| De Zusters van Liefde van Jezus en Maria en het eerste Belgische asiel voor zwakzinnige meisjes: Sint-Benedictus te Lokeren (1887-1921). (Katrien Boone) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
3. Deel II: Sint-Benedictus, asiel voor zwakzinnige meisjes, te Lokeren
3.3 Hoofdstuk III: De patiënten in Sint-Benedictus
In dit hoofdstuk gaan we dieper in op het aantal in Sint-Benedictus opgenomen patiënten, de reden van hun opname, hun socio-geografisch profiel en de medische behandeling en diagnose.
We baseerden ons hiervoor op de jaarverslagen van 1887 tot 1921 en de patiëntendossiers van de jaren 1887, 1892, 1897, 1902, 1907, 1912, 1917 en 1921. Het was immers onbegonnen werk om alle patiëntendossiers exhaustief door te nemen. De gegevens uit de patiëntendossiers gebruikten we als statistisch materiaal om te concretiseren.
3.3.1.1 Het aantal patiënten in de instelling
3.3.1.1.1 De totale bevolking t.o.v. het door de overheid toegelaten aantal
Het Sint-Benedictusinstituut werd op 9 november 1886 via een Koninklijk Besluit door de overheid erkend. Op 5 januari 1887 werd de eerste patiënte, Irène B. uit Melle, in het asiel opgenomen. Ze was toen 5 jaar. Volgens het arrest van 30 november 1886 had de instelling een maximumcapaciteit van 75 behoeftigen en 25 betalenden. Het aantal patiënten groeide gestadig. Eind 1887 waren er al 55 meisjes in Sint-Benedictus opgenomen.
De instelling kreeg naam en het aantal opnames groeide aan. In 1890 waren er al 105 patiënten opgenomen, wat een overschrijding van het maximum toegelaten aantal was.
De overheid reageerde meteen. Kanunnik Roelandts ontving op 8 december 1890 een brief van de Minister van Justitie met de eis zijn instelling aan te passen. Er mochten maximum 75 behoeftigen opgenomen worden, en er waren er al 92! Hij moest ervoor zorgen dat er meer ruimte was en een aparte afdeling voor zowel de epileptici als de onzindelijken[253] voorzien.
Het zou echter nog tot 1893 duren voordat de instelling de toelating kreeg om zijn opnamecapaciteit tot 275 behoeftigen en 25 betalenden te verhogen.[254] Intussen eiste de overheid dat de eigenaar van het asiel de plannen aanpaste. Het Ministerie van Justitie koppelde nog allerlei voorwaarden aan de verbouwingen vast vóór het aantal patiënten kon verhoogd worden. Zo eiste de gouverneur op 28 juni 1892 van Roelandts dat er bliksemafleiders zouden geplaatst worden. Zolang dit niet in orde was, kon een verhoging van de opnamecapaciteit niet worden toegestaan.[255] Toch bleef de instelling meer patiënten dan toegelaten opnemen: eind 1892 waren er 166 patiënten in het asiel. De gestadige groei van de vraag tot opname had waarschijnlijk grotendeels te maken met een verandering in de regelgeving. De wet van 27 november 1891 zorgde er immers voor dat voor de gemeenten de financiële last, die gepaard ging met het plaatsen van geesteszieken in instellingen, aanzienlijk verminderde[256].
Amper 3 jaar na het arrest tot verhoging van de opnamecapaciteit overschreed het asiel deze norm opnieuw: eind 1896 waren er al 335 patiënten in Sint-Benedictus. Ook nu bleef de reactie van de overheid niet lang uit. Op 23 maart 1897 ontving kanunnik Roelandts een brief van de minister: ‘Ondanks de vergrotingen is uw instelling onvoldoende groot voor de opvang van 340 kinderen. Er zijn er maar 300 toegelaten.’[257] Het lijkt dat de congregatie niet echt happig was om onmiddellijk op deze eis in te gaan. Waren er financiële belemmeringen? De kloostergemeenschap van Lokeren had zelf nauwelijks voldoende inkomsten en moest beroep doen op het moederhuis voor de zware financiële investeringen.[258] Het duurde tot 11 mei 1900 voor we in de briefwisseling van de overheid een arrest vinden met de goedkeuring om nieuwe werken uit te voeren. De aanvraag hiertoe had Roelandts pas op 5 januari 1900 gedaan.
Op 11 mei 1902 keurde de overheid het verhogen van de opnamecapaciteit naar 400 behoeftigen en 25 betalenden goed. Intussen waren er eind 1902 in het asiel al 418 patiënten opgenomen. De populatie in het asiel bleef stijgen.
In 1907 waren er 444 patiënten, opnieuw een eind boven het maximum toegelaten aantal van 400 behoeftigen en 25 betalenden.
We vonden geen brief van de overheid die een verdere overschrijding van de maximale opnamecapaciteit verbood. In het memoriaal lezen we wel dat er in augustus 1908 vijftig aanvragen tot opname werden geweigerd wegens ‘encombrement’[259]. Bovendien berichtte mère Idonie op 8 september 1908 aan de burgemeester van Gent dat ze de opname van nieuwe patiënten moest stopzetten omdat de minister had opgemerkt dat de populatie de autorisatie overschreed.[260] De overheid keek nauwgezet toe op de populatie in de asielen.
Op 1 mei 1910 tenslotte ontving Sint-Benedictus de toestemming om maximum 500 behoeftigen en 25 betalenden te verzorgen. In 1911 werden er 507 patiënten verzorgd. Dit aantal zou de komende jaren niet meer overschreden worden. In 1920 waren er nog 506 patiënten in het asiel opgenomen. Eind 1921 waren er 497 kinderen in Sint-Benedictus, na de overbrenging van de 46 onopvoedbare idiote kinderen naar Sint-Denijs-Helkijn.
3.3.1.1.2 Het aantal opnamen, vertrekken en overlijdens in de instelling
3.3.1.1.2.1 Opnamen
Het aantal opnamen per jaar werd niet door overheidsmaatregel, noch door een intern reglement bepaald. Het aantal was eigenlijk willekeurig en afhankelijk van de vrijgekomen ruimte in de instelling. Een van de beperkingen was wel dat de maximale opnamecapaciteit niet werd overschreden, zoals blijkt uit het voorgaande deel.

In de onregelmatige opnamecurve kunnen we een bepaalde tendens terugvinden.
In 1889 zien we een halvering van het aantal opnamen. Dit heeft te maken met het feit dat de instelling van de overheid niet meer dan 75 behoeftigen en 25 betalenden mocht opnemen. Ondanks die geringere opname werd die norm in 1890 reeds overschreden, waardoor de instelling in december 1890 door de overheid op de vingers werd getikt.
De volgende jaren schommelden de opnamen opnieuw tussen 50 tot meer dan 100 per jaar.
Pas in 1914 zien we opnieuw een halvering van het aantal opnamen. Dit heeft niet te maken met het overschrijden van de toegelaten norm, maar met het uitbreken van de oorlog. Vooral in de jaren 1915 en 1917 lag het aantal opnamen heel laag, respectievelijk 14 en 8 kinderen. De meest logische verklaring is dat de ouders in deze donkere periode de kinderen het liefst zo dicht mogelijk bij zich hadden. Toch daalde de populatie in de instelling tijdens de oorlogsjaren niet spectaculair: het totaal aantal patiënten lag tussen de 360 tot meer dan 400 kinderen.
Na de oorlog zien we opnieuw een enorme stijging in de opnamecurve. De piek situeert zich in 1919 met 209 opnamen. Ook in de twee laatste jaren van Sint-Benedictus als asiel bleef de instelling relatief veel kinderen opnemen: 150 in 1920 en 120 in 1921.
Wanneer we in de bestudeerde jaren nagaan in welke maanden de opnamen gebeurden, zien we een vrij gelijke spreiding over het ganse jaar.
3.3.1.1.2.2 Vertrekken en overlijdens
Een overzicht van het aantal vertrekken en overlijdens vinden we op onderstaande curve.

