Een bijdrage tot de stedelijke lexicografie. Een terminologisch onderzoek aan de hand van diplomatische bronnen. (Steven Van Impe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 2. Onderzoek naar de categorische naamgeving in diplomatische bronnen

 

C. De termen castrum en castellum

 

1. Inleiding

 

Na het onderzoek van de term burgus met zijn verschillende betekenissen, en van de termen die op “centrale steden” betrekking hebben (civitas, urbs en municipium), richt ik mij nu op twee termen die in de grond een min of meer militaire betekenis hebben. Het gaat om castrum en castellum.

Wegens de gedeeltelijke overlapping in betekenis tussen castrum/castellum en burgus1 zullen in dit hoofdstuk soms herhalingen van en verwijzingen naar het eerdere hoofdstuk voorkomen.

Een maatregel die bij het onderzoek naar deze termen moest worden genomen om verwarring en beïnvloeding van de resultaten te vermijden, was het weglaten van nederzettingsnamen die zijn afgeleid van deze termen. Vooral Neufchâteau (Novum Castellum) is een vaak voorkomend geval, maar verder hebben we bijvoorbeeld ook Château-l’-Abbaye vermeden. De reden hiervoor is eenvoudig: een naam als Novum Castellum maakt het onmogelijk na te gaan of de nederzetting zelf al dan niet castellum werd genoemd. Uiteraard moet dit minstens bij de stichting ervan het geval zijn geweest, maar eventuele latere evoluties raakten onvermijdelijk verstrikt in de traditionele naamgeving.

 

1.1 Castrum: definitie

 

Bij civitas hebben we reeds de definitie van Du Cange van het castrum gegeven: “Urbes quae Civitatis, id est, Episcopatus, jus non habent.”[331]

Tijdens ons onderzoek naar de term burgus is gebleken dat vele historici de term castrum als een versterkte burcht zien, min of meer gelijk aan het castellum, hoewel dit laatste ook vaak een beperktere betekenis krijgt.

 

castrum 1 = militaire nederzetting, burcht (= castellum)

castrum 2 = stad zonder bisschop

castrum 3 = versterkte stadswijk (= oppidum ?)

 

1.2 Castellum: definitie

 

Du Cange beschouwt castellum als een verkleinwoord van castrum.[332] Het gaat dus volgens hem om kleine steden die geen bisschopszetel hebben, zoals we reeds vertelden bij de term civitas.

Daarnaast vermeldt hij ook verklaringen die meer aansluiten bij het militaire aspect: een castellum zou een castrum zijn dat op een hoogte lag. In die zin zou het zijn afgeleid van casa alta.

De betekenis ‘kasteel’ (of burcht, steen, ...) komt bij Du Cange niet voor, maar is vrij evident en wordt door vele historici ook gebruikt. De vraag is daarbij hoe we ons dit geheel moeten voorstellen: gaat het om de totaliteit van alles dat in de binnenste schutkring is gelegen, inclusief stallen, kerken en andere gebouwen, of enkel om de kleinste eenheid, de donjon of het grafelijke huis? Deze mogelijke tweeledigheid kan duidelijk worden voorgesteld aan de hand van de Brugse Burg: wordt enkel het grafelijke huis of het geheel van de Burg (inclusief St.-Donaaskerk, steen, huis van de graaf, huis van de burggraaf, proostdij, kapittel, ...) castellum genoemd? In de meeste gevallen is het verschil jammer genoeg niet erg duidelijk.

 

castellum 1 = versterkte stad

castellum 2 = burcht (ruim)

castellum 3 = burcht (beperkt)

 

Bij castellum moeten we natuurlijk ook de termen castellanus (kasteelheer, burggraaf) en castellatura (kasselrij) vermelden. Deze termen heb ik in mijn onderzoek slechts sporadisch gebruikt, als aanvulling op andere gegevens. De reden hiervoor is duidelijk: de term castellanus slaat immers niet op een nederzettingstype, maar op een persoon, terwijl castellatura een afgeleid begrip is met een territorriale betekenis. Verder is er ook nog het woord castellania of castellaria, dat ook op een ruimer gebied slaat: de feodale gronden die bij het kasteel horen.[333]

Uit het gebruik van deze termen mag men niet zonder meer het gebruik van de term castellum voor de kernnederzetting afleiden. We zullen, indien het nuttig kan zijn bij het onderzoek, wel het gebruik van de woorden vermelden.

Uiteraard zou de studie van de relatie tussen een castellanus en het castellum op zich een bijzonder boeiende onderzoekskwestie zijn, doch dit valt buiten het bestek van deze thesis. Een dergelijk onderzoek zou bovendien een totaal andere aanpak vereisen, veel meer gebaseerd op prosopografie, biografie en genealogie dan op archeologie, topografie en taalkunde.

 

1.3 De militaire nederzettingen in de Zuidelijke Nederlanden

 

We kunnen de militaire nederzettingen die op het einde van de 12de eeuw in de zuidelijke Nederlanden bestaan, typeren volgens een chronologische indeling.[334]

De oudste versterkingen die bewaard zijn dateren uit de Romeinse periode. Soms werden deze uiteraard voorafgegaan door nog oudere forten, maar het is vooral de Romeinse structuur met haar rechthoekige muren en dambordpatroon dat in sommige gevallen gedeeltelijk bewaard werd. Het typevoorbeeld is Oudenburg. De meeste van deze nederzettingen dateren uit de Late Oudheid: in de periodes die aan de 4de eeuw voorafgingen heerste de Pax Romana, en waren versterkingen overbodig.

Een tweede reeks versterkingen dateert uit de tweede helft van de 9de eeuw, en werd opgetrokken tegen de Noormannen. Deze omvat de castella recens facta van kort voor 891 uit de Annales Bertiniana, alsook de versterkingen van Atrecht en St.‑Omaars, de vluchtburchten van Thuin en Logne, ...

De derde fase begint na de dood van graaf Arnulf I de oude († 965) en kadert in het fenomeen van versnippering dat zich ook elders in het Karolingische gebied voordoet bij gebrek aan een centraal gezag: de locale heren grijpen de macht. De graven, druk bezig met hun oorlog tegen de Franse dynastie der Robertingers die hun gebied naar het Noorden willen uitbreiden, moeten lijdzaam toezien.[335]

Uiteindelijk zullen Boudewijn IV en Boudewijn V een oplossing vinden: ze incorporeren de castra in hun rijk, schenken de heren de hogere rechtspraak en in sommige gevallen ook de titel comes, en bouwen vanaf 1035 ook zelf nieuwe forten. Dit is de vierde en laatste fase in de evolutie, die door Robert de Fries en Robert II tot het begin van de 12de eeuw wordt doorgezet, wanneer de zuidgrens van het graafschap Vlaanderen door een dubbele fortengordel is beveiligd. We zullen zien dat deze vierde fase vaak overeenkomt met de oprichting van een castrum en de verplaatsing van het oude castellum.

