God en Goud. De situatie van de lombarden in de Zuidelijke Nederlanden van de zestiende eeuw. (Sébastien Conard)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 3.

In het hart van de lombard. Intimiteit en persoonlijke overtuigingen

 

In dit laatste deel voltooien we onze geleidelijke benadering van de zestiende-eeuwse lombarden. We hebben hen bekeken vanuit het standpunt van de buitenstaanders en vanuit hun toebedeelde plaats in de maatschappij van de Zuidelijke Nederlanden. Vervolgens hebben we hun interne werking en hun onderlinge verbanden blootgelegd en zijn we hun spreiding over onze streken nagegaan. We stelden daarin een dynamiek vast waarachter een doelstelling schuilde; de verdediging van de eigen belangen, de integratie in de maatschappij en in het bijzonder de sociale opgang. In wat volgt bekijken we wat de mogelijke overtuigingen waren van een lombard, wat hij dacht over die wereld waarin hij wilde vorderen of wat hij over zijn toenmalige positie meende. Hiervoor sluipen we in de eerste plaats zijn huis binnen, tevens werk- en leefplaats. Welke waarden rond werk, huis en gezin hield de Piëmontese pandlener erop na? Daarna luisteren we naar de innerlijke tweespalt tussen God en goud. Of toch niet? Ervoer de vroegmoderne tafelhouder dit echt als een paradox? Tenslotte begeleiden we de oude lommerd in zijn laatste dagen. Wat was zijn houding tegenover de dood? Voor dit laatste deel berusten we voornamelijk op het geestelijk testament van Lowys Porquin en op de brieven van de Pisano’s, man en vrouw. Andere voorbeelden zullen hier en daar onze beeldvorming komen versterken.

 

 

Hoofdstuk 7. Het huis van de lombard. Waarden rond werk, huwelijk en familie

 

”Deur een cleyne vlecke is een cleet gheschent.”

“Den Uutersten Wille” van Lowys Porquin, f° d 3 r.

 

7. 1. Opleiding en vaardigheden bij de lombarden

 

De pandlener werd niet zomaar pandlener. Met wat geluk leerde hij het van zijn vader, die het zelf had geleerd van zijn vader. De woekeraars deden er echter alles aan om aan het beroep te ontsnappen en als het hen lukte maakten ze plaats vrij voor nieuwkomers. Men moet zich dus de vraag stellen naar de opleiding van de tafelhouders. Nieuwkomers moesten het toch van iemand leren? Logisch gezien werd in de opvang van recent geïmmigreerde streekgenoten voorzien door zij die reeds actief waren in de Zuidelijke Nederlanden, het reeds besproken netwerk dat het voordeel vormde van de “minorités conquérantes”. De beginnelingen traden dan bij een meester-lombard in dienst als gezel. Ze kwamen bij hem terecht omdat het een verre oom was of gewoon via doorverwijzing. Het uitsturen van kinderen voor hun opleiding of een stage was een fenomeen dat meerdere lagen van de maatschappij kenden.[485]  De bedoeling was het verwerven van technische en sociale vaardigheden. Het had ook als effect dat de banden met het warme thuisnest werden verbroken zodat de jongeling gehard werd in zijn volwassenwording. Voor de lombarden die op jonge leeftijd naar onze streken trokken en in het beste geval op hun oude dag terugkeerden naar hun geboortestreek was dit effect vervolledigd. We menen zelf dat hier in feite geen sprake is van een stage maar gewoonweg van een (levenslange of definitieve) verhuizing. Het geval van Sébastien Iradis illustreert dit goed. Iradis kwam uit Asti (in Piëmonte) waar zijn vader tuinier was.[486] Hij was in 1552 ongeveer twintig jaar en was toen naar zijn zeggen al meer dan negen jaar in dienst bij Bernardin Pisano. In het begin lette hij op de panden. Dit deed hij gedurende twee jaar. Daarna was hij zes jaar lang ”desoubz tablier” of onderbediende en sinds anderhalf jaar ”tablier” , laat ons zeggen hoofdbediende.[487] Men begrijpt dat dit niet hetzelfde is als “factor”, zijnde de plaatsvervanger van de meester of de gerant van een leenbank. Aangezien met betrekking tot Iradis eenmaal een leeftijd van achttien jaar wordt vermeld en elders en leeftijd van twintig jaar, was hij aan zijn opleiding begonnen rond zijn negen jaar of rond zijn elf jaar.[488] Hij was dus vrij jong van huis weg, van bescheiden afkomst en leerde de stiel kennen bij deze tafelhouder. Ook zijn medegezel Vincent Cappelle, die Iradis en zijn meester verraadde, was ongeveer twintig en bediende.[489] Het parcours van Iradis was vermoedelijk typisch voor een jong personeelslid van een leentafel. Indien zijn professionele opgang niet was onderbroken door de juridische moeilijkheden van zijn meester hadden we in de eerste plaats nooit zijn naam geweten maar dan had hij ook meer kansen gehad om zonder problemen een lombard te worden. Zoals we reeds stelden zullen de argumenten voor zijn verdediging weinig indruk gemaakt hebben op de Grote Raad. Hij zal de drie jaar verbanning, die hij volgens de procureur verdiende voor het verduisteren van het geld, niet ontlopen zijn. Als die straf werkelijk de uitloop van zijn juridisch avontuur werd dan had hij alvast op één punt gelijk; zijn reputatie zou geschonden zijn.[490] Op dit vlak had zijn vroegere medegezel Scipio het volledig verknald maar misschien had hij er financieel wel meer aan overgehouden; Scipio was het jaar ervoor naar Italië gevlucht met geld van de tafel. Ook Vincent Cappelle kon beter zijn pakken maken gezien hij Iradis verklikt had en zijn meester zijn ongeluk al had gezworen; ”si je tourne je monstreray son erreur de celluy affecte Vincent lequel je tiens pour icelluy qui vous a trahy.” [491] Het parcours van jonge gezellen was dus niet altijd evident en hing af van het succes of de tegenspoed van hun meester. Om lombard te worden en zelf ooit een tafel te runnen moest de beginneling van op jonge leeftijd in de leer en de wisselvalligheden van deze beroepsbranche overleven. Nochtans beschikte Iradis toch al over een eigen kapitaal dat hij reeds aanwendde om leningen uit te schrijven. Zo leende hij aan Jean de Bonne, zoon van Jean Pierre, inwoners van Bergen, dertien pond Vlaamse groten in drie keer terug te betalen, met name met Pasen 1552, op de processie van Valenciennes en met Kerstmis.[492] Gezien deze schuldbekentenis in zijn kamer tussen zijn eigen papieren lag, moest die lening wel op persoonlijke titel zijn. Vreemd genoeg moest Jean de Bonne slechts het juiste bedrag teruggeven (namelijk tweemaal vier pond en tien schellingen en éénmaal vier pond). Ofwel was Iradis geen bekwame geldhandelaar ofwel vreesde hij de woeker ofwel, en het ziet er zo naar uit, is dit een lening aan een vriend aan wie hij geen intrest wilde vragen. We vermoeden dat Iradis ook niet alle eieren in één mand stak en wel meer geld bezat dan hetgeen hij had geleend. In zijn kamer lagen naast deze schuldbekentenis en de brieven van zijn meester en diens vrouw ook een harnas van zwart Marokkaans leder, een rood dekentje, een zwaard met verzilverde kruising en enkele oude hemden.[493] Deze zaken konden evengoed panden zijn als eigen bezittingen. Ook Baltazar Pourcellis, in 1543 al 27 jaar en nog bediende in de Mechelse leentafel, kwam opportuniteiten en moeilijkheden tegen.[494] Hij kende zijn zijn meester Pierre Bergaigne al twaalf jaar en wist dat Bergaigne al negen jaar geassocieerd was met Antoine Succa. Bergaigne en Succa hadden de Mechelse leentafel gekocht. Pourcellis had als volwassen bediende zeker al wat kapitaal verzameld maar hij was toch niet kapitaalkrachtig genoeg om de roerende goederen van de Mechelse leentafel te kopen, die hij schatte op 8.000 gulden; “car luy et son compaignon George les ont en garde et vouldroit voulentiers aultant donner audict Pierre s’il avoit la puyssance de les acheter.” [495] De gezellen blijven verbonden aan hun meesters en worden zonodig verplaatst. Pourcellis hield enige tijd toezicht op de panden van de Gentse leentafel, ook in handen van Bergaigne en Succa.[496] Ook in de tafel van Namen stelde Bergaigne zijn gezellen tewerk zoals het hem beliefde; “y mis serviteurs et les destitue comme il faict encoire presentement quant bon luy semble.”[497] Gezellen keken uit naar promotiemogelijkheden maar zolang ze zelf geen tafel konden bemachtigen dan bleven ze afhankelijk van hun meester en onderworpen aan zijn willekeur.

