| Een bijdrage tot de stedelijke lexicografie. Een terminologisch onderzoek aan de hand van diplomatische bronnen. (Steven Van Impe) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 2. Onderzoek naar de categorische naamgeving in diplomatische bronnen
B. De termen civitas, urbs en municipium
1. Inleiding
Nu ik met het onderzoek naar de term burgus een aantal secundaire nederzettingen heb onderzocht, richt ik mijn aandacht op de grotere nederzettingen, de bisschopssteden en andere centrale steden die de functie van de Romeinse civitates overnemen. De termen die hiervoor in aanmerking komen, zijn civitas, urbs en municipium.
Deze termen vereisen een andere aanpak dan burgus, een woord dat vaak slechts op een gedeelte van een nederzetting wijst, één van verschillende kernen. Termen als urbs, civitas en municipium hebben over het algemeen betrekking op gehele nederzettingen in plaats van op wijken of stadsdelen.
Gezien hun centrale functie hoort bij de steden uit deze categorie ook vaak een territorium waarvan ze de hoofdplaats zijn. In de historiografie wordt er vaak van uitgegaan dat de termen, vooral de term civitas dan, zowel op de nederzetting als op het territorium betrekking kunnen hebben. Dit zal onze eerste vraagstelling bepalen: wordt de term gebruikt voor de nederzetting, voor het gebied, of voor beide? Of is er nog een afwijkende betekenis?
Een tweede vraag die we ons stellen sluit nauwer aan bij de problematiek van de burgus: het betreft de grenzen van de nederzetting. In vele (doch niet alle) gevallen is de civitas, de urbs of het municipium ommuurd. Wordt het gebruik van de betreffende term in zo’n geval beperkt tot de nederzetting binnen de muren, of hoort ook het suburbium tot het gebied dat met de term wordt aangeduid?
1.1 Civitas: definitie
1.1.1 Late Keizertijd
De klassieke civitas komt misschien nog het meest overeen met ons huidige concept van een stad: het was een centrale nederzetting waar politiek, administratie en justitie geconcentreerd waren en waar ook bepaalde sociale krachten werkzaam waren. De economie was in de oudheid gericht op het onderhoud van deze steden: het platteland was afhankelijk van de civitas. In de noordelijke gebieden van het Romeinse Rijk was dit economische aspect minder belangrijk. De civitas was er voornamelijk een militaire en administratieve nederzetting, met beperkte landbouw in de directe omgeving voor eigen voorzieningen. Eventueel kan de civitas door haar positie op een grens ook een commercieel aspect krijgen.
In tweede instantie wordt de term ook gebruikt voor het territorium waarvan de civitas de hoofdzetel is: de civitas sensu lato of territoriale civitas. Dit gebruik is in de klassieke tijd niet zozeer verspreid, maar in de vroege middeleeuwen heeft de term civitas vaak de territoriale betekenis, vooral dan als ‘bisdom’.[120]
1.1.2 Vroege Middeleeuwen
In middeleeuwse context wordt het woord civitas vaak vertaald als “bisschopsstad,” in navolging van Du Cange die de term vertaalde als Urbs Episcopalis. Hij voegt eraan toe dat andere, niet-bisschoppelijke steden castrum of oppidum worden genoemd. Meteen relativeert hij zelf deze erg strikte definitie: niet alle nederzettingen die civitas worden genoemd zijn ook effectief bisschopssteden.[121] Vaak echter wordt aan de term civitas het bestaan van een bisschopszetel verbonden. Op het colloquium te Spa drukte Georges Despy zich krachtig uit tegen deze gewoonte: “N’établissons plus l’equation civitas égale résidence épiscopale et atelier monétaire égale grosse activité économique. Il faut faire une croix sur ces équations systématiques.”[122]
Castrum wordt bij Du Cange dus gedefinieerd als “Urbes quae Civitatis, id est, Episcopatus, jus non habent.” Het komt voor dat de term castrum wordt gebruikt voor steden die wel een bisschoppelijke zetel zijn, maar dit is minder frequent dan het gebruik van civitas voor niet-bisschopssteden. De militaire definitie van castrum is bij Du Cange dus eerder bijkomstig.[123]
Als bisschopsstad zijn de civitates eigenlijk de opvolgers van de antieke civitas: gedurende de kerstening vestigden de bisschoppen zich in de hoofdsteden van de provincies. Zoals elders nam de Kerk de bestaande administratieve indelingen over. De territoriale civitas kan dan vertaald worden als ‘bisdom.’
In de vroege middeleeuwen zijn er in de Zuidelijke Nederlanden slechts twee Romeinse civitates, namelijk Doornik (dat de functie van Bavay overnam) en Tongeren. Andere bisschopszetels worden gevestigd in militaire nederzettingen, waar een rurale economie overheerst. Deze stedelijke nederzettingen zullen zich slechts geleidelijk tot echte steden ontwikkelen.[124]
civitas 1 = a. antieke civitas, hoofdplaats van een provincia; b. territorium.
civitas 2 = a. bisschopsstad; b. bisdom.
civitas 3 = a. (wereldlijke) stad; b. territorium van deze stad.