 

2. Analyse van de gegevens

 

2.1 Castrum en castellum

 

In de eerste plaats zullen we de nederzettingen onderzoeken waar beide termen werden gebruikt. Op deze manier kunnen we gedetailleerd nagaan of er in elk van deze plaatsen een verschil was tussen de gebieden die met beide termen werden aangeduid. Later in dit hoofdstuk zullen we ook die gevallen bespreken waarvoor de archeologie een bestaan van beide delen heeft aangetoond, of waarvoor bronnen buiten de Thesaurus Diplomaticus wijzen op een dergelijke situatie, maar die door toeval of andere redenen niet onder de beide termen voorkomen in de oorkonden.

 

Aire *

De nederzetting Aire-sur-la-Lys (Fr., dep. Pas-de-Calais) bezat in de middeleeuwen een erg uitsgestrekt grondgebied, een ruime omwalling, twee grafelijke forten, een grote kapittelkerk, drie parochies, twee hospitalen en een leproserie. Daarmee is ze na Atrecht en St.-Omaars de grootste nederzetting van Artois.[336]

Het castrum van Aire moet gebouwd zijn tussen 1059-1064 (stichting van de castrale kerk) en 1075, de eerste vermelding van een castellatura.[337] Deze eerste oorkonde vanwege Filips I van Frankrijk aan het kapittel van Aire vermeldt de castellatura Ariensis, waarvan de tienden toekwamen aan het kapittel.[338] Het gaat hier om het uitgebreide grondgebied dat door Bernard Delmaire werd beschreven.[339]

Vanaf het begin van de 12de eeuw is Aire volledig en stevig omgord: Walter van Terwaan spreekt van een oppidum munitissimum.[340]

In een oorkonde van Robert II van Vlaanderen uit 1096 vinden we een Balduinus castellanus Ariensis bij de ondertekenaars.[341] In 1111 en in 1113, twee oorkonde van Boudewijn VII, signeerde een Evrardus castellanus de Aria. De oorkonde uit 1113 werd gegeven apud castrum Arie.[342]

In die periode was het castellum nog naast de Sint-Pieterskerk gelegen. Kort voor 1200 werd een nieuw fort gebouwd aan de westflank van de stad. De benaming castellum werd dan overgedragen naar het nieuwe gebouw, terwijl het oude castellum voortaan als aula comitis dienst deed.[343]

Een oorkonde uit 1145 van Diederik van de Elzas aan de abdij van Eaucourt werd te Atrecht opgesteld maar in het castrum van Aire erkend in plena curia.[344] Deze curia vond wellicht plaats in de aula, die dus in het castrum gelegen was.

In 1161 komen we opnieuw een castellanus tegen, deze keer in een oorkonde van Diederik van de Elzas: het gaat om Robert van Aire, kanselier van de graaf.[345] Deze komt ook voor in een oorkonde van 1172.[346]

In 1190 vaardigde Filips van Vermandois een charter uit voor Aire waarin hij spreekt van huizen van de proost en de kanunniken die sive in claustro sive in castro gelegen zijn.[347] Er werd dus een onderscheid gemaakt tussen deze beide begrippen. Dit onderscheid bestaat echter voornamelijk in juridische positie en niet zozeer in geografische tegenstelling: de huizen in claustro zijn gebouwd rond de St.-Pieterskerk en dus in feite ook binnen het castrum gelegen.

Een schenkingsoorkonde uit 1196 van Balderic van Cohem aan Robert van Molesmes werd gedaan in presentia Rotberti Flandrensium comitis, apud castrum quod Aria vocatur, in aula scilicet predicto Roberto comite...[348] Ongetwijfeld is hier de hele stad bedoeld.

 

Antwerpen *

In de vroegste vermeldingen van Antwerpen wordt gesproken van een castrum of castellum. Het gaat hier om vermeldingen uit de Merovingische periode, terwijl de meeste andere bronnen die we hebben uit latere periodes stammen. Vergelijkingsmateriaal is dan ook moeilijk te vinden, vooral omdat de beide termen nadien niet meer voor Antwerpen werden gebruikt. Na deze oorkonden is het wachten tot de 12de eeuw voor er opnieuw oorkonden uit de stad opduiken in de Thesaurus Diplomaticus, en die gebruiken haast allemaal de term burgus. Slechts aan het einde van de 12de eeuw zullen castellum en oppidum telkens éénmaal voorkomen.

 

In de Thesaurus Diplomaticus werd een oorkonde opgenomen uit 693 die het castellum Antwerpis vermeldt. De Thesaurus vermeldt deze oorkonde als “document douteux” maar doet dit ook voor de beide andere oorkonden, waarvan de legitimiteit voldoende vaststaat. Wellicht is deze oorkonde gereconstrueerd op basis van een latere oorkonde, die uit 727 stamt. Het is niet uit te sluiten dat daarbij de oorspronkelijke terminologie werd gewijzigd, en dat de term castellum in de eigenlijke oorkonde (als die al heeft bestaan) niet voorkwam.

Deze eerste vermelding van Antwerpen (693) is de schenking van een kerk door Rohingus, wellicht een grootgrondbezitter, aan de H. Willibrordus. De kerk wordt gesitueerd in Antwerpo castello en dit castellum wordt op zijn beurt geplaatst in pago Renensium. Bij de kerk worden ook appendenciis en villis geschonken, en terciam partem thelonei eiusdem castelli quod nunc est marca regni.[349] Er werd dus tol geheven in de vroege Antwerpse burcht. Ook de legenden over het vroegste Antwerpen vermelden een tol, die werd geheven door de reus Druoon Antigoon. De vermelding quod nunc est marca regni wijst erop dat deze oorkonde in feite is opgesteld aan het einde van de 12de eeuw, weliswaar mogelijk gebaseerd op een origineel uit de late 7de of vroege 8ste eeuw eeuw. Het zou dan een poging zijn van de abdij van Echternach om haar rechten op de tol te legitimeren.

In de tweede oorkonde (726) hernieuwt Rohingus, deze keer samen met zijn echtgenote Babelina, deze schenking. Nu wordt gezegd dat de kerk door Amandus was gebouwd infra castrum Antwerpis super fluvium Schalde.[350]

Met de derde vroege oorkonde (727) schenkt Willibrord de kerk aan de abdij van Echternach. De situering is dezelfde als die in de eerste oorkonde.[351] Wellicht is de eerste oorkonde in latere tijden gereconstrueerd aan de hand van deze oorkonde uit727.

Zoals gezegd is er na deze oorkonde een lacune van verscheidene eeuwen voor Antwerpen weer opduikt in de diplomatische bronnen die zijn opgenomen in de Thesaurus Diplomaticus. In de periode 1119-1183 werd zesmaal de term burgus gebruikt. Deze term had, zoals we hebben gezien bij het hoofdstuk burgus, betrekking op een uitgebreid gebied dat zich zelfs buiten de grenzen van de zogenaamde ‘Ruienstad’ uitstrekte.

