| De Marokkaanse binnenlandse politiek onder koning Hassan II van Marokko (1961-1999), in de Vlaamse dagbladpers. Een comparatieve analyse van "De Standaard", "Vooruit / De Morgen" en "Het Laatste Nieuws". (Hatem El Sghiar) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
5.1 Inleiding
Hassan fixeerde zich na de aanslagen op zijn leven op 1 punt: de hereniging van zijn land via tal van kanalen. De eerste poging werd de marokkanisatie van de gronden in buitenlandse handen. De Marokkaanse bevolking kreeg hier weinig resultaat van te zien, aangezien deze grond of in het bezit kwam van de koning, of in handen van een van zijn naaste medewerkers en / of vertrouwelingen. De organisatie van een Arabische top had ook al geen effect, aangezien de bijeenkomst boven de hoofden van de mensen gebeurde. Pas vanaf 1975 slaagde Hassan II er in de heersende onvrede in zijn land enigszins te temperen door de aandacht van zijn onderdanen te richten op het conflict rond de westelijke Sahara. In november 1975 wist hij meer dan een kwart miljoen Marokkanen te motiveren om ongewapend op te stappen in de Groene Mars naar de Sahara om het grondgebied op te eisen. Heel het land, de felste oppositie incluis, plaatste zich achter de annexatieplannen. De bij wijlen uiterst forse repressie van links werd verzacht. Na de annexatie besloot Hassan zijn belofte uit 1975 in te lossen, nl. dat als de Sahara-kwestie eenmaal geregeld was, er een nieuwe aanloop tot de overgang naar de constitutionele monarchie zou worden ondernomen, de zogenaamde “inrichting van de democratie”. Hassan II moest de teugels wel laten vieren: Marokko verloor elke maand nog 120 à 185 man in de Sahara, zowel de OAE als de VN hekelden het beleid van Marokko, het Polisario werd gesteund door Algerije en Libië enz. Zolang de buitenlandse politieke druk op Marokko voortduurde, was het in het belang van Hassan II dat in de binnenlandse politiek een bepaalde solidariteit bleef bestaan. Niet alleen op politiek vlak bleek de westelijke Sahara een ideale bliksemafleider te zijn, ook economisch was dit gebied wegens zijn fosfaatvoorraden van belang. De dure oorlog in de Sahara, de daling van de fosfaatprijzen en het IMF dwongen de regering in de jaren ’80 een strenge bezuinigingspolitiek door te voeren. Het intrekken van de subsidies op bepaalde levensmiddelen zouden in 1981 en 1984 tot grote opstanden leiden, die iedere keer bloedig werden onderdrukt en honderden arrestaties tot gevolg hadden. De ontevredenheid bij de bevolking en de politieke partijen nam toe.
5.2 De verkiezingen van ’76 en ’77.
De na de invoering van de grondwet van 1972 aangekondigde verkiezingen bleven uit. In zijn troonrede van 3 maart 1974 verklaarde de koning dat hij van plan was de datum voor de parlementsverkiezingen vast te stellen, maar hij gaf niet aan wanneer.Tijdens een persconferentie op 17 september 1974 uitte hij de wens dat Marokko tegen oktober 1975 een parlement zou hebben. Maar in zijn troonrede van 3 maart 1975 maakte Hassan bekend dat de verkiezingen voor onbepaalde tijd waren uitgesteld. Eerst moest het Marokkaanse volk “zijn geüsurpeerde gebieden” herwonnen hebben, daarmee doelend op de westelijke Sahara. Dit uitstel sloot volgens Hassan echter niet uit dat vertegenwoordigers van de politieke partijen aan de regering zouden deelnemen. Op 7 juli 1975 kondigde de koning dan toch aan dat binnen 12 tot 18 maanden algemene verkiezingen zouden worden gehouden. Deze zouden worden voorafgegaan door verkiezingen voor de provinciale assemblees, die overeenkomstig de grondwet één derde van de parlementsleden moeten aanwijzen. De voorbereidingen voor die verkiezingen zouden eind september beginnen, zodat het parlement in april 1977 bijeen kon komen, aldus de koning op 8 juli 1976. Er zou een een commissie gevormd worden die toezicht zou houden op het verloop van de verkiezingen. Deze zou bestaan uit de leiders van alle politieke partijen “die ernstig blijk hebben gegeven van hun goede wil tijdens de gebeurtenissen die wij onlangs hebben doorgemaakt”. De koning vond dat het Marokkaanse volk rijp genoeg was voor verkiezingen: “Het volk van de Groene Mars heeft ruimschoots verdiend zijn eigen zaken te regelen”. Er volgde een herziening van de kiesregisters en er werden ook kiesregisters aangelegd voor de drie Sahara-provincies. [50]
5.2.1 Gemeenteraadsverkiezing en verkiezing van de provinciale assemblees
Op 12 november 1976 vonden verkiezingen plaats voor 830 gemeenteraden, de eerste vrije verkiezingen na 16 jaar volgens Internationales Afrika Forum (1/1977). De 13.362 zetels, na de bekendmaking van de uitslag zonder nadere toelichting op 13.383 gesteld, werden betwist door ca. 42.400 kandidaten o.w. 24.816 ‘onafhankelijken’, waarvan de meesten monarchisten waren. Volgens het ministerie van binnenlandse zaken brachten 4.331.568 kiezers hun stem uit bij een opkomst van 65,45%. De verdeling van de zetels zag er als volgt uit:
