into the Cloister garth. And in every wyndowe iij Pewes of Carrells, where every one of the old Monks had his carrel, severall by himselfe, that, when they had dyned , they dyd resorte to that place of Cloister, and there studied upon there books, every one in his carrel, all the after nonne, unto evensong tyme. This was there exercise every daie.

 All there pewes or carrels was all finely wainscoted and verie close, all but the forepart, which had carved wourke that gave light in at ther carrel doures of wainscot. And in every carrel was a deske to lye there bookes on. And the carrels was no greater then from one stanchell of the wyndowe to another.[57]

 

In ‘The Care of Books’ berekende Clark dat de noordelijke kloostergang te Durham[58] ruimte bood aan 33 houten (wainscotted) carrells. Niet elke carrell was echter gemaakt uit hout. Zo waren tussen 1370 en 1412 in de zuidelijke kloostergang van de abdij te Gloucester[59] twintig schitterende stenen schrijfvertrekjes gebouwd (afb. 6).

 

Afbeelding 6: een rij carrels in de zuidelijke kloostergang te Gloucester

 

Clark situeerde dit soort scriptoriumcellen verder ook in de Benedictijner abdijen van Westminster (13de eeuw), Bury St. Edmunds, Evesham, Abingdon en St. Augustine te Canterbury (14de eeuw), en Christ Church Canterbury (15de eeuw) [60].

 

Het dubbele karakter – afzonderlijke studievertrekjes in een collectieve werkruimte in het kloosterpand – van deze laatmiddeleeuwse Engelse Benedicijner carrells legt op een treffende manier de brug tussen de grote gemeenschappelijke Benedictijner scriptoria en de typische individuele schrijfcellen der Cisterciënzers en Kartuizers.

De grote thema’s van de monastieke hervorming in de 12de eeuw – de drang naar afzondering en zelfreflectie – hadden ontegensprekelijk hun architecturale consequenties. Bij de nieuwe Kartuizer- en Cisterciënzerorde kwam het accent op het individuele werk te liggen. De scriptoriumruimte werd geïndividualiseerd en vele scribenten gingen in aparte schrijfcellen werken. Een Cisterciënzerstatuut uit het midden van de 12de eeuw, De scriptoriis art. 87, veronderstelt dat het scriptorium niet in het klooster was gelegen en dat al evenmin een grote ruimte (er is sprake van scriptoria) werd voorzien voor het schrijven:

 

 “In omnibus scriptoriis, ubicumque ex consuetudine monachi scribunt, silentium teneatur sicut in claustro”.[61]

 

In de abdij van Clairvaux[62] waren reeds in de 12de eeuw acht schrijfcellen voorhanden, in de buurt van het kerkkoor. De band tussen het scriptorium en het kerkkoor, zoals werd voorgesteld op het Sankt-Gallen kloosterplan, is dus in Clairvaux blijven doorleven[63]. Een grondplan van de abdij van Citeaux[64] uit 1718 toont ons zes kleine schrijfcellen ofte ‘écritoires’, ten noordoosten van de kerk (afb. 7). Vanuit vogelperspectief zien we dat de bibliotheek over de schrijfvertrekjes is gebouwd (afb. 8)[65].

 

Afbeelding 7: grondplan Cîteaux

 

Afbeelding 8: bibliotheek met écritoires (A)

 

Over de datering van deze écritoires hebben we geen informatie gevonden. Een situering in de 15de eeuw is echter plausibel gezien de bouw van een identiek scriptorium tussen 1495 en 1503 in Citeaux’ oudste dochterabdij te Clairvaux.

In hun Voyage Littéraire geven de Benedictijnen Edmundus Martène en Ursini Durand een mooie beschrijving van deze écritoires te Clairvaux:

 

 Du grand cloître on entre dans le cloître du colloque, ainsi appellé, parce qu’il est permis aux religieux d’y parler. Il y a dans ce cloître douze ou quinze petites cellules tout d’un rang, où les religieux écrivoient autrefois des livres: c’est pourquoy on les appelle encore aujourd’hui les écritoires. Au-dessus de ces cellules est la bibliothèque,…[66]

 

Een charmante rekening van Nicolas, secretaris van Bernardus van Clairvaux, getuigt van het bestaan van kleine studiecellen in het prille begin der Cisterciënzerorde. Over zijn ‘scriptoriolum’ schreef hij het volgende:

 

 But it must not be supposed that my little tenement is to be despised; for it is a place to be desired and is pleasant to look upon and comfortable for retirement. It is filled with most choice and divine books, at the delightful view of which I feel contempt for the vanity of this world. This place is assigned to me for reading, writing, and composing, for meditating and praying, and adoring the Lord of Might.[67]

 

Een aparte schrijfcel moet vaak voor gewaardeerde en begaafde monniken als Nicolas voorzien zijn geweest. Zelfs enkele Engelse Benedictijner auteurs en scribenten, onder wie Matthew Paris en Roger of Wendover (12de eeuw), uit de abdij van St. Albans en William of Malmesbury (11de eeuw), abt van de gelijknamige abdij, beschikten over een eigen ‘scriptoriolum’[68]. In de Cisterciënzerabdij van Villers werd, naast de reeds vermelde aanleg van scriptoriumcellen rond het calefactorium, tevens in het bureau van de prior en achter het altaar van de Heilige Catherina een schrijfcel ingericht[69].

De idealisering van de individuele arbeid werd het meest ingrijpend verwezenlijkt door de Kartuizers. Bij de Kartuizermonniken vormde de scriptoriumruimte een deel van hun individuele, aparte woonruimte. Het typevoorbeeld vinden we in de Kartuizercellen van de Grande Chartreuse[70], de moederstichting nabij Grenoble. Het interieur van zo’n wooncel toont ons een klein schrijfvertrek, gelegen op de eerste verdieping, bij de slaapkamer en de bidruimte van de monnik (afb. 9).

 

Afbeelding 9: interieur van een Kartuizercel in de Grande Chartreuse

 

3.5. Samenvatting

 

Uit het vorige is gebleken dat het antwoord op de vraag naar de lokalisatie van de scriptoriumruimte in het middeleeuwse klooster geenszins vanzelfsprekend is. Ondanks het groot aantal variaties kunnen we toch enkele determinanten voor de scriptoriumlokalisering onderkennen.

Het scriptorium was – in tegenstelling tot onze hedendaagse artificiële voorstelling – zelden een grote, alleenstaande afgesloten ruimte enkel gericht op scriptoriumactiviteit. Indien een abdij al over zo’n ruimte beschikte, dan bevond deze zich vaak boven de kapittelzaal, zoals we bij enkele Engelse Benedictijnenkloosters hebben aangetroffen (vb. St. Albans). Een situering in het kloosterpand (vb. Sint-Maartens te Doornik) moet, gezien de vele getuigenissen, meer van toepassing geweest zijn. De meest gebruikelijke lokalisering van het scriptorium was echter de ‘multifunctionele ruimte’ die uitgaf op het kloosterpand. Zowel de bibliotheek (vb. Furness), het calefactorium (vb. Senanque) als de Cisterciënzermonnikenzaal (vb. Fontenay) werden geschikt bevonden om er een scriptorium in te richten.

Met de monastieke hervormingen in de 12de eeuw trad een nieuw soort scriptoriumruimte op de voorgrond: de schrijfcel. Bij de Benedictijnen vormden de zogenaamde Engelse carrells, afzonderlijke studievertrekjes in het kloosterpand, een tussensoort. De Cisterciënzerschrijfcel was een volledig individuele en aparte ruimte die op de meest verschillende plaatsen in het klooster – bij de bibliotheek (vb. Cîteaux), in het kloosterpand (vb. Clairvaux) of zelfs in het bureau van de abt (vb. Villers in Brabant) – voorkwam. Aan bekwame monniken werd dikwijls een eigen schrijfcel of ‘scriptoriolum’ verleend. De Kartuizerscriptoria, ten slotte, vormden een treffende uiting van de ver doorgedreven individualisering van de schrijfarbeid. Iedere Kartuizermonnik beschikte in zijn wooncel over een eigen schrijfruimte (vb. Grande Chartreuse).