In 1192 komt, voor het eerst sinds 727, opnieuw de term castellum voor. Het gaat om een brief van Diederik van Echternach, de auteur van het Gulden Boek van Echternach waarin de drie oudste oorkonden van Antwerpen zijn overgeleverd die we hierboven bespraken. Het is dus niet verwonderlijk dat in deze brief, gericht aan keizer Hendrik IV, dezelfde term wordt gebruikt als in de oorkonden: ofwel gebruikte Diederik deze oorkonden als bronnen, ofwel verwoordde hij de tekst van de oorkonden in zijn eigen taalgebruik.

De tekst somt een aantal verdedigingswerken op die zouden zijn aangelegd in de tijd van de Noormanneninvallen: Ut enim taceamus de Antwerpo castello et ceteris oppidorum vel vicorum nominibus, que vel dux Brabantie vel comes de Gelre et ceteri habent de manu vestre maiestatis in Texandria, in Pedele et in Bethua...[352]

 

Bergen

In 1071 vaardigde Hendrik IV van Duitsland een diploma uit voor Theodoinus van Luik, waarin de castella Mont et Belmont worden genoemd.[353]

Boudewijn II van Henegouwen noemde zich in 1086 nog comes Montensis castri in een oorkonde aan de abdij van Hasnon. In dezelfde akte werd een Godfried als castellanus de Monte genoemd bij de getuigen.[354]

Een charter van een zekere Goswijn uit 1122 werd traditionem apud castrum montem.[355]

In een bulle uit 1182 van paus Lucius III wordt een castrum quod dicitur Castrologus genoemd. Het gaat hier ontegensprekelijk over Bergen (dat soms Castrolocus werd genoemd), want de oorkonde situeert zowel de St.-Germanus- als de St.-Pieters- en St.-Waltrudiskerk in dit castrum.[356]

Een charter van Boudewijn VIII van Vlaanderen-Henegouwen aan het St.‑Waltrudiskapittel in 1192 (opgesteld door de bekende kanselier en kroniekschrijver Gillebert) vermeldt als getuigen de scabini Montensis castri.[357]

Een oorkonde die Boudewijn IX van Vlaanderen-Henegouwen in 1196 voor de abdij van St.-Ghislain uitvaardigde, werd opgemaakt in castro Montensi.[358]

Een charter uit 1197 van Boudewijn IX voor het St.-Waltrudiskapittel geeft aan dat dit kapittel in castro seu villa Montensi de lagere rechtspraak bezit.[359] Vermoedelijk gaat het hier niet om twee synoniemen: castrum en villa werden naast elkaar geplaatst, het kapittel heeft de justitie zowel in het castrum (binnen de muren dus) als in de villa, het landelijke gedeelte dat eromheen lag.

Een akte uit februari 1200 van Boudewijn IX aan het kapittel van St.-Waltrudis is opgemaakt Montibus in castro, net zoals twee aktes van 28 juli 1200 aan de vertegenwoordigers van het graafschap Henegouwen.[360]

 

Bouillon

Een eerste vermelding van Bouillon in de oorkonden van de Thesaurus Diplomaticus vinden we in 1096: in een oorkonde van bisschop Otbertus van Luik aan het OLV.‑kapittel van Dinant worden de castelli van Bouillon en Couvin genoemd als onderpand voor de 34 mark die het kapittel uitbetaalde om de beide kruisvaarders uit de kosten te helpen.[361] Het is duidelijk dat het hier moet gaan om persoonlijke bezittingen van de graaf, dus wellicht enkel zijn persoonlijke burcht en niet de daaromliggende nederzetting.

In datzelfde jaar verkocht Otbertus ook twee molens die hij te Maastricht bezat aan het OLV.-kapittel aldaar, voor 50 mark. In deze oorkonde gaat het om Bulonium castrum: de bisschop houdt pro utilitate ecclesie de mannen en de oogst van huius terre Bulonium dico castrum in zijn bezit.[362] Wellicht wordt hier eerder de nederzetting bedoeld, en niet het grafelijke fort.

In een bulle uit 1116 van Paschalis II en gericht aan Otbertus van Luik wordt gesproken over een conflict in castello Bullionis: Otbertus zou rechten en bezittingen opeisen die toebehoorden aan de aartsbisschop van Reims.[363] Na de eerste kruistocht was Godfried van Bouillon niet teruggekeerd, zodat volgens de afspraak het castellum Bullonium aan de bisschop toekwam. Daarmee waren echter enkel de bezittingen en rechten van de graaf naar Luik gegaan, terwijl de kerkelijke eigendommen en rechten aan het aartsbisdom Reims toebehoorden en bleven toebehoren. Het waren deze rechten die door de bisschoppen van Luik werden geüsurpeerd ten nadele van Reims.

Deze zaak werd uiteindelijk opgelost met een charter van de aartsbisschop uit 1127, waarin Aartsbisschop Reinout II en bisschop Adalbero uitgebreid en gedetailleerd beschrijven quid et quomodo de beneficio Remensis ecclesie quod ad castellum quod Bullion dicitur pertinet.[364]

In beide oorkonden wordt dus de term castellum gebruikt, terwijl het duidelijk niet enkel en alleen kan gaan om het kleine grafelijke kasteel. De gronden eromheen werden dus in dit geval beschouwd als deel uitmakend van het castellum.

Een bulle van Innocentius II uit 1139 beschrijft onder de bezittingen van de St.-Hubertusabdij een capella sancto Joannis in castro Bulon.[365]

Een oorkonde van Frederik I van Duitsland aan bisschop Hendrik II uit 1155 beschrijft onder de bezittingen van deze laatste het castrum Bullon cum advocatia et omnibus pertinentiis suis.[366] In de opsomming van castra die verder aan de bisschop behoren vinden we ondermeer Bergen, Fontaines-l’Evêque, Couvin, Merlemont, Florennes, Fosses en Rochefort.

Een falsum uit het midden van de 12de eeuw dat beweert in 1084 te zijn uitgevaardigd door hertog Godfried IV van Nederlotharingen aan de abdij van St.-Hubertus beschrijft een ecclesia beati Petri apostolorum principis que sita est ante castrum Bulon. Godfrieds grootvader zou daar een abdij gesticht hebben die afhing van de St.-Hubertusabdij.[367]

Een oorkonde van bisschop Radulf van Luik uit 1170 aan de abdij van Bouillon heeft het over een castrum, waarmee de nederzetting werd bedoeld.[368]

 

Brugge *

Reeds in de Romeinse tijd was Brugge blijkens recente vondsten een belangrijke handelsplaats in de Vlaamse kustvlakte. Op de burg werd een nederzetting uit de 2de‑3de eeuw teruggevonden. Verschillende bedenkingen doen ook vermoeden dat er te Brugge een Romeins castrum heeft gestaan, zoals ook te Oudenburg en Aardenburg. Voor de late keizertijd en de Merovingische periode ontbreken de archeologische sporen. Er is dus geen enkele aanwijzing voor bewonings-continuïteit.[369]

Pas in de 8ste eeuw beginnen we aanwijzingen te vinden in historische bronnen: de Vita Eligii (begin 8ste eeuw) vermeldt een municipium Flandrense als gouwhoofdplaats van Vlaanderen, en dit slaat wellicht op Brugge. Als dusdanig vervulde de nederzetting wellicht een administratieve en/of militaire functie. Mogelijk was er in die tijd reeds een kleine burcht, maar dit is allemaal slechts speculatie. De plaats van deze mogelijke burcht is volledig onbekend, maar wellicht bevond ze zich ook op het eiland waar later de Burg werd gebouwd.

