| Stoute jongens en rebelse meisjes. Ouderlijke klachten over onhandelbare kinderen bij de kinderrechter van Dendermonde tijdens de jaren twintig van de twintigste eeuw. (Nele De Bodt) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel I. Jeugdcriminaliteit, een maatschappelijk fenomeen
Elke samenleving gaat op een andere manier om met ‘criminaliteit’. Daarenboven is deze omgang met ‘criminaliteit’ geenszins tijdloos. In het eerste hoofdstuk zullen we zien dat in de loop van de negentiende eeuw een kentering optrad in het Westerse strafrechtelijke discours. De achttiende-eeuwse Verlichte ideeën van de Klassieke School benadrukten de vrije, rationele burger. Wetten werden gemaakt door de vertegenwoordigers van het volk en bekendgemaakt aan iedereen. Elkeen wist wat strafbaar was en wat niet. Elk individu maakte voor zichzelf de bewuste keuze om de wet al dan niet te overtreden. De burger was schuldig en moest boeten. Tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw begonnen echter andere zienswijzen in omloop te komen. De focus van het mensbeeld verschoof van het individu naar het ras. De homo criminalis was geboren: de gedegenereerde onderlaag van de menselijke soort.
Jongeren en kinderen kwamen ondertussen steeds meer in de belangstelling te staan. In het tweede hoofdstuk wordt duidelijk hoe criminele statistieken en sociale enquêtes in het begin van de negentiende eeuw aan het licht brachten dat de jeugdcriminaliteit toenam. In groeiende mate kreeg men aandacht voor de jonge delinquent en het sociaal milieu waarin kinderen opgroeiden. Uiteindelijk leidde dit in de meeste Westerse landen tot de invoering van een apart juridisch statuut voor kinderen. In navolging van de Verenigde Staten kregen minderjarigen in het begin van de twintigste eeuw een eigen rechtbank en kinderrechter.
Als gevolg van het nieuwe strafrechtelijke discours en de aandacht voor kinderen en criminaliteit moest het strafrecht bijgeschaafd worden. Het derde hoofdstuk behandelt de veranderingen die zijn doorgevoerd tijdens de negentiende eeuw. Niet langer het misdrijf, maar de persoonlijkheid van de dader werd centraal gesteld. Individuen werden aan repressie onderworpen, niet meer omdat ze schuld droegen, maar omdat ze gevaarlijk werden geacht.
Tot slot buigen we ons in het vierde hoofdstuk over een aantal theorieën omtrent (jeugd)criminaliteit en gender. Sinds de ‘ontdekking van de jeugddelinquent’ is reeds veel geschreven over jeugdcriminaliteit. In dit onderzoek ligt de nadruk vooral op verschillen tussen jongens en meisjes. Een aantal oude en nieuwe theorieën omtrent gender en jeugdcriminaliteit zullen aan bod komen.
Een kentering in het Westerse strafrechtelijke discours: van ‘vrije wil’ naar homo criminalis
Inleiding
Het is een historisch kenmerk van onze Westerse samenleving dat bepaalde vormen van gedrag die als ongewenst worden bestempeld, ‘crimineel’ worden genoemd. Met ‘crimineel’ gedrag bedoeld men handelingen die niet getolereerd worden en waartegen legitiem mag en moet gereageerd worden – desnoods met geweld. De regimes uit de Verlichting en de Franse Revolutie streefden steeds meer naar een staatsmonopolie op het geweld. In de eerste helft van de negentiende eeuw eigende de staat zich het recht toe te bepalen wat ‘crimineel’ is en hoe erop gereageerd moet worden. Het hierboven beschreven proces zou men criminalisering kunnen noemen[16]. Criminaliteit is steeds het resultaat van een proces van criminalisering. Het is fout te denken dat bijvoorbeeld moord, verkrachting, diefstal enz. altijd al als criminaliteit werden bestempeld. Hoewel men waarschijnlijk weinig samenlevingen zal aantreffen waar dit niet het geval is, zijn zij toch het resultaat van criminalisering. Dit proces komt eenvoudigweg niet tot uiting doordat er een algemene consensus bestaat betreffende dit gedrag. Het al dan niet bestaan van een consensus hierover is echter geenszins een absoluut, onveranderlijk gegeven. Sommige vormen van gedrag zullen nu eens niet, dan weer wel worden afgekeurd. Vandaar dat het belangrijk is rekening te houden met de historische veranderlijkheid van het begrip ‘criminaliteit’.
Het discours speelt een belangrijke rol in het proces van criminalisering[17]. Enerzijds dient men de realiteit van machtsbelangen en economische belangen te onderscheiden, anderzijds de wijze waarop de betrokken individuen deze realiteit waarnemen, doorgronden en vertalen naar ideeën binnen hun wereldvisie, kortom het vertoog er rond. Criminalisering is in wezen een vertoogfenomeen. Criminele repressie daarentegen, het bouwen van gevangenissen, het straffen enz. zijn effecten van criminalisering. Zij moeten echter eerst gelegitimeerd worden door een voorafgaand vertoog. Het strafrecht is met andere woorden een voortdurende strijd om het crimineel discours en de criminele repressie op elkaar te laten aansluiten.
De kwestie van de legitimering is bijzonder belangrijk om een strafrechtelijk discours te kunnen situeren. De burgerlijke rechtsstaten die na 1800 tot stand komen kampen vanaf het begin met een legitimatieprobleem. Dit kon enkel opgelost worden door de criteria van crimineel gedrag te doen verzinken in de heersende opvattingen. Zo voltrok zich in de tweede helft van de negentiende eeuw de mentale constructie van de homo criminalis. Concepten als ras, degeneratie, geestesziekte enz. staan centraal in dit nieuwe mensbeeld dat de grondslag gaat vormen voor een nieuw criminaliseringsdiscours. ‘Criminaliteit’ wordt een ontologisch fenomeen, geprojecteerd op de persoon van de dader. Hiermee nam men afstand van de ideeën van de Klassieke School die sterk geloofden in de vrije, rationele burger. In wat volgt gaan we dieper in op deze wending die het strafrechtelijk discours nam in de loop van de negentiende eeuw.
1.1. De Verlichte Klassieke School: het misdrijf wordt bestraft
De achttiende eeuw wordt traditioneel beschouwd als de eeuw van de Verlichting. Via academies, studiegenootschappen, belangenverenigingen en salons komt de wetenschap tot bloei. Ook de loges van de vrijmetselaars stammen uit deze periode[18]. De belangrijkste manifestatie van de Verlichting is ongetwijfeld de Encyclopédie des Sciences, des Arts et des Métiers (1751-1772) waarin Diderot en d’Alembert alle kennis van hun tijd trachtten te ordenen. De Verlichting predikt het geloof in de vooruitgang, die verwezenlijkt kan worden door de ontwikkeling van de rede en de exploitatie van de wetenschap tot nut van mens en maatschappij[19]. Verlichte denkers en filosofen hadden vaak oog voor de problemen van hun tijd.
In deze tijdgeest vindt de Klassieke School van de criminologie zijn oorsprong. Vooral de geschriften van de Italiaan Beccaria, de Engelsman Bentham en de Franse ‘philosophes’ (Montesquieu, Rousseau, Voltaire) hebben hieraan vorm gegeven. Deze theoretici worden vaak afgeschilderd als humanistisch geïnspireerde critici van de middeleeuwse barbaarsheid, die tot ver in de achttiende eeuw de westerse samenleving doordringt. Voor een meer genuanceerd beeld van deze criminologische school is een korte schets van de sociale, economische en politieke context van deze periode vereist.
In 1798 wordt het invloedrijk werk An Essay on the Principle of Population van Thomas Malthus gepubliceerd[20]. Hierin wordt gesteld dat de Engelse bevolking zich zal verdubbelen om de vijfentwintig jaar, of in het beste geval, om de vijftig jaar. Malthus koppelt hieraan zijn befaamde stelling dat de bevolking sneller groeit dan het aanbod van de levensmiddelen met demografische catastrofes als onvermijdelijk resultaat. Dit pessimistische toekomstbeeld is een gevolg van de demografische revolutie die Europa inzette. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw worden voor het eerst jaarlijkse groeivoeten van meer dan een halve procent gehaald. Deze klimmen hierna op tot één procent in Europa en twee procent en meer in andere werelddelen.
Aan de basis van deze demografische revolutie ligt, naast de seculaire daling van het sterftecijfer, vooral de afbouw van de ‘restrictieve nuptialiteit’, gebaseerd op late huwelijkssluitingen. De perspectieven op het platteland werden vanaf het midden van de achttiende eeuw alsmaar uitzichtlozer[21]. Voor veel landbouwers waren de opbrengsten van het bedrijf amper voldoende om van te leven. Wachten tot men economisch steviger in de schoenen stond werd bijgevolg zinloos. Men kon toch geen hoger loon verdienen dan op relatief jeugdige leeftijd. De huwelijksleeftijd daalde met grotere gezinnen tot gevolg.
Naast een bevolkingsexplosie wordt het Europa van de achttiende eeuw gekenmerkt door een uitbouw van de economische activiteiten en de opkomst van de Industriële Revolutie.
De buitenlandse handel kende een enorme uitbreiding. Als gevolg van de koloniale ontdekkingen ontstond de groothandel over de grenzen van de naties heen[22]. Ook over land werden inspanningen geleverd om de handel te bevorderen. In het begin van de achttiende eeuw was de toestand van het wegennet in Europa miserabel. Rond 1730-1740 start men met de aanleg van een wegennet, wat vooral de verdienste was van centrale instellingen zoals de École des Ponts et Chaussées in Frankrijk (opgericht in 1747). Het doel was aanvankelijk vooral van strategische aard: de troepenmachten moesten zich snel kunnen verplaatsen. Naar het voorbeeld van Frankrijk bouwden al snel ook de Italiaanse staten, Nederland, Pruisen, Spanje, België en Rusland aan een wegennet.
Het zwaartepunt van de economische versnelling van de achttiende eeuw lag op het platteland. Investeringen in de primaire sector waren dus van vitaal belang om deze groeidynamiek te handhaven. In de Zuidelijke Nederlanden werd tot de jaren 1750-1760 aan deze voorwaarde voldaan. De ongebreidelde grondspeculatie van de adel en vooral de stedelijke burgerij en de toenemende greep van het handelskapitalisme op de plattelandsnijverheid verhinderden echter het doorzetten van de ‘agrarische revolutie’[23]. De grootgrondbezitters en de kooplieden-ondernemers zagen de noodzaak van diepte-investeringen niet in aangezien de uitbuiting van de directe producenten voldoende winstgevend was. Fundamentele technologische vernieuwingen bleven bijgevolg uit. In het laatste kwart van de achttiende eeuw zijn de gevolgen hiervan reeds duidelijk voelbaar. De agrarische productie stagneert en een absolute verpaupering van de rurale bevolking doet zich voor.
Vlaanderen werd sinds de middeleeuwen gekenmerkt door een ver doorgevoerde versnippering van de landbouwbedrijven. In de loop van de achttiende eeuw nam het aantal dwergbedrijven echter buitensporige proporties aan. Naar het einde van die eeuw toe beschikte zestig procent van de plattelandsbewoners over één hectare. Alleen op de rijke leemgronden bleven de grote en middelgrote hoeven overheersen. De hierboven geschetste demografische groei heeft deze ontwikkeling ongetwijfeld in de hand gewerkt. De bevolkingsgroei maakte het voor de grondbezitters mogelijk de pachtprijzen systematisch op te voeren[24]. Op het einde van het Ancien Régime waren ze haast overal verdubbeld of verdrievoudigd ten opzichte van het begin van de achttiende eeuw, terwijl de graanprijzen slechts met vijftig procent waren vermeerderd. Grondeigenaars splitsten hun eigendommen zo veel mogelijk op in kleine percelen. Voor kleine lapjes grond konden ze vergelijkenderwijs hogere pachten bekomen dan voor grote hoeven. Dit gebeurde vooral in regio’s waar de linnenweverij een sterke expansie kende. De pachten konden namelijk verhoogd worden in verhouding tot het totale inkomen van de boeren, met andere woorden rekening houdend met hun industriële activiteiten[25]. Ook de werkgevers van hun kant maken het de kleine boeren niet gemakkelijk. De aangroei van de bevolking liet namelijk toe druk uit te oefenen op de lonen. Hierbij bepaalden ze de prijzen naar goeddunken zonder rekening te houden met hun producenten. Er waren immers arbeiders genoeg die uit pure noodzaak bereid waren voor hen te werken. Het ergste gevolg van dit alles was dat de mechanisering van de plattelandsnijverheid op zich liet wachten. Ook de wevers en spinners zelf waren niet in staat economische initiatieven te ontplooien omdat ze daar vanwege de uitbuiting eenvoudigweg niet tot in staat waren. Op korte termijn bracht dit grote profijten op voor de dominante groepen, maar op lange termijn impliceerde dit de ondergang van de Vlaamse linnennijverheid.
Het samenspel van een ware bevolkingsexplosie met immense ontwikkelingen in handel, industrie en landbouw doen de geografische mobiliteit toenemen en de werkloze populatie aangroeien. Belangrijke delen van de bevolking verpauperen. Deze grote sociale problemen, die het Ancien Régime in een ware crisis zullen storten, resulteren in een aanzienlijke wijziging van het criminaliteitspatroon. Vooral de kleine vermogensdelicten vertonen een sterke stijging. In Vlaanderen maakten de eigendomsdelicten 46,5% uit van de totaal gepleegde criminaliteit voor de periode 1721-1730, terwijl het aandeel van de eigendomsdelicten voor de periode 1781-1789, 69% bedroeg[26]. Te Antwerpen en te Brugge steeg het gemiddeld aantal diefstallen, inbraken en soortgelijke delicten tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw van 15 tot 25 per jaar en te Gent zelfs van 18 tot 37 per jaar[27]. De gestolen voorwerpen hadden over het algemeen een geringe waarde, maar dat deed niet ter zake. Aan het privé-bezit mocht onder geen enkele voorwaarde geraakt worden. In een poging deze ontwikkeling een halt toe te roepen werd van bovenuit bevolen onverbiddelijk op te treden tegenover dieven. Keizerin Maria Theresia verklaarde in de ordonnantie van 1767 dat de handhaving van de openbare orde vereist dat dieven zwaar gestraft worden. Het probleem was echter dat de overgrote meerderheid van de winkeldiefstallen werden gepleegd door kinderen. Hoewel een jeugdige leeftijd in principe geen verzachtende omstandigheid was, wist men dat de brede lagen van de bevolking wél rekening hielden met de leeftijd van de delinquent en dat een terechtstelling of een publieke geseling van een jongere veel weerstand uitlokte. De bestrijding van de jeugdcriminaliteit was dus geen gemakkelijke opgave. Hoe kon men immers een jonge delinquent weer op het rechte pad brengen wanneer men geen lijfstraffen kon opleggen zonder de publieke opinie voor het hoofd te stoten?
De toename van het aantal eigendomsdelicten was maar één aspect van het sociaal probleem. De verarming van het stedelijk proletariaat ging gepaard met een uitbreiding van de bedelarij[28]. Ten gevolge van de voortschrijdende proletarisering en de bevolkingsaanwas werd de concurrentie op de arbeidsmarkt steeds groter. Het groeiende leger van armen en bedelaars werd als een bedreiging gezien en door opsluiting en heropvoeding door arbeid wilden de autoriteiten deze groepen van de bevolking in het gareel houden[29]. In 1772 bijvoorbeeld kwam te Gent een ‘maison de force’ (tuchthuis) tot stand, waarin bedelaars en vagebonden niet alleen werden opgesloten, maar er ook winstgevende arbeid dienden te verrichten[30]. De armenzorg werkte als een middel van sociale controle. Men nam aan dat een arbeidzaam leven hen zou heropvoeden. De armenzorginstellingen beschikten evenwel over onvoldoende financiële middelen om alle behoeftigen te ondersteunen. Ook hier waren dus veranderingen aan de orde.
De inadequate organisatie en werking van het strafrechtssysteem van het Ancien Régime kon deze criminaliteitsproblemen niet bestrijden. De ordonnanties bleven grotendeels dode letter. Immers, de juridische bevoegdheden waren danig versnipperd, het politieapparaat was ontoereikend en de strafwetten waren vaag en dubbelzinnig geformuleerd. Bovendien was de voorziene bestraffing zó zwaar en inhumaan, dat ze slechts uitzonderlijk werd uitgevoerd. Heel vaak ging het om zogenaamde spiegelstraffen: wie een valse getuigenis heeft afgelegd wordt de tong uitgesneden, de dief wordt een hand afgehakt, … Deze gruwelijke straffen hadden een exemplarisch karakter[31]. Het feit dat ze vaak niet werden uitgevoerd werkte straffeloosheid in de hand. Daarnaast ging de voorkeur vooral uit naar de vervolging van misdrijven tegen de staat, de godsdienst en de personen zodat het grootste deel van de vermogensdelicten ongestraft werd gelaten. We mogen ook niet vergeten dat het strafrecht werd gekenmerkt door een hoge mate van willekeur. Denken we bijvoorbeeld aan het vorstelijk absolutisme in Frankrijk.
De Klassieke School van de criminologie oefende felle kritiek uit op het strafrechtssysteem van het Ancien Régime en stelde hervormingen voor.
In 1764 publiceerde de Italiaan Cesare Beccaria, net afgestudeerd in de rechten, anoniem zijn werk Over misdaden en straffen (Dei delitti e delle pene). Dit boek kende een enorm succes en een eerste Nederlandse vertaling verscheen reeds in 1768. Beccaria maakte deel uit van een groep Milanese filosofen en economisten, de Academia dei Pugni (‘Academie van de vuisten’), die kritische artikelen met betrekking tot de politieke en andere wantoestanden publiceerde. In Milaan, op dat ogenblik onder Habsburgse heerschappij, gaf hij zelfs diverse adviezen aan Maria-Theresia en Jozef II. Hij baseerde de legitimiteit van criminele sancties op het sociaal contract[32]. Enkel de wetgever mocht wetten maken, waarbij hij alleen rekening moest houden met de visie ‘het grootste geluk voor het grootste aantal’. De bestraffing moest openbaar en snel gebeuren waarbij de straf in overeenkomst moest zijn met het misdrijf. Er werden immers nog steeds mensen wegens diefstal of stroperij aan de galg gebracht. Beccaria keerde zich ook tegen barbaarse executiemethoden zoals verbranden of radbraken[33]. Omdat de doodstraf vrijwel overal werd toegepast, moest zij in elk geval zo snel mogelijk worden voltrokken. Vanuit dit oogpunt werd de guillotine ontworpen. Beccaria stelde ook dat de wet de enige leidraad mocht zijn. Niet de strengheid, maar de zekerheid en de snelheid van de straf zouden het beste resultaat bekomen.