 

 

4. De organisatie in het scriptorium

 

In tegenstelling tot het vorige hoofdstuk – waarin we verschillende variaties van de lokalisering van het scriptorium hebben onderzocht – zullen we hier een meer algemene aanpak hanteren. De aangekondigde case study betreffende de scriptoria van Ter Doest en Herne laat immers toe de meer specifieke aspecten van de scriptoriumactiviteiten te belichten. Een interessante bron die we voor de organisatie en werkomstandigheden in het middeleeuws scriptorium hebben gebruikt, is de kloosterregel van de abdij St. Victor te Parijs, de Consuetudines Regula Sancti Victoris Parisiensis, meer bepaald het hoofdstuk 19 dat handelt over het ambt van de armarius[71].

 

4.1. De producenten

 

We vermeldden reeds dat de heilige Benedictus in zijn Regula de noodzaak van zowel hand- als intellectuele arbeid benadrukte. Deze arbeid stond dan ook gewettigd in de dagindeling van de middeleeuwse monnik. Zowel vóór als na het middagmaal waren enkele uren – schommelend tussen twee en zes en afhankelijk van het seizoen en de abdij in kwestie – voorzien waarin de monnik hoorde te werken. Het kopiëren van handschriften was geen activiteit die door elke monnik kon worden uitgevoerd. Vooreerst waren er onder de monniken illiterati, wat wil zeggen: lieden die geen Latijn kenden en dus geen Latijnse teksten konden lezen of schrijven. Daarenboven was de kunst van de kalligrafie geen algemene aanleg. Ten slotte waren verschillende andere taken, waaronder het werk in de keuken en op het land, noodzakelijk voor het voortbestaan van de abdij. Het lekenbroederschap, geïntroduceerd door de Cisterciënzers en overgenomen door andere orden, moest de monniken verlichten van deze taken, waardoor ze zich volledig konden toeleggen op het kopiëren. Dit nam niet weg dat ook de lekenbroeders soms actief waren als kopiist.

Met de bloei van het scriptorium in de achtste eeuw trad een bijzondere klasse van kopiisten op de voorgrond, de antiquarii en librarii[72]. De eersten waren oude, ervaren monniken begaafd in kalligrafie. Ze stonden in voor het kopiëren van de liturgische en meest prestigieuze handschriften. De librarii of gewoonweg scriptores bestonden uit de overige monniken en de novicen. Zij kopieerden de meer gewone handschriften[73]. Bij de productie van een handschrift kwamen verder nog boekbinders of ligatoren, rubricators en miniaturisten onderlegd in het aanbrengen van gekleurde letters en illuminatoren-kunstenaars van geschilderde of getekende initialen en miniaturen in actie. Ten slotte deden ook de vertalers en auteurs hun literaire activiteiten in de scriptoria.

De meest ervaren scribenten, vaak de abt en de scriptoriumverantwoordelijke, werden ingezet als correctoren of proeflezers. In de abdij St. Victor werden de kopiisten in twee klassen verdeeld, enerzijds “his quibus iniugitur” of zij die het schrijven als taak hadden en anderzijds “his quibus conceditur” of zij die “propria uoluntate” schreven. Deze laatsten schreven nooit zonder toestemming van de abt. De aanstelling van de kopiisten gebeurde tijdens de vergadering in de kapittelzaal, alwaar de abt verschillende kopiisten aanduidde (in communi capitulo iniugentur, ibique abbas determinabit eis quibus horis eos scripturae uacare)[74].

 

Daar het aantal kloosterbewoners dat de pen wist te hanteren niet altijd volstond om aan de vraag naar handschriften te voldoen, werd nu en dan beroep gedaan op kopiisten van buiten het eigen klooster. Naast kopiisten uit een ander klooster kwamen ook leken-kopiisten in aanmerking voor deze opdracht. Daarmee werd een van de belangrijkste geloften van het monnikenideaal, de afzondering van de wereld, met de voeten getreden. Toch moet deze keuze voor beroepsschrijvers vooral gezien worden als een noodzakelijke beslissing van de kloostergemeenschap bij de grondlegging van de bibliotheek[75]. In de abdij van St. Albans werd het scriptorium, door het verval van de Engelse abdijen sinds de Deense invallen, onder het abbatiaat van Paul van Caen enkel bevolkt werd door ingehuurde, Normandische kopiisten[76]. In het twaalfde-eeuwse St. Victor werden, volgens de kloosterregel, eveneens kopiisten van buiten het klooster in dienst genomen om handschriften te kopiëren[77]. Ook voor de versiering werd, vooral in de Late Middeleeuwen, vaak beroep gedaan op professionele miniaturisten.