Er zijn aanwijzingen dat er reeds bij de Noormannenaanval van 851 een soort vluchtburcht te Brugge bestond.[370] Archeologische opgravingen onder het Burghotel in 1990 hebben een aarden wal en gracht aan het licht gebracht die uit deze fase dateren.

In 880 was er in elk geval een versterking: toen de Noormannen de pagus Flandrensis binnenvielen (zij overwinterden in de Gentse St.-Pietersabdij) verschool de jonge graaf Boudewijn II zich te Brugge tot de rust was weergekeerd. Drie jaar later (883) was Brugge zelf ook niet meer veilig, en verborg de graaf zich in de woestenij van de kustvlakte, terwijl de Brugse nederzetting werd verwoest. Het is niet zeker dat de burcht op dat moment ook werd verwoest.[371] Brugge werd kort voor 891 wel opgenomen in de verdedigingsgordel van de castella recens facta aan de Vlaamse kust, en werd daartoe vermoedelijk door Boudewijn II opnieuw versterkt.[372] Het ging hier echter niet om een klassieke ronde vluchtburcht, maar om een vierkante burcht die uitgerust werd met de nieuwste technieken op het gebied van verdediging. Deze burcht was blijkbaar zo modern en sterk dat de Westfrankische koning Odo in 892 de oorlog met Boudewijn II afblies en onverrichterzake terug naar huis keerde, toen hij hoorde dat de graaf zich met zijn leger in de Brugse burcht verschanst had.[373]

Onder graaf Arnulf I (918-965) werd een nieuwe burcht gebouwd, die gedurende de hele middeleeuwen zou blijven bestaan. Deze werd in het midden van de 11de eeuw verder uitgebouwd door Boudewijn V, die de houten palissade verving met stenen die hij uit het puin van het castrum te Oudenburg haalde.[374]

Vanaf het jaar 1000 beginnen de geschreven bronnen talrijker te worden. Brugge wordt beschreven als een belangrijke handelsstad. Er zijn aanwezingen van contacten met de Scandinavische wereld in de 10de eeuw.[375]

Waar deze handelsnederzettingen dan wel gelegen hebben, blijft voorlopig een open vraag. We weten ook niet of er voor 1127-1128 reeds een stadsomwalling heeft bestaan, hoewel de vierkante structuur van waterlopen rond de ruime omgeving van de Burg doet vermoeden dat hier een omwalling lag. Deze zou dan niet enkel de Burg maar ook de handelsnederzetting omsloten hebben. Een andere mogelijke plaats voor de handelsnederzetting is de oudburg, de omgeving bezuiden de Markt, waardoor de huidige straat genaamd Oudeburg loopt. Deze straat loopt ongeveer van de Burg naar de St.-Salvatorkerk. De aanwezigheid van de Markt doet in elk geval vermoeden dat er reeds vroeg handel werd gedreven in deze wijk.

Volgens DeWitte & Ryckaert werd ook deze oudburg ooit door een omwalling begrensd, maar de grachten die de noord- en westgrens vormden zijn mettertijd verdwenen.[376]

Een verdere aanwijzing voor deze stelling vinden we in een oorkonde van 1089 door Robrecht II: daarin wordt de term castellum forinsecum gebruikt, vermoedelijk voor het gebied rond de St.-Salvatorkerk.[377] Van Werveke dacht daarbij aan een synoniem van de Veurnese Butanburg, een nederzetting die buiten de omwalling van de burcht gelegen was dus.[378] Moeten we er echter niet van uitgaan dat deze term slaat op een versterking, of minstens een omwalling? Het is immers net deze wijk waar de straat Oudeburg ligt, en waar De Witte & Ryckaert een omwalling vermoeden.

 

De oudste oorkonden over Brugge dateren slechts van de tweede helft van de 11de eeuw. De eerste vermeldingen van de nederzetting betreffen de term castellum.

In 1067 ondertekent Erembaldus (stamvader van de Erembalden die later Karel de Goede zullen vermoorden) als castellanus de Brugis een oorkonde van Boudewijn V van Vlaanderen aan de abdij van St.-Winoksbergen.[379] Zoals in de inleiding gezegd, mogen we het bestaan van een castellanus echter niet zonder meer gelijkstellen met het gebruik van de term castellum.

Een oorkonde uit 1086 betekent de eerste vermelding van een term met betrekking tot een nederzettingstype: in een charter van Radboud II van Noyon aan het St.‑Donaaskapittel werd deze kerk in castello Brugiensi gesitueerd.[380]

Op 31 oktober 1089 vaardigde Robert II het bekende charter uit waarmee de proost van St.-Donaas tot erfelijk kanselier van Vlaanderen werd benoemd. In deze oorkonde wordt de OLV.-kerk in het castellum gesitueerd.[381] Het weze opgemerkt dat hiermee de St.-Donaaskerk werd bedoeld, die een dubbel vocabel had, en niet de (latere) OLV.-Kerk die over de Reie lag. Een tweede oorkonde uit 1089, ditmaal van Radboud II van Noyon (28 december 1089, ns) vermeldt dezelfde situering van de OLV.-kerk in het castellum.[382]

In het charter van Robert II werd ook de mysterieuze term castellum forensicum gebruikt voor het gebied waar de St.-Salvatorkerk lag, duidelijk buiten de grafelijke versterking dus maar mogelijk binnen een omwalling van de Oudeburg.[383] De term castellum forensicum zou dan niet zoals in Veurne (de ‘Butanburgh’) slaan op een nederzetting die buiten de burcht gelegen was, maar op een ‘burcht buiten de burcht’ (vandaar ook de specificatie castellum). De betekenis van castellum forensicum zou zoiets kunnen zijn als ‘versterkte marktplaats’ (forensicum betekent ‘tot het forum behorende’). In dat geval wijkt de functie van de Oudburg te Brugge af van die van andere oudburgen, die geen handelsnederzettingen waren maar wijken van ambachtslieden. De uitzonderlijke positie van Brugge, dat reeds vroeg een handelscentrum met internationale allures werd, kan dit verschil veroorzaakt hebben.