Het aantal vertrekken
Als we de op bovenstaande curve het aantal vertrekken bekijken, merken we pieken in 1908 en 1912, toen er respectievelijk 83 en 91 patiënten de instelling verlieten. Heeft dit te maken met de door de overheid opgelegde norm? In 1908 konden, volgens de bronnen, geen kinderen meer worden opgenomen omdat de norm van 425 was overschreden. Eind 1907 waren er al 444 kinderen in het asiel opgenomen. De overheid had kritiek op deze overbevolking van het asiel. Toen in 1910 de opnamecapaciteit tot 525 (500 behoeftigen en 25 betalenden) werd verhoogd, werd deze nieuwe norm waarschijnlijk angstvallig in het oog gehouden, wat een verklaring kan zijn van het hoog aantal vertrekken in 1912. De populatie liep eind 1911 al op tot 507 patiënten.
Een nog hoger aantal vertrekken dan in 1908 vinden we in 1921, maar dit is de verklaren door de omschakeling van Sint-Benedictus tot een medisch-pedagogisch instituut, waardoor 46 onopvoedbare idiote meisjes naar Sint-Denijs-Helkijn werden overgebracht.
Dat er tijdens de laatste twee oorlogsjaren weinig of geen[261] kinderen het asiel verlieten, heeft alles te maken met de bezetting en het belemmeren van vrije doorgang van personen naar andere streken van dit bezette land. Ook de voedselschaarste en de gevaren van de oorlog zullen een belangrijke rol hebben gespeeld. Veel ouders konden zichzelf ternauwernood voeden en vonden het goed dat de zusters zich over hun kinderen ontfermden
3.3.1.1.2.2.1 het aantal overlijdens
Als we op onderstaande curve het aantal overlijdens bekijken, zien we maar een paar uitschieters.

Als we de verhouding van het aantal overlijdens tegenover de populatie per jaar bekijken, komt het percentage overlijdens enkel in 1892, 1893, 1899 en 1917 boven de 10% van het totale bevolkingsaantal uit. Als we de pieken bekijken, merken we vooral in 1892 een hoog sterftecijfer van 18 %. Op de 129 patiënten waren er 30 overlijdens ten gevolge van een ziekte. Van de overleden patiënten waren er 22 onder de 16 jaar. Dat jaar was er een epidemie van griep en ‘cogneluche’. Aan vormen van tbc, brochitis en /of griep overleden toen 22 kinderen.
In 1893 overleed 12% van het aantal patiënten. Op de 166 patiënten overleden er 25 aan één of andere ziekte. Aan tbc overleden 11 kinderen dat jaar, terwijl ook 4 kinderen stierven ten gevolge van stuipen. In het jaarverslag van 1893 werd geen melding van een epidemie gemaakt.
Ook in 1899 was het percentage overlijdens bij de kinderen van Sint-Benedictus 12%. Het jaarverslag van 1899 vermeldt een epidemie van rodehond en vooral van tyfuskoorts. Op de 360 patiënten stierven er dat jaar 43 ten gevolge van een ziekte. Daarvan overleden 10 kinderen tengevolge van de tyfusepidemie. Deze epidemie trok de aandacht van de overheid. In een brief van oktober 1899 lezen we dat een dokter van de medische commissie van Dendermonde naar Sint-Benedictus gestuurd werd om poolshoogte te nemen. Vanuit deze commissie gingen aanbevelingen uit in verband met de hygiënische en voorbehoedende maatregelen die tegen een verdere tyfusbesmetting moesten genomen worden. De bacteriologische analyse van de waterputten te Sint-Benedictus wezen echter op niets verdachts[262].
Een laatste piek in het aantal overlijdens zien we in het jaar 1917. Toen stierven er 46 van de 379 aanwezige patiënten, dit is opnieuw een percentage van 12%. 1917 was voor een groot deel van de Belgische populatie een zwart oorlogsjaar. De voedselbevoorrading verliep heel stroef en ook in Sint-Benedictus geraakten de zusters niet meer aan voldoende voedzame producten voor de kinderen. Bovendien, zo lezen we in het jaarverslag van 1917, heerste er een griepepidemie. In dat jaar stierven 21 patiënten aan tbc.
3.3.1.2 Opnameleeftijd
Bij de opening van Sint-Benedictus kreeg de instelling van de overheid de toelating om meisjes van 4 tot 18 jaar op te nemen. We bekijken de gegevens van de door ons bestudeerde jaren om ons een beeld van de gemiddelde opnameleeftijd van de meisjes in Sint-Benedictus te vormen.
3.3.1.2.1 Het jaar 1887

In 1887 werden er 55 patiënten opgenomen. De leeftijd bij aankomst in Sint-Benedictus was in 1887 gemiddeld 9 jaar.
Meer dan de helft van de opgenomen meisjes was 12 jaar of ouder. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat Sint-Benedictus de eerste instelling voor krankzinnigen in België was waar alleen kinderen onder de 18 jaar werden opgenomen. Drieëntwintig van deze kinderen waren voordien opgenomen in andere instellingen, zoals het hospice voor ongeneeslijken te Lovendegem, het krankzinnigengesticht voor vrouwen te Gent of het ‘maison de santé’ te Sint-Truiden.
3.3.1.2.2 Het jaar 1892

In 1892 werden er 74 patiënten [263] in Sint-Benedictus opgenomen. De leeftijd bij opname was toen gemiddeld 11 jaar. Eigenaardig is dat meer dan de helft van de meisjes bij hun opname ouder was dan 12 jaar. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat deze meisjes, hoewel oud genoeg, onbekwaam waren om thuis of elders te werken of het huishouden te doen. Misschien hoopten de ouders dat deze kinderen na een paar jaar verzorging bij de zusters hiertoe wel in staat zouden zijn...
Zelfs twee
oudere meisjes (van 18 en 19 jaar) werden in het asiel opgenomen.
Het negentienjarige meisje, Julie L.[264],
was betalend en gedomicilieerd te Edingen. Haar moeder ging akkoord om 1 frank
per dag te betalen, hoewel ze het niet zo breed had, zo stelde de tante van
Julie in een brief aan de directrice van Sint-Benedictus. Het meisje werd in
Lokeren geplaatst op verzoek van de overste van Bergen, eveneens lid van de
Zusters van Liefde. Het kind was eerder samen met de vader opgenomen in een
asiel voor wezen en ouderen. Toen de vader gestorven was, werd het meisje naar
de moeder gestuurd. De zus van de moeder bemiddelde bij de overste van Mons om
haar dochter in Lokeren te laten opnemen. Volgens de overste (van de
Franciscanessen) van het hospice waar Julie samen met haar vader was opgenomen,
was het meisje niet gevaarlijk en gaf ze veel vriendschap. Volgens haar medisch
dossier leed ze aan idiotie. Haar prognose was ongeneeslijk. Haar intellectuele
capaciteit was nihil. De eerste dagen van haar opname in Sint-Benedictus was ze
zeer opgewonden, vooral ’s nachts. Ze sloeg zelfs met haar hoofd tegen de muur
van agitatie. De jonge vrouw verbleef nog meer dan tien jaar in Sint-Benedictus.
Ze werd pas in 1903 naar de instelling van de Zusters van Liefde te Bergen
overgeplaatst. Ze was toen al 30 jaar!
De 18-jarige Marie L.[265] werd eind 1892 ‘à titre d’essai’ opgenomen in Lokeren, op vraag van de gemeente Forchies-la-Marche bij Charleroi. Volgens het vertrouwelijk bulletin zou ze ten opzichte van haar ouders gewelddadig geweest zijn. Vandaar dat de ouders het noodzakelijk vonden om haar uit de familiekring te laten verwijderen. Het meisje kreeg immers woede-aanvallen waardoor ze gevaarlijk werd. De eerste verschijnselen van deze mentale ziekte zouden zich op de leeftijd van 3 jaar hebben voorgedaan, maar pas de laatste vier maanden werd het noodzakelijk gevonden het kind te laten opnemen. De ziekte zou - volgens het vertrouwelijk bulletin - veroorzaakt zijn door ‘ la peur occasioné par un chien’. In het medisch dossier van Marie L. lezen we als diagnose: idiotie, gecompliceerd door epilepsie. De prognose gesteld door Van Neste was ‘incurable’. Het meisje kon lezen noch schrijven. Ze verbleef amper 1 jaar in Sint-Benedictus. Volgens het medisch dossier verergerden de epileptische aanvallen. Ze stierf in oktober 1893 ten gevolge van stuipen en tbc.
3.3.1.2.3 Het jaar 1897

In 1897 werden 88 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen. De leeftijd bij aankomst was toen gemiddeld 10 jaar. Drieënveertig van de achtentachtig opgenomen patiënten was 12 jaar of ouder. Van één van de meisjes was de leeftijd onbekend. Het gaat om Marie B[266]. Ze was een achtergelaten kind. Ze dwaalde door de straten van Luik, toen ze door een schilder werd gevonden. Ze kon niet antwoorden op vragen over haar identiteit. Volgens het vertrouwelijk dossier werd ze herkend door de directrice van het asiel voor krankzinnige vrouwen als Marie B. uit Blegny. Er werd aan de moeder van het kind en aan de burgemeester van Blegny gevraagd om het meisje te komen halen. Geen van beide antwoordde op deze aanvraag. De directrice van het asiel kon niet meer voor het kind zorgen. Daarom vroeg het Weldadigheidsbureau van Luik aan om het kind in Sint-Benedictus te laten opnemen. Het meisje kreeg als diagnose idiotie. Ze had een zwakke gezondheid en was onzindelijk. Ze stierf in 1901 aan tbc.
3.3.1.2.4 Het jaar 1902

