|
Historische situering en analyse van politieke aspecten in het oeuvre van de negentiende-eeuwse Gentse volkszanger Karel Waeri. (Tineke Bruyneel) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
4. LIEDEREN VAN KAREL WAERI IN HET KADER VAN DE SOCIALE STRIJD
C. POLITIEKE EISEN EN SOCIALE STRIJDPUNTEN
De ellende en onrechtvaardigheid moesten verdwijnen en daarvoor moest er actie gevoerd worden op het sociale en politieke terrein. Rond de verschillende strijdpunten werd informatie verschaft en propaganda gemaakt door de proletariërsliederen.[132] Waeri is hierin zeer bedrijvig geweest. In deze liederen komt zijn verbondenheid met de socialistische arbeidersbeweging uiteraard zeer goed tot uiting. Zowat het hele eisenpakket van de jonge arbeidersbeweging kan in de liedteksten van Waeri teruggevonden worden. Vooral over het belangrijkste strijdpunt, het algemeen stemrecht, schreef Karel Waeri een groot aantal liederen. Ook een andere politieke eis van de socialisten, de afschaffing van de loting, gaf aanleiding tot de productie van socialistisch geïnspireerde anti-lotelingsliederen, hoewel niet alle liedjes van de hand van Waeri blijken te zijn. Waeri behandelt ook de achturendag, het recht op vrij onderwijs en de schoolstrijd die daarmee gepaard gaat, twee andere belangrijke punten op de agenda van de arbeidersbeweging.
Vankenhove en Leplage bestempelen de loting, de zogenaamde 'bloedwet', als één van de door het volk meest gehate instellingen. De loting was in de ogen van het volk immers de verpersoonlijking van het onrecht, van het klassenverschil waarvan het werkvolk het slachtoffer was.[133] Het lotelingensysteem werd door de socialistische beweging dan ook fel bekritiseerd.
In 1830 nam het jonge België het Napoleontische dienstplichtsysteem over. Dat betekende dat er ieder jaar uit de beschikbare dienstplichtige jongens zo een dertienduizend rekruten geloot werden die vervolgens een dienstplicht van twee à drie jaar moesten vervullen. Dit alles gebeurde in elk kanton tijdens een speciale zitting van de militieraad in februari. De loting was een openbare gebeurtenis: de lotelingen moesten uit een tamboer of legertrommel hun nummer trekken. Trok men een laag nummer (de grens werd bij wet vastgelegd voor het district) moest men vanaf oktober zijn dienstplicht gaan vervullen. Zij die een hoog nummer trokken hadden meer geluk: zij waren vrijgesteld. Wat nu door het volk als zeer onrechtvaardig werd aangevoeld, was het zogenaamde plaatsvervangingssysteem. Gegoede burgers konden voor hun uitgelote kinderen een plaatsvervanger laten zoeken. Die taak werd uitgevoerd door ronselaars, in de volksmond ‘zielhonden’ genoemd. Het spreekt voor zich dat die plaatsvervangers meestal jongens waren die het thuis heel wat minder breed hadden. Voor een premie van twaalfhonderd frank waren sommige arme volksjongens bereid de weinig benijdenswaardige plaats in het leger over te nemen. Soms ‘verkochten’ ouders hun zoon zelfs aan een zielhond. Het gezin had dan een mond minder te voeden en streek bovendien een premie op. Voor de jongeman in kwestie kon dit natuurlijk een geweldige opdoffer zijn. Niet zelden kenden deze verhalen een dramatische afloop.[134]
De loting werd door alle betrokkenen vol angst en afschuw tegemoet gezien. Jongeren die de pech hadden te worden uitgeloot, moesten immers voor drie jaar hun familie vaarwel zeggen. Maar niet alleen op emotioneel vlak kon het vertrek van een jongen een zware klap betekenen voor de familie, ook op financieel vlak kon het wegvallen van een zoon zware gevolgen hebben. Het gezin had dan wel een mond minder te voeden, maarvoor veel arbeidersgezinnen kon dat het verlies van een inkomen toch niet goedmaken en was grotere armoede het gevolg.[135] In de herinneringen van Pol de Witte wordt van dit laatste melding gemaakt. “… dit blijde vooruitzicht werd echter door een donkere wolk verduisterd, namelijk door de naderende loting. Hoe meer de noodlottige dag naderde, hoe hoger de spanning klom. Als ik het ongeluk had een slecht nummer te trekken zaten we immers weer in de zwartste armoede”.[136] Het is niet moeilijk zich voor te stellen dat de loting heel wat emotionele uitlatingen teweegbracht: verdriet van degene die een laag nummer getrokken hadden en uitzinnige blijdschap bij de gelukkigen die vrijgesteld waren van legerdienst. Ook bij Pol de Witte was de ontlading groot toen bleek dat zijn nummer hoog genoeg was. “Met kloppend hart trok ik dus naar de loting. Het laagste nummer dat jaar was 303, en het hoogste 1206. Toen de heer aan het bureel het briefje uit het kokertje haalde dat ik getrokken had, zag ik slechts drie cijfers staan, het voorste leek mij een 6. Het werd mij koud om het hart, maar toen ik hoorde roepen: 954, doortintelde mij een aangename gewaarwording, zoals ik geen tweemaal in mijn leven ondervonden heb. Weldra beheerste ik mij en stapte kalm de lange gang in die aan de Pouillemarkt uitkwam. Vader en vriend Jelle Gomes, die van gejaagdheid het werk hadden moeten verlaten, zegden, als zij mij van ver zagen komen: ‘Hij is erin’, maar toen zij het nummer zagen, waren zij als uitzinnig van blijdschap. Thuis had groot en klein nooit zulke plezierige dag beleefd.”[137] Zo een spannende en ingrijpende gebeurtenis als de loting werkte natuurlijk in op de verbeelding van de volksmassa. Er bestaan dan ook heel wat volksliedjes over de gebeurtenis. Ook Waeri dichtte er een stukje over.
Refrein:
’t En baat toch niet
Dat wij treuren,
’t Hert verscheuren;
’t En baat toch niet,
Moeder, staakt uw verdriet.
De tijd is weer verschenen
Dat men, als verplet[138],
Veel moeders zal zien weenen,
Verwenschend’ die wet.
De loting is een peste
Voor armen als wij;
De rijken zijn de beste,
Zij blijven toch vrij.
Van vader en van moeder,
Van tafel en van bed,
Van zuster en van broeder
Ontrukt ons die wet.
Wanneer zal eens verdwijnen
Die bloedwet uit ’t land?
Zij baart zoovele pijnen
En smart t’ allen kant.
Voor ’t “Vaderland(?)” te sneven
Zijn wij goed genoeg;
Voor ’t stemrecht ons te geven
Is ’t altijd te vroeg.
Vereenigt u! o mannen,
Sluit moedig u aan;
Dan hebben de tirannen
Al spoedig gedaan.
SLOTREFREIN:
Dan is ’t voorbij
Dat wij treuren,
’t Hart verscheuren;
Dan is ’t voorbij,
Dan is alleman vrij.
Dit vrij sentimentele liedje tracht bij de toehoorders de gevoelige snaar te bespelen. Het verdriet van de moeders, die het een aantal jaren zonder hun zoon zullen moeten stellen en het verdriet van de jongen, die moet vertrekken uit zijn vertrouwde omgeving, weg van vader en moeder, broers en zussen, worden in dit liedje aangehaald. Bedoeling is het volk duidelijk te maken dat het hier om een grote onrechtvaardigheid gaat, voor de arme dan toch, de gegoede man blijft vrij. De situatie van de loting en de oneerlijkheid ervan wordt aangegrepen om het volk op te roepen zich te verzetten tegen de rijke burgerij en om het volk aan te sporen hun eisen te stellen. Eén van die eisen moet het stemrecht zijn: als men voor het vaderland moet sterven, moet men ook het recht hebben te kunnen kiezen. Waeri’s poging tot bewustmaking van het volk blijkt niet nutteloos te zijn. De loting baadde immers in een sfeer van volksgebruiken en rituelen die echte kritiek op het systeem een beetje op de achtergrond duwde. Er werden allerlei middeltjes gebruikt die de lotelingen een goed nummer zouden bezorgen. Zo waren er de onvermijdelijke bedevaarten en heiligen, naast talismans zoals een zakje met aarde uit het laatste graf dat op het kerkhof gedolven was, het ‘Gebed van Keizer Karel’ dat de lotelingen om de rechterhand droegen, of een stukje uitgedroogde nageboorte dat de moeders na de geboorte van een zoon bewaarden.[139] Het is duidelijk dat Waeri in dit lied volledig de socialistische lijn volgt. De socialisten voelden, net als het volk, de loting als een grote onrechtvaardigheid aan. In tegenstelling echter tot de grote massa gingen ze niet steun zoeken in geloof en bijgeloof, maar riepen ze het werkvolk op om zich te verzetten tegen het systeem zelf. Ook het tweede liedje in verband met de loting, uit de bundel van Waeri, werd geschreven vanuit het socialistische gedachtegoed.
REFREIN:
Terwijl wij zuchten in de slavernij
Zijn de rijken voor wat centen vrij.
Geen tranen kunnen baten
Die “Bloedwet” wil van ons,
Dat wij ons werk verlaten
Voor geweren en kanons.
Al is ’t dat wij nu zingen
En aan het drinken gaan,
Is ’t hart der “Lotelingen”
Toch vreeslijk aangedaan.
En als wij “exerceeren”[140]
Zal menige rijke knol
Gerust zitten studeeren
In college of hoogeschool.
Zij willen ons doen vechten
Voor “vorst” en Vaderland??!
Maar vragen wij onz’ rechten
Dan bijten wij in ’t zand.
Ondanks dat wij nu zingen
En aan het drinken gaan
Is het hart der lotelingen
Zo vreselijk aangedaan.
In zijn herinneringen verwijst Jozef Volckaert, een socialistische metaalarbeider (1870-1959), naar dit liedje. Hij schrijft dat het lied geschreven werd in het kader van een wedstrijd die op touw gezet was door Anseele. De socialistische voorman vond de bestaande volksliedjes in verband met de loting maar niets en wilde de arbeiders dan ook aansporen betere liedjes te produceren: “Op zekere keer zei Anseele tegen ons: ‘Die liedjes die men zingt op de loting, trekken op niets. Dat zou moeten veranderen: er zou iets moeten gemaakt worden dat op de slechtheid van de wet wijst en dat is werk voor u. Gij allen moet zo’n lied maken dat betrekking heeft op de bloedwet. Wij zullen het dan nazien en het beste zal gedrukt worden en uitgegeven.” Volgens Volckaert was het Emiel Bassée[141] die met deze eer ging lopen. Hij was de auteur van het hierboven vermelde De Loting.[142] Op 10 januari 1887 verscheen de tekst inderdaad in het weekblad Vooruit, waar het ondertekend werd met het pseudoniem ‘Libertad’. Later werd het lied blijkbaar toegeschreven aan Karel Waeri. Het werd immers opgenomen in de verzameling kluchtige en politieke liederen van Waeri. Frank Uytterhaegen en Guy Vanschoenbeek, die het verhaal van Volckaert in een breder historisch kader plaatsten, veronderstellen dat de tekst van De Loting inderdaad van de hand is van Bassée en dat Waeri er de muziek aan toegevoegd heeft.[143]
Een nieuw element in verband met de loting in dit lied is de melding van het drinken na de hele gebeurtenis. Na de loting en al de spanning en emotie die deze met zich meebracht, uitte de ontlading zich in overmatig alcoholgebruik en niet zelden in baldadigheden vanwege de lotelingen en hun aanhang. Dit werd door de deftige burgerpers aangegrepen om te moraliseren over het losbandige gedrag van de arbeiders. Volgens de burgerpers was de enige manier om een einde te maken aan die golf van geweld en ontucht niet de afschaffing van het systeem dat er aan de oorsprong van lag, maar enkel een strenger politieoptreden.[144] Ook vanuit socialistische hoek werd er gereageerd op de baldadigheid van de lotelingen. Hun bedoeling was echter niet dezelfde als die van de burgerij. Laatstgenoemde wilde de vulgariteit van het werkvolk aantonen. De socialisten van hun kant wilden door een waardig gedrag van de arbeiders hun aanspraken op politieke gelijkheid kracht bijzetten. Vooral het alcoholgebruik werd bekritiseerd. Ook de wedstrijd die uitgeschreven werd om de arbeiders aan te sporen zelf strijdliederen te schrijven als alternatief voor de vulgaire lotelingenliedjes kan in dit kader gezien worden.[145]
Op het einde van de negentiende eeuw kwam het lotelingensysteem zwaar onder druk te staan en dit niet enkel door toedoen van de opkomende democratische bewegingen (de socialisten, christen-democraten en radicaal-liberalen die vooral de sociale ongelijkheid bekritiseerden), maar ook door toedoen van het leger zelf. Na de Pruisische overwinning op Oostenrijk in 1860 werd in de meeste Europese landen het Pruisische systeem van algemene dienstplicht overgenomen. In 1871 had de mobilisatie tijdens de Frans-Duitse oorlog bovendien nog eens geïllustreerd tot wat voor chaos het lotelingensysteem aanleiding gaf. Het lotelingencontingent was trouwens ontoereikend om alle taken te vervullen. Koning Leopold II en een aantal generaals pleitten dan ook voor de invoering van de algemene dienstplicht. Het voorstel had echter geen kans om door het parlement van cijnskiezers te geraken die wel belang hadden bij het voortbestaan van het oude systeem. Een eerste stap werd gezet na het sociale oproer van april 1886. Generaal Vandersmissen, die aan het hoofd stond van de ordestrijdkrachten die de opstand in Henegouwen onderdrukt hadden, pleitte voor de invoering van de dienstplichthervorming en dit niet alleen om militaire, maar ook om politieke en sociale redenen. Hij was van mening dat de loting afgeschaft moest worden opdat de socialisten ze niet meer zouden kunnen gebruiken in hun propaganda om hun algemene maatschappijkritiek kracht bij te zetten. Dat Vandersmissen het hier bij het rechte eind heeft, blijkt ook uit de hierboven aangehaalde liedjes, waarin de loting duidelijk wordt gebruikt om een meer algemene maatschappijkritiek uit te kunnen spreken en rechten op te eisen, voornamelijk dan het stemrecht. Deze liedjes zijn duidelijk spreekbuizen waarlangs de socialistische ideeën en eisen doorgegeven werden aan de arbeiders. De generaal achtte het niet ondenkbaar dat de volksjongens in het leger zich bij stakingen zouden onttrekken aan hun taak. Bij algemene dienstplicht zouden de jonge arbeiders in het oog gehouden kunnen worden door reserve-officieren uit de gegoede klasse, die ze ver weg zouden houden van alle socialistische theorieën. Eind 1886 stelde het onafhankelijke kamerlid D'Oultremont voor de loting af te schaffen. Het voorstel werd met een nipte meerderheid afgewezen. Uiteindelijk zou de loting pas in november 1909 afgeschaft worden.[146]
Voor de socialisten was de totstandkoming van een eigen jongerenbeweging een tastbaar resultaat van de hele lotelingenkwestie. In november 1886 werd te Gent de eerste socialistische lotelingenkring opgericht waar later de socialistische jeugdbeweging, de Socialistische Jonge Wacht, uit zou groeien. In oktober 1886 verschenen in Vooruit oproepen naar de lotelingen toe om zich in een bond te verenigen. Op 1 november 1886 werd de Socialistische Lotelingskring opgericht. Tijdens de lotingsdagen in februari 1887 werden de eerste acties tegen de gehate bloedwet georganiseerd. Voor het eerst werd het agitatieblad De Loteling verspreid met daarin ontroerende verhalen over wantoestanden in het leger en het droevige lot van de lotelingen. Een maand later wijdde de kring haar vlag in. Op die vlag prijkt voor het eerst het gebroken geweer, symbool van antimilitarisme. De leden van de kring spaarden om de lotelingen tijdens hun diensttijd financieel bij te springen. Gedurende jaren was de werking van de kring daartoe beperkt. In februari verhitten de gemoederen altijd. Dan verscheen het dagblad Vooruit met een rouwband en trokken de lotelingen in stoet naar het stadhuis met een zwart omrande rode vlag waar één van hen weigerde zijn nummer uit de trommel te halen, een symbolische dienstweigering. Later werd het blad De Kazerne uitgegeven dat verspreid werd in de maanden september en oktober als de lotelingen aan hun dienstplicht dienden te beginnen. Aanvankelijk werden de protesten van de socialistische lotelingen nog uitgebreid gemeld in de burgerlijke pers. Met de tijd werd de verslaggeving over de lotelingendemonstraties echter ondergebracht bij de vele faits-divers rond de loting. Voor de burgerij was het gebeuren een stukje folklore geworden.
De acties van de lotelingenkring tegen de loting waren dan ook nooit echt een denderend succes geweest. De kring trok ook slechts een klein aantal van de betrokken jongeren aan. In 1887 waren er 135 leden terwijl er in Gent jaarlijks zo een vijftienhonderd dienstplichtigen werden opgeroepen. Ook in de socialistische jeugdbeweging begon het gevoel van routine en sleur te overwegen. De financiële steun die de lotelingenkring toekende aan haar leden in het leger werd uiteindelijk een a-politiek motief om lid te worden van de vereniging. De lotelingenkring werd een 'spaarmaatschappij' waar men zich kon verzekeren tegen 'militierisico's'.
Hoewel het antimilitaristische element het belangrijkste element bleef, zag de partijleiding de kring ook als een leerschool voor het opleiden van jonge propagandisten. In 1894 werd in de schoot van de jeugdorganisatie een Ontwikkelingsclub georganiseerd. In december 1899 nam men definitief de naam Socialistische Jonge Wacht aan.[147]
De strijd voor algemeen stemrecht [148]
Vanaf 1864, met het hoogtepunt tussen 1885 en 1913, werden er onafgebroken acties voor het bekomen van het algemeen stemrecht georganiseerd. Ze gingen vaak gepaard met stakingen en optochten, waarop de machthebbers paniekerig reageerden.[149]
Een eerste stap naar de verovering van het algemeen stemrecht werd gezet met de invoering van het bekwaamheidsstelsel voor de provincie- en gemeenteraden (1883). Naast de cijnskiezers mochten alle mannen die in het bezit waren van een “Diploma van bekwaamheid voor het provinciaal en gemeente kiesrecht” deelnemen aan de verkiezingen.[150]
Vanaf de jaren 1860 waren zowel in de liberale als in de katholieke partij stemmen opgegaan die pleitten voor een uitbreiding van het stemrecht. Binnen de liberale partij waren het vooral de intellectuelen die zich verzetten tegen de gelijkstelling van de politieke elite met de fortuinbezittende klasse. Ze waren ervan overtuigd dat ook zij moesten behoren tot die politieke elite en dus kiesrecht moesten krijgen. Ze hadden immers een opleiding genoten en waren bijgevolg, net zoals de bezittende klasse, in staat mee te draaien in de politiek. Deze vooruitstrevende liberalen trokken zich ook het lot van de arbeiders aan en wilden iets aan hun situatie verhelpen. Ze pleitten voor onderwijs voor de arbeiders en algemeen stemrecht voor iedereen die kon lezen en schrijven. In sommige gevallen lagen morele overwegingen en oprechte bekommernis voor de minder bedeelde stadsgenoten dus aan de basis van het voornemen het stemrecht uit te breiden. Vaak was echter de vrees voor de opgang van het socialisme een belangrijker drijfveer en had men de bedoeling het arbeidersverzet, naar eigen voordeel, te kanaliseren. Men streefde naar klassenintegratie in plaats van klassensegregatie om te vermijden dat de arbeiders een gevaar voor de bestaande orde zouden worden.
Ook binnen de katholieke beweging pleitten de progressieven voor een uitbreiding van het aantal kiezers. Ze wilden dit doel niet bereiken door capaciteits- of bekwaamheidsstemrecht te verlenen (dat zou immers ten voordele zijn van de liberale partij), maar door een verlaging van de kiescijns voor de gemeenteraadsverkiezingen. Dit kon zonder de grondwettelijke bepalingen in verband met kiescijns te overtreden, aangezien het grondwettelijke minimum van 42,32 fr. cijns alleen gold voor de wetgevende verkiezingen. Deze maatregel zou de katholieke partij enkel ten goede kunnen komen. De volksmassa was immers grotendeels katholiek gebleven. Door het volk stemrecht te verschaffen, hoopte de katholieke partij het liberale stedelijke overwicht te kunnen doorbreken.
Het aandringen op uitbreiding van het stemrecht vanuit progressieve zijde van zowel de liberale als de katholieke partij resulteerde op 30 maart 1870 in een wet die een combinatie tot stand bracht van cijns- en bekwaamheidskiesrecht. Voor de provinciale en de gemeentelijke verkiezingen werd de cijns gehalveerd voor de mensen die drie jaar middelbaar onderwijs genoten hadden. Daarenboven werd de leeftijd voor de algemene verkiezingen verlaagd tot 21 jaar.
De wet werd echter nooit in praktijk gebracht en spoedig ook verworpen na het aan de macht komen van de klerikale groep o.l.v. baron Jules d’Anethan (2 juli 1870). Enkel het artikel dat de drempelleeftijd voor de nationale verkiezingen op 21 jaar had gebracht, werd behouden. Ter vervanging werd op 12 juni 1871 een wet afgekondigd die de kiescijns voor de provinciale en gemeentelijke verkiezing tot resp. 20 en 10 fr. cijns verlaagde. Deze beslissing betekende het definitieve einde van het differentiële kiescijns. Met de bekwaamheid van de kiezers, waarvoor de liberalen ijverden, werd geen rekening gehouden. Men rekende erop dat deelneming van middenstanders of kleine burgers meer electorale winst zou betekenen dan die van de minder betrouwbare capaciteitskiezers zou doen.
De wet van 12 juni 1871 werd door de liberalen al niet met enthousiasme onthaald, maar met de wet van 5 juli 1871 waren ze nog veel minder tevreden. Door deze wet werd de rechtstreekse belasting, die geheven werd op de uitbating van een herberg, vervangen door accijnsrechten op het bier. Dit was een onrechtstreekse belasting die niet in aanmerking kwam voor de berekening van de kiescijns. Hierdoor verloren duizenden herbergiers, waarvan aangenomen werd dat de meerderheid liberaal stemde, hun kiesrecht. De regering compenseerde het verlies aan stemmen van herbergiers door de schepping van een nieuwe groep overwegend klerikale eigenaars. Ze realiseerde dit door de patent en personele belasting met 5% te verhogen en door de grondbelastingen van 6,7 naar 7 % op te trekken.
Met de verkiezingen van 11 juni 1878 kwamen de liberalen weer aan de macht. Op hun beurt vaardigden ze een aantal wetten uit die de eliminatie van klerikale kiezers moesten meebrengen. Door de wet van 26 augustus 1878 werd bepaald dat bewoners van openbare gebouwen geen personele belastingen meer dienden te betalen. Dit had tot gevolg dat de meeste parochiegeestelijken niet voldoende belastingen meer betaalden om aan de cijnsvereiste te voldoen. Ook een aantal boeren zagen hun stemrecht door diezelfde wet verloren gaan. Landbouwers die minder dan 42,35 fr. belastingen betaalden, werden immers vrijgesteld van belasting op hun paarden, tenzij het om luxepaarden ging.
De wet van 26 juli 1879 trof opnieuw de parochiegeestelijkheid. Ze mochten geen familielid als hulp meer laten taxeren.
Langs de andere kant trachtte de liberale regering het aantal linkse kiezers te doen toenemen. De wet van 24 augustus 1883 voerde het capaciteitsstemrecht in voor de gemeentelijke en provinciale verkiezingen en maakte daarmee een einde aan de periode waarin de kiescijns de enige voorwaarde voor stemgerechtigheid vormde. De wet bepaalde dat mensen met een diploma of getuigschrift van lager of middelbaar onderwijs en mensen die een beroep uitoefenden dat een dergelijke opleiding veronderstelde, van de kiescijns ontslagen waren. Bovendien zou de overheid “examens van kiesbekwaamheid” inrichten. Het examen peilde naar de kennis van de leerstof van de lagere school en was toegankelijk voor iedereen boven de 18 jaar. Wie hiervoor 60 % haalde en kon bewijzen 6 jaar school gelopen te hebben, kreeg een kiezersdiploma. De wet betekende een aanzienlijke toename van het kiezerskorps. Na een eerste toepassing van de wet, steeg het aantal kiezers voor de provincie met 39 % en voor de gemeente met 23 %. Alle partijen beseften dat de wet grote mogelijkheden bood en organiseerden dan ook aangepast onderwijs om de kandidaten voor het kiesexamen voor te bereiden. Tussen 1884 en 1893 slaagden jaarlijks gemiddeld 8 000 mensen. [151] Door de invoering van het bekwaamheidsstelsel kregen talrijke arbeiders de kans om te leren lezen, schrijven en rekenen. De socialisten gaven daarbij maar al te graag een duwtje in de rug in de wetenschap dat ze van de cijnskiezers niet veel steun zouden moeten verwachten. De avondcursussen die georganiseerd werden door de gemeentebesturen ter voorbereiding van het examen werden dan ook door een groot aantal arbeiders bezocht.[152]
Waeri schreef een lied over het hele gebeuren, ’t Kiesexamen, waarin hij vertelt over de vragen die op dergelijke examens werden gesteld.
Stemme: Sur l’air tralala
Wet van 24 augustus 1884[153]
De groote koppen hebben nu toch iets gedaan
Omdat de kleine man, zou kunnen kiezen gaan.
Al die wat is geleerd en niet en is verveerd[154]
Mag zijn exaam afleggen, ’t is de moeite weerd.
Ge krijgt van alles wat te schrijven op een blad.
Ik zal ’t u gaan vertellen wat men al heeft g’had.
Een vrage die was goed: Hoe moeten man en vrouw
Zich wederzijds gedragen in den echtentrouw?
Een man zuipt alle dagen een stuk al in zijn lijf,
En ’s morgends met den vieren kruipt hij bij zijn wijf,
En is zij wat te stout ge geeft ze maar wa’smijt[155],
Een vrouwe zonder slagen is een soepe zonder zijt[156].
Een ander antwoord was niet minder goed gedacht:
Ge moet malkaar beminnen ja bij dag en nacht.
Het vrouwtje met fatsoen moet goed haar baasken voên
Met kiekskens en konijntjes of ’ne kalekoen.
Hoe beter dat g’hem doet en karresseert en zwijgt,
Hoe beter ge ’t haantje in uw kotje krijgt.
Een kwest over de zedeleer die gaf katoen:
Doe nooit wat gij niet wilt dat men aan u zou doen.
Dat vraagt nog al verstand; maar eenen viezen kwant,
Zijn antwoord hê’k gelezen dat de kroone spant:
“Eet nooit geen verkenvleesch als g’aan uw tafel zit,
Opdat gij ook van ’t verken niet wordt opgefrit.”
Wat plichten hebben d’ouders in het algemein,
Ten opzichte van de kinders zoowel groot als klein?
In dezen fijnen list, is er nog al gemist,
Te Elsen was er eenen die het beter wist:
Ge moet ze, zonder slaan, voor wel daarmêe te staan,
Veel zondagoordjes geven, voor op staminet te gaan[157].
De schulden die de wet op onzen nekke legt,
Waarom moeten wij die betalen volgens recht?
Omdat de kommissaire, als ik te vele plak[158],
Om mij zou kunnen komen, en mij steken in den bak;
Maar nu zijn w’uit de schand, nu zullen z’in ons land,
Geen lasten niet meer stemmen, want de Kamers zijn verbrand[159].
Wat plichten heeft den kiezer als hij stemmen gaat?
Wel dat hij eerst wat druppels in zijn krage slaat
En als ge niet meer beeft, ge kiest dan heel beleefd,
Voor hem die meest te frêtten en te zuipen geeft,
En hebt g’een buize g’had, ge loopt maar rond de stad,
Ge smijt maar al de vensters en de deuren plat.
En krijgt g’alhier toebak, ge geeft aldaar ne plak[160],
En zoo geraakte met uw kloefen in den bak.
Ne man die vier frank vijf-en-twintig wint per dag,
En zestien en oen kwart per week verteren mag,
Hoeveel heeft hij gespaard, trekt dat ne keer te gaar,
Als hij drie honderd dagen werkt al op een jaar?
Nen Molenbeekenaar die schreef dat is niet waar,
Geen eenen, die geen honderd dagen, drinkt per jaar.
Te Namen was een kwest over de prijs gesteld,
Wat dat ne kilo boter tegenwoordig geldt,
Dat is onnooz’le praat, zoo schreef ne kandidaat,
’t En kan mij niet verschill’n hoe diere[161] dat ze staat.
Onz’ drooge roggekroet, al zijn wij slecht gevoed,
Dat mogen wij bestrijken met wat keerseroet.
Een vraag over de maten die kwam goed van pas,
Wat ’t onderste van eenen hectoliter was,
Daarmee lach ik mij krom, het onderste is den bom[162],
Die dat niet kan begrijpen die is toch te dom:
‘Nen andren wist het fijn hij schreef op eene lijn:
Het onderste dat moet ’ne kilometer zijn.
In d’aardrijkskunde was men beter au courant:
Wat vreemde staten grenzen aan ons Belgenland?
G’hebt eerst het land van Waas, met d’hoofdstad St-Niklaas,
En Brabant is de streeke van de platte kaas;
En langs de Waalsche kant delven ze diamant;
En Eekloo staat aan ’t hoofd van heel het Meetjesland.
’T Is ook ne felle kerel die het al onthout:
Wanneer is Leopold met zijn Marie[163] getrouwd?
Ne gentsche kandidaat schreef zonder veel beslag:
“Ze trouwden alle twee al op den zelfden dag,”
Nen andren schreef met recht, dat Leopold mij zegt,
Wanneer ik ben getreden in den wettelijken echt.
Een kwest over d’historie daar was peper aan:
Wie was Karel den Vijfden en wat weet g’er van?
Ne kiezers pretendent, van Meirelbeek bij Gent,
Die schreef: Hoe moe’k da weten ‘k heb hem nooit gekend,
Maar ‘k heb altijd verstaan, dat eenen boer Arjaan,
Hem zei: houdt de lanteern ik moe z….. gaan.
’t Verdeelen van de plaatsen, ja dat vond ik goed,
Het lot dat heeft beslist waar men zich zetten moet.
In eene waalsche stad, heeft men de farce g’had,
Dat juist een broerken tusschen twee gendarmen zat,
Die martelaar van ’t lot, zat daar gelijk ‘ne zot,
En ieder dacht och heere, ’t is de wil van God.
In de gemeente Zele was ’t een ander lol,
De meesters van de katholieke zondagschool,
Niet min of meer dan twintig, wat helden zijn mij dat,
Die hebben elk een kolossale buize g’had,
En in de Gentsche stad, een broerken, o wat schat,
Die heeft met groote moeite, twintig punten g’had.
’t Zijn wederom de papen, ‘k heb ’t al lang belet,
Die niet en zullen slapen, met de nieuwe wet,
Tot Bergen was er niets, dan zwart ras te zien.
De broeders, paters, jesuiet en kapucien,
Die hebben ook met vlijt, ’t examen afgeleid
Wij gaan ons meugen weeren, want da’ goedje is niet benijd[164].
Het land, in ’t algemeen, heeft goed zijn best gedaan,
Er zijn veel kandidaten naar ’t exaam gegaan;
Te Brussel was ’t getal absenten, colossaal;
Die kunnen goed blagueeren, maar in ’t schrijven niemendal,
Maar Gent geeft van de roê, daar zijn ze nooit niet moê[165],
Elk doet daar zijn examen tot liedjeszangers toe.
K.W.
Gediplomeerde kiezer.
Dit lied van Waeri geeft een indruk van de vragen die er op het kiesexamen zoal gesteld werden. Vragen in verband met huwelijks-, ouderlijke- en burgerplichten, zedenleer, rekenen, het stelsel van maten en gewichten, aardrijkskunde, de dynastie en vaderlandse geschiedenis moesten door de deelnemers opgelost worden. Waeri schreef dit liedje op de hem eigen vinnige, spottende toon. Waeri zal met dit liedje vooral de bedoeling hebben gehad zijn publiek te amuseren en te doen lachen. ’t Kiesexamen hoort dus eerder thuis in het kluchtige repertoire van Waeri.
Reeds in de jaren 1850 deden de arbeiders de eerste zwakke pogingen om zich uit de onmondigheid en ellende te bevrijden. Na enkele spontane acties, die nooit op iets uitgelopen waren, gingen de werklieden zich meer en meer organiseren. In 1857 groepeerden de textielarbeiders van Gent zich tot de Broederlijke Wevers onder leiding van Jan de Ridder en de Noodlijdende Spinners onder leiding van Francies Billen. Onder het mom van mutualiteiten (Arbeidersverenigingen waren door de wet Le Chapelier tot 1866 verboden) waren zij de eerste arbeidersorganisaties van België. Het voorbeeld van spinners en wevers werd al snel gevolgd door andere beroepen en arbeidersgroepen. Al snel werd duidelijk dat tussen al die groepen overleg noodzakelijk was. In 1860 begon het blad Het Werkverbond te verschijnen. Ondertussen verscheen ook Emiel Moyson (1838-1868) op het toneel.
De katoencrisis van 1861-1865, ten gevolge van de Anerikaanse Burgeroorlog, en een, door gebrek aan tactische leiding, mislukte staking in de fabriek Parmentier - Van Hoegaarden (de slag van de Grasfabriek), zouden echter de doodsteek betekenen voor de vakvereniging van de spinners.
De wevers van hun kant hadden in 1860 een Leesgezelschap gesticht. Hun vereniging overleefde de katoencrisis, maar raakte verdeeld. Op 29 april 1865 werd door enkele dissidenten, onder leiding van Karel de Boos, de Maatschappij Vooruit opgericht. De dissidenten stelden zich openlijk vrijzinnig op en waren vooruitstrevender dan de Broederlijke Wevers. Toch moet de verdeeldheid tussen de twee weversmaatschappijen gerelativeerd worden. In augustus 1867 traden ze immers solidair op bij een staking en in oktober 1868 sloten ze zich beide aan bij de Internationale.[166] De Eerste Internationale (of de Internationale Associatie van Arbeiders) werd in 1864 te Londen gesticht. Haar doel was de verspreide arbeidersverenigingen in de industrielanden te groeperen en oriëntatie te geven aan hun ideeën. Via C. De Paepe en de krant Le Peuple kreeg de beweging invloed in België. Er ontstonden talrijke kernen zoals in Antwerpen, Verviers en Brussel. Pas in 1868 kwamen Brusselse propagandisten de zaak in Gent verdedigen. De Gentse onderafdeling, waar de Broederlijke Wevers en de Vooruit zich dus bij aangesloten hadden, namen actief deel aan verschillende stakingen. Deze bleken echter weinig succesvol door een tekort aan financiële middelen. Gebeurtenissen in Parijs, meer bepaald de val van de Commune in 1871, deden binnen de Internationale spanningen ontstaan tussen de anarchisten en de marxisten. De Internationale viel uit elkaar en de Belgische afdeling werd in 1874 opgeheven. Toch bleven figuren als Cesar De Paepe, Edward Anseele en Edmond Van Beveren op het politiek toneel aanwezig. In Vlaanderen gingen de socialistische kernen zich meer en meer afstemmen op het Duits reformisme dat langs parlementaire weg wilde strijden. De verschillende afdelingen kwamen tot een overeenkomst wat leidde tot de stichting van de Vlaamse Socialistische Partij. De Brusselse groep richtte de Brabantse Socialistische Partij op. Beide zouden zich in 1879 verenigen tot de Belgische Socialistische Partij. Het meer revolutionaire en anarchistische Wallonië hield zich afzijdig en stond weigerachtig tegenover een politieke structurering. In april 1885 voegden de partijorganisaties van het land zich uiteindelijk samen en ontstond de Belgische Werkliedenpartij (BWP).[167] De BWP was oorspronkelijk een heterogene bundeling van lokale werkliedenbonden en andere politieke arbeidersorganisaties, vakbonden, coöperatieven, ziekenfondsen en verenigingen van radicale intellectuelen. Het voornaamste doel van de BWP was de politieke emancipatie van de arbeidersklasse via algemeen stemrecht.[168] Het eerste artikel van de statuten goedgekeurd op het Antwerpse BWP congres (15 en 16 augustus 1885) laat hierover geen twijfel bestaan. “Algemeen Stemrecht. Rechtstreekse wetgeving door het volk, dat is: bekrachtiging en initiatief door het volk op wetgevend gebied, geheime en verplichtende stemming”.[169] De grote klassenpolarisatie en het overaanbod van goedkope werkkrachten had gezorgd voor te grote ellende bij de arbeidersklasse. De arbeidersorganisaties waren te zwak om er iets tegen te doen. De staat moest dus tussenbeide komen om de economisch zwakkeren bij te staan. Van een politiek establishment waarin voornamelijk de hoge burgerij de plak zwaaide, kon er echter niet veel hulp verwacht worden. Vandaar dat de eis voor politiek medezeggenschap vanaf 1880 definitief de kop opstak. Het algemeen stemrecht werd beschouwd als oplossing voor alle sociale problemen.[170]
Zo werd op 15 augustus 1886 een nationale betoging voor algemeen stemrecht georganiseerd te Brussel. Aanvankelijk was de betoging voorzien op 13 juni 1886, maar de heer Buls, burgemeester van de hoofdstad, verbood ze. In plaats van de betoging werd er dan maar beslist op 13 juni 1886 een congres te organiseren in Brussel. [171]
Voor de betoging voor algemeen stemrecht maakten de B.W.P. en haar propagandisten volop propaganda. De volkszangers droegen ook hun steentje bij. Ze speelden een belangrijke rol in het ophitsen en enthousiast maken van de massa voor de gebeurtenis.[172] Natuurlijk liet Karel Waeri zich niet ongehoord. Hij dichtte het lied Voor ’t Algemeen Stemrecht.
(Manifestatie te Brussel 13 juni 1886)
Refrein:
Komt! Broeders, op! te been!
Naar Brussel, uwe schreên!
Vooruit! Vooruit!
En eischt met ons, het stemrecht voor elkeen!
De tijd is daar, wij moeten strijden.
Met wapens die de wet ons biedt,
’t Is nu lang genoeg dat wij lijden
En noch troost noch hulp in ’t verschiet; (bis)
Hoort gij ’t gemor der werkersscharen,
Dat dreigend aller ooren treft;
Ziet gij dit volk dat zich verheft
En ’t juk verplet van de barbaren.
’t Is reeds al zes-en-vijftig jaren,
Dat ’t volk om zijne rechten smeekt,
Dat het kruipt voor troon en altaren
Wijl ’t brood voor kinderen ontbreekt (bis)
’t Is nu genoeg, vermoeid van klagen,
Komen wij, werkers, hand aan hand,
Uit alle hoeken van heel ’t land,
Ons recht, bij dringendheid, hier vragen!
Gij durft ons anarchisten noemen,
Gij, die zelf wet en recht verkracht,
Dwing’landij weet gij te verbloemen,
Wijl gij des werkers rede smacht. (bis)
Genoeg; schei uit met wetten smeden
Gij die, aan d’overvloed gewend,
Des volks behoeften nimmer kent,
Want honger hebt gij nooit geleden.
O, neen! Wij zijn geen anarchisten,
Wij schuwen woestheid en geweld;
Maar als dapp’re socialisten
Willen wij, met recht zijn geteld. (bis)
Het volk wil steeds in vrede leven,
Met hem, die op zijn rede let,
Geef ons “gelijkheid voor de wet”,
Het staat in de grondwet geschreven.
Onder den standaard der verdrukten,
Rukken wij moedig, fier vooruit;
’t Is te lang, dat wij d’hoofden bukten,
Kloek en vast, is nu ons besluit. (bis)
Wat kan men ook, ter grondwet lezen?
De daad ligt nog in diepen kolk:
Dat “alle macht komt uit het volk”
Tot hier is zulks nog nooit bewezen.
De verbondenheid van Waeri met de BWP komt hier duidelijk tot uiting. De weg die volgens Waeri moet gevolgd worden om sociale gelijkheid te bekomen, is die van het parlement. Het belang van eenheid van het volk als sterk wapen in de strijd komt duidelijk naar voren. Waeri zingt in de wij vorm en benadrukt daarmee nog eens extra het groepsgevoel. Ook de uitspraak “wij schuwen woestheid en geweld” is duidelijk socialistisch geïnspireerd. Binnen de socialistische rangen pleitte men immers voor zo veel mogelijk orde en discipline.[173]
Ook de volgende drie liedjes van Waeri handelen over de betoging in Brussel voor het algemeen stemrecht. Het is goed mogelijk dat Waeri deze liedjes schreef naar aanleiding van de betoging van 15 augustus 1886. De liedjes zijn wel heel anders van toon dan het voorgaande. Voor ’t Algemeen Stemrecht is een echt strijdlied waarin Waeri duidelijk de ideeën van de socialistische partij verwoordt. De volgende drie liederen zijn veel luchtiger van toon, maar dragen daarom niet minder een boodschap uit. Ze vertellen het verhaal van Cies Wevers die naar Brussel trekt om mee te lopen in de betoging.
Uit ’t Zal wel komen! lijkt men te kunnen besluiten dat de gewone arbeiders echt wel uitkeken naar het moment dat het algemeen stemrecht een feit zou zijn, dat de mensen er vol ongeduld naar uitkeken. Het stemrecht was volgens dit lied dan ook hét onderwerp van gesprek.
Cies Wevers meê zijn vrewwe
Namen hun noengetij’;
Petaters meé kazakken[174].
Meê drogen haring bij.
’t En mocht niet vele kosten,
Al was de man ook braaf,
En naarstig om te werken,
Vlees mocht er niet van af.
Kijk, Cies, zo sprak de vrewwe,
Sedert ’ne korte tijd,
Da ’k ’t “Genteneerke”[175] misse
Doe ