| Stoute jongens en rebelse meisjes. Ouderlijke klachten over onhandelbare kinderen bij de kinderrechter van Dendermonde tijdens de jaren twintig van de twintigste eeuw. (Nele De Bodt) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel II. De kinderrechtbank van Dendermonde
In het laatste hoofdstuk van deel I hebben we gezien dat er tal van theorieën bestaan over de verschillen tussen jongens- en meisjescriminaliteit. Maar hoe zit het nu in de praktijk? Is er inderdaad sprake van grote verschillen tussen vervolgde jongens en meisjes? Om hierop een antwoord te kunnen geven analyseren we de rechtsplegingdossiers van de kinderrechtbank van Dendermonde die tijdens de jaren twintig werden opgesteld. In het derde hoofdstuk trachten we aan de hand van een aantal parameters conclusies hieromtrent te formuleren. Naast het geslacht en de leeftijd van de jongeren, onderzoeken we het gezin waarin ze opgroeiden, de misdrijven die ze pleegden, hun eventuele samenwerking met leeftijdsgenoten, en de mate waarin er sprake is van recidive. In het vierde hoofdstuk onderzoeken we een bijzonder ‘misdrijf’. Een aantal jongeren werden door hun eigen ouders voor de kinderrechter gedaagd op beschuldiging van ‘wangedrag’. Deze ouders dienden een verzoek in om hun ‘stoute’ kinderen te laten opsluiten. Hierbij zijn duidelijke verschillen aan te geven tussen zonen en dochters. Terwijl jongens meestal werkelijk ‘stout’ waren geweest, lagen bij meisjes vooral generatieconflicten aan de basis van het ongenoegen van de ouders. Vooraleer we de dossiers van de kinderrechtbank analyseren is het evenwel aangewezen een bredere context te geven. In het eerste hoofdstuk leggen we kort uit wat de kinderrechtbank juist is en welke actoren van belang zijn. Daarnaast geven we een verslag van de toestand van het archief zoals wij het aantroffen en enkele restricties bij de waarde van deze bronnen. In het tweede hoofdstuk schetsen we de politieke, economische, sociale en culturele context waarin het Dendermonde van de jaren twintig moet gezien worden.
De kinderrechtbank en haar archief
De kinderrechtbank is een idee dat afkomstig was uit de Verenigde Staten. Op 1 juli 1899 werd in Chicago voor het eerst een dergelijke rechtbank opgericht[203]. Vrij snel kreeg ze navolging in West-Europa. In België werd de kinderrechtbank (sinds 1966 jeugdrechtbank) ingesteld met de wet van 15 mei 1912. Deze gespecialiseerde rechtbank bevindt zich op het niveau van het gerechtelijk arrondissement (thans zijn er in totaal 27 gerechtelijke arrondissementen). In elk gerechtelijk arrondissement is er een rechtbank van eerste aanleg, een arrondissementsrechtbank, een arbeidsrechtbank, en een rechtbank van koophandel[204]. In de hoofdplaats van elk arrondissement is er bovendien een politierechtbank. De jeugdrechtbank maakt, samen met de correctionele rechtbank en de burgerlijke rechtbank, deel uit van de rechtbank van eerste aanleg[205]. Ze is bevoegd voor de meeste burgerlijke en strafzaken in verband met minderjarigen.
Een aantal belangrijke gerechtelijke functies bij de jeugdrechtbank zijn de kinderrechter, het Openbaar Ministerie, de gerechtsdeskundige, de griffier en de gerechtsdeurwaarder.
De jeugdrechter is een alleenzetelend rechter. Om zijn onafhankelijkheid te waarborgen wordt een beroepsrechter voor het leven benoemd en is hij onafzetbaar (tenzij via een tuchtprocedure)[206]. Niemand, ook niet de voorzitter van de rechtbank, kan hem richtlijnen of bevelen geven met betrekking tot de wijze waarop hij recht dient te spreken. Hij heeft in wezen een passieve rol. Wanneer de partijen niet zelf een zaak bij hem aanhangig maken, kan hij deze zaak niet op eigen initiatief behandelen. Hij is wel verplicht een vonnis te vellen. Hij mag nooit weigeren recht te spreken, om welke reden dan ook.
Het Openbaar Ministerie (O.M.) vertegenwoordigt de belangen van de gemeenschap. De taak houdt vooral verband met de strafvervolging: het opsporen en vervolgen van de misdrijven en het uitvoeren van de straffen. Op het niveau van het arrondissement is de procureur des konings het hoofd van het parket. Zijn medewerkers noemt men substituten.
Een gerechtsdeskundige is geen ambtenaar en heeft evenmin een vaste band met het gerecht. Hij wordt aangesteld voor afzonderlijke opdrachten in concrete zaken. Zijn taak bestaat erin, vanuit zijn specialisatie (bv. psychiater) de rechtbank voor te lichten in technische kwesties waarin de rechters in de regel niet zo goed thuis zijn.
De griffier is een ambtenaar die de beslissingen van de rechtbank schriftelijk akteert. Op de griffie worden processtukken gelegd, rechtsdagen aangevraagd, enz. Men kan er informatie verkrijgen over het verloop van een procedure.
De gerechtsdeurwaarder tenslotte wordt belast met het ‘betekenen’ van gerechtelijke akten, zoals dagvaardingen of vonnissen, en met de gedwongen tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen. Hij staat onder het toezicht van de procureur des konings. Deurwaarders oefenen hun beroep uit zoals een zelfstandige.
In verband met de studie van delinquent gedrag bij jongeren gedurende de laatste twee eeuwen zijn er twee ‘types’ instellingen die relevant bronnenmateriaal hebben nagelaten: de rechterlijke macht enerzijds, en de instellingen belast met de strafuitvoering anderzijds[207]. De rechterlijke macht kan ingedeeld worden in drie niveaus: de politiediensten, het Parket en – in dit geval – de kinderrechtbank. Bij dit alles moeten we steeds rekening houden met het feit dat de archieven die deze instellingen hebben nagelaten, geen representatief beeld vertegenwoordigen van de reële criminaliteit in de samenleving. Naast het dark number moet men een aantal factoren in acht nemen. Enkel gedrag dat gesanctioneerd wordt, is criminaliteit. In België is een handeling slechts strafbaar in de mate dat op het ogenblik van de feiten een wet bestond die deze handeling strafbaar stelde[208]. Geen enkel gedrag is op zich crimineel totdat het door de strafwetgever wordt opgenomen in het strafrecht en er een sanctie aan wordt verbonden. Daarnaast hangt veel af van het slachtoffer. Hij moet niet alleen weten dat hij getroffen is, maar ook bereid zijn het misdrijf aan te geven. De aangiftebereidheid is sterk afhankelijk van de relatie van het slachtoffer tot de dader. Weet men wie de schuldige is of niet? Hoe verhouden zich de machtsrelaties tussen beide? enz. Een derde belangrijke factor is het vervolgingsbeleid van de overheid. Reageert men op de aanklacht of niet? De politiediensten moeten een proces-verbaal opstellen en doorsturen naar het Parket. Dan moet het Parket op haar beurt beslissen of ze vervolgt of de zaak seponeert. Men moet deze factoren steeds zien in hun geografische context (Gent, Beveren-Waas, New York, enz.) en binnen de sociale, politieke, economische, culturele, enz. verhoudingen van de bestudeerde periode.
Voor mijn onderzoek baseerde ik mij op de rechtsplegingdossiers van de kinderrechtbank. Het onderzoek blijft beperkt tot het gerechtelijk arrondissement Dendermonde, waarvan de archieven pas sinds 2001 ontsloten zijn. Omdat de gerechtelijke bronnen een enorme omvang hebben, bestudeerde ik alleen de jaren twintig van de twintigste eeuw. Aanvankelijk was het de bedoeling te werken met steekproefjaren. Al vlug bleek echter dat op die manier te weinig dossiers in aanmerking kwamen voor het tweede luik van mijn onderzoek (zie hoofdstuk vier). Vandaar dat uiteindelijk werd besloten om de volledige periode 1921-1929 te behandelen.
