De Zusters van Liefde van Jezus en Maria en het eerste Belgische asiel voor zwakzinnige meisjes: Sint-Benedictus te Lokeren (1887-1921). (Katrien Boone)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

3. Deel II: Sint-Benedictus, asiel voor zwakzinnige meisjes, te Lokeren

 

3.2 Hoofdstuk II: De Zusters van Liefde van Jezus en Maria in Sint-Benedictus

 

Uit het voorgaande hoofdstuk werd al duidelijk dat de Zusters van Liefde van Jezus en Maria de hoofdrolspelers in Sint-Benedictus waren. Zij leefden dag en nacht samen met de patiënten en namen het dagelijkse beleid van de instelling waar. De lokale overste mocht weliswaar geen belangrijke beslissing nemen zonder raadpleging van de Algemene oversten die het algemeen beleid waarnamen. Wettelijk moesten alle belangrijke beslissingen door de hoofdgeneesheer van de instelling goedgekeurd worden. Uit het voorgaande blijkt echter dat de hoofdgeneesheer Van Neste heel welwillend de beslissingen van de congregatie ondersteunde en respecteerde, terwijl zijn instructies op medisch vlak ook door de religieuzen nauwgezet werden opgevolgd[56]. De inspecteurs gestuurd door de overheid oefenden regelmatig kritiek uit op de instelling. De congregatie poogde dan op die kritiek in te spelen en haastte zich zo goed mogelijk aan de richtlijnen van het Ministerie van Justitie te voldoen.

 

3.2.1 De Regel van de Zusters van Liefde van Jezus en Maria

 

Aangezien het dagelijks leven van de Zusters van Liefde van Jezus en Maria en hun zorg voor de minstbedeelden volledig beschreven staat in de Heilige Regel, is het belangrijk eerste de geschiedenis van de Regel van de congregatie en de inhoud van die Regel te bespreken.

 

3.2.1.1 De geschiedenis van de Regel in de loop van de 19de - begin 20ste eeuw

 

Het dagelijks leven van de zusters en hun activiteiten met betrekking tot de zorg voor hun pupillen werden tot in de kleinste details, zowel op spiritueel als op materieel vlak, bepaald in de Regel, opgesteld door P.J.Triest. Hij werkte, op grond van zijn ervaring met het dagelijkse kloosterleven, de 96 artikels van de constituties uit. In 1816 kreeg hij voor deze grondregels de goedkeuring van de paus. In de loop van de volgende jaren werkte Triest de Regel verder uit en op 20 januari 1820 hechtte de Gentse bisschop zijn goedkeuring aan de bijzondere Regels, o. a. voor de organisatie van de ziekenzorg of het onderwijs. Die Regel werd uitgegeven in 1833 en bleef gedurende de hele 19de eeuw voor alle zusters van kracht.

Op 17 december 1890 verscheen een decreet van Rome ‘Quemadmodum’ van paus Leo XIII, dat de aanpassing vroeg van de constituties aan de nieuwe wetgeving van de liturgie. Op dat moment was bij de Zusters van Liefde nog steeds de Regel van 1816 in voege. Door de sociale veranderingen waren er al talloze dispensaties[57] verleend, zodat een wijziging wel wenselijk was. De tweede versie van de constituties verscheen in 1903. De constituties werden teruggebracht op 65 artikels, maar bij de herwerking werden geen fundamentele wijzigingen aangebracht. Het was meer een aanpassing aan de nieuwe noden van de tijd. In de praktijk veranderde er dus niet veel voor de zusters.

We vermelden deze aanpassing van de Regel omdat in de periode van de werking van Saint-Benoît als asiel (1887-1921) beide versies van toepassing waren. Het nauwgezet onderhouden van de Regel, die een weerspiegeling van het dagelijkse leven was, werd enorm benadrukt[58]. Daarom hebben we ons in beide versies van de constituties verdiept. Nochtans blijkt de Regel van 1903 het meest toepasselijk op Saint-Benoît[59], zodat we ons vooral hierop hebben gebaseerd om de gang van zaken in het asiel weer te geven.

 

3.2.1.2 De inhoud van de Regel met betrekking tot het dagelijks leven van de zusters

 

‘Den eygen aerd of kenteeken van Zusters van Liefde zijn: zeer nauwkeurige onderhouding der Regels, zoetaerdigheyd van manieren, eene geheel evangelische eenvoudigheyd, volmaekte eensgezindheyd onder hun, liefde ten opzichte van alle soorten ongelukkige menschen, stilzwygendheyd, eene geheele onderwerpinge van het hert en geest, werkzaemheyd, geenen den minsten eygendom;…’.[60]

In dit 96ste en laatste artikel van de grondregels liggen de vier geloften die de Zusters van Liefde aflegden vervat: armoede, gehoorzaamheid, zuiverheid en het doen van liefdewerken. Bovendien wordt hier - zoals reeds vermeld - de nadruk gelegd op het nauwgezet naleven van de Regel.

De leefregels die de religieuzen volgden waren streng. Het was een hard leven van werk en gebed, het resultaat van een strenge, bijna Bernardijnse kloosterdiscipline in combinatie met een Vincentiaans leven van dienstbaarheid aan armen en zieken.

Een zuster was in de 19de eeuw een goede religieuze als ze de ‘Regel’ zo goed mogelijk volgde. Het naleven van de ‘Regel’ betekende voor de religieuze het nauwgezet onderhouden van een hele reeks vaste voorschriften.

Een deel van die voorschriften gaat over de eenvormigheid van het kloosterleven. De constituties en bijzondere Regels bepaalden het dagelijks leven van de zusters tot in de kleinste details, zowel op materieel als op spiritueel vlak. Zo hechtte de congregatie een groot belang aan een vaste dagorde: de tijden van opstaan, het gebed, de recreatie, het werken, het slapen, het nuttigen van maaltijden, … werden in de constituties strikt vastgelegd.

Er waren vaste voorschriften over hoe de religieuzen zich moesten gedragen.[61] Enkele concrete voorbeelden: ‘men heeft de handen bedekt, men gaat een crucifix niet voorbij zonder een buiging met het hoofd te doen, men doet de deur zachtjes dicht, men houdt de ogen neergeslagen, in het spreken gebruikt men het woord ‘onze’, nooit het ‘ mijne’, …’.

Uiterlijk was er de eenvormigheid van kledij, inrichting van kloostergebouwen, meubilair, …

Ook het geestelijke leven hield vast aan eenvormigheid en werd volledig vastgelegd in de constituties. De Regel stipuleerde welk officie werd gelezen, hoeveel tijd er was voor meditatie, gewetensonderzoek en persoonlijk gebed, hoe vaak er gebiecht en gecommuniceerd werd, … Ieder jaar hielden de zusters een tiendaagse retraite en werd er per huis een novene gehouden om de plaatselijke toestand te onderzoeken. In de congregatie werd van bij de aanvang een voortdurende aanbidding van het Heilig Hart van Jezus georganiseerd. Deze aanbidding bestaat tot op heden.

De zusters waren grotendeels van de buitenwereld afgesloten, het was hun o.m. niet toegestaan het klooster te verlaten zonder toestemming van de overste. Ze betraden de buitenwereld nooit alleen, altijd in gezelschap van een of meer medezusters. Het contact met de familie werd zo beperkt mogelijk gehouden. Brieven werden vóór ontvangst en verzending door de overste gelezen. Vreemdelingen werden enkel toegelaten in het gastenkwartier, niet in het klooster zelf. Het gemeenschapsgevoel werd dan weer versterkt door gemeenschappelijke vieringen van kerkelijke hoogdagen.

De gelofte van armoede werd strikt nageleefd. De zusters bezaten bijna niets persoonlijks en ieder jaar wisselden alle zusters van bed, boeken, kruis, paternoster, in één woord van alle gebruiksvoorwerpen die ze hadden. De oversten leefden op dezelfde manier als de andere zusters, wel werden ze in een bijzondere vermaning gewezen op het begeren van bezit en geld.

Alle zusters moesten, zonder onderscheid, gehoorzaam zijn aan de H.Regel. De zusters moesten in alles ook gehoorzamen aan de overste, maar Triest stelde dat: ‘Gelyk de onderzaeten vlytig moeten zyn in te gehoorzaemen, zoo zal d’Overste voorzigtig en traeg zyn om te gebieden, en meer te werk gaen by manier van voorstel als van gebod…’.[62]

De gelofte van de zuiverheid betekende ook zwijgzaamheid. Aan de Regel van zwijgzaamheid en ingetogenheid werd veel belang gehecht.

Er was geen plaats voor persoonlijke relaties of meningen, je moest als religieuze je individualiteit leren loslaten. De religieuze ‘stierf’ voor de buitenwereld om tot een exclusieve relatie met God te komen. Door het nastreven van waarden als zelfopoffering, versterving, gehoorzaamheid, kuisheid, beschikbaarheid en nederigheid bereiken de zusters hun doel van ‘zelfheiliging’[63]. Die waarden staan lijnrecht tegenover de hedendaagse waarden van ontplooiing, autonomie, weerbaarheid, assertiviteit en kunnen dus moeilijk vanuit een hedendaagse context begrepen worden. De Nederlandse theologe Annelies van Heijst spreekt over het ‘passie-paradigma’: de persoon wordt pas zichzelf door versterving, onthechting het loslaten van het eigen ik.[64] Annelies Van Heijst[65] poneerde de interessante stelling dat er behoefte is aan een gedifferentieerd interpretatiekader waarin dit zelfverlies kan gewaardeerd worden. De radicale visies dat 19de-eeuwse religieuzen door de mannelijke clerus onderdrukte wezens waren, of integendeel protagonisten van een ontwakend feminisme worden hierdoor ontkracht. In de 19de-eeuwse kerkelijke opvattingen was het beeld van de ideale vrouw dat van de religieuze die zich opofferde door het beoefenen van caritas ten dienste van God. Het streven naar dit ideaalbeeld was voor die vrouwen het vormen van hun identiteit. Zelfverlies werd hier dus niet negatief opgevat als louter opgeven van autonomie, maar als een manier om ‘jezelf’ te worden door ‘jezelf’ op te geven voor de zorg voor anderen.

Wij denken dat ook bij de zusters die de zorg voor de zwakzinnige kinderen in Sint-Benedictus op zich namen, die zorg voor zichzelf (zelfheiliging bereiken) samenging met de zorg voor anderen (caritas) zoals zal blijken uit het hoofdstuk over hoe de zusters van Sint-Benedictus met hun patiënten omgingen.

 

3.2.2 De materiële leefwereld in Sint-Benedictus

 

In dit deel bespreken we de manier waarop de religieuzen en de patiënten in Sint-Benedictus samenleefden. De instelling was een van de buitenwereld afgesloten gemeenschap waar religieuzen en patiënten volgens bepaalde normen en regels met elkaar omgingen. De leefregels voor de patiënten verschilden in zo’n internaat niet veel van de regels die de religieuzen zelf probeerden te onderhouden. De ideeën en de manieren van vorming van leerlingen in kloosterinternaten kwamen, volgens J.Eijt[66], overeen met de waarden die de zusters zelf in hun kloosterleven nastreefden. Zij leefden immers dag en nacht samen met de zusters en hun dagorde liep grotendeels parallel met die van de zusters.

Ook de materiële uitbouw van Sint-Benedictus in functie van de groei van deze leefgemeenschap wordt in dit deel besproken. Bij de bespreking van de materiële uitbouw wordt de invloed van de overheid opnieuw duidelijk.

 

3.2.2.1 De dagindeling: orde en regelmaat

 

De religieuzen stonden om 4 uur op. Na het gebed, de dagelijkse eucharistie [67]en het kapittel werd een sober ontbijt genuttigd, waarna de werkdag werd aangevat. Die duurde tot half 7 en werd enkel onderbroken door een gewetensonderzoek, de getijden en het middagmaal met een recreatie. Voor het avondmaal was er een meditatie en na de avondrecreatie volgden een gewetensonderzoek en de completen. Tussen 7 en 8 uur gingen de zusters slapen, in de zomer waarschijnlijk later.

De patiënten en de rest van het personeel kenden ook een strenge dagindeling. Een deel van de kinderen[68] en de ‘gardiennes ‘ gingen dagelijks om kwart over 6 naar de mis. Pas in 1919 veranderde het reglement en mochten de kinderen langer rusten.[69] De patiënten ontbeten om half 8 (koffie, melk, brood en boter), kregen hun middagmaal om half 11 (soep, groente, vlees, brood, bier en fruit), een vieruurtje om 3 uur (koffie, melk, brood en boter). Het avondmaal (brood, boter, soep, groente, salade, aardappelen, kaas en bier), tenslotte werd hen om half 6 opgediend.[70] Deze maaltijden -zoals ze ingevuld werden in de verslagen voor de inspectie en dus misschien wel zo positief mogelijk – zijn, in vergelijking met de eetgewoonten van de lagere sociale klassen, overvloedig en gevarieerd[71]. Na het avondmaal werden de patiënten naar bed gebracht. De rest van de dag werd gevuld met les, huishoudelijke karweien en ontspanning, waarover verder meer. Volgens het jaarverslag voor de overheid van 1887 stonden de kinderen op om half 6 in de zomer -zij die ertoe in staat waren - en om half 7 in de winter. Ze gingen slapen om half 9 in de zomer en om half 7 in de winter. Aangezien het interne reglement[72] van de instelling in het archief ontbreekt, hebben we geen verdere gegevens over de exacte indeling van een dag in het asiel.

De dagindeling van elk klooster werd bepaald door de Algemene oversten[73], maar kon wel aan de plaatselijke omstandigheden aangepast worden. Zo lezen we in het memoriaal van Sint-Benedictus dat Mère Idonie zich wegens gebrek aan voldoende graan verplicht zag de boterham van 4 uur te ‘supprimeren’ (29 november 1914). Omdat veel leerlingen - die bij het begin van de oorlog door hun ouders waren opgehaald - terugkeerden, kwam er een nieuwe dagindeling om praktische redenen, schreef de zuster-dagboekschrijfster op 6 september 1915. En er was in september 1919 ook sprake van een verandering van de dagindeling om tijd te winnen voor de lessen: het souper werd verlaat om elke avond godsdienstles te kunnen geven en de leerlingen namen het middagmaal om half 12 om tijd te winnen voor de lessen.[74] Uit het feit dat de zuster deze veranderingen in het memoriaal noteerde, leiden we af dat deze wijzigingen een grote impact op het leven in het asiel hadden. De voorgeschreven dagindeling werd heel strikt nageleefd! Voor de zusters die zo gesteld waren op een strenge dagindeling, moet het waarschijnlijk moeilijk geweest zijn om de voorschriften ook te laten gelden voor de mentaal gehandicapte of gedragsgestoorde patiënten. Die geesteszieke kinderen op tijd te laten opstaan, eten, wassen, naar de activiteiten te brengen, …vergde buitengewoon grote inspanningen. Het gedrag van sommige van die kinderen (woeligen, epileptici) stond in schril contrast met de gedragsnormen die de zusters hanteerden. Het was uiteraard positief en rustgevend voor deze kinderen om structuur in hun dagelijkse leven te hebben. Die strikte orde en discipline werd trouwens door Guislain[75] en Triest erg benadrukt en maakte deel uit van de morele behandeling waar Guislain zoveel belang aan hechtte. Guislain ging ervanuit dat religieuzen (meer dan leken) een positieve morele invloed op hun patiënten uitoefenden en dus de ideale verzorgers voor de ‘krankzinnigen’ waren.

 

3.2.2.2 Stilte en rust hoog in het vaandel

 

In het klooster werd een volstrekt stilzwijgen onderhouden, behalve tijdens de recreatie. Vooral in moeilijke tijden werden de zusters ertoe aangezet de Heilige Regel, zeker de stilte, minutieus te volgen. In november 1914, toen de ellende van de oorlog erg voelbaar was, werd een ‘fervente neuvaine[76] gehouden om de zo verlangde vrede te bekomen, de veranderingen ten gevolge van de oorlog deemoedig te aanvaarden en zeker de Regel van de stilte te onderhouden’[77]. Dit onderhouden van de stilzwijgendheid zal in de omgang met de kinderen vaak onmogelijk geweest zijn. Babbelen (bavarde, conversation déplacée, disputeuse, …) en nervositeit ( nerveuse, agitée, impulsive, indisciplinée, caractère énergique, …) waren de vaker voorkomende negatieve beoordelingen voor een leerlinge, terwijl kalmte en gewilligheid (calme, docile, soumise, volontaire, suit le réglement,…) als positief en een vorm van vooruitgang voor het kind werden ervaren.[78]

3.2.2.3 Een van de wereld afgesloten gemeenschap

 

De zusters waren grotendeels van de buitenwereld afgesloten, het was hun niet toegelaten het klooster te verlaten, zelfs niet om zieke familieleden te bezoeken.[79] Als ze in uitzonderlijke omstandigheden toch het klooster verlieten, werden ze vergezeld van een medezuster vergezeld. Ook bezoek werd uiterst zelden toegelaten, en dan nog enkel aan familie of voogden. Vreemdelingen werden in het klooster niet binnengelaten, behalve in het gastenkwartier.

Toch waren er in de oorlogsjaren (1914-18) veel familieleden of kennissen van de zusters die hun toevlucht in het klooster zochten. Vaak werden ze naar andere instanties verwezen, maar ze kregen wel de belofte dat het klooster ze onderdak zou verschaffen indien het echt nodig was.[80] Ook de vele inspecteurs van de verschillende overheden en delegaties uit andere landen[81] vereerden de zusters vaak met een bezoek. Uit het memoriaal[82] blijkt dat deze Regel geleidelijk en vooral na de oorlog versoepelde. Zo mochten in 1914 een aantal zusters met hun leerlingen naar de bioscoop in de gemeenteschool bij het asiel (weliswaar mits toestemming van de Algemene oversten) en vanaf 1919 mochten de ouders hun kinderen elke eerste zondag van de maand zien, terwijl dit voordien trimestrieel was. Vóór de oorlog gingen de kinderen wandelen of op bedevaart onder begeleiding van de aalmoezenier en de ‘gardiennes’, maar vanaf 1919 vergezelden de zusters de kinderen bij hun wandeling in de ‘stad’ (in plaats van in de ‘tuin’).

 

3.2.2.4 Het materiële aspect

 

De zusters hadden de gelofte van armoede afgelegd en de constituties beschreven het materiële aspect tot in de puntjes: kledij, voeding, slapen, onderhoud, benodigdheden, …

De oversten leefden op dezelfde manier als de andere zusters en werden in een bijzondere vermaning zelfs gewezen op het gevaar van het begeren van geld en bezit.[83] Wel was de overste belast met het onderhoud van de gebouwen en kleine reparaties, waarvan ze exacte verslagen moest bijhouden. De grote ‘werken ‘ moesten bevolen worden door de Algemene oversten. Elk jaar moest de overste vóór 1 maart de ‘bilan’ opsturen naar de Algemene oversten. Uit het memoriaal en uit de jaarverslagen voor de overheid blijkt dat de instelling onder Overste Idonie (1890- 1917) een ware verbouwingswoede kende. Maar ook onder haar opvolgster, Mère Angèle, spendeerde men veel energie en geld aan renovatie en verbouwingen. Enkel tijdens de oorlogsjaren lagen de werken stil. Dit wijst er niet alleen op dat de congregatie over voldoende (?)[84] geld beschikte, maar ook dat de instelling steeds vernieuwd en gemoderniseerd werd. Vaak werden deze aanpassingen door de overheid geëist. Die accommodaties kwamen de patiënten zeker ten goede! Om een idee te hebben volgt hieronder aan de hand van de ‘jaarverslagen voor de overheid’[85] en het ‘memoriaal’ [86] een overzicht van de voornaamste ‘modifications’.

In 1890, het eerste jaar onder Mère Idonie, werden er nieuwe slaapzalen en recreatiezalen voor de ‘gâteuses’ en de ‘pensionnaires’ gebouwd, badkamers werden vernieuwd en verbeterd, er werd een klas bijgebouwd en het klasmeubilair werd uitgebreid met nieuwe lessenaars, borden en een ‘compteur’. Bovendien werd het hele ‘maison’ geschilderd.

Een verklaring voor deze vergrotingen ligt gedeeltelijk in het feit dat het Ministerie van Justitie vanaf 1890 toeliet dat er 100 behoeftigen en 25 kostgangers in het asiel opgenomen werden, mits uitbreidingen[87]. In de eerste jaren mochten er volgens de wettelijke bepalingen slechts 75 behoeftigen en 25 kostgangers behandeld worden. De Minister van Justitie wees er ook op dat de ‘gâteuses’ en de ‘epileptici’ niet in dezelfde ruimte mochten verblijven. Bovendien had de inspectie gemeld dat de ruimte van de refter en de recreatiezaal veel te klein was. Zo’n ruimte was niet hygiënisch en bevatte te weinig frisse lucht. De plannen voor de verbouwing moesten een vastgesteld aantal m² per ruimte en aantal leerlingen bevatten.[88] Volgens het jaarverslag van 1887 was het asiel maar gemaakt voor 100 kinderen. De prijs per behoeftige bedroeg 1 frank per dag, voor een kostganger 400 frank per jaar. In 1891 werden er 137 patiënten behandeld. De wettelijke bepaling was toen al ruimschoots overschreden.

Het jaarverslag van 1887 spreekt over 4 afdelingen voor de kinderen: één voor de ‘calmes’, één voor de epileptici en één voor de onzindelijken. Ze bestonden uit een slaapzaal, een refter en een recreatiezaal. Alleen voor de ‘calmes’ wordt geen recreatiezaal vermeld.

Eén slaapzaal, refter en recreatiezaal voor de onzindelijken worden al vernoemd in het jaarverslag van 1887. Waarschijnlijk was het aantal onzindelijken zodanig toegenomen dat er nood was aan een uitbreiding van hun kwartier. Dat is niet duidelijk uit de bronnen van 1890, maar in het jaarverslag van 1892 is er sprake van dat 30 van de 166 patiënten ‘gâteuses dans les fauteuils’ zouden zijn. In 1887 waren dat er 17. De overheid eiste immers voldoende m² volgens het aantal patiënten in de afdeling.

In het jaarverslag van 1887 wordt expliciet vermeld dat de kostgangers op dezelfde manier als de behoeftigen worden behandeld. [89] Aangezien de kostgangers een eigen slaapzaal en recreatiezaal krijgen, was dit vanaf 1890 niet meer het geval. Hiermee voegt de instelling zich naar artikel 3 van de wet van 1873-74 dat o.a. stelt dat men ‘pensionnaires’ moet scheiden van ‘indigentes’.

Uit de beschrijving van deze materiële veranderingen (het woord klasmeubilair wordt gebruikt) blijkt dat de patiënten zeker in 1890 al een vorm van onderwijs kregen. In het jaarverslag van 1887 staat trouwens dat er een school was die op dat moment door 25 (van de 55) kinderen werd bezocht.

In 1891 werd deze trend doorgezet: nu kregen de ‘agitées’ nieuwe slaapzalen en een reüniezaal, de ‘gardiennes’ een nieuwe refter en de ‘surveillantes’ kamers. Er werden ook badzalen en een droogkamer bijgebouwd. De vestiaire van de religieuzen werd gerenoveerd.

Waarschijnlijk kwam er een nieuwe afdeling voor de ‘agitées’. Dit is niet duidelijk uit de bronnen af te leiden.

De ‘gardiennes’ aten apart in een eigen refter.

Wat met de ‘kamers’ van de ‘surveillantes’ bedoeld wordt, konden we niet achterhalen. In de jaren 1887 -1888 wordt duidelijk vermeld dat de ‘surveillantes’ op de slaapzalen van de kinderen sliepen (volgens zuster Vera in een ‘chambrette’)[90], misschien wordt met die kamers een soort bureautje[91] bedoeld. De ‘surveillantes’ waren religieuzen, gerecruteerd door de Algemene overste. De zusters sliepen normaal in een gemeenschappelijke slaapzaal.

De droogkamer was wel onontbeerlijk want de zusters hadden enorme hoeveelheden linnen te wassen en te drogen, denk maar aan de vele onzindelijken.

In 1892 werd de huiskamer en de slaapzaal voor de epileptici naar het gelijkvloers gebracht. Ook de ‘petites agitées gâteuses’ kregen een eigen slaapzaal en recreatiezaal. In 1892 was het aantal ‘petites agitées gâteuses’ erg toegenomen. In het jaarverslag van 1892 is er sprake van in totaal 11 slaapzalen. Ook de voorgevel van het asiel werd opgeknapt. Er was een blikseminslag geweest in de klokkentoren van de kapel en dit werd hersteld. Men plaatste wijselijk ook een bliksemafleider, want over het ontbreken hiervan had de inspectie een opmerking gemaakt. Een brief van de gouverneur aan kanunnik Roelandts stipuleert zelfs dat een toename van de populatie van het asiel maar zal toegestaan worden als alle werken in orde zijn.[92]

Ook in 1893 werd er druk verbouwd: een nieuwe infirmerie voor de kinderen, een nieuwe slaapzaal, refter en vestiaire voor de epileptici, een zaal voor de ‘semi-agitées’, een nieuwe afdeling voor de ‘pensionnaires’, nieuwe badzalen, droogkamers, strijkzalen, vestiaires en een mortuarium. De speelplaats voor de ‘paisibles’ werd geschilderd en er werd er één gebouwd voor de epileptici. Ook de meubels werden aangevuld. Het aantal patiënten was gestegen naar 201 (166 in 1892). Wettelijk mocht het asiel nu opvang bieden aan 300 kinderen. De prijs per dag voor een behoeftige steeg met 25 centiemen en was nu 1,25 frank.

In 1894 dachten de zusters aan zichzelf: ze lieten hun kapel verfraaien, hun infirmerie verbeteren en nieuwe meubels in hun refter plaatsen. Zowel in 1892,1893 als in 1894 zond de overheid een brief aan de directrice van Sint-Benoît om met aandrang hygiënische maatregelen te nemen voor de cholera-epidemie die al woedde in Hamburg en Le Havre (1892) en toen in Luik en elders huishield (1894). De overheid zond ook een brochure met instructies over de hygiënische voorzorgsmaatregelen[93]. Waarschijnlijk hield men deze overheidsinstructies bij voorgaande verbouwingen ook in het achterhoofd.

In 1895 legde men een groentetuin aan en werd de afdeling voor de ‘semi-agitées’ uitgebreid. Ook nieuw keukenmateriaal (ovens, machines, een haard) werd aangekocht.

In 1896 werd een ‘theater’[94] geconstrueerd, een nieuwe boerderij opgestart en een serre gebouwd. Het keukenmateriaal werd aangevuld met hakmolens voor vlees en de provisiekamer kreeg immens grote kasten. Er werden wagens (‘voitures’) aangekocht voor de verdeling van o.a. het voedsel en het transporteren van het nat linnen. De zusters schakelden van petroleum over naar gas voor de verlichting. In 1896 was de populatie opgelopen tot 335 patiënten, wat vanzelfsprekend voor een enorme vraag naar voedsel zorgde.

