| God en Goud. De situatie van de lombarden in de Zuidelijke Nederlanden van de zestiende eeuw. (Sébastien Conard) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 1.
Verafschuwde woekeraars, verwelkomde geldleners.
De verhouding van de Kerk, de Staat en de steden met de lombarden
In dit eerste deel onderzoeken we hoe de lombarden werden ontvangen in de maatschappij. Ten eerste bekijken we de houding van de Kerk, zowel in haar leerstellingen als in haar dagelijkse omgang met de lombarden. Vervolgens zien we de lombarden tegenover de vorst en zijn centrale instellingen. Het belang hierbij is de gevoerde politiek jegens de pandleners en de concrete aanpak. Tenslotte is het de beurt aan de steden. Wat is de houding van de stadsbesturen tegenover de lombarden binnen hun muren? Wat denkt de burgerij of, ten minste, wat zeggen de rederijkers, min of meer haar spreekbuis? In deze drie eerste hoofdstukken proberen we dus denkbeelden en realiteit na te gaan, theorie en praktijk.
”Als gij weldoet aan wie u weldaden bewijzen, wat voor recht op dank hebt ge dan?
Dat doen de zondaars ook.
Als gij leent aan hen van wie ge hoopt terug te krijgen, wat voor recht op dank hebt ge dan?
Ook de zondaars lenen aan de zondaars, met de bedoeling evenveel terug te krijgen.
Neen, bemint uw vijanden, doet goed en leent uit zonder er op te rekenen iets terug te krijgen.
Dan zal uw loon groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste,
die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten.”
Lucas 6, 33-35.
”Au cœur de toute civilisation s’affirment des valeurs religieuses. Une réalité qui vient de loin, de fort loin. Si l’Eglise, au Moyen Age et plus tard, lutte contre l’usure et l’avènement de l’argent, c’est qu’elle représente une époque révolue, bien antérieure au capitalisme, que les nouveautés l’insupportent.” [27] Voor Braudel zijn de culturen of de beschavingen mastodonten in de loop van de menselijke geschiedenis. De zogenaamde économies-mondes evolueren vlugger dan deze reuzen. Terwijl de economische orde verandert beweegt de cultuur zich langzaam en standvast voort, weinig aangedaan, evenmin gestoord en op het tempo van een traag kloppend hart. Dit hart, zegt Braudel, is de religie. Dit gold zeker voor die verre tijden waarop wij, de kleinkinderen van de moderniteit, beroofd van dit hart, ons toespitsen. Aan de dageraad van de Nieuwe Tijden ervoer de katholieke Kerk, de centrale en ordende institutie van een eeuwenoude, christelijke cultuur, bepaalde turbulenties die haar rust meer dan ooit zouden verstoren. De veranderingen die het kapitalisme aankondigden eisten reeds vanaf de Late Middeleeuwen reacties van de religieuze instanties. Reeds sinds die tijd werd woeker een hoofdprobleem in het dialoog tussen de geestelijkheid en de ontluikende handelswereld. Hier is veel over geschreven en we kunnen meteen zeggen dat de houding van de katholieke Kerk lange tijd (en in zekere zin tot op heden) afkeurend was. Dit is geen wonder aangezien de aversie jegens woeker ouder is dan de christelijke leer en ook in andere religies voorkomt. Anderzijds moeten we deze morele continuïteit relativeren. Men heeft niet altijd hetzelfde begrepen onder het woord “woeker” en de invulling ervan is evenzeer een product geweest van de religieuze als van de economische context. Wat de hedendaagse definitie betreft kunnen we bijvoorbeeld naar de Van Dale verwijzen: ”onwettige winst door misbruik van de nood van een ander.” [28] Dit is ons inziens ook de gangbare betekenis van het woord. Wat meteen opvalt is natuurlijk de negatieve zin van het woord. (Het werkwoord “woekeren” is ook een synoniem voor “parasiteren”). Maar wat verder interessant is, zijn de juridische én morele redenen voor deze negatieve connotatie. Woeker is niet alleen “onwettig”maar is ook een “misbruik”. Deze twee componenten komen ook voor in de definitie van “woekerwinst”: ”overmatige, ongeoorloofde winst”.[29] Dergelijke winst is dus moreel verwerpelijk want ze is overdreven en dus niet meer behoorlijk. Ze wordt bovendien niet toegelaten. Dat de tweekoppigheid van de moderne definitie voortvloeit uit de geschiedenis van het fenomeen zal verder duidelijk worden. Maar we zullen eveneens zien dat het begrip ervan verschoven is. Toch is deze tweeledige uitleg ook onze werkdefinitie. Als we namelijk de lombarden als “woekeraars” zullen beschrijven verwijzen we daarmee naar de juridische en morele weerzin die anderen jegens hen voelden op basis van hun beroepsactiviteiten.
1. 1. Van de middeleeuwse scholastiek tot Lessius’ casuïstiek
Het is niet onze opzet diep in te gaan op de woekerkwestie en het historiografisch debat dat hieromtrent gaande is. Maar we menen het noodzakelijk een beeld te geven van de lange christelijke traditie rond dit probleem. Enkel tegen deze achtergrond kunnen we de situatie van de lombarden in de zestiende eeuw verstaan. Aan de basis van de vijandige attitude jegens intrestlening liggen een aantal bepalingen uit het Oude en het Nieuwe Testament die de christelijke denkers eeuwenlang bleven aanwenden en vaak opduiken in de geschiedkundige literatuur (ondermeer Exodus 22, 25; Leviticus 25, 35-37; Deuteronomium 23, 19-20; Lucas 6, 33-35). Ze verwerpen allemaal het vragen van een intrest voor een lening, vetrekkend uit een eis van solidariteit en broederlijkheid tussen de gelovigen. Deze solidariteit en de voorrang van het gemeenschappelijk belang vormen volgens R.H. Tawney de grondslag van de sociale leer van de Kerk.[30] Doorheen de Middeleeuwen vertrokken de christelijke theoretici vanuit het standpunt van een rechtvaardig geordende en onderling wederkerige maatschappij. Ieder hoefde zijn plaats in het groter geheel te kennen, de rang van anderen te respecteren en zijn bijdrage te leveren tot de gemeenschap. De clerus bad, de adel beschermde en het volk produceerde. Het is de oude driedeling van ”oratores”, ”bellatores” en ”laboratores”. Dit veronderstelde dus dat individuen onder elkaar en de maatschappelijke geledingen onderling solidair handelden. Ook het economisch ageren kon enkel zo benaderd worden. Vanuit diezelfde logica zouden de middeleeuwse geestelijken pleidooien houden tegen wat als woeker werd omschreven.[31] Tot in de elfde eeuw had men geleidelijk bijbelse argumenten verzameld. Met betrekking tot de woekerkwestie meent John T. Jr. Noonan dat de denktrant van deze min of meer exploratieve periode nog ”primitive” was.[32] Pas met de scholastici ontstond een geraffineerder discours. Anselmus van Canterbury (1033-1109) was de eerste die woeker rechtstreeks gelijkstelde met diefstal. Hij stond aan het begin van een strenge houding in de komende eeuwen. Ook was hij de eerste om een beroep te doen op één van de Kerkvaders, met name de heilige Augustinus. Terwijl latere scholastici het betoog tegen woeker uitbreidden werd een algemeen verbod uitgesproken in 1139, op het tweede Lateraans Concilie. Veertig jaar later excommuniceerde het derde Lateraans Concilie alle woekeraars en verbood hen de christelijke begrafenis. Ook het tweede concilie van Lyon (1274) en het concilie van Wenen (1312) bleven op dezelfde strakke lijn.[33] Uit deze evolutie onthield de Kerk een duidelijk concept van woeker waarbij ”it is treated without hesitation as a sin specifically against justice.” [34] (Hier herkent men de kiem van de voornoemde tweekoppigheid. Aangezien woeker werd gepercipieerd als een zonde tegen de rechtvaardigheid en voor die reden werd verboden, werd het meteen ook een daad tegen de wet in, vooral eens de wereldlijke rechtspraak de kerkelijke bepalingen zou bijstaan.) Deze regelgeving was dus geen oefeningetje geweest voor de intellectuele fitheid van de scholastici maar beantwoordde aan een volledig filosofisch raamwerk.[35] De verwerping van woekerpraktijken steunde op verschillende fundamentele opvattingen. De woekerkwestie was ten eerste een wettelijk probleem en werd behandeld volgens de gangbare opvatting over wetten. De menselijke wet was een veranderlijk gegeven en slechts een toepassing van de onveranderlijke natuurwet. Daarboven stond echter de goddelijke wet die God via het Heilig Schrift had bekend gemaakt. Ook woeker moest uiteindelijk beslecht worden volgens Gods woord. De scholastiek verdedigde tevens het recht op privaat eigendom en woeker werd geassimileerd met diefstal. Vanuit die specifieke invulling van “recht”, “rechtvaardigheid” en “eerlijke winst” en wegens de nadruk op de intentie van iemands daden hadden de middeleeuwse denkers de woekeraars grondig veroordeeld. Het werk werd trouwens geleverd door een tweeledige denktank.[36] Terwijl canonisten, bezig met de toepassing van het kerkelijk recht, trachtten het woekerverbod te concretiseren, zochten theologen nieuwe argumenten die besproken werden binnen de geestelijke gemeenschap. In dit theoretiseringsproces was de heilige Thomas van Aquino (1224-1274) een belangrijke schakel.[37] Zijn hoofdargument was dat geld een gebruiksgoed was en dat bijgevolg de waarde van geld gelijkstond met de waarde van zijn gebruik. Als men dus geld verkoopt (of het gebruik ervan) betaalt de koper dezelfde geldsom. Dit is immers de prijs van het gebruik. Vraagt de verkoper nog eens extra geld dan besteelt hij zijn klant. Dit was dan woeker. Latere scholastici zouden ondermeer op de visie van Thomas van Aquino voortbouwen. Anderzijds hadden de eeuwenlange uitwerking en verfijning van het theoretisch apparaat de geldlener een aantal rechten toegekend.[38] In bepaalde gevallen was een compensatie toegelaten voor het verlies of de schade die de uitlener opliep. Dit was de toenmalige duiding van het ”interest” (”quod interest” ; letterlijk “wat tussen is”, namelijk “wat het verschil uitmaakt”.) Men kon ondermeer beroep doen op de ”poena”, de strafbetaling wegens een laattijdige terugbetaling, het ”lucrum cessans”, de vergoeding voor de winst die de crediteur had kunnen maken als hij zijn geld niet had uitgeleend, en het zogenaamde ”damnum emergens”. Dit laatste was de schade die de geldlener had opgelopen door de geldlening. Het kon bijvoorbeeld zijn dat hij bepaalde materiële schade had geleden en die had kunnen weren als hij over zijn kapitaal had beschikt. Ondanks een uitgedokterde pleitrede tegen woeker had de scholastiek dus zelf regels ingebouwd die overmatige intresten mogelijk maakten. Terwijl deze rechten waren ontwikkeld vanuit een drang naar rechtvaardigheid en ze de eerlijke geldlener moesten beschermen konden woekeraars hierachter hun abusieve praktijken verschuilen.

Illustratie 2. “Christus verdrijft de handelaars uit de tempel” van Quinten Metsijs
De economische revolutie van de zestiende eeuw stelde de scholastische statements rond geld, lening en woeker fel in vraag.[39] Maar niet alleen het bloeiend handelskapitalisme zorgde voor druk op de ketel. Terwijl de Antwerpse beurs de kapitaalstromen ritmeerde, zorgde de culturele diversiteit van de Scheldestad voor een opborreling van nieuwe maatschappijvisies.[40] Bovendien scharrelden de Europese vorsten vooral vanaf het midden van de eeuw diep in hun kisten en vonden er weinig of niets. Hun beroep op de kredietmarkt bleef natuurlijk niet onopgemerkt. Nieuwe uitspraken over het onderwerp konden niet meer uitblijven. De eigentijdse denkers konden de oude regels dus alleen maar opnieuw bedenken of op zijn minst aanpassen. Het was al lange tijd niet meer de heersende tendens in de Kerk om de ogen te sluiten wanneer nieuwe vraagstukken opkwamen.[41] Alles wat er was, was deel van Gods creatie. Ook weinig spirituele kwesties zoals de handel gingen de geestelijken dus aan. In die tijd bekeek men in het algemeen woeker als diefstal omdat het een misbruik maakte van de tijd.[42] Op basis van de verstreken tijd vroeg de schuldeiser een vergoeding. Aangezien men zei dat geld steriel was kwam de winst niet uit het geld maar uit het tijdsverschil. De woekeraar verkocht dus in feite de tijd. De tijd was echter Gods bezit en de woekeraar was bijgevolg een dief. Bij de nieuwe theologen ging de aandacht voornamelijk uit naar de bevestiging van het lucrum-cessans-recht.[43] Vooral Cajetanus (1469-1534) droeg bij tot een eerste, hoewel beperkte, uitbreiding van het begrip. In het spoor van Thomas van Aquino stelde hij de waarde van geld gelijk met de waarde van het gebruik ervan maar hij kende geld ook een potentiële waarde toe binnen de handel. Geld dat gebruikt wordt voor handelsdoeleinden heeft ook een relatieve meerwaarde zoals graan dat gebruikt wordt om te zaaien. De uitlenende handelaar mag ook hiervoor een vergoeding vragen maar alleen als hij onvrijwillig van zijn geleend kapitaal afziet, aldus Cajetanus. Als hij immers vrijwillig leent moet dat uit christelijke caritas gebeuren en is een aanspraak op enige compensatie volledig uit den boze. De Spaanse jezuïet Molina (1535-1601) en vooral de Zuid-Nederlandse jezuïet Leonardus Lessius (1554-1623) zetten verdere stappen in de legitimering van de intrestleningen. Als theoloog met internationale bekendheid was Lessius’ denken invloedrijk op de bestuurlijke niveaus van de Zuidelijke Nederlanden einde zestiende eeuw.[44] Zeker op de Aartshertogen had hij een belangrijke impact. Gesteund door Lessius’ verdedigingsrede kon Wenzel Cobergher (1557-1634) de oprichting van de Bergen van Barmhartigheid bekomen.[45] Deze luidden het einde van de Lombardisch-Piëmontese kredietactiviteiten in. De steun aan de publieke kredietverschaffing, ter vervanging van een abusieve privé-markt, pasten immers in de lossere houding van Lessius inzake intrestlening.[46] Hij was ervan overtuigd dat het krediet een onvermijdelijke en zelfs noodzakelijke praktijk was in de toenmalige maatschappij. Dat men dan ook intrest eiste meende hij evenmin te kunnen bestrijden. Maar men kon wel maken dat het volk werd beschermd van de woekeraars. Hij schaarde zich bijgevolg achter het idee van de openbare geldbanken, waar de garantie van een beperkte geldprijs mogelijk was. Dat hij voorstander was van de toch nog controversiële Bergen was het gevolg van zijn modernere meningen. In tegenstelling tot de vroegere scholastici beweerde hij dat men wel oog moest hebben voor het gegeven van de tijd, alsook de productiviteit van geld.[47] Geld was geen onvruchtbaar goed waarvoor tijdloze bepalingen golden. Het kon door de tijd en door de handelingen van een investeerder degelijk een meerwaarde produceren. Niet alleen het “lucrum cessans” en het “damnum emergens” bevestigde hij maar Lessius verdedigde ook andere, “liberalere” rechten.[48] Lessius verkondigde ook het recht een vergoeding te vragen voor het risico dat iemand liep wanneer hij uitleende, het “periculum sortis”. Het kon bijvoorbeeld zijn dat je als uitlener jouw geld nooit terugkreeg. Tenslotte verwachtte Lessius ook een vergoeding voor de “carentiae pecuniae”, het tekort aan het geleende geld. Dit ging verder dan het “lucrum cessans”. Lessius plaatste immers het geld in zijn economische context en stelde vast dat het een marktwaarde had. Als je van je geld moest afzien dan zag je af van winstgevende opportuniteiten maar ook van de marktgeprijsde commoditeit zelve. Je zag dus niet enkel af van gelegenheden die zich voordeden maar waarin je geen geld kon investeren omdat je het niet bij had maar je moest ook gewoonweg een goed missen dat een bepaalde marktwaarde had. De ideeën van Lessius waren sterk vernieuwend en ze werden maar heel traag opgenomen in de volgende eeuwen.[49] Dit betekent niet dat Lessius echt een moderne denker kan worden genoemd. Hij bleek voornamelijk de geest van de scholastiek te willen vrijwaren.[50] Anderzijds is het duidelijk dat de vertegenwoordigers van de zestiende-eeuwse casuïstiek, waaronder Lessius, de economische vraagstukken op een nieuwe manier aanpakten. In hun behandeling van het woekerprobleem stak een groter compromis tussen theorie en praktijk dan dat men van hun voorlopers had kunnen verwachten. Het getuigde van een andere denkwijze. Lessius beperkte zich niet tot het discours van het mutuum of de eis van de reciprociteit. Hij trok de discussie open door het probleem te plaatsen in de toenmalige context van de algemene rechtvaardigheid en het gemeenschappelijk belang.[51] De casuïstiek was immers de toetsing van de stijve regels aan de concrete gevallen. ”Wie aandacht schonk aan de omstandigheden, schonk meteen ook aandacht aan wat opportuun was en wat niet, wat maatschappelijk nuttig was of niet.” [52] Deze vrijere houding gaat dus gepaard met een wijziging in de filosofische reflecties. De vroegmoderne casuïstiek bevindt zich tussen een wereld dat geordend is volgens het geloof in een onwrikbare en universele natuurwet en een wereld die meer en meer leeft volgens de religie van het nut.[53] Ook de zogenaamde antimachiavellisten, zoals de Italiaan Botero en de Vlaming Justus Lipsius, die tegen 1590 opgang maakten, flirtten met de casuïstiek.[54] Beide jezuïeten maakten toegevingen aan de filosofie van het nuttige om beter de nadruk te leggen op de waarde van het intrinsieke goede. Nochtans tipten ze niet aan Lessius’ compromissen met de werkelijkheid.[55] Hun oordeel over intrestlening was veel strenger. Maar ze vertegenwoordigden eveneens een frissere positionering. ”The tension sensed between the demands of the good and the useful characterized the era.” [56]
1. 2. Het appel van de Reformatie en het antwoord van de tridentijnse Contrareformatie
De zestiende eeuw is niet enkel de tijd van de kooplui maar ook de tijd van de “ketters”. De Reformatie drukte onvermijdelijk haar stempel op het woekerdebat, zoals ze dat in vele andere gevallen deed. Voor Noonan werpen de hervormers een nieuw licht op de kwestie ”but they do not in fact lead to substantial differences here”.[57] De verschillen met de scholastiek moeten we vooral relativeren. Daar waar Noonan het toch nog heeft over de hervormingsgezinde ”countertheory of usury” laat recenter onderzoek zich voorzichtiger uit: ”the reformation made no real or substantial change to fundamental Christian teaching about usury, nor to any of the Christian attitudes to it, remedies for it, or laws against it.” [58] Luther, Calvijn, Melanchton en Zwingli bleven naar de scholastische traditie woeker afkeuren. Dat historici Calvijn, Bucer en anderen te veel vernieuwingszin in de schoenen hebben geschoven volgt uit een verkeerde interpretatie van het toenmalig woordgebruik.[59] De meeste theologen gebruikten immers de algemeen verspreidde terminologie die de woorden “usura” en “foenus” gelijkstelden met woeker. Calvijn en een aantal anderen hanteerden ”usura” in de antieke zin, zijnde het verpachten van land, goederen of vee. Alleen onder ”foenus” verstonden ze één bepaalde toepassing van dit gebruik, namelijk het misbruik van een geldlening, met andere woorden woeker. Dit verhinderde niet dat Calvijn een rechtvaardige intrest verdedigde gezien hij zich vooral toelegde op de reorganisatie van een wereld waarin de stedelijke, commerciële gemeenschap niet meer weg te denken was.[60] Hij was geboren en getogen in dat milieu en zijn ideale maatschappij kon van de handel niet afzien. Zolang men door de arbeid bijdroeg tot het gemeenschappelijk welzijn – en ook handel was voor hem arbeid – was men een goed christen. ”For Calvin, work was a prayer.” [61] Luther daarentegen koesterde een diepere weerzin jegens handelskwesties in het algemeen en intrestlening in het bijzonder vanwege zijn agrarische en kloosterlijke achtergrond.[62] Als monnik van boerenafkomst beschouwde hij lange tijd de handelswereld als met zonden doorspekt. Deze interne verschillen doen echter niet af aan de bredere tendens van de Reformatie. Deze religieuze beweging brak misschien weinig met de scholastiek als het op woeker neerkwam maar ook op dit vlak verschoof ze het knelpunt naar het individu.[63] Een probleem zoals woeker werd geleidelijk een individueel probleem, waarbij de gelovige tegenover zichzelf en tegenover God oprecht moest zijn over zijn werkelijke intentie. De Hervorming bood de gelovige een persoonlijker, humanere God maar zonder de alomtegenwoordige tussenkomst van de kerkelijke institutie stond hij ”alone with his own conscience, alone before God”.[64] De zestiende-eeuwse dissidenties veroorzaakten dus op langer termijn wel een theologische verschuiving die de kijk op krediet en intrest affecteerde. Enerzijds werd de zondigheid van bepaalde daden verinnerlijkt door de klemtoon op de intentie en op de persoonlijke band met God. Anderzijds benadrukte het protestantse geloof het vertrouwen daar waar het middeleeuws christendom vooral had gesteund op het begrip van de schuld.[65] Het christelijk idee van de ”redemptio” (de verlossing) steunde volledig op de schuld die de mens droeg ten opzichte van God. Christus had de mensheid verlost, losgekocht van haar zonden door zijn opoffering. Het mensdom was hem hier nu voor verschuldigd. Die schuld kon elk persoon inlossen door te geloven. Het protestantisme accentueerde echter minder die schuld en meer het geloof in Christus. Ook economische handelingen werden in die termen gezien. Voordien had de debiteur vooral een schuld tegenover de crediteur, waartoe hij “verplicht” was en met wie hij zijn relatie weer in evenwicht moest brengen. Hun protestantse tegenhangers moesten vooral in elkaar vertrouwen en geloven dat het onderling evenwicht zou komen, zoals ook de finale verlossing zou komen. Deze evoluties naar verinnerlijking en individualisering van het geloof waren daarom niet vreemd aan het katholicisme. Ook bij de katholieken dook een tendens op naar een meer persoonlijke beleving van het geloof en een intieme band met God. Maar de katholieke godsdienst had daarvoor eerst een grondige reorganisatie nodig.[66]
Belangrijk in het licht van deze mentale verschuivingen is dus een concreet godsdienstig fenomeen, dat het leven van de Zuid-Nederlandse lombarden meer dan ooit zou bemoeilijken. De zestiende-eeuwse afvalligen mochten even hard optreden tegen woeker dan de traditionele garde, hun meningsverschil op vele, andere vlakken riep een reactie op van Rome. Met het Concilie van Trente (1545-1563) gaf het kerkelijk establishment een antwoord op de hervormingsgezinde kritiek. Het beoogde ook de disciplinering van de eigen rangen. De Contrareformatie veronderstelde een herbevestiging van een aantal christelijke waarden en een vernieuwde profilering tegenover het doelpubliek. De drang naar een interne reorganisatie uitte zich reeds midden de jaren dertig van de zestiende eeuw.[67] Pogingen werden ondernomen tijdens het Concilie van Mantua (1536) en de creatie van nieuwe orden zoals de Capucijnen en de Jezuïeten getuigden eveneens van hetzelfde engagement. Zoals bekend kwam de grote doorbraak pas met de tridentijnse bepalingen. Inzake de woekerkwestie kende dit concilie een verharding; woeker werd gerangschikt als een categorie van het zevende verbod, dat van diefstal![68] Hiermee greep het expliciet terug naar de traditionele, canonieke definities. Woeker werd dus omschreven als ”all that a man receives above and beyond the capital he has lent, be it money or any other item which can be evaluated in terms of money.” [69] Deze opvatting liet theoretisch weinig ruimte open voor enige vorm van intrestlening. Opvallend ook hoe fel ze afsteekt tegen de ietwat latere casuïstiek, opnieuw theoretisch althans. Nochtans bleken de tridentijnse termen voldoende interpreteerbaar want Lessius wist op overtuigende wijze de intrestlening met meerdere uitzonderingen te verdedigen. Maar een strakke interpretatie kon ook de kleinste geldleners gelijkstellen met de dieven. Dat hier sprake zou zijn van een typisch kerkelijke hypocrisie, zoals recentelijk is beweerd, is ons inziens een miskenning van de zaak.[70] De verstijfde benadering van woeker strookte met de geest van de katholieke hervorming. De Contrareformatie bevestigde de leken in de christelijkheid van hun doen.[71] Door de lekengemeenschap te verzoenen met de katholieke leer trachtte ze die in feite te reïntegreren. Maar in ruil voor die toegevingen vroeg de Kerk dan ook de volledige erkenning van haar legitimiteit en het onderschrijven van onafwendbare geloofspunten. Het is vanuit hetzelfde vertrekpunt dat de casuïsten een compromisvol realisme bereikten.We denken dat we het als volgt mogen stellen; wilde de Kerk een publiek winnen dat dreigde af te haken dan moest ze hen niet alleen bevestigen dat ze goede christenen waren maar dan hielp het ook hen te onderscheiden van wie dat dan niet was! Met andere woorden, als de handelaar en de vooraanstaande bankier wel christenen waren dan was de woekeraar dat zeker niet. De handelaar kon zichzelf profileren als een goed christen, ondermeer via de risico’s van zijn job of met zijn rol als graanleverancier die het volk hielp overleven in harde tijden.[72] Zo ontwikkelde zich tijdens de zestiende eeuw het beeld van ”le bon marchand” , steeds duidelijker onderscheiden van de zondige geldschieter. Ondanks haar mistige uitspraken wilde de Kerk na Trente de woekerzonde dus zeker bestrijden. Ze wist misschien niet meteen hoe, ze wist het kwaad nog steeds niet overal te zien maar de motivatie de gemeenschap van haar parasieten te bevrijden was aangewakkerd.
Over de aard van die kerkelijke motivatie hebben historici er vaak uiteenlopende gedachten op nagehouden. Het veelzijdig gedrag van de Kerk doorheen de eeuwen valt voor een hedendaags mens nogal moeilijk te vatten. Overal vinden we het commentaar dat de Kerk de kleine woekeraars veroordeelde en vervolgde maar haar ogen wist te sluiten voor de “haute finance”, vooral als die een duitje stak in de eigen beurs. Wanneer men denkt aan grote bankierfamilies die de paus financieel bijstonden tegen vergoeding is de opmerking terecht. Als men de algemene goedkeuring van renten aanhaalt dan praat men naast de kwestie. Bernard Schnapper toonde al aan hoe men pas vanaf de zestiende eeuw renten ook op roerend kapitaal begon uit te schrijven.[73] Pas dan dreigden ze een synoniem te worden voor intrest. In de ogen van de middeleeuwers waren renten losgekoppeld van kredietpraktijken, laat staan woeker.[74] Het is dus enkel tegen werkelijke geldleners dat de geestelijkheid veranderlijk optrad. Of toch niet? Om bij dezelfde auteur te blijven roepen we er nogmaals Schnapper bij. Volgens hem stemde het optreden van juristen en van de wereldlijke overheden in Italië, Frankrijk en de Nederlanden overeen met zogenaamde “repressieve cycli”.[75] Tijdens de twaalfde en de dertiende eeuw en vervolgens in de zestiende eeuw, vooral na 1550, was de nood aan krediet zo sterk dat woeker alomtegenwoordig werd en de repressie werd aangeblazen. Het harder optreden was daarom niet steeds efficiënt. In de late middeleeuwen berustten de kooplui minder op leningen. De juristen beperkten zich bijgevolg productief en consumptief krediet te onderscheiden en die laatste vorm strak te reglementeren. De veertiende en vijftiende eeuw worden dus als laks omschreven. Voor Schnapper is het echter duidelijk dat de kerkelijke boodschap een constante is waarop de competente instanties – na verloop van tijd is dit steeds meer de wereldlijke macht – verschillend reageren. Dat de Kerk haar afkeur bleef uitten staat inderdaad vast. Maar zoals hierboven uiteengezet gebeurde dit met gevarieerde intensiteit. Het gelovig vuur van theologen, pausen, concilies en uiteindelijk de gehele geestelijke gemeenschap brandde niet altijd even fel. Om dit uit te leggen legt een recente theorie alle nadruk op het economische.[76] Ook hier staat een gelijkaardige periodisering centraal. De chronologie is ingedeeld volgens de teneur van de kerkelijke verboden.[77] Deze chronologie verloopt grofweg als volgt; vanaf de zesde eeuw versterkte het canoniek betoog tegen woeker en het bereikte een hoogtepunt tegen 1350; tot 1500 taande de vijandige retoriek om dan volop te hernemen tot in het begin van de negentiende eeuw. Het is meteen duidelijk dat dit schema overeenstemt met Schnappers “repressieve cycli”. Reed en Bekar menen dat de Kerk woeker verbood wegens economische motieven.[78] Via allerhande directe en indirecte inkomens en caritasgiften verzamelde de Kerk kapitaal waarmee ze in moeilijke tijden de minderbedeelden kon bijstaan. De Kerk wordt hier gezien als dé institutie bij uitstek waaraan iedereen financiële bijdragen levert in ruil voor zielenheil én materiële steun; de Kerk als een grote verzekeringsmaatschappij dus. Wegens haar morele missie (de verspreiding van het geloof) en wegens het onderhoud van haar welvaart bekommerde de Kerk zich om de redding van mensenlevens en om de bevolkingsgroei. Aangezien rijkere gelovigen meer winst haalden uit de investeringen die ze konden maken op de bloeiende kredietmarkt trachtte de Kerk dit concurrentieel alternatief uit te schakelen. Door flagrante geldleners te verdoemen poogde ze haar beste contribuanten te houden, zonder wie het kerkelijk herverdelingssysteem niet zou werken. In harde tijden versterkte de Kerk haar woekerverbod om de rijke bijdragen niet te missen, in betere tijden was haar greep minder krampachtig.[79] Zo komt het dat de zestiende-eeuwse clerus opnieuw harde taal sprak. De achtergrond was een bloeiende kapitaalmarkt, een stijgend aantal kleine en landloze boeren en een groeiende en verarmende bevolking. Reed en Bekar hebben in dit model op intelligente wijze de economische en morele motieven laten samenspelen. Toch is de toon vooral materialistisch. Wat een verschil met bijvoorbeeld de mening van de Leuvense katholiek Victor Brants! We keren dan ook een eeuw terug. Voor Brants was de ”idée-mère” van het woekerverbod het morele en juridische gedachtegoed van de Middeleeuwen en het Ancien Régime; de eis van gelijkwaardigheid en wederkerigheid tussen contracterende partijen en de bescherming van de armen.[80] Naast een zekere dosis waarheid valt bij Brants vooral de naïeve vereenvoudiging op en een sterke overtuiging. Hij incarneert echter een historiografisch tegenpool die de nadruk legt op de morele motivatie. De theorie van Reed en Bekar is aantrekkelijk maar slechts aanvaardbaar als men haar opvat als een langetermijnproces, als men toegeeft dat zich over de eeuwen heen een evolutie voltrok die beantwoordde aan wetten waaraan tijdgenoten niet eens dachten. Thomas van Aquino heeft waarschijnlijk nooit gedacht aan de tienden toen hij gelovigen weghield van de pandlener. Of met de woorden van Noonan, die eveneens het onderwerp wou vrijwaren van een puur economische interpretatie; ”But at the level of conscious motivation the theological decisions were more important to most scholastic authorities than the economic facts…” [81] Dit sluit natuurlijk niet uit dat de Kerk, dat hart van het christelijk cultuurmastodont, nu eens vlugger, dan eens trager klopte, door de stimuli van de economie.