Een aantal dossiers werden bewust niet meegerekend bij de analyse. Het gaat over de gevallen waarbij een jongere woonachtig in het arrondissement, een misdrijf pleegde buiten de grenzen van het gerechtelijk arrondissement Dendermonde. Iemand die een diefstal pleegde in Leuven, bijvoorbeeld, werd dus niet opgenomen in de statistieken. Hierop werd een uitzondering gemaakt voor landlopers. Zij plegen in principe reeds een misdrijf vanaf het ogenblik dat ze het huis verlaten. Het maakt dus niet uit of ze in Dendermonde of in Brussel werden opgepakt. Het misdrijf ving aan op het moment dat ze wegliepen van huis en zonder middelen van bestaan rondzwierven. Daarnaast dient ook vermeld te worden dat indien eenzelfde persoon meerdere misdrijven had gepleegd, deze delicten apart werden behandeld.
De rechtsplegingdossiers bevatten – in theorie – een schat aan informatie. Men kan er veel in terugvinden: de procesverbalen van de gepleegde feiten, briefwisseling met de verschillende actoren (politiediensten, vrederechter, kantonale schoolinspectie, ouders/voogden, instellingshoofden), inkomende brieven van de minderjarige zelf, inlichtingenbladen van lokale overheden, uittreksels uit het strafregister van de minderjarige, afschriften van het proces-verbaal van de vastgestelde inbreuken, de dagvaarding, het proces-verbaal van de verhoren en van de terechtzitting, afschriften van vonnissen en beschikkingen, verslagen van de maatschappelijke onderzoeken en periodieke verslagen van afgevaardigden en van de instellingen waar de minderjarige ‘geplaatst’ werd, door de minderjarige ondertekende kwitanties[209]. De praktijk was evenwel anders. Elk dossier zit in een groene omslag waarop, naast het rolnummer en het griffienummer, de naam van de betichte(n), de woonplaats, eventueel het beroep en de leeftijd, en de aanklacht staan geformuleerd. De aantijging was (bijna) nooit beperkt gehouden tot het strikte minimum. Bij diefstal, bijvoorbeeld, vermeldde men steeds wat er gestolen werd en vaak ook hoeveel. Het is deze beschrijving van de feiten, en niet de uiteindelijke juridische vernauwing tot een artikel van het strafwetboek of een bijzondere wet, die we gebruiken om de aard van de gepleegde delicten te onderzoeken. De primaire gegevens waren makkelijk te achterhalen. Aan de hand van het zittingsblad vonden we snel informatie over wie de betichte was, welke zijn of haar leeftijd, woon- en geboorteplaats was. Ook gegevens in verband met de grootte van het gezin en eventuele strafbladen van de ouders en de jongere waren voorhanden. Belangrijke informatiebronnen waren eveneens de procesverbalen van de politiediensten. Daarin werd – soms vrij uitgebreid – uit de doeken gedaan waar het over ging. Zij verschaften de meeste gegevens over het misdrijf en eventuele spanningen en conflicten die in het gezin aanwezig waren. Men hield ook nauwgezet bij wanneer het proces-verbaal was opgetekend, waardoor een chronologische reconstructie mogelijk werd. Een heel andere situatie werd het wanneer ik op zoek ging naar informatie aangaande de financiële welstand van het gezin, de lonen, het gedrag enz. Dikwijls ontbraken de verslagen van de maatschappelijke onderzoeken, alsook de verslagen van de instellingen waar de minderjarige geplaatst werd. Deze documenten zijn zelfs nergens terug te vinden. Het formulier ‘Onderzoek aangaande het kind en zijn omgeving’ mankeerde dikwijls. Indien het wel aanwezig was, werd het vaak niet volledig of onzorgvuldig ingevuld. Normaal kan hier veel informatie over de jongere, het gezin, de levensomstandigheden en dergelijke uit worden afgeleid. De fysieke en morele toestand van het kind bijvoorbeeld werd wel meestal ingevuld. Financiële gegevens daarentegen waren schaars maar konden af en toe een richting aangeven. Het was dan ook een tegenvaller toen bleek dat deze formulieren vaker niet dan wel beschikbaar waren.
Bij het bestuderen van bronnen moet men steeds rekening houden met de ‘objectiviteit’ van de opsteller. Verslagen over de gezinssituatie, de moraliteit van het kind, en dergelijke geven niet alleen de toen heersende burgerlijke moraal weer, maar ook de persoonlijke visie van de verslaggever. Men dient steeds de subjectiviteit van die persoon in acht te nemen. Ook getuigenissen zijn steeds onderhevig aan partijdigheid. Bovendien moet men hier op de hoede zijn voor leugens en bedrog. Getuigenissen kunnen tegengestelde dingen vertellen en het is dan aan de historicus om waarheid van leugen te trachten onderscheiden.
België en Dendermonde in de eerste helft van de twintigste eeuw
Inleiding
Criminaliteit is een maatschappelijk fenomeen. Doorheen de geschiedenis treden er verschuivingen en veranderingen op. In elk land wordt anders omgegaan met dit aspect van de samenleving. Criminaliteit en de criminaliteitbestrijding moeten dan ook steeds gezien worden binnen hun geografische context en binnen de politieke, economische, sociale en culturele dimensies van de bestudeerde periode. In dit hoofdstuk gaan we dieper in op deze factoren.
2.1. België
2.1.1. Politiek: de vorming van de parlementaire democratie
De revolutie van 1830 rekende voorgoed af met de restanten van het Ancien Régime. Toch kwamen er zowel conservatieve als progressieve krachten aan de oppervlakte. Enerzijds krachten die de opmars van de moderne gemechaniseerde industrie wilden afremmen en de politieke macht van grondbezit en Kerk wilden herstellen, anderzijds de burgerlijke intellectuelen die ervoor zorgden dat de basisprincipes van de liberale staat ingang vonden en grondwettelijk vastgelegd werden[210]. België werd een burgerlijke parlementair-constitutionele staat, gebaseerd op het cijnskiesrecht. De tweede helft van de negentiende eeuw betekende een triomf voor het liberalisme, mede gedragen door een definitieve doorbraak van het industriële kapitalisme. Aan die relatief stabiele sociaal-economische en politieke situatie kwam een einde rond de eeuwwisseling. De verruiming van de burgerlijke democratie had een toetreding van de arbeidersklasse tot het bestaande systeem tot gevolg. Ze eisten politieke macht en een verbetering van hun levensomstandigheden. Om hun belangen veilig te stellen, gaven de machthebbers toe. Met de grondwetsherziening van 1893 werd het cijnskiesrecht afgeschaft en voerde men het Algemeen Meervoudig Stemrecht in. Desondanks bleef het burgerlijk overwicht bestaan[211].
In de herfst van 1918 liep de Eerste Wereldoorlog op zijn einde. De leidende kringen wilden verder gaan naar vroegere gewoonte. De val van het Russische tsarenrijk en links-revolutionaire bewegingen in Centraal- en Oost-Europa dreigden evenwel een revolutie te ontketenen over de hele wereld[212]. Het rode gevaar kwam steeds dichterbij en de Belgische elite was niet blind voor deze dreiging. Om hun macht te behouden waren ze bereid hervormingen door te voeren en tegemoet te komen aan de massa. Op 21 november 1918 ontbood koning Albert I een aantal prominenten uit de politieke en economische wereld op zijn hoofdkwartier te Loppem[213]. De conservatieven in de rechterzijde werden niet uitgenodigd, daar de vorst weinig illusies koesterde over hun bereidwilligheid plots na dertig jaar alleenheerschappij rekening te houden met de nieuwe omstandigheden. Er werd een regering van nationale eenheid gevormd, de zogenaamde regering van Loppem, waarin zes katholieken, drie liberalen en drie socialisten zetelden. Een eerste maatregel was de toepassing in 1919 van het Algemeen Enkelvoudig Stemrecht (AES). Deze wijziging zorgde voor een verandering in de machtsverhoudingen[214]. De katholieken behaalden immers geen volstrekte meerderheid meer en moesten dus regeren met anti- of aconfessionele behoudende partijen. Deze noodzaak tot coalitieregeringen leidde tot een veel grotere invloed van de partijen. Anderzijds gaf dit de koning opnieuw iets meer de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het beleid[215]. Albert I had sterke banden met de zakenwereld en steunde vooral op de liberale partij voor zijn militaire en buitenlandse politiek. In het binnenlands beleid was zijn houding veeleer antisocialistisch en anti-Vlaams.
Van 1918 tot 1940 waren er niet minder dan dertig regeringscrisissen. Opvallend is dat België tijdens het Interbellum geen enkele linkse liberaal-socialistische regering heeft gekend, alhoewel deze twee partijen in het parlement toch over een meerderheid beschikten[216]. Daardoor kon de Katholieke Partij, ofschoon ze helemaal geen volstrekte meerderheid bezat, toch steeds regeringspartij zijn. Met katholiek-liberale regeringen aan de macht was het conservatief element steeds in overwicht, terwijl de katholiek-socialistische regeringen een sociaal-progressief beleid voerden. Dit laatste was vooral het geval met de regering Poullet-Vandervelde (juni 1925-mei 1926). Door de invoering van het AES kregen de Belgische Werkliedenpartij en de christelijke arbeidersbeweging meer ruimte in de katholieke wereld. Tijdens de oorlog hadden de Belgische arbeiders zich goede patriotten getoond. Hun harde werk werd beloond toen hun mentor Emile Vandervelde een plaats verwierf in de Belgische regering[217]. Anderen volgden: Eduard Anseele, Jules Destrée, Jozef Wauters. Het Belgische socialisme verkoos mee te draaien in de parlementaire monarchie om zo hervormingen te bewerkstelligen. Een eerste stap werd gezet met de invoering van de achturige werkdag in 1921. De economische crisis dwarsboomde voor korte tijd verdere plannen, maar in 1925 gingen de socialisten eensgezind de verkiezingen in en werden ze met bijna veertig procent van de stemmen de grootste partij van België. Ze gingen in zee met Prosper Poullet en de meest vooruitstrevende en flamingante katholieken. De progressieve regering Poullet-Vandervelde kregen het echter aan de stok met de conservatieve machten, de hoge financiële kringen en de patriottische milieus. Op minder dan één jaar tijd kwam de regering ten val. De puinhoop die ze achterliet werd opgeruimd door de grootfinancier Emile Francqui, topfiguur van de Société Générale. Het dreigende bankroet werd vermeden en de Belgische economie kwam weer op adem en herleefde.
Na de invoering van het AES waren de drie grootste partijen de Katholieke, de Socialistische en de Liberale. In 1919 komt daar nog de Frontpartij bij en in 1921 de Communistische Partij, ontstaan door afscheuring van de Belgische Werkliedenpartij. Door de invoering van het AES vergrootte niet alleen de invloed van de massa op het openbaar leven maar werd ook het demografisch overwicht van Vlaanderen op Wallonië meer en meer voelbaar[218]. De Vlaamse Beweging wakkerde een groter bewustzijn aan bij de Vlaamse bevolking en geleidelijk aan zullen aangaande bestuur, onderwijs en gerecht taalwetten worden afgedwongen. Op economisch en financieel vlak bleef in het Vlaams landsgedeelte echter nog een grote achterstand bestaan.
Zoals voorheen vond men Vlaamsgezinden in alle partijen. De belangrijkste fractie trof men nog steeds aan in de katholieke partij, rond Frans van Cauwelaert[219]. Zij hield het bij het minimumprogramma dat streefde naar een eentalig statuut voor Vlaanderen binnen het unitaire Belgische staatsbestel. De erfgenamen van de frontbeweging en het activisme zetten zich hiervan af en richtten een afzonderlijke Vlaams-nationale partij op, de Frontpartij. Zij stonden voor een vorm van politiek zelfbestuur voor Vlaanderen. Velen onder hen hadden ook Groot-Nederlandse sympathieën. Uiteindelijk zal de Vlaamse beweging pas op het einde van de jaren 1920 en tijdens de jaren 1930 echte grote successen boeken.
2.1.2. Van economische heropbouw tot diepe crisis
De Eerste Wereldoorlog bracht ingrijpende veranderingen in de nationale en internationale sociaal-economische verhoudingen teweeg. Het meest productieve deel van de bevolking, de jongeren, werd zwaar getroffen. Tijdens de oorlog werden zestig miljoen Europese mannen onder de wapens geroepen waarvan acht miljoen sneuvelden en bijna evenveel invalide werden. Ook de materiële verliezen waren zwaar. De krijgsverrichtingen, de opeisingen van grondstoffen en de ontmanteling van een deel van het productieapparaat berokkenden grote schade[220]. De wegen- en spoorweginfrastructuur was gehavend en het landbouwareaal en de landbouwopbrengsten kenden een terugval. De snelle overschakeling naar een oorlogseconomie had belangrijke structurele gevolgen en Europa verloor zijn goud- en deviezenreserve en maakte daarbij grote schulden. De Verenigde Staten kwamen uit de Eerste Wereldoorlog als de eerste en onbedreigde economische wereldmacht[221]. Bovendien was in Europa geen sprake van goede internationale samenwerking voor de economische en monetaire heropbouw en de financiële wanorde leidde tot (hyper)inflatie en tot sterk fluctuerende wisselkoersen. Pas in 1928 haalde de wereldhandel opnieuw zijn vooroorlogs peil.
België komt zwaar geteisterd uit de oorlog. Veel werd vernietigd, machines werden geroofd, de infrastructuur werd zwaar beschadigd, … Niettemin verloopt de nationale wederopbouw vrij soepel. In januari 1920 bereiken we reeds tachtig procent van het vooroorlogs peil[222]. Deze groei werd ook mogelijk gemaakt door de exploitatie van de Limburgse steenkoolmijnen en van de grondstoffen in Belgisch Congo. De inflatie wordt moeilijker overwonnen. Omdat de Duitse herstelbetalingen zeer traag toekomen, wordt bijna voortdurend een beroep gedaan op leningen. Er doen zich scherpe conjuncturele schommelingen voor met depressies in 1921 en in 1925-1926. Deze laatste crisis, die uitbreekt na het aan de macht komen van de christen-democratische-socialistische regering Poullet-Vandervelde, wordt gestabiliseerd door een nieuwe regering met bankier E. Francqui. Daarna krijgen we een groei tot 1929 waarna zich de diepe economische crisis van de jaren 1930 inzet.
Een aantal Vlaamse gebieden zoals de streek rond Antwerpen hadden reeds voor de Eerste Wereldoorlog geprofiteerd van de tweede industriële revolutie[223]. In de Rupelstreek verschaften steenbakkerijen op familiale en artisanale basis arbeid aan duizenden, meestal onderbetaalde vrouwen en kinderen. Textiel was de dominerende nijverheidstak in Vlaanderen. Een kwart van de Gentse actieve bevolking was werkzaam in deze sector. De tertiaire sector was vóór 1914 reeds aanwezig in de Antwerpse haven waar ongeveer 10.000 dokwerkers tewerk werden gesteld. Toch kende Vlaanderen geen industriële traditie (behalve textiel en diamant) en had ze een culturele achterstand ten opzichte van Wallonië. De industriële sponsors waren Waalse en Brusselse holdings en vooral de Generale Maatschappij.
Na de Eerste Wereldoorlog zet de ontwikkeling van de industrie in Vlaanderen zich gewoon verder. Er worden zeer zware investeringen gedaan om de productiviteit verder op te voeren[224]. De lonen volgden echter niet deze tendens. Na een aanvankelijke stijging kennen zij een terugval in de twintiger jaren. Deze daling zorgde voor een behoorlijke concurrentiepositie van de Belgische exportindustrie ten opzichte van het buitenland. Maar investeerders maken ook gebruik van deze relatief goedkope arbeidskrachten door spinnerijen en weverijen, ook voor wol, op te zetten in Oost- en West-Vlaanderen (Aalst, Eeklo, Kortrijk, Ronse, Oudenaarde, Lokeren, Sint-Niklaas). Textiel en diverse andere industrieën boden werk aan kleine marginale landbouwers en voormalige thuisarbeiders en slorpten zo een deel van de verdoken werkloosheid op.
Ondanks de aanhoudende recessie van 1920-1933 onderging de landbouw tijdens het Interbellum geen structurele veranderingen[225]. De levensstandaard van de meerderheid van de boerenbevolking verhoogde in belangrijke mate. Technische vernieuwingen drongen traag door. Nochtans stellen we vast dat door de mechanisering tussen 1919 en 1930 toch reeds een kwart van de effectieven uit de primaire sector (100.000 personen) aan de grond ontworteld werd.