In 1897 werd in de tuin van het asiel een grot voor Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes geplaatst. De tuin werd opnieuw aan gelegd met nieuwe aanplantingen en wegeltjes. Er werd een droogplaats in open lucht aangelegd en men kocht verschillende machines aan, o.a. om brood te snijden en melk te slaan.

Een luguber detail: een immense tafel voor ‘autopsie’ werd aangekocht.

De zusters kregen ook heel wat schenkingen: beelden en andere ornamenten en zelfs geld (400 frank) voor de verfraaiing van hun kapel. Op 23 maart 1897 kreeg kanunnik Roelandts een vermaning van het Ministerie van Justitie: ‘Ondanks de vergrotingen is uw instelling nog onvoldoende groot voor de opvang van 340 kinderen. Er zijn er maar 300 toegestaan.’ De populatie van het asiel was 346 volgens het jaarverslag van 1897. Dit overschreed het tot dan toe toegestane aantal. Om de nieuwe norm te halen moesten de zusters het instituut verder uitbreiden.

In 1898 bouwde men een nieuwe infirmerie met quarantaineplaats in geval van een epidemie. Ook de andere kwartieren werden uitgebreid. De zusters kochten - waarschijnlijk met het oog op de door de overheid geëiste vergroting van het asiel - een stuk grond van de heer Boelens, een fabriekseigenaar. Ook de apotheek en de stoelen in de kapel werden vernieuwd. In een brief van 18 november 1898 meldt het Ministerie van Justitie aan de directrice dat volgens de Société de Médecine Mentale de Belgique er gevaar is voor besmetting van epilepsie bij debiele kinderen. Er wordt gevraagd om de epileptici onmiddellijk af te zonderen!

In 1899 werden de huisjes vastgehecht aan het asiel rechtover de fabriek van de heer Boelens afgebroken. Er werden een hele reeks nieuwe gebouwen opgetrokken: slaapzalen, klassen, een overdekte speelplaats, een badzaal met verschillende pompen, een medisch kabinet, …De vernieuwingen kwamen waarschijnlijk ook tegemoet aan de opmerking van het Ministerie van Justitie in een brief van 26 mei 1899 dat de m² van de nachtelijke logementen niet altijd indachtig werden gehouden[95]. Het ministerie verlangde dat de tabellen[96] met de inhoud van elk lokaal werden gerespecteerd. Het aantal patiënten in het asiel was op dat moment 351 en de onderhoudsprijs voor de behoeftigen werd verhoogd met 3 centiemen (1,28 frank per dag).

In 1900 werd de hoofdingang van het asiel volledig vernieuwd. De nieuwbouwwerken gingen verder: een ruime reüniezaal voor recreatie en gymnastiek, een werkzaal, een Engelse tuin, … Op 14 maart 1900 ontving de directrice van Sint-Benedictus een brief van het Ministerie van Justitie met volgende opmerking: ’Alle werken en vergrotingen moeten goedgekeurd worden door de overheid. Het lijkt me dat dit in sommige asielen niet gebeurt…’ Op 11 mei 1900 kreeg kanunnik Roelandts de toelating om met de verbouwingswerken te starten. Zijn aanvraag dateerde van 5 januari 1900.

Het onderwijs in de instelling werd ook door de overheid onder de loep genomen. Op 14 mei 1900 ontving de directrice een brief van het Ministerie van Justitie met volgende opmerking: ‘Men heeft mij gesignaleerd dat de klassen in uw instelling niet door onderwijsinspecteurs worden geïnspecteerd. Daarom heb ik de Minister van Onderwijs verzocht om me een rapport van de inspectie door die inspecteurs opgemaakt over het onderwijs in uw klassen. Ik hoop dat u deze heren de toegang tot uw asiel verleent.’[97]
De zusters probeerden die toestand te verbeteren door volgende initiatieven.
Er werden 4 nieuwe klassen geopend, gegeven door gediplomeerde onderwijzeressen (o. a. een Froebel-klas met mooie kasten en tuin voor ‘petites agitées éducables’). Ook didactisch materiaal ‘méthode Bourneville’ werd aangeschaft. In het onderwijs van de kinderen werd dus steeds meer energie gestoken. De zusters stonden open voor nieuwe methodes (Froebel en Bourneville
[98]) en wierven 2 gediplomeerde leerkrachten aan.

Ook in 1901 kocht men meer didactisch materiaal aan: klasmeubilair, wandkaarten, hoepels. Voor het eerst mochten de kalme patiënten (‘paisibles’) gebruik maken van vorken (het vaatwerk bestond uit bladtin het gebruik van messen was in een asiel verboden). De prijs werd in dit jaar verhoogd tot 1,30 frank per dag voor de behoeftigen.[99]

In 1902 plaatste men gas in de rest van het asiel. De keuken werd met 3 gasfornuizen uitgebreid. Men bouwde een muur om de tuin van het asiel af te scheiden van die van de buurvrouw. De religieuzen lieten hun persoonlijke vertrekken (spreekkamer, werkkamer, bureau en refter) herschilderen. Er is sprake van talloze giften aan de kapel van gelovigen om na hun overlijden voor hun zielenheil te bidden of uit dankbaarheid voor de goede zorgen.

Vanaf dit jaar (arrest van 11 maart 1902) werden er wettelijk 400 ‘indigentes’en 25 ‘pensionnaires’ in het asiel toegelaten. Door de vernieuwingen voldeed het asiel aan de wettelijke normen hiervoor. In 1902 waren er in werkelijkheid echter al 418 patiënten in Sint-Benoît aanwezig.[100]

De volgende jaren zijn er voorlopig geen grootscheepse verbouwingen meer. In 1908 meldt het memoriaal echter dat er 50 aanvragen voor opname geweigerd zijn wegens ‘encombrement’. Intussen is het aantal opgenomen patiënten nog altijd heel dicht bij de toegelaten norm van 400 behoeftigen en 25 betalenden. Waarschijnlijk heeft de overheid een groter aantal opnames verboden als er geen verdere uitbreiding van het asiel komt. De jaarverslagen aan de overheid van 1908 melden dat Kanunnik Van Rechem voorbereidingen treft om de lokalen voor de woeligen en half- woeligen te vergroten in de loop van het jaar 1909. Deze kinderen hebben immers te weinig ruimte voor hun fysieke ontwikkeling. Er worden plannen gemaakt om een nieuw paviljoen (Sainte Famille genaamd) te bouwen. [101] En op 11 juni 1909 komen de voorzitter en de leden van de inspectiecommissie van Sint-Niklaas naar Lokeren om het plan en het terrein bestemd voor het nieuwe paviljoen te bekijken.[102] In 1909 is het aantal opgenomen patiënten intussen opgelopen tot 438. In de jaarverslagen van 1909 en 1910 wordt het nieuwe paviljoen beschreven: het nieuwe paviljoen, volgens de nieuwste voorschriften gebouwd, werd opgericht in het meest riante deel van de tuin. Er zijn klassen, slaapzalen, chambrettes voor de surveillantes, een ruime recreatiezaal, badkamer en kleine keuken. Alles wordt verwarmd en verlicht volgens de laatste snufjes. Op 1 mei 1910 krijgt Sint-Benedictus van de overheid de officiële toelating om de opnamecapaciteit te verhogen tot 500 behoeftigen en 25 betalenden. Op 30 mei van datzelfde jaar wordt het paviljoen Sainte Famille ingenomen door de kinderen die ‘voor verbetering vatbaar‘ zijn.[103] In 1911 wordt die norm al ruimschoots bereikt: er worden dan al 507 patiënten in het asiel verzorgd. De onderhoudsprijs voor behoeftigen wordt in dat jaar verhoogd naar 1,32 frank per dag.

De volgende jaren wordt alleen melding gemaakt van de klassieke onderhoudswerken (schilderen en restaureren).

In 1913 wordt in de tuin een lazaret, een quarantainegebouw, geïnstalleerd voor de kinderen die lijden aan tuberculose.

In 1914 wordt de apotheek vernieuwd. Dan breekt de oorlog uit. Bijna wordt het asiel ingenomen door de Duitse bezetter. Op 11 oktober 1914 brengt een Duitse delegatie een bezoek aan Sint-Benedictus. De bezoekers, waaronder een Duitse arts, worden door Mère Idonie en Monsieur Van Brabandt ontvangen. Het gezelschap vraagt of er zalen in het asiel kunnen gebruikt worden voor de gewonden. Mère Idonie zegt dat er bij grote nood een mogelijkheid is om een zaal ter beschikking te stellen. Ze leidt de delegatie naar de zaal van de epileptici. De bezoekers zijn door die ellende zo ontsteld dat ze bedanken voor een verdere rondleiding in het asiel. Ze verlaten beleefd maar haastig Sint-Benedictus. Gedurende de verdere oorlog laten ze het asiel op dat vlak gerust.[104]

Door de barre oorlogsomstandigheden wordt de dagprijs voor behoeftigen tijdens de jaren 1916 (tot 1,42 frank), 1917 (tot 1,52 frank) en 1918 (tot 1,92 frank) verhoogd.