Tabel 2 Aantal verkozen kandidaten en procentuele zetelverdeling na de gemeenteraadsverkiezingen van 1976
|
|
Gekozen kandidaten |
% zetels |
|
Onafhankelijken |
8.607 |
64,31 |
|
Istiqlal |
2.184 |
16,32 |
|
MP |
1.045 |
7,82 |
|
USFP |
874 |
6,53 |
|
MPD |
452 |
3,38 |
|
UNFP |
113 |
0,84 |
|
PA |
58 |
0,43 |
|
PPS |
26 |
0,19 |
|
PDC |
19 |
0,14 |
|
PLP |
5 |
0,04 |
Volgens de secretaris-generaal van de regeringsgezinde partij MP, Mahjoubi Aherdane, was de werkelijke vertegenwoordiging van de MP groter dan de officiële 1.045 zetels aangezien veel onafhankelijken tot zijn partij zouden behoren. In het algemeen meenden de leiders van de oppositiepartijen dat het democratische experiment moest worden voortgezet, al werd op onregelmatigheden gewezen en betwistte de USFP (die 29 van de 39 zetels in Rabat verwierf) de haar toebedeelde resultaten. Dat de democratie nog niet echt was ‘ingericht’, bewijst het incident op 24 november in Aïn Beni Mathar in de provincie Oujda, waarbij drie personen door politietroepen doodgeschoten werden en acht personen gewond geraakten. De politie opende het vuur op een menigte van voornamelijk Istiqlalleden die zonder toestemming bijeen was om te protesteren tegen de arrestatie van één van hun pas verkozen collega’s. Volgens de Istiqlal wilde de plaatselijke overheid de oppositie zo de meerderheid in de raad ontnemen. Het tribunaal te Oujda veroordeelde volgens Le Monde (13/12/’76) i.v.m. het incident 40 personen tot gevangenisstraffen variërend van 1 tot 6 maanden; 36 personen werden vrijgesproken, terwijl 26 anderen al tijdens het vooronderzoek waren vrijgelaten. Het protest was vooral begrijpelijk omdat de plaatselijke verkiezingen in rechtstreeks verband stonden met de verkiezingen voor de provinciale assemblees en het parlement.
De gemeenteraadsleden kozen op 25 januari 1977 de 513 vertegenwoordigers voor de assemblees van de 31 provincies (waaronder de 3 Sahara-provincies) en de twee prefecturen (Rabat en Casablanca). Ook bij deze verkiezing behaalden de onafhankelijke kandidaten de meerderheid van de zetels bij een opkomst van 98% en 95,32% geldige stemmen. De USFP en de Istiqlal beschuldigden het bestuursapparaat van directe inmenging in de verkiezingen.[51]
Tabel 3 Zetelverdeling van de provinciale assemblees en de prefecturen in 1977
|
|
Zetels |
|
Onafhankelijken |
369 |
|
Istiqlal |
50 |
|
MP |
45 |
|
USFP |
27 |
|
MPD |
15 |
|
UNFP |
3 |
|
PA |
2 |
|
PPS |
1 |
|
PDC |
0 |
|
PLP |
1 |
|
Totaal |
513 |
5.2.2 Een opening naar de oppositie?
Op 1 maart 1977 benoemde de koning vier partijleiders tot staatsministers zonder portefeuille. Twee van hen, Mahjoubi Aherdane (voorzitter van de MP) en Abdelkrim Khatib (voorzitter van de MPD) golden reeds als steunpilaren van de troon. Maar de twee anderen behoorden tot de actiefste politici van de oppositie: Mohammed Boucetta (secretaris-generaal van de Istiqlal) en Abderrahim Bouabid (eerste secretaris van de USFP). Bouabid was in mei 1960 van zijn functies (vice-premier en minister van economische zaken) ontheven en had sindsdien geen deel meer van de regering uitgemaakt; Boucetta was samen met twee andere ministers in januari 1963 afgetreden. De koning hoopte dat de nieuwe ministers zouden bijdragen tot het welslagen van de komende verkiezingen, vooral omdat na de gemeenteraadsverkiezingen de toenadering tot de oppositie nog voor de nationale verkiezingen dreigde te mislukken. Ook hoopte hij de nationale eenheid te kunnen versterken voor de strijd in de westelijke Sahara. Inmiddels leverden de verkiezingen voor vertegenwoordigende beroepsorganen in maart ook de meerderheid op voor de onafhankelijken: 367 van de 445 zetels in de kamers van landbouw, 147 van de 152 zetels voor de industrie, 239 van de 270 voor de handel en 216 van de 233 zetels voor de nijverheid. Van 21 maart tot 4 april werden de kiesregisters geheel herzien; in totaal waren toen 6.463.236 kiezers geregistreerd. Op 8 maart werd de perscensuur opgeheven, die sinds de ontbinding van het parlement in 1971 van kracht was. De maatregel kwam vooral de bladen van de Istiqlal, de USFP en de PPS ten goede.[52]
5.2.3 Directe (3/6/1977) en indirecte parlementsverkiezingen (21/6/1977)
Twee derde van de 264 afgevaardigden moest rechtstreeks door het volk worden gekozen; één derde zou uit de gemeenteraden en uit de beroeps- en werknemersorganisaties worden gerekruteerd. Voor de 176 rechtstreeks verkiesbare zetels hadden zich ruim 1000 kandidaten aangemeld, o.w. 456 onafhankelijken, 161 voor de Istiqlal, 141 voor de USFP en 90 voor de PPS. Bij een opkomst van 82% gaf dit de zetelverdeling uit de eerste kolom in tabel 4.
