| God en Goud. De situatie van de lombarden in de Zuidelijke Nederlanden van de zestiende eeuw. (Sébastien Conard) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 2.
De Piëmontese natie: de handelsvereniging van de lombarden. Structuren en dynamiek
“Na dat de mensche is zulcx zal sijn vrient zijn.”
“Den Uutersten Wille” van Lowys Porquin, f° h 1 v
We hadden het totnogtoe voornamelijk over “de lombarden”, “de pandleners” of “de woekeraars”. We bekeken hoe de kerkelijke instanties tegenover hen stonden, hoe de centrale regering hen benaderde, wat de houding was van de schepencolleges en de stadsburgerij. We trachtten denkbeelden en concrete omgangsvormen na te gaan. We zagen de tafelhouders dus van buiten uit, door de ogen van de hen omringende maatschappij. Hier en daar doken namen op van hen die het onderwerp vormen, nu en dan eens een stukje leven, een woord, een mening. In dit deel geven we de zestiende-eeuwse lombarden een gezicht. De bemiddelde buitenlandse geldhandelaren waarover we het hebben, enerzijds in de marge van de samenleving, anderzijds er volop in actief, krijgen voortaan namen, leefplaatsen, vrienden, vijanden en vennoten. We bestuderen gedetailleerd de Piëmontese natie zelf, de handelsvereniging van de lombarden, in de eerste plaats haar samenstelling.
Hoofdstuk 4. Vrienden, vijanden en vennoten. De samenstelling van de Piëmontese natie
“Vreemdelinghen en gasten sijn wij altsame/
Ghelijck ons voorvaders zijn geweest voor den Heere.”
“Den Uutersten Wille” van Lowys Porquin, f° m 4 r
4. 1. Etnische samenstelling en onderzoek naar de hiërarchie
De lombarden waren in meerderheid Italianen. Dit zal iedereen evenmin verbazen dan dat ze voor hun autochtone tijdgenoten in feite “vreemdelingen” bleven (hoofdstuk 2). Om de juiste betekenis van deze “meerderheid” te verstaan moet men weten wat het totaal aantal tafelhouders is. Een eerste vraag is dus hoeveel pandleners in de zestiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden actief waren. Gezien de lengte van de periode is dit een moeilijk te beantwoorden vraag. We kunnen gelukkig terugvallen op het ”Récolement des Lombards”. Voor het decennium vóór de opstelling ervan, dus vóór 1550, zijn we in staat een lijst op te stellen van alle lombarden in de Nederlanden. Het betreft alle lombarden die ingegaan zijn op de vraag van Maria van Habsburg of als tafelhouder werden vermeld in een antwoordbrief op die vraag en dus niet enkel zij die werden opgenomen in de “officiële namenlijst”. Vermoedelijk zullen weinig lombarden het verzoek van de landvoogdes ontlopen zijn. Onze lijst moet dus een sterk benaderende weergave zijn van de lombardenpopulatie tussen 1540 en 1550. Voor wat volgt verwijzen we naar bijlage 7. We verstaan hieronder de tafelhouders die legaal tafel hielden in de Nederlanden. In het totaal waren er in die tijdsdoorsnede 74 lombarden. Hiervan zijn er 55 van Piëmonte (dus eerste generatie!), vier uit Lucca, drie Zuid-Nederlanders waarvan de vader uit Piëmonte kwam (de gebroeders Tuwaert en Jacques Pieranina; dus tweede generatie), vijf Zuid-Nederlanders en twee Noord-Nederlanders. Deze laatste zeven pandleners zijn Antoine de Ruede uit Mechelen, Lieven vander Spurt uit Gent, Pierre de Hesdin uit Doornik, Valentin Banelar uit Brugge (maar gevestigd in Amsterdam), Jean le Grand uit Brugge, Jan Heymans uit Den Haag en Cornelis Boom uit Amsterdam. Voor de vijf overblijvende tafelhouders kwamen we geen vermelding tegen van hun herkomst. Hun namen laten hun vermoedelijke oorsprong doorschijnen maar we houden ze natuurlijk “natieloos”. Het gaat om Pierre de Brouckhoven, Jennin le Grand (mogelijks dezelfde persoon als Jean le Grand), Jacques Mens, Bertholemi Resta en Pierre Wyelan. Er zijn dus 59 Noord-Italianen ( 79,7%) op een totaal van 74, waaronder 55 Piëmontezen. Er is dus duidelijk een meerderheid aan pandleners uit Noord-Italië en vooral uit Piëmonte (74,3% op het totaal en 93,2% van de Noord-Italianen). Dit illustreert meteen het buitenlands karakter van deze handelsnatie. Nochtans is het geen exclusieve groep. In het vak zitten ook Noord- en Zuid-Nederlanders en zoals we verder zien zijn ze zeker niet uitgesloten.

Nu we meer informatie hebben over het aantal en de herkomst van de lombarden stelt zich de vraag naar hun onderlinge verhoudingen. De Piëmontese natie is geen homogene groep waar iedereen op gelijke voet staat. Zoals elke menselijke groepering kent ook deze haar interne verschillen, haar stratificatie, haar hiërarchie. Hoe kunnen we de diversiteit van deze handelsnatie in beeld brengen? Als we de officiële stedenlijst (bijlage 2) ter hand nemen dan kunnen we daaruit in de eerste plaats gegevens halen voor het jaar 1550. We weten wie bij welke leentafel betrokken was en voor welk aandeel. We rangschikken dus de lombarden uit die officiële stedenlijst volgens het aantal steden waar ze actief waren. Wie in drie pandbedrijven aandelen heeft is natuurlijk niet noodzakelijk rijker dan wie maar in twee tafels is betrokken. Dit hangt af van het gewicht van elke leenbank. We missen dus telkens één bekende voor onze formule. In het geval van Bertholemi de Sienne bijvoorbeeld kunnen we enkel zeggen dat zijn hiërarchische waarde anno 1550 gelijk was aan x + (y:2) + (z:3) met x zijnde de waarde van de tafel van Doornik, y die van de tafel van Douai en z die van de tafel van Sint-Omaars. Maar juist de exacte marktwaarden van die leentafels kennen we niet. Zonder deze waarden kunnen we een lombard alleen beoordelen volgens het aantal leentafels waarbij hij betrokken was, de grootten van de bijhorende aandelen en de locatie van de leentafels (welke stad?). Met zo’n weinig mathematische methode kunnen we enkel conclusies trekken over de activiteit en de flexibiliteit van een tafelhouder dan over zijn kapitaalkracht en zijn hiërarchisch gewicht. We kunnen dan alleen zeggen dat Parenty de Pogio in 1550 met het meest aantal tafels bezig was en dat daarbij de Antwerpse en de Gentse leenbanken zaten. We kunnen dan ook alleen vermoeden dat De Pogio’s helft in het Gentse bedrijf meer waard was dan het derde van de Namense leenbank dat Bernardin Porquin bezat. We hebben ook niet voldoende gegevens over de hiërarchie van de tafels om ze van relatieve coëfficienten te voorzien (bijvoorbeeld Antwerpen 43, Gent en Brussel 42 enzovoort).
Maar we kunnen wel een ersatz gebruiken. De classificatie van de Zuid-Nederlandse steden volgens hun fiscaal vermogen door Peter Stabel en Filip Vermeylen biedt ons een mogelijke uitweg.[351] Deze historici baseerden zich op de éénmalige heffing van de honderdste penning tussen 1569 en 1572. Deze belasting was een initiatief van de hertog van Alva. Gezien de twee auteurs per stad de fiscale opbrengst kenden (heffing op het bezit van roerende en onroerende goederen en op renten op het stedelijke en/of vorstelijke domein) konden ze een hiërarchische stedenlijst opstellen. Hun studie biedt per stad de waarde van het vermogen in roerende goederen, in onroerende goederen en in renten en natuurlijk de totaalwaarde. Op basis van die laatste hebben ze de steden geordend. Hun rangschikking is natuurlijk gene van onze leentafels maar van de steden waar de leentafels stonden. Het vermogen van een stedelijke context bepaalt natuurlijk niet alleen de grootte van het plaatselijk pandbedrijf maar het is een doorwegende factor. Verder kunnen we niet specificeren. Moet men vooral kijken naar het bezit van roerende goederen van de stadsbevolking omdat het in eerste instantie om pandlening gaat? Of moet men meer oog hebben voor het onroerend goed, dat een indicator kan zijn van een meerbezittend publiek, dat voor liquiditeiten ook geregeld bij de lommerd ging en daar meer waardevolle panden liet (zoals juwelen)? Aangezien de lombarden hun cliënteel haalden bij de jonge edelen die hun goederen verpandden om een onbezorgd bohémienleven te leiden in de stad tot en met de aan lager wal geraakte werklui die hun eigen werktuig moesten inruilen[352], heeft het geen zin hierover verder te piekeren. De lommerd graaide doorheen de vele lagen van de gemeenschap en daarom doen we best beroep op de algemene gegevens. We maken onze oefening dus met de totalen. Johan Dambruyne controleerde de berekeningen van Stabel en Vermeylen en kwam met andere resultaten naar voor.[353] Wanneer we de stedenlijst van Stabel en Vermeylen en die van Dambruyne naast onze officiële stedenlijst van 1550 leggen valt meteen iets op. De lijst van Stabel en Vermeylen telt 78 steden maar heeft er slechts 16 gemeen met de officiële stedenlijst van 1550, waarop onze analyse steunt. Dambruyne biedt een lijstje van vijftien steden, waarvan alleen Brussel bij ons tekortschiet. Bovendien vormen de 14 steden die wij gemeen hebben met Dambruyne een coherenter geheel. Het zijn stuk voor stuk steden die behoren tot de toenmalige fiscale bovenklasse. Ze vormen dus een homogene groep. Onder de 16 steden die we gemeen hebben met Stabel en Vermeylen duiken tussen de grote steden enkele kleinere op zoals Sluis, Hulst, Nieuwpoort en Middelburg. Deze 16 steden vormen dus een homogene groep van belangrijke steden die verstoord wordt door enkele heterogene elementen. Het is voor ons interessanter een aaneensluitend geheel van topsteden te bestuderen. We herhalen onze doelstelling; de waarde van de steden als vervangmiddel gebruiken voor de waarde van de leentafels. Met de relatieve waarden van de leentafels kunnen we de waarde van de lombarden berekenen die deze tafels houden. Het is dus interessanter de lombarden te vergelijken binnen een homogene groep, al is dat enkel de top van de stedelijke hiërarchie. We verkiezen dus de lijst van Dambruyne. Volgens zijn berekening bracht de heffing in Antwerpen 206.884 gulden op, in Brussel 45.414, in Brugge 41.921 enzovoort. Om relatieve waarden te bekomen voor deze steden stellen we het bedrag van Antwerpen (206.884 gulden) gelijk aan honderd en berekenen we de waarden van de andere steden in functie daarvan. We bekomen de volgende proportionele lijst;