In de Antwerpse haven stellen we een verdere uitbreiding van de handel en industrie vast[226]. Vooral dankzij de relaties met Congo vindt er een verdere uitbouw plaats op het vlak van scheepsbouw, maritieme verbindingen, invoer van ertsen, voedingsnijverheid enz.
Er moet opgemerkt worden dat al deze industrieën vooral gericht waren op export. Dit maakt de Belgische economie zeer conjunctuurgevoelig, wat zich laat merken tijdens de crisis van de jaren dertig. Bovendien ondergaat de verschuiving van het economisch zwaartepunt van Wallonië naar Vlaanderen een belangrijke vertraging die pas na de Tweede Wereldoorlog weer wordt opgeheven. Ondanks de vooruitgang heeft het noorden de achterstand op het zuiden dus niet volledig kunnen goedmaken[227].
2.1.3. De sociale evolutie
De economische structuurwijzigingen met vooral de aangroei van de tertiaire sector na de Eerste Wereldoorlog weerspiegelden zich op de bevolkingscurve. De weerslag ervan op de mentaliteit en de gedragingen heeft de Kerk in sterke mate verontrust[228]. Ze waarschuwde voor de gevaren die zowel het christelijke gezin als de staat bedreigden. De geboortecoëfficiënt bedroeg in 1900, 35‰ voor Vlaanderen en 25‰ voor Wallonië. In 1914 was dat geboortecijfer reeds gedaald tot 27‰, terwijl Wallonië naar 18‰ zakte. Het vrij hoge gemiddelde voor Vlaanderen was te danken aan de meest landelijk gebleven arrondissementen. Opvallend is dat de daling van de nataliteit zich het laatst inzette in Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Limburg[229]. Vaak wordt de impact van de katholieke Kerk met haar sterk uitgebouwde sociale controlemechanismen ingeroepen om die laattijdigheid te verklaren. Ze gebruikte alle mogelijke middelen om de dalende nataliteit te bestrijden. Zo heeft ze kunnen bewerkstelligen dat in 1920 de ‘Bond der Talrijke Gezinnen’ werd opgericht. Alleen gezinnen met ten minste vier kinderen konden lid worden. In 1923 werd de publiciteit en de verkoop van contraceptieve middelen en de abortus provocatus in het Strafwetboek opgenomen. Toch is het moeilijk vast te stellen of deze houding van de Kerk enige invloed heeft gehad op het huwelijksgedrag van de bevolking. In ieder geval kon zij de trend niet ombuigen en zette de daling van het geboortecijfer zich doorheen de twintigste eeuw verder.
België komt uit de oorlog met een sterk verpauperde bevolking, een enorme werkloosheid, op hol geslagen prijzen en zeer lage lonen[230]. Het economisch herstel gebeurt voor een groot stuk op kosten van de werkende bevolking. Zij moet wachten tot 1923 vooraleer de vooroorlogse koopkracht weer wordt bereikt. Mede door een gedeeltelijke koppeling van de lonen aan de index groeit hierna het reëel loon – weliswaar zeer traag – aan. Door deze geringe toename van de koopkracht wordt van het arbeidersloon nog steeds meer dan de helft besteed aan voedsel, en één vijfde aan kleding, verwarming en verlichting. Er bleef dus niet veel over. Een verbetering of een verslechtering van de levensstandaard vertaalde zich dus enkel in de samenstelling van het voedingspakket[231].
Het conjunctuurverloop beïnvloedt sterk de ontwikkeling van de sociale wetgeving in België. Belangrijke verwezenlijkingen in de naoorlogse jaren zijn de verwerving van het stakingsrecht en de afschaffing van het coalitieverbod in 1921 en de wet op de 48-urenweek (met werkdagen van acht uur) in datzelfde jaar[232]. In 1924 wordt ook een wet uitgevaardigd op het verplicht pensioenstelsel.
Voor de landbouwer vormde het dorp de sociale leefwereld tot voorbij de tweede helft van de twintigste eeuw. Slechts heel geleidelijk zou het dorp zijn agrarisch karakter gaan verliezen en de communicatie met de nabijgelegen grote centra een permanent gegeven worden[233]. De kleine boer, de dagloner en de landarbeider moesten hard werken om in hun onderhoud te voorzien. Kleine boertjes kwamen vaak slechts aan hun minimuminkomen door de arbeid van de vrouw en de kinderen op het land, en/of door loondienst bij andere boeren en thuisarbeid. Hun levensomstandigheden waren vaak bijna even armoedig als die van de dagloners. In de loop van de negentiende eeuw werd het steeds moeilijker het hoofd boven water te houden en vanaf het derde kwart van de negentiende eeuw komt een ware plattelandsvlucht op gang[234]. Velen trekken naar de grote steden op zoek naar werk in de fabriek. Tussen 1880 en 1900 viel het aandeel van de landbouwers in de Belgische beroepsbevolking terug van 36 procent naar 26 procent[235].
De arbeiders kunnen we ruwweg indelen in stedelijke fabrieksarbeiders en de massa thuiswerkers op het platteland. In de loop van de negentiende eeuw worden voortdurend sectoren uit deze ambachtelijke productie verdrongen door gemechaniseerde fabrieksarbeid in kleine of grotere ateliers[236]. Bij de schoenmakers bijvoorbeeld gebeurde dit pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw. Deze kwalitatieve verandering van de arbeidersklasse had tot gevolg dat de basis werd gelegd voor de arbeidersbeweging. Ze had echter ook negatieve gevolgen. Omdat de aangroei van nieuwe arbeidsplaatsen relatief trager verliep dan het afstoten van landarbeiders uit de agrarische sector waren voortdurend toenemende ellende en verpaupering het gevolg. Het permanente arbeidersoverschot liet ondernemers toe de laagste lonen uit te betalen. Pas op het einde van de negentiende eeuw werd een begin gemaakt met de lotsverbetering. Tussen 1896 en 1910 stegen de reële lonen met vier procent, maar daartegenover stond een indrukwekkende verhoging van de arbeidsproductiviteit[237]. De verbetering van de levensomstandigheden van de arbeiders was in de eerste plaats te danken aan de wijziging van de arbeidsvoorwaarden[238]. De arbeidsduur verminderde tot tien à elf uren per dag. Vrouwen- en kinderarbeid werden strikter gereglementeerd. De ontwikkeling van de sociale voorzieningen vormden een tweede factor. Hoewel er nog veel wantoestanden bestonden, was er onmiskenbaar vooruitgang. De kwaliteit van de huisvesting nam toe en de hygiëne op de werkplaatsen ging er op vooruit. In het begin van de twintigste eeuw waren de arbeiders beter gevoed en gekleed, hun spaarkracht en voorzorgsuitgaven waren toegenomen.
De kleine burgerij moest zich ook aanpassen aan de economische veranderingen rond de eeuwwisseling. Tot deze bevolkingscategorie werden in deze periode de vrije beroepen, ingenieurs, bedienden, ambtenaren, handelsvertegenwoordigers en algemeen personen werkzaam in de tertiaire sector gerekend[239]. Zij namen in aantal toe en deelden in de stijgende welvaart. Hoewel zij voorlopig nauwelijks georganiseerd was, oefende zij toch een grote invloed uit op het maatschappelijk leven.
De positie van de vrouw tijdens het Interbellum was er een die nog steeds ondergeschikt was aan de man. Alhoewel er in de loop van de negentiende eeuw in alle westerse landen bewegingen groeiden voor de erkenning van de rechten van de vrouw werd er niet echt veel verwezenlijkt. Met de opkomst van de arbeidersbewegingen, de arbeiderspartijen en de strijd voor het algemeen enkelvoudig stemrecht werd de vrouwenbeweging zich bewust van het feit dat ook de vrouwen, als kiezers, op die manier zouden kunnen mee bepalen wie aan de macht kwam[240]. Toch zou het in België nog duren tot 1947 vooraleer vrouwen stemrecht verwerven. In het Interbellum ontwikkelden zich twee zware remmen op het emancipatieproces van de vrouwen. Enerzijds was er de economische crisis en de zware werkloosheid die men voor een deel op de vrouwen trachtte af te wentelen. Anderzijds zorgde de opkomst van de autoritaire bewegingen niet echt voor goede omstandigheden. Autoritaire regimes – zoals Hitler-Duitsland – bestendigden alleen maar de ondergeschikte positie van de vrouw.