Op 6 juni kondigde Bouabid, die niet herkozen werd, aan dat hij binnenkort de regering zou verlaten. In een door hem voorgelezen verklaring van het politieke bureau van zijn partij werd gesteld dat de resultaten van de parlementsverkiezingen “geenszins de realiteit van het land weerspiegelen, maar ertoe strekken de wil en de keus van de kiezers in ongelooflijke proporties te verminken”. Vanuit ‘gezaghebbende bron’ werd op 8 juni door MAP gesteld dat de verkiezingen regelmatig waren verlopen en dat 4 USFP-kandidaten ondanks het beweerde “terreurklimaaten het volledig ontbreken van bewegingsvrijheid” voor de partij toch maar waren gekozen. Maar dezelfde dag verklaarde ook staatsminister en Istiqlalleider Boucetta dat tijdens de verkiezingen “veel onregelmatigheden waren begaan”, zoals vervalsingen van stembusresultaten en arrestaties van militanten. Ook Boucetta kondigde aan dat hij na de indirecte verkiezingen van 21 juni zijn missie van staatsminister “als beëindigd” beschouwde.
Voor de bezetting van de resterende 88 zetels werden op 21 juni 48 leden gekozen door plaatselijke bestuursraden, 32 door beroeps- en 8 door werknemersorganisaties. De royalisten behaalden zo de absolute meerderheid in het Huis van Afgevaardigden: [53]
Tabel 4 Zetelverdeling in het Huis van Afgevaardigden na de parlementsverkiezingen van 1977
|
Verkiezingen |
Directe |
Indirecte |
Totaal |
|
Onafhankelijken |
81 |
60 |
141 |
|
Istiqlal |
45 |
4 |
49 |
|
MP |
29 |
15 |
44 |
|
USFP |
16 |
|
16 |
|
MPD |
2 |
1 |
3 |
|
PA |
2 |
|
2 |
|
PPS |
1 |
|
1 |
|
UMT |
|
6 |
6 |
|
UGTM |
|
1 |
1 |
|
partijloos |
|
1 |
1 |
|
Totaal |
176 |
88 |
264 |
5.2.4 De regering van nationale eenheid en het nieuwe parlement.
Op 5 oktober ontsloeg Hassan II het kabinet en belastte de ontslagnemende premier, de ‘onafhankelijke’ Ahmed Osman met de vorming van een nieuwe regering. Op 10 oktober stelde Osman, die een zwager is van de koning, zijn regering van nationale eenheid voor. Deze bestond uit 23 ministers en staatsministers en 7 staatssecretarissen. De Istiqlal, die van januari 1963 tot maart 1977 in de oppositie zat, leverde nu 5 (staats)ministers en 3 staatssecretarissen. De MP leverde 4 (staats)ministers, terwijl de niet in het parlement vertegenwoordigde UNFP de portefeuille van justitie kreeg. De overige posten werden toebedeeld aan onafhankelijken. Terwijl de leider van de Istiqlal, M’Hamed Boucetta, die op 1 maart 1977 tot staatsminister zonder portefeuille was benoemd, in het nieuwe kabinet als staatsminister van buitenlandse zaken terugkeerde, nam de USFP-leider, Abderrahim Bouabid, geen zitting in het nieuwe kabinet, hoewel hij nog op 6 oktober door de koning in audiëntie was ontvangen. De toetreding van Maati Bouabid, een lid van de nationale raad van de UNFP, tot de regering werd op 10 oktober afgekeurd door de secretaris-generaal van de UNFP, Abdallah Ibrahim. Deze stelde dat die stap slechts Bouabid bond en zijn lidmaatschap van de partij op het spel zette. Op 17 oktober werd Maati Bouabid uit de UNFP gestoten.
Op 14 oktober opende koning Hassan II de zitting van het nieuwe parlement. In zijn toespraak verklaarde hij dat zijn land “de gulden middenweg” zou volgen en voorstander zou blijven van “democratie en pluralisme”. Hij stelde dat “zijn aanwezigheid en die van de afgevaardigden een historische uitdaging vormden aan de dictatuur en de eenheidspartij die slechts kunnen leiden tot verarming van de mening”. Op 17 oktober werd de onafhankelijke kandidaat Dey Ould Sidi Baba, minister van religieuze zaken in het vorige kabinet Osman, tot voorzitter van het Huis van Afgevaardigden gekozen met 146 tegen 98 stemmen.