1. 3. Mijn groeten aan de priester. Beeldvorming en realiteit van de kerkelijke houding tegenover de lombarden
In het licht van zo’n lange traditie en van zo’n complexe motivering begrijpt men beter het kerkelijk oordeel over de lombarden. Wat betekende dit standpunt voor de situatie van de Noord-Italiaanse pandleners? Was er in de zestiende eeuw werkelijk sprake van repressie? Bekeek de geestelijkheid deze woekeraars steevast met een vijandig oog? Het canoniek discours beïnvloedde haar (en ook andere lagen van de maatschappij) zo sterk dat men kan spreken van een sociaal paradigma.[82] ”The figure of the usurer appears together with that of the prostitute as the one which most clearly deserved at least reprobation. Even so their presence might be tolerated as long as they assume their marginal position in society…” [83] Onze historische kennis verplicht ons te vertrekken vanuit deze radicale perceptie van al wie als woekeraar werd aangeduid. Een pandhouder mocht zich dan nog uiterst gelovig tonen en een zeer sympathiek mens zijn, buitenstaanders waren opgevoed met het beeld van een verachtelijke parasiet. De goedaardigheid en de eerlijkheid van onze imaginaire lommerd botsten steeds op ingestampte vooroordelen. Anderzijds moet men benadrukken dat het woekerverbod vooral gericht was op het consumptief krediet, zoals uit het vorige zal gebleken zijn. De uitzonderingen die de theologen hadden gemaakt waren grotendeels bedoeld voor leningen onder handelaars. Bovendien was het makkelijker de leningen aan de dignitarissen van Christus door de vingers te zien dan het krediet aan een telkens verpauperende bevolking. Dit laatste was natuurlijk één van de specialiteiten van het lombardenhuis, terwijl bankiers van beter allooi zich niet inlieten met leningen aan de arme man.[84] De Kerk ondernam dus maatregelen. In het vijftiende-eeuwse Luik bevestigde de prins-bisschop de excommunicatie van de woekeraars, verbood hen het contact met gelovigen, de toediening van sacramenten en het domicilie en ging zelfs over tot de verbanning.[85] De zestiende-eeuwse synoden en vooral dat van Ieper in 1577 richtten telkens opnieuw hun pijlen op de woekeraars.[86] Hun verbanning moest in de parochies geregeld herhaald worden en hun giften en offeranden werden verworpen. Ze moesten afzien van de misdiensten, van de sacramenten en van de christelijke begrafenis. Ze mochten ook niet wonen op gronden in kerkelijk bezit. Voorbeeldige gelovigen mochten niet met hen omgaan. Kerkobjecten en goederen van minderjarigen mocht men niet in pand geven. Bovendien werden ze verwacht een opvallend teken te dragen opdat anderen hen zouden kunnen onderscheiden. Al deze bepalingen lagen dus volledig in de lijn van de canon. Ze waren overigens door Keizer Karel bevestigd in een edict van 1546, die we verder bespreken. Van het concilie van Trente tot aan de dorpspastoor worden deze regels dus doorgestuurd en overal worden ze herhaald en bekrachtigd. Maar de praktijk is anders. Tegen de zestiende eeuw heeft de religieuze jurisdictie redelijk ingeboet. Tijdens de middeleeuwen was woeker een conflictonderwerp tussen de wereldlijke en de kerkelijke rechtspraak.[87] Het is een strijd die geleidelijk ten voordele van de leken uitdraait maar dan vooral van de vorst. Dat de lombarden in het vorstelijk domein tuimelen zien we verder. In elk geval, in 1510 verbood Keizer Karel aan de clerus leken te dwingen met excommunicatie en zo het seculier rechtsgebied te betreden.[88] Een onderzoek naar woekerprocessen voor de kerkelijke tribunalen zou natuurlijk een beter beeld scheppen over hun bevoegdheden en hun werkdadelijke ondernemingen. Zo’n studie viel buiten de grenzen van deze verhandeling en interesseerde ons niet zozeer. Onze vaststelling was dat de lombarden sinds lang vorstelijke bescherming genoten en die gebruikten in geval van een geding.[89] Dit betekent dat ze in theorie zoveel mogelijk naar de Grote Raad van Mechelen trekken. We laten dus de kwestie van de kerkelijke rechtszaken open. Maar dat er überhaupt een verschil was tussen zeggen en doen valt niet te betwijfelen. Ondanks alle veroordelingen namen de lombarden toch deel aan het godsdienstig leven. In Brugge maakten ze deel uit van katholieke broederschappen, deden ze schenkingen aan kerken en kloosters en werden ze op gewijde aarde begraven![90] In Antwerpen, nog sterker gemarkeerd door de aanwezigheid van buitenlandse handelskolonies, profileerden de zuiderse kooplui zich als fervente katholieken. [91] Het staat vast dat elke Italiaanse natie een eigen kapel onderhield maar dit werd niet geattesteerd voor de lombarden. Het zou ons niet verbazen als dit ook voor hen gold. Anderzijds zouden ook abdijen in de middeleeuwen, waaronder de Gentse Sint-Pietersabdij in de veertiende eeuw, beroep gedaan hebben op lombarden om leningen te bekomen.[92] Dat de geestelijken en de lombarden elkaar in het dagelijkse leven niet zo vijandig gezind waren illustreren enkele gevallen.
In 1506 beklaagde Antoine Haneron, proost van de Sint-Donaaskerk te Brugge, zich bij de Grote Raad van Mechelen dat de Brugse lombarden hem nog geld moesten.[93] Gabriel du Sollier, François de Pavie en Antoine Alaix hielden immers hun leentafels op het gebied van de proosdij, met name in het “Huis van het Zwaard” (”maison de l’espée”) en het “Huis van de Pauw” (”maison du paon”). Ze waren hem vijf jaar achterstallige betalingen te goed. Deze jaarlijkse betaling waren hun voorgangers Bertholemi du Sollier, broer van Gabriel, en Pierre de Ville, inmiddels gestorven, overeengekomen toen zij de tafel hielden. Haneron vermeldde dat deze rechten waren toegekend aan zijn jurisdictie. De graven van Vlaanderen hadden de proosdij de hoge, de middelbare en de lage jurisdictie toegekend en alle wereldlijke rechtspraak. Wat de uitspraak was van de Grote Raad weten we niet aangezien geen sententie is terug te vinden. Dit is ook niet zo belangrijk. Dit voorbeeld schetst een veel mildere houding van de lokale, stedelijke clerus. De proost beklaagde zich niet over de aanwezigheid van zondige woekeraars op zijn grondgebied! Haneron ging naar Mechelen omdat ze serieus op hun jaargelden lieten wachten en hij toch zijn centen wou zien. Hij dreigde ook niet met de ergste straffen die de canon hem ter beschikking stelde. Hij eiste gewoonweg de vergoeding van de achterstallige termijnen. De Brugse proost zou de woekeraars niet eens verdreven hebben uit zijn tempel. Hun lucratieve aanwezigheid bleek sinds lang een verwelkomd godsgeschenk dat hij reeds met hun voorgangers bij overeenkomst had vastgelegd. De gouden tolerantie van de lokale geestelijkheid kende overigens een lang verleden. Al in de middeleeuwen waren geldleners gevestigd op de Brugse kerkgronden en ze genoten zelfs de kerkelijke bescherming.[94] De huizen van “Het Zwaard” en “De Pauw” waren trouwens al altijd de handelsruimtes van de lombarden.[95] “Het Zwaard” lag in de Jeruzalemstraat, op het “Oostproosse” van Sint-Donaas, en “De Pauw” lag aan de Garenmarkt, op het “Zuidproosse” van de proosdij, dat in handen van de kanunniken was.