 

Het beroep van de lombard veronderstelde ook een bepaalde kennis en verschillende vaardigheden die de Italiaanse handelslui doorgaans genoten. Er was natuurlijk geen vaste opleiding en kooplui verwierven op heel diverse wijze uiteenlopende vaardigheden. ”Les compétences étaient multiples, incommensurables, irréductibles.” [498] Een competente koopman was op vele vlakken onderricht.[499] Ten eerste waren de rekenkunde en de aritmetica niet weg te denken. Zeker voor een lombard die intrestvoeten moest toepassen en uitrekenen was dit onmisbaar. Doorgaans kon een koopman optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen en kende hij de regel van drie. Vervolgens was zijn talenkennis belangrijk indien hij in het buitenland vertoefde of met buitenlandse collegae onderhandelde. Op de Antwerpse markten en aan de beurs werden heel wat talen gesproken en zij die daarvan enkele talen kenden beschikten over een belangrijke troef.[500] Maar zowel de Spanjaarden als de Portugezen en de Italianen wisten zich meestal ook in het Frans of in het Nederlands uit te drukken. Hun kennis van de vreemde taal en hun schrijfstijl in de brieven waren dan ook niet indrukwekkend maar ze voldeden ruim voor de communicatie. Voor de lombarden zal de plaats van hun vestiging een belangrijke rol gespeeld hebben bij de keuze van hun tweede taal. De meeste tafelhouders communiceerden met het bestuur in het Frans omdat dit meestal de voertaal was in de regeringskringen van Brussel.[501] Dit betekent niet dat de Piëmontezen steevast zelf deze taal vlot beheersten. Ongetwijfeld konden ze zich verstaanbaar maken, zeker na een aantal jaren, maar ze spraken onder elkaar en in het lombardenhuis Italiaans. Dat illustreren de brieven van Pisano en zijn vrouw aan Sébastien Iradis. De originelen zijn in het Italiaans.[502] Dankzij de vertaling hadden we toegang tot de inhoud van deze brieven. Maar zowel in de vertaling als in de originelen valt de typisch losse en onsamenhangende stijl op van de Italiaanse kooplui. Goris omschreef hun schrijftstijl als un langage filandreux et décousu, dont les Italiens avaient le secret.[503] De Pisano’s en Iradis verstonden elkaar. Op één ogenblik was dit echter niet zo en dit kwam doordat Bernardin Pisano blijkbaar niet voldoende Frans kende om vlot te kunnen lezen. Op 4 maart 1551 schreef de meester naar zijn gezel; Ceste sera pour vous dire comme j’ay receu une vostre [lettre] en franchois, par Joanino le leu. Faictes mal de point escripre ytalien affin que les puisse aussi lire quant Ysabetta n’y est point. Vous scavez que ce luy est tout ung. Pourtant a l’advenir escripvez ytalien.” [504] Pisano klaagde dat hij geen Franse brieven kon lezen wanneer zijn vrouw Ysabetta er niet was. De laatste brief van Iradis, die in het Frans was geschreven, heeft hij laten lezen door ene Joanino. Voor Ysabetta daarentegen was het één en hetzelfde; ze was met andere woorden even bedreven in het Italiaans als in het Frans. Ook Iradis, gezien hij al sinds zijn achtste of zijn elfde in Valenciennes leefde, was tweetalig. De lombarden in de Nederlandstalige gebieden pasten zich ook daar aan, zoals het geestelijk testament van Lowys Porquin getuigt. Daar hij zo’n twintig jaar in Zeeland had gewerkt en nog zo’n dertien jaar in Bergen op Zoom leefde voor hij stierf, kan men zeggen dat hij lang met het Nederlands was geconfronteerd. Zijn vrouw was een Brugse en zijn kinderen waren in Zeeland en Bergen op Zoom opgevoed. Aangezien zijn boek zich tot hen richtte maar ook tot een breder publiek[505] schreef hij een Nederlandstalig werk. De lommerd paste zich als elke kooplui aan naargelang de verblijfplaats en verwierf geleidelijk de nodige taalvaardigheden. Verder waren ook enige aardrijkskundige kennis en noties van het recht nodig.[506] Het eerste was vooral belangrijk voor zij die actief waren in de internationale handel terwijl het laatste ook van toepassing kon zijn op de tafelhouders. De kennis van het eigen juridische statuut was in elk geval een fundamentele vereiste wilde de lombard wegwijs geraken uit al de stedelijke, provinciale en centrale bepalingen. Gezien hun frequent verschijnen in de Grote Raad kan men veronderstellen dat sommige pandleners wel op zijn minst iets hadden opgestoken over het recht. De vaardigheid van het boekhouden was onmisbaar, in het bijzonder de Italiaanse methode van de dubbele boekhouding. ”Il y avait partout des gens qui attachaient de la valeur à un apprentissage de la tenue des livres.” [507] Dit vormde de basis van de Italiaanse superioriteit in de handelszaken en het was gewoonweg een onontbeerlijk onderdeel  van een evenwichtig bedrijf. Ook Porquin onderschatte de waarde van de boekhouding niet en waarschuwde bijgevolg zijn kinderen;

 

“Dicwil u saken te oversien / dat’s mijn vermaen /

‘T is groote vroeschap te sien hoe eens saken staen.” [508]

 

Het was inderdaad van groot belang de gang van zaken na te gaan wanneer voortdurend geld werd uitgeleend en ontvangen, panden opgenomen en verkocht, winsten opgestreken en uitgaven gemaakt. Daarenboven moesten de winsten verdeeld worden volgens de ratio’s van de deelnemers, personeel moest worden uitbetaald en vlug veranderde de tafelhouder van tafel of van aandeel, wat weer aankoop en verkoop impliceerde enzovoort. De registers zijn ook een belangrijke geheugensteun voor de tafelhouder en het archief van het pandbedrijf. Wanneer de lombarden van Valenciennes hun bijdrage moesten leveren aan de bisschop, wist meester Pisano niet meer zo goed hoeveel hij hem gewoonlijk gaf. Ysabetta beval aan Iradis dat hij zou kijken in het boek van de weggevluchte gezel Scipio om te zien hoeveel ze het jaar voordien hadden gegeven;  ”Sébastien, saschez que j’ay receue la vostre et quant à ce que escripvez de l’evesque mon mary ne scait combien on luy donne. Et sera besoing que vous regardez secretement au livre de Scipion. Je croy que vous trouverez combien il luy a donné l’autre année et ainsi luy donnerez vous.” [509] Om bepaalde zaken na te gaan die hij nodig had voor zijn verdediging in de rechtszaak vroeg Pisano ook een lang uitgavenboek, dat Iradis moest meegeven met de bode.[510] Ysabetta vroeg een pakket brieven die ze vergeten was in de kamer van de dienstmeid bij een bankje.[511] De papieren memorie was dus levensnoodzakelijk in de zaken. De boekhouding was vaak ingedeeld in verschillende boeken en schriften, zoals bij François Muys in Middelburg, wiens boekhouding werd geïnventariseerd door een schepen nadat Michel des Ardes was binnengevallen voor een controle:[512]

 

  1. een pakket van 43 brieven

  2. een kohier van 18 halve bladen

  3. een handboekje getiteld “Parva Nota”

  4. een missive met vier kleine papiertjes of brieven, stekend in het voornoemde handboekje

  5. een kohier getiteld “De despens”, gedateerd 24 augustus 1579

  6. een kohier getiteld ”Librom g [streep op de g] et littra f.”

  7. een brief in perkament met de waarborg van een huis en twee lommerdbrieven

  8. 27 lommerdbrieven

i/j.  een boek genaamd ”’t Register van de billietten die verlooren sijn”, gedateerd 1 juni 1475

  1. een boek genaamd ”’t Register van de vendue gedaen den XXIIIen meerte XVc LXXIX”

  2. een liasse van 36 zendbrieven en andere en vier losse bladen (twee rekeningen en twee obligaties) gevonden in ”een contorken staende in de vloer”.