 

Over het algemeen gebeurde de opleiding van de kopiist in de abdij zelf, door oudere kopiisten of door de scriptoriumverantwoordelijke[78]. Deze scriptoriumverantwoordelijke had de leiding over de organisatie van het scriptorium en kreeg zijn bevelen rechtstreeks van de abt. Gewoonlijk was het de koormeester of precentor die verantwoordelijk werd gesteld voor zowel de bibliotheek als het scriptorium. Zijn taak als bibliothecaris gaf hem ook wel de bijnaam armarius. Bij de Cisterciënzers waren de functies van precentor en armarius van elkaar losgekoppeld waarbij de armarius verantwoordelijk was over het scriptorium. Bij de Kartuizers was het de sacrista of sacristijn die naast de zorg voor de kerk, de altaren, de sacristie en de bibliotheek ook verantwoordelijk was voor de boekenproductie[79].

De armarius van St. Victor was naast surveillant in het scriptorium ondermeer belast met het uitdelen van alle noodzakelijke benodigdheden – pargamena et cetera – voor het scriptoriumwerk[80]. Verder stond hij in voor het nazien en verbeteren van de gekopieerde handschriften[81].

 

4.2. De werkomstandigheden

 

4.2.1. Het materiële aspect

 

Een functioneel scriptorium moest degelijk en praktisch uitgerust zijn, te beginnen met het meubilair. De kopiist werkte aan een schrijftafel en –bank. Hiervan zijn verschillende iconografische bronnen – vaak een voorstelling (van één) van de evangelisten – overgeleverd. Een mooi voorbeeld is de miniatuur uit een handschrift van de abdij van Echternach[82] (ca. 1040) (afb. 10). We zien twee kopiisten, een monnik en een leek, aan het werk in de scriptoriumruimte. Ze zijn gezeten op een stoel zonder rugleuning en schrijven op een klein tafeltje.

 

Afbeelding 10: Twee kopiisten aan het werk in de abdij van Echternach

 

Hoewel afbeelding 11 een 15de eeuwse professionele scriptor toont, mogen we deze voorstelling ook als typisch beschouwen voor de werkomstandigheden in het middeleeuwse kloosterscriptorium. De persoon die wordt afgebeeld is Jean Miélot, een veelzijdig man die naast kopiist ook vertaler en bewerker van teksten was. Bovendien was hij kanunnik te Lille en de secretaris van de Bourgondische hertogen Filips de Goede (†1467) en Karel de Stoute (†1477).

 

Afbeelding 11: Jean Miélot aan het werk

 

We zien dat – net als op de miniatuur van Echternach – de kopiist gezeten is op een stoel zonder rugleuning. Opvallend is de betere uitrusting van Jean Miélot. Het schrijftafeltje van Echternach is vervangen door een heuse lessenaar met het afschrift er schuin overheen, zodat de kopiist rechtop zittend kon schrijven.

 

In de regelgeving der eerste Kartuizers, opgesteld door Guigo I, vinden we een opsomming van de benodigdheden van een scribent. De Consuetudines Cartusiae vermelden:

 

 Ad scribendum vero, scriptorium, pennas, cretam, pumices duos, cornua duo, scalpellum unum, ad radenda pergamena, novaculas sive rasoria duo, punctorium unum, subulam unam, plumbum, regulam, postem ad regulandum, tabulas, grafium[83].

 

Het perkament, dat reeds vooraf grof onthaard en ontvleesd was, werd met het scalpellum verder afgewerkt. Vervolgens werd het met krijtmeel (cretam) en twee puimstenen (pumices duos) geschuurd. Deze behandeling belette dat de inkt bij het schrijven zou uitlopen en dat de pen door het ruige vlies zou geschonden worden. Daarna werd het perkament met scheermessen (novacula) op de gewenste maten gesneden. Met de linieerspeld (punctorium) werden de randprikken aangebracht, welke de afstanden tussen de lijnen zouden aanduiden, waarna in potlood, met behulp van liniaal (regula) of linieerraam (postem ad regulandum), de lijnen werden getrokken waarop het schrift zou komen te staan. Dit alles was nog maar het voorbereidend werk.

Wanneer dan ook de pennen (pennas) versneden waren, kon het voornaamste beginnen: het overschrijven zelf. Tijdens zijn kopieeractiviteit beschikte de kopiist over een aantal inktpotten (cornua duo), meestal met inkt van een verschillende kleur. Naast het pennenmes werd vaak het schietlood (plumbum) gebruikt om het perkament, dat graag krulde, tegen te houden[84]. Verder kon de scribent met een schrijfstift (grafium) vluchtige notities maken op wastafeltjes (tabulas). Eenmaal de tekst overgeschreven en gecorrigeerd was, konden de vellen worden ingebonden. Met een priem (subulam) werden de gaatjes gemaakt waardoor touwen werden geschoven[85].

 

4.2.2. Zuchten van verlichting

 

De weinig dankbare omstandigheden waarin de scribenten moesten werken, zijn in de vakliteratuur vaak over het hoofd gezien. Hoewel er geen statuten over het dagelijkse leven in het scriptorium bekend zijn, zijn er toch enkele kleurrijke getuigenissen hieromtrent overgeleverd.

Het ongenoegen van de monnik werd grotendeels veroorzaakt door de fysieke ongemakken die gepaard gingen met het afschrijven. Een monnik die niet wilde kopiëren, kon worden gestraft. Zo bepaalden de statuten van de Kartuizers dat de monniken van wijn moesten worden onthouden:

 

 «Qui scribere scit et potest, si noluerit, a vino abstineat arbitrio priori[86]

 

Een mooie bron zijn de verschillende getuigenissen van scribenten, in de vorm van een explicit op het einde van hun afschrift, waarin zij zich verheugden dat het harde, eentonige werk voorbij was[87]. Deo Gratias!, Amen! en Feliciter! waren veelgebruikte slotwoorden. In zijn explicit slaakte een monnik van Corbie een typische zucht van verlichting: “Wie de kalligrafie niet beoefent, weet niet hoeveel moeite wij moeten doen. Zo zoet als de haven is voor den zeevaarder, zo zoet is de laatste regel voor de schrijver. Slechts drie vingers houden de pen vast, maar het gehele lichaam zwoegt”[88]. Een monnik uit de abdij St. Aignan te Orleans klaagde steen en been: “Schrijven is onnoemelijk saai. Het kromt je rug, vermindert je zicht, brengt de spijsvertering in verwarring en kraakt je romp[89]”. Daarom gebeurde het ook dat kopiisten aan het einde van hun schrijfwerk compensaties opeisten[90].

 

Al even kleurrijk zijn sommige marginale notities. Een prachtig voorbeeld hiervan vinden we in een negende-eeuws afschrift van Cassiodorus uit de abdij van Laon: “Het is koud vandaag. Natuurlijk, want het is winter. De lamp geeft weinig licht. Het is tijd om wat te werken. Och ja, dit vel is harig. Ik noem dit een dun vel. Ik voel me nogal futloos vandaag. Ik weet niet wat er mis is met mij.[91]

Hoewel verboden, werkte deze kopiist toch bij artificieel licht. In het felle daglicht werd immers een grote foutenlast, een slecht geschrift en het gevaar dat het perkament beschadigd werd door kaarsenvet of vuur vermeden. Een andere, strikte regel was het gebod van stilte in het scriptorium. De scribenten werden, om onnodig lawaai te vermijden, verboden het scriptorium te verlaten zonder toestemming van de abt of scriptoriumverantwoordelijke. Omdat absolute stilte voor heel wat praktische problemen zorgde bij de uitvoering van de taak van de kopiist, werd in heel wat scriptoria een ingenieus systeem van gebarentaal geïntroduceerd.

 

Het spreekverbod in de middeleeuwse scriptoriumruimte was algemeen maar verschilde per orde in zijn strengheid. Bij de Cisterciënzers was gebabbel onvoorwaardelijk verboden[92] terwijl de Kartuizers tijdens de arbeid wel mochten spreken onder elkaar, maar niet met anderen[93]. Ook in St. Victor was er een absoluut spreekverbod (Scribentes diligenter silentium observare debent). Wilde men persé toch iets dringends vertellen en was deze boodschap niet door tekens duidelijk te maken dan moest de armarius de scribent eerst naar de spreekkamer (in locutorium) of het parloir brengen[94].