In 1902 werden er 90 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen. De leeftijd bij aankomst was gemiddeld 9 jaar. Maar één derde van de opgenomen patiënten ouder was dan 12 jaar. In vergelijking van de vorige jaren werden meer jongere kinderen opgenomen.
Een van de kinderen, Marie R.[267], was zelfs nog geen drie jaar oud bij opname. Nochtans mocht Sint-Benedictus maar kinderen van 4 tot 18 jaar opnemen. Over de achtergrond van dit kind hebben we niets kunnen achterhalen, aangezien de vertrouwelijke bulletins voor het jaar 1902 volledig in het archief ontbreken. Het meisje kreeg als diagnose idiotie en als prognose ongeneeslijk. Volgens haar medisch dossier had ze een goede gezondheid. Ze kon niet zelfstandig eten en ze was onzindelijk, wat eigenlijk niet ongewoon was, gezien haar leeftijd. Ze was opvliegend en sloeg met haar hoofd tegen het meubilair. Ook de verdere jaren bleef het meisje onrustig en geagiteerd, zo lezen we in de maandelijkse opmerkingen door Van Neste in haar dossier genoteerd. Op 19-jarige leeftijd stierf ze in Sint-Benedictus aan tbc.
3.3.1.2.5 Het jaar 1907

In 1907 werden er 89 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen. De leeftijd bij aankomst was gemiddeld 9 jaar. Ook ditmaal was amper 1/3 van de nieuw opgenomen patiënten ouder dan 12 jaar. De tendens van ‘verjonging’ bij opname zette zich dus verder. Voor de opname in het asiel van behoeftige jonge kinderen stelde zich wel een probleem: tweemaal vinden we in het vertrouwelijk dossier dat het kind niet ten laste kon komen van het Gemeenfonds zolang het de leeftijd van 6 jaar niet had bereikt. Beide kinderen werden wel in het asiel opgenomen. Wie het onderhoud van deze kinderen betaalde zolang ze de gerechtigde leeftijd niet hadden bereikt, hebben we niet kunnen achterhalen.
In 1907 werd maar tweemaal een meisje van 17 jaar opgenomen. Een van die opnamen was een schrijnende zaak. Ismère B[268]. had haar moeder verloren en haar vader leed aan alcoholisme. Het meisje was, zo vertelde haar broer, twee maanden vóór haar opname in het asiel slachtoffer van een aanranding geweest. De kinderen leefden in grote ellende, zo zonder ouders. Ismérie B. was gedomicilieerd in Marchienne-au-pont, maar ze was geboren in Frankrijk. Volgens haar medisch dossier was haar diagnose idiotie/ imbeciliteit en de prognose gunstig. Haar gezondheid was zwak en ze was onzindelijk. Bovendien liep ze moeilijk. Het jaar dat ze in de instelling verbleef, kreeg ze regelmatig woede-aanvallen. In de klas maakte ze geen vooruitgang. Op aanvraag van het Ministerie van Justitie werd het meisje in 1908 overgebracht naar Bailleul, in Frankrijk. We hebben niet kunnen achterhalen of ze in een instelling (in Bailleul) of bij familie werd ondergebracht.
3.3.1.2.6 Het jaar 1912

In 1912 werden er 116 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen. De gemiddelde leeftijd was eveneens 9 jaar. Ook in 1912 zien we duidelijk dat er vooral kinderen onder de 12 jaar werden opgenomen.
Enkel Marie D.B.[269]uit Beirlegem was 17 jaar toen ze in Sint-Benedictus werd opgenomen. Haar sociale achtergrond is ons niet duidelijk, want ook van de opnamen in het jaar 1912 is er geen enkel vertrouwelijk dossier in het archief voorhanden. Volgens haar medisch dossier was Marie idioot of imbeciel. Haar prognose was ‘améliorable’. Ze leefde, vóór haar opname in het asiel, bij haar ouders. Ze was echter heel opvliegend en ongehoorzaam. Ze bracht haar omgeving schade toe. Waarschijnlijk was dat de reden waarom haar opname werd aangevraagd. Over de eerste 5 dagen in Sint-Benedictus noteerde Van Neste dat het meisje een goede gezondheid had, maar onvoldoende intellectueel was ontwikkeld. Bovendien was ze onverschillig en lui. In de beschrijving van de verdere medische evolutie lezen we dat ze de eerste maanden nog brutaal en nerveus was. Bovendien maakte ze zich schuldig aan diefstal en kon ze er weinig toe aangezet worden om huishoudelijk werk te verrichten. Het volgende jaar zou ze zich, volgens haar dossier, meer op huishoudelijke taken hebben toegelegd. Ze bleef echter vaak brutaal en nonchalant. In 1914 lezen we in haar dossier: ’passionnée par les hommes’... Hier stopt het dossier. Misschien bracht ze een deel van de oorlogsjaren thuis door? Ofwel bleef ze in het asiel, zonder dat de arts haar dossier verder aanvulde? In haar dossier lezen we nog dat ze verbeterd was en op 26 maart 1917 naar Caritas in Melle werd overgebracht.
3.3.1.2.7 Het jaar 1917
In 1917 werden er maar 8 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen. Dit jaar is bijgevolg niet representatief voor de evolutie van de opnameleeftijd in Sint-Benedictus. Het eerste van de acht patiënten werd pas in juni opgenomen.
3.3.1.2.8 Het jaar 1921

In 1921 werden er 120 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen. De leeftijd bij aankomst was toen gemiddeld 11 jaar. We zien dat meer dan de helft van de patiënten bij opname ouder is dan 12 jaar. Toch is er een vrij gelijke spreiding in leeftijd: maar 61 kinderen van de 120 zijn ouder dan 12. Wellicht heeft deze ‘verhoging’ van de opnameleeftijd te maken met het beter opvolgen van de wet op de leerplicht en de oprichting van de ‘nieuwe’ huishoudschool in Sint-Benedictus. Ook de wet van 1920, waardoor ‘achterlijke’ kinderen niet krankzinnig meer moesten verklaard worden om in het asiel opgenomen te worden, speelde een rol.[270].
3.3.1.2.9 Besluit
Als we het geheel van de steekproeven overschouwen, zien we een zekere evolutie wat betreft de opnameleeftijd in Sint-Benedictus als asiel. De eerste vijftien jaren ligt de opnameleeftijd vrij hoog. De helft tot meer dan de helft van de nieuw opgenomen patiënten is twaalf jaar of ouder. In 1902 en de jaren nadien zien we een verlaging van de opnameleeftijd: slechts 1/3 van de patiënten is 12 jaar of ouder. Na de oorlog is er weer een evolutie naar een verhoging van de opnameleeftijd: in 1921 is opnieuw meer dan de helft van de opgenomen patiënten 12 jaar of ouder.
3.3.1.3 Het verlaten van de instelling: leeftijd, verblijfsduur en reden van vertrek
3.3.1.3.1 Patiënten opgenomen in het jaar 1887
In 1887 werden er 55 patiënten in het asiel te Lokeren opgenomen.
3.3.1.3.1.1 Leeftijd van de patiënten bij het verlaten van de instelling

Uit de grafiek blijkt dat meer dan de helft (33 op 55) van de patiënten de instelling verlieten als ze achttien waren of ouder. Dit is normaal aangezien Sint-Benedictus een instelling was die kinderen van 4 tot 18 jaar mocht verzorgen. Daarom veronderstelden we dat de meeste patiënten op achttien jaar naar een andere instelling zouden worden overgebracht. Dit blijkt niet het geval te zijn: meer dan 1/3 van de patiënten verliet de instelling op twintigjarige leeftijd of ouder. De reden hiervoor ligt voor de hand: de zusters waren ingenomen met werkzame patiënten die konden ingeschakeld worden in het bewaken en verzorgen van de andere patiënten in de instelling.
De in 1887 opgenomen Marie V.H. uit Ursel[271] werd pas in 1908 overgeplaatst naar Caritas in Melle, het krankzinnigengesticht voor vrouwen van de Zusters van Liefde. Ze was toen al 36 jaar! Toen ze als behoeftige pas in het asiel werd opgenomen, was de diagnose van de arts idiotie of imbeciliteit. Volgens de prognose was ze wel ontvankelijk voor een zekere opvoeding. In het attest van de plaatselijke dokter werd het 15-jarig meisje beschreven als een kind met hangende lippen en een mond waaruit speeksel ontsnapte. Ze had een vage blik en sprak moeilijk. Haar vocabularium en geheugen waren beperkt en ze was zich niet bewust van enig gevaar. Volgens haar medisch dossier was het meisje ’s nachts onzindelijk. In de loop van het jaar 1887 profiteerde ze weinig van de opleiding die haar werd gegeven, ze was koppig en treiterde de andere kinderen. Ze was goed in gymnastiek en legde zich toch een beetje toe op handenarbeid. In de loop van 1888 werd Marie gedienstiger. Ze leed wel aan een hoornvliesontsteking. In 1889 werd ze behandeld voor deze oogontsteking in het instituut voor ‘ophtalmologie’ te Gent. Ze was heel werklustig, maar leed nog aan ‘kératide’. In de loop van 1890 was ze niet meer incontinent. De volgende jaren bleef Marie last hebben van haar oogziekte, maar ze was kalm en werklustig. Ze leerde een beetje in de klas. In 1894 werd ze meid in de instelling, want er kon haar in de klas niets meer geleerd worden. Marie was toen 22 jaar. In 1908 werd ze overgeplaatst naar Caritas. Waarschijnlijk werd ze ook daar ingeschakeld voor het huishoudelijk werk. Marie is een voorbeeld van een patiënte die na verzorging en opleiding in staat was als meid in de instelling te blijven werken.
Als kinderen op jongere leeftijd (onder de 18 jaar) de instelling verlieten, was dit vaak omdat ze door de ouders werden opgeëist. Dit gebeurde soms na amper een jaar, waarschijnlijk kon het gezin het niet gewoon worden om het kind in de instelling achter te laten.
Bij deze kinderen, die volgens de grafiek op jongere leeftijd de instelling ‘verlieten’, waren er ook heel wat die in Sint-Benedictus overleden.
3.3.1.3.1.2 Duur van het verblijf

Meer dan de helft van de kinderen verbleef minder dan 5 jaar in het asiel. We moeten voor ogen houden dat een hoog aantal kinderen in de instelling overleed. Bovendien kon de familie het niet altijd gewoon worden om het kind te moeten achterlaten en werd het patiënte soms na amper een paar maanden teruggehaald.
Tien kinderen (ongeveer 1/5) verbleven meer dan 10 jaar in de instelling. De meeste van deze meisjes werden uiteindelijk overgebracht naar een instelling voor volwassen vrouwen.
3.3.1.3.1.3 Reden van vertrek
Telkens een zwakzinnige de instelling verliet, moest de reden daarvan in het medisch register genoteerd worden. Met deze gegevens hebben we volgend schijfdiagram kunnen maken.

Wat hier opvalt, is dat vijfenveertig procent van de patiënten in 1887 opgenomen, in het asiel overleed.
Drieëndertig procent van de patiënten werd naar een andere instelling overgebracht. Het ging hier altijd over een instelling voor volwassen krankzinnigen, zoals Gent, Sint-Truiden of Geel.
Achttien procent van de kinderen werd vroegtijdig door familie of overheid teruggehaald. De reden hiertoe was niet altijd duidelijk uit het dossier af te leiden.
Soms haalden de ouders het kind al na de eerste 5 dagen (na de verplichte observatie door de gestichtsarts) terug. Zo lazen we het verhaal van Clementine P.[272] uit Gent. Ze was zes jaar toen ze in Sint-Benedictus werd opgenomen. Ze kwam uit een arm gezin en haar vader was alcoholist, zo vertellen de vertrouwelijke documenten. Volgens haar medisch dossier was ze idioot geboren. Haar mentale ziekte was ‘veroorzaakt’ doordat haar moeder tijdens haar zwangerschap in het water was gevallen en hierdoor een ‘frayeur’ opliep. Dit is een interessant bewijs van de ‘gebrekkige’ kennis van zelfs ‘medici’ op het gebied van de psychiatrie. Ze was heel zwak van gestel. Ze kon bijna niet slikken en haar onderste ledematen waren ‘uitgeteerd’. In haar dossier vonden we een brief van haar moeder aan het Weldadigheidsbureau van Gent met de eis om het kind terug te geven. De ouders kwamen het kind na 5 dagen inderdaad ophalen. In 1888 werd het meisje echter opnieuw in Sint-Benedictus opgenomen. In een brief van het Gentse Weldadigheidsbureau aan de directrice van Sint-Benedictus gericht, lazen we een verklaring voor deze nieuwe aanvraag tot opname. De moeder had het kind teruggehaald omdat de oudere zus voor het onderhoud van Clementine zou instaan. Een jaar later trouwde die zus. Het gezin was een inkomen kwijt en de moeder moest naar de fabriek om dit inkomen te compenseren. De twee andere kinderen waren nog te jong om op Clementine toezicht te houden. Daarom kon het gezin niet anders dan Clementine opnieuw te laten opnemen. Hieruit blijkt dat de moeder[273] het vaak emotioneel enorm moeilijk had om een kind in een asiel te laten opnemen, maar dat opname vaak een kwestie van overleven was voor gezinnen die op de armoedegrens leefden.
Ook de overheid eiste een in 1887 opgenomen patiënte op. Het betrof een Italiaans kind dat ten laste was van de Belgische staat. Het 11-jarig meisje werd in 1888 door de Italiaanse regering opgeëist en naar een ‘maison de santé’ in Novare overgebracht[274].
Slechts vier procent van de kinderen kon naar huis terugkeren omwille van genezing of verbetering van de mentale toestand. De beslissing hierover lag in handen van de gestichtsarts die zijn constatatie aan de bevoegde instanties en aan degene die het voogdijschap over het kind hadden, moest overmaken.
3.3.1.3.2 Patiënten opgenomen in het jaar 1892
In 1892 werden er 74 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen.
3.3.1.3.2.1 Leeftijd van de patiënten bij het verlaten van de instelling

Ook in 1892 zien we de tendens dat de meeste patiënten het asiel verlaten als ze 17 jaar of ouder zijn. Dat is immers de leeftijd waarop ze naar een andere instelling overgeplaatst werden. Ook in 1892 werden een aantal patiënten langer dan de wettelijke norm van 18 jaar in de instelling gehouden.
Behalve de uitschieters van 16 tot 19 jaar zien we een vrij gelijke verspreiding van het vertrek over de verschillende leeftijden. Dit beeld heeft ook te maken met het hoge sterftecijfer bij deze patiënten, wat uiteraard op alle leeftijden kan voorkomen.
3.3.1.3.2.2 Duur van het verblijf

Wat in deze grafiek opvalt, is dat meer dan de helft van de patiënten de instelling amper 1 à 2 jaar na hun aankomst, verlieten. Dit beeld heeft vooral te maken met het hoge sterftecijfer. Bijna 1/3 van de patiënten (24 van de 74) die in 1892 in Sint-Benedictus opgenomen waren, stierven amper 1 à 2 jaar na hun opname. Dit had waarschijnlijk te maken met de griepepidemie die in 1892 in de instelling woedde. Maar ook de lamentabele gezondheid van de kinderen bij hun opname zal een belangrijke rol gespeeld hebben. Sommige meisjes leden aan rachitis, verlamming, stuipen, ..., naast hun mentale achterstand, zo lazen we in de medische dossiers. Bovendien kwam het grootste deel van deze kinderen uit ‘behoeftige’ gezinnen.
3.3.1.3.2.3 Reden van vertrek
Met de gegevens uit de medische dossiers van de patiënten in 1892 in Sint-Benedictus opgenomen, maakten we volgend schijfdiagram.

Als we dit schijfdiagram vergelijken met het vorige diagram (over 1887) kunnen we een aantal verschillen en een aantal parallellen vaststellen.
Zoals in het diagram met de gegevens van 1887 ligt het aantal patiënten dat de instelling verliet wegens overlijden, heel hoog (49%). In 1892 lag dit cijfer zelfs nog 4% hoger dan in 1887.
Het aantal patiënten dat de instelling verliet omdat ze overgeplaatst werden, ligt eveneens als in het diagram van 1887 rond de dertig procent.
Opvallend is dat het aantal patiënten dat door familie of overheid werd teruggehaald, beduidend lager ligt in het diagram van 1892 (5%) dan in dat van 1887 (18%). Kreeg men meer vertrouwen in de instelling? Of waren de leefomstandigheden voor arme gezinnen nog verergerd zodat het nog moeilijker werd om voor deze kinderen te zorgen en zo een inkomen te derven?
Opmerkelijk is dat in het diagram met de gegevens van 1887 maar vier procent van de kinderen naar het gezin terug kan wegens verbetering of genezing, terwijl dat voor de patiënten in opgenomen in 1892 al negentien procent is. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de zusters en de gestichtsarts hun normen inzake genezing versoepelden om tegemoet te kunnen komen aan de groeiende vraag tot opvang van nieuwe patiënten. De instelling werd immers in de loop der jaren overstelpt met aanvragen, waardoor ze het toegelaten aantal vaak moest overschrijden.
3.3.1.3.3 Patiënten opgenomen in het jaar 1897
In 1897 werden er 88 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen.
3.3.1.3.3.1 Leeftijd van de patiënten bij het verlaten van de instelling

Van de 88 in 1897 opgenomen patiënten verlieten de meeste Sint-Benedictus als ze 16 jaar of ouder waren. We zien dat 18-19 jaar de normale leeftijd was om de instelling te verlaten. Het meisje van wie de leeftijd niet gekend was, Marie B.[275], was een achtergelaten kind. Ze werd op 6 februari 1897 in Sint-Benedictus opgenomen en stierf er 4 jaar later ten gevolge van tbc.
3.3.1.3.3.2 Duur van opname

Negenenzestig procent van de kinderen werd niet naar een andere instelling overgeplaatst, maar overleed vroegtijdig, werd opgeëist of genezen verklaard. Dit is de verklaring voor het feit dat deze patiënten maar een paar jaar in Sint-Benedictus verbleven. De eenendertig procent overgeplaatste patiënten konden normaliter maximaal 14 jaar in de instelling verblijven, aangezien ze ten vroegste op vierjarige leeftijd in het asiel mochten opgenomen worden en wettelijk op achttien jaar naar een andere instelling werden overgebracht.
3.3.1.3.3.3 Reden van vertrek
Volgend schijfdiagram geeft een overzicht van de redenen van vertrek van de patiënten in 1897 opgenomen:

Ook in 1897 lag het patiëntenaantal dat in Sint-Benedictus overleed, vrij hoog (37%). Dit bewijst opnieuw dat veel kinderen een zwakke gezondheid hadden en de geneesheer vaak machteloos moest toekijken hoe ze fysisch achteruitgingen. Zo was er nog geen effectieve medicatie voor een ziekte als epilepsie. Vaak stierven deze patiënten ten gevolge van stuipen.
Vijftien procent van de patiënten werd genezen verklaard, dat is ongeveer in dezelfde lijn als van de in 1892 opgenomen patiënten. Eenendertig procent werd naar een instelling voor volwassenen overgeplaatst. Ook dit is niet anders dan in de vorige besproken jaren.
Opmerkelijk is dat vanaf 1897 opnieuw meer patiënten door hun ouders werden opgeëist (17%). Dit gebeurde meestal heel kort na de opname. De ouders hadden het emotioneel moeilijk om hun kind af te staan. Toch waren er ook ouders die naderhand op hun beslissing moesten terugkomen. Het 8-jarig meisje Blanche M. werd in 1897 tweemaal opgenomen in het asiel. Het meisje uit de buurt van Charleroi werd op aanvraag van het schepencollege op 28 mei de eerste maal in Sint-Benedictus geplaatst. Volgens het vertrouwelijk dossier werd het kind in een instelling voor doofstommen geweigerd omwille van aangeboren idiotie. De beschrijving in het medisch verslag duidt inderdaad op een zware mentale handicap: ‘microcéphale, habitus hébété, mouvements convulsifs, gâteuse,...’De prognose door Van Neste gesteld, was ‘incurable’. Toch konden de ouders het niet over hun hart krijgen hun kind af te staan: op 8 augustus 1897 haalden ze het meisje terug naar huis. Maar op 12 augustus ontving de directrice van Sint-Benedictus een brief van de burgemeester van Fontaine-l’Evêque dat de ouders spijt hadden van hun beslissing. Ze vonden dat het kind verbeterd was, maar nu zouden ze het graag opnieuw laten opnemen. De ouders beloofden zelf tussen te komen in de kosten om het meisje naar het asiel terug te voeren. Blanche werd op 29 augustus opnieuw in Sint-Benedictus opgenomen. In het medisch dossier lezen we niets over een verbetering van het kind de komende maanden. Toch haalden de ouders het meisje op 8 oktober 1899 terug naar huis...[276]
3.3.1.3.4 Patiënten opgenomen in het jaar 1902
In 1902 werden 90 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen.
3.3.1.3.4.1 Leeftijd van de patiënten bij het verlaten van de instelling

Ook de patiënten die in 1902 in Sint-Benedictus waren opgenomen, verlieten meestal het asiel als ze 16 jaar of ouder waren. De tendens van de vorige jaren zette zich verder.
3.3.1.3.4.2 Duur van het verblijf

De meeste van de in 1902 opgenomen patiënten bleven maximum 10 jaar in de instelling. Zes patiënten verlieten de instelling pas na 15 jaar of meer. Waarom de twee patiënten die meer dan 20 jaar in het asiel verbleven, overgeplaatst werden, weten we niet. Ze werden zeker niet in de instelling gehouden omdat ze onschatbare diensten vervulden. Beide meisjes bleven volgens hun medisch dossier onzindelijk en vrij moeilijk, ook al verbleven ze respectievelijk tot hun 27 en 28 jaar bij de zusters. Ze werden beide pas in 1923 naar een andere instelling overgeplaatst, het ene meisje naar Geel, het andere naar Munsterbilzen.[277]
3.3.1.3.4.3 Reden van vertrek

Het aantal sterfgevallen in de instelling lag bij de patiënten in 1902 opgenomen acht procent lager dan bij de patiënten in 1897 opgenomen. Het aantal overplaatsingen naar een andere instelling (indien de patiënte 18 jaar of ouder) was met acht procent gestegen. Bij het aantal patiënten dat opgeëist werd door de ouders en het aantal kinderen dat genezen werd verklaard, zien we geen spectaculaire verschillen.
3.3.1.3.5 Patiënten opgenomen in het jaar 1907
In 1907 werden 89 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen.
3.3.1.3.5.1 Leeftijd van de patiënten bij het verlaten van de instelling

Bij de patiënten in 1907 opgenomen valt op dat er veel (15 van de 89) meer dan 21 jaar oud waren voor ze de instelling verlieten.
Marie-Margherite D.[278] uit Waasmunster arriveerde op 7-jarige leeftijd in Sint-Benedictus. Haar ouders en de andere kinderen in het gezin waren, volgens het medisch attest, stotteraars. Het meisje kon de gewone school niet volgen wegens haar beperkt linguïstisch vermogen en haar zwakke intelligentie. Daarom vroeg het schepencollege de opname in het asiel aan. Van Neste beaamde, in zijn verslag over de eerste 5 dagen van het kind in de instelling, haar geringe notie van de meest elementaire zaken als kleuren, geld, familienaam en woonplaats. Ook leek ze hem onbekwaam tot enig huishoudelijk werk. Zijn diagnose was idiotie of imbeciliteit en zijn prognose ‘réservé’. In de loop van 1907 ging het meisje qua taalgebruik zienderogen vooruit. In de loop van de jaren leerde ze beter in de klas. Ze kon goed breien en was ijverig. Toch bleef het een moeilijk kind. In haar medisch dossier lezen we dat ze durfde stelen, haar kompanen soms krabde en het personeel beledigde. Ze was ook erg gulzig. Toch kon ze goed werken, weliswaar onder begeleiding, zo benadrukte het verslag. Deze patiënte werd pas in 1929 op 29-jarige leeftijd naar een andere instelling (Caritas in Melle) overgebracht! Het meisje verbleef 22 jaar in het asiel. Waarschijnlijk was ze een degelijke hulp bij het vele werk in de instelling.
Nochtans vertoonden niet alle patiënten een merkbare verbetering. Germaine V. [279] was 6 jaar toen ze in Sint-Benedictus werd opgenomen. Ze werd gecolloqueerd door het college van Lokeren. Ze volgde twee jaar school, maar zonder resultaat. Ze was koppig en onzindelijk. Haar constitutie en gezondheid waren zwak. Ook moreel was ze, volgens het dossier, onderontwikkeld: ze waagde zich aan onanisme. Germaine leed aan epilepsie en haar toestand ging de laatste jaren van haar verblijf in het asiel zienderogen achteruit. Zij kreeg steeds meer epileptische aanvallen waar de geneeskunde toen nog machteloos tegenover stond. Zo lezen we in haar dossier voor het jaar 1914 dat ze goed leerde in de klas, maar voor het jaar 1921 vermeldt het dossier dat haar intelligentie achteruitging. Ze werd zelfs opnieuw onzindelijk. We krijgen na 1921 geen informatie meer over de toestand van de patiënte, maar het meisje werd pas in 1927 naar Eeklo overgebracht. Zij verbleef 20 jaar in Sint-Benedictus. Deze patiënte was dus geen grote hulp in het huishouden van de instelling, integendeel ze eiste waarschijnlijk een intensieve verzorging.
3.3.1.3.5.2 Duur van het verblijf

Opnieuw zien we het grootste deel van de in 1907 opgenomen patiënten niet meer dan 10 jaar in de instelling verbleef. Toch waren er een aantal meisjes die bijna 20 jaar of meer in Sint-Benedictus verbleven, zoals in voorgaande grafiek al aangeduid.
3.3.1.3.5.3 Reden van vertrek

Ook de redenen van vertrek van de patiënten opgenomen in 1907 verschillen qua percentage niet zoveel met de schijfdiagram gemaakt met de informatie over het jaar 1902. Eén zaak valt hier wel degelijk op: 2 patiënten traden in dienst in het Sint-Benedictusinstituut of in een ander klooster.
Marthe D.V.[280] uit Vinderhoute werd op aanvraag van de burgemeester van Gent in het Sint-Benedictusinstituut geplaatst. Ze was toen 13 jaar. Volgens haar vertrouwelijk dossier was ze zacht van karakter, maar had ze op jonge leeftijd veel ellende gekend. Zo was haar grootmoeder alcoholiste. Marthe had aan difterie geleden, maar verkeerde nu in goede gezondheid. Haar intellectuele capaciteit was zwak. De diagnose van Van Neste was idiotie, maar zijn prognose was ‘curable’. Het kind zou ook lijden aan kleptomanie. De eerste dagen van haar verblijf in Sint-Benedictus bleek dat ze inderdaad een gezond gestel had, maar haar intellectuele en morele mogelijkheden waren beperkt. Ze kon haar naam schrijven en kende enkele kleuren. Daar bleef het bij. Ze was weerspannig en leek een moeilijk karakter te hebben. Vanaf 1908 ging ze vooruit: ze werkte goed, maar was erg schuchter. In 1913 werd vermeld dat ze leerde lezen. Ze was toen al 19 jaar! Bij het uitbreken van de oorlog ging ze op vakantie, maar in 1915 keerde ze naar het asiel terug. Ze bleef ijverig en werkte hard in het huishouden, alhoewel ze weinig initiatief nam. Op 29 november 1923 trad ze in dienst in Sint-Benedictus. Ze was toen 29 jaar!
Laure M.[281] was 11 jaar toen ze in 1907 in Sint-Benedictus arriveerde. Volgens haar medisch dossier was dit idiote meisje uit de ‘werkmansklasse’ humeurig en weerspannig. Ze kende bij haar aankomst in het asiel niets van enig huishoudelijk werk, maar ze leerde o.a. breien en verrichtte enkele lichte diensten in het asiel. Ze bleef zich, volgens het medisch dossier, aanmatigend gedragen. In 1914 vroeg de directrice van Sint-Benedictus om het kind naar Namen te mogen overplaatsten. Laure was toen 18 jaar. Maar de ouders zijn het meisje komen halen om haar als ‘servante’ in een klooster te Roeulx te laten dienen.
3.3.1.3.6 Patiënten opgenomen in het jaar 1912
In 1912 werden er 114 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen.
3.3.1.3.6.1 Leeftijd van de patiënten bij het verlaten van de instelling

Uit deze gegevens blijkt dat veel patiënten jonger dan de voorgeschreven leeftijd van 18 jaar de instelling verlieten. Deze verjonging kan te maken hebben met de verandering van Sint-Benedictus in een medisch-pedagogisch instituut in 1921, waardoor in dat jaar een aantal zwaar idiote kinderen wegens hun onopvoedbaarheid naar Sint-Denijs-Helkijn overgeplaatst werden. De onbekende factor in de grafiek heeft te maken met het feit dat een aantal dossiers van de kinderen niet verder zijn aangevuld, zodat we in het ongewisse blijven van wat er met deze patiënten na 1921 is gebeurd.
3.3.1.3.6.2 Duur van het verblijf

Hier zien we dezelfde trend als voor de patiënten in 1907 opgenomen: de meisjes verbleven zelden langer dan 10 jaar in de instelling.
3.3.1.3.6.3 Reden van vertrek

Ook de redenen van vertrek verschilden voor deze patiënten nauwelijks met die van de patiënten opgenomen in 1907.
3.3.1.3.7 Patiënten opgenomen in het jaar 1917
In 1917 werden er 8 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen. Deze minieme opname die alles met de oorlog te maken had, was niet representatief om een beeld te geven van leeftijd bij vertrek, verblijfsduur en reden van vertrek uit Sint-Benedictus. Daarom hebben we dit jaar van opname buiten beschouwing gelaten.
3.3.1.3.8 Patiënten opgenomen in het jaar 1921
In 1921 werden er 120 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen.
3.3.1.3.8.1 Leeftijd van de patiënten bij het verlaten van de instelling

Bij deze patiënten is de factor onbekend vrij hoog. Dit was immers het laatste jaar dat Sint-Benedictus nog als ‘asiel’ functioneerde. Bij de patiënten waarvan we wel de vertrekdatum kennen, ligt de leeftijd opnieuw heel uiteenlopend.
3.3.1.3.8.2 Duur van het verblijf

Uit deze gegevens blijkt dat een opvallend groot deel van de in 1921 opgenomen patiënten nog geen jaar in de instelling verbleef. In de meeste gevallen was de verblijfsduur heel kort, in vergelijking met de vorige jaren. We moeten wel rekening houden met het feit dat we van bijna 30 patiënten geen informatie over een mogelijk vertrek hebben gevonden.
3.3.1.3.8.3 Reden van vertrek

Wat hier opvalt, is dat het aantal patiënten dat in de instelling overleed, fel was gedaald. Daarentegen was er maar acht procent van de patiënten dat de instelling verliet wegens verbetering of genezing. Aangezien de patiënten zo kort in de instelling verbleven (zie vorige grafiek) was dit niet verwonderlijk. Het aantal patiënten dat door de overheid of de ouders werd opgeëist, bleef wel vrij hoog.
3.3.1.3.9 Besluit
Meer dan de helft van de patiënten verliet de instelling toen ze 18 jaar of ouder waren. Opvallend is dat sommige patiënten een stuk in de 20 jaar oud waren vóór ze Sint-Benedictus verlieten. De patiënten die maar één of twee jaar in het asiel verbleven werden meestal opgeëist door de ouders of overleden in de instelling. Dit laatste is niet verwonderlijk aangezien uit de medische dossiers blijkt dat heel wat patiënten een zwakke gezondheid hadden bij hun opname in het asiel. Als algemene tendens zien we dat 50 tot 30 % van de patiënten overleed in de instelling. Pas na de oorlogsjaren zien we dat zich een daling van het aantal sterfgevallen voordoet. Gemiddeld één op drie patiënten werd bij 18 jaar of ouder naar een andere instelling, meestal een instelling voor volwassen vrouwelijke krankzinnigen overgeplaatst. Een aantal patiënten, die waarschijnlijk geen ‘thuis’ meer hadden om na genezing naar terug te keren, traden als meid in dienst van een klooster. Iets minder dan één op vijf patiënten werd na een kort verblijf in de instelling door de ouders opgeëist, wat vrij veel is. Ongeveer hetzelfde aantal patiënten verliet het asiel om reden van genezing of verbetering.
3.3.2 Socio-geografisch profiel van de patiënten
3.3.2.1 Wie vroeg de opname aan?
3.3.2.1.1 De patiënten in het jaar 1887 opgenomen
Het overgrote deel van de aanvragen gebeurde door de gemeente waar de patiënte was gedomicilieerd (62%). Het was trouwens het schepencollege dat, al of niet op aanvraag van de ouders, de collocatieprocedure inzette. We verwijzen naar artikel 95 van de gemeentewet van 30 maart 1836, waardoor het college van burgemeester en schepenen belast was met het uit de samenleving ‘ verwijderen’ van ‘geesteszieken’ die de sociale orde verstoorden, door ze in een ‘ geschikte’ instelling te laten opnemen[282].
In dit officiële openingsjaar van Sint-Benedictus als asiel voor krankzinnige meisjes, werden opvallend veel aanvragen uit andere instellingen gedaan (20%). Dit is een logisch gevolg van het feit dat Sint-Benedictus de eerste instelling in zijn soort was en dat deze kinderen voordien noodgedwongen in deze andere instellingen waren opgenomen, hoewel ze daar niet op hun plaats zaten. Zoals eerder bleek, waren het vooral instellingen voor doofstommen en ongeneeslijken en krankzinnigengestichten voor volwassen vrouwen die de overplaatsing van de patiënte naar Sint-Benedictus aanvroegen.
In 11% van de gevallen vroeg het Weldadigheidsbureau de opname aan. Het betrof hier kinderen uit gezinnen die al beroep deden op de steun van de openbare onderstand.
Drie van deze patiënten waren betalend. In dat geval gebeurde de
aanvraag door de ouders. Hélène P. was zo een betalend patiënte. Ze was 12 jaar
toen ze in maart 1887 in Sint-Benedictus werd opgenomen. Haar vader bezat een
zaak in verfproducten in het Antwerpse. Ze kwam dus uit een’ begoede’ familie.
Haar ouders waren volgens de vertrouwelijke gegevens’ cousins germaines’[283].
Het bijgevoegd medisch attest getuigt van gebrek aan intellectuele en morele
ontwikkeling en ‘instincts grossiers’. Van Neste stelde als diagnose
idiotie/imbeciliteit en als prognose eerst ‘réservé’, daarna ‘incurable’.
Volgens het observatieverslag van de eerste 5 dagen in haar medisch dossier kon
Hélène haar naam niet schrijven, noch lezen of rekenen. Bovendien had ze
brandwonden op gezicht en handen. Ze krabde naar haar medepatiënten en was
onverschillig tegenover haar ouders die nochtans meermaals op bezoek kwamen. Als
ouders van een betalende patiënte konden de ouders klaarblijkelijk meer dan
normaal toegelaten op bezoek komen. Waarschijnlijk waren de ouders erg bezorgd
en voelden ze zich wat schuldig omdat ze hun kind hadden laten opnemen. Was de
aanleiding van deze opname misschien een ongeval waardoor het kind zich had
verbrand? Dit hebben we niet kunnen achterhalen, maar het zou een mogelijke
verklaring voor de opgelopen brandwonden en de eventuele bezorgdheid van de
ouders kunnen zijn.
In de laatste helft van het jaar 1887 werd Hélène meer onzindelijk, maar de onverschilligheid tegenover haar ouders verminderde. Ook in het jaar 1888 ging Hélène er weinig op vooruit: ze bleef onzindelijk en onverschillig en scheurde zelfs haar kledij. Voor het jaar 1889 lezen we in haar medisch dossier dat ze minder lui was, maar ze bleef grof, brutaal en onverschillig. Zo ontkleedde ze zich in volle dag. In de tweede helft van het jaar 1889 ging het beter: ze werd aandachtiger in de klas. In het jaar 1890 ging ze er verder op vooruit: ze werd minder onzindelijk en ‘docile’. Op het einde van dat jaar ging het weer slechter: ze stal soms kleine zaken en haar mentale toestand bleef achteruitgaan. Het meisje werd op 11 juni 1891 door haar ouders opgeëist[284].
3.3.2.1.2 De patiënten in het jaar 1892 opgenomen

Ook in 1892 werd de opname voor de meeste patiënten door het gemeentebestuur aangevraagd.
Voor Eudonie D. werd de aanvraag door de Minister van Justitie gedaan. Het 17-jarig meisje uit West-Vlaanderen werd in maart 1892 wegens bedelarij opgepakt. ‘Eudonie D. bedelde van ’s morgens tot ’s avonds zonder noodzaak’, zo luidde het. Het meisje had -volgens het vertrouwelijk dossier- geen slechte inborst, maar ze was een gevaar voor de openbare zeden wegens haar gebrekkige intelligentie. Haar vader had zelfmoord gepleegd toen het kind 3 jaar was. Ze werd opgevoed in de weldadigheidsscholen. Het meisje werd vroeger met tyfus besmet en bezat een zwakke gezondheid. Haar temperament was ‘lymphatique’. Volgens het medisch dossier was ze ‘idiote’ of ‘imbécile’. Haar prognose was ‘curable’. De eerste 5 dagen van haar opname in Sint-Benedictus was ze kalm, maar de volgende maanden werd het meisje agressief. Ze werd aan de voeten vastgebonden omdat ze wou uitbreken. In 1893 was ze -volgens haar medisch dossier- werkzaam, maar heel geëmancipeerd, zodat ze streng gesurveilleerd moest worden. De volgende jaren werd het meisje kalmer en gewilliger. Ze werkte goed. In november 1894 werd besloten dat ze voldoende genezen was om naar haar familie terug te keren. Opnieuw een schrijnend verhaal...[285]
3.3.2.1.3 De patiënten in het jaar 1897 opgenomen

Ook voor de patiënten die in 1897 in Sint-Benedictus werden opgenomen namen de respectievelijke gemeentebesturen voornamelijk het initiatief (77%).
Tien procent van de patiënten kwam uit gezinnen die al door de openbare onderstand werden ondersteund. Dat gold bij voorbeeld voor Marie B.[286], het achtergelaten kind van wie het verhaal hoger reeds werd verteld. Ook Margarithe B.[287] uit Jumet (geboren te Parijs) was een verlaten kind van wie de ouders onbekend waren.
De dossiers van 5% van de patiënten vermelden dat de aanvraag door de ouders werd gedaan, met goedkeuring van de burgemeester van de gemeente waarvan het kind was gedomicilieerd. Waarschijnlijk namen ook voor andere patiënten de ouders vaak het initiatief tot opname. In de schijfdiagram werden echter enkel de patiënten opgenomen van wie duidelijk in het medisch dossier vermeld werd dat de ouders de aanvraag hadden gedaan. Aangezien in Sint-Benedictus bijna uitsluitend behoeftige kinderen werden opgenomen, moest het gemeentebestuur voor het grootste deel van de kinderen de collocatieprocedure toch steeds inzetten en nam de gemeente (al dan niet samen met het Gemeenfonds) de onderhoudskosten op zich. Vandaar dat, behalve bij betalende patiënten, de gemeente in de dossiers steeds als initiatiefnemer werd vermeld, ook al nam een andere instantie (ouders, armendokter, pastoor,...) soms het initiatief.
Bij een aantal patiënten gebeurde de aanvraag vanuit een andere instelling. Zo vonden we in het dossier van de 12-jarige Clara V. uit Putte een brief van de directeur van de doofstommenschool te Antwerpen dat het meisje onvatbaar voor onderwijs werd bevonden en haar daarom een overplaatsing naar Lokeren werd aangeraden[288]. Ook in dit geval moest de gemeente waar het kind gedomicilieerd werd met deze overplaatsing instemmen.
Twee patiënten werden door het Ministerie van Justitie in Lokeren geplaatst. Eén van deze patiënten was Mathilde C.[289] uit Nives. Volgens haar vertrouwelijk dossier was dit 12-jarig meisje een gevaar voor de publieke veiligheid. Ze was debiel met overheersing van ‘mauvais instincts’. Dit was het kind van een ‘aliénée’, zo vervolgde het verslag van de geneesheer van het asiel waarin ze eerst werd opgenomen. Van Neste constateerde tijdens de eerste vijf dagen van opname in Sint-Benedictus dat dit meisje inderdaad heel weinig ontwikkeld was op intellectueel vlak. Bovendien kende ze niets van enig huishoudelijk werk. Ze was gewelddadig en ging zich te buiten aan onanisme. Een jaar later - zo lezen we in haar medisch dossier - was ze al heel wat kalmer. Ze werd toegewijd en leerde goed in de klas. Het gedrag van het meisje kende volgens haar dossier ups en downs: in 1899 was ze nog kalm, maar in 1900 werd ze beschreven als ze een dievegge waarvan de intelligentie fel was verminderd. In 1901 was ze weer werkzaam en kalm. Haar verdere ontwikkeling verliep volgens haar dossier positief. In 1904 werd Mathilde naar Evere overgeplaatst.
3.3.2.1.4 De patiënten in het jaar 1902 opgenomen

De gegevens over de patiënten in 1902 opgenomen geven dezelfde tendens als in de vorige jaren aan: het gemeentebestuur nam het leeuwendeel (73%) van de aanvragen voor haar rekening. Toch valt bij deze gegevens op dat voor 27% van de patiënten de opname door de Openbare Weldadigheid werd aangevraagd. Dat is een stuk meer dan in de vorige jaren en bevestigt het feit dat in Sint-Benedictus bijna uitsluitend patiënten uit behoeftige tot zelfs heel arme gezinnen werden opgenomen. In 1902 werd trouwens geen enkele betalende patiënte opgenomen.
LéonieV. was een 10-jarig meisje uit een heel arm milieu. Haar vader was overleden. Haar moeder bracht haar naar Sint-Benedictus en tekende het stamboek met een kruisje, ze kon haar naam niet schrijven. Het kind was gedomicilieerd in Aalter. Volgens haar vertrouwelijk dossier was ze zich niet bewust van wat ze zei of deed. Van Neste stelde als diagnose’idiotie’. Zijn prognose was ‘incurable’. Volgens de observatiegegevens over de eerste 5 dagen in Sint-Benedictus was Léonie goed van gestel, maar haar intelligentie was heel weinig ontwikkeld. Ze liep goed, maar hield steeds de vingers in de mond. Ze was ook onzindelijk. Bovendien was ze weerspannig en choleriek. In juli werd ze gevaccineerd (tegen pokken?). In november was ze - volgens haar medisch dossier – nog steeds koppig. Ze durfde zelfs haar nagels rood lakken. De volgende jaren maakte ze weinig vorderingen: ze beet op haar vingers, haar intelligentie nam af en bovendien liep ze een oogontsteking en kinkhoest op. In april 1909 was ze slordig en onzindelijk. Dat bleef zo ook de volgende jaren. In oktober 1911 keerde ze nochtans terug naar haar familie omdat ze ‘verbeterd’ was.[290]
3.3.2.1.5 De patiënten in het jaar 1907 opgenomen

Ook voor de patiënten opgenomen in 1907 vroeg voornamelijk het gemeentebestuur (al dan niet op verzoek van de ouders) de opname aan. Bij de 89 opgenomen patiënten waren er twee betalende, dit verklaart de 2% opname op vraag van de ouders. Eigenlijk gaat het hier nochtans opnieuw om arme kinderen. Maar deze kinderen zijn 4 jaar oud en daarom weigerde het Gemeenfonds tussen te komen in de onderhoudskosten. Het Gemeenfonds ging ervan uit dat de ouders zelf voor zo een jonge kinderen konden zorgen. Daarom betaalden de ouders van de 4-jarige Léontine S.[291] uit Anderlecht 300 frank onderhoudskosten per jaar. Dit was berekend op het inkomen van de vader die 2,75 frank per dag verdiende. Het meisje was nochtans idioot en leed aan stuipen. Ze had een verlamming aan de onderste ledematen en kon niet zelf eten. Het was wel degelijk een zwaar gehandicapt kind, zowel geestelijk als lichamelijk. Het kind had een zwakke gezondheid en was de volgende jaren vaak ziek: een oogontsteking, een abcès van de klieren. Ze overleed in 1913 aan ‘carie osseuse’ (beenrot of koudvuur?).
3.3.2.1.6 De patiënten in het jaar 1912 opgenomen

Ook deze gegevens wijzen op de grote rol van het gemeentebestuur bij de aanvraag tot opname in Sint-Benedictus van behoeftige patiënten. In 1912 werd één betalende patiënte opgenomen. Het betrof de zesjarige Hélène D.[292] uit Kaprijke. Volgens het vertrouwelijk dossier was ze een achterlijk meisje met een goede fysieke gezondheid. Ze was ook wat schuw. De observatiegegevens over de eerste 5 dagen in Sint-Benedictus geven een beeld van een meisje dat fysisch en psychisch ‘gedegenereerd’ was, zo lezen we in haar dossier. Ze had een lang hoofd, was scheel en lachte om niets. Ze draaide steeds met haar hoofd. Haar intelligentie was weinig ontwikkeld. Bovendien was ze zeer onfatsoenlijk en had ze neiging tot onanisme. Van Van Neste kreeg het kind de diagnose ‘idiotie/ imbeciliteit’ en de prognose ‘réservé’. Volgens haar medisch dossier kende het kind de volgende jaren een weinig positieve evolutie: ze leerde niets en bleef onzindelijk. De ouders haalden het meisje in 1914, bij het uitbreken van de oorlog, naar huis. In september 1915 werd ze weer naar het asiel gebracht. De volgende jaren ging haar spraakvermogen een beetje vooruit, maar in 1917 leed ze aan een klierontsteking. In maart 1918 stierf Hélène aan tbc.
3.3.2.1.7 De patiënten in het jaar 1917 opgenomen

Alhoewel er in 1917 maar 8 patiënten werden opgenomen, zien we dezelfde tendens als in voorgaande jaren. Het waren alle kinderen uit behoeftige gezinnen van wie de opname meestal door het gemeentebestuur werd aangevraagd. In één dossier werd wel vermeld dat de aanvraag door de vader gebeurde, met toestemming van de burgemeester van de gemeente van herkomst.
3.3.2.1.8 De patiënten in het jaar 1921 opgenomen

Ook voor de patiënten opgenomen in het jaar 1921 was de gemeente de belangrijkste instantie die de aanvraag indiende. Toch zien we hier opvallend meer aanduiding dat het initiatief voor de aanvraag van de ouders kwam. In de stamboeken werd duidelijk ingevuld dat de aanvraag gebeurde door de ouders, gezien door de burgemeester van de gemeente van herkomst. In 1921 werden immers alleen behoeftige patiënten opgenomen. De gemeente moest voor deze patiënten de collocatieprocedure opstarten en/of de aanvraag voor tussenkomst van het Gemeenfonds indienen. Voor patiënten opgenomen in het jaar 1920-21 gold immers nog steeds de oude regeling. De wet van 14 juni 1920[293] kon nog niet effectief tot uitvoer gebracht worden mits de administratieve maatregelen hieromtrent nog niet in orde waren.[294]
Wat ook opvalt, is dat er vanaf nu meer aanvragen tot opname vanuit gerechtelijke hoek kwamen. Zo werd de 17-jarige Hélène V. op vraag van de kinderrechter van Luik in het asiel opgenomen. In haar vertrouwelijk dossier lezen we dat vermoed werd dat het meisje aan epilepsie leed. Ze was een vagebond, slachtoffer van een ellendig milieu, ze was excentriek en had een zwakke persoonlijkheid. Volgens de arts van Sint-Benedictus (Dr. Goedertier ad interim van Van Neste) had het meisje een goede gezondheid. Ze had een voor haar leeftijd normale fysieke ontwikkeling. Overdag was het meisje stil en triestig. Ook ’s nachts was ze kalm. Ze antwoordde gewillig op de vragen door de gestichtsarts gesteld. Over de vraag in verband met haar internering door de kinderrechter, antwoordde ze huilend dat ze vals beschuldigd werd met soldaten te lopen. De arts oordeelde dat ze intelligent genoeg was. Ze kreeg wel regelmatig een hysterische crisis waardoor volgens de arts een strenge aanpak gerechtvaardigd werd. Het meisje bezat een pedagogische achterstand van meer dan 10 jaar en kende weinig van huishoudelijk werk. De diagnose van de arts was ‘folie morale’. Het woord epilepsie was doorstreept. De prognose was ‘susceptible de guérir’. Over het verdere verloop van haar verblijf in Sint-Benedictus vonden we geen informatie. Het medisch dossier werd niet verder ingevuld. Wel weten we dat Hélène in 1929 (ze was toen 25 jaar) terug naar haar familie ging.
3.3.2.1.9 Besluit
Algemeen kunnen we stellen dat de aanvraag tot opname in Sint-Benedictus voor deze kinderen voornamelijk gebeurde via de gemeente. Waarschijnlijk werd bij veel van deze vaak zwaar gehandicapte of moeilijk opvoedbare meisjes de aanvraag tot opname wel door de ouders (die de opvoeding niet meer aankonden?) via het gemeentebestuur gedaan. Aangezien praktisch al deze kinderen uit behoeftige milieus kwamen, was de gemeente (al dan niet met tussenkomst van het Gemeenfonds) immers verantwoordelijk voor de onderhoudskosten van deze kinderen.
Bij de patiënten opgenomen in het jaar 1921 zien we een stijging van de aanvragen door gerechtelijke instanties. Dit heeft waarschijnlijk veel te maken met de wet van 1912 in verband met de bescherming van het kind.[295]
3.3.2.2 Geografische afkomst
3.3.2.2.1 De patiënten in het jaar 1887 opgenomen

In 1887 kwam 56% van de opgenomen patiënten uit Oost-Vlaanderen. Slechts 11% van de patiënten kwam uit Wallonië.