1.2 Urbs: definitie
Du Cange geeft bij Urbs geen verklaring, wellicht omdat het een evident basiswoord is. Hij neemt wel Urbs Aurea (Rome), Urbs Aeterna (ook Rome) en Urbs Lapidum (Carnuto) op. Als synoniemen van Urbs geeft hij Civitas (in de Codex Theodosius) en Oppidum (in de Notitia Galliarum). In elk geval gaat het duidelijk steeds om een betekenis als ‘stad,’ al dan niet van enige omvang.[125] In deze zin overkoepelt urbs de termen civitas en municipium.
In een tweede, minder bekende betekenis van urbs is het woord synoniem aan burgus1. In een kort artikel geeft Carlos Wyffels hiervan enkele voorbeelden.[126] Op het einde van de 13de eeuw is dit gebruik in Brugge frequent, maar ook Galbert gebruikt hem reeds éénmaal.[127] Heel duidelijk wordt het wanneer het anonieme Tractatus de ecclesia Sancti Petri Aldenburgensis (1084-1087) de naam van de stad Oudenburg vertaalt als vetus urbs.[128] Ook in enkele Gentse teksten van het einde van de 12de eeuw wordt urbs duidelijk als synoniem van burgus1 gebruikt, ook in de samenstelling vetus urbs als synoniem voor vetus burgus of Oudburg. Oudere teksten bestaan ook maar zijn minder duidelijk. Daarnaast blijft het gebruik van urbs in de betekenis van ‘stad’ bestaan, maar in de periode voor de 13de eeuw wordt deze term slechts zelden gebruikt.[129]
In wat volgt zullen we de klassieke betekenis ‘stad’ betitelen als urbs 1 en de betekenis ‘burcht’ als urbs 2.
urbs 1 = stad.
urbs 2 = burcht.
1.3 Municipium: definitie
De verklaring van deze term bij Du Cange is summier: “Castrum, castellum muris cinctum.” Hij heeft het dus over een redelijk kleine ommuurde nederzetting, zonder enige centrale functie.[130]
JanDhondt gaf het begrip een territoriale betekenis: hij vermoedde dat municipium in de Zuidelijke Nederlanden synoniem was van pagus.[131] Marc VanUytfanghe geeft als definitie “chef-lieu d’une civitas; lieu fortifié qui n’est pas un cité; enceinte urbaine.”[132] Opvallend is dat hij een contrast stelt met civitas. De term municipium komt dus overeen met de term castrum zoals deze bij Du Cange werd gedefinieerd: een stad die geen bisschopsstad is. In de eerste plaats is het municipium voor Van Uytfanghe dus wél een centrale plaats, en in geen geval een territorium.
municipium 1 = gouwhoofdplaats. (Van Uytfanghe)
municipium 2 = versterkte nederzetting. (Du Cange)
municipium 3 = territorium. (Dhondt)
1.4 Een hiërarchie?
Uit de hierboven vermeldde definities zou men kunnen afleiden dat er een soort van hiërarchie was in deze verschillende termen, met urbs 1 helemaal bovenaan (stad zonder meer), en daaronder enerzijds civitas (stad met een bisschop) en anderzijds municipium (stad zonder bisschop). Het blijft voorlopig nog de vraag of de middeleeuwer dit op deze manier ook percipieerde.
2. De term Civitas
2.1 Ter inleiding: het geval Antwerpen
Hoewel de moderne historici het erover eens zijn dat de term civitas niet enkel en alleen is voorbehouden aan bisschopssteden, bestaan hierover nog steeds meningsverschillen en onduidelijkheden. Tijdens de discussies op het colloquium te Spa bleek dit bijvoorbeeld uit een debat tussen de professoren Verhulst en Van Uytven. Bij zijn uiteenzetting over de vroegste geschiedenis van Antwerpen had Van Uytven de autoriteit van de Annales Fuldenses over dit onderwerp betwijfeld. In de Annales Fuldenses wordt Antwerpen immers aangeduid als een civitas.[133] Verhulst werpt tegen dat de vermelding van Antwerpen als civitas in de Annales Fuldenses zo niet een bewijs, dan toch een aanwijzing is voor het bestaan van dat bisdom, waarvoor Jan Dhondt in zijn Proloog tot de Brabantse geschiedenis ook andere aanwijzingen gaf. Van Uytven is het ermee eens dat het gebruik van het woord civitas inderdaad een gegeven is dat tot een hypothese kan bijdragen, maar enkel in de veronderstelling dat de auteur voldoende kennis van Antwerpen had om te weten dat het inderdaad een civitas was, en dat het woord civitas in deze bron inderdaad gebruikt wordt in de betekenis van “bisschopsstad.” Dit laatste betwijfelt hij ten zeerste.[134]
2.1.1 Civitas in de Annales Fuldensis
Met een statistisch onderzoek kunnen we misschien nagaan in hoeverre deze twijfel gegrond is. Hieronder, gesorteerd op jaartal van eerste vermelding, de nederzettingen die in de Annales Fuldenses als civitas worden aangeduid. Aan de hand van encyclopedische en overzichtswerken werd opgezocht of deze steden bisschopssteden zijn of niet.[135]
|
Nederzetting |
Jaartallen |
Bisdom? |
|
Metz |
714, 840, 869 (ook urbs) |
ja (3de eeuw) |
|
Mainz |
719, 852, 872, 876, 882, 886 |
ja |
|
Angers |
721 |
ja (4de eeuw) |
|
Lyon |
727 |
ja (2de eeuw) |
|
Soissons |
752, 826 |
ja (4de eeuw) |
|
Clermont |
762 |
ja (4de eeuw) |
|
Barcelona |
797, 801 |
ja (3de eeuw) |
|
Lissabon |
798 |
(Moors vanaf 714[SVI1]) |
|
Livorno |
799 |
nee |
|
Osca |
799 |
ja (ca. 522) |
|
Ortona (Italië) |
802 |
(nee?) |
|
Mantua |
804 |
ja |
|
Genua |
806 |
ja |
|
Tortosa (Spanje) |
809 |
(nee?) |
|
Reims |
816, 887 |
ja |
|
Sissek (Kroatië) |
823 |
(nee?) |
|
Como |
823 |
ja |
|
Antwerpen |
836 |
? |
|
Verdun |
843 |
ja |
|
Tours |
853 |
ja |
|
Dowaai |
864 |
nee |
|
Keulen |
864 (2x), 870, 876, 881 |
ja |
|
Regensburg |
869, 872, 876 |
ja |
|
Worms |
857, 876 |
ja |
|
Spiers |
876 |
ja |
|
Bonn |
881 |
nee |
|
Trier |
882 |
ja |
|
Brescia |
887 |
ja |
We zien dus dat, hoewel het grootste deel van de civitates die in de Annales Fuldenses vernoemd worden inderdaad bisschopssteden zijn, er wel degelijk een aantal uitzonderingen zijn. Van de 27 als civitas aangeduide nederzettingen zijn er minstens drie en waarschijnlijk zes in geen geval een bisschopsstad.