In 1089 vinden we in een oorkonde van Radboud II van Noyon voor de St.-Donaas ook de eerste vermelding van Brugge onder de term burgus. Het gaat om de enige vermelding van een burgus te Brugge in de oorkonden van de Thesaurus Diplomaticus. De OLV.-kerk werd er in de burgus gesitueerd, waarmee waarschijnlijk de grafelijke burcht werd bedoeld en burgus dus in de betekenis burgus1 werd gebruikt. Het gaat om één van de enige malen dat de term op deze manier werd gebruikt in de oorkonden van de Thesaurus Diplomaticus.[384]

In een bulle van 8 april 1103 situeerde paus Paschalis II de St.-Donaaskerk infra ambitum castri.[385] Wellicht werd met deze term, de eerste keer dat hij aangaande Brugge gebruikt werd, de nederzetting bedoeld die ca. 1089 een omwalling had gekregen. De Burg was natuurlijk ook in deze nederzetting gelegen. Toch kunnen we het vreemde gebruik van castrum voor de Burg zelf niet uitsluiten.

Een oorkonde van Karel de Goede uit 1122 gebruikte de formulering actum publice in castro Brugensi.[386]

Gravin Sybille van Vlaanderen liet terwijl haar man op kruistocht was kort voor 1139 de abten van Anchin en van Voormezele samenkomen in Brugensi castro om een geschil tussen hen beiden op te lossen.[387] Na zijn terugkomst uit het Heilig Land bevestigde Diederik van de Elzas met ongeveer dezelfde woorden haar oordeel.[388]

In 1145 bevestigde Diederik een charter aan de St.-Baafsabdij, ook weer in castro Brugensi.[389]

In de keure die Filips van de Elzas op 12 juni 1177 aan Brugge verleende, werd een tol (bannitus) opgelegd ad opus castri, om de burcht te onderhouden.[390]

Een charter van bisschop Everhardus van Doornik uit 1184 aan de St.-Martinusabdij van Doornik beschrijft een betaling in gewicht van eerste keus runderen (pensiones butyri probati ad pondus) vanwege het castrum Brugensis.[391]

We stellen dus vast dat de term castrum pas opduikt ná de omwalling van de nederzetting van ca. 1089, en dat deze meestal betrekking had op deze nederzetting. De oudere woonkern, de oudburg, was ook omwald maar kreeg de naam castellum forensicum.

 

Brussel *

Zoals reeds gezegd bij de term burgus werd het Brusselse fort gebouwd kort na 977 rond de St.-Gorikskerk.

In 1099 werd voor het eerst een Franco, castellanus de Bruxella genoemd.[392] Deze werd ook in 1121 vermeld, terwijl de akte werd opgesteld apud Brussele super castellum.[393] In deze periode werd wellicht ook de stadsomwalling gebouwd, en verhuisde de graaf zijn kasteel naar de Koudenberg.

In 1150 kocht Godfried III van Brabant een stuk grond ter grootte van 18 bunders, gelegen tussen Beveren, Strombeek en Groot-Bijgaarden, ten voordele van de kerk van Brussel. Deze verkoop gebeurde in castro coram hominibus.[394]

In 1151 vaardigde Godfried III een oorkonde uit voor de abdij van Affligem. Het eschatochol van dit charter vermeldt actum est Bruesselle super castrum.[395]

 

Chiny

In een oorkonde uit 1097 schenkt graaf Arnulf II van Chiny de St.-Walburgiskerk infra castrum meum Chisnei sitam aan het St.-Arnulfklooster aldaar.[396]

Ook de tweede oorkonde, uit 1144, noemt de St.-Walburgiskerk en situeerde deze in Chisniacensi castro en vermeldde dat ze ondergeschikt was aan de abdij.[397]

Het castellum van Chiny komt voor in een oorkonde uit 1159 van graaf Albert van Chiny, eigenlijk zijn testament, waarbij hij het banrecht over het castellum aan de abdij schenkt.

 

Couvin

We hebben reeds gezien bij de bespreking van Bouillon dat het kasteel (castellum) van Couvin in 1096 als onderpand diende bij de bisschop van Luik, in ruil voor de financiering van de kruistocht van zijn heer.[398]

Een oorkonde van kort voor die afspraak (vermoedelijk rond 1093), eveneens door bisschop Otbertus, maakte bekend dat de bisschop het castellum de Couino cum appenditiis had gekocht van graaf Boudewijn II van Henegouwen. Verderop wordt gesproken van illud castrum, waarbij de beide termen dus gelijk behandeld blijken te worden.[399]

Het castrum Covinum cum omnibus pertinentiis werd in 1155 ook genoemd in een lange opsomming van castra in een oorkonde van Frederik I Barbarossa aan bisschop Hendrik II van Luik.[400]

 

Dowaai *

Zoals we reeds bij de bespreking van burgus hebben gezien, bestaat Dowaai uit een versterking (voor het eerst vermeld in 930 in de Annales Flodoardi) waarrond een nederzetting groeide, die aan het einde van de 11de eeuw ommuurd werd.

Een eerste vermelding van een castellanus Duacensis in de Thesaurus Diplomaticus vinden we in twee oorkondes uit 1065 aan de abdij van Hasnon, uitgevaardigd door Boudewijn I van Henegouwen in het ene geval en Filips I van Frankrijk in het andere.[401]

Een oorkonde uit 1076 van graaf Robert I van Vlaanderen gebruikte de term castellum in de beschrijving van een stuk grond dat door Arnulf I van Vlaanderen was vrijgesteld van tribuut totam terram castelli ab ecclesia usque ad pontem sancti Amati.[402] Dit stuk grond was dus gelegen in het castellum.

In 1081 vaardigde bisschop Gerard II van Kamerijk twee oorkonden uit aan het St.-Amé-kapittel te Dowaai . Eén van deze oorkonden bespraken we reeds bij de term burgus: deze oorkonde heeft het over zes hospitalen in Duacu, en één in de burgus: in Duacu, juxta Vineam, sex hospitibus liberis, et in burgo I nec tamen libero.[403] Met Duacum juxta Vineam werd hier wellicht een landelijke, niet ommuurde of omgrachte nederzetting bedoeld, mogelijk de wijk die op de kaart van Van Deventer met Duaculum werd aangeduid. Onder de burgus moet dan wellicht het ‘Castel Bourgeois’ van Van Deventer verstaan worden, een wijk die mogelijk als oudburg gekwalificeerd kan worden.

In de tweede oorkonde, uitgevaardigd op dezelfde dag, door dezelfde bisschop en aan hetzelfde St.-Amatuskapittel, worden wellicht dezelfde hospitalen vermeld: in loco qui dicitur Vinea, VII hospites liberos et in castro iuxta ecclesiam sancti Amati I mansum feodo cantoris eiusdem ecclesie.[404] Vermoedelijk werden de zes hospitalen die hierboven in Duacu juxta Vineam werden geplaatst, en het ene hospitaal in burgo samengeteld tot de zeven hospitalen die dan in Vinea lagen, waarbij het territorium dat deze naam besloeg werd uitgebreid.