Een belangrijk sociaal fenomeen is de verstedelijking. Een eerste fase van verstedelijking doet zich voor in de loop van de negentiende eeuw. Door de opkomst van de mechanisering en de fabrieken, en later de tertiaire sector, worden arbeidskrachten geconcentreerd in de stad. De verstedelijking heeft van in het begin een belangrijke politieke dimensie gehad[241]. Algemeen wordt aanvaard dat het agrarische platteland overwegend katholiek gezind was. De sociale controle van de Kerk kende een groter succes op het platteland dan in de steden. Op het platteland is de horizontale mobiliteit gering. De mensen zijn gebonden aan hun woonplaats door de grond waarop ze hun brood verdienen. Iedereen kent iedereen[242]. Om het even wie kan het doen en laten in de gaten houden van iedereen, zowel arm als rijk. De sociale controle was er groot.
In de steden is een sociale controle op basis van een geografische ruimte niet meer mogelijk omdat er te veel mensen wonen op een kleine oppervlakte. De buurman wordt een onbekende. Er ontstaan wel nieuwe vormen van sociale controle, maar op veel minder terreinen van het dagelijks leven als op het platteland. Bovendien beperkt die zich meer tot de mensen die hetzelfde beroep uitoefenen. In de negentiende-eeuwse beluiken was men wel goed op de hoogte van elkaars doen en laten, maar waren er zeer weinig morele criteria op grond waarvan men elkaars gedrag beoordeelde. Iedereen leefde op de grens van de honger en in zo’n situatie zijn morele criteria een bijkomstigheid. Anderzijds kon er een klassenbewustzijn ontstaan wanneer zeer veel arbeiders die in dezelfde industrietak werkten geconcentreerd waren op enkele plaatsen in de stad voor wat betreft de huisvesting. De verstedelijking is een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de arbeidersbewegingen.
Naar het einde van de negentiende eeuw toe zien we een tweede fase van de verstedelijking op gang komen, met name de aangroei van de voorsteden. Nieuwe typische stedelijke vervoermiddelen (paardentram, stoomtram, fiets) maakten het mogelijk verder van de werkplaatsen te gaan wonen. Toch bleven in België tot in de twintigste eeuw groepen arbeiders dagelijks grote afstanden van en naar het werk te voet afleggen (15 à 20 km per dag).
Met de groei van de grote steden ontstond in de cultuur van de middenklassen ook een negatieve houding tegenover de stad[243]. In de Vlaamse landelijke romans werd de stad voorgesteld als een oord van verwildering en zedenbederf. Vooral aan katholieke zijde werd ervoor gezorgd dat deze mentaliteit in stand werd gehouden en verspreid. De Belgische regering – die van 1884 tot 1914 katholiek was – deden veel moeite om de aangroei van de steden af te remmen door goedkope arbeidersabonnementen beschikbaar te stellen en door het heel klein grondbezit op het platteland te bevorderen.
2.1.4. Religieus – cultureel
België was een land van katholieken. Bij de volkstelling van 1846 liet 99 procent zich als rooms-katholiek registreren[244]. De werken van de verlichte filosoof Voltaire, de positivist Auguste Comte en van de materialistische Feuerbach waren taboe. Tegen het einde van de negentiende eeuw telde men één geestelijke op tweehonderd inwoners en was het katholicisme de officieuze staatsgodsdienst[245]. Om dit te behouden moest kost wat kost vermeden worden dat de samenleving zou laïciseren. Dit zou immers leiden tot dekatholisatie. De realisatie van dit doel vergde een uitgebreid personeelsbestand, veel invloed en veel geld. In de loop van de negentiende eeuw slaagde de Kerk erin om haar macht over Vlaanderen te behouden en uit te breiden[246]. Belangrijk hierbij was de handhaving van haar dominante positie op het platteland. Immers, wie het platteland in zijn machtssfeer had, domineerde geheel Vlaanderen. Hiervoor hadden ze de steun nodig van het grondbezit en de boeren. Erg moeilijk was dat evenwel niet. Al eeuwenlang bezat de Kerk er een traditionele autoriteit die van hogerhand gestimuleerd was geworden[247]. De landbouwer was voor zijn bestaan volledig afhankelijk van de natuur en de samenleving was statisch, ruraal en onzeker. Het katholieke geloof was hierbij zeer functioneel. Zij had voor iedere kwaal, voor iedere ziekte een heilige en een bedevaartsoord. Elke tegenval was een straf van God voor het zondig menselijk handelen. In een dergelijk gesloten, ruraal milieu was het vrij eenvoudig voor de clerus de ganse bevolking onder sociale controle te houden.
Toch kon men niet beletten dat er tegen het einde van de negentiende eeuw ook kerk-onverschillige elementen doordrongen op het platteland. De groeiende contacten met groepen die niet leefden van de landbouw breidden toen namelijk gevoelig uit. Pendelaars naar de industriesteden, Fransmannen en soldaten die in aanraking kwamen met socialistische arbeiders en met levenspatronen die niet of minder gecontroleerd waren door de geestelijkheid brachten het progressief stadsklimaat in het dorp binnen. Het dorp geraakte steeds meer uit zijn isolement. Stedelingen zoals stationschefs, staatsambtenaren en bedienden, onderwijzers enz. kwamen zich er vestigen. De kerk poogde deze invloeden te neutraliseren door verenigingen op te richten en het ontspanningsleven zoveel mogelijk onder de hoede van de pastoors te plaatsen.
De ernstigste gevaren werden echter gevormd door de landbouwcrisis en het socialisme. De reeds hierboven aangehaalde plattelandsvlucht en de groeiende industrialisatie bedreigden het verdere succes van de katholieke partij. In functie daarvan ging de partij een efficiënt en functioneel landbouwbeleid voeren. Ze speelde in op de behoeften van de rurale bevolking en richtte de Belgische Boerenbond (1890) op. De controle die ze hiermee uitoefende had het Vlaamse platteland immuun gemaakt voor het socialisme.
De eerste verkiezingen volgens het AES bewezen dat de Kerk met succes stand had gehouden[248]. Behalve een paar grote stedelijke agglomeraties, was het Oost- en West-Vlaamse en Brabantse platteland haast homogeen katholiek gebleven, evenals de Kempen en het Land van Waas. De provincie Limburg was zelfs helemaal niet aangetast geworden door ontkerkelijkende invloeden. Onder leiding van het episcopaat en de katholieke partij was verzuiling tot stand gekomen. De verschillende onderafdelingen kwamen tegemoet aan elke beroepssector, aan elke sociale status en aan iedere sociale behoefte.
In de jaren twintig van de twintigste eeuw moest de Kerk zijn aandacht verschuiven naar de jeugd. De ‘gay twenties’ werden, naar verluidt, gekenmerkt door een steeds verdergaande verwereldlijking en zedenverwildering: bioscoop, fotomagazines, jazz, tango, charleston en foxtrot kenden een overweldigend succes, vooral bij de jongeren[249]. De kritiek die men uitoefende op de moderniteit ging vaak gepaard met een vrees voor een losgeslagen en bandeloze jeugd. In hun strijd tegen die ‘cultuurcrisis’ richtte de Kerk – evenals de nieuwe orde – zich tot die bevolkingsgroep door ze samen te brengen in diverse organisaties. Er brak een bloeiperiode aan voor jeugd- en jongerenbewegingen, die het terrein gingen vormen van de maatschappelijke polarisaties. Aan de ene kant ontstonden strijdende bewegingen van Katholieke Actie (K.A.) en aan de andere kant rechtse (en fascistoïde) groeperingen met de nadruk op leiderschap. Jeugdbewegingen moesten een nieuwe collectieve identiteit creëren, en het groeps- en gemeenschapsgevoel bevorderen. Bovendien trachtte men tegelijkertijd ontkerstening tegen te gaan. Men wou overigens opnieuw een absolute meerderheid behalen in de regering. Om dit te verwerven diende het zuilensysteem verder uitgebreid en gediversifieerd te worden door het integreren van nieuwe ‘profane’ behoeften en activiteiten, zoals deze jeugdbewegingen[250].