In 1919 gaat alles in het instituut geleidelijk weer zijn normale gang. De schade van de oorlog wordt hersteld. Het paviljoen Sint-Elisabeth, bestemd voor de geïsoleerde tuberculosepatiënten, is vernieuwd en aangepast aan de hygiënische noden. Er wordt een ingenieur aangesteld om de nodige verbeteringen aan te brengen aan verwarming en waterdistributie. De kinderen krijgen een nieuwe uitzet: nieuwe jurken en wintermutsen genaaid met konijnenbont voor wandelingen in de winter. Ook de matrassen van de kinderen worden vernieuwd.

Wegens de duurte van het leven moeten de salarissen van het personeel ook verhoogd worden. De dagprijs voor behoeftige kinderen wordt verhoogd naar 2,67 frank.[105]

In 1920 en 1921 wordt er veel aandacht besteed aan de vernieuwing van de badinstallatie: nieuwe badkamers, douches, voetbaden,… allemaal met verwarmd water functionerend.

In 1920 worden de meest weerloze patiënten (gâteuses) die voordien in ‘fauteuils’ zaten, opgevangen in 2 nieuwe afdelingen en daar te bed gehouden (alitement). Op 10 juni 1916 verschijnt in de ‘Moniteur’ de dagprijs voor behoeftige patiënten vanaf 1921. Die is vastgesteld op 4,51 frank. De kinderen krijgen trouwens ook meer vlees op het menu door de mogelijkheid van koeling van deze producten.

In 1921 wordt alles al in gereedheid gebracht voor de nieuwe functie van het Sint-Benedictus als medisch-pedagogisch instituut[106]. De klassen worden verfraaid en ingericht met het oog op de nieuwe onderwijsmethode, de ‘intuïtieve methode’[107]

Uit het voorgaande kunnen we besluiten dat de congregatie heel wat geld in deze verbouwingen gestoken heeft. Toch blijkt de invloed van de overheid merkbaar. De overheid verplichtte de congregatie om de nodige vernieuwingen aan te brengen eer ze de opname- capaciteit van het asiel mocht verhogen.

 

3.2.2.5 Het financiële aspect

 

Onvermijdelijk rijst nu de vraag hoe de congregatie deze materiële veranderingen gefinancierd heeft. Het uitzoeken van de financiën van de congregatie van de Zusters van Liefde is stof voor een scriptie op zich en niet zo relevant om er in deze verhandeling dieper op in te gaan.

Toch zullen we proberen te schetsen hoe de congregatie de financiering van deze ingrijpende materiële veranderingen in het asiel van Lokeren aanpakte.

Het is een feit dat elke intredende religieuze (behalve in geval van ‘pro Deo’) een bruidsschat (dot) van 2000 frank inbracht. Daarvan werd 200 frank door de postulante aan de novicemeesteres overhandigd. Deze 200 frank werd o.a. gebruikt om kledij, uniform, schrijfkosten, … van de postulanten te bekostigen. Bij de professie van de novicen ontving het moederhuis de resterende 800 frank. De andere 1000 frank van de bruidsschat moest worden gekapitaliseerd en na de dood van de religieuze aan de nabestaanden uitbetaald worden, tenzij de betrokkene eerder een testament in het voordeel van de congregatie had opgesteld.[108]

Bij haar definitieve intrede in de congregatie ondertekende de religieuze een verklaring[109] waarin ze, ten behoeve van de congregatie, afstand deed van volgende zaken:

De generale kas van de congregatie werd dus niet alleen gespijsd door de ‘dot’ van de religieuze, maar ook door het vruchtgebruik van het eigendom van de religieuze. In dit contract stelde de religieuze de mannelijke algemene overste van de congregatie als gevolmachtigde aan om in haar naam haar zaken te behartigen. Hierdoor was de mannelijke Algemene overste ook bij machte hypotheekleningen te nemen op de goederen in vruchtgebruik, waar hij vaak gebruik van zou maken om aan kapitaal te geraken.

Bij het doorbladeren van de boekhouding van het moederhuis van de congregatie vonden we een ongedateerde bladzijde met als titel[110]:

La Caisse générale contient des depots de capitaux, appartenant à:

Dot des sœurs: het 2de deel van de dot nl. de 1000 frank die moest gekapitaliseerd worden.

Caisse de la Congregation : deze bevatte 3 onderdelen:

Hierna volgen een aantal huizen van de congregatie met de vermelding dat dit huis de intrest op zijn kapitaal ontvangt, of dat de intrest op het kapitaal bij het kapitaal zelf mag gevoegd worden en dus niet hoeft uitbetaald te worden. Voor Terhagen wordt vermeld dat de intrest dient voor het onderhoud van de zieken, de doofstommen, etc.

Waarschijnlijk kregen de huizen, die dat wensten of nodig hadden, jaarlijks de intrest op het kapitaal dat ze in de generale kas hadden gestort. Dit kapitaal diende waarschijnlijk o.a. voor het toepassen van de ‘fondations’.

Eigenaardig is echter dat bij Lokeren vermeld staat: ‘ne possède pas de capital’! Dit wijst er dus op dat Lokeren een heel weinig kapitaalkrachtige instelling was. Er zijn nog andere aanwijzingen dat Sint-Benoît niet rijk was.

Als we de boekhouding doorbladeren, valt ons op dat ‘La Maison de Lokeren’ in 1893 maar een jaarlijks bedrag van 100 frank doorstortte aan het moederhuis, terwijl rijkere huizen zoals Bergen en Sint-Truiden 1000 frank stortten. Het huis van Lovendegem stortte dan weer 500 frank per jaar aan de generale kas.

In datzelfde jaar betaalde Mère Idonie 2600 frank aan de generale kas: dit was een intrest van 4% op een geleend bedrag van 65000 frank.[112] Waarschijnlijk was dit bedrag de afbetaling van een op de gebouwen te Lokeren genomen hypotheek.

Dit wijst er dus op dat Sint-Benedictus voor het financiële aspect van haar materiële veranderingen praktisch volledig afhankelijk was van de Algemene oversten. Niet alleen moest Sint-Benedictus de toestemming vragen om veranderingen uit te voeren zoals de Regel het stipuleerde[113], maar bovendien moest de overste van Sint-Benedictus vaak bij de generale kas lenen omdat het huis zelf geen kapitaal bezat. De instelling zelf beschikte over onvoldoende inkomsten om geldreserves aan te leggen voor de besproken materiële vernieuwingen. De financiële draagkracht van Sint-Benedictus was heel wat minder dan die van de kapitaalkrachtige huizen van de congregatie, die voornamelijk rijke, betalende kostschoolmeisjes opvingen, zoals Melsele, Kortrijk, Beerlegem, Zaffelare en Eeklo.

Het grootste deel van de patiënten in Sint-Benedictus was immers behoeftig en de instelling ontving voor hun onderhoud van de overheid (via o.a. het Gemeenfonds) 1 frank per dag (vanaf 1893 steeg dit bedrag), aan de weinige kostgangers werd (de eerste jaren) een bedrag van 400 frank[114] per jaar gevraagd[115]. De inkomsten volstonden (zeker in de eerste jaren) nauwelijks om de onderhoudskosten van de patiënten, het personeel en het onderhoud van de gebouwen te bekostigen. Dit werd duidelijk na het bestuderen van de jaarlijkse ‘bilans’ die we in het archief van het asiel vonden.

We vonden kopieën van de balans[116] van inkomsten en uitgaven van de instelling die jaarlijks, vóór 1 maart van het nieuwe jaar, aan de Algemene oversten moest voorgelegd worden. Deze kopieën behelzen de jaren 1889-1922.We overlopen per jaar de belangrijkste aspecten van de boekhouding van het asiel.

De grootste uitgavenpost was de aankoop van vlees en graan. Ook het onderhoud van de boerderij (koeienstal) en kledij slorpten in de jaren 1889-1890 meer dan 5000 frank van het budget op. De congregatie slaagde er wel in een deel van de boerderijproducten (melk, koeien, mest) te verkopen, zodat een deel van het geïnvesteerde geld kon gerecupereerd worden. Ook aan de medicijnen (van de apotheek) ontving men 1027,22 frank in 1890. In 1889 bleef er 6011,63 frank in de kas over. In 1890 kon er maar 3766,91 frank naar het volgende jaar overgebracht worden. In 1891 bleef er 7494,91 frank in de kas.

In 1892 waren de verbouwingen de grootste uitgavenpost (13 706,91 frank). Aan voeding en kledij besteedde de instelling ongeveer 5000 frank. Ondanks de grote kosten voor de verbouwingen was het saldo voor het jaar 1892 positief (5730,76), dankzij 3000 frank van zuster Raphaël[117] en 6450 frank van het Maison-Mère ‘en remboursement’.

In 1893 ontving Sint-Benedictus meer dan 90 000 frank kostgeld voor de kinderen. De dagprijs was toen verhoogd met 25 centiemen voor de behoeftige patiënten. Wat de betalende kostgangers toen per jaar betaalden, hebben we niet kunnen achterhalen. De uitgaven bleven ongeveer gelijk zodat het asiel in het jaar 1893 een aanzienlijk bedrag van 43 387,04 frank over had.

In 1894 ontving de instelling ongeveer 100 000 frank aan onderhoudsgeld voor de patiënten, maar de uitgaven van de verbouwingen bedroegen meer dan 100 000 frank, zodat het gesticht opnieuw bij het moederhuis moest lenen. Hierdoor was het saldo toch nog 15 901,92 frank.