 

Muys had dus verschillende bundels en cahiers waarin hij ondermeer zijn uitgaven bijhield, zijn verloren lommerdbriefjes, zijn verkopen etc. Ook het wisselen van geld was een competentie die werd aangeleerd. La pratique des changes était l'autre composante majeure de la suprématie italienne. [513] Gewoon wisselen tegen de juiste koers vereiste immers enkel enige kennis van de stand van de koersen maar hierop winst maken vroeg een technische kennis die niet iedereen was meegegeven. Zoals het geval van Michel des Ardes aantoont waren ook de pandleners niet vies van dergelijke praktijken, hoewel het hun specialisatie niet was. Hij en andere burgers liepen in Doornik een straf op wegens het gebruik van de munt van het kapittel. Hij werd bovendien persoonlijk veroordeeld voor de winst die hij had gemaakt op de wissels.[514] Het is logisch dat de lombarden wegens hun positie in de geldhandel bekwaam waren in wisselpraktijken en in het algemeen weet hadden van geldzaken. Tenslotte is het evident dat de tafelhouders konden lezen en schrijven. Zonder deze vaardigheden kon de tafelhouder geen lommerdbriefjes uitschrijven voor zijn leningen, geen contracten opstellen, geen octrooiaanvraag richten aan de vorst, geen juridische zaken afhandelen enzovoort. Voor al deze bekwaamheden was geen bijzondere scholing nodig. In de opleidingen van de vroegmoderne periode was er nog zeker geen evolutie naar iets als “handelswetenschappen”, enkel een aantal min of meer gevorderde vormen van kennisverwerving.[515] De ervaring speelde een decisieve rol. L’ affinement des compétences et la hiérarchisation des qualifications n'étaient pas seulement affaire d'aptitudes cultivées par une formation plus ou moins poussée.” [516] Het belangrijkste in de vaardigheden van elke koopman of zakenman was de verfijning door ervaring, het voortbouwen op de aangeleerde kennis. Nochtans was de lommerd niet noodzakelijk van jongs af aan opgegroeid in de praktijk van de zaken, zoals dat wel het geval was bij Iradis. Het blijkt dat Porquin en zijn broers er anders voor stonden. Porquin was pas op zijn achttiende naar de Zuidelijke Nederlanden vertrokken, samen met François en Bernardin.[517] Hij had zijn jeugd dus doorgebracht in Chieri. Het valt niet uit te sluiten dat hij een theoretische opleiding had genoten. Vele jonge Italiaanse kooplui kregen immers scholing in zogenaamde abacusscholen (van het Griekse ”abax”, rekentafel) en vanaf de zestiende eeuw steeds vaker in Latijnse of humanistische scholen, ondermeer door toedoen van de Jezuïeten.[518] De eerste soort scholen waren meer technisch en professioneel gericht terwijl de humanistische scholen eerder de algemene humanitas aanleerden waaronder grammatica, talen en schrijven maar ook boekhouding. We gaan akkoord met Greilsammer wanneer ze vaststelt dat Porquin sterk onder de invloed stond van die humanistische cultuur en blijk gaf van een zekere kennis van de Oudheid in zijn verwijzingen naar mythologische figuren en antieke auteurs.[519] We weten natuurlijk niet genoeg over de lombarden om vast te stellen of sommigen onder hen zo’n commerciële scholing hadden gevolgd of dat ze enkel via de praktijk opklommen van gezel tot meester en zo het vak machtig werden. Maar het staat vast dat het beroep een zekere kennis van zaken en heel wat vaardigheden veronderstelde die dicht aansloten bij die van andere kooplui en dat ze die pas met de jaren verworven.

 

7. 2. Waarden rond werk, huis en gezin

 

Een interessant element in het beroepsleven en het privé-leven van de tafelhouders is dat ze moeilijk los te maken zijn van elkaar, zoals in feite bij de meeste tijdgenoten. Bij de lombarden was het pandhuis zowel werkvloer als woonplaats. Het gezin was sterk betrokken bij het pandbedrijf en had een nauwe band met het personeel, dat in feite behoorde tot de “familie” in ruimere zin. De pater familias regeerde over zijn gezin en zijn personeel. Ten opzichte van zijn kinderen droeg hij de verantwoordelijkheid hen op te leiden in het vak. Hij moest in de eerste plaats het voorbeeld tonen. De meester moest zelf blijk geven van een gezonde werklust. Een succesvolle werkdag begon na een goede en korte nachtrust en door vroeg aan de taak te beginnen;

 

“Licht om hooge / slaept ses ueren of daer omtrent.

Van de nacht ruste loeft God met hertten diligent.

Slaet u dijnghen ga / hout onachtsaemeyt verdreven /

Goey toesicht maeckt rijcke / en doet langhe leven.” [520]

 

Het overzicht van de zaken, de regelmatige controle en de boekhouding vormden de grondslag van een goed geleid huis en bedrijf. Deze premisse moeten de kinderen zeker kennen, willen ze het succes van hun vader overdoen;

 

“Werden u kinderen voliarich volcht mijn devoor /

Maect se gheen rentmeesters over u goedijnghe /

Mer wilt u selve meesters sijn van u tresoor /

Mer leert u kinderen der consten bevroedijnghe /

En goey institutien dat se crijghen verhoedijnghe

Teghen onvoorsienighe inconvenienten /

Fortuyne en spaert niemant in haer accidenten.” [521]

 

De kinderen moesten een degelijke professionele opleiding krijgen en de knepen van het vak kennen. De goede huisvader droeg ook de verantwoordelijkheid voor zijn personeel. Een goede meester in huis moest zijn personeel strak in de hand houden maar ook mild voor hen zijn:

 

”Quetst den knecht niet wieser saken in trouwe strecken /

Noch den huerlijnc die om u wel te doene raemt.

Een wel ghesint knecht hebt lief tallen plecken

Als u ziele / en wilt hem de vrijheyt niet onttrecken /

Noch en laet hem deur ermoey niet werden beschaemt.

Stelt hem te wercke / want dat sulcx betaemt:

Dat de roede en de last behoort den ezel te rechte /

Broot / werck / en straffinghe behoort toe den knechte.” [522]

 

Of kortweg;“Een onbedwonghen bode / een huys vol onruste.” [523] Volgens de toenmalige denkwijzen bleef het dienstpersoneel getrouw en gelukkig als het een goede portie werk kreeg en wist wie haar heer was maar ook niet leed onder een tekort aan vrijheden en aandacht. Een tekort aan bezigheden of een huismeester die de touwtjes niet strak genoeg in handen hield ondermijnde het lombardenhuis zoals elk ander huis. Toen Bernardin en Ysabetta Pisano lange tijd uit Valenciennes wegbleven was hun enige band met het huis hun correspondentie en het mondelinge nieuws van hun bode Pieracino, die voor de post instond, of van anderen die langs het pandhuis waren geweest. Hun lange afwezigheid had al vlug gevolgen en Ysabetta moest Iradis zonodig ter orde roepen; Et quant à ce que dictes de aucuneffois inviter les gens de bien je diz qu’il n’est besoing de tant d’invitamens parce que moy et mon mary n’y sommes/ Nous sommes pur des gens assez sans en avoir ancoires des aultres. Nous avons pour le present trop de despens. Je vous promectz que se despende plus que on ne gaigne. Avons neantmoins espoir en Dieu que ne durera gueres/ Avecq la grace de Dieu je vous diz que debveriez despendre le moings qu’il fust possible et principallement voiant vostre maistre en tous ses despens à tort et sans cause. Les gens de bien n’ont que faire de voz invitemens/ Envoyez moy le compte de ce qui a esté despendu depuis que sommes partiz. Je veulx bien que vivez honnestement comme il appartient mais point superhabondamment.” [524] De gezellen waren reeds lange tijd thuis en al gauw dacht de jongeman eraan mensen te ontvangen, waarschijnlijk om de sleur te doorbreken. De huisvrouw wees erop dat ze onkosten genoeg hadden en hoewel ze verwachtte dat ze naar hun stand leefden hoefden daar geen feesten bij, zeker niet als zij en haar man er zelf niet waren. Ook begon de dienstmeid Staminetta zich wat stoutmoedig te gedragen terwijl de meester en zijn vrouw weg waren; “J’ay entendu comme Staminete est fort cruelle envers luy et qu’elle faict trop la maistresse.” [525] Ysabetta doelde met “hem” op de deurwaarder Ougene, die in opdracht van de Grote Raad over het pandhuis waakte en tegen wie Staminetta zich gedroeg als de vrouw des huizes. Als de kat van huis is dansen de muizen op tafel! Ook het verraad van Vincent Cappelle of het weglopen van Scipio gebeurden mogelijks tegen een achtergrond waar meester Pisano door tien jaar juridische ellende de situatie onvoldoende beheerste. De jongelingen waren net een harde pedagogie gewoon en ze luisterden slechts naar een klare stem. Voor Porquin was het duidelijk; ”Een onrecht handelen / den knecht wech loopen doet.” [526] Als meester van zijn pandhuis was de lombard dus verantwoordelijk voor zijn personeel en hij zag zichzelf als directe oorzaak van hun welzijn, hun ijver en hun eerlijkheid.

 

Als huisvader zorgde hij op een analoge wijze voor de opvoeding van zijn kinderen. Porquin bevestigde alleszins het imago van de vroegmoderne pater familias. Hij moest beantwoorden aan zelfcontrole en zelfdiscipline en over zijn gezin heersen op een harde maar rechtvaardige manier.[527] De waarden rond vaderschap en huwelijk die Steven Ozment vaststelt in de protestantse gebieden komen ook voor bij de katholieke Porquin en steunen volgens ons op een typische benadering van het huishouden door de christelijke tijdgenoten. De heerschappij van de vader werd gebonden aan regels, verwachtingen en plichten. Hij moest verstandig optreden in plaats van enkel krachtdadig. Een harde pedagogie achtte men nodig opdat de kinderen ook later zelfdiscipline zouden hebben en discipline zouden kunnen doorgeven aan hun kinderen.[528] De zelfbeheersing was noodzakelijk in een geordende maatschappij waar elk individu zijn plaats kende tegenover God en in het groter geheel. Bovendien kon de tucht het kind redden van het eigen kwaad, dat een gevaar vormde voor het kind zelf en de anderen.[529] De alomtegenwoordige opvatting rond het kind was dat het geboren werd met de oerzonde en bijgevolg enkel via een harde vorming gered kon worden. Dat “educationeel geweld” trof zowel kinderen als gezellen en dienstboden.[530] Deze opvoeding veronderstelde gehoorzaamheid, ondergeschiktheid en het zonodig toepassen van lichamelijke straffen. Dat ook Porquin overtuigd was van de noodzakelijkheid van dit laatste en van een streng optreden in het algemeen getuigen ondermeer deze passages;

 

”Crijcht ghij kinderen / hout se ter scholen userijnghe /

Verbercht haer u liefde / en straft met roen haer mis.” [531]

”Een vader die de roey spaert die haet zijn kint.” [532]

Of het bondigst, als het ware bijna een lijfspreuk;

”Die men lief heeft is men castijende.” [533]

 

Hij waarschuwde nochtans de lezer; ”De Joncheyt en betaemt geen straffinghe overvloedich.” [534] Maar het staat buiten kijf dat de roede en de straffen als onontbeerlijke middelen werden gezien om het kind gehoorzaamheid en respect aan te leren. Een heel belangrijke vorm van die gehoorzaamheid in functie van de orde van het huis was natuurlijk het respect voor de ouders en de erkenning van hun autoriteit, die van de vader voorop;

 

”Die zijn vader eert wert van zijn zonden ontcnocht

En is als een die een schat vergaert in een sterck slot /

Die zijn moeder eert volbringht Godts ghebot” [535]

 

De beleving van dit fundamenteel christelijk gebod is zoals dit vers zegt een directe eer aan God. Greilsammer citeerde in dit verband het “monarchaal model” van Jean-Louis Flandrin, waarbij het gezin in feite een weerspiegeling was van de christelijke monarchie.[536] De vader moest thuis het equivalent zijn van de vorst in zijn rijk en van God in het heelal. We kunnen het ook uitdrukken naar analogie met de voornoemde ideeën van Linda Pollock; zoals de discipline thuis het kind van zijn zonden redde en het voorbereidde op de nodige discipline in de aardse maatschappij was het respect voor de ouders een voorbereiding op het eren van God en de oversten in de samenleving. De loyaliteit tegenover de landsheer paste in dit plaatje. Wegens de positie van de lombard was die specifieke gehoorzaamheid niet alleen moreel maar ook pragmatisch verantwoord. Zoals we genoeg benadrukten waren de lombarden afhankelijk van de vorst en was hun “monarchisme” dan ook niet vreemd. In feite paste het in de tijdsgeest en was het, althans in het geval van Porquin, een verinnerlijkte attitude. Deze eerbiedige houding moest het kind ook trachten te tonen ten opzichte van ”u overste die ghestelt zijn in alle hoecken” [537] en elke oudere. In alle gevallen moest de mens zijn plaats kennen in de samenleving. Even belangrijk was trouwens het ontzag voor wijzen en geleerden en bijgevolg ook de eigen ontwikkeling en de zoektocht naar de wijsheid. De scholing en de belezenheid was voor Porquin heel belangrijk en Greilsammer heeft ook hier gelijk wanneer ze dit verbindt met het humanistisch ideaal en de sociale promotie.[538] Zijn bijzondere nadruk op de kennis, de wijsheid en de ratio had een tweevoudig effect. Ten eerste profileerde hij zich als een humanist, volledig in de geest van zijn tijd, en dus als een waardevolle burger. Ten tweede stimuleerde hij zijn kinderen tot het verwerven van kennis, het respect voor het establishment, het omgaan met geleerden omdat dit volgens de humanisten tot geluk bracht maar ook omdat het voor de lombard troeven waren bij het veroveren van een betere maatschappelijke positie. Hij stimuleerde zijn kinderen in wat we met een ietwat verraderlijke term “la trahison des lombards” noemden (hoofdstuk 6). Zeker voor de ambachtslieden en de kooplui stond scholing in functie van de beroepscarrière en werden hogere studies pas aangevangen als er werkelijk zicht was op sociale promotie.[539] Ook al de andere voorschriften die Porquin wijdde aan zijn kinderen ademen diezelfde humanistische cultuur uit. Dat Porquins geestelijk testament volledig in de lijn lag van het alombekend etiquetteboekje van Erasmus ,“De civilitate morum puerilium libellus”, is klaar en duidelijk.[540] Al had Porquin het zelf misschien niet gelezen, de sterke verspreiding van Erasmus’ handleiding en de populariteit van dergelijke boeken in het algemeen situeerden zijn uitgave in dezelfde pedagogische tendens. Erasmus’ werk over de beschaving van de kinderen kwam in 1530 uit. Het werd vele malen herdrukt in Frankrijk en de Nederlanden. De eerste Nederlandse vertaling verscheen in 1546 en was waarschijnlijk gedrukt door Ameet Tavernier [541], tevens de drukker van Porquins boek.[542] Zijn testament ligt dus als het ware zowel geestelijk als materieel dicht bij Erasmus’ boekje. Terwijl de Zuid-Nederlandse orthodoxie Erasmus’ civilité voor kinderen geleidelijk verwierp – om het uiteindelijk in 1570 op de Index te plaatsen – bleef het boekje populair in de Noordelijke Nederlanden.[543] Het beïnvloedde dus feilloos Porquins’ voorschriften over gedrag, hygiëne en levenswijze gezien het in het Noorden moreel correct bleef. De woekeraar streefde ongetwijfeld die morele correctheid na. We verwijzen het best naar het stuk uit de ”Wille” die we met de titel ”Manieren; drinken, spelen en seks” hebben aangeduid (zie bijlage 5). Ten einde zijn humanistische profilering goed te benadrukken geven we hier enkele vergelijkingen;

 

Erasmus:

”Het is boerachtigh een ongekemt hooft te hebben.” ”Dat het hayr niet en bedecke het voorhooft noch en slingere langhs de schouderen.””Laat de vuyligheit van snot af zijn van de neusgaten ’t welck de morsige menschen eigen is.””De suyverheidt der tanden moet besorght werden.””Het is burgerlijck en gesont ’s morgens de mont te spoelen met schoon water. Het is onbehoorlijck nu en dan dat te doen.” ”Het is schadelijck voor de gesontheit zijn water op te houden; ’t is eerbaer heimelijck te lossen.” –

”Laet’er dan een nettigheyt in de kleedingh zijn/ nae de maet der middelen en waerdigheyt (of aensien) ende nae het landt en maniere.” [544]

 

Porquin:

”Voort zijt gheerne vroech op / en voor alle dinghen

Danct God van de nacht ruste / en  bid hem onversaecht

Dat ghy ‘t sijnder eere den dach meucht volbringhen

Ter salicheyt uus naeste / cleedt u ras in ’t ontspringhen /

Camt u haer opwaerts / ruymt  u fluymen / en onvertraecht

Suyvert u mont / u tanden / cort u nagels als ’t u behaecht /

En hout u stoelganck niet / gaet reyn in u habijten /

Reynicheyt en staet een jonc hertte niet te verwijten.” [545]

 

Erasmus:

”Laet de ooghen sien nae’den genen, die het woord verkondight, laet de ooren hier op geset zijn, laet het gemoed hier na snacken met alle eerbiedigheidt: niet als of ghij een mensch hoordet maer Godt tot u sprekende door een mensch.” [546]

 

Porquin:

”Gaet dan ter kercke / en soeckt voor al onvernoeyende

Gods rijcke, hoort diensten en sermoen met weerdicheyt.” [547]

 

Erasmus:

”Laet hij matighlijck lacchen om aerdige woorden; laet hij tot geene tijt lacchen om dingen/ die oneerlijck zijn geseght.” [548]

 

Porquin:

”U lachen zij zonder spot / u spil niet peutierlijck /

En lacht niet veel / want ‘t is sotheyt bewijsen.” [549]

 

Erasmus:

”Laet’er schaemte zijn/ maer die verciert/ niet die eenen verbaest maeckt.” [550]

 

Porquin:

”Eerlijck in sprake / niet fier van ghesichte / mer beschaemt.” [551]

 

Dat Porquin een voorbeeldige leerling was van de civilité bewijst de verspreiding van zijn werk en het gebruik ervan als schoolboek tot in het midden van de achttiende eeuw.[552] Porquin onderschreef deze culturele stroming op het ogenblik dat het al het waardenpatroon bepaalde van de bovenste maatschappelijke geledingen. Een smalle burgerlijke laag van wereldlijke intellectuelen, waaronder Erasmus, had op het juiste ogenblik de kans gegrepen om een nieuw beschavingsconcept te lanceren en zich zo te profileren en op sociaal vlak te stijgen.[553] Tweede- en derderangsauteurs zoals Lowys Porquin waren slechts de verspreiders van Erasmus’ origineel model en volgden de beweging pas later. We zouden met anachronistische termen kunnen zeggen dat Porquin niet behoorde tot de culturele “avant-garde” maar pas meedeed wanneer het “bon ton” was. Porquin gebruikte dan ook de bijhorende civilité-letter voor zijn boek.[554] Greilsammer vat het zo samen; "Het is in ieder geval duidelijk dat Lowys Porquin erin geslaagd is in zijn werk de kwintessens te brengen van het gedachtengoed van de kooplui en burgerij en van de patriarchale en katholieke kringen van zijn tijd: hij is een beetje de ‘conformist’ van zijn milieu. […] Lowys Porquin geldt als schoolvoorbeeld van de goede ‘christelijke en humanistische burger’.” [555] We zien hier dus graag het beeld bevestigd van de lombard die opklom in de maatschappij door zich te profileren als de incarnatie zelve van de waarden die de gegoede burgerij en deels de adel nauw aan het hart lagen. Maar die bevestiging van de eigentijdse normen en denkpatronen, dit conformisme beperkte zich niet tot de humanistische idealen inzake levenswijze en opvoeding. Heel wat regels van Porquin inzake werk, huis en gezin beantwoordden aan algemeen verspreidde denkwijzen die niet specifiek verbonden waren aan het humanisme of aan de erasmiaanse pedagogie. Zo paste Porquins nadruk op de zedelijkheid van een dochter in een ruimer waardenpatroon rond mannelijkheid en reputatie. De naam van het geslacht en de slaagkansen van Porquin zelve werden zeker beïnvloed door de maagdelijkheid en het behoorlijk gedrag van zijn dochters maar ook door elke handeling van eenieder onder zijn verantwoordelijkheid. De waarde van een man werd gemeten naar de mate waarin hij bleek zijn taak als sterke pater familias te vervullen.[556] ”The site for the initial assertion of manhood became the home.” [557] Vanuit dit standpunt was een man eerbiedwaardig of niet en deze opvatting was in de eerste plaats gericht op de beheersing van zijn eigen persoon. Een man moest kunnen drinken en tevens niet dronken worden.[558] Mannen schatten elkaar vaak in bij het drinken. Porquins adviezen rond drinken en dronkenschap zijn daar een voorbeeld van.[559] Enerzijds schrijft hij een christelijke en humanistische soberheid en matigheid voor maar anderzijds benadrukt hij de geneugten van de wijn en het drinkgelag. Het seksueel gedrag van zijn vrouw en van zijn dochters is van uiterst groot belang in de reputatie van de vroegmoderne man. Voor Porquin was het duidelijk dat “een kleed door één kleine vlek was geschonden.” In het licht van de zelfbeheerste en dominerende familievader werd ook het gedrag van het personeel als doorslaggevend gezien bij de reputatievorming.[560] Al deze factoren bepaalden de waarde van een man in de ogen van anderen en hadden een invloed op de beroepskansen en de sociale positie. Voor de lombarden zal het niet anders geweest zijn en het was dus belangrijk minstens de indruk te geven het eigen huishouden én het pandbedrijf goed in handen te hebben. Een lombard die zich niet kon opstellen als een sterke vader en meester zou misschien vlug de gevolgen van zijn wanbeheer voelen in eigen huis maar geruchten zouden nog sneller weergalmen binnen de Piëmontese natie. Deze patriarchale invulling van mannelijkheid doelde natuurlijk niet alleen op het beheer dat een man had over zijn gezin en zijn personeel maar ook op zijn bekwaamheid om hen te onderhouden. Een man werd ook gewaardeerd naar zijn economische bijdrage in zijn huis en dus de mate waarin hij zijn rol als “verschaffer” vervulde.[561] De rol van de man was de centen binnen te brengen, die van de vrouw om de tafel te dekken. Toegepast op de lombard betekende dit, dat het succes van zijn bedrijf en de welvaart van zijn familie maatstaven waren voor zijn mannelijkheid. Deze patriarchale interpretatie van reputatie en mannelijkheid, met name op basis van het krachtdadig en gecontroleerd huishouden, de harde opvoeding van de kinderen, de economische welvaart en de hoofdrol van de man bij het verwerven van het gezinsinkomen, waren nauw verbonden met de kredietwaardigheid. Zijn waarde als huisvader speelde in op zijn geloofwaardigheid op de kredietmarkt.[562] Over deze kredietwaardigheid en de kredietcultuur hebben we het in het volgende hoofdstuk.

 

Illustratie 10. Lowys Porquin aan tafel met zijn gezin. Zowel de overleden als de levende kinderen worden afgebeeld.

 

7. 3. Voorstelling en werkelijkheid van het huwelijk en het gezin in het lombardenhuis

 

7. 3. 1. Ouders en kinderen

 

Het is nu duidelijk dat de lombarden, voor zover ze leken op Lowys Porquin en Bernardin Pisano, leefden volgens de waarden van hun tijd en in hun poging tot sociale opgang ook een sterk cultureel en moreel conformisme vertoonden. Het is in dit opzicht bijgevolg interessant te weten of hun gezinsvorming overeenstemde met de gewoonten van hun gastland, met andere woorden met de realiteit van de huishoudens naast de nagestreefde waarden en opgelegde denkbeelden. In de eerste plaats schenken we aandacht aan de huwelijksleeftijd en de gezinsgrootte bij Porquin. Toen Porquin aan zijn boek werkte en zich uit het pandbedrijf terugtrok waren nog vier van de elf kinderen die zijn vrouw gebaard had in leven.[563] Op het ogenblik van de uitgave (1563) van het geestelijk testament was enkel Cesar met zijn twintig jaar volwassen. Indien de andere vier ook de volwassenheid bereikten dan overtrof Lowys Porquin het gemiddelde gezinspatroon in de Nederlanden. Maar gezien hij reeds zes kinderen in hun eerste levensjaren had verloren is het aannemelijk dat ze niet allen volwassen werden. In de tweede helft van de zestiende eeuw zorgden de oorlogsomstandigheden, de landvlucht en de epidemieën voor gezinnen van gemiddeld drie à vijf personen in Vlaanderen.[564] Hierbij komt wel dat “het belang van inwonende verwanten, personeel en kostgangers parallel met het vermogen toenam.” [565] Het is nu wel duidelijk gebleken dat het personeel in de lombardenhuizen tot de familie behoorde. We hebben slechts één indicatie van hoeveel leden het personeel bij een lombard kon tellen. Uit de brieven van Pisano en zijn vrouw Ysabetta onthouden we Sébastien Iradis, Vincent Cappelle, Staminetta, Pieracino en de weggelopen Scipio, dus vijf leden (bijlage 1). Toen Ysabetta van Iradis de rekening van de huishoudelijke uitgaven ontving zei ze die een beetje hoog te vinden hoewel ze wist dat het leven duur was; ”Touteffois n’estes que cincq bouches.” [566] Er moest dus nog een ander personeelslid bij zijn want Scipio was al een jaar weg. Mogelijks beschikten rijkere lombarden over meer personeel. Ook is het niet verwonderlijk dat buiten Margarita, die vier jaar en enkele maanden werd, de andere vijf gestorven kinderen van Lowys Porquin overleden tijdens hun eerste levensjaar.[567] De vrouw van Bernardin Porquin, Dorothea, de dochter van Antoine Rustick, tevens lombard, baarde dertien kinderen waarvan vier stierven (waaronder hun enige zoon).[568] Eén van deze vier kinderen werd vier jaar en één maand terwijl de anderen als zuigeling stierven. Bernardin had dus negen dochters (allen met Italiaanse namen) wat een groot aantal was voor de periode. Zoals Greilsammer het stelt was dit wellicht te danken aan de gunstige economische situatie van de lombarden waardoor ze beter konden voorzien in hun onderhoud.[569] De getallen van de twee gezinnen Porquin staan qua vruchtbaarheid (elf en dertien kinderen) immers hoog tegenover zowel Belgische als Italiaanse fertiliteitsgemiddelden uit die periode (beiden tussen acht en negen).[570]

 

Een ander aspect is de huwelijksleeftijd. We kunnen dit enkel illustreren met Lowys Porquin die op zijn negenentwintigste trouwde met de negentienjarige Magdalena.[571] Dit sluit eerder aan bij de Italiaanse gewoontes dan die van zijn gastland. Vlaamse huwelijksleeftijden lagen tussen de 20 à 24 jaar voor de vrouw en de 25 à 29 jaar voor de man.[572] In het vijftiende-eeuwse Firenze en Toscane huwden de vrouwen tegen hun twintigste, net zoals in het zestiende-eeuwse en zeventiende-eeuwse Apulië, en de mannen tegen hun dertigste, althans in de steden.[573] Pas vanaf de achttiende eeuw steeg de vrouwelijke huwelijksleeftijd uit boven de twintig jaar, ondermeer in Lombardije en Piëmonte. Het is niet onmogelijk dat in het geval van Lowys Porquin, die laat huwde met een vrij jonge vrouw, zowel Italiaanse tradities hebben meegespeeld als het feit dat hij in zijn eerste tien verblijfsjaren geen succesvol parcours aflegde in de Nederlanden en zijn fortuin nog niet voldoende opgebouwd was. Uit deze twee gezinnen kunnen we geen conclusies trekken behalve dat ze duidelijk onderworpen waren aan de harde realiteit van het vroegmoderne gezinsleven. De hoge welstand van Bernardin Porquin maakte het voor hem mogelijk beter zijn kinderen in leven te houden terwijl het gezin van zijn broer Lowys meer getroffen werd door de kwalen van de tijd.

 

In dit verband bewees Greilsammer voldoende dat de casus van Lowys Porquin de meest recente historiografische visie op de relaties tussen ouders en kinderen bevestigt.[574] Het geval van deze attente vader, aangedaan door de dood van zijn pasgeboren kinderen, toont nogmaals aan dat het beeld van de onverschillige ouders en de “onzichtbare” kinderen achterhaald is. Een aantrekkelijke opvatting blijft die van Jacques Gélis die een nieuwe visie op het kind vaststelt vanaf de Late Middeleeuwen.[575] Men wenste steeds meer het kind te onttrekken aan de dood omdat men het telkens meer als een apart individu bekeek en niet meer louter als een schakel in de levenscyclus. Een meer lineaire en fragmentaire opvatting van het leven ging gepaard met de erkenning van het eigen individu en dat van het kind, aldus Gélis. We benadrukken dat deze ouderlijke affectie zeker niet in tegenspraak was met de harde pedagogie. We omschreven wat hoger die strenge opvoeding als de ouderlijke zorg om het kind te redden van de oerzonde en het voor te bereiden op het leven in de gemeenschap. Deze aanpak getuigde dus van aandacht en bekommering om het kind en van een actieve opvoeding en stond in schril contrast met een vermeende “onverschilligheid”. De harde pedagogie van de periode was zeker geen gemakkelijkheidsoplossing van luie en ongeïnteresseerde ouders maar een intensieve en attente vormingswijze die beantwoordde aan het toenmalige wereldbeeld. De “zwarte legende” van de onverschillige ouders (uitgewerkt door historici als Laurence Stone, Philippe Ariès, Jean-Louis Flandrin) werd ondermeer tegengesproken door Alan Macfarlane, die door te wijzen op een vroege ontwikkeling van het individualisme, zeker in Engeland, ook de nadruk wist te leggen op de affectieve banden binnen het gezin.[576] De datering van Macfarlane, die de ontwikkeling van het modern individualisme terugdrong tot in de vijftiende eeuw, is wat overdreven maar zijn beschrijving van het proces wordt wel gewaardeerd. De ontdekking van het eigen individu met een eigen intimiteit en een aparte persoonlijkheid en dat van de anderen leidde binnen de familie tot een sterkere appreciatie van zichzelf en de andere. Gezinsleden gaven om elkaar omwille van de individualiteit en steeds minder omwille van louter de bloedverwantschap. In dit opzicht stelde Macfarlane de opkomst vast van de ”individualistic family”, waar het verwekken van kinderen meer werd bekeken in individualistische en rationele termen dan louter als de natuurlijke voortplanting of de wil van God.[577] Omdat men ook genoegdoening beleefde aan de ontwikkeling van het kind werd het steeds meer bekeken als een ”added pleasure of life”.[578] Het kind was meer dan een logisch gevolg van het huwelijk, het was ook een mens in wording voor wie men specifieke gevoelens van genegenheid koesterde. Deze theorie ligt dicht bij de voornoemde gedachten van Gélis. Ons inziens vinden we deze elementen terug bij Porquin, die aan zijn pasgeboren kinderen telkens enkele individuele kenmerken toeschreef en telkens opnieuw werd aangedaan door hun overlijden.[579] In het boek benadrukken vele passages de trots die een vader voelt voor een kind dat een deugdzame volwassen werd volgens de levensvoorschriften van de vader. De adviezen om een goede echtgenoot of echtgenote te worden of alle raadgevingen om een rechte levenswandel te lopen – op zich ongeveer het gehele werk – beoogden de vorming van deugdzame individuen, eerst en vooral zijn eigen kinderen. Hun integriteit moest het onderwerp zijn van zijn fierheid en plezier. Het was een dubbele vreugde; zijn kinderen zouden eerbiedwaardige mensen worden en hijzelf en de naam van zijn geslacht werden daar rechtstreeks door geëerd:

 

”Des menschen glorie is zijns vaders eere /

En een vader zonder eere is des kints schande.”

 

Naar we menen is dit laatste een relatief “individualistisch” plezier. Porquin genoot persoonlijk van het voorbeeldig gedrag van zijn kinderen. De eerste begunstigde van die pedagogische aandacht was bij Porquin, zoals bij alle tijdgenoten, zijn zoon.[580] Het onderscheid tussen dochters en zonen was altijd zeer groot geweest en de bevoorrechting van de zonen in een patriarchale maatschappij bevat niets verwonderlijks.[581] Bovendien waren de mannelijke familieleden naar Lombardische traditie de voortzetters van de linie. [582] In Lombardije leefde sterk de overtuiging dat het geslacht enkel werd doorgezet via het mannelijk bloed, ook dat van de bastaarden. Het is in dit opzicht niet vreemd dat de privileges van de lombarden veelal ook van toepassing waren op hun bastaardzonen (zie hoofdstuk 2). In elk geval, we menen dat de casus van Porquin de nieuwe visies op het ouderschap in het Ancien Régime onderschrijft. De ouderlijke genegenheid en de verbondenheid met de kinderen waren zeker een feit. We moeten er ons enkel van bewust zijn dat ze kaderden in heel andere termen dan die we nu kennen. Ze stemden overeen met een patriarchale en autoritaire conceptie van de maatschappij en het gezin, waarbij een uitgesproken voorkeur voor de zonen en een harde opvoeding volgens strakke regels hoorden. De vader wilde fier zijn op deugdzame en gedisciplineerde kinderen die hun weg hadden gemaakt in de wereld en zijn waarden zouden doorgeven. Ons inziens is het net omdat zovele kinderen overleden in de eerste levensjaren dat vaders als Porquin trots waren op de weinige die overleefden. De tijdgenoten wisten welke moeite het koste om enkele kinderen naar de volwassenheid te loodsen en bedankten hiervoor Gods welwillendheid. Het was voor de vroegmoderne christen ongetwijfeld een grote vreugde om van die meerdere zaadjes enkele volgroeide planten te krijgen die regen en wind hadden doorstaan en waarin zoveel energie was gegaan. ”The level of morbidity did affect the parent-child relationship, but not by making parents indifferent to their offspring’s fate.” [583]

 

7. 3. 2. De vrouw van de pandlener

 

Een ander element van de werkelijkheid die we graag plaatsten tegenover de waarden die Porquin verkondigde is de verhouding tussen man en vrouw. In het bijzonder betreft het hier de toetsing van het voornoemde patriarchaal beeld aan de huishoudelijke realiteit van het pandhuis. Zoals gezegd hing Porquin in zijn geestelijk testament een conformistisch, patriarchaal beeld op van het gezin en de huishouding. De positie van de echtgenote was hierbij vastgelegd. We verwijzen de lezer naar de paragrafen die Greilsammer hieraan wijdt en naar de passages van Porquin zelf.[584] In het kort kan die ideale verhouding als volgt worden beschreven;

 

“Dus sullen de wijfs haer mans obedieren als den Heere,

Want de man is ‘t wijfs hooft als Christus der gemeente.

En ghy mannen hebt u wijfs lief in deucht in eere /

Ghelijck Christus zijn ghemeente bemint heeft zeere.” [585]

 

De dominantie van de man over de vrouw was evident want in de vrouw schuilden veel meer gevaren. Naar de opvattingen van de tijd was “het zwakke geslacht” veel meer ontvankelijk voor de verleidingen van het kwade. Dit beeld van de inferieure vrouw had een lange geschiedenis en was dus diep verankerd.[586] Het droeg de traditie van het christendom (de zondeval, de ideeën van de Kerkvaders, ondermeer van Augustinus) en van de Oudheid. De vernieuwende ideeën van humanisten zoals Vives, Erasmus of Von Nettesheim die neigden naar de erkenning van de spirituele gelijkheid van de vrouw waren eerder retorische oefeningen dan werkelijke intellectuele projecten. Tenslotte hadden de katholieken en de protestanten in hun onderlinge strijd ook de moeite gedaan om via handboeken hun volgelingen te wijzen op de plichten en de geneugten van het huwelijk maar beide kampen deelden een gelijkaardig beeld van de vrouw. Zoals we verwezen naar de studie van Ozment over de protestantse, patriarchale gezinnen is het duidelijk dat de zestiende-eeuwse christelijkheid er een vrij uniform gezinsbeeld op nahield dat steunde op dezelfde opvattingen over man en vrouw:

 

“Want Adam is ghemaeckt deur Gods bedrijf /

De man en is niet verleyt / mer het wijf.” [587]

 

Het was dus logisch dat de man het huishouden in handen moest houden. Voor de zestiende-eeuwse mens was de vrouw een inferieur mens die gevaarlijk werd als ze niet werd bedwongen door de man, die de rede, de gematigdheid en de kracht in zijn voordeel had. Dit beeld van de vrouw betekende niet dat er geen plaats was voor liefde en genegenheid. We toonden dat een harde pedagogie slechts een aanpak was die wij heden ten dage als weinig liefdevol zouden afdoen maar toentertijd een juiste en attente benadering bleek. Zo was het ook met de relatie tussen man en vrouw. De ondergeschikte positie van de vrouw betekende niet dat er geen sprake was van een affectieve band. Porquin gaf evenveel tekens van oprechte liefde voor zijn vrouw en het huwelijk beschouwde hij als volgt; ”Man en wijf sijn twee sielen in een lijf.” [588] Maar de mogelijkheid van een gelukkig huwelijk van onderling attente en elkaar beminnende personen zat evenzeer in de waarden van de tijd vervat. Hoewel het huwelijk afgeschilderd werd als een moeilijke en gevaarlijke levensstaat, vol dwalingen en voor de Kerk inferieur aan het priesterlijk celibaat, lag voor de tijdgenoten de sleutel tot een gelukkige relatie bij de gelijkheidsnorm.[589] Men voorschreef een gelijkheid in godsdienst, stand, fortuin, leeftijd, inborst en deugdzaamheid. Een homogame partnerkeuze beschermde de mens van grote problemen, zo meende men. De moeilijkheid van het huwelijk was het gevolg van de complexe verhouding tussen man en vrouw, sterk verschillende en ongelijke wezens, de complicaties bij het opvoeden van kinderen en het contrast dat de partners ervoeren met het rooskleurig beeld dat ze ervan hadden toen ze nog jonge tortelduifjes waren.[590] Lowys Porquin weerspiegelde in zijn visie van de ideale partner de gangbare, in oorsprong kerkelijke normen van zijn tijd; een goede vrouw is godsvruchtig, verstandig, onderdanig, werkzaam, zuinig enzovoort.[591] Mits een “goede” vrouw die niet teveel verschilde kon het huwelijk een liefdevolle onderneming worden.

 

Bovendien was de voorgestelde dominantie van de man over de vrouw lang niet werkelijkheid. Zeker in de beroepsactiviteiten was de vrouw een onmisbare medewerkster en bleef het patriarchaal model soms meer een kwestie van perceptie dan van praktijk. Greilsammer stipte de noodzakelijke medewerking van de vrouw aan maar ging hier niet dieper op in.[592] Het vormt in het licht van deze studie van de lombarden nochtans een interessant aspect. Dat Porquin eveneens een sterk geïmpliceerde vrouw waardeerde, zowel thuis als in het kantoor, getuigt ondermeer dit vers;

 

“Sij staet’ s nachts op / en de gheeft haer huysghesin

Voetsel / en haer dienstboden goey provianden.

Sij dijnckt na een ackere / mer dies niet te min

Sij coopt dien tot haer en haers huysghesins ghewin.

Sij plant een wijngaert van de vruchten haerder handen/

Sij sterckt haer ermen en geeft haer lenden vaste banden /

Sij voelt dat de hanterijnghe goet is daer haer toe lust /

Een wijse vrouwens keersse en wert niet wegheblust.” [593]

 

Dat vele middeleeuwse en vroegmoderne vrouwen zeer bedrijvig waren in de zaken van hun echtgenoten werd geattesteerd in zowel de ambacht als in de handel.[594]  In de gilden waren de echtgenotes van de meesters vergaand betrokken in het beroep zonder dat ze daarom ooit zelf kans te maakten op een officiële erkenning of toetreding. In de handelszaken was de vrouw vaak een belangrijk complement voor haar man. Bijgevolg was de identiteit van de vrouwen in deze “mannelijke” beroepen eveneens verbonden aan de professionele bezigheden en dit gold uiteindelijk voor het hele gezin; ”family identity and work identity were linked…” [595] De activiteit van vrouwen in de geldhandel was evenzeer bestaande. Vrouwen leenden op basis van hun eigen beschikbaar kapitaal, waren aanwezig bij grote bankiersfamilies, pandleners en wisselaars en verkoopsters van tweedehandskleren op de markt lieten zich vaak in met pandlening op oude kleren.[596] Op alle niveaus waren vrouwen verwikkeld in het verlenen van productief en consumptief krediet, tot aan de weduwe van de herbergier die in de geërfde herberg woekercontracten sloot.[597] Ook de vrouwen van de lombarden in de Zuidelijke Nederlanden waren onmisbare leden van zowel het huishouden als het pandbedrijf. De voorschriften van Lowys Porquin inzake een ijverige en behulpzame echtgenote, die een handje kon toesteken waar het moest, zien we toegepast in het leven van Bernardin Pisano. Uit de fragmenten die we reeds aanhaalden bleek het al genoeg; Ysabetta stond hem bij in het proces, regelde ook zaken in het pandhuis in Valenciennes via Iradis, hielp haar man bij het lezen van brieven enzovoort. Opmerkelijk is dat Pisano zelf weinig opmerkingen maakte van puur professionele aard. Natuurlijk gaf hij zijn gezel informatie en advies over de stand van zaken en over het beheer van de leentafel. Zo verwittigde hij bijvoorbeeld dat ene Siribert kwam om de rekeningen op te maken[598], vroeg hij aan Iradis hoeveel hij de personeelsleden Pieracino en Staminetta moest betalen[599] of beval hem een register op te sturen.[600] Op meerdere ogenblikken vroeg hij wat geld te versturen en telkens opnieuw gebruikte hij Iradis als tussenpersoon om informatie door te spelen naar zijn vriend Poteri of gewoon om de groeten te doen aan het thuisfront. De brieven van Ysabetta bevatten veel concretere bevelen en adviezen en als we de twee correspondenties naast elkaar leggen lijkt het wel of zij het huis in handen had. Gezien hun juridische verwikkelingen en het tijdsgebrek van haar echtgenoot kan men zich voorstellen dat hij de eigenlijke leiding van het pandhuis overliet aan haar. Maar de evidentie en het gemak waarmee dit gebeurde verraadt wel dat Ysabetta in feite al altijd sterk bezig was met alles wat gebeurde onder hun dak. Zeker in haar brief van 18 februari 1551 regelde ze meerdere praktische zaken in verband met de leentafel. Het is ongetwijfeld de moeite waard deze passage te lezen;

 

Bastien, j’ay receue la vostre ensamble aultre lettre que avez donné à  celle femme où il y avoit une requeste dedans. Et quant à ce que me escripvez de celle femme qui avoit une borsse où il y avoit faulte de deux anneaux je la ay contentée en la presence de ce Vivarier, que scavez celluy homme long et brun qui vient souventeffois à la table. L’ay en demandéez car en sa presence à este contentée. Par ce qui [sic: que] si son anneau venist, le luy rendroye. Et quant les anneaux furent venuz, les ay monstrez audict Vivarier devant les avoir monstrez à quelque aultre personne mais il m’a declaré sur sa conscience qu’il ne les cognoissoit. Si la fatroilleresse[601] ne eust este contente elle ne me eust rendue son billet. Vous dictes eu trois florins que luy auroye donné mais qu’elle y pense bien que luy ay donné cincq florins pour les deux anneaux. Mais il ne luy en fault parler car elle a esté contente comme il appert par m’avoir rendu son billet. Et quant à ce que me escripvez de une turquoise je vous diz que n’ay aucune turquoise ne aultre anneau qui appartiegne à quelcun. Il est besoin que luy faictes faire serment es mains nostre curé combien il peult valoir et payer le moings qu’il est possible. Il la faut contenter avecq le moings que on pourra. Et quant à ce que me dictes que avez receu quatre escuz de grande callote de ces deux sayons il va bien mais c’est trop bon marché. Mais puis que l’avez vendu on n’y peult remedier. Touchant l’homme de Paris que dictes qu’il vouldroit son argent je vouldroye qu’il les eust. Luy direz que ce n’est par nostre faulte et que sommes en court pour avoir une fin de noz affaires, qu’il m’en desplaist jusques au coeur qu’il ayt tant attendu mais j’espaire en Dieu de brief en avoir la fin puis que sommes es mains de la justice, soit à tort soit à droict. Il n’en a la fin qui vouldroit patience. Par force ceste fois il nous touche. Priez luy de nostre part qu’il ayt encoires ung peu de patience. [602]

 

In één brief regelde ze vier of vijf zaken! Het eerste betreft een vrouwelijke postbode die gestuurd was door Ysabetta om een pakket brieven te brengen naar haar man maar dat niet deed.[603] Pisano had Iradis gevraagd om die vrouw te vinden en haar weer op pad te sturen. Iradis volbracht die opdracht en Ysabetta bevestigde in deze brief dat die vrouw haar nu ook een brief van Iradis had gebracht. Ten tweede had Iradis een probleem met een klant die twee ringen terugeiste omdat ze naar haar zeggen tekortschoten in de beurs (vermoedelijk met juwelen in) die ze als pand had gelaten. Ysabetta zei de zaak in orde te hebben gebracht door haar mits aanwezigheid van een getuige (ene Vivarier) twee ringen terug te geven. De vrouw was tevreden en gaf haar lommerdbriefje in. Iradis had ook vragen in verband met een turkooisring, voor zover we verstaan van nog een andere klant. Aangezien Ysabetta geen weet had van een turkooisring stelde ze voor de vrouw onder eed bij de priester de waarde te laten bepalen van de verloren ring en er zo goedkoop mogelijk van af te geraken. Vervolgens achtte ze de verkoopprijs van twee mantels te laag maar het was al te laat, zei ze, Iradis had ze al verkocht. Tenslotte wilde ze zich verontschuldigen bij de “man van Parijs” die nog steeds op zijn geld wachtte. Ze regelde hier dus met de gezel heel wat geldzaken. Dit illustreert ten volle de rol van de vrouw in het beroep van de man. Op andere momenten was Ysabetta bezig met de boekhouding. Ze wist bijvoorbeeld Iradis te leiden naar het register van Scipio zodat hij kon nagaan hoeveel ze moesten betalen aan de bisschop. Ze informeerde hem ook over de modaliteiten van een eventuele overdracht van de kassa aan de stedelijke ambtenaar Jean Denis.[604] Indien de Grote Raad het toezicht op de kassa toewees aan Jean Denis dan mocht Iradis niet vergeten te tellen en Denis een fooi te geven. En zoals we al zegden regelde ze tevens als een deugdzame huismoeder het huishouden door te letten op de uitgaven.

 

7. 3. 3. De weduwe van de pandlener

 

Een bijzondere positie in het spectrum van de werkende vrouw in het Ancien Régime werd ingenomen door de weduwe. Dat weduwen de zaak, in de ambacht of de handel, van hun overleden echtgenoot verder zetten werd doorgaans getolereerd voor zover ze voorzagen in hun overleving maar professionele ambities die verder reikten werden meestal gefnuikt.[605] Overeenkomstig de patriarchale visie op de samenleving en het gezin verkoos men huishoudens onder de leiding van een man. Weduwen vormden een probleem in de maatschappij van de Nieuwe Tijden want ze werd bekeken als een dreiging en tegelijkertijd waren ze vaak economisch fragiel.[606] Veelal hertrouwden ze, in de eerste instantie met een alleenstaande schoonbroer, of vielen ze terug op de steun van hun eigen broers. Een tweede huwelijk kon leiden tot een zogenaamde ”blended family”, een gemengd gezin, waar vlug spanningen ontstonden tussen de kinderen van het eerste huwelijk en de nieuwkomers. [607]  De eersten zagen hun erfenis overgeheveld naar hun stiefvader en diens kinderen. Om die en andere uiteenlopende redenen beleefde een vrouw die haar echtgenoot was verloren soms liever haar weduwschap ten volle, vooral als ze een goede levensstandaard behield.[608] Het voornaamste motief bleef natuurlijk dat ook in zo’n geval de onderwerping aan een nieuwe man het verlies betekende van haar economische onafhankelijkheid en de toekomst van haar eigen kinderen in gevaar kon brengen. Maar het wijdverspreid beeld van de weduwe was wars van connotaties. In de Franse literatuur van de zestiende eeuw was de weduwe steeds een seksbeluste vrouw, die spoedig haar kinderen verwaarloosde en de eer van haar overleden echtgenoot schond door haar losbandig gedrag.[609] Dus ook in de dood werd de reputatie van de heer des huizes bepaald door het gedrag van zijn vrouw. Omwille van dit denkbeeld was het moeilijk om door te gaan als een “goede” weduwe, die leefde in de pure nagedachtenis van haar aanbeden man. Bijgevolg namen één op vijf weduwen een nieuwe echtgenoot.[610] Ook in Engeland, waar de weduwen minder zouden hebben geleden onder het juk van de mannelijke dominantie, werden ze afgeschilderd als onredelijk, wellustige femmes fatales.[611] Maar ze werden des te meer gestimuleerd, onder meer op basis van