100 Antwerpen
22 Brussel
20,3 Brugge
16,3 Gent
16,2 Rijsel
15,5 Doornik
14,6 Mechelen
8,7 Valenciennes
7 ’s-Hertogenbosch
6,9 Douai
6,5 Ieper
6,3 Bergen
6,2 Leuven
5,1 Namen
4,5 Kortrijk
We herhalen dat deze cijfers slechts een hulpmiddel zijn.[354] We wijzen erop dat de waarde van Antwerpen hier heel hoog ligt. Voor de berekening van de waarde van elke lombard hebben we enkel de zekere gegevens genomen (bijlage 10). Aanspraken op een bepaalde leentafel of een deel ervan hebben we niet meegerekend (bijvoorbeeld De Pogio die de tafel van Valenciennes claimde[355]). Aangezien Dambruynes lijst geen Noord-Nederlandse steden bevat kregen de lombarden die enkel in het Noorden actief waren geen quotaties. Gezien deze studie gaat over de Zuidelijke Nederlanden vormt dit niet zo’n groot probleem. Deze analyse biedt ons een indicatie over de hiërarchie van de tafelhouders in de Zuidelijke Nederlanden anno 1550. Bovenaan vinden we de “zwaargewichten” die vaak in drie of meer tafels waren geïmpliceerd. Als men van een “opperlombard” mocht spreken dan was dat ongetwijfeld Parenty de Pogio. Hij zat in de belangrijke tafels van Antwerpen (een kwart) en Gent (twee kwarten). Hij hield Bergen alleen en Den Haag voor de helft. Hij permitteerde zich bovendien Pisano’s legitimiteit in Valenciennes te betwisten.[356] Bernardin Porquin werkte dicht samen met de sterspeler in Antwerpen. Porquin monopoliseerde ook Maastricht, bezat de leenbank van Gouda voor de helft en die van Namen voor een derde. Ook Antoine Succa werkte samen met De Pogio, namelijk in Antwerpen en in Gent. Porquin en Succa maakten dus beiden kans op de titel van tweede topman. Daarna volgde Jacques Scarron, de vierde vennoot van de Antwerpse leentafel. Bertholemi de Sienne wist zich in het westen te vestigen, namelijk in Doornik, Sint-Omaars en Ieper. Daarna volgde Bernardin Pisano maar we hebben de indruk dat hij redelijk geïsoleerd was. Zoals we reeds uiteenzetten maakten zijn partners Germain, Mens en De Belis het hem de jaren voordien moeilijk, net als De Pogio in 1550. Bovendien nam de Grote Raad van Mechelen zijn tafels in Rijsel en Valenciennes een jaar later in beslag. Antoine de Ruede behoorde tot hen die we de “eenzamen” kunnen noemen. Hij spitste zich toe op één tafel en runde die volledig alleen. Wie een solide leenbank alleen hield zal wel een aardige kluit verdiend hebben en hoefde niet per se jaloers te zijn op collegae die hun kapitaal over meerdere leenbanken verspreidden. Het vereiste wellicht brede schouders en veronderstelde een zeker risico, want alles werd ingezet op één tafel. Brak men zijn nek niet dan was het ongedeelde monopolie in een stad over langere termijn wellicht een goede investering. Over de jaren heen accumuleerde men als enige. Het “egoïsme” van de “solitairen” was, naar we menen, niet noodzakelijk een professionele kansarmoede maar kon ook een strategische voorkeur zijn. In het geval van De Ruede liet hem dit toe mee te spelen in “la cour des grands”. Hij leende aan een eigen Mechelse cliënteel. Na De Ruede volgde Jean Paul Mascet, die de streek van Brugge, Ieper en Kortrijk inpalmde. Tot deze groep toppers kunnen we nog Jean Paul Mascet, Philibert Barberis, Jacques Bois en Jean Andrien Ymmonin rekenen. In dit geval vormde anno 1550 de sterkste groep een kwart (11 op 45) van het aantal lombarden wiens aandelen opgenomen waren in de officiële stedenlijst. Hierbij sluiten we echter de lombarden uit voor wie we geen waarde konden berekenen zoals ondermeer Jean Paul Bergaigne, Bertholemi Souldan of Bertholemi Bannelli. Ook zij reikten eventueel naar de top. De hoofdpositie van de vier Antwerpse vennoten en van Bertholemi de Sienne en Bernardin Pisano komt in elk geval veel overtuigender over. Als er een grens moet worden getrokken dan blijkt het wel die tussen deze zes lombarden en de rest te zijn.
De grote meerderheid valt moeilijker op te delen. De best bemiddelden onder hen kozen vaak voor twee leenbanken. Zo was er bijvoorbeeld Bertholemi Souldan in Nijvel en Aat en zijn vennoot François de Belis. Het Noorden was meer gemarkeerd door dergelijke middenfiguren; in Zeeland had je Bernardin Rubeiz, in Holland had je Laurens Germain, Jean Evangeliste de Alladio en Jean Pierre Buzin. Buzin waakte alleen over de Rotterdamse en Delftse pandhuizen. Aan de grens tussen Noord en Zuid zat Michel Fonasse (Hulst en Dordrecht). Een groot aantal (26/45) lombarden stelden het met aandelen in één tafel zonder schijnbaar de klasse van Antoine de Ruede te bereiken. De “eenzamen”, die dus alleen een leentafel hielden, vinden we opnieuw vooral in Zeeland en Holland (Middelburg, Alkmaar, Haarlem, Amsterdam en Gorkum). In het Zuiden waren Jacques Lombart in Nieuwpoort en Dominicque Baud in Atrecht van dat type. Ze waren kapitaalkrachtig genoeg om alleen een tafel van secundaire orde te dragen. Tenslotte werkten een aantal lommerds erg lokaal. Ze hebben een deeltje in één of ander tafel en staan daardoor onderaan in de hiërarchie. Zo was het enige dat Lucas Zoys en Antoine Marie Bergaigne dat jaar hadden ook hetgeen dat hen verbond, met name elk een derde van het Namense pandhuis. In de slechtste gevallen kan men dus uiteindelijk enkel spreken van “have-less”. Want “slechts” een deel hebben in één bedrijf was wellicht geen tegenvaller. Pierre Bergaigne had bijvoorbeeld “alleen maar” een vierde van de Gentse lommerd… Wat deze meerderheidsgroep kenmerkte was de voorkeur of de verplichting tot geografische concentratie. De beperking tot een regio was vaak maar zeker niet altijd het geval. Het was waarschijnlijker interessanter om zich als minder kapitaalkrachtige lombard te concentreren op dichter bij elkaar liggende tafels. Laat het cosmopolitisme maar over aan De Pogio en co. Wie maar één tafel bemachtigde had natuurlijk niet veel keuze. Maar het is duidelijk dat sommigen verkozen één tafel volledig te veroveren dan aandelen in uiteenliggende bedrijven. Zo was Lowys Porquin heer en meester in het lombardenhuis van Middelburg en Laurens Chamaiory koning te land in het Amsterdamse pand. Maar inzetten op verschillende pandhuizen kon ook een manier zijn om het spel zeker te spelen. De achterliggende redenen van hun keuze zou pas tot zijn recht komen na een heel gedetailleerde prosopografische studie waarbij men kon achterhalen welke strategieën het meest succesvol bleken.
We herhalen dat dit een momentopname is. Zoals men in de officiële stedenlijst kan lezen, veranderden de vennootschappen heel vaak en werd een tien -of twaalfjarig octrooi zelden uitgezeten. Wissels en overdrachten waren legio. Daarom zoeken we bevestiging voor een langere periode, met name de tijdspanne tussen ca. 1540 en 1550. We kunnen de vorige oefening niet overdoen. De officiële stedenlijst van 1550 bevat ook informatie over de jaren ervoor maar deze gegevens zijn niet volledig genoeg om voor één bepaald jaartal, bijvoorbeeld 1545, een analoge momentopname te maken. Dit voordeel biedt de lijst enkel voor het jaar 1550. Zoals gezegd leverde niet alleen de officiële namen- en stedenlijst maar het volledige archiefbestand ARA Audiëntie 1401/1 informatie over de situatie in het decennium dat voorafging aan het recolement onder Maria van Habsburg. Enkel met die gegevens kunnen we eventueel ondersteuning vinden voor het hiërarchisch beeld dat we net ophingen. Uit de combinatie van tafels en vennoten kunnen we op zijn minst een beeld van hun activiteit over het gehele decennium krijgen. Wat gold bij de vorige proef geldt hier nog meer; wie het meeste leentafels op zijn palmares had staan was daarom niet noodzakelijk een belangrijker lombard. Over een tijdspanne van tien jaar kon hij gewoon veel van plaats veranderd zijn zonder daarom aandeel te houden in belangrijke tafels. De rangorde volgens het aantal leentafels waarbij een lommerd was betrokken geweest, is slechts een aanvullend hulpmiddel. Voor deze rangorde te bekomen keken we naar de vermeldingen in heel het voornoemd archiefbestand. We sloten echter de vermeldingen uit van de officiële stedenlijst zodat we deze gegevens, die we reeds gebruikten in de vorige proef, niet dubbel verwerkten. Anderzijds is het onvermijdelijk dat gegevens van het jaar 1550 in deze rangorde gerekend zijn zonder dat ze van die stedenlijst komen. De meeste van de documenten uit het voornoemd archiefbestand zijn de situatieschetsen die de lombarden in 1549 en 1550 opstuurden op vraag van de landvoogdes. Deze inzendingen zijn dus allemaal opgenomen in het archiefbestand en een onbepaald aantal daarvan beschrijven de situatie in 1550. Bij gebrek aan data op deze documenten konden we geen onderscheid maken tussen die van 1550 en die van andere jaren. Een lombard kon immers meermaals in eenzelfde tafel actief geweest zijn op verschillende momenten. Hij kon in dezelfde tafel investeren zoals hij enkele jaren voordien had gedaan. We zeiden het al, de lombarden wisselden regelmatig van handel. Panta rei. De analyse zal even sterk verkleurd zijn als de andere interpretaties die we maakten van de verzameling gegevens uit dit archiefbestand; sommige lombarden kunnen meer vertellen over hun vorige activiteiten of gewoon meer opduiken in de archieven enzovoort. Dit zijn in feite typisch historiografische problemen die we weinig kunnen corrigeren. Anderzijds beschikken we nu over een sterker getal. De officiële namenlijst telt 53 namen waarvan enkel 45 worden gekoppeld aan een leentafel in de daaropvolgende stedenlijst. In de rest van het bestand vonden we echter voor alle andere lombarden (dus de overige 21) ook een werkplaats, behalve voor Antoine Masio, Berthin Tuwaert en Pierre Wyelan (ook Thowart).[357] Deze analyse steunt dus op een totaal van 71 lombarden. Het resultaat van deze analyse, namelijk de rangorde van de lombarden naar het aantal leentafels waarbij ze betrokken waren geweest tussen ca. 1540 en 1550, is opgenomen in bijlage 10.