2.1.2 Het vroege Antwerpen in andere narratieve bronnen
Naast de Annales Fuldenses bieden ook de heiligenlevens van Eligius en Amandus (beiden geschreven ca. 750) enige gegevens over het vroege Antwerpen.[136]
In de Vita Amandi wordt de nederzetting echter niet met naam genoemd, en gaat het over een eiland genaamd Chanelaus. Vroeger werd aangenomen dat hiermee de nederzetting Kallo (Lat. Calloes) bedoeld werd, maar tegenwoordig vermoedt men dat het over het latere Kiel gaat, een gebied ten zuiden van de St.-Jansvliet, waar ook de St.-Michielsabdij gelegen was.[137]
De Vita Eligii is de oudste bron die ons de naam Antwerpen overlevert. De Andoverpenses worden er genoemd als inwoners van een urbs vel municipium. De passage luidt als volgt:
Praeterea pastoris cura sollicitus lustrabat urbes vel municipia circumquaque sibi commissa. Sed Flandrenses atque Andoverpenses, Fresiones quoque et Suevi et barbari quique circa maris litora degentes ... primo eum hostili animo et adversa mente susceperunt...[138]
Hier worden urbs en municipium dus gelijkgesteld. Zoals we reeds eerder hebben gezegd, vermoedde Jan Dhondt dat municipium in deze zin synoniem is van pagus, terwijl Van Uytfanghe een aantal termen met de connotatie ‘centrale plaats’ voorstelde.[139] De vertaling ‘bisschopsstad’ komt dus niet in aanmerking. Antwerpen moet wellicht beschouwd worden als een gouwhoofdplaats (de gouw in kwestie is dan de pagus Renensium, het Land van Ryen).
De vijandigheid die al deze volkeren tegenover bisschop Eligius aan de dag leggen wijst erop dat ze nog niet gekerstend zijn. Het zou dan ook vreemd zijn als Antwerpen in die periode reeds een bisschopsstad zou zijn.
2.1.3 Antwerpen in diplomatische bronnen
In de diplomatische bronnen wordt Antwerpen op geen enkel moment civitas genoemd: de termen die voor de nederzetting gebruikt worden, zijn castellum, castrum, burgus en oppidum.[140] In de periode tussen 727 en 1119 hebben we echter geen diplomatische bronnen over de nederzetting teruggevonden in de Thesaurus Diplomaticus, terwijl net dit de periode is waarin Antwerpen als civitas wordt vermeld in de Annales Fuldenses.
De oudste vermeldingen van Antwerpen, met betrekking tot de kerk die door Rohingus aan de H. Willibrord werd geschonken, gebruiken de termen castrum en castellum. Deze kerk was gewijd aan St.-Pieter en St.-Paulus, een typisch toponiem voor kerken gesticht door St.-Amandus en zijn volgelingen.[141]
In dezelfde periode (630/650) was te Antwerpen ook een muntatlier gevestigd, getuige een gouden triens gevonden te Bath met de inscriptie anderpvs. Deze draagt de naam van een muntmeester Chrodigisilus.[142] In de Merovingische tijd was een muntatelier steeds verbonden aan een castrum.
De term burgus werd in de 12de eeuw gebruikt voor de zogenaamde ‘ruienstad’ of zelfs de omgeving daarvan. Oppidum wordt éénmaal gebruikt in een oorkonde van hertog Hendrik I van Brabant, in een opsomming van de steden van het hertogdom.[143]
2.2 Civitas in de Thesaurus Diplomaticus
Strikt genomen bevat het onderzoeksgebied van deze thesis slechts twee antieke civitates: Bavay en Tongeren. De functie van Bavay werd in de Late Keizertijd overgenomen door Doornik en Kamerijk.[144] Tongeren bleef een belangrijke stad omdat de limes werden verschoven, zodat het een grensstad werd met een garnizoen.[145] Er kwam een bisschopszetel, doch die ging na verloop van tijd verloren aan Maastricht. Geen van beide nederzettingen wordt in de oorkonden van de Thesaurus Diplomaticus als civitas of urbs vernoemd. Tongeren wordt in 980 wel als vicus vermeld.[146]
In de vroege middeleeuwen zijn er in het betreffende gebied 5 bisschopszetels: Terwaan, Atrecht, Doornik, Kamerijk en Luik. In de onmiddellijke omgeving liggen voorts de bisdommen Utrecht, Laon, Reims, Trier en Keulen. Ook deze zullen in de bronnen voorkomen, maar bespreken we niet omdat ze buiten het gebied van de Zuidelijke Nederlanden vallen dat we in de inleiding als onderzoeksterrein hebben afgebakend.