In de nadagen van deze kabinetsvorming machtigde Hassan II de UNEM haar activiteiten te hervatten, waarmee het verbod van 24 januari 1973 werd opgeheven. Een tweede gebeurtenis van belang is het van 6 tot 9 oktober gehouden oprichtingscongres van de “Rassemblement national des indépendants” (RNI). Het congres, bijgewoond door 3.500 afgevaardigden die door de 35 regionale raden waren gekozen, keurde de statuten en een politiek, economisch en sociaal programma goed. Het congres koos een 355 leden tellende nationale raad als hoogste orgaan, die op zijn beurt de 60 leden van het centrale comité aanwees, waarna de verkiezing van een uitvoerend comité van 15 leden volgde. Premier Ahmed Osman werd voorzitter van de RNI. Opdat hij zich “geheel zou kunnen wijden aan zijn partij” bood hij zijn ontslag als premier, een functie die hij sinds 1972 vervulde, aan de koning aan en zag dit op 21 maart 1980 aanvaard door Hassan II. Op 22 maart werd in zijn plaats de ex-UNFP’er en minister van justitie, Maati Bouabid, door de koning benoemd tot premier. Op 27 maart werd de samenstelling van het nieuwe kabinet bekend gemaakt: 23 ministers of staatsministers en 5 staatssecretarissen, van wie 10 tot de RNI behoorden, 8 tot de Istiqlal en 4 tot de MP.[54]
5.2.5 Het rapport van Amnesty International van 31 oktober 1977.
Op 31 oktober werd door Amnesty International te Londen een rapport gepubliceerd over de situatie in Marokko. Daaraan zijn de volgende passages ontleend:
“Politieke gevangenen in Marokko worden in diverse categorieën onderverdeeld, afhankelijk van hun politieke overtuiging, maar de belangrijkste scheidslijn ligt tussen de politieke gevangenen die berecht en veroordeeld zijn - in juli 1977 waren er dat meer dan 200 - en zij die gedetineerd zijn zonder vorm van proces. Hoewel dat er enige honderden zijn is het juiste aantal onbekend (…)
In streken waar de regering de bevolking wantrouwt, werden vaak willekeurige en massale arrestaties uitgevoerd. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1973 in de midden-atlas; en toen het Marokkaanse leger begin 1976 verwikkeld raakte in de westelijke Sahara werden er gevangenkampen opgericht, die niet alleen bestemd waren voor krijgsgevangenen maar ook voor burgers, verdacht van sympathie voor de guerrillastrijders van het Polisario. Het aantal mensen dat op deze manier gevangen zit wordt geschat op 100 à 150. De Marokkaanse autoriteiten houden naam en aantal van deze gevangenen angstvallig geheim. In de westelijke Sahara worden mogelijk honderden leden van de plaatselijke bevolking in gevangenkampen vastgehouden. Uit angst voor een soortgelijk lot zijn vele duizenden mensen uit Zuid-Marokko en de westelijke Sahara naar Algerije gevlucht (…)
Vanaf de eerste UNFP-processen van 1963 en 1971 in Marrakech hebben alle waarnemers uitlatingen over martelingen gerapporteerd. Deze uitlatingen werden (indien toegestaan) tijdens de processen gedaan door de verdachten, hun familieleden, advocaten en artsen, en door voormalige gevangenen zelf. De overeenstemmende verklaringen wijzen erop dat de veiligheidspolitie tijdens de ondervraging van politieke gevangenen foltering als routinezaak toepast. Foltering heeft voornamelijk tot doel de gevangenen angst aan te jagen en te vernederen, maar wordt ook toegepast om bekentenissen af te dwingen en inlichtingen los te krijgen over hun politieke activiteiten en bondgenoten…”
Het Marokkaanse ministerie van justitie stelde op 21 november dat de conclusies van het rapport onjuist en partijdig waren. De veroordeelde personen werden niet vastgehouden om hun overtuiging of politieke activiteiten, “maar slechts wegens toepassing van de strafwet voor een aanslag op de binnenlandse veiligheid van de staat”. Voorts werd gesteld dat er in Marokko niemand zonder arrestatiebevel of vonnis is opgesloten en dat er geen enkel detentiecentrum bestaat. Het rapport was volgens het ministerie “duidelijk vanuit het buitenland geïnspireerd om een klimaat van verdenking tegen Marokko te scheppen”.