De volgorde is anders maar we vinden dezelfde namen aan de top. De meest actieve lombarden zijn Parenty de Pogio en Bertholemi Souldan. Ze zijn allebei over het decennium betrokken geweest bij zeven tafels. Bernardin Porquin, Jean Andrien Ymmonin en Jacques Bois vinden we eveneens opnieuw terug op de eerste rij. Ze waren elk aanwezig in zes of vijf tafels. Behalve Ymmonin hebben ze allemaal in Antwerpen gewerkt. Antoine Succa was maar bij drie tafels betrokken maar het waren wel die van Antwerpen, Brussel en Gent. Bertholemi Bannelli en François de Belis hadden blijkbaar een gevarieerder verleden, de eerste vooral in het Noorden, zijn collega in het Oosten (Bergen, Valenciennes, Sint-Omaars, Bethune). Jean Paul Bergaigne en Jean Pierre Buzin wisten zich toen ook al over verschillende plaatsen te spreiden, terwijl Bertholemi de Sienne ofwel pas tegen 1550 naar de top doorbrak ofwel een zeer sedentaire zakenman was. Voor heel de periode getuigen de bronnen alleen van zijn aanwezigheid in Doornik, Douai en Sint-Omaars. Hetzelfde geldt voor Jean Paul Mascet die nergens anders voorkomt dan in Brugge, Ieper en Kortrijk. Idem voor Pisano en De Ruede. Gabriel Mayal en Jean le Grand blijken tegen 1550 niet meer actief te zijn hoewel ze beiden in Antwerpen waren geweest. Mayal gaf trouwens de Antwerpse tafel door aan De Pogio en co.[358] Het gaat hier waarschijnlijk om twee “oude rotten” in het vak die tegen het midden van de eeuw de fakkel al doorgaven. Vervolgens komen de namen voor die we bij de grote meerderheid hadden gerekend: Germain, Fonasse, Alladio, Jean Succa, Lowys Porquin enzovoort. Ze zijn maximum bij drie tafels betrokken geweest. Meer dan de helft van de lombarden (40 op 71) werden met slechts één leenbank vermeld waarbij Antwerpen, Gent en Brugge (respectievelijk Jean Balbian, Baptista Chioni en Jennin Succa) maar één keer voorkomen en Brussel tweemaal (Jeorge de Agnietz en Jacques de Genepo). Het is ook grotendeels in die brede basis van de piramide dat de 21 lombarden voorkomen die niet waren opgenomen in de officiële lijst. Het ziet er dus naar uit dat samensteller van de officiële lijst zich toespitste op de voornaamste steden en het twintigtal kleinere lombarden niet heeft opgenomen. We kunnen het beeld van 1550 dus in grote lijnen herkennen in deze rangorde, op een aantal nieuwkomers en vermoedelijk “gepensioneerden” na. Wat vaststaat is dat geen enkel van de zes voornoemde toplombarden bij die ruime helft zat die over het decennium enkel bij één tafel was betrokken. De zes “rijksten” bleken ook bij het meest tafels betrokken. In de periode tussen 1540 en 1550 en waarschijnlijk nog voor een tijdje daarna behield de gemeenschap tafelhouders haar structuur, haar interne verwantschappen en haar regionale groepen.
4. 2. Hiërarchie en structuren van de natie
We kunnen nu met meer zekerheid een aantal conclusies over deze hiërarchie trekken. Ten eerste valt de Piëmontese natie moeilijk op te delen. Het is duidelijk dat een zes- tot een tiental lombarden, met Parenty de Pogio op kop, de leenbanken in de belangrijkste steden voor zich behielden. Ze werkten voornamelijk met elkaar en onderhielden die partnerschappen door elkaar te betrekken in de octrooien die ze verkregen. Men leest er vaak de zin “heeft als vennoten gekozen”. Zo belandde het Antwerpse octrooi bij Antoine Succa ”lequel a choisy en sa compaignye lesdits Scarron et Pogio chacun pour ung quart et l’autre quart icelluy Gabriel a transporté audit Bernardin Porquin”.[359] Door onder mekaar vergunningsrechten uit te wisselen en mekaar te verkiezen bouwden ze vastere banden en beschermden ze hun sterke positie binnen de gemeenschap. Dit belet niet dat ze ook samenwerkten met lombarden die niet zo dicht bij hun clubje stonden. De grenzen van die werkkring waren niet zo sterk afgelijnd. Vermoedelijk werden nieuwkomers moeiteloos ontvangen zolang ze hun bevoorrechte plaats niet bedreigden. Dat de lombarden dergelijke voorkeuren hadden om strategische redenen, op grond van de professionaliteit van hun vennoten of wegens vriendschaps- en familiebanden doet niet af aan hun relatieve vrijheid. Myriam Greilsammer had het al over een “stoelendans”, een gesloten circuit waarin de tafelhouders werkzaam waren.[360] De tafelhouders wisselden vaak en klampten zich in elk geval niet krampachtig vast aan hun vennootschappen. Het waren echte handelaars. Ze getuigden van een professionele souplesse die, naar we menen, lang niet alle lagen van de toenmalige maatschappij kenmerkte. Die “losbandigheid” (in de logische betekenis van het woord) gold niet overal. De “eenzamen” waren een categorie waarvan sommigen als Antoine de Ruede bij de top behoorden en anderen niet. Ze hielden zich niet bezig met zo’n stoelendans en trachtten de tafels die ze veroverden voor zich te houden. Lowys Porquin was bijvoorbeeld sinds eind jaren 1530 actief in Zeeland en eens hij Middelburg had ingepalmd sloot hij nergens anders contracten meer.[361] Dit lijkt ons eerder voorzichtigheid dan genoegzaamheid. We kunnen in dit verband immers een paar van Porquins levensrecepten onthullen die zijn behoedzaamheid illustreren. Zo is het voor hem duidelijk dat men niet te hebberig mag zijn:
”Die niet begheerich en is die is te rechte rijcke /
Alle gierighe ligghen an der armoen dijcke” [362]
Hoe het komt dat de hebzuchtigen in de gracht vallen is voor hem even klaar:
“Mer gebruyckt redene / want die voorder wil sprijngen
Dan zijn stock lanck is / valt dicwil in de plasschen” [363]
Om met de groten te spelen moest je waarschijnlijk sterke benen hebben. Het risico je kapitaal te verspreiden over meerdere tafels namen zij die dit wel aankonden…of de hoogmoedigen. Als je enkel aandacht schonk aan één of twee tafels, het liefst niet te ver van mekaar, dan kon je wellicht gemakkelijker de zaken controleren. Ook daarom bestendigden de topspelers enkele uitverkoren relaties; ze hielden voor elkaar een oogje in het zeil. Als het onderling vertrouwen groot genoeg was dan kon de ene partner rekenen op de andere. We veronderstellen nog een andere reden voor die recurrente associaties. De Pogio en zijn vennoten maakten samen voldoende kapitaal vrij zodat ze voor hen de mooiste tafels vrijwaarden. Dat liet hen ook toe in secundaire tafels te participeren. Uiteindelijk handhaafden ze zo het kluwen zodat in feite niemand een almachtige toppositie kon verwerven. Door overal te willen deelnemen versterkten ze, gewild of ongewild, bewust of onbewust, de algemene verbondenheid. Anderzijds genoten de sterkste lombarden het meest van de greep op dit kluwen. We kunnen dit illustreren voor het jaar 1550. We geven de relaties weer op basis van de partnerschappen in dat jaar vertrekkende vanuit de lombarden die in het grootst aantal leentafels meedoen.

In het eerste geval ziet men hoe De Pogio en Bernardin Porquin zich centraal opstelden in een netwerk dat zich concentreerde op een aantal steden ten oosten van de lijn Gent-Bergen. Ten tweede controlleerde Bertholemi de Sienne de driehoek Doornik-Douai-Sint-Omaars. Tenslotte ziet men hoe Bois en Mascet anno 1550 West-Vlaanderen, Bethune en Leuven inpalmen. Deze lombarden stonden centraal in losse netwerken die wel geregeld veranderden van vorm en andere lombarden van secundaire orde erbij betrokken. Waarom zou een figuur als De Pogio zich anders verspreiden over Gent, Antwerpen, Bergen en het Noordelijke Den Haag? Niet alleen zullen dit interessante leentafels zijn maar hij verstevigde ook zijn connecties. Dit is vermoedelijk een andere reden waarom personages als Lowys Porquin zich wat afzijdig hielden. Eens je als kleinere lombard meedeed in een tafel dan wist je dat je jezelf inschreef in een netwerk van invloeden en dat je voortaan het spel moest meespelen. Je kon meedoen of voor een eenzame maar onafhankelijke loopbaan kiezen. Buiten die voorzichtige groep solitairen bleken de meeste lombarden eveneens minder geneigd allerhande aandelen te verzamelen. Omdat ze minder geldmiddelen hadden konden ze er minder aankopen en voor diezelfde reden concentreerden ze zich op weinig tafels. Het had bijvoorbeeld geen zin om kleine brokjes te bezitten van vijf pandhuizen als je voor hetzelfde geld twee degelijke parten kon hebben. Het belangrijkste was in dit geval een goed evenwicht te vinden tussen niet alles te zeer te verspreiden en alles op één pandhuis inzetten.