In 1895 moest Sint-Benedictus een aanzienlijk bedrag (meer dan 30 000 frank) afbetalen, zodat het saldo 4423,16 frank bedroeg.

In 1896 liepen de afbetalingen weer hoog op (bijna 60 000 frank), maar dit werd gecompenseerd door een aanzienlijk bedrag aan kostgelden voor de patiënten. Er was een overschot van 18 666,36 frank.

In 1897 zien we hetzelfde scenario: hoge afbetalingen, maar hogere inkomsten door de kostgelden. Het saldo was amper 2000 frank.

In 1898 ontving het asiel ongeveer hetzelfde bedrag voor het onderhoud van de kinderen. De grootste kost vormden opnieuw de afbetalingen samen met de aankoop van een stuk grond van de heer Boelens. Het saldo was 8703,06 frank.

In 1899 was de balans nauwelijks positief: er was 133,66 frank over. De instelling gaf 63.207,30 frank uit aan de gebouwen en betaalde 18 000 frank af. De dagprijs voor de patiënten werd in 1899 nochtans met 0,03 frank verhoogd.

Ook in 1900 en 1901 vormden de afbetalingen de grootste uitgavenpost. In 1901 verkocht de apotheek van het asiel veel medicijnen: voor een bedrag van 2475,44 frank (ter vergelijking: in 1900 was dit slechts 32,50 frank). In 1900 was het saldo 5403,87 frank en in 1901 bedroeg dit 8931,88 frank. In 1901 bedroeg de onderhoudsprijs per dag 1,30 frank.

In 1902 was de grootse uitgavenpost nog steeds de afbetalingen. In dit jaar werd ook vrij veel geld besteed aan de aankoop van vlees (meer dan voor graan). Het naar 1903 overgedragen bedrag was 1264,51 frank.

In 1903 betaalde de instelling 69 000 frank terug aan het moederhuis. De uitgaven voor graan, vlees, groenten, kledij en onderhoud ervan liepen hoog op. De overgedragen ‘winst’ bedroeg 7931,77 frank.

In 1904 vinden we onder de rubriek afbetalingen en intresten opnieuw een aanzienlijk bedrag: 74 425,5 frank. De instelling hield dat jaar 7648,27 frank over. Het ‘pension des enfants’ bedroeg 204 412,48 frank.

In 1905 zien we minieme verschillen in inkomsten en uitgaven van de instelling. Aan het moederhuis werd 54 100,00 frank terugbetaald. Het saldo was 11 185,87 frank.

Ook in 1906 betaalde Sint-Benedictus de lening aan het moederhuis verder af. De inkomsten voor het onderhouden van de kinderen bedroegen iets meer dan 200 000 frank. Men had 2000 frank inkomsten door de boerderijproducten. Toch had het asiel dat jaar amper 17,50 frank over. Aan het ‘Maison-Mère’ werd een bedrag van 76 154,55 frank betaald. Waarschijnlijk betaalde de instelling te Lokeren het bedrag dat ze dat jaar kon missen aan het moederhuis terug.

Ook in 1907 was de overgedragen winst amper 3116,05 frank. Aan het moederhuis werd meer dan 68 000 frank terugbetaald.

In 1908 had men -na de afbetaling- 7264,96 frank over.

In het jaar 1909 ontving de instelling bijna 40 000 frank minder pension voor de kinderen. Daarom was het aan het moederhuis terugbetaalde bedrag ook minder. Het saldo bedroeg 1170,29 frank.

In 1910 ontving men het achterstallige onderhoudsgeld. De overgedragen ‘winst’ was 11 054,36 frank.

In 1911 werd de dagprijs per kind met 0,02 centiemen verhoogd. Na de afbetalingen bedroeg het saldo 5498,99 frank.

In 1912 ontving het asiel een stuk meer pensiongeld voor de patiënten. Na aflossing van de lening bleef er nog 15 296,48 frank over.

In 1913 betaalde men meer dan 80 000 frank terug en er bleef nog een bedrag van 16 388,04 frank over.

In 1914 ontving het asiel maar 162 648,97 frank voor de kinderen, een heel stuk minder in vergelijking met de vorige jaren. Het aantal patiënten was wel verminderd, maar waarschijnlijk was er een probleem met het uitbetalen van het overheidsgeld omwille van de oorlog. Het asiel hield dat jaar 2080,06 frank over.

In 1915 was het bedrag uitgegeven aan vlees voor het eerst kleiner dan het bedrag uitgegeven voor de aankoop van graan (wegens de schaarste?).Ook aan kledij werd minder dan in voorgaande jaren gespendeerd. De instelling kreeg het achterstallig bedrag voor de behoeftige patiënten en na de afbetalingen (57 449,07 frank), was er nog 8457,63 frank over.

In 1916 betaalde Sint-Benedictus een bedrag van 18 289,36 frank terug, een stuk minder dan het jaar voordien. De dagprijs werd met 10 centiemen verhoogd. Het asiel hield nog een aanzienlijk bedrag van 44 392,33 frank over.

De balans van het jaar 1917 hebben we niet teruggevonden. Uit het memoriaal blijkt dat dit voor de instelling een heel chaotisch jaar was (oorlog, voedselproblemen, overlijden van mère Idonie). We weten wel dat de dagprijs opnieuw met 10 centiemen was verhoogd: namelijk 1,42 frank per behoeftig kind per dag.

In 1918 leende het asiel, dat waarschijnlijk in geldnood zat, 15.000 frank van het moederhuis. De voedselprijzen waren nog altijd heel hoog: men betaalde 50 000 frank voor graan, terwijl dat in 1912 nog geen 20.000 frank was. In 1912 waren er 503 patiënten in Sint-Benedictus opgenomen, in 1918 maar 361. In 1918 ontving het asiel wel 50 000 frank van ‘vluchtelingen’. Het saldo overgedragen naar het volgend jaar, was 29 686,92 frank. Het dagelijkse pensiongeld bedroeg 1,92 frank.

In 1919 ontving men meer dan 350 000 frank voor het onderhoud van de kinderen. De dagprijs was spectaculair verhoogd en bedroeg 2,67 frank. Het saldo was 16 979 frank. Officieel was dit bedrag 59 115,79 frank, maar met potlood was er 42 736 frank van afgetrokken. Waarvoor dit bedrag diende was niet duidelijk.

In 1920 en 1921 werd de dagprijs nogmaals verhoogd (meer dan 4 frank). De uitgaven voor voedsel, kledij, onderhoud van de gebouwen lagen hoger. Ook de personeelskosten waren aanzienlijk verhoogd. In 1920 was het overgedragen saldo 9979,22 frank. In 1921 was dit 9556,53 frank. In dat jaar werd bij de inkomsten een lening van het moederhuis van 40 000 frank ingeschreven.

Deze gegevens maken duidelijk dat Sint-Benedictus zeker geen rijke instelling was. Het asiel moest regelmatig lenen bij het moederhuis om een positieve balans te kunnen houden. De voortdurende materiële veranderingen -vaak door de overheid gestipuleerd- konden enkel mits financiële steun van de generale kas van de congregatie gerealiseerd worden.

 

3.2.3 De zorg voor en de behandeling van de patiënten door de Zusters van Liefde van Jezus en Maria

 

3.2.3.1 Zorg van zusters

 

José Eijt geeft in haar werk over de Ursulinen van Bergen een verhelderende beschouwing van de ‘zorg‘ die de religieuzen voor hun pupillen droegen. Zij baseerde zich hiervoor onder meer op orale bronnen. De visie van José Eijt over zorgverlening door religieuzen is volgens ons waarschijnlijk ook van toepassing op de zorgen die de Zusters van Liefde in Sint-Benedictus aan hun patiënten verleenden. Er konden weinig orale bronnen geraadpleegd worden, aangezien de periode waarover deze studie gaat dit niet meer toelaat. Alleen zuster Vera, onderwijzeres ten tijde van St.-Benedictus als medisch-pedagogisch instituut, hebben we enkele vragen kunnen stellen[118]. Toch durven we ervan uitgaan dat er parallellen bestaan tussen de gevoelens waarover de zusters Ursulinen getuigden (beschreven door José Eijt) en de gevoelens van de Zusters van Liefde ten tijde van St.-Benoît als asiel. Alhoewel we daar natuurlijk nooit zekerheid over hebben.