In 1780 publiceerde de Engelsman Jeremy Bentham Een inleiding op de principes van moraal en wetgeving (An introduction to the principles of morals and legislation). Hij geloofde dat een rationeel persoon er alles aan zou doen om het grootste genoegen en de minste pijn te bereiken. Bestraffing zou dus – mits aangepast aan het misdrijf – crimineel gedrag ontmoedigen. Volgens Bentham had bestraffing vier objectieven. Ten eerste moeten sancties alle criminaliteit verijdelen indien mogelijk. Daarnaast moeten ze een persoon die besloten heeft een misdrijf te begaan, overtuigen te kiezen voor een minder zwaar misdrijf. Een derde objectief is er voor zorgen dat een persoon die een misdrijf heeft gepleegd, geen verdere problemen oplevert. Ten slotte moeten ze een misdrijf voorkomen met zo weinig mogelijk kosten voor de samenleving.
Uit de geschriften van Cesare Beccaria en Jeremy Bentham werden de basistheorieën van de Klassieke School van de criminologie opgesteld. Geïnspireerd door de gehele tijdgeest van de Verlichting worden mensen gezien als rationeel denkende wezens die bereid zijn een beetje vrijheid af te staan aan de staat. De samenleving kan op die manier regels en sancties opstellen om de sociale orde te bewaren. Men vertrekt dus vanuit het abstract rationalisme, vanuit een niet-empirische basis. Individuen wegen voortdurend de lusten af tegenover de lasten[34]. Een misdrijf is met andere woorden een uitoefening van een vrije wil, van het afwegen van de voor- en nadelen. Bijgevolg wordt weinig aandacht besteed aan de persoonlijke en sociale achtergrond van de misdadiger. De doctrine van de vrije wil verving het algemeen aanvaarde concept van het theologisch determinisme, waarbij de handelingen van mensen voorbestemd waren. Daarnaast wordt bestraffing gerechtvaardigd op basis van haar nut[35]. Men noemt dit het utilitarisme. Het doel van de tuchtmaatregel was de bescherming van de samenleving, en haar dominante thema was preventie. Er werd een strafboek opgesteld dat er uitzag als een menukaart: voor elk misdrijf een vastgelegde strafmaat. Hiermee wilde men crimineel gedrag verder ontmoedigen en preventief optreden. Zulke opvattingen sloten aan bij het mechanistische wereldbeeld van toen[36]. De samenleving werd gezien als een geolied raderwerk waarbinnen ieder zijn rol speelde. ‘Crimineel’ was een handeling dat de machine deed haperen, een handeling die uit de toon viel. De persoon achter de handeling werd verdrongen naar de achtergrond. Vandaar dat men ook vooropstelde dat de individuen enkel mochten bestraft worden voor hun daden, niet voor hun geloofsovertuigingen of positie in de maatschappij.
Volgens deze principes worden ook jeugddelinquenten volledig aansprakelijk gesteld voor hun daden. Ook zij hebben rationeel de voor- en nadelen afgewogen alvorens ze het misdrijf pleegden. Ze hebben een vrije wil en weten wat ze doen. Vandaar dat men ervan overtuigd is dat jongeren, net als volwassenen, een tuchtmaatregel verdienen in plaats van een behandeling of genezing.
1.2. Positivisme en sociaal verweer: de dader wordt behandeld
Rond 1800 gaat de staat langzamerhand streven naar het monopolie op geweld[37]. Men wil van bovenaf bepalen wat ‘criminaliteit’ is en wat niet. Tijdens het Ancien Régime kon dit eenvoudig gelegitimeerd worden met de absolute goddelijkheid van het gezag. De vorst kreeg zijn macht van God en niemand kon daar aan tornen. De burgerlijke regimes die na 1800 tot stand kwamen in de Westerse wereld stelden het concept van de rechtsstaat centraal. De burger moest de wet naleven, want anders zat hij ‘fout’. Maar wie maakte deze wetten? Dat was een kleine minderheid van de bevolking, die verkozen werd via het cijnskiesrecht en nogal vaak wisselde. Toch waren deze wetten bindend voor iedereen. Men zat duidelijk met een legitimatieprobleem. Dit kon enkel opgelost worden door de criteria om iemands gedragingen al dan niet crimineel te noemen onder te dompelen in de heersende opvattingen. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw zal zich dit doorzetten met de mentale constructie van een volstrekt nieuw mensbeeld, dat van de homo criminalis.
De ideeën van de Klassieke School, die op het einde van de achttiende eeuw werden geformuleerd, vielen niet bij iedereen in goede aarde. Vooral het mechanistisch determinisme stond velen niet aan. Het mensbeeld dat heerste in de eerste helft van de negentiende eeuw stelde de notie van het zelfstandige individu centraal[38]. Problemen werden moreel benaderd, hetgeen nauw aansloot bij het opkomende begrip van ‘beschaving’. Stilaan komt meer belangstelling voor de persoon van de dader en diens karakter. De straf moet niet meer enkel het misdrijf bestraffen, maar er ook voor zorgen dat de dader verbeterd uit de gevangenis komt. Dokters deden hun intrede in de cel, maar het was nog steeds de gevangene die zichzelf moest verbeteren met behulp van zijn geweten. Er was dus in geen geval sprake van een nieuw mensbeeld.
In de tweede helft van de negentiende eeuw zette zich in het westen een kentering in in het wereld- en mensbeeld. Centraal stond het begrip ‘degeneratie’[39]. Het verlichte, rationalistische wereldbeeld werd verlaten voor een organistisch wereldbeeld. De samenleving werd voortaan gezien als een levend organisme, samengesteld uit zwakke en sterke delen, zieke en gezonde organen. Met degeneratie bedoelde men een algemene aandoening van de affecten, de instincten, de reflexen die zich over generaties kon uitstrekken. Op die manier kon men een psychiatrische en criminologische samenhang opstellen. Een schaal van degeneratie waarop elke uiting van misdadigheid kon afgebeeld worden. Het nieuwe mensbeeld van de homo criminalis zette concepten als ras, degeneratie, geestesziekte enz. centraal[40].
Deze kentering situeert zich in een periode dat gekenmerkt wordt door een diepgaand cultureel pessimisme. Het negentiende-eeuwse fin de siècle wees steeds nadrukkelijker op de negatieve effecten van de snelle vooruitgang. In dit licht moeten we de doorbraak van de criminologische wetenschap zien. De opkomende menswetenschappen namen organistische en deterministische denkbeelden aan. Dit leidde tot een fundamenteel gedetermineerd en racistisch mensbeeld.
Het concept degeneratie moet gekoppeld worden aan het fenomeen medicalisering[41]. Hiermee wordt bedoeld het groeiende succes van het medische gedachtegoed in het herformuleren van maatschappelijke problemen en de steeds prominentere sociale rol die medici daarbij gaan vervullen. In de loop van de negentiende eeuw slaagden medici erin het probleem van de ‘criminaliteit’ op overtuigende wijze in medisch-biologische termen te vertalen, waarbij ze langzaam maar zeker bouwden aan een alternatief voor de oude morele benadering. Het bestuderen van de individuele crimineel werd mogelijk door het gevangenissysteem. De strafrechtshervormingen uit de periode van de Franse Revolutie stelden de gevangenisstraf als de belangrijkste wijze van strafuitvoering voorop[42]. Om die reden werd het gevangenisstelsel aanzienlijk uitgebreid. Dit bood aan de wetenschapper de mogelijkheid om de individuele crimineel te bestuderen en meer bepaald zijn verleden, zijn kenmerken en de effecten van de gevangenisopsluiting en van het strafregime op zijn gedrag. De gevangenis werd een observatiecentrum en een kennisinstrument.
Deze periode wordt daarenboven gekenmerkt door een enorme opgang van het positivisme, dat door de sociale wetenschappen gezien werd als de oplossing voor alle problemen. Wanneer men alle feiten op een rijtje zette en deze data analyseerde op wetenschappelijke wijze, dan zou men tot de goede oplossing komen.
Het positivisme in de criminologische wetenschap is gebaseerd op drie hypothesen[43]. Ten eerste, het karakter en de persoonlijke achtergrond van individuen verklaren delinquent gedrag. De oorzaak van deviantie wordt dus gezocht in de actor. Het recht speelt een secundaire rol. In de tweede plaats veronderstelt men het bestaan van het wetenschappelijk determinisme. Delinquentie wordt, net als elk ander fenomeen, gezien als gedetermineerd door voorafgaande oorzaken. Positivisme verwerpt de idee van individuele vrijheid en keuze. Een laatste hypothese stelt dat de delinquent fundamenteel verschillend is van de niet-delinquent. Dit heeft tot gevolg dat men op zoek gaat naar de factoren die aan de basis liggen van dit onderscheid.