Naast die netwerken en vermoedelijke, achterliggende strategieën is de organisatievorm interessant. We nemen die onder de loep. Het eerste wat opvalt is de beperkte rol van bloedverwantschap. Broers, neven en andere mannelijke familieleden werken schijnbaar niet echt samen. De lombarden kiezen hun vennoten vaak buiten de familie. Misschien houden ze liever geldzorgen buiten de familie. Nochtans is binnen eenzelfde familie het succes van de ene ook voordelig voor de andere. De faam van de naam zal bij sociale promotie niet alleen de “zoon van” begunstigen maar, logisch gezien, ook andere bloedverwanten. Bernardin Porquin treft het wel beter dan zijn broer Lowys maar beiden genoten wel van hun verheffing in de adelstand.[364] Men mag tenslotte niet vergeten dat de basiseenheid in het Ancien Régime het gezin was. We denken dat we ons niet mogen laten vangen aan het schijnbaar professioneel individualisme van de lombarden. Elke broer of neef zorgde voor zijn eigen succes en zijn eigen gezin, zo blijkt het, maar tenslotte waren ze nog steeds buitenlandse “marginalen” die steunden op een professioneel en familiaal netwerk. Het effect van de kapitalistische concentratie in handen van een aantal grote families, die Bigwood constateerde voor de Late Middeleeuwen, gold ook voor de zestiende eeuw maar , naar we menen, in mindere mate.[365] De grote families die van de dertiende tot in de veertiende eeuw de leentafels in onze contreien monopoliseerden waren tegen de zestiende eeuw verdwenen. Ze waren geleidelijk met hun buit teruggekeerd of hadden het woekerberoep verlaten voor bezigheden met meer prestige.[366] Hoe dan ook, ze waren opgegaan in de stroom van de geschiedenis. De veranderingen in de tweede helft van de vijftiende eeuw (het staatsvormingsproces en de gewijzigde politiek inzake lombarden) zullen het verdwijningsproces van deze grote families wellicht versneld hebben. Slechts de recentste clans zoals de De Villes, de Fallets en de Macets haalden de dageraad van de vroegmoderne tijden. We kwamen nog een Saladin Fallet tegen in 1536 en François en Jehan Paul Mascet waren tegen 1550 blijkbaar de enige titelverdedigers van hun geslacht.[367] Van nieuwe woekeraarsdynastieën lijkt niet echt sprake, wel van meerdere families die vertegenwoordigd worden door twee of drie verwanten. De lombardenwereld lijkt dus de overgang te maken van de grote, langdurige familiale handelsmachten naar modernere en vrijere vormen van vennootschappen, waarin bloedverwantschap een minder prominente rol speelt. Deze evolutie naar compagnieën, bestaande uit een ondernemer, zijn vennoten en hun gezellen, en vooral naar tijdelijke vennootschappen werd al geattesteerd voor Antwerpen.[368] Bovendien beantwoordden de pandlenersvennootschappen aan de drie criteria die Braudel vooropstelde voor de compagnieën.[369] Zoals we reeds zagen, stemden ze overeen met de realiteit van de staat. De staat, zegt Braudel, creëerde de nodige leefruimte voor de compagnieën en construeerde voor hen een kader. In dit geval is die rol weggelegd voor de vorst, die de beslissingen rond leentafels voor zich hield of overliet aan de Grote Raad van Mechelen wanneer het op rechtspraak neerkwam. Hij gaf octrooien, schonk daarmee lokale monopolies en vroeg, volledig in overeenstemming met de toenmalige staatsvorming (incluis de centrale fiscaliteit), daarvoor vergoedingen. Een tweede criterium is dat van de handelswereld. Een compagnie leefde binnen een geheel van beroepsspecifieke bepalingen. Ze steunde op de kapitaalinbreng van haar deelnemers, de ijver en de ernst van haar personeel en natuurlijk de aanwezigheid van klanten, wat in dit geval overeenkwam met de vraag naar consumptief krediet. Zoals gezegd wijden we geen apart onderdeel aan deze economische en professionele modaliteiten. Ze liggen buiten de doelstellingen van deze studie en ze zijn al uitvoerig besproken in de ondersteunende literatuur.[370] Ten derde zijn de pandbedrijven actief in een omschreven geografisch gebied waarin ze hun monopolie genieten. Het gaat hier natuurlijk niet over de verre kolonies van de Oost-Indische Compagnie en de East India Company, die Braudel als voorbeeld gebruikte. De werkomgeving van de lombard was de stad. We bekeken al de verhouding van de tafelhouder met het stedelijk bestuur en met de stadsbevolking. De actieradius reikte ook buiten de stadsmuren. We beschrijven in hoofdstuk 5 de geografie van het pandbedrijf.
Duidelijk is dat de pandbedrijven in de zestiende eeuw de vorm aannamen van handelscompagnieën (men heeft het in de documenten altijd over de“compagnons” van een vergunde lommerd) met beperktere familiale banden. De Succa’s zijn een goed voorbeeld van die kleinschaliger aanwezigheid van verwanten in de lombardenzaken. Antoine is duidelijk de voortrekker die het in Antwerpen en Gent verwezenlijkt. Zijn neef Jean bemachtigde de helft van de leentafel in Hulst.[371] Jennin (we weten niet wat zijn verwantschap is) maakte het in Brugge. Ook de Bergaignes deden het goed. Jean Paul heeft Tienen in zijn handen en had een deeltje in Bethune. In Namen had Antoine Marie een derde. Pierre hield het op Gent. Telkens was het één familielid dat doorbrak terwijl de andere tweederangsrollen kregen. Ook bij de Mascets was dit het geval. Jehan Paul en François Mascet veroverden de tafels van Brugge, Ieper en Kortrijk. François had daar wel een bijrolletje aangezien hij een kwart van de Ieperse leenbank mocht bezitten, die zijn verwant voor de helft bezat. In het decennium na 1540 zien we nog verwanten met minder opvallende namen. Als Jacques en Bertholemi Ferrier familie waren dan waren ze ver van mekaar verwijderd. De eerste zat in Alkmaar, de tweede in Leiden. Ook Balthazar Pourcellis, in Bethune, en Claude, in Geraardsbergen, zatten niet heel dichtbij. De gebroeders Tuwaert (ook Thowart) waren in Vlaanderen geboren maar hun vader, Bertin, was Piëmontees. Antoine zat in Nieuwpoort, Sampson in Douai. Jean en Jacques Balbian (ook Balbis) moesten enkel de afstand tussen Goes en Antwerpen afleggen. Het pandlenersberoep dwong dus de leden van deze families om soms ver uit elkaar te vliegen in de zoektocht naar een eigen nest. Eens ze in een streek beland waren dan bleven ze er vaak werkzaam. Tenslotte wijzen we graag op Antoine Fenasse en Michel Fonasse. Mogelijks gaat het om eenzelfde familienaam en zijn ze verwant.
4. 3. Eenheid en verdeeldheid van de natie
Uit de analyses resulteert dus een gevarieerder beeld van de Piëmontese natie. Deze gemeenschap was beslist geen homogene verzameling professionelen die op evenredige wijze en met evenwaardige middelen de beschikbare plaatsen verdeelden. Ze was een relatief losse groepering met wisselende vennootschappen, een vage constellatie van een tiental topleden en een brede basis waar de kaarten nooit definitief waren verdeeld. Nieuwe associaties zorgden voor nieuwe opkomers, ouderen trokken zich terug en weinigen bleven lang op dezelfde plaats. De sterke verspreiding van de lombarden zorgde voor die flexibele structuur, daar waar grote handelsnaties die zich concentreerden in een handelsstad, zoals bijvoorbeeld de Venetianen in Brugge of de Spanjaarden in Antwerpen, zich wellicht beter en strakker organiseerden. In dit licht begrijpen we Jan Albert Goris wanneer hij over de lombarden zegt dat ”on ne peut appeler leur groupement éventuel une nation”.[372] Vanuit het perspectief van Antwerpen contrasteerden ze inderdaad met de grote nationes. Goris stelde vast dat ze beperkt waren in aantal en in tegenstelling tot de andere zuiderse handelaren nooit als groep naar buiten kwamen en evenmin deelnamen aan processies of op belangrijke politieke of commerciële evenementen van de stad. Men zou denkelijk hetzelfde kunnen zeggen voor Gent, Brugge of Brussel. Terwijl de andere buitenlandse kolonies op communaal vlak waren georganiseerd bleef de Piëmontese natie intercommunaal of interregionaal van aard. Ze vormde een web over de Nederlanden en sprak eenstemmig wanneer het voortbestaan van haar leden werd bedreigd, zoals bijvoorbeeld tijdens de twist met de controleur-generaal, Michel des Ardes. De vrijblijvendheid van haar structuur was nochtans niet meteen een vrijkaart voor haar uiteenvallen. Ze had de tijden doorstaan. Al sinds de dertiende eeuw werden de lombarden als één natie behandeld en reeds in de vijftiende eeuw, hun bloeitijd, waren ze samen opgekomen om hun rechten te behouden.[373] Maar het is duidelijk dat de vereniging nogal occasioneel van aard was. We vonden alleszins geen sporen van haar consuls, die volgens Goris de rechterlijke bevoegdheid hadden voor interne geschillen.[374] In onze bronnen kwam wel enkele malen het gebruik van eenmalige arbiters voor. Toen Jean Laignier, superintendant van de leentafels, in januari 1579 de rechten van de superintendantie van de Hollandse leenbanken overkocht van François Massagia, gebeurde dit via de beslechting van Jeorg Baliotis, Pieter Ormea en Colyn Zalizetis.[375] Dat men in dit geval en in andere gevallen arbiters aanduidde of gewoonweg naar het openbaar gerecht stapte betekent natuurlijk dat het niet altijd vredig verliep tussen de pandleners. Niet alleen was hun natie een relatief vaag gegeven, ze was zeker geen waarborg voor de interne eendracht. De koopliedensolidariteit , ”un peu une solidarité de classe”, die Braudel het sterkst waarnam in de Italiaanse naties, gold vooral tegenover de buitenwereld.[376] Zeker in het geval van de lombarden was ze lang niet altijd van toepassing binnen de groep zelf! De zaak Pisano, die we hoger uitlegden, is daar een duidelijk voorbeeld van. Bernardin Pisano lag jarenlang in geschil met zijn collegae. Het was tijdens hun rechtszaak echt menens want toen Laurens Germain in Brussel gevangen was vervloekte Pisano de anderen met hetzelfde lot.[377] Voordien hadden de complicaties hem zo ver gedreven dat hij de keizer vroeg om zijn termijn in Valenciennes te beëindigen en zich te vestigen in Rijsel, ”voyant leur maulvaise conduicte / et pourtant non desirant estre plus longuement en communion avecq eulx et ayant obtenu de votre Majesté les privileges de tenir tables de prest en votre ville de Lille...” [378] Maar het geschil tussen Pisano enerzijds en Mens, Germain en De Belis is zeker niet het enige en lang niet het ernstigste conflict tussen lombarden onderling.