2.2.1 Bisschopssteden
Atrecht *
Atrecht werd in de vroege 6de eeuw tot bisdom verheven door St.-Remigius van Reims, die St.-Vaast († ca. 540) aanduidde als eerste bisschop. Na de dood van de tweede bisschop na St.-Vaast werd de zetel overgebracht naar Kamerijk, en pas vanaf 1093 werd Atrecht weer een bisdom.[147]
De oudste oorkonde waarin de stad Atrecht wordt genoemd met de term civitas stamt uit het begin van de 11de eeuw. Het gaat om een kopie van de stichtingsoorkonde van de St.-Vaastabdij, gegeven in 680 door de bisschop van Kamerijk. De abdij wordt gesitueerd in het suburbium Atrebatis civitatis.[148] In elk geval gaat het hier duidelijk over Atrecht als stad, gezien het gebruik van de term suburbium. Het bisdom Atrecht had reeds opgehouden te bestaan in de tweede helft van de 6de eeuw. De term civitas wordt hier dus gebruikt voor een ex-bisschopsstad. Ofwel gaat het hier dus om een falsum of een geïnterpoleerde kopie van latere datum, ofwel werd de term civitas in Merovingische oorkonden ook gebruikt voor niet-bisschopssteden. Een derde mogelijkheid is dat de titel behouden bleef, ook al was het bisdom opgeslokt door Kamerijk.
Van de periode waarin Atrecht geen bisschopsstad is, komt maar één vermelding voor in de Thesaurus Diplomaticus, en wel uit 1047: in het eschatochol van een oorkonde van Boudewijn V wordt vermeld dat ze werd gegeven in Atrebatis castro in monasterio sancti Vedasti.[149] Met dit castrum wordt ongetwijfeld de versterking rond de abdij bedoeld, die kort na de vikinginvallen (tussen 883 en 887) was opgetrokken. Dit vierkanten castrum meet ongeveer 330 bij 245 en omvat de St.-Vaast, de St.‑Pieterskerk en de OLV.-kerk in castro. Dit laatste denominatief dient ter onderscheiding van de (voormalige) kathedrale kerk, de OLV.-kerk in civitate of Notre-Dame-en-cité.[150]
Het is belangrijk dat we hier even stilstaan bij de opmerkelijke tweeledige structuur van Atrecht. De oudste, Romeinse kern, gelegen rond de OLV.-kerk in civitate was vanaf ongeveer de 9de eeuw in verval geraakt: het grootste deel van de bevolking leefde in of rond het castrum van de abdij (gebouwd in 883-887), terwijl de vroegere civitas nog slechts werd bevolkt door de clerus. Ook na de heroprichting van het bisdom zal deze oudste bevolkingskern weinig populair zijn, en enkel personen die administratief bij het bisdom betrokken zijn zullen er wonen. Dit is erg duidelijk op de kaart die Van Deventer in de 16de eeuw van de stad tekende (zie het kaartengedeelte in appendix). Voor de duidelijkheid zullen we deze wijk in wat volgt aanduiden met het Franse woord cité.
Een oorkonde van graaf Robert II van Vlaanderen uit 1096, dus drie jaar na de verheffing tot bisschopsstad, vermeldt dat de graaf een verzoek tot oorkonding kreeg cum essemus apud Attrebatum civitatem.[151] De graaf verbleef waarschijnlijk in het domus lapidea dat hij zelf enige tijd voordien had laten bouwen ten zuiden van het castrum van de abdij.[152] Dit grafelijk steen was een opvolger voor het gebouw dat door graaf Raoul van Atrecht (†892) was gebouwd, en lag binnenin een tweede omwalling die, buiten het abbatiale castrum en het steen, vanaf de 10de eeuw ook het huis van de burggraaf omvatte, evenals een marktplaats voor dit laatste gebouw. We zullen in wat volgt het oudste, abbatiale castrum met het Romeinse cijfer I aanduiden, en het latere, grafelijke castrum met het cijfer II.
In 1115 hield Boudewijn VII van Vlaanderen met zijn curia zitting in de camera abbatis van de St.-Vaast zelf. Daar kreeg hij de klacht te horen dat de bakkers van Atrecht (eiusdem civitatis) het molenrecht ontliepen door hun meel bij een andere dan de voor hen bestemde molen te laten malen.[153] We weten dat deze bakkers wellicht in het castrum van de abdij woonden en werkten, en dus niet in de cité rond de oude OLV.-kathedraal. De term civitas is dus uitgebreid tot de beide kernen, of misschien zelfs beperkt tot het castrum II.
In 1122 vaardigde graaf Karel de Goede een oorkonde uit met betrekking tot het tolrecht de mercato civitatis.[154] Ook deze markt was in het castrum II gelegen, zoals we hebben gezegd, voor het huis van de burggraaf (de latere place du châtelain).