In 1176 tenslotte gebruikte een oorkonde van Filips van de Elzas aan de abdij van Marchiennes de term castrum om de nederzetting aan te duiden: de familia van de St.-Rictrude- en St.-Eusebia-kerk werd vrijgesteld van tol (a theloneo liberam).[405]

 

Gent *

De geschiedenis van Gent is reeds uitvoerig beschreven onder de term burgus. Het veelvuldige gebruik van de termen castrum en castellum aangaande Gent vereist echter dat we daarop in dit hoofdstuk uitgebreid op terugkomen.

Een eerste oorkonde van Arnulf I van Vlaanderen aan de St.-Pietersabdij stamt uit 941. Daaruit blijkt dat er te Gent meerdere kernen geweest zijn die met de term castrum zijn aangeduid: de formulering luidt immers in castro Gandavo quod Blandinium vocavit.[406] Het is duidelijk dat de St.-Pietersabdij, waarover het hier gaat, onmogelijk in het Gentse castrum rondom de grafelijke burcht gelegen kan hebben. Ofwel werd hier dus gewoon verwezen naar het versterkte karakter van de abdij (het Sint-Pietersdorp dat rondom de abdij lag had geen omwalling), ofwel was deze oorkonde een uiting van de ‘primordialiteitsstrijd’ tussen de beide Gentse abdijen, die alletwee beweerden als eersten door St.-Amandus zelf gesticht te zijn.

Een oorkonde die in elk geval in deze primordialiteitsstrijd past is de vervalste bulle van Eugenius I, vervaardigd in de late 11de eeuw maar gedateerd op 655, waarin de St.-Baafsabdij wordt gesitueerd in castro famoso nomine Gandavum.[407]

Na deze reeks oorkonden die uit de omgeving van de beide abdijen stammen, vinden we een aantal grafelijke oorkonden. Terwijl castrum in de voorgaande oorkonden wellicht om propagandistische redenen werd gebruikt, gaat het hier om een meer normaal gebruik.

Een charter van Karel de Goede uit 1120 vermeldt een stuk grond ultra Wilflit sitam in castellaria Gandensi, dat onterecht was afgenomen van een zekere Everwackero Gandensi oppidano.[408] Welke waterloop met deze Wilflit bedoeld werd, heb ik niet kunnen ontdekken, maar wellicht werd met de castellaria een beperkt gebied in de omgeving van het Gravensteen bedoeld.

Een oorkonde van Diederik van de Elzas uit 1130 aan de St.-Baafsabdij werd actum publice in castro Gandavo.[409] Hiermee werd wellicht het Gravensteen bedoeld, of de kleine, ommuurde nederzetting die errond lag.

Een charter van bisschop Anselmus van Doornik uit 1148 biedt meer zekerheid: de bisschop zegent een capella leprosorum, gelegen ultra Leiam in alodio sancti Bavonis, en dit ten gebruike van tam cleri quam populi Gandensis castri.[410] De aanduiding ultra Leiam duidt zonder twijfel op de wijk Overleie, waar Verhulst een portus vermoedt, gelegen tussen de Leie en de Oude Houtlei, en waar kort voor 1105 de St.-Michielskerk was gesticht.[411] Reeds in 966 schonk Lotharius een aantal mansioniles, gesitueerd ultra Legiam de portu Gandavo aan de St.-Baafsabdij.[412]

In 1177 vinden we de keure van Filips van de Elzas waarin wordt gesproken over het opus castri.[413] Hiervoor verwijzen we naar het overzicht dat werd gegeven bij de bespreking van de gelijkaardige keure voor Brugge uit hetzelfde jaar.

In 1199 spreekt een charter van Boudewijn IX over het castrum comitis, waarmee wellicht het geheel van het Gravensteen met het plein daarvoor bedoeld werd.[414]

Een oorkonde van 1201 van Boudewijn IX aan de grafelijke kapel noemt deze capella mea quae est in castro Gandensi.[415] Het gaat hier om de St.-Veerlekerk, die gelegen was op het plein vóór het gravensteen. Hier vinden we dus de bevestiging dat dit plein tot het castrum van de graaf behoorde.

 

Luxemburg

Het kasteel van Luxemburg werd in 963 gebouwd door graaf Siegfried, nabij een reeds bestaande handelsnederzetting in de buurt van de oude villa Weimerskirch. Bij deze villa hoorde reeds een vluchtburcht, gebouwd ter beveiliging tegen de invallen van de Magyaren, vermoedelijk rond 926.[416]

In 963 vinden we inderdaad een oorkonde waarmee Siegfried, comes de nobili genere natus, een eigendom ruilde voor een stuk grond van de St.-Maximinusabdij van Trier waarop het castellum gebouwd zou worden.[417] Dit stuk grond was gelegen op een smalle heuveltop, de Bock genoemd, die zo klein was dat voorburcht en de castrale kerk op het plateau onder de rots gebouwd moest worden.[418]

Kort na de bouw van het kasteel richtte Siegfried ook een bevolkingsnederzetting op aan de voet van zijn burcht. De bevolking van de oude villa werd dus naar de nieuwe burcht toegetrokken; de oude nederzetting verloor daarbij alle belang en verviel tot een landelijk gehucht. De oprichting van deze nederzetting is kort voor 987 te situeren: in dat jaar zegende aartsbisschop Agibertus van Trier de kerk in: dedicata est ecclesia in castro Lucilenburco.[419] De term castrum wijst hier dus op de bevolkingsnederzetting, die voorzien was van een stevige aarden omwalling.[420]

Twee opeenvolgende oorkonden aan de OLV.-abdij van Luxemburg uit 1123, de ene van de graaf en de andere een bevestiging van deze oorkonde door de aartsbisschop van Trier, situeren de abdij secus predictum castrum.[421] Het gaat daarbij duidelijk om de versterkte nederzetting. Een charter vanwege Hendrik I, graaf van Namen en Luxemburg, aan de abdij gebruikt de term castrum in dezelfde betekenis, en geeft aan dat het om een juridisch grondgebied gaat onder jurisdictie van de graaf.[422]

 

Namen

Naast enkele vermeldingen als vicus en portus in de 9de-10de eeuw worden er te Namen een castellum en een castrum genoemd.[423]

De oudste vermelding van een castrum stamt uit een vervalsing die beweert in 932 te zijn opgesteld maar in feite uit het begin van de 12de eeuw moet stammen. Het gaat om een diploma van Hendrik I de Vogelaar, koning van Duitsland, aan de abdij van Brogne, waarin de graaf van Namen wordt verzocht de abdij te patroneren, quia locus ille consistit in vicinia castri Namucensis.[424]

Daarna zijn er twee oorkonden van Hendrik I de Blinde van Namen waarin een castellum ter sprake komt. Bij de opsomming van goederen van het St.-Aubinkapittel te Namen in 1159 komen we te weten dat de schepenen van Namen ook de justitie uitoefenen super allodium infra tamen parrochiam castelli excubie quam appellant guete.[425] Gysseling vermeldt geen plaats die ‘guete’ heet, maar vermoedelijk gaat het hier om een uitkijkplaats (‘guetter’ is Frans voor ‘uitkijken, bespieden’) wat ook meteen strookt met het woord excubie, wat ‘in de open lucht’ betekent.