2.1.5. Kind, gezin en het burgerlijk beschavingsoffensief
In de achttiende eeuw kreeg men stilaan oog voor het kind. De pedagogen en moralisten van de eeuw van de Verlichting waren van mening dat kinderen in essentie onschuldige wezens waren, die beschermd moesten worden tegen ‘volwassen’ situaties. Hiermee bedoelde men vooral seksualiteit. Ze zagen het als een belangrijk onderdeel van de opvoeding dat kinderen van zulke zaken werden afgeschermd. Veelbetekenend was het ontstaan in die periode van een specifieke kinder- en jeugdliteratuur[251]. Men trachtte een aparte kinderwereld te creëren, die de ervaringswereld van de volwassenen op een afstand hield. Deze literatuur was trouwens niet bedoeld voor ontspanning, maar om kennis te vergaren en deugdzaamheid te bevorderen. De leesboeken hadden dus een moraliserende opzet. In de praktijk werd die afscherming in uitgesproken burgerlijke milieus toegepast.
Overal in West-Europa is, ondanks alle regionale verschillen, sprake van de opkomst van een modern, burgerlijk gezinsleven, dat zijn wortels had in de Renaissance. Gaandeweg werd dit gekenmerkt door een burgerlijke opvoedingsideologie, die in de loop van de tijd ook in andere dan burgerlijke milieus een overheersende rol ging spelen. Omdat deze verspreiding niet overal vanzelf ging, hebben pedagogen, artsen en priesters in de negentiende en twintigste eeuw een ‘beschavingsoffensief’ ontketend dat erop gericht was deze ideologie onder het volk te verbreiden. Het beschavingsproces kwam neer op een toenemende ‘socialisatie’ van gewone mensen zodat ze optimaal konden functioneren binnen de burgerlijke samenleving[252]. Hun gedrag diende te worden ‘aangepast’ in de richting van de heersende morele normen van de burgerlijke kringen. De burgerij streefde naar een ‘deugdzame natie’, die vol zat met vooruitziende, spaarzame, nuttige, praktische, gehoorzame, verdraagzame, menslievende en bovenal vlijtige landgenoten.
Tegen het einde van de negentiende eeuw, als gevolg van de urbanisatie en industrialisatie, kregen de Kerk en particulieren in toenemende mate belangstelling voor het gezinsleven. Beide spanden zich in om de massa van de bevolking – en vooral het groeiende arbeidersproletariaat in de steden – te overtuigen van de zegeningen van een geregeld leven. Men constateerde rond 1900 een toename van het ongehuwd samenwonen en het aantal buitenechtelijke kinderen. Het huwelijk in de volksklasse zat in een crisis[253]. De maatschappij trok ten strijde tegen de ‘ongeregeldheid der zeden’ door moraliserende initiatieven en goede werken. De jeugd moest zo lang mogelijk afgehouden worden van zinnenprikkelende zaken als gemengd zwemmen, bioscoopbezoek, danslokalen, moderne kleding of haardracht.
Het gezin werd herbevestigd als hoeksteen van de samenleving. Net als na de Franse Revolutie had men een grote angst voor ontwrichting van de maatschappij, en net als toen was het gezin de oplossing. De overheid ging zich steeds meer inmengen in het gezinsleven[254]. Dit kwam het sterkst naar voor in de Kinderwetten die in deze periode ontstonden. De ouders werd gewezen op hun plicht goed te zorgen voor hun kinderen. Indien dit volgens de autoriteiten niet voldoende gebeurde, riskeerden zij uit hun ouderlijke macht ontzet te worden. De instelling van de leerplicht in 1914 was eveneens, zij het minder vergaand, een inbreuk op het ouderlijk gezag[255]. De overheid begon zich in te laten met de opvoeding van de kinderen. Onderwijs werd gebruikt als instrument ter correctie van opvoedingspraktijken in het gezin. Dit is geen nieuw verschijnsel. Al lang voor er sprake was van leerplicht was het in Nederland bijvoorbeeld gebruikelijk dat armen, die van de kerkelijke bedeling leefden, op straffe van intrekking van de steun werden verplicht om hun kinderen naar de armenschool te sturen. Deze verplichting was niet alleen bedoeld om de kinderen van de straat te houden, maar stoelde tevens op de gedachte dat de ouders in kwestie niet al te beste opvoeders waren, en dat de school moest goedmaken wat die ouders verprutsten.
Het onderwijs in België was lange tijd – vooral voor meisjes – grotendeels een katholieke aangelegenheid geweest[256]. Dit katholieke overwicht vertaalde zich in een onderwijs waarin meisjes zoveel mogelijk op hun toekomstige rol van echtgenote en moeder werden voorbereid. Zeker na de Eerste Wereldoorlog, waarin vrouwen de plaats van hun mannen innamen aan het thuisfront. De nationale wederopbouw hield onder andere een streven naar herstel en groei van de bevolking in. Het dalende geboortecijfer, de toename van het aantal vrouwelijke werknemers en de terugkeer van de mannen leidden opnieuw tot een grootscheeps ideologisch offensief om de vrouwen naar de huiselijke haard terug te drijven[257]. Haaks hier tegenover stonden de ideeën van de feministen en een deel van de vrijzinnige wereld. Zij streefden naar een degelijk onderwijs voor meisjes, dat hun toeliet universitaire studies of een beroepsloopbaan aan te vatten. Om aan deze maatschappelijke evolutie te voldoen, pasten de katholieke onderwijsinstellingen – in beperkte mate – hun onderricht aan. Alleen op die manier konden ze hun overwicht in het onderwijs behouden.
Met het instellen van de leerplicht wilde men vooral ook de kinderarbeid aan banden leggen. De noodzaak om kinderen reeds in een vroeg stadium in te schakelen voor het gezinsinkomen, is op het platteland en in de arbeidersklasse tot in het begin van de vorige eeuw blijven bestaan[258]. Nog omstreeks 1900 moest het grootste deel van de kinderen op hun twaalfde jaar aan het werk. Maar ook na de invoer van de leerplicht deden grote aantallen kinderen buiten schooltijd allerlei soorten werk: helpen bij de huisarbeid van de ouders, brood en melk bezorgen, was en kranten rondbrengen, helpen bij kappers, enz. De kinderen werkten voor en na schooltijd en tussen de middag. Werk buitenshuis was meestal weggelegd voor jongens, terwijl meisjes vaak een taak in het huishouden kregen.
2.2. Het gerechtelijk arrondissement Dendermonde
In deze paragraaf bestuderen we Dendermonde van naderbij. In grote lijnen wordt de sociaal-economische situatie in de eerste helft van de twintigste eeuw geschetst. Het is alleszins niet de bedoeling daar al te diep op in te gaan. We geven slechts een globaal overzicht met enkele accenten die als algemene achtergrond kunnen dienen.
Het gerechtelijk arrondissement Dendermonde werd opgericht bij wet van 18 maart 1800 door de afscheiding van het arrondissement Gent en door de opheffing van de arrondissementen Aalst en Sint-Niklaas[259]. De samenstellende gerechtelijke kantons zijn Aalst (sinds 8 mei 1847), Beveren, Dendermonde, Hamme, Lokeren, Sint-Gillis-Waas, Sint-Niklaas, Temse, Wetteren en Zele. Deze grenzen zijn tot op heden quasi onveranderd gebleven. De enige relevante wijziging voor deze studie vond plaats in 1923. De gemeenten Burcht en Zwijndrecht, destijds deelgemeenten van Beveren, werden vanaf 19 maart 1923 toegevoegd bij Antwerpen, waarbij Burcht een deelgemeente werd van Zwijndrecht.

De provincie Oost-Vlaanderen en het gerechtelijk arrondissement Dendermonde
2.2.1. Landbouw
Hoewel in België de landbouw in de negentiende eeuw steeds meer plaats moest ruimen voor de industrie, behield het arrondissement Dendermonde zijn overwegend agrarisch karakter. Van de totale oppervlakte bleef ongeveer drie vierden voor de landbouw bestemd[260]. Vooral de deelgemeenten en plattelandsdorpjes zorgden voor dit hoge percentage. De belangrijkste teelten waren de graanteelt, nijverheidsgewassen (vlas, hennep), voedergewassen (aardappelen), veeteelt en boomteelt.