Bij het offerfeest werden 17 USFP-leden vrijgelaten, terwijl 2 andere leden hun doodstraf gewijzigd zagen in 20 jaar hechtenis, aldus Al Moharrir (24/11/’77). Op 27 november 1977 werden 8 ‘frontisten’ vrijgelaten. Ter afsluiting van de ramadan verleende Hassan II volgens DDP (5/9/’78) gratie aan 188 tot levenslang veroordeelde gevangenen; 51 werden vrijgelaten, de overige kregen strafvermindering. Bij het offerfeest van 11 november 1978 kregen 198 gevangenen gratie, waaronder, volgens AFP, verschillende politieke gevangenen.[55]
5.2.6 De nationale veiligheidsraad.
Op 8 maart kondigde Hassan II de vorming aan van een defensieraad, die “de vertegenwoordigers van alle georganiseerde politieke stromingen” zou omvatten. Die raad moest zich “parallel aan de regering” met de nationale veiligheid bezig houden. De koning motiveerde zijn besluit met de situatie in het zuiden van Marokko, die “de drempel van het ontoelaatbare heeft bereikt”. In dit verband leverde hij scherpe kritiek op Algerije. Marokko had zonder resultaat ‘geduld’ bewaard om niet een nog ernstiger conflict uit te lokken, ondanks de schending van het Marokkaanse grondgebied door uit Algerije afkomstige agressors, die daar een “toevlucht vinden na hun misdrijf te hebben begaan”. Deze ontwikkeling leidde Hassan ertoe “de situatie van noch oorlog noch vrede opnieuw in overweging te nemen”, want die droeg “alle ongemakken en consequenties van een oorlog”.
Op 27 maart 1979 werd de samenstelling van de defensieraad, voortaan officieel ‘nationale veiligheidsraad’ genoemd, bekendgemaakt. Deze bestond uit tien personen: 2 van de RNI (Ahmed Osman en Dey Ould Sidi Baba), 2 van de Istiqlal (Hachmi Filali en Abdelkrim Ghlab), 2 van de USFP (Abderrahim Bouabid en Abdelwahad Radi), 2 van de MP (Mohammed Haddou Abarkach en Mohammed Khattabi), 1 van de PPS (Ali Yata) en 1 van de MPDC (Achour Bekkay). De parlementaire eensgezindheid om een einde te maken aan de “uit Algerije voortkomende agressie” weerspiegelde zich binnen deze defensieraad.[56]
5.3 De jaren ‘81-86: het afwentelen van de crisis op de bevolking.
5.3.1 De vierde grondwet.
Op 13 mei 1980 kondigde Hassan II in een rede tot de natie enkele wijzigingen in de grondwet van 1972 aan, vooral i.v.m. artikel 21. De troonopvolger zou voortaan op 16 jaar en niet meer op 18 jaar meerderjarig zou zijn, de regentschapsraad zou als raadgevend orgaan functioneren tot de koning de leeftijd van 20 (en niet meer 22) jaar zou bereikt hebben en het voorzitterschap van deze raad zou berusten bij de eerste president van het hooggerechtshof, en niet meer bij de oom.[57] Bij het referendum over deze grondwetswijzigingen, dat door de PPS werd geboycot, bracht op 23 mei 96,93% van de geregistreerde kiezers zijn stem uit (6.670.338), waarvan 99,71% ja-stemmen. Op 30 mei volgde een tweede referendum over een wijziging van de grondwetsartikelen 43 en 95, waarbij het mandaat van de parlementsleden van 4 tot 6 jaar werd verlengd en waarbij werd bepaald dat de verkiezing van de parlementsvoorzitter eens per drie jaar i.p.v. elk jaar moest plaatsvinden. Daardoor zouden de in 1977 gekozen parlementsleden tot 1983 in functie blijven. De veranderingen moesten de “continuïteit en stabiliteit in het parlement verbeteren”. Dit referendum werd zowel door de PPS als door de USFP geboycot. De betrokken grondwetswijzigingen werden op 30 mei goedgekeurd met 96,74% van de uitgebrachte stemmen bij een opkomst van 91,17%. Bij deze referenda mochten de leden van de politie, de gendarmerie en het leger alsook de Marokkanen in het buitenland voor het eerst hun stem uitbrengen.
5.3.2 De onlusten van 1981.
Op 28 mei 1981 kondigde de regering op aandrang van het IMF prijsverhogingen tot 85% af voor de belangrijkste levensmiddelen (brood, bloem, melk, boter, suiker en spijsolie). Hiertegen rezen felle protesten, met o.a. demonstraties op 29, 30 en 31 mei in Oujda, Berkane en bij Nador. In de nacht van 6 op 7 juni werden de prijsverhogingen door de regering tot de helft teruggebracht. Als gevolg van deze maatregel werden de volgende producten duurder: suiker 21%, spijsolie 15%, melk 7,4%, boter 23,8% en bloem 20%. Sinds 1 mei waren de ambtenaarssalarissen met 13% en het wettelijk minimumloon met 20% verhoogd.