Een opzienbarend proces voltrok zich op het einde van de vijftiende eeuw, namelijk tussen 1485 en 1487.[379] Ook hier kwamen arbiters aan te pas maar dit bleek al vlug niet te volstaan. De details van het verhaal kennen we uit het verdedigingsstuk van de verweerders.[380] Toen Pierre de Ville, een machtig lombard met tafels in Gent, Brugge en Lier, op zijn laatste levensdagen kwam stelde hij Gabriel du Solier en Secondin de Villeneufve aan als uitvoerders van zijn testament en voogden van zijn zonen Pierre junior en Andrieu. Zijn laatste wil was dat zijn pandhuizen werden verkocht zodat hij, volgens het advies van de priester, in rust kon sterven en het hemelrijk zou bereiken. Toen de executeurs-testamentair de inventaris opstelden van het bezit van wijlen Pierre senior merkten ze dat een aantal ringen en andere juwelen waren verdwenen. Volgens hun versie is Pierre junior de schuldige maar dit kunnen we natuurlijk niet achterhalen.[381] Ze weigerden bijgevolg Pierre nog geld te geven waarop hij hen aanklaagde. Om het geschil te beslechten werden Jean du Solier, Antoine Fallet, Matheus Anya en Philippe de Ville als arbiters aangesteld. Pierre junior zou ze echter omgekocht hebben door hen een deel te beloven van het verkoopgeld van zijn vaders pandbedrijven. De arbiters zorgden ervoor dat de hertog de voogdij van Gabriel du Solier en Secondin de Villeneufve annuleerde en de lommerdhuizen toewees aan Pierre junior. Op dit ogenblik verscheen Pagan de Laval ten tonele, die al eerder de bedrijven had gekocht van de voogden. De hertog erkende ook de rechten van Pagan de Laval. Een onderlinge schikking bleef onbevredigend wegens de partijdigheid van de arbiters. De Grote Raad van Mechelen hakte de knoop door ten voordele van de voogden en Pagan de Laval.[382] Hiermee eindigde een proces dat de top van de Zuid-Nederlandse lombarden had beziggehouden.[383] Het bezit van een aantal belangrijke leentafels leidde hier tot een interne verdeeldheid tussen de grote vissen waarbij ook verwanten tegen mekaar kwamen te staan. Onder dit licht komt de pandlenersgemeenschap over als een harde zakenwereld, wat ze vermoedelijk ook was. Nochtans was niet elke rechtszaak noodzakelijk een uiting van gemeende haat of van keiharde concurrentie. Zo liet Antoine Altofouasse, tafelhouder in Sint-Winoksbergen, zich willig condemneren ter betaling van de geldschuld die hij had bij zijn broer Vincent.[384] Antoine had zijn broer Vincent in 1550 uitgestuurd naar Duitsland om namens Antoine het octrooi voor de Nieuwpoortse leentafel te verkrijgen van Keizer Karel. Vincent zou als reisvergoeding een karolusgulden per dag krijgen, zoals ze bij contract hadden bepaald. Doordat Antoine na meer dan een jaar nog steeds op de betaling liet wachten liet Vincent hem in Mechelen gevangenzetten. Via een “accord et appoinctement aimable” [385] beloofde de vrijgekomen Antoine binnen de vijftien dagen zijn schuld van 522 karolusgulden te zullen betalen.[386] Dit geval trekt de ernst van de “gevangenschap” in vraag. Hier passeren twee lombarden een willige condemnatie voor de Grote Raad, aangezien ze zich kunnen beroepen op dit gerechtshof, en gebruikt de ene zijn recht als crediteur om zijn debiteur te gijzelen slechts als een formaliteit. De beslechting blijft hier “minnelijk”. De verhoudingen tussen lombarden kunnen dus zeer diverse vormen aannemen gaande van interne verdeeldheid tot ogenblikkelijke solidariteit in moeilijke tijden. Ook binnen éénzelfde lombardenhuis leefden verschillende gevoelens. Zo bleef Sébastien Iradis zijn meester Pisano uiterst loyaal en overtrad daarom zelfs de wet door inbeslaggenomen geld te verduisteren. Zijn medegezel Vincent Cappelle, daarentegen, verklikte zijn meester en Iradis.[387] Het jaar ervoor was de gezel Scipio met de kassa gaan lopen, wat natuurlijk van weinig loyaliteit getuigde.
De Piëmontese natie bestond tussen 1540 en 1550 uit een goed zeventigtal lombardenmeesters die allemaal personeel hadden in hun pandbedrijven en vrouwen en kinderen in hun huizen. Ook deze mensen genoten de voorrechten toegekend aan hun meester of hun vader. Al die mensen werden verbonden door uiteenlopende affiniteiten en belangen gaande van vreedzame vennootschap tot juridische vervolging, van haat tot liefde. De lombardengemeenschap was een losse vereniging, een stoelendans, waar men naar de beste zitjes gokte, een dansavond waar men graag van cavalier wisselde. Ze was een dromerige moeder wier kinderen vochten in haar schoot maar die woedend oprees wanneer zij werden bedreigd.
We haalden reeds Porquin aan over het kiezen van een gastland en de loyaliteit tegenover de vorst die daarbij hoorde (hoofdstuk 2). De lombarden in de Habsburgse Nederlanden waren zich hier komen vestigen of hun ouders of voorouders hadden dit gedaan. Aangezien de vorst grotendeels beschikte over de vormelijkheden van hun verblijf en over de bepalingen van hun beroep, bleef hij hun ultieme referentie. Ook ten opzichte van de gaststeden bleef het onverstandig om in de soep te spuwen, al was het octrooi door de vorst toegekend. Verliep de verstandhouding goed of slecht, de lombarden in deze contreien moesten het met de bestaande overheden doen. Die verstandhouding bepaalde niettemin voor elke lombard zijn “geografisch gedrag”, met name in welke leentafels hij actief was, voor welke duur en in welke mate. Via het octrooi wees de vorst aan de aanvrager de leentafel van een stad toe. Hij kon hem ook wandelen sturen door een rekwest te weigeren. Naargelang de voorrechten was de lombard ook aan de landsheer gebonden met betrekking tot de keuze van vennoten of het overdragen van een termijn. Ook de goedkeuring of de afwijzing van een verlenging had zijn effecten op zowel de hiërarchie als de geografie van de Piëmontese natie. De controle over deze beide aspecten was de voornaamste preoccupatie van de vorst, na zijn inkomens en het bestrijden van de woeker natuurlijk. Het ging trouwens allemaal hand in hand. Wie hij waar liet lenen en onder welke voorwaarden waren wellicht geen willekeurige keuzes. De plaatsen waren overigens beperkt. In de periode 1540-1550 verdeelde de vorst 43 leentafels over 74 lombarden.[388] De lijst van deze 43 locaties vindt de lezer in bijlage 12. Maar door de vrijheden die hij de lombarden toekende had hij zeker geen volledige greep op de situatie. Vooral de partnerkeuze en de moeiteloosheid waarmee de lombarden van tafels bleken te wisselen liet veel speling over aan de pandleners zelf. Zoals we het zagen bepaalden de netwerken en de voorkeursrelaties in grote mate de interne hiërarchie. Bijgevolg hadden de interne verbintenissen ook een effect op de verspreiding van alle tafelhouders. We suggereerden reeds dat het pandbedrijf haar regionale consortia kende. We halen de term “consortium” van J. Somers die wees op de afhankelijkheidsrelaties van kleinere leentafels ten opzichte van grotere leentafels in het vijftiende-eeuwse Brabant.[389] Zo waren de tafels van Lier en Herentals via hun eigenaars in feite ondergeschikt aan de tafel van Antwerpen. We zagen in het vorige hoofdstuk dat ook de zestiende-eeuwse lombarden dergelijke netwerken vormden. De ongelijke kansen en de verschillende kapitaalkrachten stelden echter weinigen in de mogelijkheid het interregionaal niveau te bereiken. Dit was wel het geval met Parenty de Pogio en zijn medewerkers.

De leentafels ca. 1550 op basis van het ”Récolement des Lombards”. Luik verscheen niet in die verzameling documenten van de vorstelijke administratie hoewel daar wel een tafel was. We rekenden Luik niet mee omdat we geen enkele informatie over de tafel in die stad hebben en het bijgevolg niet in onze analyses zit.
Het is intussen duidelijk dat de meeste lombarden regionaal actief waren, in één à drie leentafels. Zij die zich op één tafel hadden gericht settelden zich ook op die locatie zoals bij Lowys Porquin het geval was. Uit de brieven van Bernardin en Ysabetta Pisano blijkt dat ze de huiselijkheid van het lombardenhuis van Valenciennes misten. [390] Ze waren lang weg van het pandhuis toen ze ondermeer in Mechelen verbleven in functie van hun proces voor de Grote Raad. Het geografisch gedrag was dus niet alleen ingegeven door de kansen en de hiërarchie maar beantwoordde ook aan praktische aspecten zoals woonst en directe controle over het bedrijf. Als men dan toch interesse had voor meerdere tafels was het handig zich toe te spitsen op tafels die niet te ver uit mekaar lagen. Lowys Porquin en Bernardin Pisano zijn hier opnieuw goede voorbeelden. Porquin specialiseerde zich gedurende een tiental jaar in het Zeeuwse kredietwezen.[391] Na Zierikzee en Goes vestigde hij zich definitief in Middelburg. Pisano hield het op Rijsel en Valenciennes. Men kan zich dus meerdere redenen voorstellen voor een regionale actieradius: geregeld de lokale zaken controleren, misschien wel zelf het geld ophalen en de post- en reiskosten temperen.
5. 1. Regionale consortia
Hoe was de verspreiding concreet en wat verstaan we onder “regio’s”? We onderzochten dit voor de 74 lombarden uit het ”Récolement des Lombards”, dus voor de periode 1540-1550. Dat een aantal lombarden niet per se gelijktijdig voor de leentafels werkten waarbij ze vermeld staan vormt geen probleem. We willen enkel nagaan welk geografisch gedrag de doorsnee lombard vertoont. Ook het eventuele rondzwerven hoort daarbij. Het resultaat is dus niet een momentopname van het jaar 1550 maar is het evolutief beeld van een decennium. We wijzen nog eens naar Lowys Porquin; na een tiental jaar tussen zijn geboortestreek en de Brabantse tafels te twijfelen begon hij in 1537 in Sluis aan een Zeeuws deambulatorium waar hij wel octrooien verkreeg (bijlage 6). Het verhuizen is zeker een onderdeel van het geografisch gedrag van de lombarden, waarmee we rekening moeten houden. We willen dus weten binnen de grenzen van welke gebieden de lombarden samenwerkten en investeerden, zich met andere woorden professioneel bewogen. Aangezien dit “geografisch gedrag” van de pandleners telkens beantwoordde aan een bepaalde bewegingsruimte willen we die regio’s of werkgebieden nagaan.
We zetten de gewesten (Vlaanderen, Artesië, Brabant enzovoort) met hun respectievelijke lombarden naast elkaar en we vergelijken (bijlage 13). Hoeveel lombarden uit het ene gewest komen voor in de andere? Dat betekent: hoeveel pandleners zijn betrokken bij tafels in andere gewesten? Blijft een meerderheid actief binnen de grenzen van het gewest dan kan men zeggen dat dit gewest een apart werkgebied vormt. Is er echter een meerderheid van lombarden die ook werken buiten de grenzen van het gewest dan vormt het geen aparte werkomschrijving. Bijvoorbeeld: hoeveel lombarden die actief waren in de Artesische steden zijn ook betrokken geweest bij tafels van een andere streek? Als de tafelhouders uit Atrecht, Bethune, Sint-Omaars, Sint-Winoksbergen en Valenciennes voornamelijk met elkaar vennootschappen sloten en heel weinig actief waren in andere steden dan vormden de Artesisch steden een aparte, professionele regio. Waren ze echter vaak betrokken bij de leentafels van bijvoorbeeld Vlaanderen of Brabant dan kan men Artesië niet afzonderen als een apart gebied. We gaan dus de interactie tussen de 43 leentafels van geheel de Nederlanden na en stellen aan de hand daarvan werkgebieden samen. Het aantal lombarden dat buiten het gebied actief was, is de graad van openheid of interactie. Om te bepalen of een gebied nu een aparte werkomschrijving kan vormen of niet hanteren we een grens van 50%. Als minder dan de helft van de lombarden van een bepaald gebied ook actief was daarbuiten dan kunnen we dat gebied als apart beschouwen, omgekeerd niet. Bijvoorbeeld: als meer dan de helft van de Artesische lombarden ook in niet-Artesische steden werkzaam waren dan is Artesië een te nauw omschreven gebied om te gelden als werkveld. We kwamen op deze grens van 50% door de voornoemde vergelijkingsoefening uit te voeren. We stelden vast dat we met een hoger percentage als criterium (en dus een strenger criterium) geen aparte werkgebieden konden vormen. De lombarden kwamen ons reeds als mobiele en actieve beroepsmensen voor, die bovendien geregeld van vennoten wisselden zonder de vaste partners te verwaarlozen. We vinden de grens van 50% in dat opzicht een aanvaardbare grens om te definiëren of een gebied als werkgebied kan beschouwd worden of niet.