Aanvankelijk was de landbouw gericht op het bevredigen van de plaatselijke behoeften. Door de lage levensstandaard beperkte die vraag zich tot brood, waardoor de boer zich toelegde op graangewassen. Tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw kwam daar verandering in door de stijging van de levensstandaard. Bijgevolg verminderde de teelt van broodgranen en ging men zich toeleggen op haver en gerst, gewassen gebruikt voor het voeden van vee of als grondstof in de brouwerijen[261]. Het belangrijkste industrieel gewas bleef vlas. De vlascultuur vormde de meest dure maar ook de meest winstgevende productie van de landbouw.
De agrarische dorpen bleven hun landelijke karakter behouden tot ver in de twintigste eeuw. Ze bezaten geen nijverheid van enige betekenis. Wel leverden ze arbeiders op voor de fabrieken in de naburige steden zoals Aalst, Dendermonde, Lokeren, Sint-Niklaas en Zele.
2.2.2. Industrie
Industriële nijverheid vindt men voornamelijk terug in de steden[262]. De agrarische dorpen bezaten kleine ambachtelijke bedrijven die zich grotendeels toelegden op weven, spinnen, brouwen en het maken van klompen en schoenen. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bewaarden de meeste bedrijven een familiaal karakter[263]. De levensstandaard van de industriearbeiders volgde de algemene trend en verbeterde gevoelig door de veralgemening van het geldloon en door de stijging van het werkelijk loon. De wetten op de ouderdomspensioenen en op de verzekering tegen ongevallen legden tevens de grondslag voor een beginnende maatschappelijke veiligheid.
Tijdens het Interbellum veranderde er niet veel. De korte tijdsspanne en de zware economische crisis van de jaren dertig hebben dit vrijwel onmogelijk gemaakt. De industrie bleef zich toeleggen op de traditionele sectoren, namelijk textiel, touw- en olieslagerijen (Hamme, Dendermonde, Wetteren, Sint-Gillis-Dendermonde), vellenbewerking (Lokeren), leerlooierijen (Wetteren), en steenbakkerijen (Sint-Niklaas). De textielindustrie was en bleef de belangrijkste bedrijvigheid. Vooral Sint-Niklaas kende tijdens het Interbellum een enorme economische vooruitgang. In de tapijtsector en de sectoren fluweel en meubelstoffen, waarin Sint-Niklaas en Kortrijk de twee grootste centra van het land werden, beleefde men een hoge heropleving[264]. Daarnaast was ook de productie van wollen en gemengde kledingstoffen aanzienlijk. De voornaamste buitenlandse afnemers waren Groot-Brittannië, Nederland, Zuid-Afrika en Australië. De breigoedindustrie kende een grote uitbreiding tot 1929. Op dat ogenblik telde Sint-Niklaas meer dan driehonderd – meestal kleine – breigoedfabrikanten. In de jaren dertig kwam deze sector echter in de problemen.
Net als in Sint-Niklaas was ook in Lokeren de textielnijverheid de kern van het industriële leven[265]. Men legde zich toe op de katoenweefindustrie, de wol- en lijnwaadweverijen (thuiswerk) en de linnenblekerij. Armoede was er alom tegenwoordig[266].
Ook Wetteren, dat tegen de eeuwwisseling uitgegroeid was tot een belangrijk textielcentrum, bereikte na de Eerste Wereldoorlog een nieuw hoogtepunt[267]. De fabriek Beernaerts stelde in 1923 niet minder dan 2600 personen tewerk. De automatische getouwen deden hun intrede in datzelfde jaar. Dit leidde evenwel tot een daling van de tewerkstelling. Het tijdperk van de mastodontfabrieken liep op zijn einde.
Andere vestigingen van spinnerijen en weverijen vindt men vooral terug in Aalst, Lokeren, Laarne, Berlare en Zele en later ook in Sint-Gillis-Dendermonde. Naast deze bedrijven bleven de thuiswevers bestaan. Uit de afval van kemp, jute en vlas weefden zij een ruwe stof, geschikt voor het inpakken van machines en gericht op de uitvoer naar Engeland. Vooral Zele bleef een belangrijk centrum voor thuiswevers. Ze leefden in de bitterste armoede en werden vaak uitgebuit door hun opkopers. Bovendien beconcurreerden huisarbeiders en fabriekarbeiders elkaar, wat aan de nijverheid goedkope arbeidskrachten bezorgde[268]. Aalst, dat op het einde van de negentiende eeuw uitgroeide tot een van de meest vernieuwende textielcentra van het land, takelde langzaamaan af[269].
2.2.3. Handel
Bij handel is steeds de topografische ligging van een gemeente of stad van belang. De stad Dendermonde bijvoorbeeld, was voorzien van een haven, talrijke rivieren en kanalen en groeide uit tot een spoorwegknooppunt[270]. Hierdoor stond de stad in verbinding met het binnen- en buitenland. Met de uitbreiding van de transportmogelijkheden in het arrondissement zelf namen ook de handelsactiviteiten in de omliggende gemeenten toe. De basis van de handel waren graan en oliehoudende zaden. Graan werd meestal ingevoerd vanuit het binnenland. Indien de graanopbrengst in België echter onvoldoende bleek, was men genoodzaakt zich naar het buitenland te richten. Oliehoudende zaden werden steeds ingevoerd aangezien de eigen opbrengst nooit voldoende was om alle olieslagerijen te bevoorraden. Daarnaast was de import van steenkolen belangrijk voor de plaatselijke behoeften. Hiervoor werd een beroep gedaan op Henegouwen en de Borinage. Langzamerhand zal men zich echter richten op het buitenland vanwege de lagere prijzen. Het transport gebeurde steeds via de trein. Vlas werd geleidelijk het belangrijkste handelsgewas dat aanleiding gaf tot transacties in binnen- en buitenland. Het vlas werd ingevoerd vanuit Nederland, Rusland en het Zollverein en werd voornamelijk uitgevoerd naar Frankrijk en Engeland.
2.2.4. Pendel- en seizoenarbeid
Naarmate de industrie zich rond de eeuwwisseling in Vlaanderen uitbreidde, nam ook de pendelarbeid toe. Grote industriesteden trokken dikwijls arbeiders uit het omliggende platteland aan. Arbeiders uit Beveren bijvoorbeeld, trokken naar Antwerpen en niet – in tegenstelling tot wat men verwacht – naar Sint-Niklaas[271]. De textielindustrie die zich daar had ontwikkeld stelde immers hoofdzakelijk vrouwen tewerk. De meeste forenzen gingen dus naar Antwerpen. Vanuit Beveren, Haasdonk, Melsele, Vrasene, Kallo en Kieldrecht trokken respectievelijk 82 procent, 52 procent, 52 procent, 52,5 procent, 37,6 procent en 10,2 procent daarheen. Men was namelijk nauwelijks tien à twaalf kilometer verwijderd van deze stad die bovendien een grotere diversiteit aan werkgelegenheid en hogere lonen verschafte. Vooral de haven bezorgde veel werk. Havenarbeid vereiste geen geschooldheid en was dus voor iedereen toegankelijk. Bovendien kwamen ook veel boeren en landarbeiders, vooral in de wintermaanden als de landbouw stil lag, naar de haven. Het grote nadeel van havenarbeid was dat men slechts tweehonderd werkdagen per jaar kon garanderen en de meeste dokwerkers moesten zich elke dag opnieuw laten aanwerven[272]. De haven van Antwerpen floreerde onder andere door de invoer van goedkoop Amerikaans graan. Deze deed de prijs van het brood dalen zodat de mensen konden beschikken over meer voedsel. De keerzijde van deze evolutie was dat de landbouwers moesten omschakelen, ook die in de polders van de omstreken van Beveren. Om kosten te besparen werden landbouwmachines ingevoerd, wat zijn repercussies had op de tewerkstelling[273]. Vandaar het ontstaan van de pendelarbeid. Naast Antwerpen stelden ook de scheikundige meststoffenfabriek en steenbakkerijen van Burcht en de cokesovens van Hoboken veel mensen tewerk.