 

Het beeld dat we hier van de werkomstandigheden in het middeleeuwse scriptorium hebben geschetst, bekrachtigt de hedendaagse betekenis van het woord ‘monnikenwerk’. Het was een eentonige, fysiek zware arbeid die strikt geregeld werd en niet kon worden geweigerd[95]. Maar wat motiveerde de monniken handschriften te kopiëren? Welke zin had deze arbeid voor hen dat ze er zich zo op toelegden? Met andere woorden, wat was de dieperliggende betekenis, welk spiritueel doel mobiliseerde zoveel abdijen een scriptorium op te richten? Deze en andere vragen zullen in ons volgende hoofdstuk aan bod komen.

 

 

5. Het scriptorium: een spiritueel aspect

 

In hoofdstuk 2 over de opkomst en de bloei van het scriptorium, in de betekenis van het door ons gedefinieerde containerbegrip, werd reeds duidelijk dat het succes van het middeleeuws scriptorium niet los kan worden gezien van de accentverschuiving naar een spiritueler zingeving van het schrijfwerk en de promotie van intellectuele arbeid in zijn geheel. Figuren als Cassiodorus en Alcuinus speelden hierin, zoals is gebleken, een grote rol[96]. Waar de hoofdredenen voor het kopiëren van handschriften in eerste instantie de nood aan boeken en de afschuw voor luiheid en inactiviteit waren, manifesteerde zich geleidelijk een spirituele motivering van deze arbeid. Deze verandering van arbeidsethos had ongetwijfeld een positief effect op de scriptoriumactiviteiten. De spirituele betekenisgeving consolideerde en intensiveerde de rol van het middeleeuwse scriptorium en bracht het tot een uniek literair productiecentrum waarvan de vruchten tot op vandaag van een onschatbare waarde zijn. Maar vooraleer we het literaire aspect van het scriptorium behandelen, dringt zich eerst en vooral de vraag op wat we nu precies onder deze ‘spirituele betekenisgeving’ kunnen verstaan.

 

5. 1. Schrijven als spirituele investering

 

Het gebiedt ons hier nog eens dieper in te gaan op De institutione divinarum litterarum van Cassiodorus. Een parafrase van een belangrijke passus uit dit werk vat Cassidorius’ visie op het schrijven van boeken perfect samen: “Ik geef toe dat van alle taken die fysieke inspanning vereisen die van de scribent, indien hij correct schrijft, me het meest behaagt; en het behaagt me, misschien niet zonder reden, dat bij het lezen van het Heilige Schrift de kopiist zijn eigen geest onderricht en door het kopiëren Gods gedachten verspreidt. Gelukkig is zijn opzet een aanmoediging voor zijn ijver, om met de handen te prediken en met de vingers te spreken, de doden het zielenheil te verlenen en om met pen en inkt tegen de gemene verleidingen van de Duivel te vechten. Elk woord van God, geschreven door de kopiist, is een nieuwe wonde voor de Duivel.[97]

De impact van deze woorden mag in geen geval onderschat worden. Een vergelijking met een passage uit Guigo’s Consuetudines der Kartuizers maakt duidelijk waarom. Guigo I schrijft: “Wij willen dat de boeken vervaardigd worden met de grootste toewijding en dat ze met de grootste zorg bewaard worden, als eeuwig voedsel voor onze ziel, om het woord van God te verkondigen met onze handen, daar we dit met de mond niet kunnen. Want, zoveel boeken we kopiëren, zoveel we ons als bodes van de waarheid laten uitschijnen. We hopen dan ook op een beloning van God, voor zij die van dwalingen worden teruggebracht of vooruitgang maken in het ware geloof, en voor zij die tot berouw komen over hun zonden en gebreken of in hun verlangen naar het hemelse vaderland worden aangespoord.[98]” De gelijkenis tussen Cassidorus’ en Guigo’s passages valt vooral op in de Latijnse formulering dat Gods woord met de handen gepredikt wordt. Cassiodorus verwoordt het als ‘Domini praecepta….., manu hominibus praedicare’ terwijl Guigo de woorden ‘Dei verbum manibus praedicemus’ gebruikt.