Een akte van Karel uit 1127 gaat over een zekere vrouw de Atrebato civitate mea, genaamd Maria en weduwe van Dudo van Hastis, die een stenen huis (mansionem suam lapidem) aan de St.-Vaastabdij had geschonken, en dit presentibus scabinis.[155] Deze Dudo werd in 1111 genoemd als schepen. Hij moet een rijk man met veel aanzien geweest zijn, getuige ook het stenen huis waarvan in de oorkonde sprake is en dat aan de grote markt gelegen was. Het feit dat de graaf de civitas blijkbaar als zijn gebied beschouwt wijst erop dat het woord hier eerder met de wereldlijke connotatie gebruikt werd.
Een halve eeuw later, in 1163, vaardigde Filips van de Elzas een charter uit voor de stad Atrecht,[156] als eerste in een reeks steden die min of meer gelijke keures kregen. In deze charters wordt de term civitas het meest gebruikt, hoewel urbs ook voorkomt.
In 1176 vaardigde de graaf een oorkonde uit in de civitas zelf, zoals het eschatochol vermeldt.[157] Vermoedelijk werd hiermee het grafelijke steen bedoeld, gelegen in het castrum II.
In 1180, bij een betwisting over grondrechten tussen de St.-Vaastabdij en twee inwoners van Atrecht, Heluinus Canieth en Johannes de Bayloes, werden de homines van de St.-Vaast en de scabini van de civitas als getuigen opgeroepen.[158] Deze betwisting viel blijkbaar onder de rechtstreekse jurisdictie van de graaf.
In hetzelfde jaar (1180) komen we in een oorkonde van de bisschop van Kamerijk een zekere Adam borgensis civitatis Attrebathe tegen.[159]
In 1190 volgt een kort charter vanwege de graaf (Filips van de Elzas) waarbij hij het recht om in de grachten vis te vangen (piscatura ad firmitatem civitatis) verleent.[160] De cité-wijk is tijdens de middeleeuwen op geen enkel moment door een grachtengordel omgeven geweest; de enige waterloop die in aanmerking komt is de rivier, de Crinchon, die langs de westkant van het castrum loopt.
Met een bulle uit 1191 loste Clemens III een aanslepend conflict op tussen bisschop Petrus I van Atrecht en Filips van de Elzas met betrekking tot de porta civitatis Attrebatensis et Strata, die vroeger door de bisschop werden onderhouden.[161] Deze Strata (Estrée) is de oude Romeinse heirbaan die doorheen de cité en enkele honderden meters ten zuiden van het castrum loopt, en een verbinding vormt met Terwaan en Kamerijk. In de voorafgaande machtsstrijd maakten zowel de abdij als het bisdom aanspraken op het onderhoud van, en dus de controle over de weg.[162]
In geen enkel van de besproken gevallen kunnen we met zekerheid zeggen dat de term civitas gebruikt wordt in de territoriale betekenis. Opvallend is dat het woord ook en vooral wordt gebruikt voor de nieuwere kern rondom de St.-Vaastabdij. Ook na de heroprichting van het bisdom Atrecht bleef deze abdij een veel belangrijker centrum dan de kathedraal. Het feit dat de graven zich vlakbij de abdij vestigden en de kathedraal links lieten liggen is slechts één voorbeeld hiervan.
Doornik *
Hoewel Doornik reeds in de Romeinse tijd een civitas was en reeds zeer vroeg een bisschop had, komen de eerste vermeldingen in de Thesaurus Diplomaticus pas voor vanaf het midden van de 10de eeuw. Ook andere nederzettingstermen worden niet gebruikt: pas vanaf de 11de eeuw komen de benamingen castrum, castellum en urbs voor. Verwonderlijk, aangezien de nederzetting reeds in de Romeinse tijd een civitas was en in de Merovingische tijd zelfs de hoofdstad van de koningen Clodio, Merovech, Childeric en Clovis. Childeric werd er zelfs in een praalgraf begraven.[163]
Ook in andere bronnen heerst er een grote vaagheid over de geschiedenis van de stad. Een mogelijke verklaring ligt in het feit dat Doornik vanaf het midden van de 7de eeuw (vermoedelijk de periode 626/27-637/38) als bisdom verbonden was met Noyon. Bovendien zijn de oorkonden van de bisschoppen van Doornik en Noyon-Doornik nog niet volledig uitgegeven, en dus niet opgenomen in de Thesaurus Diplomaticus.[164]
De eerste bisschop waarvan we enige biografische gegevens kunnen afleiden, is Eleutherius (na496 – † ca. 531), die eerst graaf van Doornik werd en daarna ook bisschop. Vermoedelijk behoorde hij tot een gefortuneerde Gallo-Romeinse familie uit de streek. Hij werd begraven in het dorp Blandain, nabij Doornik.[165]
Eleutherius was dus een tijdgenoot van de Frankische koning Childeric († 481 of 482) en van zijn zoon Clovis. In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen was Eleutherius volgens Pycke niet de eerste bisschop van Doornik, aangesteld door Clovis bij zijn ‘eerste Christelijke daad,’ de oprichting van het bisdom Doornik. De bronnen vermelden nog een bisschop Theodorus, waarvan echter verder niets bekend is.[166]