Het Concilie van Trente zou in de tweede helft van de eeuw de strijd tegen dergelijke wanpraktijken inluiden. Maar deze grootse en langdurige samenkomst had nog weinig effect in 1551, toen het nog maar net begon aan een tweede ronde. Ver weg van de Noord-Italiaanse discussies zaten geloofsgenoten uit nabije streken eveneens met ernstige zorgen, ofschoon niet over het lot van de christelijke wereld. Al tien jaar zat Bernardino Gabrieli Pisano, voor zijn Franstalige medemensen Bernardin dit Garbieli de Pise of kortweg Pisano, verwikkeld in juridische zaken. Het jaar 1551 betekende voor hem nog meer tegenspoed dan voordien want de Grote Raad had zijn tafel in Valenciennes in beslag genomen. Terwijl hij voor het proces in Mechelen verbleef onderhield hij een correspondentie met een jonge gezel, Sébastien Iradis, die nog in de leenbank werkte. Ook Pisano’s vrouw Ysabetta had geen tijd om naar Valenciennes te gaan en hield de jongeman op de hoogte via brieven. Voor de rechtszaak, de briefwisselingen en het lot van het echtpaar Pisano en het personeel verwijzen we naar de bronuitgave (bijlage 1). Daar hebben we een vollediger situatieschets voorzien. We komen trouwens terug op Pisano en co in de volgende hoofdstukken. Maar we willen al iets kwijt over de persoonlijke boodschappen aan Sébastien Iradis. Ze verraden opnieuw een andere verstandhouding tussen lombarden en lokale clerus. De Brugse gewoonte om de kerkelijke verdraagzaamheid met jaargelden te bekomen vindt men ook in Valenciennes terug. In maart 1551 herinnerde Pisano zijn gezel eraan dat ze nog de bisschop moesten betalen: “Sachez que l’evesque veult estre payé. Je ne scay ce que luy donnastes l’autre fois / mais autant que luy en donnastes alors/ autant encoires luy donnerez par ce qu’il se fault bien faire de luy. Et avecq tous les aultres advisez et regardez ce que luy a donné Cypion l’annee passée. Regardez son livre que de tout y doibt apparoir.” [96] Iradis moest nagaan in het register van een oud-gezel hoeveel ze het jaar ervoor hadden betaald aan de bisschop. Als Ysabetta ermee instemde dan moest hij dat bedrag uitkeren. Drie dagen later bevestigde zij als volgt: “Sébastien, saschez que j’ay receue la vostre et quant à ce que escripvez de l’evesque mon mary ne scait combien on luy donne. Et sera besoing que vous regardez secretement au livre de Scipion. Je croy que vous trouverez combien il luy a donné l’autre année et ainsi luy donnerez vous.” [97] Later, tijdens een ondervraging, vertelde Iradis dat ze gewoonlijk elk jaar één pond groot gaven aan de bisschop van Atrecht om tafel te mogen houden.[98]
De contacten van de familie Pisano met clerici beperkten zich niet tot deze jaarlijkse betaling. In verschillende brieven vroeg Ysabetta niet alleen aanbevolen te worden aan naasten en aan vrienden maar ook aan de pastoor.[99] Ze verlangde dat hij zou bidden opdat ze het geding zouden winnen. Zo vroeg ze bijvoorbeeld: “Recommandez moy à nostre cure et à Jan de Lotte. Leur priant qu’ilz vueillent prier Dieu pour moy et se Dieu me donne la grace”.[100] Dat Ysabetta beroep deed op de priester is enigszins niet verrassend. Met haar man moest ze de beschuldigingen trotseren van een tegenpartij die op hun leentafel uit was. Ze moesten zich voortdurend verweren in de hoop niet alles te verliezen. Ze waren bovendien mijlenver van huis en dit voor een lange tijd. Maar blijkbaar kon Ysabetta het zich moeiteloos veroorloven het hoofd van hun parochie aan te spreken via haar gezel. Uit de brieven blijkt niet zozeer dat ze deze man van God enkel in noodzaak aanklampte dan wel dat hij niet bijzonder vijandig was. Het bleek normaal dat Sébastien Iradis aan hem de groeten deed. Dit betekent ook dat de jonge tafelhouder de pastoor wel eens tegen het lijf liep. Wanneer hij hem dan tegenkwam dan stuurde meneer de pastoor hem waarschijnlijk ook niet telkens naar de hel. Als zijn meesteres hem dit zo gewoontjes vroeg dan moest Iradis wel niet hemel en aarde bewegen om met zijn plaatselijke zielenherder te praten. Straffer nog, wanneer Ysabetta haar bediende richtlijnen gaf in verband met een verloren pand dan vroeg ze hem eventjes naar de pastoor te lopen voor enige medewerking![101] Een vrouw had bij Iradis haar pand opgeëist, met name een turkooisring. Ysabetta had zo’n ring niet teruggevonden en adviseerde aan Iradis het volgende: “Il est besoin que luy faictes faire serment es mains nostre curé combien il peult valoir et payer le moings qu’il est possible. Il la faut contenter avecq le moings que on pourra.” [102] Dit zegt natuurlijk genoeg over de commerciële reflexen van de huisvrouw maar het zegt nog meer over haar band met de priester. Zo’n eedaflegging was voor de pandlener een zeer veilige manier om het probleem op te lossen. Het was juridisch veilig want meteen had de lommerd een geloofwaardige getuige. Eens vergoed zou de vrouw niet meer om haar ring komen zeuren. Het was psychologisch veilig want een eedaflegging bij de pastoor was iets serieus. De klant zwoor voor God. Ook voor de gelovige lombard stond de ernstigheid van zo’n verklaring wellicht buiten kijf. Tenslotte overtuigde hij hiermee zowel de buitenwereld als zichzelf dat hij niet woekerde. Onder het waakzaam oog van God vermeldde de klant de juiste prijs van haar pand die de pandhouder vervolgens betaalde. De transactie krijgt als het ware een katholiek eerlijkheidslabel. Maar belangrijker in het licht van voorgaande uiteenzetting is de oprechte verwachting van een kerkelijke interventie. Ook hier kan men verwachten dat als Ysabetta haar correspondent naar de pastoor stuurde, zij niet van mening was dat de priester de eedafname zou weigeren. Men mag misschien zelfs vermoeden dat dit niet de eerste keer was dat ze in zo’n geval beroep deed op zijn neutraliteit.
Het beeld dat we krijgen van de verhouding tussen de Kerk en de lombarden in de zestiende-eeuwse Nederlanden is dus gevarieerd. Ten eerste bestond er een officiële veroordeling van alle woekeraars, vooral gericht op het consumptief krediet en waarbij de lombarden zeker werden gerekend. Deze afkeuring steunde op een eeuwenoude traditie van scholastische theologie. Ze was dus zodanig ingeworteld dat men haar visceraal kan noemen. De negatieve kijk op de lombarden was dus een clericale reflex die ook, wellicht in mindere mate, bij de andere maatschappelijke groepen leefde. We hadden het over een sociaal paradigma. In de zestiende eeuw was die quasi-natuurlijke afkeer zelf versterkt tegenover de vorige eeuw als gevolg van meerdere oorzaken. De sterke groei van de Antwerpse kapitaalmarkt als antwoord op een stijgende kredietvraag schudde de Kerk wakker. De oude definities van woeker waren niet meer aanvaardbaar als men “woeker” nog steeds wou bestrijden. Het risico een belangrijk deel van het doelpubliek te vervreemden was te groot. Ook de Reformatie vormde een dreiging. De hervormers traden even streng op tegen de intrestlening maar op langer termijn werd het probleem aan de gelovige zelf overgelaten en werd de kerkelijke autoriteit ondergraven. Wegens een meer stedelijk-commercieel karakter vond het calvinisme makkelijker gading bij handelaren. Tenslotte, volgens de theorie van Reed en Bekar en in overeenstemming met de ideeën van Schnapper, was de bredere economische context ongunstig voor de rol van de Kerk als verzekeringsorganisme. Om het zeer simpel te stellen: meer armere mensen en minder baar geld. De kapitaalmarkt verleidde de rijkere gelovigen waardoor de Kerk dreigde belangrijke bijdragen te missen voor haar systeem. Deze verschillende oorzaken zijn natuurlijk sterk verweven. De reactie van de Kerk is die van vele oude instituties, zeker als ze het spreekbuis zijn van een civilisatiereus; conservatief. Het Concilie van Trente greep terug naar de strenge definities. Dit belette een minder conventionele denker als Lessius niet een vrijere mening te uiten. We zijn dan ook een halve eeuw later maar de nood zich aan te passen was wellicht ook sterker. Lessius was niet “moderner”, hij zag het breder. Hij stak een paar gaten in de dam opdat hij niet volledig zou begeven. Anderzijds was de woekerkwestie vooral een zorg voor de denktank van het kerkelijk establishment. Terwijl zij bleven streven naar coherentie in functie van de “ledenwerving” overleefde een andere eeuwenoude traditie, die van de omkoperij en het aardse pragmatisme. De zestiende eeuw was zeker een periode van verharde retoriek, van twijfels en bijgevolg van radicale profileringen. Op alle vlakken was dit een tijd van bloed en verwarring. Maar juist die algemene onzekerheid verwaterde de krampachtig gezochte coherentie. Tussen denken en zeggen enerzijds en doen anderzijds weergalmde vaak de leegte van een geldbeurs. Overal – laat ons toe de gevallen van Brugge en Valenciennes niet als accidenteel te zien – sloten de soldaten van God hun ogen voor zij die men nog onlangs de “onmisbare zondaars” heeft genoemd.[103]
Hoofdstuk 2. Een vorderend indijkingsproces. De centrale instellingen van de vorst en de lombarden
“Sijt uwen Prince ghetrouwe en obedientich.”
”Den Uutersten Wille” van Lowys Porquin, f° d 1 v
De Kerk was de inspiratie van de wereldlijke macht. Het was zij die over de eeuwen heen de denkwijzen en de moraal van de leken kneedde. In het geval van de woekerkwestie hadden de machthebbers soms praktische bezwaren bij de rigoureuze strijd van de Kerk maar ze speelden het spel regelmatig mee. De vorst was vaak een koorddanser. Hij schommelde tussen enerzijds een goed geweten en het imago van een vrome heerser en anderzijds een goedgevulde schatkist. In de eerste plaats is het van belang om de politieke traditie te schetsen die Keizer Karel van zijn voorgangers erfde.
2. 1. De voorgeschiedenis van de relatie tussen de vorst en de lombarden
De lombarden hebben, samen met andere buitenlandse kooplui, altijd een bijzondere positie genoten in de Nederlanden. Reeds in de Middeleeuwen werden ze door de overheid eens gesolliciteerd, dan weer verjaagd in naam van de moraal. De heren in onze contreien wisten de lombarden te beschuldigen van woeker, overeenkomstig de kerkelijke opvattingen, wanneer het hen goed uitkwam. De druk die ze op de geldleners uitoefenden dwong deze Italianen ondermeer tegen lagere intrest te lenen aan de vorst. Meteen zwakten diens morele bezwaren af. De tolerantie van de vorst steunde dus bijna uitsluitend op financiële gronden. Vanaf hun vroegste aanwezigheid in de dertiende eeuw moesten de lombarden geregeld vergoedingen betalen aan de overheden om hun al dan niet gunstige positie te behouden.[104] Het harde optreden van de vorsten was nochtans geen vast gegeven. Tijdens de veertiende eeuw werden de lombarden nogal mild aangepakt.[105] Filips de Stoute verjoeg de lombarden in Bourgogne maar hun collega’s in Vlaanderen en Henegouwen bleven goed beschermd. Zelfs buiten de territoriale grenzen konden ze op hun heer beroep doen en ook in oorlogssituaties stond de vorst garant om hen te helpen.[106] De veertiende eeuw blijkt dus een hoogtepunt te zijn op juridisch vlak. Dit strookt trouwens met het verloop van de voornoemde “repressieve cycli” en de verzachte retoriek van de Kerk over de woekeraars (hoofdstuk 1). Tot in de vijftiende eeuw kenden de geldleners een relatieve rust. Het was het laagtij van de kerkelijke en de wereldlijke vervolgingen. Het was zelfs ”l’âge d’or” van de Brabantse lombarden.[107] De hertog en de steden onderhielden goede relaties met hen en ze verwierven soms belangrijke posities. Ook voor P. Morel is de vijftiende eeuw een “vrijere” periode dan de zestiende eeuw en hij legt het einde van dit tijdperk van uitgebreide privileges in verband met de val van het Bourgondische huis.[108] Een verschil in de politiek van de Bourgondische dynastie met die van de Habsburgers is echter niet de directe oorzaak voor het verzurend klimaat. Het verschil is niet zo groot, zoals we verder zullen zien. De Habsburgse politiek inzake lombarden lag in de lijn van de Bourgondische en was vooral de weerspiegeling van de gewijzigde omstandigheden. Het tij begon voor de pandleners al te keren vanaf het midden van de vijftiende eeuw. In 1451 en 1457 besloot Filips de Goede geen nieuwe octrooien voor leningtafels toe te kennen.[109] Karel de Stoute verhardde in die politiek van zijn vader en verklaarde op 10 juli 1473 alle bestaande octrooien ongeldig. Maar uit geldnood veranderde hij vlug van gedachte en enkele maanden later herstelde hij alle privileges. De religieuze inspiratie speelde hier nog lang niet de rol die ze honderd jaar later zou spelen. Karel de Stoute zou vooral een efficiënte hervorming van het octrooiensysteem gewild hebben om meer te halen uit de lombarden.[110] Maria van Bourgondië kende hen weer individuele octrooien toe terwijl de lombarden haar de nagelaten schulden van haar vader kwijtscholden.[111] Het laatste kwart van de vijftiende eeuw was een periode van economische crisis, waardoor de druk op de lombarden verhoogde maar waardoor zijzelf tevens ernstig verzwakten.[112] De moeilijke omstandigheden en de oorlogen maakten dat Maximiliaan van Oostenrijk middelen zocht om de staatsfinanciën te saneren, waaronder een muntrevaluatie in 1489.[113] Aan het begin van de zestiende eeuw zag de toekomst van de lombarden er dus nogal somber uit. Het spelletje waarmee zijn overgrootvader, Karel de Stoute, was begonnen zou Karel V verder spelen. De regels waren eenvoudig. Je moest de geldleners voldoende pesten zodat ze geld ophoestten om met rust gelaten te worden maar je moest opletten ze niet uit het land te jagen. C. del Marmol voorzag die houding van de veelzeggende term ”politique de bascule”.[114] De vorstelijke willekeur was een zwaard van Damocles waartegen grote sommen geld de enige bescherming waren. De situatie van de zuiderse geldleners vond De Roover nogal precair. Voor hem waren de lombarden eerder ”foreigners who were tolerated rather than privileged”.[115] Dit is een overdreven stelling, zelfs voor de periode die wij behandelen. De lombarden werden inderdaad niet met open armen ontvangen maar ze hielden zich toch sterk met tal van privileges. Ze genoten immers een apart juridisch statuut dat de eeuwen had overleefd.

Illustratie 3. “De woekeraar” in een veertiende-eeuwse uitgave van de ”Ethique à Nicomaque”.
2. 2. Bevoorrechte vreemdelingen met een gele muts?
John Gilissen wijst de Lombardische natie aan als een groep “bevoorrechte vreemdelingen”.[116] Hun voorrechten waren het middel bij uitstek waarmee de vorst de geldschieters aan zich kon binden. De lombarden waren “gewenste vreemdelingen” in dezelfde zin als Peter Stabel de Italiaanse kooplui in het laatmiddeleeuws Brugge aanduidt.[117] Ze waren vreemdelingen die door de overheden werden opgevangen en gesteund omdat ze een economische troef vormden. Maar in de vroegmoderne maatschappij bleven ze in de eerste plaats “buitenlanders” in de meerdere betekenissen van het woord; ten opzichte van het vorstelijk grondgebied, ten opzichte van de heerlijkheid en ten opzichte van de stad.[118] Ze waren dus in eerste instantie onderhevig aan de algemene bepalingen die golden voor vreemdelingen.[119] Ten eerste konden ze geen openbare ambten vervullen in het stadsbestuur, behalve als ze poorters waren geworden. Op het regionaal niveau konden laatmiddeleeuwse lombarden bepaalde financiële ambten vervullen. In de centrale administratie waren altijd vreemdelingen aanwezig. Dus ook hier waren ambities niet per se misplaatst. We zullen zien dat de lombarden officiële functies wisten te veroveren (hoofdstuk 6). Wat successierechten betrof bleven de vreemdelingen afhankelijk van de plaatselijke costuimen. Was het zogenaamde “droit d’aubaine” , het successierecht van de vorst, nog geldig in die bepaalde streek dan zagen hun kinderen de erfenis verdwijnen in de beurs van de landsheer. Elders hadden buitenlanders wél recht op een testament. Keizer Karel kende dit voorrecht toe aan alle leden van de Piëmontese natie op 28 april 1541.[120] Vreemdelingen waren overigens onderhevig aan het “droit d’issue” waarbij ze “issuegeld” moesten betalen wanneer ze een goed kochten van een poorter of een ingezetene. Vanaf de zestiende eeuw waren er echter geen restricties als men vastgoed wilde verwerven.[121] Inzake de bezittingen evolueerde het juridisch statuut van de “forein” dus in gunstige zin. Maar ook in de rechtszalen was de positie van de vreemdeling verbeterd tegen de zestiende eeuw. Er werd hen bij een juridisch proces wel nog gevraagd een waarborg voor te leggen voor de gerechtelijke kosten terwijl ze in de middeleeuwen hadden genoten van bepaalde snelrechtprocedures. Maar de lombarden konden zich onttrekken aan deze bepalingen. Sinds de Middeleeuwen konden de Italiaanse kooplieden, waaronder de lombarden, beroep doen op een aantal specifieke privileges.[122] Een belangrijk voorrecht was de speciale bescherming die de vorsten hen verleenden. Dit gold ook buiten de grenzen en in oorlogssituaties. Deze laatste bepaling komen we niet vlug tegen voor de zestiende eeuw. Misschien werd ze niet geëxpliciteerd omdat de actieradius van de kooplui toen grotendeels binnen de grenzen van het uitgebreide Habsburgse rijk viel. Een lombard kon tevens toetreden tot het poorterschap. Hij was in vele gevallen vrijgesproken van belastingen, corveeën of legerdienst. Bij twisten tussen lombarden werden onafhankelijke scheidsrechters aangewezen, behalve bij strafrechterlijke zaken, die door de overheden werden behandeld. Al vlug werden problemen binnen de natie opgelost volgens de eigen wetten. Deze “consulaire jurisdictie”, zoals Jan Albert Goris de rechtspraak binnen de natie aanduidde, was ingepast in de gemeentelijke rechtspraak zoals deze laatste gekaderd werd door de vorstelijke rechtspraak.[123] Ook het strafrecht was milder voor de tafelhouders; gedurende de termijn van hun octrooi waren hun vorige misdaden vergeten en werden ze minder hard gestraft.[124] En vooral, zoals we net zeiden, de lombarden konden hun testament doen naleven zonder dat de vorst recht had op de erfenis.[125] Ook op professioneel en economisch gebied was de Lombardische handelsnatie bevoorrecht.[126] De lombarden mochten (mits een octrooi) hun beroep vrij uitoefenen. De nijverheid was hen verboden maar ze mochten naast geld ook goederen verhandelen. Tegen de zestiende eeuw zijn ze gespecialiseerd en bijna exclusief bezig met het kredietwezen. De lombarden kregen als enigen octrooien om legaal leentafels te houden. Zo monopoliseerden ze sinds de late Middeleeuwen de pandlening in de Lage Landen.[127] Als geprivilegieerde buitenlanders en als leden van hun handelsnatie genoten de lombarden dus heel wat voorrechten. Aan dit pakket voorrechten hing natuurlijk een prijskaartje. De lombarden moesten jaarlijks hun octrooigeld betalen aan de vorst en soms ook aan de stad.[128] Het octrooi was natuurlijk een onmisbare vergunning wilde de lombard zijn beroep kunnen uitoefenen en genieten van de specifieke privileges van de tafelhouder. De octrooien bevatten telkens bepalingen die golden voor de tafelhouder, zijn partners en zijn personeels- en familieleden.[129] De tafelhouder zelf mocht normaal gezien zijn medewerkers kiezen. Hiervoor hoefde hij geen toestemming. Hij mocht ook een plaatsvervanger aanduiden, zijn rechten tijdens zijn termijn overdragen aan een andere lombard en eventueel, meestal na aanvraag, de zaak stopzetten. En hij had vooral het monopolierecht op intrestlening in zijn stad.[130] We kunnen een voorbeeld aanhalen om de gebruikelijke privileges van het octrooi te illustreren en eventueel aan te vullen. We bekijken het octrooi dat in 1538 aan Parenty de Pogio werd toegekend voor de leentafel van Gent.[131] De Pogio en Co kregen het recht op de Gentse leentafel voor twaalf jaar op voorwaarde dat ze als intrest maximum drie deniers per pond Vlaamse groten vroegen per week. Dan was het toegestaan dat ”ilz, leurs compaignons, facteurs, serviteurs, maisnies et familles puissent demourer en nostre dite ville de Gand, et y joyr et user de tous telz previleges, droiz, franchises, libertéz et exemptions dont on accoustume joyr autres semblables marchans en noz pays et seigneuries de pardecha, meismement en noz villes de Louvain, Bruxelles, Anvers et Boisleduc , si comme pour vendre, achater, chambger, marchander et gaigner leurs deniers et autres biens en toutes les manières qu’ilz entendront et penseront faire prouffit et d’avantaige, tel que dessus est declairé”.[132] Parenty de Pogio, zijn gezellen, hun personeel en hun families genoten dus de gewoonlijke privileges die erkende collegae in andere steden kregen van de vorst. Ze mochten wonen in Gent. Ze waren officieel erkende kooplui en mochten zowel geld als andere goederen verhandelen zoals ze wensten, zolang ze binnen de legale bepalingen bleven natuurlijk. De vorst zou voor hen kijken als waren ze zijn oogappel:”prenons et recepvons en nostre protection, sauvegarde, conduite et lealle deffence, tant en séjournant que en allant et venant et faisant leurs besoingnes, tant en nostre dite ville de Gand que par toutes les autres villes et lieux de noz pays et seigneuries de pardeca …” [133] Ze werden beschermd tegen elke vorm van geweld en in geval van schade werden ze vergoed. Verder konden ze ”mectre et substituer en leur lieu autres marchans, ung ou plusieurs si bon leur semble” om de zaak te runnen. Ze mochten dit doen bij verkoop, schenking of ruil met andere lombarden, zolang dit binnen hun termijn bleef. Als zij of hun plaatsvervangers of ”l’ung d’eulx, fut illégitime ou bastart, que vassent de vie à trespas” zou de vorst geen successierechten opeisen zelfs al hadden ze geen testament nagelaten. Tenslotte, als een goedkopere concurrent zich aanbood en de vorst hem verkoos zouden ze hun zaak na een jaar moeten overlaten. De termijnen die de vorst aan de lombarden toekende schommelden tussen de zes en twaalf jaar. Het vaakst ging het om tien of twaalf jaar. Toen Lowys Porquin aan de slag kon in Middelburg (28 juli 1546) was dat voor tien jaar.[134] Hij mocht lenen tegen de prijs van twee deniers per pond Vlaamse groten per week. Porquin kreeg eveneens vrijheid van zaken doen en was vrijgesteld van het voornoemde vorstelijke aubaine-recht. Verder kreeg hij dezelfde rechten toegekend als zijn collegae in Brussel en Antwerpen. In dit geval maar ook in het geval van Michel Fonasse zien we telkens dezelfde privileges terugkeren. Zij zijn een geïndividualiseerde bevestiging van wat in het algemeen wordt toegekend aan de Piëmontese natie. Er treden wel variaties op, vooral in de duurbepaling of in het tarief die de eigenaar moest hanteren. De nieuwe tafelhouder kreeg niet steeds het volle pakket. Fonasse bijvoorbeeld had niet de vrijheid gelijk welke partner te kiezen. Hoe dan ook, deze rechten gingen gepaard met de lokale leentafel en behoorden niet persoonlijk tot haar leden! Eens men de zaak volledig overdroeg of het termijn verlopen was verloor men de specifieke voorrechten. Maar de lombard had in het algemeen het opvangnet van een nieuw octrooi, van de natie of van een comfortabel pensioen. De constante overnames van leentafels en het onvermijdelijke partnerschap leken wel een “stoelendans”, zegt Greilsammer.[135] Maar we moeten vaststellen dat het waarschijnlijk een meer ingewikkeld spel was. Het draaide om strategische zetten, het kiezen van de juiste partners en de leentafels bemachtigen die het meeste geld opleverden en die ook gekoppeld waren aan een aantrekkelijk pakket voorrechten. De lombard wist natuurlijk nooit of de privileges van een leentafel veranderden wanneer hij aan de beurt was.
Het juridisch statuut dat de vorstelijke administratie gaf aan de lombarden in de zestiende eeuw lag dus volledig in het verlengde van de middeleeuwse bepalingen. Het hield enkele verbeteringen in, zoals het recht op een testament, en het was sterker geüniformeerd. De Habsburgse vorst regelde voor heel het territorium de octrooitoekenningen en de bijhorende privileges. Het was misschien deels omdat de lombarden berustten op een aantal rechten die ze hadden verworven sinds de middeleeuwen dat ze in een klimaat van verharde repressie toch nog lang standhielden. Ze bleven anderzijds sterk afhankelijk van de koninklijke willekeur. Deze dubbelzinnigheid is net de essentie van hun wettelijke positie. Ze beschikten over verregaande privileges maar ze hadden die voornamelijk te danken aan de vorst. Een standvaste gehoorzaamheid was hun enige redding. Het is dan ook niet verwonderlijk als Lowys Porquin zijn kinderen voorschreef: “Sijt uwen Prince ghetrouwe en obedientich”.[136] Hij verdedigde het respect voor de ouderen en de oversten maar in de eerste plaats het ontzag voor de vorst. Zijn monarchistisch loyalisme was evenzeer een oprechte overtuiging als een weerspiegeling van zijn verhouding met de heerser. Zo de prins hen octrooien toekende of ontnam, zo ook gaf hij of nam hij hun dagelijks brood. Want buiten de officieel erkende leentafels bleef alleen de illegale praktijk over en dan hadden ze in deze contreien nog weinig te vinden. We zijn het dus beter eens met De Roover wanneer hij de lombarden beschrijft als "neither complete aliens nor full-fledged burghers, but denizens with precarious and revocable rights." [137]
Een ander aspect dat meeging sinds de middeleeuwen was hun stigmatisering. Deze was opnieuw vooral van kerkelijke inspiratie. Als de woekeraars dan toch in de maatschappij moesten leven dan was het best dat de goede christenen hen konden herkennen. We zeiden al hoe de middeleeuwse Kerk de lombarden wilde afzonderen van de gelovige gemeenschap (ondermeer via de excommunicatie) en dat dit discours opnieuw opflakkerde in de zestiende-eeuwse synoden. Men ging zelfs verder. Op de synode van Kamerijk in 1550 eiste men dat de woekeraars een uiterlijk teken zouden dragen opdat ze herkenbaar zouden zijn.[138] Deze wens tot segregatie en uiterlijke herkenbaarheid vonden we ook in een brief aan Keizer Karel.[139] Het document was niet getekend, ongedateerd en droeg geen enkele referentie naar de auteur.[140] We weten dus niet wie het rekwest schreef. Wat wel duidelijk is, is dat het analoge eisen stelde en evenzeer getuigde van de verharde houding jegens de woekeraars. De auteur meende dat als de keizer rekening zou houden met zijn klacht hij zijn volk een grote dienst zou bewijzen; “en voeullant donner ordre par la Majesté Imperiale, Sa Majesté sera ung inextimable bien pour son poeuple.” [141] In de eerste plaats vroeg men de keizer om de lombarden een vast tarief op te leggen. Waarom? ”Le commun bruit est qu’ilz prendent ung patart le sepmaine de chascune livre et chascun jour est une sepmaine quy est ung interest contre toute raison veu qu’il poeult bien porter environ septante cincq pour cent par an peu plus, peu mains/ s’y est il aussy le bruit que souvent il se faict à cent pour cent et plus. L’on voeult dire que au tempz passé ilz avoyent à contentement de prester a ung gros pour livre quy est la juste moitié mains et maintenant contre il est dict ilz prestent à deux et souvent à trois gros pour livre, le plus contre bon leur semble par y estre petit regard attendu les diversités des lieux ou ilz sont es pars pardecha.” [142] De verzender beweerde dus dat ze intresten durfden vragen van 75 à 100 procent per jaar en bijgevolg ontoelaatbare woeker bedreven. Ten tweede bleken de dienstbodes van de lombarden verplicht in het leenhuis te blijven, net als gevangenen, terwijl ”les maitres et ceulx quy sont avoeucq eulx vont par la ville comme honnorables marchans practiquier entre les nobles et aultrement quy poeult sembler estre au grand esclandre de la noblesse notables bourgeois ou marchans mesmes hantent les églises, bourses et aultres lieux là où il est bruit commun que telles gens menant telle practiques l’on les tient pour excommuniés.” [143] Men wenste dat de lombarden zich niet meer zouden begeven op de openbare plaatsen en enkel zouden blijven in hun pandjeshuizen. De wetenschap dat ze geëxcommuniceerd waren schokte een deel van de goedgemeente. Vervolgens bleken ze tegen de hoogste en meest willekeurige prijzen handel te drijven met eerbare kooplui:”Et le bruit aussy est tel que sentant le grand proffit qu’ilz font à tenir table de prest que souvent ilz prendent de l’argent à bon prys de marchans contre à vingt ou trente pour cent veu qu’ilz poeuvent gaignier les deux pars que souvent cause la chierté de l’argent à la bourse et le marchant se sentant seur d’eulx desirant gaignier se entremest de marchander avoeucq eulx à change ou aultrement.” [144] Daarom vraagt men aan de keizer “s’il plaisoit a Votre Majesté Imperialle les réformer audit gros qu’ilz prestent l’interest à XXXVII pour cent par an/ par tout le pays sur grosses paynes et que tous lombartz maistres et varletz tenissent leurs maisons leur deffendant les églises, bourses et lieux publicques et que chascun portast une longue robe avoeucq ung bonnet jaune ou d’aultre couleur ou sinon marque dont ilz fussent congnus pour telz qu’ilz sont, pour leur trouver où leur affaire le requiert, ensemble pareillement tous ceulx quy font a présent avoeucq eulx seront submys aux semblables acoustrement et fachon de vivre et leur deffendre de ne faire nulz praticques de marchandises ou change d’argent entre marchans au dehors de leur table.” [145] De auteur van dit rekwest uitte dus zijn expliciete wens de lombarden te bestrijden door hun praktijken en hun prijzen nauwgezet in de gaten te houden, hun overtredingen hard te sanctioneren en hen af te zonderen van de gemeenschap. Dit laatste wilde hij bekomen door hen het verbod op te leggen zich op openbare plaatsen te begeven en hen vestimentair te brandmerken. De klachtdrager stelde een lange toga voor en een gele of anderskleurige muts of een ander opzichtig teken. Dit lijkt ons de klederdracht te zijn die we op afbeeldingen van woekeraars terugvinden. Misschien was dit hun gewoonlijke klederdracht en wenste de aanklager die vast te leggen zodat ze zeker herkenbaar zouden zijn. In elk geval, het rekwest was scherp en sprekend voor de groeiende spanning van die periode. Dat Keizer Karel dergelijke drastische maatregelen zou nemen tegen de Piëmontese geldschieters is enigszins ondenkbaar. De tafelhouders waren een vaste bron van inkomsten en een hevig optreden kon het einde van hun lucratieve aanwezigheid betekenen. Nochtans blijkt dat Keizer Karel zich liet inspireren door de aanvraag.
2. 3. De veranderlijke politiek van Keizer Karel en het kerkverbod van 1546
In de eerste helft van de eeuw was de politiek van Keizer Karel niet veel strenger dan die van zijn vijftiende-eeuwse voorgangers. De eerste twee ordonnanties over de woekeraars die op zijn naam stonden – hoewel de keizer nog een kind was onder het regentschap van zijn tante Maria van Oostenrijk en het land de facto onder het bestuur van Maximiliaan van Oostenrijk stond – getuigen van een schijnbare wisselvalligheid. Op 9 april 1511 werden alle leentafels afgeschaft en woeker nogmaals verboden.[146] Op 11 juli 1512 werden de lombarden weer toegelaten tafel te houden en konden ze opnieuw genieten van hun privileges niettegenstaande de ordonnantie van het jaar voordien.[147] Aangezien de lombarden spoedig reageerden tegen de plotse illegaliteit van hun beroep was Karel gedwongen hun privileges te herstellen; ”van wegen onse geminde die cooplieden van den natien van Piemont […] is ons te kennen gegeven hoe dat zij ende den meesten deel van die tot hueren grooten coste ende laste hebben vercregen van ons Keyser...” [148] De ordonnantie had hen blijkbaar hard getroffen en verder zaken doen was onmogelijk geworden. Het verlies van hun voorrechten bracht ondraaglijke kosten teweeg en ”waerom soe ees’t dat, desen aengesien, wij willende den voerscreven supplianten doen onderhouden d’inhouden van allen den voerscreven hueren brieven van previlegien ende octroye…” [149] De regeerperiode van de nieuwe vorst begon dus inzake woeker met een actie die men al kende van Karel de Stoute. Deze schijnbare gril steunde op dezelfde tactiek; de lombarden eens goed doen schrikken om ze dan beter te temmen. Het bleek opnieuw te werken want de lombarden zakten meteen hun prijzen en betaalden weer volop hun octrooigelden.[150] Dit gedrag zou Karel V ook vertonen tegenover de buitenlandse handelskolonies in Antwerpen waar hij in functie van eigen belangen en Europese tendensen zijn tolerantiegraad aanpaste.[151] Karel V kon de kooplui en zeker de woekeraars niet ononderbroken steunen. De problemen in zijn rijk zorgden voor een drukke en gevarieerde agenda en hij handelde naargelang de verschillende prioriteiten. Maar tot aan het Concilie van Trente bleef hij de Piëmontese pandleners gunstig gezind. In 1523 beloofde hij de lombarden speciale bescherming omdat de Antwerpse lombarden na de ordonnantie van 1511 waren vertrokken.[152] Gezien hun vertrek Karel V in een moeilijke financiële situatie had gebracht, verkoos hij in 1523 het zekere voor het onzekere te nemen. Hij besloot hen te beschermen tegen alle ”oppressen, schaden, ongelycke gewalt, verdruckenesse van oploop van volcke ende alle andere moyenisse ende onbehoorlijcke nyeuwicheden.” [153] Het jaar daarop gaf hij een lombard gratis de vergunning voor de Doornikse tafel.[154] Op 8 augustus 1538 gaf hij de toelating om een leentafel te houden in Gent.[155] De centrale regering kende aan Parenty de Pogio, één van de belangrijkste en actiefste lombarden van het daaropvolgende decennium, het recht toe om tafel te houden in Gent. Zoals we hoger zeiden genoot De Pogio vanaf dan de gebruikelijke privileges gekoppeld aan zijn functie, waaronder de vrije keuze van zijn vennoten en van zijn personeel. Zijn octrooi was voor twaalf jaar geldig en enkel als hij niet meer vroeg als intrest dan twee deniers per pond Vlaamse groten per week. De toekenning van dit octrooi aan Parenty de Pogio lokte een heftige reactie uit van de Vier Leden van Vlaanderen.[156] Ze verweten de lombarden oneerlijke praktijken en vooral teveel intrest te vragen. Deze aanval werd doorverstuurd naar Parenty de Pogio die hierop ter verdediging een repliek leverde. Het debat leidde tot een clausule over de lombarden in het edict van 4 oktober 1540. Karel V wenste te remediëren aan een aantal knelpunten in de Nederlanden.[157] Gezien intrestlening de laatste tijden veel stof had doen opwaaien moest hij ook in die zaak de knoop doorhakken.[158] De lombarden de vrije loop geven was ondenkbaar. De Keizer koos ook niet om hen opnieuw streng te sanctioneren. Omdat sommige kooplieden “om huerlieder giericheyt te voedene” geld leenden zonder “onderscheyt oft distinctie te maken tussen interest, ’t welck den goeden coopman geoerloft ende toegelaten is, [...] ende woekerie allen kersten menschen verboden” bepaalde de overheid een maximumintrest.[159] De katholieke moraal ontmoette voortaan de economische pragmatiek bij een bovengrens van twaalf procent per jaar. Ook wie zijn geld aan de woekeraars toevertrouwde om mee te profiteren van deze frauduleuze geldmarkt stond nu een boete te wachten. De vorstelijke instanties zouden het ingezet kapitaal opeisen en de betrokkenen eveneens voor woeker vervolgen.
Na deze lange periode van relatieve stabiliteit, waarbij de keizer maar recentelijk de lombarden een beperking had opgelegd, kwam een radicale ommekeer in de wettelijke omschrijvingen. Het eeuwig edict van 30 januari 1546 bevatte ondermeer een paragraaf over de leentafels.[160] De woekeraars werden hard aangepakt; ”Item, want de woeckeraers, haudende tafele van leenynghe duer onse permissie, hemlien daghelics vervoorderen te verkeeren ende converseren met onsen ondersaten, hem haudende ende ter kercken gaende als lieden van eeren, tot groote schandalisatie van goede lieden, zonderlynghe aenghesien dat de voorseyde wouckeraers zijn openbaerlicken ende naer rechte gheexcommuniceert, zo verbieden wij allen wouckeraers haudende tafel van leenynghe, onder wat privilegie dat zij, metsgaders de ghene die part, deel, gemeenschap oft administratie in de voorseyden tafel van leenynghe hebben, van niet te frequenteren de kercken, duerende den goddelicken dienst, op de peyne te verliesen ’t effect van haere voorseyde privilegie, ende te vallen in de peynen na rechte ghestelt teghens openbaere wouckeraers.” [161] Het lijkt ons dat deze keizerlijk beslissing genomen is naar aanleiding van het rekwest dat we voordien bespraken. Men eiste daarin expliciet het kerkverbod van de woekeraars. Karel V weigerde blijkbaar in te gaan op de wens de tafelhouders volledig af te zonderen door hun aanwezigheid op openbare plaatsen te verbieden en hen te verplichten tot het dragen van een kenteken. Niettemin gaf hij hier een krachtig signaal naar zijn onderdanen. De lombarden kregen een kerkverbod. In het licht van de toenmalige context was dit noodzakelijk. De economische crisis na 1540 wakkerde de geloofsvervolgingen aan, die vooral in de grote steden ook op handelaars gericht waren.[162] Het vergt dan ook niet veel verbeelding om zich voor te stellen dat de woekeraars bij stedelijke opstanden zeker in het vizier lagen. In die woelige tijden zou het centraal bestuur een verkeerd signaal gegeven hebben als ze geen afkeur voor de woekeraars liet blijken of gewoonweg de kwestie had doodgezwegen. Op internationaal vlak wilde Keizer Karel zich tonen als de ultieme “beschermheer van het katholiek geloof”.[163] Wegens zijn problemen met de Duitse hervormers en de Boerenopstand had hij twintig jaar lang geijverd voor een concilie om de zaken te bespreken. In Rome was men zijn voorstel blijven weigeren en hij was dan overgegaan tot een gewelddadige repressie van de dissidenten.[164] Op het ogenblik van het kerkverbod van 1546 was Karel V dus overgeschakeld naar een harde aanpak van de storingselementen in zijn gebieden. Bovendien was het Concilie van Trente (laattijdig maar uiteindelijk) begonnen en nu meer dan ooit moest de keizer zich een fervent katholieke heerser tonen, wilde hij resultaten boeken. Het kamp van paus Paulus III verkoos eerst de doctrinaire punten vast te leggen, terwijl de Habsburger liever disciplinaire en wettelijke aspecten behandelde.[165] De Kerk zag de wereldlijke heerser graag een éénduidige positie innemen tegenover de hervormers. Als hij deze samenkomst, waarop hij al lang had gewacht, niet wou verpesten dan waren toegevingen nodig. Zoals we hoger uiteenzetten greep het Concilie inzake woeker terug naar de strenge definities uit het verleden. In dit kader is het dan niet verwonderlijk dat Keizer Karel met het edict van 1546 zijn welwillendheid probeerde te tonen aan zijn tridentijnse gesprekspartners. Het edict bleek nochtans niet zorgzaam nageleefd te zijn.