Beide passages vatten mooi de spirituele betekenisgeving en motivering voor het schrijven samen. Het kopiëren van handschriften was een uiterst nobele activiteit, een ‘opus egregium’, waardoor de monnik een stap dichter zette bij het verdienen van zijn zielenheil, kortom een spirituele investering. Een argument waarvoor de kopiist blijkbaar de nodige zelfopoffering en ontberingen kon opbrengen. De abdij van Cîteaux formuleerde de hoopgevende belofte van de hemel in een inscriptie boven de scriptoriumruimte:

 

Scriptori pro poena dantur celestia regna[99]

 

Dat enkele monniken uit het Noord-Nederlandse Premonstratenzerklooster te Mariëngaarde[100] in het klooster te Steinfeld[101] verbleven “pro scribendis libris vel alliis spiritualibus exercitiis”, onderschrijft de hier beklemtoonde spirituele aard van het schrijven van boeken perfect[102]. Schrijven stond immers gelijk aan elke andere spirituele opdracht.

 

5.2. Schatten der monniken

 

Niet alleen het schrijfwerk werd als iets godsvruchtigs aanzien, ook het resultaat van deze arbeid werd goddelijke eigenschappen toegemeten. Zonder hen kon een klooster immers niet normaal functioneren. Bij tal van hun activiteiten (meditatie, studie, lectuur) en in haast alle kloosterruimtes (kerk, klooster, eetzaal, kapittelzaal, geneeskamer, slaapzaal, noviciaat) deden de monniken immers beroep op boeken. Het succes van het epigram “claustrum sine armario, castrum sine armamentario” is in dit opzicht niet verwonderlijk[103]. Het scriptorium was als een keuken die het voedsel voor de ziel bereidde (sempiternum animarum nostrarum cibum). De Kartuizer Hugo van Lincoln omschreef het als volgt: “Boeken zijn ons genot en onze rijkdom in tijden van vrede; onze aanvals- en verdedigingswapens in oorlogstijd; ons voedsel tijdens honger, ons medicijn tijdens ziekte.”[104]

Vele boeken werden als heilig offer opgedragen aan de patroonheilige van de abdij en/of onder de hoede van God of de Drievuldigheid geplaatst (bv. de bijbel van Lobbes uit 1097 [105]). Wanneer een scribent in het scriptorium handschriften kopieerde, nam hij tezelfdertijd de rol van een priester aan, daar het produceren van boeken letterlijk als Godsdienst werd aanzien. Hij, zo lazen we bij Cassiodorus, verspreidde Gods gedachten (Domini praecepta disseminent), gaf de doden zielenheil (salutem mortalibus tamen) en bestreed bovendien de Duivel (contra diaboli subreptiones illicatas pugnare).

 

Het heilige karakter en de kostprijs maakten van de handschriften uiterst waardevolle objecten en zoals elk waardevol object waren ook handschriften heel kwetsbaar. Een manier om de veiligheid van de boeken te garanderen, was de inrichting van leeslessenaars (pulpita) vanaf de 11de eeuw, waarbij de boeken met ketens vastlagen (libiri catenati) en uit de boekenrekken tot op de leestafel konden neergelegd worden. Vele handschriften werden niet ‘gevangen genomen’ maar waren ingeschakeld in een uitleencircuit onder kloosters waarbij hun kwetsbaarheid er bepaald niet op verminderde. Dit blijkt uit de talrijke anathema en waarschuwingen die scribenten aanbrachten aan het einde van hun afschrift.

 

Een algemene formulering was de vloek die in verschillende handschriften van St. Albans zijn aangetroffen:

 

 “Dit boek behoort tot St. Albans, moge wie dit boek ook van hem steelt of zijn titel verwoest, vervloekt worden (Hic est liber Sancti Albani quem qui ei abstulerit aut titulum deleverit anathema sit)”[106]

 

Kopiisten als priesters en handschriften als heilige, doch niet onschendbare offers: de scriptoriumruimte moet zich in het middeleeuwse klooster geprofileerd hebben als één der belangrijkste religieusspirituele ruimtes ná het kerkgebouw. Haar symbolische karakter (cfr. supra: P. Nora’s drie karakteristieken van een ruimte) dat we hier benadrukten, was overigens één van de doorslaggevende factoren in haar succes. Dit spirituele aspect van het sriptorium is voorheen echter te weinig beklemtoond. De vraag naar de dieperliggende betekenis van het kopiëren van handschriften is nochtans even relevant als de vraag naar de specificiteit van de handschriften. Nu we die eerste vraag hebben beantwoord, kunnen we ons gaan richten op het literaire aspect van het scriptorium, met name de handschriften zelf[107].