We kunnen nu de bedoelde werkgebieden vormen (bijlage 14). Als men de openheidsgraden van de gewesten vergelijkt valt het al vlug op hoe tussen Artesië en Vlaanderen veel interactie is. De lombarden die werkzaam zijn in de Vlaamse en Artesische steden vallen bovendien gemakkelijk te onderscheiden van de rest. In deze twee gewesten samen zijn, tussen omstreeks 1540 en 1550, 28 Vlaamse en Artesische lombarden actief. Van deze 28 pandleners komen er slechts zeven (25%) in andere gewesten voor. We koppelen hierbij weliswaar Gent en Hulst van de Vlaamse steden los. De lombarden van Gent en Hulst hebben immers een bijzonder geografisch gedrag. Hulst ligt dicht bij Antwerpen en Zeeland. De drie partners werken elk in een ander gebied. Dominique Baud zit in Artesië, Michel Fonasse in Holland en Jean Succa in Brabant. Dit maakt van Hulst een aparte enclave in het centrum van de Nederlanden. De lombarden van Gent zijn ongeveer dezelfde als die van Antwerpen. Behalve Baptista Chioni en Jennin le Grand, die we enkel in Gent terugvinden, verschijnen de andere zes Gentse pandleners enkel in Brabant. De Gentse lombarden voegen we dus bij de Brabantse lombarden. Als je dit bijvoorbeeld vergelijkt met de tafel van Brugge, ook een belangrijke stad, zie je dat daar alleen Jacques Bois de Vlaamse grenzen overschrijdt. De drie andere Brugse tafelhouders investeren immers enkel in Vlaamse en Artesische tafels. Gent en Hulst maken we dus los van Vlaanderen. De Vlaamse leentafels zonder deze twee tafels noemen we “West-Vlaanderen”. Dit is een willekeurige term. Een eerste werkgebied wordt dus gevormd door Artesië en “West-Vlaanderen”. We noemen het Regio West. Ten tweede gaat onze aandacht naar Brabant en Henegouwen. We dachten aanvankelijk Henegouwen te mogen onderscheiden maar al vlug bleek dat zeven van de twaalf Henegouwse lombarden ook elders voorkwamen. Zes (50%) onder hen komen voor in Brabant. De Henegouwse pandleners voegen we bijgevolg bij de Brabantse. Ten derde kijken we naar Holland en Utrecht. Samen tellen ze 19 leden. Zeven onder hen zijn ook aanwezig in Brabant. Wie meent dat door Antwerpen af te zonderen (dat men kan zien als draaischijf tussen Noord en Zuid) de verschillen sterker naar boven zouden komen, is verkeerd. De Antwerpse lombarden vindt men overal in de andere Brabantse steden. Het is niet zozeer dat Antwerpen een sterk “Brabants” personeel had, wel dat de lombarden van de handelshoofdstad zich, bij wijze van spreken, langs de Schelde verspreidden. We kunnen van Henegouwen, Brabant en Holland echter niet zomaar één grote regio maken. We geven de voorkeur aan de fusie Henegouwen en Brabant. Het vormt een Zuid-Nederlands gebied en bovendien heeft Henegouwen net iets meer tafelhouders met Brabant gemeen dan Holland-Utrecht (zes op twaalf tegen zeven op 19). We denken dat dit een logisch en aanvaardbare keuze is. Deze regio Gent-Brabant-Henegouwen, Regio Oost, telt iets meer lombarden (32) dan Regio West (27). Natuurlijk is ze door haar omvang en ook haar ligging nogal sterk betrokken bij zowel het Noorden als het westengebied. In deze regio zitten de interregionaal actieve lombarden van Gent, Antwerpen en Brussel maar ook de sterk westelijk gelegen leenbanken van Aat en Bergen en het noordelijk gelegen ’s-Hertogenbosch. Het is dan niet verwonderlijk dat Regio Oost een open karakter heeft (15 op de 32 lombarden of 46,9% werkt niet exclusief in dit gebied). Volgens deze geografische opdeling heeft het territorium van Holland en Utrecht voor de helft een exclusief regionaal personeel (10 op 19 of 52,6%). We benoemen dit werkgebied Regio Noord. Tenslotte bekijken we de drie Zeeuwse tafels, namelijk die van Goes, Zierikzee en Middelburg, en de tafels van de stad Deventer en de stad Groningen. Deze zijn op eigenaardige wijze verbonden. Dominique Galon was over de loop van het decennium in Goes en Deventer en zowel Bonifacius Mussis als Bernardin de Rubeiz waren in Goes, Zierikzee en Groningen. De Zeeuwse tafels en de perifere tafels van Deventer en Groningen waren op deze wijze verbonden. We nemen ze voor het gemak samen. We beschouwen dit niet als een regio – deze tafels liggen ver uit elkaar – maar als een categorie. Het is niet onmogelijk dat deze tafels niet zo prestigieus waren en bijgevolg dezelfde, minder succesvolle kandidaten aantrok. Bannelli, Germain en Rubeiz (oftewel drie van de negen) traden wel eens buiten deze laatste categorie.

Schematische kaart van de regio’s. De kleine donkere vlek stelt het gebied van Hulst voor.
Deze verdeling is zoals de meeste geografische opdelingen niet hermetisch. Ze is ook toegepast op de relatief kleine groep van 74 lombarden, al zijn dit de enige lombarden die we voor de periode 1540-1550 uit de bronnen konden halen. We wilden hiermee enkel nagaan hoe de geldleners zichzelf en hun professionele invloed over het gehele territorium verspreidden. We herhalen dat deze opdeling enkel en alleen is opgesteld in functie van wat we als het “geografisch gedrag” van de lombarden noemden. Deze opdeling zegt niets over de tafels zelf maar alleen over de overeenkomstige tafelhouders voor de tijdspanne tussen circa 1540 en 1550. We kunnen een aantal zaken onthouden. Ten eerste vormen Artesië en Vlaanderen een gebied, Regio West, waartoe drievierde van de lombarden die daar werkzaam waren, zich beperkten. Dit is zonder Gent en Hulst gerekend. De leenbank van Hulst is een apart geval, onder invloed van de andere streken. Gent viel grotendeels in handen van de machtige, Antwerpse lombarden die hun “geldzucht” ook hadden “uitgesmeerd” over Henegouwen en Brabant, samen Regio Oost. Holland en Utrecht vormden het gebied Regio Noord met eigen lombarden maar met bijna evenveel leden die ook elders actief waren. De drie Zeeuwse tafels, die van Deventer en die van Groningen waren eerder “randgevallen”. Drie lombarden zijn in alle drie van die nogal “perifere” zones actief geweest, terwijl ze nergens anders opdoken. Tenslotte herhalen we dat voor drie van de 74 lombarden geen plaats bekend was en zij zo aan deze tellingen zijn ontsnapt. Wat vooral opvalt is de sterkere “eigenheid” van Regio West. In deze contreien bleven lombarden tegen het midden van de eeuw veel meer regionaal werken. Ook Zeeland kende minder extraregionale leden dan Regio Oost en Regio Noord. Als men naar de oorzaak van deze verschillende openheden kijkt dan komt men een lijst verwachte namen tegen (vetgedrukt op de tabel in bijlage 14): Parenty de Pogio, Bertholemi Bannelli, Bernardin Porquin, Jean Paul en Antoine Marie Bergaigne, Jean Andrien Ymmonin, Jacques Bois, Gabriel Mayal, Jean Succa, … Het zijn natuurlijk die sterk actieve lombarden die we in het vorige hoofdstuk tevens omschreven als de meest vooraanstaande en die een minderheid in de gemeenschap vormen. Het zijn vooral zij die over de grenzen heen investeren en octrooien bemachtigen in uiteenliggende steden van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Maar hun aandacht lag minder in de Regio West. Het geografisch centrum van hun beroepsactiviteiten zou men gemakkelijk in Antwerpen kunnen situeren, wat weinig verwondering veroorzaakt. Ten westen van Brussel en van de Schelde liep de klant meer kans bij regionaal verbonden pandleners te lenen. Bleef men ten oosten van de Schelde, van Bergen tot Amsterdam, dan was de kans groter te lenen in de filialen van dezelfde geldleners, die een interregionale greep hadden.