Het positivisme in de criminologie ging verschillende richtingen uit in de tweede helft van de negentiende eeuw. Een eerste standpunt is het biologisch positivisme dat vooral beleden werd door de Italiaanse antropologische school. De bekendste figuur is ongetwijfeld Cesare Lombroso. In 1876 publiceerde hij zijn L’uomo delinquente en in 1880 stichtte hij het tijdschrift Archivo di psychiatria ed antropologia criminale. Zijn ideeën kenden een enorme invloed en een snelle verspreiding. Tegen 1885, het jaar waarin het eerste grote internationale congres van criminele antropologie in Rome doorging, hadden zijn bekendste leerlingen Enrico Ferri en Raffaele Garofalo reeds een invloedrijke synthese gepubliceerd. Volgens Lombroso werd de crimineel geboren[44]. De atavist was een terugkeer naar een vroegere vorm in de menselijke evolutie. De geboren misdadiger vertoonde kenmerken van de primitieve mens. Hiermee stelde hij dus dat crimineel gedrag erfelijk kon verklaard worden. De crimineel kon herkend worden aan zijn uitwendige kenmerken. De uitgebreide analyses leidden hem tot de conclusie dat de criminele mens kan onderscheiden worden aan zijn hoog voorhoofd, zijn platte neus en zijn aangroeiende oorlelletjes[45]. Aanvankelijk was Lombroso ervan overtuigd dat alle delinquenten geboren criminelen waren, maar na de studie van enkele duizenden misdadigers werd hij genoodzaakt zijn theorie bij te schaven. In 1897 schatte hij dat veertig procent van alle misdadigers geboren criminelen waren. Naderhand moest hij zijn stellingen nog verder bijwerken en concludeerde hij dat de factor omgeving doorslaggevender was dan atavisme voor wat betreft misdaad. Ook zijn leerling Ferri erkende de invloed van milieufactoren. Volgens hem was elk misdrijf de resultante van individuele, fysieke en sociale elementen.
Dit sterk deterministische gedachtegoed zorgde voor een onoverbrugbare kloof met de juridische praktijk, die zich nog steeds baseerde op het concept ‘vrije wil’ bij autonoom handelende individuen. Uit Franse hoek werd zware kritiek uitgeoefend op het strakke determinisme van de Italianen. De Franse milieuschool, met als aanhangers Lacassagne, Manouvrier en Tarde, ontwikkelde zich vanuit dit bezwaar tegen de Italiaanse visie. Lacassagne richtte in 1886 een eigen tijdschrift op, de Archives de l’anthropologie Criminelle et des Sciences Pénales[46]. Hij greep terug naar de degeneratietheorie[47]. Criminaliteit is geen antropologisch maar een sociaal verschijnsel. Het sociaal milieu, sociale oorzaken liggen aan de basis van crimineel gedrag. Het individu paste zich tijdens zijn leven aan aan zijn omgeving, en ontwikkelde daarbij kenmerken die erfelijk konden doorgegeven worden. Personen die in ongunstige sociale milieus opgroeiden konden daarbij een ‘criminele persoonlijkheid’ ontwikkelen. De crimineel werd gezien als een microbe die slechts gedijt in een gunstige voedingsbodem. Dit moet niet opgevat worden als een pleidooi voor sociale hervormingen. De criminaliteit werd gesitueerd in de individuele persoonlijkheid. Tegen het tweede internationale congres van criminele antropologie in 1889 had de degeneratietheorie een compromis kunnen sluiten met de juristen en werden de ideeën van Lombroso afgewezen.
In hetzelfde jaar werd door de juristen de Union internationale de droit pénal opgericht. Onder andere de Belg Adolphe Prins, de Duitser Franz von Liszt en de Nederlander G.A. Van Hamel waren hierbij betrokken[48]. Vanuit hun kritiek op het klassieke strafrecht werd op hun jaarlijkse congressen een nieuwe strafrechtelijke repressie ontwikkeld rond het begrip ‘sociaal verweer’ (défense sociale). Hun angst voor het proletariaat en de sociale problemen die daarmee werden verbonden was de impuls geweest voor de ontwikkeling van deze nieuwe sociaal-politieke en criminologische doctrine. Het is een oproep om de wetenschappelijke kennis toe te passen, te gebruiken en te integreren in het strafrecht[49]. Het voornaamste doel van een straf werd het verdedigen en beschermen van de maatschappij tegen de zogenaamde ‘gedegenereerde criminelen’ van Lacassagne. De misdadiger werd gestraft omdat hij door zijn ‘gevaarlijkheid’ een risico schiep voor de samenleving. Bijgevolg verdween de band tussen de ernst van het misdrijf en de opgelegde straf.
De aanhangers van de doctrine van het sociaal verweer stellen dat het principe van de vrije wil niet van toepassing is op criminaliteit[50]. Misdadigheid is daarentegen erfelijk en door opvoeding gedetermineerd. Om de sociale orde te handhaven en de samenleving te verdedigen tegen criminelen moet de doelstelling van de sanctie gewijzigd worden. Men moet afstappen van een klassieke bestraffing en de delinquent onderwerpen aan een op de individuele persoonlijkheid afgestemde ‘behandeling’. Het misdrijf zelf werd naar de achtergrond verdrongen en alle aandacht ging uit naar de aard van de dader. Het streefdoel was maatschappelijke integratie en dus het vermijden van recidive[51]. Daarnaast speelde ook de preventiegedachte een belangrijke rol. Potentieel gevaarlijke individuen moesten vroegtijdig opgespoord en geneutraliseerd worden. De jeugddelinquent past volkomen in deze doctrine. Om het criminaliteitsprobleem bij de wortel aan te pakken, moet men immers pre-delictueel kunnen ingrijpen ten aanzien van de minderjarige om hem te behoeden voor recidive[52]. De kinderbescherming was het sluitstuk van het sociaal verweer. Kinderen moesten beschermd worden tegen ‘onwaardige’ ouders en een verderfelijk milieu. De verantwoordelijkheid voor misstappen van een kind werden met andere woorden gelegd bij het gezin en de sociale omgeving. Een kind werd als slachtoffer opgevat, wat inhield dat deze niet langer gestraft, maar heropgevoed moest worden.
Besluit
Men kan stellen dat het strafrechtelijk discours een enorme verandering heeft ondergaan in de loop van de negentiende eeuw. Daarin onderscheiden we enerzijds het objectivisme, dat verwijst naar de verzameling van klassieke theorieën met centraal het mensbeeld van de vrije, rationele burger, en anderzijds het subjectivisme, waarin we de positivistische en sociaal-verweerdoctrines onderscheiden die teruggaan op het mensbeeld van de gedegenereerde homo criminalis[53]. Het fundamentele verschil ligt in het perspectief van waaruit zij ‘criminaliteit’ benaderen. Het objectivisme richt zich naar de daad, het misdrijf. De dader wordt buiten beschouwing gelaten en gereduceerd tot een abstract wezen dat rationeel handelt en uit vrije wil. Hiermee legt men duidelijk de verbinding naar de Verlichting en het klassieke liberalisme. Het subjectivisme daarentegen concentreert zich op de dader, het subject. Belangrijk is de persoonlijkheid en de sociale omgeving van de crimineel. De sancties in het objectivisme heten straffen, in het subjectivisme maatregelen.
Aan de basis van deze verandering ligt de wending van het mensbeeld vanaf de jaren 1870. De gemeenschap van vrije, rationele burgers werd vervangen door een maatschappij die omschreven werd als een ‘organisme’ met sterke en zwakke organen. Op racistische wijze werden mensentypes onderscheiden. In de jaren 1880 werd de notie van de homo criminalis geïntroduceerd. Misdaad was niet langer een kwestie van vrije keuze en verantwoordelijkheid, maar een symptoom van een ‘criminele persoonlijkheid’. Dit vereiste een nieuwe strategie. Straffen werd behandelen. Rond 1800 werd het beleid van de ‘verbetering’ toegepast. Er werd een beroep gedaan op de morele gevoelens van de gevangene om tot inkeer te komen. Het was de gevangene zelf die met behulp van zijn geweten zichzelf moest ‘verbeteren’. Dit staat ver af van de strategie van de ‘genezing’ rond 1900, waarbij de gevangene als patiënt weerloos werd overgelaten aan medici, en op passieve wijze een reeks therapeutische behandelingen onderging[54].
De ontdekking van de jeugddelinquent.
Inleiding
In de pre-industriële samenleving kende men naast kindertijd en volwassenheid een derde fase in het menselijk leven dat men ‘jeugd’ zou kunnen noemen. Het verschil met het hedendaagse begrip is echter groot. De fase van de ‘jeugd’ was tijdens het Ancien Régime een zeer lange overgangsperiode die aanving op het moment dat het kind min of meer onafhankelijk werd van zijn familie (rond zeven à acht jaar) tot het moment van totale onafhankelijkheid door een huwelijk (meestal tussen vijfentwintig en dertig jaar)[55]. Voor ons lijkt deze fase zeer vroeg te beginnen, maar in die tijd was het gemeengoed dat kinderen op jonge leeftijd van hun familie werden gescheiden en ondergebracht werden bij een andere gezin. Bovendien duurde dit stadium veel langer dan nu het geval is. Men werd pas volwassen door huwelijk of erfenis[56].