 

 

6. Het Cisterciënzer- en Kartuizerscriptorium als literair productiecentrum

 

In onze behandeling van de ruimte, de organisatie en de spirituele betekenisgeving van het scriptorium beoogden we voornamelijk een algemene, middeleeuwse synthese. Hierbij was het niet onze bedoeling naar een totaalbeeld van de middeleeuwse scriptoria noch naar hét typisch middeleeuwse scriptoriummodel te streven. Het totaalbeeld was – in het tijdsbestek van ons onderzoek – praktisch onmogelijk; het typemodel al evenzeer, daar er nooit iets als een typisch middeleeuws scriptorium heeft bestaan. Om deze reden hebben wij een handige werkdefinitie van “het scriptorium” geformuleerd en hebben we aan de hand hiervan gepoogd het middeleeuwse scriptorium te reconstrueren door te gaan zoeken naar de belangrijkste determinanten, zowel op ruimtelijk, organisatorisch als spiritueel vlak.

 

Onze ruime aanpak wat betreft tijd, geografie en monastieke orde zullen we nu geleidelijk aan verlaten om in het tweede deel en het derde deel van onze verhandeling te komen tot de reconstructie en vergelijking van een Cisterciënzer- en een Kartuizerscriptorium in het laatmiddeleeuwse Vlaanderen. Aldus zullen we het in dit hoofdstuk, bij wijze van inleiding op Deel II, hebben over het literaire aspect van de middeleeuwse Cisterciënzer- en Kartuizerscriptoria. Na een korte inleiding betreffende de opkomst en de institutionele kenmerken van beide ordes, zal hier meer bepaald het functionele karakter van het scriptorium als literair productiecentrum worden besproken.

Stond dit productiecentrum van boeken in voor alle literaire noden van het klooster? Indien niet, hoe geraakten de Cisterciënzers en Kartuizers aan hun andere boeken? Welk soort boeken (typologie) werden geschreven? Kunnen we enkele specifieke eigenschappen wat betreft de vormgeving van de literaire producten in beide orden onderscheiden? Kende het Cisterciënzer- en Kartuizerscriptorium van 1100 tot omstreeks 1500 een constante literaire productie? Hoe evolueerde deze monastieke handschriftenproductie zich in het laatmiddeleeuwse Vlaanderen? Deze vragen zullen hier centraal staan.

 

6.1. Inleiding: onstaan en organisatie van de Cisterciënzer- en Kartuizerorde

 

Het ontstaan van de Cisterciënzer- en Kartuizerorde verliep gelijklopend: beide orden kenden hun oorsprong in dezelfde periode (einde van de 11de eeuw) en uit eenzelfde hervormingsbeweging. Deze kenmerkte zich door een terugkeer naar de oorspronkelijke idealen van het monnikenleven: de gelofte van armoede, het streven naar een simpel, ascetisch bestaan en de drang naar afzondering van de buitenwereld[108]. Toch lagen de accenten verschillend: de Kartuizers zweerden bij een hermetisch bestaan en vonden hun inspiratie bij de woestijnvaders, terwijl de Cisterciënzers in de eerste plaats voor een terugkeer naar de eenvoud van de Benedictijnse Regel ijverden. Hoewel deze Regula voor beide orden het institutioneel kader vormde, waren ook hieromtrent onderlinge verschillen. Bij de Kartuizers was de Regel, naast vele andere bronnen, een belangrijk onderdeel van de wetgeving, de Consuetudines Cartusiae[109]. Bij de Cisterciënzers was de Regel een doel op zich. Het Cisterciënzerideaal was immers opgebouwd rond de (her)inachtneming van de Regel van Benedictus. Dit ideaal en andere Cisterciënzergebruiken werden vastgelegd in de fundamentele wetgeving der Cisterciënzers, de Ca