De zusters zetten zich in voor ‘zorg’ voor anderen. Eén van de zwaarste opgaven was de zorg voor zwakzinnigen. Toch was dit één van de eerste taken van de religieuzen[119]. Volgens de stukjes geschreven in Caritas over de zorg voor die zwakzinnige kinderen putten de zusters hun kracht en inzet voor deze ‘moeilijke kinderen ‘ uit hun religieuze overtuiging. Zo lezen we in Caritas 1921 in de typisch religieuze, bombastische stijl uit die tijd: ‘…Troostende uitslagen worden dan ook bekomen: inderdaad men is ruimschoots vergoed voor alle zorg, wanneer men die kinderen aan de H. Tafel ziet neerknielen, niet eens in ‘t voorbijgaan, maar velen dagelijks, dragend aldus in hun kranke lichaam de kiem eener glorierijke opstanding…Toch zijn er, ach! velen van wie men niets mag verhopen; doch waar de wetenschap machteloos voorstaat, wanhoopt nog de Liefde niet en de ongelukkigsten drukt ze het innigst in haar armen, als om dat onbewust maar overgroot leed in slaap te sussen. Voor hen wil ze al haar krachten ten beste geven…’

Nochtans kwamen de zusters bij het uitoefenen van deze zorgverlening vaak in conflict met ‘andere’ religieuze eisen.
Zo waren sommige zusters te moe om de verplichte gebeden behoorlijk af te werken.
Andere zusters koesterden soms ‘moederlijke’ gevoelens voor de ‘hulpeloze wezentjes’ met een slecht geweten tot gevolg. De Regel hield hun immers voor dat een te grote gehechtheid aan individuele personen een belemmering vormde voor hun exclusieve relatie met God. De zusters moesten van elk kind evenveel houden en elke voorkeur en afkeer voor een bepaald kind uit hun hart bannen.
[120] Vaak was het leven sterker dan de Regel, zo getuigden bij voorbeeld een aantal Ursulinen in het werk van J.Eijt. Veel zusters koesterden ‘moederlijke’ gevoelens voor ‘hun’ kinderen; de kinderen hechtten zich aan de zusters die voor hen zorgden. Het knuffelen van de kinderen bleef tot de jaren 1960 verboden. Maar de zusters, die wisten hoeveel behoefte de kinderen daaraan hadden, gingen hierin soms hun eigen weg, met een beetje een slecht geweten tot gevolg. Wij kunnen ons voorstellen dat deze gevoelens ook bij enkele Zusters van Liefde in Sint-Benedictus voorkwamen. Om hiertegen in te gaan werden de zusters regelmatig en vaak onverwachts door de Algemene oversten naar een andere instelling overgeplaatst.

Aan de andere kant stonden in de Regel ook stellige bepalingen over het aanpakken van de kinderen als ze zich slecht gedroegen: de kinderen moesten steeds met zachtheid en respect behandeld worden, ook als ze gecorrigeerd werden. [121] In de praktijk gedroegen de zusters zich waarschijnlijk niet anders dan de ouders. Ook zij hanteerden straffen als opvoedingsmiddel. Bij deze mentaal gehandicapte kinderen werd trouwens in bepaalde gevallen gebruik gemaakt van dwangmiddelen, waarover verder meer.

Een ander aspect van de Regel dat waarschijnlijk wrong in de omgang met zwakzinnige kinderen was het respect voor de H.Stilte. Dat aspect hebben we reeds aangehaald in het vorige hoofdstuk[122]. De Regel stelde dat de stilte moest gerespecteerd worden op de uren bepaald in het reglement en de zwakkeren die niet tot stilte aangemaand konden worden, moesten door middel van kleine werkjes hiertoe aangezet worden.[123] Het leren rustig zijn was een belangrijke voorwaarde om iets te kunnen ‘aanleren’, pas dan kon men beginnen met het oefenen van de aandacht. Een eerste stap om deze mentaal gehandicapte kinderen iets aan te leren, was zich te leren concentreren en hun aandacht te leren fixeren op een voorwerp. Deze belangrijke eerste stap in de ontwikkeling van deze kinderen, nam echter heel veel tijd in beslag.[124]

3.2.3.2 Opvoeding door zusters: de morele behandeling

 

Het begeleiden van deze mentaal gehandicapte kinderen stond tot in de jaren 1960 in het teken van de opvoeding voor het latere leven. Door een goede vorming zou het zwakzinnige kind zich kunnen ontwikkelen tot een gelukkig katholiek en een nuttig lid van de maatschappij.

In het eerste jaarverslag van Sint-Benedictus aan de overheid (1887) lezen we dat er in de instelling ‘een goede morele opvoeding onder leiding van de hoofdgeneesheer’ gangbaar is. Wat werd hiermee bedoeld?

Kenmerkend voor de Westerse psychiatrie in de loop van de 19de eeuw was het in zwang raken van de ‘morele behandeling’. Hoewel geen specifieke theorie of behandeling is de morele behandeling een combinatie van allerlei praktijken, variërend van land tot land.[125]

In België was Guislain, in samenwerking met Triest en de Broeders en Zusters van Liefde, de meest toonaangevende figuur wat betreft het invoeren van de morele behandeling.[126]

Kort gezegd werd met de ‘morele behandeling’ door Guislain bedoeld dat de arts en het personeel van de instelling de patiënten zó konden opvangen en beïnvloeden dat de zelfcontrole van de krankzinnigen werd hersteld. Dit gebeurde bijvoorbeeld door arbeids- en bezigheidstherapie, het geven van onderwijs, het laten bijwonen van godsdienstoefeningen, het zorgen voor ontspanningsmomenten. Er moest een strikte dagindeling zijn en huisregels zorgden voor orde en discipline. Het was een ‘menselijke’ behandelingswijze en er werd zo beperkt mogelijk van dwangmiddelen gebruik gemaakt.

Het reglement van 1850 over de krankzinnigengestichten uitgaande van de overheid was trouwens op deze methode gebaseerd. [127] Ook de overheid hechtte veel belang aan de morele behandeling.

Hoe pasten de zusters en de arts in Sint-Benedictus deze ‘morele behandeling’ toe? Om deze vraag te beantwoorden, baseerden we ons vooral op de jaarverslagen voor de overheid.[128]

 

3.2.3.2.1 Godsdienstoefeningen

Eén van de belangrijkste doelstellingen van de religieuzen was deze ‘malheureux[129]‘ tot ‘goede katholieken’ om te vormen. De zusters beschouwden het als hun plicht om ook in het zwakzinnige kind het religieuze, geestelijke leven tot ontwikkeling te brengen.

Wanneer zo’n kind haar communie kon doen, was dit voor de zusters een heuglijk feit.[130] Het memoriaal vermeldde voor elk jaar hoeveel kinderen hun communie gedaan hadden.[131] Daarbij kwam nog dat de zusters een volle aflaat van 7 jaar verleend werden op de dag dat iemand die door de zusters hiertoe onderwezen was, de eerste communie deed.[132]

Daarnaast was het deelnemen aan godsdienstige oefeningen een aspect van de morele behandeling dat zeker ook het bewerkstelligen van meer discipline tot doel had.

Het dagelijks bijwonen van de eucharistieviering was daar een voorbeeld van. De meest bekwame kinderen gingen elke morgen om kwart over 6 naar de mis, de minder bekwame gingen enkel op zon- en feestdagen. Deze cijfers [133] werden minutieus bijgehouden en doorgegeven aan de overheid. Zo lezen we in het verslag van 1895 dat er 150 kinderen naar de mis gingen op zon- en feestdagen en 80 ook in de week. Op dat moment waren er 284 patiënten opgenomen in het asiel. Dit betekent dat er in 1895 maar ongeveer 54 patiënten volledig onbekwaam waren om de kerkelijke viering bij te wonen.

De kerkelijke feestdagen werden met veel luister gevierd. Zo vonden we in Caritas van 1910 een artikel over de festiviteiten door Mère Idonie en haar medezusters voor hun ‘hartendieven’ georganiseerd ter gelegenheid van Kerstmis en Driekoningen. Ook het plaatselijk blad ‘De Vrije Stem’ wijdde een stukje aan deze gebeurtenis. Op 25 december voerden de kinderen van de verschillende afdelingen (iedereen die kon lopen en zich min of meer stil kon houden, zelfs ‘semi-agitées’ en ‘épileptici’, werd meegetroond naar de kapel) toneelstukjes op en zongen ze tijdens de viering in de kapel.’s Avonds demonstreerden de kinderen van de ‘eerste’ afdeling hun gymnastiekoefeningen. Op 26 december was het de beurt aan de andere afdelingen: de ‘semi-agitées’ declameerden het verhaal van Kerstmis, de ‘agitées’ zongen rond de kerstboom en ‘s avonds beeldden de kleintjes de 4 mysteries van de ‘rosaire’ uit. Op Driekoningen was het groot feest bij de epileptici: ze voerden een theaterstukje over het kerstgebeuren op.[134]

We concluderen hieruit dat de zusters ‘iets’ met deze zwakzinnige kinderen konden bereiken, al was het dan volledig vanuit hun religieuze motivatie. Ook het artikel in het plaatselijke blad ‘De Vrije Stem’loofde de inzet van zusters en patiënten. Waarschijnlijk werden ook de plaatselijke notabelen en de ouders op deze festiviteiten uitgenodigd.

Uit het voorgaande blijkt dat de kinderen op de verschillende afdelingen strikt gescheiden werden gehouden, ook bij de opvoeringen ter gelegenheid van feestdagen en de voorbereiding daarvan.

In het jaarverslag van 1903 lezen dat er in elke klas godsdienstonderricht werd gegeven. In het verslag van 1904 wordt vermeld dat alle klassen religie van de aalmoezenier krijgen. Het jaarverslag van 1909 vermeldt onder het nieuw aangekochte didactische materiaal: de complete collectie van de catechismus in beeld (68 platen). Ook in het onderwijs speelde religie een belangrijke rol.

 

3.2.3.2.2 Ontspanning

De morele behandeling legde ook de nadruk op verstrooiing en ontspanning voor de patiënten. Een ontspannen sfeer zou het leerproces positief beïnvloeden.

Veel aandacht werd besteed aan - vooral religieuze - feesten. Ook bezoekdagen voor de ouders, jubilea van oversten, Sinterklaas, carnaval werden met festiviteiten opgeluisterd. Voor de kinderen brachten deze feesten plezier en ontspanning. Voor de zusters waren die feesten belangrijk om te laten ‘zien’ wat ze met ‘hun’ kinderen hadden bereikt. Het daadwerkelijk meewerken aan de festiviteiten zorgde bij de kinderen voor meer zelfvertrouwen: in de vorm van een dansje, een toneelstukje, een spelletje gaven de kinderen ‘hun’ bijdrage. Bovendien kregen ze op feestdagen meestal lekkernijen te eten.

Op andere dagen amuseerden de kinderen zich met balspelen, knikkeren, koorddansen, croquet en andere behendigheidsspelen. In 1899 werd een magische lantaarn aangekocht. Het jaarrapport van 1921 vermeldt de klassieke gezelschapsspelen zoals patience, domino, lotto en zelfs biljart.

In de eerste jaarrapporten lezen we dat de kinderen in groep wandelen in de tuin of op de koer[135]. Er werd uitdrukkelijk vermeld dat de kinderen niet in contact kwamen met de stad, ze werden dus bewust van de ‘stad’ weggehouden. Vanaf het jaarrapport van 1892 wordt een onderscheid gemaakt tussen de patiënten die in de tuin wandelen en de anderen die een wandeling buiten het asiel (op het platteland[136]) mochten maken.[137] Er werd wel expliciet bij vermeld dat de patiënten nooit zonder toezicht uitgingen. Volgens de cijfers in de jaarverslagen wandelden er altijd een 40-50 patiënten niet. Deze kinderen waren er waarschijnlijk zo slecht aan toe dat ze een gewone wandeling in de tuin niet aankonden ofwel beschikten de zusters niet over de technische middelen om deze kinderen van de buitenlucht te laten genieten. De jaarrapporten van de oorlogsjaren 1914-1918 vermelden dat de kinderen alléén in de tuin mochten wandelen, waarschijnlijk vanwege het oorlogsgevaar. Vanaf 1919 gingen de kinderen niet alleen wandelen om zich te ontspannen, maar ook in het kader van de lessen. Ze mochten nu zelfs in de omgeving van de stad wandelen. De wandelingen in de stad gaven een goed resultaat, zo stelt het rapport van 1919 nog. Sommige kinderen leerden boodschappen doen in groepjes van 5 à 6. Ze leerden zo de gewone wereld kennen, hun nieuwsgierigheid bevredigen en de prijs, versheid, van de producten kennen. Dit paste in de nieuwe aanpak om de kinderen voor het latere familiale en sociale leven klaar te maken.[138]

Ook muziekonderricht werd als een belangrijke vorm van therapie beschouwd. Op de weldadige invloed van muziek legde Guislain al de nadruk.[139] De meisjes leerden zingen, er waren kleine muzikale ‘séances’ en lessen gymnastiek onder pianobegeleiding. Vanaf 1900 gebeurde dit elke dag en in elke afdeling. Vanaf 1908 werden er elke dag om 8 uur ‘s morgens zang - en gymles gegeven.

Het eerste rapport (1887) meldt dat er geen vaste ouderdag is. De ouders mochten de kinderen waarschijnlijk maar een paar maal per jaar (op feestdagen) bezoeken. Het rapport van 1919 meldt dat er elke zondag visites van de ouders mogelijk zijn wegens het geleden tekort (vanwege de oorlog?). Het rapport van 1921 spreekt van een visitedag voor de ouders op elke eerste zondag van de maand. De kinderen gingen wel elk jaar tweemaal naar huis op vakantie, maar niet alle kinderen konden dit. Daarom organiseerden de zusters een aantal alternatieven om deze kinderen te vermaken: uitstapjes[140], een bal, leuke gerechten klaarmaken, zoals in familieverband. In 1921 werd zelfs een fancy-fair ten bate van deze kinderen gehouden.

De eerste jaren was er geen bibliotheek ter beschikking van de kinderen, maar er werden wel (grappige en leerrijke) historische vertellingen georganiseerd[141]. Gevorderde leerlingen kregen historische, opbouwende en plezierige lectuur aangeboden[142]. Het rapport van 1907 vermeldt een kleine bibliotheek, maar de leerlingen en de leerkracht verzamelden per afdeling en lazen om beurten een stukje uit een boek luidop voor. Waarschijnlijk konden de meeste leerlingen zich moeilijk zonder begeleiding op een boek concentreren. In 1917 moet er al een volwaardige bibliotheek voorhanden geweest zijn, aangezien het jaarrapport vermeldt dat de bibliotheek schade heeft geleden vanwege de oorlog.

De zusters probeerden ook - in navolging van de richtlijnen van Triest en Guislain - een huiselijke sfeer te creëren en een opgewekte stemming bij de zieken te brengen door het versieren van de zalen met bloemen en platen, schilderijtjes en tekeningen van de kinderen.[143]

In de tuin werd gezorgd voor speeltuigen[144] en zelfs voor een klein dierenpark.[145]

 

3.2.3.2.3 Belonen en straffen

Wettelijk [146] was het nemen van disciplinaire maatregelen voorbehouden aan de hoofdgeneesheer, en in zijn afwezigheid aan de directie van de instelling. De hoofdgeneesheer moest trouwens zijn handtekening plaatsen in het register van de ‘contrases ‘ of dwangmaatregelen. In de praktijk was het hoogst waarschijnlijk de directrice (in samenspraak met de surveillantes) die de discipline handhaafde. De rol van hoofdgeneesheer Van Neste was volgens ons ondergeschikt aan de rol van de eigenaar of inrichtende macht van instelling (de mannelijke Algemene overste) die hier vertegenwoordigd werd door de directrice[147].

Het rapport van 1887 stelt dat er dag en nacht continue bewaking is van de kinderen. Dit werd trouwens geëist door de overheid[148]. Ook in de Regel van de congregatie werd deze continue bewaking expliciet geëist[149]. ‘s Nachts werden er in alle afdelingen rondes gehouden. De discipline was in handen van de directrice en de surveillantes, onder leiding van de hoofdgeneesheer. Een hoofdsurveillante was aangesteld om de gardiennes te controleren.

De beloningen voor de kinderen bestonden uit wandelingen, het geven van kleine attenties, zingen, voordragen, zoetigheden en lieve woordjes. De kinderen hadden geen zakgeld en konden zich op eigen initiatief geen zoetigheden aanschaffen. Na het bezoek van de ouders werden de kinderen hierop door de zusters gecontroleerd.

Wat de straffen betrof was er volgens het eerste jaarverslag (1887) geen speciale celafdeling, er waren wel geverfde cellen gelegen buiten de koer voorzien van een matras.
De straffen bestonden uit berispingen, het ontnemen van bepaalde gunsten (geen wandeling, geen zoetigheid, geen deelname aan de spelletjes, aan de zangsessie, geen zondagse kledij, geen recreatie,…).

In bepaalde gevallen werd gebruik gemaakt van dwangmaatregelen. De geboeide zieken sliepen met de andere in dezelfde slaapzaal. De douche werd als straf niet vaak gebruikt[150]. In het eerste rapport vermeldt de directie dat ze vrijgesteld is van het bijhouden van een boek voor de ‘contrases’. Dit blijkt echter niet het geval te zijn, want de overheid berispte de instelling en verplichtte ze wel degelijk zo’n register bij te houden. In een brief van 8 oktober 1888 wees de Minister van Justitie erop dat de instelling het register voor de optekening van de dwangmaatregelen niet voldoende bijhield, zoals nochtans gestipuleerd werd in artikel 30 van de’Loi sur le régime des aliénés’ van 1874.[151]

Om een beeld te krijgen welke dwangmiddelen, hoe vaak en om welke redenen gebruikt werden, bespreken we kort de inhoud van de twee registers betreffende de ‘contrases ‘. Het oudste register handelt over de periode 1890-1910, het tweede vervolgt met de periode 1911-1921. Beide registers kwamen in voege door toepassing van artikel 30 van de ‘Loi sur le régime des aliénés’ en zijn ingedeeld volgens Modèle N [152] in de ‘annexes’ van dezelfde wet.

De gebruikte dwangmiddelen waren: cel, dwangbuis (camisole de force), dwangriem, boeien aan handen en /of voeten, vastgebonden aan het bed, dwangstoel.

De eerste jaren[153] werden bijna alle opgesomde dwangmiddelen regelmatig toegepast, de opsluiting in een cel en de dwangstoel slechts in beperkte mate. Odile B[154] was een behoeftig patiëntje dat regelmatig in het register van de dwangmiddelen werd vermeld. Zij werd in 1887 op dertienjarige leeftijd in het asiel opgenomen. Haar diagnose was ‘idioot/imbeciel’ en haar prognose ‘gereserveerd’. Ze was afkomstig uit Luik. Vóór haar opname in Sint-Benedictus werd Odile al in Sint-Truiden en Beernem behandeld. Volgens de dokter van Beernem wa