De periode 1770-1870 toont een Europese samenleving in transitie. De oude instellingen en doctrines van het Ancien Régime zijn nog niet volledig vervangen door nieuwe. Niet alleen politiek en economisch, maar ook familiaal en individueel. De demografische revolutie en de afbraak van de traditionele relatie tussen huwelijk en erfenis, veranderde fundamenteel de status van de jeugd[57]. Economische veranderingen maakten het mogelijk dat de jeugdjaren niet meer buitenshuis werden doorgebracht en dat de grenzen met de kindertijd en de volwassenheid niet meer zo duidelijk werden afgebakend. De vroege tienerjaren, die nu thuis werden besteed, liepen over met de kinderjaren, terwijl de vroege toegang tot uitgaan en de verwerving van de symbolen van maturiteit zorgden voor een onduidelijk onderscheid met de volwassenen.
Het is in deze periode dat de burgerlijke ideeën worden verspreid. Belangrijk hierbij was de opvoeding van het kind. Het vooruitgangsdenken van de Verlichting en de Romantiek is in wezen een pedagogisch project geweest[58]. Het meest gekende voorbeeld hiervan is het werk ‘Emile, ou de l’éducation’ (1762) van J.J. Rousseau. In deze ‘klassieker’ in verband met de opvoeding van het individu beschreef Rousseau de maatschappij als een orgaan in een permanente verandering – want onderhevig aan de modernisering. Daarnaast schiep hij de voorwaarden voor de mentale ombouw van de onderdanen in ‘citoyens’, nodig om dat nieuwe inzicht te aanvaarden. Het mensbeeld ontwikkelde zich naar een beschouwing van het individu als ten dienste van de ‘vooruitgang’, ten dienste van een maatschappij die vooralsnog niet zo was, maar zo zou worden. Dit gold zeker voor de kinderen, die in deze zienswijze benoemd werden tot ‘de toekomst’[59]. Zij moesten de in het vooruitzicht gestelde maatschappij vorm geven. Kinderen werden geleidelijk aan een aparte groep met aparte kenmerken. Daarmee is de achttiende eeuw een belangrijk keerpunt in de geschiedenis: de overgang van een maatschappij zonder een duidelijk getypeerde groep van jongeren naar een maatschappij die aandacht besteedt aan het afbakenen van deze groep.
De ‘ontdekking’ van het kind werd vrij vlug opgevolgd door de ontdekking van de jeugddelinquent. Men weet al langer dan vandaag dat kinderen misdrijven kunnen plegen. Reeds lang voor het Ancien Régime verschijnen kinderen en jongeren net als volwassenen voor de strafrechtbanken. Vaak werd de jonge leeftijd beschouwd als een ‘verzachtende’ omstandigheid, maar het tegenovergestelde kwam evenzeer voor. Een jeugdige leeftijd kon soms ook een ‘verzwarend’ effect hebben op de straftoemeting. Kwalitatief werden ze echter niet anders gestraft dan de volwassenen en die bestraffing gebeurde op dezelfde basis en dezelfde principes[60]. Aan deze delinquente kinderen werd naast de eigenlijke straftoemeting geen bijzondere aandacht besteed.
Pas in de loop van de negentiende eeuw kwam gaandeweg een gerichte aandacht voor criminele kinderen en jongeren[61]. De perceptie en mentaliteit ten aanzien van jeugdige criminelen transformeerde waardoor ze bijzondere eigenschappen en kenmerken werden toegekend die maakten dat het inzicht veld won dat zij niet langer op de voor volwassenen gebruikelijke manier konden worden bestraft, maar slechts op een wijze die aansloot bij hun jeugdige habitus[62]. Dit leidde in de meeste West-Europese landen tot de invoer van de kinderwetten aan het begin van de twintigste eeuw.
Sociale enquêtes zijn een typisch fenomeen van de negentiende eeuw en brachten allerhande sociale problemen aan de oppervlakte: miserie, landloperij, alcoholisme, prostitutie, criminaliteit[63]. De sociaal-economische veranderingen aan het begin van de negentiende eeuw geven aanleiding tot veranderende visies op de maatschappelijke orde en wanorde. Het (criminele) gedrag van jongeren komt meer dan vroeger in de kijker te staan. Vier ontwikkelingen hebben een bepalende rol gespeeld in de ontdekking van de jeugddelinquent als een maatschappelijk probleem: de opkomst van de statistiek en de ontwikkeling van de criminele statistieken, de sociale enquêtes, de Code pénal en de strafrechtelijke vervolgingspolitiek in de eerste helft van de negentiende eeuw, en tot slot de gevangenishervorming vanaf 1830.
2.1. Criminele statistieken: de jeugdcriminaliteit neemt toe!
In het begin van de negentiende eeuw werd stilaan duidelijk dat de nieuwe bestraffingstrategie van het Klassieke denken had gefaald in het normaliseren van het gedrag van de classes dangereuses. In Frankrijk belichaamde de continue aanwezigheid van een grote groep van arme, proletarische dieven een dreigende belediging voor de gevoelens van de eerlijke en respectabele burgers[64]. Victor Hugo’s Les Misérables was een typisch voorbeeld van de angstwekkende houding tegenover misdaad in het algemeen. Deze vrees werd extra gevoed door een plotse stijging van het aantal geregistreerde wanbedrijven vanaf 1815 en de jaren nadien[65]. Deze toename gebeurde overwegend op het domein van diefstal en openbare ordeverstoringen. Gedeeltelijk kan deze stijging verklaard worden door de turbulente overschakeling naar vrede na Napoleon’s nederlaag in 1815. Een laatste, meer doorslaggevende, factor waren de stijgende recidivecijfers, wat impliceerde dat het beoogde doel van de gevangenisopsluiting, namelijk rehabilitatie, had gefaald.
Het tekortschieten van het Klassieke denken was een essentiële voorwaarde voor het toepassen van statistische technieken op misdaad en bestraffing. Voordien zien we reeds het gebruik ervan in andere domeinen van het maatschappelijk leven. Vanaf de zestiende eeuw schreef de priester alle doopsels, huwelijken en overlijdens van zijn parochie neer in de parochieregisters. Later, vanaf het midden van de achttiende eeuw, werden statistieken in het kader van de uitbreidende staatscontrole vooral gebruikt om de financiën te registreren.
Na de definitieve overwinning op Napoleon, tijdens de meer ontspannen atmosfeer van de Restauratie, bloeide de statistische beweging weer op – samen met een hernieuwde interesse in een gevangenishervorming. Met de invoering van de Recherches statistiques de la ville de Paris in 1821 kreeg het gebruik van statistische analyses voor gevangenissen voor het eerst de status van een wetenschap[66]. In deze periode legde het onderzoek naar de classes dangereuses zich toe op de studie van de gevangenisbevolking. Men bestudeerde de kwaliteit van het gebouw, het eten, de kledij, het slaapcomfort, … De meest prangende vraag die men stelde was uiteraard of deze gevangenen ooit naar de samenleving konden terugkeren en, indien mogelijk, hoe? Al snel realiseerde men dat deze vraag niet kon beantwoord worden aan de hand van deze gegevens. Op zoek naar meer informatie startte de minister van Justitie in 1825 de eerste nationale statistieken over criminaliteit, de jaarlijkse Compte général de l’administration de la justice criminelle en France. Elk jaar werden de gegevens over misdaad en recidive gedetailleerder.
De Compte was doorslaggevend in de ontwikkeling van de positivistische criminologie. Ze werd snel gevolgd door een meer amateuristische groep van morele statistici met onder andere Guerry, Villermé, d’Angeville, d’Ivernois en Adolphe Quetelet. Voor morele statistici vormen de criminele statistieken een belangrijke schakel in de perceptie en problematisering van de (jeugd)criminaliteit en de sociale realiteit[67]. Vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw worden in de meeste West-Europese landen de eerste officiële statistieken gepubliceerd. In België gebeurt dit vanaf 1831, met een retrospectieve analyse van de gegevens voor de periode 1826-1831. Ondanks vele kritieken, worden ze gezien als een grote vooruitgang. Ze krijgen een vaste plaats in sociale analyses, essays, rapporten of enquêtes in verband met de maatschappelijke problemen.
Eén van de belangrijkste personen uit de eerste helft van de negentiende eeuw is ongetwijfeld de Belg Adolphe Quetelet. Hij kwam voor het eerst in contact met de statistische beweging in 1823. De Belgische Koninklijke Academie had hem de kans geboden naar Parijs te gaan om daar astronomische apparatuur te onderzoeken[68]. Hij leerde er de toepassing en de mogelijkheden van tellingen op ‘sociale zaken’. Bij zijn terugkomst in België in 1824 ondernam hij een aantal studies over de samenleving. Hij trachtte aan te tonen dat dezelfde mechanische wetten die werkzaam waren in de natuur ook bestonden in de wereld van de faits sociaux. Quetelet geloofde dat de ontdekking van deze wetten afhankelijk was van statistische berekening. Hiermee uitte hij de overtuiging dat de maatschappij op een positivistische wetenschappelijke manier onderzocht kon worden[69]. Aanvankelijk zocht hij deze regelmaat in eenvoudige data zoals de sterftecijfers, de lengte van 100.000 Franse soldaten, de borstomtrek van 5.738 Schotse soldaten, … Vanuit deze observaties leidde hij de gemiddelden af en koppelde ze aan geslacht, leeftijd, geografische afkomst en arbeid. Hierbij hing Quetelet het principe van ‘het grootste aantal mogelijke empirische waarnemingen’ aan. Deze gemiddelden produceerden een beeld van een fictieve, statistisch afgeleide ‘persoon’ die Quetelet ‘l’homme moyen’ noemde. Zijn berekening van fysieke gemiddelden was een voorbereiding op de studie van morele kenmerken waaronder zelfmoorden, huwelijken en misdrijven[70].
Zijn eerste statistische analyse van crimineel gedrag voerde hij uit op basis van de Compte voor de jaren 1825-1827. Enkele jaren later, in 1831, kwam hij tot de vaststelling dat criminaliteit – indirect geobserveerd op grote schaal – volgens bepaalde constanten evolueerde. Hij ging er van uit dat de verhouding tussen de gekende en de bestrafte misdrijven enerzijds en de ongekende criminaliteit anderzijds vrijwel constant was[71]. Het dark number wordt bijgevolg uitgeschakeld. Quetelet stelde ook constante verhoudingen vast tussen het aantal beschuldigden en betichten enerzijds en het aantal inwoners anderzijds. Hoewel deze conclusies deterministisch in de oren klinken, stond Quetelet zelf perplex toen men hem hierop aanviel. Integendeel, hij geloofde dat de mens zichzelf moreel kon verbeteren en dus tot op zekere hoogte een vrije wil heeft[72]. De maatschappelijke oorzaken van het verschijnsel criminaliteit moeten onder handen genomen worden om die verbetering mogelijk te maken en het determinisme te doorbreken.
De regelmaat van de criminaliteitsstatistieken deed Quetelet een beroep doen op het concept le penchant au crime. Hij argumenteerde dat in iedereen de mogelijkheid zit een antipathie te ontwikkelen tegenover de wet en zich over te geven aan misdrijven[73]. Deze neiging of aanleg tot criminaliteit blijft zeker niet constant en hangt af van de constitutie, de opvoeding en de moeite die gedaan wordt zichzelf te beteren. Belangrijke factoren hierbij zijn de leeftijd, het geslacht, het klimaat of het ras. Zo stelt hij dat de neiging tot criminaliteit het laagst is aan de ‘grenzen’ van het leven: in het prille begin zijn kracht en passie nog niet ontwikkeld, terwijl op hoge leeftijd de kracht en de passie door de rede aan banden worden gelegd[74]. Daar tegenover staat dat de neiging tot criminaliteit het hoogst is op de leeftijd van eenentwintig tot vijfentwintig jaar. De kracht en passie zijn op dit ogenblik het meest intens, terwijl de rede nog onvoldoende ontwikkeld is om ze in te tomen. Quetelet merkt ook een cyclisch patroon op in de aard van de misdrijven naargelang de leeftijd. Op jonge leeftijd zijn de kracht en de passie onvoldoende ontwikkeld wat enkel toestaat eigendomsdelicten te plegen. Op latere leeftijd zullen daarentegen meer misdrijven tegen personen gepleegd worden. Deze redenering wordt ook doorgetrokken naar vrouwen en criminaliteit. Hoewel ze minder kracht bezitten, ontwikkelen ze meer passies wat wel leidt tot het plegen van misdrijven tegen personen, maar dan meestal op latere leeftijd en met behulp van listigheid.
De Comptes de l’administration de la justice criminelle en de Administration de la justice criminelle et civile geven een beeld van de vervolgde criminaliteit voor een groot deel van de negentiende eeuw[75]. De jeugdcriminaliteit wordt zichtbaar gemaakt door de introductie van de leeftijdsparameter. Deze criminele statistieken maakten het mogelijk de (jeugd)criminaliteit op te volgen en de tendensen waar te nemen. Zo stelt Ducpétiaux vast dat de jeugddelinquentie tussen 1826-1829 en 1836-1839 stijgt van vijf naar zeven procent. Globaal kan vastgesteld worden dat de criminele statistieken een beeld opleveren van een stijgende vervolgde jeugdcriminaliteit[76]. Men moet hier echter wel rekening houden met een stijgend bevolkingscijfer in dezelfde periode. Daarnaast maakte men een onderscheid tussen kinderen (jonger dan zestien jaar) en adolescenten (tussen zestien en eenentwintig jaar). Dit brengt een duidelijk onderscheid aan het licht. Terwijl reeds voor 1850 (met vooral de crisis in de jaren 1840) het aantal vervolgde kinderen een beduidende stijging onderging, werd de tweede helft van de negentiende eeuw gekarakteriseerd door de toename van het aantal vervolgde adolescenten. Deze stijging van de jeugddelinquentie is sinds het begin van de negentiende eeuw een steeds terugkerend argument dat jeugdcriminaliteit in een problematiserend daglicht stelt. De gerechtelijke statistieken voedden alleen maar die angsten en had bezorgdheid van sociale commentatoren tot gevolg.
2.2. Sociale enquêtes
De negentiende eeuw toont een samenleving in volle vooruitgang en transformatie. De industrialisatie had zich op het einde van de achttiende eeuw ingezet. Het landelijke karakter evolueerde tergend langzaam naar een stedelijk uitzicht. De gevolgen van deze transformatie waren echter desastreus voor het materieel en immaterieel welzijn van de lagere sociale groepen[77]. De ‘helden van de industrialisatie’ waren ook de slachtoffers: armoede, uitbuiting, drankmisbruik, nacht-, kinder- en vrouwenarbeid, ongezonde voeding, enge behuizing. De fysische armoede en de psychische ellende van vooral het fabrieksproletariaat creëerden een explosieve sfeer. Stilaan wekten deze gevolgen de aandacht en bezorgdheid van filantropen, vroegsociologen, hervormers, verlichte politici en filosofen[78]. Men kreeg interesse voor de situatie van de arbeiders. Dit werd mede veroorzaakt door de latente angst voor een proletarische machtsgreep. Men wou absoluut voorkomen dat de sociale onrust zou eindigen in een open politiek conflict[79]. Het gevaar dat tegenover deze groep wordt ervaren vormt een belangrijke stimulans voor het aandringen op een sociaal-politieke hervorming.
Om kennis te verwerven over de werkende klassen worden vanaf de jaren 1830-1840 sociale enquêtes opgezet. Zij vormen daarbij een belangrijke stap in het problematiseren van het criminaliteitsfenomeen[80]. Ze hanteren reeds technieken als statistieken, eigen observaties, interviews, bevragingen van lokale actoren, beleidsdocumenten, … Op die manier tracht men de werkende bevolking en/of sociale problemen in kaart te brengen. Daarnaast gaat men ook op zoek naar oplossingen en preventiemaatregelen. Met deze antwoorden wou men de classes dangereuses onderwerpen aan een burgerlijk beschavingsoffensief waarbij de culturele waarden van de Verlichting zouden overgebracht worden naar de arbeiders[81]. Een onbedoeld gevolg hiervan was dat men de situatie van de arbeidersgezinnen leerde kennen en dus kon sturen. Dat lijkt nobel en altruïstisch, maar deze verheffing van en hulp aan de arbeider had ook zijn egocentrische en sociologische motieven. Door anderen te helpen, verheft de helper zich sociaal en symbolisch boven de geholpene. Het versterkt de klassentegenstelling tussen hoger en lager. Acties ten gunste van de lagere klassen accentueren en vergroten het onderscheid tussen beide. Daarnaast mag men ook niet vergeten dat – zoals hierboven reeds werd aangehaald – het medelijden met de fabrieksarbeiders een latente schrik voor maatschappelijk onheil verraadde.
In de sociale enquêtes van de eerste helft van de negentiende eeuw werd criminaliteit vaak geassocieerd met armoede en werkende bevolking[82]. Men ‘maakte’ het beeld van de classes laborieuses als classes dangereuses. Een expliciete band wordt gelegd tussen armoede en criminaliteit, prostitutie en alcoholisme. Het duidelijk onderscheid tussen de wereld van de arbeid en de wereld van de criminaliteit vervaagt[83]. Op die manier wordt criminaliteit slechts een facet van de sociale, morele en materiële conditie van de werkende bevolking. Criminaliteit gedijt immers in een vruchtbare bodem, in die van de zondige en besmettelijke levensstijl en zeden van een deel van de classes laborieuses. Het zedelijke en morele verval van gezin en huwelijk als maatschappelijke instituties bracht criminaliteit als haast onvermijdelijk gevolg met zich mee. De analyse van de criminaliteit als sociaal gevaar legt zich niet meer uitsluitend toe op de misdrijven. De daders en hun leefwereld komt steeds meer in de schijnwerpers te staan.
Een specifieke doelgroep in de bestrijding van het pauperisme en de criminaliteit vormden natuurlijk de jeugdige landlopers, bedelaars en boefjes. Kinderen worden opgebracht in de armoede en de arbeidsomstandigheden van hun ouders. Ze lopen het gevaar ‘besmet’ te worden door het zedelijk en moreel verval van hun omgeving waarin zij opgroeien. Hoewel dé jeugddelinquent niet eenduidig uit de sociale enquêtes naar voor komt, worden toch drie archetypes afgetekend: de landloper, de dief en de prostituee[84]. De aanwezigheid van kinderen op straat in de negentiende eeuw werd als een dreiging beschouwd voor de openbare orde en werd door verschillende instanties als buitengewoon storend ervaren[85]. In het discours werd het ‘wilde’ straatkind tegenover het brave kind van arme, maar werkzame mensen geplaatst. Nietsnutten van ouders dwingen hun kinderen in een landlopers- en bedelaarsbestaan en werden dus verantwoordelijk gesteld voor de kinderen die rondzwierven in de straten[86]. Deze kinderen leken aan elke vorm van toezicht en controle te ontsnappen en gedroegen zich als volwassenen. De angst voor deze jonge landlopers kwam vooral voort uit de idee dat binnen dit bestaan van het ene als snel het andere komt. De figuur van de jonge vagebond-bedelaar ontwikkelt zich vanzelf in die van de kleine gauwdief[87].