Op 17 juni riep de CDT voor 20 juni een algemene staking uit voor heel Marokko. Daarop kondigde de UMT een tot Casablanca en Mohammadia beperkte algemene staking af voor 18 juni. Aan deze stakingsoproep werd op vrij grote schaal gevolg gegeven zonder dat het tot incidenten kwam. Vervolgens nam de UMT-leiding contact op met de CDT, die zij verzocht de staking op 20 juni te annuleren, maar CDT en USFP hielden aan hun stakingsoproep vast. Ook aan de CDT-stakingsoproep werd op 20 juni in de grote steden van Marokko op grote schaal gevolg gegeven. De aanvankelijk vreedzame protestbeweging leidde in Casablanca echter tot onlusten. Actievoerders van CDT en USFP traden hard tegen “stakingsbrekers” op zoals UMT-chauffeurs van de stadsautobussen. Jongeren uit de ‘bidonvilles’ begonnen met stenen te gooien, waardoor o.a. een Fransman in zijn auto werd gedood. Politieagenten dwongen winkeliers hun zaken open te houden of weer open te stellen. Er volgden bloedige botsingen met de politie, die weldra werd vervangen door de met lichte pantserwagens uitgeruste ‘Troupes auxiliaires’, die met machinegeweren op de menigte schoten. Volgens een communiqué van het ministerie van binnenlandse zaken op 22 juni werden bij de onlusten (die tot 21 juni voortduurden) 66 mensen gedood en 110 gewond, onder wie 73 leden van de ordetroepen. De oppositie maakte van haar kant melding van ruim 200 doden. In de regeringsmededeling was sprake van brandstichting en plundering in 23 banken, 12 apotheken, 3 postkantoren, 7 benzinestations en 2 belastingskantoren en van de vernieling van 47 autobussen en ca. 100 particuliere auto’s. Op 25 juni noemde de USFP een aantal van 637 doden; hetzelfde cijfer werd tijdens een persconferentie op 9 juli door de advocaat Jean-Pierre Mignard, die voor een aantal juristenorganisaties een missie naar Marokko had ondernomen, vermeld. Vertegenwoordigers van de USFP en de CDT verklaarden later lijsten met namen van 738 doden te bezitten. Na de onlusten werd een verschijningsverbod opgelegd aan het PPS-dagblad Al Bayane, het USFP-dagblad Al Moharrir en het USFP-weekblad Libération. Op 14 juli kreeg Al Bayane van de autoriteiten toestemming opnieuw te verschijnen.
Terwijl het ministerie van binnenlandse zaken op 21 juni meldde dat bij de onlusten diverse arrestaties waren verricht, verklaarde de CDT dat reeds op 19 juni in heel Marokko zeker 86 van haar leden waren gearresteerd. Op 20 juni volgden vooral in Rabat waren verdere arrestaties. In Casablanca werden de secretaris-generaal van de CDT, Amaoui (20/6) en de hoofdredacteur van het dagblad Al Moharrir, Mustapha Karchaoui (21/6) gearresteerd. Op 22 juni volgden vooral arrestaties onder USFP-leiders. Op 26 juni begon het eerste van een reeks processen tegen een deel van de arrestanten. Het totale aantal arrestanten bedroeg volgens Hassan II (2 juli) 2000 en volgens de advocaat Mignard (9 juli) 6000 à 8000. Op 5 september publiceerde het politieke bureau van de USFP een lijst met de namen van 190 van haar leden en van de CDT, die inmiddels waren veroordeeld tot gevangenisstraffen variërend van 1 maand tot 3,5 jaar. De vonnissen waren uitgesproken door 23 over heel Marokko verspreide tribunalen. Bij dit voorlopige aantal kwamen nog verschillende personen die boetes gekregen hadden. Ook waren er meldingen van druk en mishandelingen bij de ondervragingen.
Op 8 september werd de eerste secretaris van de USFP, Abderrahim Bouabid, in zijn woning te Rabat gearresteerd. Daarop werden nog vier leden van het politieke bureau van de USFP aangehouden: Mansour, Al Yazghi, Lahbabi en Forkani. De politie deed op 9 september een inval in het hoofdkwartier van de USFP in Rabat, waar o.a. kopieën van een kritische USFP-verklaring over het vredesplan van de OAE voor de westelijke Sahara in beslag werden genomen. Het regeringsdagblad Al Maghrib schreef dat de USFP-verklaring “in vorm en inhoud tegen de nationale waardigheid en de moraal van de natie” gericht was. Op 24 september werden Bouabid, Al Yazghi en Lahbabi elk tot één jaar celstraf veroordeeld. Mansour en Forkani kregen respectievelijk twee en één jaar voorwaardelijk. Op 5 oktober gingen alle vijf tegen hun vonnis in beroep. Zij werden verdedigd door een 140 Marokkaanse advocaten. Op 7 oktober kondigden alle 14 parlementsleden van de USFP aan dat zij zich uit het parlement zouden terugtrekken, omdat ze meenden dat ze aan het eind waren gekomen van de termijn waarvoor zij in 1977 verkozen waren. De USFP had reeds na het referendum van 30 mei over de verlenging van het mandaat van parlementsleden van 4 naar 6 jaar, in principe tot terugtrekking besloten. Hassan had op 1 juni tijdens een persconferentie verklaard dat de USFP in dat geval zich buiten het democratisch bestel en daarmee buiten de wet zou plaatsen. De terugtrekking kwam 2 dagen voor de koning de herfstzitting van het parlement zou openen. Op 14 oktober werden 13 USFP-afgevaardigden onder huisarrest gesteld, omdat zij weigerden hun zetel in het parlement in te nemen. MAP meldde dat de parlementariërs “onder bescherming” waren gesteld “tegen een eventuele reactie van het volk”.
Op 17 november riep de UNEM een 24 urenstaking uit tegen de repressie, het sociaal-economisch beleid en het optreden van geüniformeerde bewakers op de universiteiten. Alleen al in Rabat namen ca. 55.000 studenten aan de staking deel. Toen de UNEM voor 3 december een nationale staking uitriep, werden in Rabat de juridische en de letterenfaculteit bezet door ordetroepen. In Casablanca werd de medische faculteit gesloten, terwijl de andere faculteiten werden bezet. Ook werden minstens 7 preventieve aanhoudingen verricht onder UNEM-leiders, met als gevolg enkele gewelddadige incidenten. Op 18 december maakte Hassan bekend dat de ingenieursschool van Mohammedia vanaf 1 januari 1982 onder militair bestuur zou worden geplaatst. Op 12 januari veroordeelde een tribunaal in Rabat 21 studenten wegens ordeverstoring tot celstraffen van 3 jaar.
Ter gelegenheid van de nationale feestdag op 3 maart verleende Hassan op 27 februari 1982 gratie aan de drie veroordeelde USFP-leiders Bouabid, Al Yazghi en Lahbabi, die sinds oktober 1981 onder huisarrest verbleven. Maar de verboden dag- en weekbladen bleven onderworpen aan een verschijningsverbod. Op 12 april verleenden de autoriteiten aan de CDT de toestemming om haar kantoren, die sinds 20 juni 1981 waren gesloten, te heropenen. Eind april bevestigde de leiding van de USFP dat ook haar kantoren waren heropend. In veel provincies waren de kantoren van beide organisaties in hetzelfde gebouw gevestigd. Bouabid deelde op 8 oktober mee dat de 13 afgevaardigden van zijn partij in het parlement zouden blijven, indien de regering bereid was de socialistische oppositie alle middelen te verschaffen om haar in staat te stellen “volwaardig deel te nemen” aan de parlementsverkiezingen van juni 1983. De partijkranten zouden dan weer moeten verschijnen en de meer dan 100 nog gedetineerde socialisten en vakbondsleden zouden moeten worden vrijgelaten. Aan die voorwaarden werd door de regering echter niet voldaan en dat leidde binnen de USFP tot kritiek op Bouabid en de andere leden van het politieke bureau.
Op 5 mei kregen 18 USFP-leden en 4 CDT-leiders, die i.v.m. de onlusten in Casablanca waren gearresteerd en veroordeeld, gratie van Hassan. Amaoui, secretaris-generaal van de CDT en Karchaoui, hoofdredacteur van Al Moharrir, vielen hier niet onder.[58]
5.3.3 Partijpolitieke ontwikkelingen.
Sinds juni 1980 maakte de voornaamste regeringspartij, de RNI, een crisis door. Binnen de partij ontwikkelde zich een stroming tegen voorzitter Ahmed Osman, een zwager van koning Hassan. Op 13 oktober werd Ben Messaoud tot leider van de parlementsfractie gekozen. Hij versloeg de vroegere fractieleider Abdelhamid Kacemi, die als tegenstander van Osman gold. Op 2 december vormden de dissidenten o.l.v. Kacemi een eigen fractie en op 13 april 1981 kondigden 59 (van de 140) RNI-parlementsleden aan de RNI te verlaten om een nieuwe partij, Indépendants démocrates (ID) genaamd, op te richten. De dissidenten, onder wie de ministers Arsalane Al Jadidi (arbeid) en Moussa Saadi (energie en mijnbouw) alsook de staatssecretaris voor Sahara-zaken Khalli Henna Ould Al Rachid, deelden mee de regering van premier Maati Bouabid te zullen blijven steunen. De vorming van de ID werd op 7 juli 1981 officieel aan het ministerie van binnenlandse zaken meegedeeld. De koning nodigde de RNI-fractie uit een soort “schaduwkabinet” naar Brits voorbeeld te vormen. De ID had inmiddels de naam Parti National Démocratique aangenomen (PND). De partij hield van 11-13 juni 1982 in Casablanca zijn eerste congres. De PND beschikte inmiddels over federale bureaus in 36 van de 41 provincies. Het congres koos Arsalane Al Jadidi tot secretaris-generaal van de PND. Begin 1983 vormde de PND een eigen studentenbeweging, de Union nationale des indépendants démocrates (UNED).[59]
5.3.4 Verkiezingen.
Op 5 mei 1983 werd bekend gemaakt dat de eerste gemeenteraadsverkiezingen sinds 1976 op 10 juni zouden plaatsvinden. In totaal meldden zich 57.120 kandidaten voor de posten van 15.480 raadsleden in 857 gemeenten. De ambtstermijn bedroeg 6 jaar. Ongeveer de helft van die kandidaten bestond uit onafhankelijken; de overigen waren vertegenwoordigers van 13 van de 14 geregistreerde politieke partijen. Alleen de UNFP o.l.v. Abdallah Ibrahim boycotte, net als in 1976, de verkiezingen omdat “de Marokkaanse democratie een parodie is”. Op 8 mei besloot het centrale comité van de USFP aan de verkiezingen deel te nemen. Elf radicale leden, die zich verzetten tegen deze deelname, werden uit de partij gestoten, wat tot gevechten leidde. De 34 gearresteerden werden op 30 mei veroordeeld tot straffen van 1 tot 3 jaar omwille van “verstoring van de openbare orde”. Bij een opkomst van 71,93% behaalden zes partijen in totaal minder dan 1% van de stemmen: de PDI, de MPDC, de PA, de PLP, de PUSN en de OUDP. De verkiezingen leverden voor de overige partijen de volgende resultaten op:
Tabel 5 Zetelverdeling na de gemeenteraadsverkiezingen van 1983
|
Partij |
Zetels |
% |
|
Onafhankelijken |
3.440 |
22,19 |
|
UC |
2.727 |
17,59 |
|
Istiqlal |
2.601 |
16,77 |
|
RNI |
2.190 |
14,12 |
|
MP |
1.891 |
12,19 |
|
PND |
1.818 |
11,72 |
|
USFP |
537 |
3,46 |
|
PPS |
19 |
0,13 |
Onmiddellijk na de bekendmaking van de verkiezingsresultaten klaagden diverse partijen, waaronder de Istiqlal en de USFP, dat de verkiezingen met zware onregelmatigheden gepaard waren gegaan. Ook de RNI en de UC uitten hun twijfels over de resultaten. Op 16 juni erkende de minister van binnenlandse zaken, Driss Basri, dat “onregelmatigheid en vergissing” bij de stembusgang mogelijk was. Volgens een FAZ-bericht van 19 juni beschuldigde premier Bouabid minister Basri ervan de verkiezingsuitslagen te hebben vervalst; ook talrijke kandidaten van zijn eigen partij UC zouden van hun stembuszege zijn beroofd. Op 23 juni kreeg het orgaan van de PPS, Al Bayane, een tijdelijk verschijningsverbod opgelegd, nadat dit dagblad een campagne had gevoerd tegen de onregelmatigheden bij de gemeenteraadsverkiezingen. Inmiddels was op 14 mei het eerste nummer verschenen van een nieuw USFP-dagblad Al Ittihad Al Ichtiraki.
Op 8 juli maakte Hassan bekend dat de parlementsverkiezingen waren uitgesteld tot het referendum in de westelijke Sahara zou hebben plaatsgevonden. Op 14 oktober liep het mandaat van het parlement af. Volgens een die dag gepubliceerd koninklijk decreet oefende Hassan sindsdien de wetgevende macht uit “overeenkomstig artikel 19 van de grondwet”. Op 19 november benoemde Hassan Mohammed Karim Lamrani, directeur-generaal van het staatsfosfaatbedrijf, tot premier van een overgangsregering, die de verkiezingen zou moeten voorbereiden en controleren. Lamrani was eerder premier van augustus 1971 tot november 1972. Op 30 november stelde hij de nieuwe regering aan de koning voor. Daarin waren de leiders van de 6 voornaamste politieke partijen als staatsministers zonder portefeuille opgenomen: Maati Bouabid (UC), M’Hamed Boucetta (Istiqlal), Mahjoubi Ahardane (MP), Ahmed Osman (RNI), Mohammed Arsalane Al Jadidi (PND) en Abderrahim Bouabid (USFP). M’hammed Bahnini en Mulay Ahmed Alaoui werden als staatsminister zonder portefeuille gehandhaafd.
Op 25 april 1984 werd officieel bekend gemaakt dat de eerste parlementsverkiezingen sinds 1977 op 14 september zouden worden gehouden. Het nieuwe parlement zou 306 zetels tellen (tegen 264 zetels in het oude parlement). Op 10 augustus 1984 vonden de indirecte verkiezingen voor de provinciale raden en de raden van de prefecturen plaats. Daarbij won de UC 205 van de 729 verkiesbare zetels. Van de overige 524 gingen er 124 naar het RNI, 109 naar de Istiqlal, 92 naar de MP, 57 naar de PND, 41 naar de USFP, 98 naar onafhankelijken en 3 naar het MPDC. Bij de op 14 september gehouden parlementsverkiezingen ging het om de bezetting van 204 van de 306 zetels in het Huis van Afgevaardigden. Behalve de 7,4 miljoen stemgerechtigden in Marokko, konden dit keer voor het eerst ook de Marokkanen in het buitenland (ca. 1,5 miljoen) hun stem uitbrengen op 1.366 kandidaten. Bij de directe verkiezingen, waarbij de opkomst 67,43 % en het aantal geldige stemmen 4.443.004 bedroegen, verwierven 9 van de 12 deelnemende partijen zetels in de Kamer; de MPDC, de PA en het PDI konden geen zetel verwerven. De vier centrum-rechtse, koningsgezinde partijen (UC, RNI, MP en PND) behaalden in totaal 215 van de 306 zetels en daarmee de absolute meerderheid. De afgevaardigden voor de overige 102 zetels werden indirect gekozen en wel op 2 oktober door een kiescollege bestaande uit leden van de in juni 1983 verkozen gemeenteraden en beroepsorganisaties. Het resultaat zag er als volgt uit:
Tabel 6 Zetelverdeling na de directe en de indirecte parlementsverkiezingen in 1984
|
Partij |
Direct |
Indirect |
Totaal |
|
RNI |
39 |
22 |
61 |
|
UC |
56 |
27 |
83 |
|
Istiqlal |
24 |