5. 2. Intercommunale mobiliteit in een wisselend stedenlandschap
Nu we het geografisch gedrag van de tafelhouders hebben bekeken over heel de Nederlanden kunnen we inzoomen op het gemeentelijk niveau. We hebben net het beeld opgehangen van de regionale consortia, zijnde vier grote gebieden met elk hun eigen interne samenwerkingsverbanden. Het is duidelijk dat deze consortia een grotere schaal bereikten en zich in een ruimer speelveld situeerden dan deze door Somers beschreven.[392] Binnen elk van deze omschrijvingen werkten de lombarden in diverse mate samen terwijl een toplaag van tafelhouders sterk interregionaal actief was. Dus zowel binnen deze regio’s als er doorheen waren een aantal pandleners intercommunaal georganiseerd. We spreken dus van een interstedelijke mobiliteit zonder dat hierbij noodzakelijk een werkelijke, materiële beweeglijkheid aan te pas komt, dan wel één van aandelen en handelsbelangen. Jacques Bois, die anno 1550 aandelen had in Leuven, Brugge en Bethune, was vermoedelijk niet steeds onderweg tussen die drie steden. Logischerwijze zat hij in het Leuvens pandhuis, dat hij alleen in handen had, terwijl zijn vennoten wel zorgden voor hun gemeenschappelijke zaken in de andere steden. De lombarden hadden ter plaatse personeel waaronder eventueel een factor, met andere woorden een plaatsvervanger, zoals Michel Fonasse dat zo’n tien jaar was voor Parenty de Pogio in Gent.[393] We spreken hier dus van een financiële en commerciële mobiliteit. De steunpunten van deze pandlenersgeografie zijn dus de steden. We gebruikten de fiscale hiërarchie van de steden reeds als hulpmiddel om de hiërarchie na te gaan van de lombardengemeenschap; de stad maakte de lombard. Het veroveren van het octrooi voor een leentafel in de juiste stad bepaalde grotendeels het succes van de investeerder. Een vraag dringt zich op. Waarom de voornoemde 43 steden en geen andere? Een aantal factoren speelden zeker mee. Het zal niemand verrassen dat Antwerpen, Brugge en Gent over de faciliteit van het consumptief krediet beschikten. Het waren handelscentra met een omvangrijke en dichte bevolking. Er was dus steeds een publiek te vinden was voor leningen. Ook voor belangrijke steden zoals Brussel en Mechelen is dit weinig merkwaardig. Voor heel wat secundaire steden is het niet altijd duidelijk waarom de vorst akkoord ging met de aanwezigheid van een leentafel. Als men naar de kaart kijkt ziet men dat de leentafels gelijk verspreid zijn over heel de Nederlanden. De centrale administratie zal geprobeerd hebben op de noden aan krediet in te spelen. Hierbij was een gelijkmatige verspreiding van de leentafels logisch. Maar aangezien de vorst de particuliere leenbanken binnen de perken wilde houden creëerde hij er niet teveel. Volgens die redenering had het ook geen zin om ze dicht op elkaar te plaatsen. De hoger geciteerde fiscale hiërarchie van de steden zegt veel over het economisch draagvlak van de steden. De regering trachtte, zeker in de tweede helft van de zestiende eeuw, de massa te kanaliseren naar officieel toegelaten pandleners om te remediëren aan de enorme verspreiding van de illegale woeker. Een anekdote in verband met Michel des Ardes illustreert die bewust gecontroleerde verspreiding van de lombarden. In 1574 was Michel des Ardes nog tafelhouder in Diksmuide maar ook in Leupegem.[394] Die laatste vestiging was illegaal, al was ze toegelaten door de heer van Pamel. Des Ardes werd voor de Raad van Vlaanderen gedaagd wegens zijn woekerpraktijken in Leupegem. Het probleem was dat hij leende zonder de goedkeuring van de vorst en zich met andere woorden aan diens gezag onttrok. Maar het feit dat Des Ardes in Leupegem op intrest leende zegt meer over de politiek van de vorst. Het toont aan dat de mogelijkheid bestond om in dergelijke lokaliteiten op pand te lenen, laat ons zeggen dat het op zijn minst economisch leefbaar moest zijn. Toch liet de vorst niet toe dat de lombarden zich in de dorpen vestigden.
Een andere factor die we kunnen inbrengen is tevens economisch maar specifieker verbonden aan de professionele geldmarkt. In zijn studie over de Hollandse renten presenteert James Tracy de steden buiten Holland die als markt fungeerden voor die renten.[395] Deze steden waren dus steunpunten van een bloeiende financiële markt: Brugge, Mechelen, ’s Hertogenbosch, Brussel, Antwerpen, Middelburg en Zierikzee. Het zijn ook stuk voor stuk steden waar de vorst lombarden toeliet. We denken hier niet aan een direct verband maar wijzen gewoon op de aanwezigheid van een financiële speelruimte, wat niet in alle steden noodzakelijk het geval was. Deze steden waren geschikte plaatsen voor de krediet en trokken vermoedelijk ook lombarden aan. De stedelijke geografie van de lombarden was dus het product van de vorstelijke indijkingspolitiek en van de economische situatie van de steden. Dit laatste gold zowel in brede zin, zoals het bevolkingsaantal en de algemene rijkdom van de stad, als in meer bijzondere zin, namelijk de aanwezigheid van de geldmarkt. Tenslotte is ook de historische evolutie van belang. De stedelijk hiërarchie was voortdurend in verandering. Peter Stabel bestudeerde de zestiende-eeuwse mutaties in het stedelijk netwerk van het graafschap Vlaanderen.[396] De Vlaamse steden verloren politieke en economische bevoegdheden aan de Brabantse steden zoals Antwerpen, Brussel en Mechelen. De demografische kloof die voordien bestond tussen de dichtbevolkte steden Brugge en Gent enerzijds en de andere Vlaamse steden anderzijds werd in dezelfde periode gedicht. Bovendien zwakte niet alleen de overheersing van de drie Leden (Brugge, Gent en Ieper) maar verschoof de economische activiteit van de kuststeden naar het binnenland. Deze algemene wijzigingen in het stedelijk landschap hebben ongetwijfeld de geografie van de leentafels beïnvloed. Maar het verdwijnen en verschijnen van leentafels waren het gevolg van meerdere factoren. Zo verdwenen in het laatste kwart van de vijftiende eeuw Den Briel, Herentals, Lier, Dendermonde, Oudenaarde, Wervik en Zoutleeuw en kwamen er tegen 1550 leentafels bij in Groningen, Deventer, Alkmaar, Utrecht, Den Haag, Rotterdam, Goes, Doornik en Bethune.[397] Opvallend is dat Oudenaarde wegviel, terwijl de stad net in de eerste helft van de zestiende eeuw een periode van economische bloei en demografische groei kende. Logischer is het wegvallen van kleinere centra als Lier, Herentals en Zoutleeuw, waarschijnlijk ten voordele van nabije leentafels in grotere steden. Vermoedelijk kwam Doornik langs de Schelde het vacuüm opvullen tussen Aat en Rijsel terwijl de tafel van Bethune temidden van de ruime driehoek van Rijsel, Atrecht en Sint-Omaars kwam te liggen. Met betrekking tot het gehele territorium valt het ontsluiten van het Noorden op. De vorst voorzag de noordelijke provincies, tot in het verre Groningen, van geoctrooieerde leenbanken. Zoals we reeds zagen komt de Habsburgse greep op deze leentafels in het gedrang met de Opstand. Ook de oorlog had trouwens zijn onmiskenbare impact op de leentafels. We denken hier aan de gevallen van brand, vernieling en plundering die we in hoofdstuk 2 bespraken. Bij de leentafels die de overgang naar de zestiende eeuw overleefden verdienen de pandbedrijven van Nieuwpoort en Sluis aandacht. De lommerds aldaar bleven er werkzaam ondanks de economische terugval van het kustgebied en zeker van Sluis. In Luxemburg bleken in de vroege zestiende eeuw twee lombarden even de kop op te steken zonder dat we er iets meer over kunnen zeggen.[398] Tenslotte werd de kaart hertekend door de versterkte indijkingspolitiek in de tweede helft van de eeuw en door de opstelling van Albrecht en Isabella. In de Zuidelijke Nederlanden zijn er in 1625 enkel nog particuliere leentafels in Antwerpen, Gent, Mechelen, Brussel, Doornik, Bergen, Valenciennes, Atrecht en een nieuwe in Kamerijk.[399] Elders zijn ze verdwenen of vervangen door de Bergen van Barmhartigheid. De enige steden waar men na 1550 tegen pand kon lenen terwijl men dat voordien niet kon, waren die steden waar recent een mons pietatis was opgericht. Zo verschenen ondermeer in Armentières, Dendermonde en Diest openbare leenbanken. Een nieuwe lommerd in de tweede helft van de zestiende eeuw, zoals die in Diksmuide, werd na verloop van tijd omgevormd in een Berg van Barmhartigheid.[400] Dit beeld van de verspreiding van de lombarden steekt fel af tegen de 77 Zuid-Nederlandse vestigingen die men in 1309 telde, waaronder vele in kleine lokaliteiten.[401] We moeten dus vaststellen dat ook op geografisch vlak de leentafels een weerspiegeling zijn van de historische evolutie. Het concentratieverschijnsel dat J. Somers beschreef reikt verder dan de vijftiende eeuw.[402] De organisatorische en geografische concentratie beantwoordde vóór de grote vorstelijke en kerkelijke woekerstrijd van de zestiende eeuw aan de noden van de tijd. Het reflecteerde als het ware de politieke concentratie van de Late Middeleeuwen én de ontwikkeling van geconcentreerde, grootschaligere handelsmaatschappijen. Het pandbedrijf groeide parallel met de staatsontwikkeling en de metamorfose van de handelswereld. Dit gebeurde met ups and downs; het terugvallen van het Brabantse leenbankenaantal in de veertiende eeuw en ook na 1473 betekende geen verdwijning van de pandhuizen.[403] In de eerste helft van de zestiende eeuw werden weer nieuwe pandhuizen gevestigd en verspreidden de lombarden zich ook naar het Noorden. Er was dus een comeback van de Piëmontese natie.
Het landschap van de lombarden was dus sinds de Middeleeuwen voortdurend in verandering, onderhevig aan een aantal factoren. We moeten hierbij de aanvraag van een lombard nooit vergeten. De vraag om een nieuwe tafel te kunnen oprichten of een reeds bestaande verder te zetten werd positief of negatief beantwoord door de vorst maar kwam wel degelijk vanwege de pandlener. De studie van de concrete gevallen zou een beter inzicht in deze stedelijke geografie van de lombarden mogelijk maken. We hebben hier de grote lijnen aangeduid. De ondergang, de geboorte of het overleven van een plaatselijke leentafel beantwoordde telkens aan een specifiek samenspel van invloeden.

Verdeling van de tafels in 1550 op basis van de “officiële lijst”. De zware punten zijn de steden voor dewelke geen informatie over de verdeling voorhanden was.

Aantal betrokken lombarden per leentafel over heel de periode 1540-1550. De leentafels met het meeste lombarden over heel de periode zijn Antwerpen, Nijvel, Gent en Delft.

Verspreiding van de leentafels over de Nederlanden in 1473.

Verspreiding van de leentafels over de Nederlanden in 1550.

Verspreiding van de leentafels over de Zuidelijke Nederlanden in 1625.