Dat Doornik in de Merovingische periode nog een belangrijke en versterkte stad is, blijkt uit een passage bij Gregorius van Tours: na de opsplitsing van het rijk onder de vier kleinzoons van Clovis (561) ontstaan verschillende bloedige oorlogjes. Chilperic, koning van Soissons, werd daarbij belaagd door zijn militair sterkere broer Sigebert van Austrasië, en zocht beschutting in Doornik: Chilpericus vero ... se infra Thornacinsis murus cum uxore et filiis communivit.[167] Dit citaat geeft aan dat de stad nog voldoende stevig ommuurd was in deze periode om aan een koning beschutting te bieden. Archeologische bewijzen zijn hiervoor echter nog niet geleverd.[168]
In Doornik werd ook een zoon van Chilperic, genaamd Samson, geboren. Gregorius vertelt dat de koningin, bang dat het zwakke kind zou sterven, zich ervan wou ontdoen, maar de koning beval haar haar zoon te laten dopen. Dit gebeurde door de bisschop zelf. Er was dus op dat moment nog een bisschop, al wordt zijn naam nergens genoemd.[169]
Een ander verhaal bij Gregorius, van het einde van de 6de eeuw, gaat over een wraakoorlog tussen twee Doornikse families, die uiteindelijk door de wrede koningin Fredegonde werd opgelost door de ruziemakers te laten vermoorden. Het feit dat de koningin zich met deze zaak bemoeide bewijst dat de families in kwestie tot de hoge adel behoorden. Er was dus nog steeds een aristocratische bewoning in de stad rond 590.[170]
Enkele decennia later werd het bisdom Doornik verbonden met het bisdom Noyon. Dit moet gebeurd zijn na 575 (het einde van het beleg van Doornik door Sigebert, die vermoord werd in opdracht van Chilperic), waarschijnlijk gedurende het episcopaat van Acharius (626/627 – 637/638). Acharius wordt ook genoemd als oprichter van het bisdom Terwaan, waar hij de H. Omaar aanstelde als bisschop. De verbinding van Doornik met Noyon heeft de stad voor verval behoedt, zegt Pycke, door haar als bisschopstad te behouden: in de vroege middeleeuwen is de religie nog steeds de drijvende kracht achter het fenomeen ‘stad.’[171] We kunnen vergelijken met bisschopsstad Tongeren, dat na de overbrenging van de zetel naar Maastricht verviel tot een provinciestadje, of Atrecht, waar de kernfunctie werd overgenomen door de St.‑Vaastabdij en de citéwijk eeuwenlang een leeg gebied bleef. Maastricht verloor ook haar statuut van bisschopsstad, maar bleef een grote stad wegens haar belangrijke economische functie en de aanwezigheid van het graf van St.-Servatius dat, net zoals dat te Atrecht het geval was, een centrale religieuze functie voor de nederzetting vrijwaarde.
De opvolger van Acharius was St.-Eligius, verkozen in 640 († 660). Eligius was nauw verbonden met de Merovingische dynastie (hij had hen onder andere de relieken van St.-Maarten en St.-Bricius in Tours bezorgd, en er als goudsmid de reliekschrijnen voor geproduceerd) en zette een nieuwe golf van kersteningsactiviteit in. Hij zocht onder andere relieken op van oude zendelingen en bouwde daarrond nieuwe cultusplaatsen. In de buurt van Doornik, te Seclin, ontdekte hij de relieken van de H.Piatus. Rondom Doornik sticht hij bij elke stadspoort een kerk, middenin de oude grafvelden: ten oosten St.-Piatus (weg naar Bavai), ten westen St.-Quentin (weg naar Cassel), ten zuiden St.-Maarten (weg naar Arras) en ten noorden St.-Bricius (weg naar Asse). De twee eerste heiligen zijn plaatselijke missionarissen uit de Late Keizertijd, de twee latere zijn de beschermheiligen van de Merovingische monarchie.[172]
R. Brulet merkt op dat er geen enkel archeologisch spoor is teruggevonden van een pre-Karolingische St.-Briciuskerk. Op de plaats van de St.-Piat was er reeds vóór Eligius een kleine basilica, stammend uit de tijd van Clovis.[173] Het lijkt mij echter moeilijk te geloven dat een kerk gewijd aan St.-Bricius, bisschop van Tours en schutspatroon van de Merovingische dynastie, in de 9de eeuw uit het niets zou zijn opgericht te Doornik.
Na St.-Eligius besteedden de bisschoppen van Noyon-Doornik niet veel aandacht meer aan hun tweede bisschopsstad – het bronnenmateriaal is gering. Mogelijk is een falsum uit het midden van de 12de eeuw gedeeltelijk gebaseerd op een verloren origineel uit 716, waarin wordt gesproken over de stadsmuren: de bisschop heeft tolrecht op onder andere alles wat wordt verkocht seu infra muros, seu in appendiciis murorum praedictae civitatis.[174] Indien deze oorkonde in dit opzicht correct is, had de stad in 716 dus nog stadsmuren, al dan niet vervallen.