In 1184 vaardigde Hendrik de Blinde een charter uit voor de abdij van Villers. Onder de getuigen vinden we een Robertus prepositus ecclesie sancti Petri de castello, capellanus comitis.[426]

In de narratio van een charter van Boudewijn V van Henegouwen (Boudewijn VIII van Vlaanderen) legt deze er de nadruk op hoe hij via zijn oom, Hendrik de Blinde, iure hereditario graaf van Namen is geworden, en dat hij door Hendrik VI van Duitsland tot markgraaf was benoemd van het castrum Namucensis.[427] In deze oorkonde, opgesteld door de kroniekschrijver en kanselier Gillebert van Bergen, wordt castrum dus gebruikt als een pars pro toto, waarbij het graafschap Namen wordt bedoeld.

Een oorkonde uit 1195 aan de Hospitaalridders vertelt op min of meer dezelfde uitgebreide manier de aanspraken van Boudewijn op Namen.[428] Deze uitgebreide beschrijvingen zijn typisch voor de stijl van Gillebert van Bergen. Het zou interessant zijn na te gaan hoe deze kanselier de termen castrum en castellum in zijn kroniek van Henegouwen gebruikt.[429]

 

St.-Omaars *

We hebben Sint-Omaars reeds in de twee voorafgaande hoofdstukken behandeld: de term burgus werd frequent gebruikt om de nederzetting aan te duiden. Ook de term urbs komt regelmatig voor in oorkonden, evenals civitas. Verder worden nog oppidum en suburbium gebruikt.[430]

In 1085 wordt een castellatura sancti Audomari vermeld, naast de kasselrijen Veurne, Cassel en Kortrijk: het St.-Pieterskapittel van Veurne bezit twee delen van de tienden van de kasselrijen van St.-Omaars, Cassel en Kortrijk.[431]

In 1114 werd een charter van Boudewijn VII voor de abdij van Watten opgesteld in castrum Sancti Audomari. In dezelfde oorkonde tekent ook een burggraaf van St.‑Omaars.[432] Dit zijn de enige vermeldingen van een castrum in St.-Omaars.

In 1122 schonk Lambert van Cassel, ten overstaan van Karel de Goede, aan de St.-Martinusabdij van Okselare een stuk grond quam hereditarie in alodium possidebat in castellania Sancti Audomari apud villam Hasbruc.[433] Met castellania wordt hier blijkbaar een erg uitgebreid gebied bedoeld.

Een stadscharter voor St.-Omaars werd in 1127 uitgevaardigd door graaf Willem van Vlaanderen. Daarin worden de statuten vastgelegd van de wachters die het castellum bewaken. Een jaar later bevestigde Diederik van de Elzas deze bepaling in een nieuwe keure. De formule werd ook bevestigd in 1164 door Filips van de Elzas, en in 1198 tenslotte door Boudewijn IX.[434]

Bij het huwelijk van Filips van de Elzas met Elisabeth van Vermandois in 1159 schonk de graaf haar als dotatie het castellum Sancti Audomari, naast de kastelen van Kortrijk, Harelbeke en Horst.[435]

Een oorkonde van Filips van de Elzas uit 1175 lost een geschil op tussen de beide kerken (St.-Omaarskerk en St.-Bertijnsabdij) enerzijds en de burgers van St.-Omaars anderzijds aangaande de gemeenschapsgronden (de communi pastura): de weide werd verdeeld door de seniores en de parium ipsius castelli.[436] Dit charter werd in 1194 bevestigd door Filips II August.[437]

 

*

*            *

 

Zoals bij het begin van dit kapittel gezegd, zal ik na deze beschouwing van nederzettingen waar de oorkonden uit de Thesaurus Diplomaticus zowel een castrum als een castellum attesteren, dieper ingaan op die gevallen waar enkel met de term castrum wordt gebruikt, maar blijkbaar ook een castellum heeft gestaan (dit kan worden geverifieerd aan de hand van andere bronnen, literaire zowel als archeologische).

 

Borgloon

Vanaf het 2de kwart van de 11de eeuw was Borgloon de hoofdstad van het graafschap Loon. In 1179 werd de stad echter ingenomen en verwoest door bisschop Radulf van Luik. De graven van Loon verhuisden naar het kasteel van Kuringen nabij Hasselt, waarbij Borgloon slechts een zuiver defensieve functie behield na heropbouw van het kasteel. De nederzetting verviel, ten nadele van Hasselt.[438]

We hebben slechts één oorkonde gevonden waarin Borgloon wordt gekoppeld aan een nederzettingsterm. In 1171 deden gravin Agnetha en haar zoon Gerard een vrome schenking aan het kapittel van Borgloon. De oorkonde vermeldt facta est hec donatio in ipso castro de Berlos.[439] De castrale kerk, gewijd aan St.-Odulf, was gelegen in het neerhof van de burcht. Voor de poort van het kasteel was een markt aangelegd, en daaromheen groeide een bevolkingsnederzetting.[440]

 

Ieper

Het castrum van Ieper werd vermeld in 1195 in een bulle van Celestinus III aan de St.-Martinusabdij, waarbij de abdij het alleenrecht kreeg op het inrichten van scholen infra castrum Yprense.[441]

Een tweede bulle, door Innocentius III in 1200 opgesteld, situeert de St.‑Martinusabdij, de St.-Pieterskerk en de St.-Johanneskerk infra castrum Yprense. Het is duidelijk dat het om de nederzetting moet gaan.[442]

Geen van de oorkondes vermeldt een castellum te Ieper, maar er zijn wel verschillende burggraven van Ieper die getuigen zijn bij oorkondes van de graven van Vlaanderen en de bisschoppen van Terwaan.[443]

 

Rijssel

Hoewel Rijssel reeds sinds de late Keizertijd een handelsnederzetting geweest moet zijn, gelegen op de plaats waar haar rivier de Deule onbevaarbaar wordt, komt de eerste geschreven vermelding er pas in 1054, met het beleg van het castellum door de keizer.[444]

Derville meldt ons dat het castrum pas voorkomt in het charter van 1066, maar een oorkonde uit 1058 van Boudewijn V aan de St.-Pietersabdij te Gent vermeldt reeds in het castrum te zijn opgemaakt: actum publice apud castrum Isla nomine.[445] Derville stelde ook dat het pas was gebouwd na 1054, want de keizer had slechts een castellum gevonden. Vermoedelijk was Boudewijn V de oprichter van het castrum. Lang werd aangenomen dat het castrum werd gebouwd op een plaats waar voorheen geen bewoning geweest was, maar recent zijn Merovingische en mogelijk Karolingische sporen gesignaleerd. De centrale site werd echter verwoest door de aanleg van het nieuwe gerechtsgebouw.[446]