5. 3. De Lommerdstraat tot buiten de muren. Lokale functionaliteit en stedelijke vestiging
Het lokaal niveau is een laatste stap die we nemen in deze korte studie van de geografie van de lombarden. Wat was de invloedsfeer van een pandhuis? Wat was de actieradius van de plaatselijke lommerd? We suggereerden al dat de reputatie van de woekeraar niet binnen de stadsmuren bleef omdat de stemmen van de stad langs poorten en wegen ook op de kleinere kerkpleinen weergalmden. De vooroordelen van de stadsmensen ten opzichte van de lombarden maakten vermoedelijk ook deel uit van het imaginair van de plattelandsbevolking. Wat zekerder is, is dat de lombarden ook leenden aan mensen buiten de stad. Via een relatief goed gedetailleerde casus kregen we een blik op de mogelijke reikwijdte van een leentafel. In 1496 klaagde Simon Rustyck, Piëmontees tafelhouder in Geraardsbergen, een vijftiental debiteurs aan voor de Grote Raad van Mechelen.[404] De verweerders lieten zich bijstaan door jonkheer Antoine de Mastain en deurwaarder Etienne Doublet. De verweerders hadden voor een aantal redenen hun schulden niet vereffend.[405] Jonkheer de Mastain had tijdens de oorlog met Frankrijk van de prins van Chimay, kapitein-generaal van Henegouwen, het bevel gekregen de bezittingen van de Vlaamse opstandelingen in beslag te nemen.[406] De verweerders hadden zich verzameld in Lessen terwijl de lombard Rustyck, aan wie ze geld verschuldigd waren, zich had teruggetrokken in het opstandige Brussel. Voor hen was het duidelijk dat Rustyck het kamp van de vijanden had gekozen. Aangezien Antoine de Mastain daarom beslag kon leggen op zijn bezittingen onttrok hij de verschuldigde bedragen aan de debiteurs om het leger te betalen. Hij gaf van deze confiscatie rekenschap aan de hertog. Rustyck stuurde hierop een rekwest naar de hertog zodat hij toch de rechten op het geld terugkreeg.[407] Dat Rustyck zich beriep op zijn statuut van lombard, waardoor hij beschermd moest blijven van confiscaties en het recht had verschuldigde bedragen op te halen, wuifden zijn debiteurs weg door te wijzen op het canoniek verbod op de woeker. Op de vorstelijke bescherming van de lombarden hadden zijn tegenstanders dus enkel het kerkelijk recht als antwoord. In wiens voordeel de raadsheren de zaak beslechtten weten we niet.[408] Als Simon Rustyck kon aantonen dat hij niet in Brussel was als vijand van de hertog maar tegen zijn wil of omdat hem toegestaan was handel te drijven met de opstandelingen, dan zal hij het pleit gewonnen hebben.[409] Aangezien Rustyck alles op de tafel van de raadsheren had gelegd om zijn gelijk te bewijzen beschikken we nu over een illustratie van zijn actieradius. Om de Grote Raad duidelijk te informeren voorzag hij zijn rekwest van een informatieve lijst van zijn debiteurs.[410] Het lijstje bevatte de namen, de woonplaatsen en de schulden (in Vlaamse groten) van de betrokkenen:
Joris vander Becke en zijn broer Jehan vander Becke, wonend te Geraardsbergen, met een schuld van 8 pond (l.) en 10 schellingen (s.).
Jehan van Waelberghe, Geraardsbergen, 28 l.
Jaspart de Clerc, Geraardsbergen, 5 l. 10 s.
Jehan van Hoven alias Vargay, Geraardsbergen, 6 l. 10 s.
Gerart de Busser, ”Boullers” (zijnde Boelare nabij Geraardsbergen), 3 l. 4 s.
Pieter Stassins alias De Brune, ”Boullers”, 2 l. 14 s.
Jehan de Clippe, Goeferdinge (nabij Geraardsbergen), 3 l. 10 s.
Arend de May en zijn zoon Lodewijk, Etikhove (nabij Oudenaarde), 2 l. 14 s.
Jehan de Broede en Klaas de Zuttere, ”Imelverdeghe” (Hemelveerdigem), 12 l. 1 s.
Gerart van Wille, ”Sainte-Marie Lierde” (het huidige Lierde), 8 l.
Jehan Carm en Zeghere de Cuppere, ”Sainte-Marie Lierde”, 12 l.
Jehan Carm (alleen), ”Sainte-Marie Lierde”, 3 l. 14 s.
Jehan Daniels, ”Sainte-Marie Lierde”, 2 l. 12 s.
Perpien Batten alias Clement, ”Jeerdeghem” (zijnde Idegem, nabij Geraardsbergen, of Erwetegem of Godveerdegem, beide ten noordwesten van Lierde, of – het minst waarschijnlijk – Eerdegem tussen Aalst en Dendermonde), 5 l. 14 s.
Mas van Vucken en zijn zoon Jehan, Viane (nabij Geraardsbergen), 4 l. 4 s.
We vonden deze lokaliteiten terug op een laatzestiende-eeuwse kaart (1596) van de regio rond Geraardsbergen, opgesteld door de geograaf Jacques Horenbault.[411] Op basis van die kaart stelden we de volgende schematische kaart op:

Woonplaatsen van de debiteurs van Simon Rustyck in 1496.
De kaart van 1596 bood het voordeel de verbinding van voornoemde plaatsen via het wegen- en rivierennetwerk weer te geven. We tonen hier enkel de wegen en rivieren die van belang waren in functie van de toenmalige toegankelijkheid van Geraardsbergen. De Schelde en de Dender vormden hier de voornaamste waterwegen. De meeste wegen op deze kaart waren zogenaamde ”heerwegen”, namelijk wegen onder bevoegdheid van de lokale heer of de landsheer.[412] Als we nu de woonplaatsen van Rustycks debiteurs nagaan dan zit Geraardsbergen daar natuurlijk bij maar ook dorpen en gehuchten buiten de stad. Behalve Etikhove (en het weinig waarschijnlijke Eerdegem) liggen al die locaties binnen een straal van ongeveer twaalf kilometer. Ze zijn overigens allemaal via wegen verbonden met Geraardsbergen en in het geval van Idegem kon de Dender eventueel een vlottere route zijn. Het is opmerkelijk, al is het waarschijnlijk toeval, dat Mas van Vucken en zijn zoon als enige klanten van deze lijst ten zuiden van de Dender woonden, met name in Viane. Opmerkelijk is ook dat Arend de May en zijn zoon zich richtten tot de leentafel van Geraardsbergen terwijl Etikhove zo dicht bij Oudenaarde ligt. De laatmiddeleeuwse leenbank van Oudenaarde was misschien al gesloten of ontoegankelijk tijdens de oorlog. In dit geval was hun keuze verstaanbaar gezien Rustyck enkel omringd werd door de lombarden van Aat, Brussel, Gent en Kortrijk. Het is althans duidelijk dat deze leentafel ook klanten had buiten de stad en zijn naam niet onbekend zal geweest zijn in de dorpen. Net zoals in de stad ging men pas naar de lommerd als men niet goedkoper kon lenen bij vrienden, verwanten of kapitaalkrachtigere particulieren.[413] Zoals we het in de titel samenvatten; de lommerd is lokaal functioneel. Het geval van Rustyck illustreert alleszins dat de lombarden ook meegenoten van de aantrekkingskracht die de steden uitoefenden op het omringend platteland wegens tal van aangeboden faciliteiten. Eén daarvan was het pandhuis.

Illustratie 6. Lommerdbriefje van Pepien Baten, uitgeschreven door Simon Rustyck.
Tenslotte willen we een woordje kwijt over de feitelijke vestiging van de lombarden in de steden. Indien er meer materiaal voor handen was in verband met de ligging van de pandhuizen zou men kunnen nagaan in welke stadsbuurten de lombarden doorgaans belandden, of ze zich vestigden in rijkere buurten, tussen de huizen van handelaren of die van het stadsmagistraat, of het stadsbestuur hen een vaste plaats toewees enzovoort.[414] Deze gegevens zouden ons meer vertellen over de integratie van de lommerds op lokaal vlak. We weten alvast dat de lombarden niet gedwongen werden te wonen in handelsgetto’s zoals dit vaak het geval was met de joodse kooplui. Hun koopkracht maakte het hen mogelijk zich te vestigen in de stadscentra, op zijn minst intra muros. De Brugse lombarden hadden meerdere pandhuizen, trouwens gelegen op de parochiegronden (zie hoofdstuk 1). Eén van de belangrijkste vereisten bij hun vestiging in Brugge was, zoals elders, over voldoende ruimte beschikken.[415] Men had grote ruimtes nodig om panden van allerhande afmetingen te stockeren, klanten te ontvangen, personeel en familieleden te herbergen etc. In Brussel waren de lombarden tot in de zestiende eeuw gevestigd in de Keizersstraat, toevallig verwijzend naar hun ultieme beschermheer.[416] De middeleeuwse lombarden van Herentals (familie De Ville) werkten bij de Sint-Janskerk en op de Blijdenberg.[417] In Middelburg woonden ze sinds de Middeleeuwen in de naar hen genoemde Lombardstraat.[418] Lowys Porquin settelde zich ook telkens in het centrum, in de zogenaamde “Bailljustraat” in Zierikzee en in de “Woutsestraat” in Bergen op Zoom.[419] Toen Porquin zich terugtrok in Bergen op Zoom en het pandlenersberoep liet voor wat het was, werd hij een eerbare burger, ondermeer door een deftig huis te kopen in de stad.[420] Het was wellicht een makkelijkere opgave nu hij het beroep niet meer uitoefende, in een nieuwe stad, in een goede buurt en in een huis waar geen kwade blikken werden op gericht. Zijn broer Bernardin huurde een duur huis in de Eikenstraat bij de Antwerpse beurs. In Luik liet hij een heuse patriciërswoning bouwen.[421] In Mechelen waren de pandleners dicht bij het huis van de postmeesters gevestigd.[422] In vele steden vindt men nu nog een Lombardstraat, een Lommerdstraat of een Pussemierstraat. Ze dateren van de tijd toen mensen wisten wat de naam betekende en wie daar woonde…

Illustratie 7 & 8. Het lombardenhuis in Aat. Voor- en achterkant.
In deel 1 zagen we hoe de buitenstaanders keken naar de lombarden en hoe ze met hen omgingen. In de vorige twee hoofdstukken belichtten we hun interne hiërarchie, hun onderlinge verhoudingen, de wijze waarop ze zich over de Nederlanden verspreidden en de structuren die daarbij te pas kwamen. We ontleedden de Piëmontese gemeenschap en stelden steeds een gevarieerde dynamiek vast. Nu we hen beter kennen, los van de vooroordelen van de externen, onderzoeken we hoe zij bewogen in de wereld om hen heen, wat ze wilden bereiken als leden van een groep in de marge van een vaak afkerige maatschappij en hoe ze dat deden. Wat was dus het eindpunt van de interne dynamiek?
6. 1. De lombarden als handelaars
Vooraleer we hierop een
antwoord kunnen formuleren moeten we hun bijzondere positie accentueren. Het zal
overduidelijk zijn dat de ”marchands piémontais”
geen gewone handelaren waren. De verschillen die de wereld, de andere handelaren
of zijzelf hadden opgeworpen verscherpten de contouren van hun aparte plaats.
Nochtans moet men ze rekenen tot het universum van de handelaren omdat ze een
zelfde socio-economische en culturele achtergrond deelden en dezelfde
strategieën aanwendden om op de maatschappelijke ladder te klimmen. Ze waren met
andere woorden de kinderen van eenzelfde moeder, de negotie, en wil men
begrijpen wat ze wilden bereiken dan kan men niet aan hun broeders voorbijlopen.
De lombarden hadden hun plaats tussen hun geestesverwanten in. In zijn
koopmanshiërarchie, bestaande uit een brede basis van gespecialiseerde kooplui
en een elite van groothandelaren die van alles kochten en verkochten, rangschikt
Braudel de geldleners, van de grootste financiers tot de kleinste pandleners,
verticaal.[423]
De
woekeraars volgen de handelaren, van groot tot klein, langs de zijlijn:
”