Met de opkomst van de Karolingers is er voor Doornik verbetering in zicht. Wilde de nieuwe monarchie zich legitimeren door de eerste hoofdstad van Childeric en Clovis voor zich te winnen? Het is de vraag of men zich beide vorsten nog herinnerde. In elk geval attesteren de bronnen opnieuw een wereldlijke graaf, het regelmatige verblijf van de bisschop, de bouw van de bisschoppelijke gebouwen, en een bloeiende handelsactiviteit met een portus.[175]
In 817 werd Doornik aangeduid met de term urbs: Lodewijk de Vrome verleent bisschop Wendilmar drie stukken grond van het koninklijke domein, gelegen in eadem urbe, om daarop de bisschoppelijke groep te bouwen.[176] Deze groep was gelegen onder de huidige kathedraal, en omvatte het domus episcopi, het baptisterium, een kerk gewijd aan St.-Stefaan en een OLV.-kerk. Opvallend is dat achteraan de huidige OLV.-kathedraal nog steeds een kapel gewijd is aan St.-Stefaan, mogelijk verwijzend naar de ligging van de vroegere kerk.[177]
Gepaard met deze herinrichting van de bisschoppelijke infrastructuur, vaardigde Karel de Kale in 855 een oorkonde uit waarbij hij de grondbezittingen van de OLV.-kerk bevestigde. Deze waren gelegen in de pagi Vlaanderen en Brabant. De kerk werd gesitueerd in de civitas, waarmee vaststaat dat de term werd gebruikt in de betekenis ‘bisschopsstad’.[178]
De kerkelijke gebouwen werden vernieuwd, maar de antieke muren, die in de 6de eeuw nog stevig genoeg waren om het leger van Sigebert tegen te houden, waren in de Karolingische periode grotendeels vervallen.[179] In januari 880 viel de stad ten prooi aan de Noormannen, wat aantoont dat de verdedigingswerken niet meer in staat waren een vijandig leger tegen te houden.[180] In een oorkonde uit 898 van Karel de Eenvoudige wordt dit bevestigd: de bisschop krijgt de toestemming de oude, vervallen muren opnieuw op te bouwen: firmitatem antiquitus statutum et nunc destructam denuo ei edificare liceret.[181]
Toen de expansieve graaf Boudewijn II van Vlaanderen enige tijd later zijn gebied wilde uitbreiden, slaagde hij er niet in de stad in te nemen: hij moet genoegen nemen met de rechteroever van de Schelde, waar hij op het eilandje St.-Pancracius een kasteel bouwt.[182] Dit bewijst dat de muren, in 898 nog destructam genoemd, op dat moment reeds waren herbouwd of hersteld.
In de oorkonde uit 898 van Karel de Eenvoudige worden de bezittingen van het bisdom opgesomd, en daarbij vinden we de fiscum in Tornacum in eadem civitate.[183] Deze fiscus van Doornik bestond uit een caput fisci¸ gelegen in de civitas, en twee villae op zo’n 5 km van de stad.[184] Vermoedelijk werd in de oorkonde enkel de caput fisci bedoeld, hoewel in dit geval ook de betekenis ‘bisdom’ een optie blijft.
Een oorkonde van kort vóór 898 geeft meer uitleg: de fiscus was aan het kapittel van de OLV.-kerk geschonken door Hilduinus, graaf van Doornik. Hij is de eerste wereldlijke graaf die we tegenkomen in de Thesaurus Diplomaticus. Hilduinus had de fiscus verkregen van koning Karloman II, en deze was gelegen in pagus Tornacensi in eadem scilicet civitate.[185] Civitas is dus duidelijk geen synoniem van pagus, maar gaat het hier om de stad, of om een beperkt territorium rond de stad dat kleiner is dan de pagus? F. Grat interpreteerde deze schenking als een poging van de koning om de trouw van zijn plaatselijke vertegenwoordiger af te kopen.[186] Koch ziet het eerder als het opwerpen van een bufferzone tegen de opdringerige Boudewijn II.[187] Hilduinus zag zijn fiscus verloren gaan, en ruilde deze in voor een aantal gebieden te Noyon.[188] Het eigendomsrecht van de koninklijke fiscus te Doornik schonk hij aan de Kerk, in de hoop dat Boudewijn II de kerkelijke domeinen tenminste met rust zou laten. Op deze manier stond Hilduinus zijn graafschap dus in feite af aan de bisschop.
De oorkonde van Karel de Eenvoudige uit 898 die we al eerder aanhaalden, is de koninklijke bekrachtiging van deze overdracht: de grafelijke voorrechten werden op de bisschop overgedragen.[189]
Na een eeuw van stilte duikt Doornik aan de vooravond van de 11de eeuw opnieuw op in de bronnen.[190] In 998 vaardigde paus Johannes XVI een bulle uit waarin de immuniteit van Doornik werd beschreven: in Tornaco civitate nullus comes vel extraneus iudex se intermittat de districto aut moneta vel de rivatico unius partis, nec de teloneo, sed sicut statutum est a pie memorie principibus, sic fixum et inconvulsum permaneat.[191]
Het gaat hier ook weer duidelijk over de stad en niet over het bisdom: de opgesomde bevoegdheden zijn typisch voor een stad, en het verbod op inmenging van een graaf of rechter kan natuurlijk onmogelijk op het bisdom betrekking hebben.
Vanaf de 11de eeuw neemt het aantal oorkondes uitgevaardigd door de bisschoppen van Doornik, die nu opnieuw zelfstandig geworden zijn, toe: ze zijn niet alleen bisschop maar ook graaf. Bovendien begint de stad aan een economische opgang waarbij de linnenhandel over de Schelde een belangrijke rol speelt.[192]
In 1030 vaardigde bisschop Harduinus een charter uit voor de abdij van St.-Omaars, waarbij hij de abdij bepaalde rechten verleent over haar bezittingen in zijn bisdom. Harduinus noemt zich in het protocol van deze oorkonde Tornacensis civitatis episcopus, waarbij de kans groot is dat met civitas het bisdom wordt bedoeld, hoewel het natuurlijk moeilijk blijft een onderscheid te maken tussen de verschillende betekenissen.