Omdat er gebrek aan werk was, of armoede heerste of gewoon omdat er voor hen geen plaats was op het erf van hun ouders waren sommige jonge Vlaamse boerenzonen verplicht elders werk te zoeken, bijvoorbeeld in Wallonië of in grote steden zoals in Brussel en Antwerpen. Anderen poogden als landverhuizers in het buitenland een nieuw leven te beginnen (Canada, Verenigde Staten, …). Vooral de streek van Aalst was bekend om haar ‘fransmans’ of ‘trimards’[274]. Landarbeiders die gedurende maanden naar de departementen Seine-Oise, Marne-Eure et Loire, Vosges, enz. uitzwermden om in het seizoen de graan- of bietenoogst te doen. Fabrieksarbeiders konden werk vinden in de baksteenfabrieken in het département du Nord, het département du Pas-de-Calais enz. De landarbeiders werden door Franse boeren tegen lage lonen aangeworven voor de zware veldarbeid. De aanwerving van Vlaamse arbeiders geschiedde contractueel. De lange scheiding van vrouw en kinderen was wel een zware beproeving.
Besluit
Aan het einde van de negentiende eeuw werd voorgoed komaf gemaakt met het cijnskiesrecht en zette België de stap naar een politieke democratisering. Met de Eerste Wereldoorlog als katalysator zette deze tendens zich verder. De toepassing van het algemeen enkelvoudig stemrecht bracht nieuwe politieke en sociale verhoudingen. Er werden coalitieregeringen gevormd die nu eens katholiek-liberaal, dan weer katholiek-socialistisch waren. Het demografisch overwicht van Vlaanderen op Wallonië werd steeds duidelijker, wat zich weerspiegelde in de Vlaamse Beweging, die ijverde voor een groter bewustzijn bij het Vlaamse volk en taalwetten afdwong.
België kreeg daarbij nog af te rekenen met de economische gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. De wederopbouw ging vrij soepel, maar België moest er zware leningen voor aangaan. In Vlaanderen en Dendermonde bleef, naast landbouw, textiel de belangrijkste nijverheid. De meeste bedrijven waren nog steeds op familiale en artisanale leest geschoeid. Technische vernieuwingen drongen traag door. Door de relatief goedkope arbeidskrachten kon België concurreren met het buitenland. Desondanks zouden de Belgische industrieën, die vooral gericht waren op export, rake klappen krijgen tijdens de crisis van de jaren dertig, die België weer naar de rand van de afgrond bracht.
De economische structuurwijzigingen hadden een weerslag op de bevolkingscurve, die een daling inzette. De Kerk wendde tevergeefs alle mogelijke middelen aan om deze tendens te bestrijden. Wel werden wezenlijke stappen gezet om het lot van de arbeider te verbeteren. Landbouwers en stadsarbeiders moesten hard werken om te overleven. Tijdens het Interbellum kwam een sociale wetgeving tot stand die onder andere zorgde voor kortere werkdagen. Ondanks het feit dat er nog steeds wantoestanden heersten, ging de situatie van de arbeider er toch op vooruit. De positie van de vrouw in de samenleving daarentegen veranderde niet. Zij bleef ondergeschikt aan de man. Pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg zij de kans uit de schaduw te treden en voor zichzelf op te komen.
De katholieke Kerk heeft steeds een enorme invloed uitgeoefend op het politieke en sociale leven. Om haar gezag te behouden moest zij vanaf het einde van de negentiende eeuw optornen tegen socialistische invloeden. Vooral op het platteland werden ontkerkelijkende invloeden zorgvuldig geweerd. De verzuiling die tot stand kwam, werkte dit in de hand.
Kinderen en jeugd werden in de loop van de negentiende en twintigste eeuw een belangrijk actieterrein. Pedagogen, artsen en de Kerk stelden steeds meer belang in opvoeding en onderwijs, dat in de eerste plaats tot doel had de burgerlijke morele waarden te verspreiden onder de volksmassa. Men trok ten strijde tegen het zedelijk verval, die een gevolg was van de moderniteit. Ook de overheid mengde zich in het gezinsleven. Het gezin werd herbevestigd als de hoeksteen van de samenleving. De ouders werd gewezen op hun verantwoordelijkheid goed te zorgen voor hun kinderen. Tegenover zogenaamde ‘slechte’ ouders kon de overheid ten allen tijde ingrijpen. Met de invoering van de leerplicht kon zedelijk verval bestreden worden. Via de kinderen werden morele normen en maatschappelijke waarden in het gezin ingeplant. Met zijn tussenkomst in de opvoeding had de overheid dus niet alleen ideologische invloed verkregen op het kind, maar op het gehele gezin.
Jongens en meisjes voor de Dendermondse kinderrechtbank
Inleiding
In dit hoofdstuk trachten we een antwoord te vinden op een aantal vragen in verband met jeugdcriminaliteit en gender. Welke soorten misdrijven pleegden deze jeugddelinquenten? Deden zij dit in groep of alleen? Wat is de familiale achtergrond van deze kinderen? Vanwaar komen deze jongeren? enz. Centraal bij deze vragen staat steeds de verhouding tussen jongens en meisjes. Bevestigt deze de algemene bevindingen of niet?
3.1. Jongens versus meisjes
Over de hele jaren twintig zien we dat het aantal vervolgde minderjarigen sterk varieert van jaar tot jaar. De cijfers vertonen een golfbeweging met een hoogtepunt in 1921-1922 en een dieptepunt in 1929. Verder stellen we vast dat het aandeel meisjes ten opzichte van het aantal jongens steeds verandert. Concreet betekent dit dat bijvoorbeeld een stijging van het aantal vervolgde jongens niet noodzakelijk overeenkomt met een stijging van het aantal vervolgde meisjes.
|
Betichten |
1921 |
1922 |
1923 |
1924 |
1925 |
1926 |
1927 |
1928 |
1929 |
|
Jongens |
193 |
182 |
146 |
105 |
143 |
178 |
160 |
103 |
84 |
|
Meisjes |
30 |
41 |
56 |
34 |
22 |
22 |
45 |
26 |
21 |
|
Totaal |
223 |
223 |
202 |
139 |
165 |
200 |
205 |
129 |
105 |
Tabel 3.1. Het aantal vervolgde minderjarigen die voor de Dendermondse kinderrechtbank moesten verschijnen (1921-1929)
Opmerkelijk is dat de jaren 1928 en 1929 echte ‘dieptepunten’ zijn met respectievelijk slechts 129 en 105 vervolgde jongeren. Over de volledige periode kunnen we trouwens een algemene daling vaststellen. De Eerste Wereldoorlog zou hier voor iets tussen kunnen zitten. Het niveau van jeugdcriminaliteit hangt samen met de bevolkingsopbouw. Hoe meer jongeren, hoe meer potentiële jeugdige delinquenten er getalsmatig zijn[275]. Anders gezegd, als er in een bepaald tijdvak veel kinderen worden geboren, kan men voor een tiental jaren later een toename van jeugdcriminaliteit voorspellen en voor nog eens een tiental jaren later een afname. Deze laatste jaren zijn ongeveer tien à veertien jaar na de Eerste Wereldoorlog. Vlaanderen kende tijdens de Eerste Wereldoorlog een zware terugval van het aantal geboorten[276]. Van meer dan 100.000 geboorten per jaar in het begin van deze eeuw, zakte het aantal geboorten zeer snel naar een absoluut dieptepunt van ongeveer 46.500 geboorten. Na de Eerste Wereldoorlog herstelde het aantal geboorten zich op een niveau van meer dan 80.000 geboorten per jaar. Naar het einde van de jaren twintig toe waren er dus een pak minder jongeren. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de daling van het aantal vervolgde jeugddelinquenten.

Verder bevestigen deze cijfers wat we reeds wisten, namelijk dat de meisjes geringer in aantal zijn dan de jongens. Dit ligt volledig in de lijn van de verwachtingen. Meisjes, net als vrouwen, worden in het algemeen beduidend minder vervolgd dan mannen en jongens[277]. De bovenstaande grafiek toont dat de verhoudingen voor de geregistreerde misdrijven schommelen tussen negen jongens voor één meisje (1926) en zeven jongens voor drie meisjes (1923). Gemiddeld komen we tot een evenredigheid van vier jongens voor één meisje. Met andere woorden, een vijfde van de geregistreerde misdrijven werd gepleegd door meisjes. Hiermee liggen de resultaten iets lager dan in Veurne voor dezelfde periode[278]