Terwijl landlopers en dieven vooral als jongens en jonge mannen worden gezien, associeert men jonge vrouwen en meisjes vooral met prostitutie. De negentiende-eeuwse perceptie van criminaliteit was sterk seksegebonden. De bedenkelijke moraliteit wordt ook hier toegeschreven aan een gebrek aan ouderlijk toezicht. Daarnaast was ook het gemengde werkatelier niet naar de zin van de moralisten en hygiënisten. De prostituee vormde de tegenhanger van de landloper en was het bijna vanzelfsprekende etiket voor delinquente meisjes.
2.3. De verzachting van het strafklimaat
Het strafrecht als regelgevend kader vormt een belangrijke invalshoek om de perceptie van criminaliteit als maatschappelijk probleem te achterhalen. Een belangrijke mijlpaal is de Franse Code pénal van 1791 met de daaraan verbonden verschillende bijzondere wetten en de Code de l’instruction criminelle[88]. De codificatie van het (straf)recht vormt een belangrijke politieke schakel in het staatsvormingsproces dat zich met de Franse Revolutie versnelt. Met de Code pénal van 1791 werd de legaliteit van misdrijf en straf vastgelegd. Het legaliteitsprincipe vormt de schakel tussen het strafrecht en het politiek systeem. Bovendien legt het vast welk gedrag toelaatbaar is en welk niet. De waarden van de machthebbers, i.e. de burgerij, werden daarmee beschermd[89].
De Code des délits et peines van 1791 en het Décret relatif à l’organisation d’une police municipale et correctionnelle vormen de basis voor de Code Napoléon van 1810 en daarmee voor de gehele negentiende eeuw[90]. De Belgische hervormingen van het strafwetboek in 1830 en 1867 bevatten geen fundamentele veranderingen. Aan de basisprincipes van legaliteit en proportionaliteit werd niet geraakt en de basislijnen zijn zelfs nu aan het begin van de eenentwintigste eeuw nog steeds aanwezig[91].
De Code Napoléon van 1810 betekent een definitieve terugkeer naar de maatschappelijke orde. Er wordt bewust afstand genomen van de humane strafwet van 1791[92]. Het straffen van de crimineel om hem te verbeteren moet plaats ruimen voor de orde van de maatschappij. Elk misdrijf wordt bestraft in verhouding tot het maatschappelijk gevaar. Het strafwetboek kent strengere straffen, waaronder lijfstraffen, en heeft een utilitair karakter. Daarnaast krijgt men oog voor de dader met een individualisering van de straftoemeting tot gevolg.
Specifiek voor kinderen werd in het strafwetboek van 1791 de grens vastgelegd op zestien jaar. Beneden die leeftijdsgrens werd uitgemaakt of zij al dan niet met ‘oordeel des onderscheids’ (discernement) hadden gehandeld[93]. Hiermee deed men afstand van het Romeinse principe van non doli capax, waarbij de minderjarige volledig onverantwoordelijk werd geacht voor zijn daden[94]. In 1810 nam men het principe van het oordeel des onderscheids over in artikel 66. Het was de rechter die moest onderzoeken of het kind al dan niet het verschil kende tussen goed en kwaad en of hij/zij besefte dat zijn/haar gedrag verkeerd was. Indien hij van mening was dat dit niet het geval was, diende het kind vrijgesproken te worden[95]. De rechter kon ook verkiezen het kind naar een verbeterhuis te sturen waar het maximaal tot zijn twintigste ‘opgevoed en in hechtenis gehouden’ kon worden. Deze maatregel werd niet gezien als een straf, maar als een correctie en hervorming van de jeugddelinquent. Een ander geval was het wanneer de rechter van mening was dat het kind wél met oordeel des onderscheids had gehandeld. Dan werden doodstraf, ‘eeuwigdurende’ gevangenzetting en ballingschap omgezet in een tien- tot twintigjarige gevangenzetting, en tijdelijke dwangarbeid en tuchthuisstraf tot hoogstens de helft van de tijd gereduceerd. De straf van de kaak – publieke tentoonstelling – en verbanning moesten dan worden omgezet in een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar. Boven de leeftijd van zestien jaar waren de normale straffen van toepassing, zonder de mogelijkheid tot strafvermindering wegens jeugdige leeftijd.
Doorheen de negentiende eeuw worden echter wijzigingen aan de strenge Code Napoléon doorgevoerd die erop gericht zijn de toepassing te verzachten. Deze aanpassingen kwamen neer op een brede correctionaliseringstendens en het doorgedreven gebruik van de verzachtende omstandigheden[96]. In de praktijk betekende dit een repressievere aanpak. Immers, een vrijspraak door Assisen werd nu een (kortere) correctionele straf. Bovendien werd vermogensdelinquentie krachtiger vervolgd. Deze correctionaliseringstendens in het begin van de negentiende eeuw was vooral gunstig voor de minderjarigen. Hun jeugdige leeftijd en de correctionalisering van kleinere en rurale vermogensdelicten, typisch voor hun leeftijdsgroep, zorgde ervoor dat zij baat hadden bij de verzachting van het strafklimaat.
De betere en verzachte toepassing van de wet heeft een stijging van de vervolging en dus een stijging van de geregistreerde criminaliteit tot gevolg. Als gevolg hiervan begint men na te denken over de efficiëntie van de strafuitvoering en vooral de toepassing van artikel 66 komt onder vuur te liggen.
2.4. Het penitentiair beleid
De negentiende eeuw kent een aantal penitentiaire initiatieven voor jeugdige gedetineerden. De bouw van aparte jeugdgevangenissen, hervormingsscholen en landbouwkolonies zijn duidelijke indicaties van de groeiende aandacht voor de delinquente jeugd. België heeft hierbij veel te danken aan Edouard Ducpétiaux (1804-1868), filantroop en sociaal hervormer, die met zijn persoonlijkheid de hele sociale en penitentiaire geschiedenis van de eerste helft van de negentiende eeuw domineerde. Of het nu gaat over criminaliteit en criminele statistieken, over de hervorming van de gevangenissen of de politie, over het beheer van de liefdadigheid, en meer algemeen over alle sociale problemen gekoppeld aan de excessen van het kapitalisme, Ducpétiaux is alomtegenwoordig tijdens de periode 1830-1868[97]. Als liberaal en jurist voerde hij een politieke strijd tegen het Hollandse regime, is hij tweemaal in de gevangenis beland voor zijn liberale opinies (in 1828 en in 1830) en nam hij actief deel aan de revolutie van 1830, die België bombardeerde tot het land met ‘de meest liberale grondwet van Europa’. Na de Belgische onafhankelijkheid werd Ducpétiaux aangesteld als Inspecteur-generaal van het Belgische gevangeniswezen[98]. In die functie legt hij zich toe op de hervorming van het Belgische penitentiaire systeem en de uitbouw van een modern, gecentraliseerd en nationaal gevangeniswezen. Het feit dat hijzelf reeds tweemaal het gevangenisleven aan den lijve heeft ervaren, maakt van hem de uitgelezen persoon om die reorganisatie door te voeren.
Ducpétiaux is sterk overtuigd van een cellulair regime waarbij de gedetineerden geïsoleerd worden. Alleen op die manier kunnen volgens hem de schuldigen verbeteren en zal recidive doeltreffend voorkomen worden. Alles staat hierbij in het teken van de moralisering[99]. Op zoek naar de oorzaken van criminaliteit stelt hij vanuit zijn liberale mening, zijn katholieke geloof en zijn beïnvloeding door het utopisch socialisme, de misstanden van het kapitalistische systeem aan de kaak, zonder evenwel het regime op zich verantwoordelijk te stellen. Hij is eerder een man van de praktijk dan een theoreticus.
Het eerste wat Ducpétiaux wou bereiken was een classificatie en categorisering van de gedetineerden[100]. De wantoestanden die heersten in de gevangenissen waren vaak bekritiseerd geworden. Het feit dat mannen en vrouwen, kinderen en volwassenen, gevaarlijke criminelen en malheureux innocents samen in de cel zaten, was een situatie die de beoogde verbetering van de gedetineerden niet echt bevorderde. Immers, men was ervan overtuigd dat delinquenten hun vak leerden in de gevangenis. Binnen deze muren maakte men kennis met andere criminelen wat louter nefaste gevolgen kon hebben. De wederzijdse corruptie werkte recidive alleen maar in de hand. Het eerste principe van de hervorming bestond bijgevolg uit het afzonderen en classificeren van de gevangenen: het scheiden van mannen en vrouwen, kinderen en volwassenen, armen en gecorrumpeerden. Dit veronderstelde verschillende instellingen voor elke leeftijds- en geslachtscategorie, maar ook een interne verdeling volgens de graad van moraliteit[101]. Deze principes vormden een eerste stap in de richting van de individuele opsluiting.