Van bisschop Radboud II hebben we drie verschillende oorkonden, uit 1089, 1094 et 1098. In de eerste oorkonde werd bepaald dat alle inwoners van de civitas tot de parochie van de OLV.-kerk behoorden.[193] Civitas betekent hier dus ‘stad.’
In de volgende akte, uit 1094, gaat het duidelijk ook over de stad. Het is een oorkonde bestemd voor de St.-Maartensabdij, gelegen in monte Modico prope muros urbis Tornacensis. Deze abdij was twee jaar voordien gesticht, uit dankbaarheid voor het einde van de pest die in 1090 doorheen de stad woedde.[194] De narratio van de oorkonde vertelt dat de abdij reeds zeer oud was (antiquitus), maar verwoest door de heidenen in de civitas (verum paganis in ipsam civitatem irruentibus destructam).[195] Er werd dus voor de nieuwe abdij een oude traditie gecreëerd, om haar meer prestige te geven. Niets laat toe af te leiden dat de paganis in ipsam civitatem in deze oorkonde stedelingen zijn, maar we kunnen gezien de context aannemen dat de term hier in zijn antieke betekenis wordt gebruikt. Bovendien is de ‘heidense stad’ een topos die regelmatig terugkomt in vitae, bijvoorbeeld de vijandige bewoners van Gent en Antwerpen tegenover Amandus en Eligius. Misschien is deze narratio geïnspireerd op een Merovingische tekst?
Vier jaar later (1098) vaardigde de bisschop een derde oorkonde uit waarbij de narratio vermeldt dat twee broers, Radulfus en Letbertus, in zijn naam biermeesters of ‘meiers’ (fermenti cervisiarum, quod maiera vulgo dicitur) zijn geworden van de civitas Doornik.[196] Ook hier weer werd vermoedelijk de stad bedoeld.
In 1108 spreekt een bulle van paus Paschalis II duidelijk over de stad. In een opsomming van bezittingen van de OLV.-kerk worden de molendina et hospites infra muros ipsius civitatis vermeld, alsook de teloneus de omnibus que venduntur tam infra civitatem quam extra.[197]
Een oorkonde uit 1130 vermeldt dat de St.-Medarduskerk gelegen is extra muros civitatis Tornacensis.[198] Het gaat hier dus duidelijk om de betekenis ‘stad.’
Ook in een pauselijke bulle uit 1139 wordt de stad bedoeld: het gaat om terras arabiles circa ipsam civitatem.[199] Een pauselijke bulle uit 1148 heeft het over het altare de sancto Brictio quod in civitate Tornacensi situm est, opnieuw duidelijk de stad.[200] Een laatste bulle in deze reeks is die van Adrianus IV uit 1156, die het opnieuw over de stad heeft wanneer hij de eigendommen van de bisschop opsomt: in civitate Tornacensi: tria molendina, furnum, cambam, tres hospites iuxta macellum...[201]
Uit dezelfde periode stamt ook het falsum van de oorkonde van Chilperic II aan het kapittel van Doornik, dat als datum 1 mei 716 draagt.[202] P. Rolland meende dat het was geredigeerd op basis van een echte akte uit 716, maar Ganshof geeft hem zonder enig uitleg ongelijk. Pycke geeft argumenten voor beide meningen: het gebrek aan oorspronkelijke oorkonden uit de 8ste eeuw maakt het weinig waarschijnlijk (maar niet onmogelijk) dat er in de 12de eeuw nog een zou hebben bestaan. Er bestaat wel een vidimus van de ‘oorspronkelijke’ oorkonde door Filips de Schone, die ook een schets van het monogram van Chilperic II bevat.[203] In dit falsum wordt, zoals eerder gezegd, gesproken van het tolrecht van de bisschop op onder andere alles wat wordt verkocht seu infra muros, seu in appendiciis murorum praedictae civitatis.
De interesse in deze oorkonde (of ze nu in de 12de eeuw werd gefabriceerd of uit de 8ste eeuw stamt en in de 12de eeuw werd geparafraseerd) past in elk geval binnen het algemene kader van de andere aangehaalde aktes: de economische macht van de bisschop over de stad wordt juridisch onderbouwd.
In de tweede helft van de 12de eeuw krijgen we weer een aantal kerkelijke oorkonden aangaande de civitas. In 1167 (oorkonde van Robert, abt van St.-Nicolas-des-Prés), 1169 (oorkonde van bisschop Gauterus I), 1190 (oorkonde van paus Clemens III aan het kapittel van de OLV.-kerk) en 1198 (oorkonde van bisschop Stefanus) gaat het duidelijk over de civitas als stad.[204]
De betekenis ‘bisdom’ is waarschijnlijk in een oorkonde uit 1184 (oorkonde van bisschop Evrardus), waarin een geestelijke die uit de civitas was verbannen in zijn functie werd hersteld.[205]
In een oorkonde van abt Daniel van de abdij van Cambron uit 1195 wordt een furnum cum appendenciis (een bakkerij dus), eigendom van Nicolaas ‘pance de boc’ gesitueerd in civitate Tornacensi in loco videlicet qui dicitur Rihangia.[206]