In het charter van 1066 voor de St.-Pieterskerk, de castrale kerk, vinden we de vermelding van een suburbium van eiusdem castri id est Islensis. De kerk krijgt bezit over de tiende in het suburbium en in het castrum.[447]

Het castrum wordt ook genoemd in twee oorkonden van Robert II uit 1093, waarin deze een nobilis, Ingelram, die in het castrum Lilleriensis woonde, toestemming gaf een abdij te bouwen te Ham-en-Artois.[448]

In een oorkonde uit 1112 werd de burggraaf aangeduid met Rogerus castri Islensis.[449]

In 1163 vaardigde Filips van de Elzas een oorkonde uit voor de St.-Martinusabdij van Doornik, Actum apud Insulanum castrum.[450]

Vermeldingen van een castellum zijn in de oorkonden van de Thesaurus Diplomaticus niet te vinden. Er zijn echter talloze vermeldingen van een castellanus.[451]

 

Valenciennes *

Bij de bespreking van de term burgus hebben we reeds gezien dat er te Valenciennes een grafelijke versterking was, waarbij een eerste nederzetting aanleunt (rond de St.‑Gorikskerk), met op enige afstand een novus burgus rond de OLV.-Kerk. De versterking zelf bestaat uit een burcht en een ommuurde nederzetting, waarin de St.‑Jansabdij gelegen was.

Een eerste vermelding van het castrum in de Thesaurus Diplomaticus stamt uit 1058. De mannen van een bepaalde villa moeten manschap doen aan de graaf ad castrum Valentianas vel ubi jusserit.[452] Het is duidelijk dat de graaf het castrum als zijn eigendom beschouwt, en meer zelfs: als een centrum van zijn macht.

In 1145 vaardigde Nicolaas I van Kamerijk een charter uit voor de St.-Jansabdij om het geschil op te lossen tussen de abdij en de oudere St.-Gorikskerk dat we reeds hebben besproken bij het hoofdstuk burgus: de St.-Goriksparochie loopt blijkbaar tam in burgo quam in castro Valencianensi.[453]

In 1166 vinden we een oorkonde van Boudewijn IV van Henegouwen die in het eschatochol vermeld datum apud Valentianas castrum.[454]

Een charter van Boudewijn V situeert een mansus van een zekere Amandus van Prouvy in castro Valencenensi en vlakbij (proximior) de St.-Janskerk.[455]

In 1195 tenslotte vaardigde Hendrik III, abt van de St.-Vaastabdij, een charter uit voor de abdij van Ninove waarbij deze een jaarlijkse schenking krijgt in geld cuiuscumque valoris fuerit de qua in castro Valencenensi publice vendatur vel ematur.[456] Het castrum krijgt hier dus een economische betekenis. Het is dan ook de vraag of de term hier niet in een bredere zin werd gebruikt en op de hele nederzetting Valenciennes , dus inclusief de handelswijken buiten de muren sloeg.

 

Veurne

We hebben reeds in het hoofdstuk burgus gezien dat te Veurne kort voor 891 een castellum was opgetrokken. In 1105 blijkt er een binaburch met St.-Walburgiskerk en een butanburch met St.-Nikolaaskerk te zijn.

In een oorkonde van Filips van de Elzas uit 1174 aan de St.-Nicolaasabdij worden 25 mensuras grond genoemd die door Everardus Radol van Doornik aan de abdij worden geschonken. Deze grond is gelegen infra castellariam Furnensem et in parrochia de Alveringhem.[457]

Verder zijn er drie oorkonden waarin sprake is over een castellanus Furnensis, en éénmaal vernemen we dat er ook een castellatura bestaan heeft.[458]

De oudste vermelding van een castrum in oorkonden dateert van 1147. In een bulle van Eugenius III worden de bezittingen van de St.-Nicolaasabdij opgesomd. Daarin vinden we ondermeer mensuram terre et paulo plus ad orientem Furnensis castri.[459] De abdij zelf is ook ten oosten van het castrum gelegen.

Een oorkonde van Diederik van de Elzas uit 1156 gaat eveneens over een stuk grond gelegen ten oosten van het castrum, meer bepaald vier bunders ad orientalem partem Furnensis castri iacentes. De graaf schenkt deze grond aan de abdij pro mea meorumque salute.[460]

 

2.2 Bisschopssteden met castrum/castellum

 

Atrecht *

Atrecht is één van die gevallen waarbij een bisschopsstad, die normaal civitas wordt genoemd, toch met de termen castrum en castellum wordt aangeduid. Het gaat hierbij meestal niet om wat we in het hoofdstuk over de term civitas de cité-wijk hebben genoemd, die geen omwalling had, maar om het castrum II rond de abdij en het grafelijke steen. Rond de St.-Vaastabdij was tussen 883 en 887 een verdedigingsmuur gebouwd.[461] Het grafelijke castellum lag in deze omwalling, nabij de abdij dus en niet in de civitas. Het geheel bestaat eigenlijk uit een civitas (de citéwijk), met daarnaast een typische castrum-castellumnederzetting.

Atrecht wordt voor het eerst castrum genoemd in 1047, in een oorkonde van Boudewijn V van Vlaanderen aan de St.-Pietersabdij in Gent. Het eschatochol van die oorkonde vermeldt actum publice Aterbatis castro in monasterio sancti Vedasti.[462]

In 1111 komen we een Tamardus castellanus de Atrebato tegen bij de ondertekenaars van een oorkonde van Boudewijn VII van Vlaanderen aan de St.-Vaastabdij.[463] In 1122 tekende een Balduinus castellanus de Atrebato een charter van Karel de Goede.[464]

In een oorkonde uit 1142 eiste aartsbisschop Adalbero van Trier het castrum van Atrecht voor zich op: castrum de Arras, quod Treverensis archiepiscopi iuris est et etiam esse debet, per eorum qui tunc possederunt et ab episcopo se tenere dixerunt, ignaviam ab ecclesia Treverensi per inimicos nostros et eiusdem ecclesie fuerat alienatum...[465]

 

Doornik *

Hendrik I van Frankrijk somt in 1038 in een diploma aan de St.-Pietersabdij een aantal goederen op, waaronder een aantal molens apud castrum Tornacum sitis.[466] Ook een oorkonde uit 1110 van Robert II aan het kapittel noemt vier molens van het castellum Tornacensi.[467] De oorkonde zegt niet expliciet dat de molens ín het castellum zijn gelegen, maar dat ze ertoe behoren (de genitiefvorm wordt gebruikt). Bovendien kunnen we ervan uitgaan dat dezelfde molens werden bedoeld als die uit de oorkonde van 1038, die dus in het castrum gelegen waren.

 

Kamerijk