Een eerste maatregel ten aanzien van minderjarige gedetineerden wordt genomen in 1832 waarbij voor de jeugdige correctioneel veroordeelde jongens in de Saint-Bernardsgevangenis bij Antwerpen een aparte vleugel wordt gereserveerd. Bovendien worden de vrouwelijke gedetineerden overgebracht naar de gevangenis van Gent waar ze apart worden gehuisvest[102]. Vanaf dan wordt te Saint-Bernard elke beslissing genomen met het oog op een volledige scheiding tussen de jongeren en de volwassenen. Men zorgt voor een aangepaste school, ateliers, een binnenplaats, slaapkamers, een kantine en een afzonderlijke ziekenboeg.
Twee jaar later schrijft Ducpétiaux een Rapport sur l’organisation du quartier des jeunes détenus à Saint-Bernard waar hij zijn eerste ideeën over correctiehuizen voor kinderen uiteenzet. Het discours van de ‘correctie’ en ‘verbetering’ van de veroordeelde komen hierin duidelijk naar voor[103]. De afzondering van jeugdige gedetineerden moet hen onttrekken van ‘besmetting’ door de volwassen gevangenen. Bovendien belooft Ducpétiaux dat door deze quarantaine de delinquenten effectief gecorrigeerd en verbeterd zullen worden.
Het heropvoeden en verbeteren van een jeugddelinquent vergt evenwel tijd. Vandaar dat Ducpétiaux voorstander is van het opleggen van langere straffen[104]. Wanneer de strafperiode te kort is, gaat de weldadige invloed van een heropvoedend regime immers aan de jeugdige gedetineerde voorbij. Daarbij voert Ducpétiaux een pleidooi voor een betere toepassing van artikel 66 van de Code pénal betreffende het oordeel des onderscheids[105]. Deze stelt dat minderjarigen die zonder oordeel des onderscheids gehandeld hebben, onschuldig zijn. De wet voorziet voor hen een plaatsing in een correctiehuis. Het probleem is echter dat deze volgens artikel 66 onschuldige jeugddelinquenten nergens ter correctie naartoe kunnen gestuurd worden. Vaak komen zij dan terecht bij de schuldige gedetineerden. Ducpétiaux wil ook tegengaan dat onschuldige daders jonger dan zestien jaar een vrijspraak krijgen zonder plaatsing ter correctie. Hij wil de wet beter toepassen door een plaatsing ter correctie voor een langere termijn (Art. 66) of de veroordeling tot een langere gevangenisstraf effectief toe te passen. Zijn uiteindelijke doel is de straf afstemmen op het uiteindelijke resultaat, i.e. een bevredigende heropvoeding. Het zal echter de gehele negentiende eeuw duren vooraleer dit er door komt.
Die eerste onderneming in de Saint-Bernardgevangenis faalt echter. De toepassing van de scheidingsprincipes blijkt onmogelijk uit te voeren in de praktijk. Het debat dat gevoerd werd in deze jaren en de ervaringen die men heeft opgedaan in Saint-Bernard vormden uiteindelijk de beweegredenen van de wet van 3 juni 1840 die voorzag in een eigen gevangenis voor minderjarige gedetineerden in Saint-Hubert[106]. Het apart onderbrengen van deze minderjarigen in Saint-Bernard was een goede zaak, maar het ontbrak nog aan een regime ‘qui réunisse à la rigidité des prisons, la discipline morale d’une bonne école’. Bovendien is het belangrijk dat deze jongeren beschermd worden tegen vooroordelen verbonden aan hun verblijf in de gevangenis. Een afzonderlijke instelling was dus vereist. Maar dan wel één die door de publieke opinie niet werd beschouwd ‘comme une prison, mais comme une maison de réforme’.
In 1844 opende de vroegere abdij Saint-Hubert zijn deuren. De praktijk is echter anders dan de theorie. Ducpétiaux pleitte voor een interne categorisering, wat onmogelijk bleek. Niet alleen materiële obstakels – de structuur van het gebouw – maar ook de financiële middelen lieten dit niet toe[107]. Ducpétiaux zal heel zijn leven met deze hinderpalen geconfronteerd worden. Daar het onmogelijk is in een keer een aantal instellingen uit de grond te stampen, is men aangewezen op gebouwen die reeds voorhanden zijn. Vaak valt de keuze dan op een voormalige abdij, zoals die van Saint-Hubert. Ondanks de tegenwerpingen moet Ducpétiaux zich noodgedwongen bij deze keuze neerleggen. Daarnaast moet hij ook rekening houden met de financiële situatie van de jonge Belgische staat, die niet echt enthousiast was om dergelijke ondernemingen te financieren[108].
Naast materiële en financiële obstructies werden Ducpétiaux’ plannen tevens doorkruist door sociale omstandigheden. Een overbevolking drong zich op als gevolg van de ‘betere toepassing van de wet’ en de crisis van het einde van de jaren 1840[109]. Ducpétiaux weet deze overbevolking aan de nieuwe houding van de rechters[110]. Voordien bestonden er nog geen inrichtingen specifiek voorbehouden voor minderjarige delinquenten. De rechters aarzelden om hen te veroordelen en hen te sturen naar de gevangenissen voor volwassenen. Nu profiteerden ze van het bestaan van Saint-Hubert, niet alleen om er jonge delinquenten naar toe te sturen, maar ook om de straffen te verlengen. Daarnaast zorgden armoede en honger voor overvolle bedelaarsdepots. Als gevolg hiervan plegen vele hongerige bedelaars en landlopers kleine misdrijven om in de gevangenis te belanden en zo te ontsnappen aan honger, koude en de dood. Slechts een kleine minderheid van de jonge bedelaars krijgt een plaats in Saint-Hubert. Om deze toestroom te verwerken wordt het stelsel van de bedelaarsdepots in 1848 hervormd en richt men aparte kolonies op voor minderjarige landlopers en bedelaars. De vestiging van twee landbouwkolonies, Ruiselede voor de jongens en Beernem voor de meisjes, moeten de oplossing bieden. Het ‘Belgische Mettray’ werd opgericht naar het voorbeeld van buurland Frankrijk.
De aandacht voor de delinquente meisjes bleef eerder marginaal[111]. Hun aantal was niet alleen veel kleiner tegenover de jongens, bovendien leek de situatie voor de gevangenishervormers minder verontrustend. In de geschriften werden meisjes nauwelijks vermeld. Als gevolg hiervan bleven zij opgesloten in de gevangenissen voor volwassenen, of werden ze ‘vergeten’ en genegeerd in de oude, ongezonde gevangenissen zoals in Luik. Pas in 1864 wordt te Namen een aparte instelling voor meisjes opgericht.
Rond 1850 is de institutionele basis gelegd voor een penitentiaire praktijk die de jeugdcriminaliteit bestrijdt en de jeugddeliquenten heropvoed. De betere en striktere toepassing van de wet en de oprichting van een eigen gevangenis zorgt ervoor dat minderjarige gedetineerden zichtbaar worden.
Besluit
In het achttiende-eeuwse verlichtingsdenken kreeg men steeds meer aandacht voor het individu en, als gevolg daarvan, het kind. Het aangezicht van de samenleving veranderde diepgaand in de negentiende eeuw. De verstedelijking, de veranderingen in arbeids- en productieverhoudingen, de proletarisering van de werkende bevolking en andere verschuivingen tekenden de maatschappij. Binnen deze context ontstond een groeiende aandacht voor de jeugddelinquent. Vier factoren hebben hier een wezenlijke rol in gespeeld. Het ontstaan van de statistieken kende naast een wetenschappelijk nut ook een administratieve en politieke toepassing. De nieuwe natiestaten wilden op die manier informatie vergaren over hun onderdanen. De oorsprong van de criminele statistiek kan in dit licht gezien worden. Ze bracht voor het eerst een ‘objectief’ beeld van het aantal gepleegde misdrijven en het aantal vervolgde daders. Quetelet was voor België de pionier op dit terrein. Aan de hand van parameters trachtte men sociale fenomenen te beschrijven. Door de introductie van de leeftijd als parameter kwamen ook de jonge delinquenten in de schijnwerpers te staan. Criminaliteit is het gevolg van een vervolgings- en bestraffingsbeleid. Zodoende brachten de statistieken aan het licht dat de verzachting van het strafklimaat een efficiëntere vervolging en straftoemeting inhield. Het probleem dat zich stelde was echter de strafuitvoering. De groeiende overtuiging dat de jeugddelinquent zijn ‘vak’ leerde in de gevangenis, maakte dat het geen zin had om meer te straffen. De oprichting van een aparte jeugdgevangenis die een alternatief zou bieden voor de vele vrijspraken, werd noodzakelijk. De opening van Saint-Hubert zorgde ervoor dat de minderjarige zichtbaar werd gemaakt.
De groeiende aandacht voor de (jeugd)criminaliteit kwam ook voort uit angst. De sociale gevolgen van de modernisering kenden een grote weerslag op de werkende massa. Criminaliteit associeerde men met armoede en werkende bevolking. De sociale enquêtes schilderden de classes laborieuses af als de classes dangereuses. De slechte omstandigheden waarin kinderen opgroeiden werden aangedragen als verklaring voor delinquent gedrag. Vermijden dat deze kinderen zouden uitgroeien tot volwassen criminelen werd het belangrijkste doel. <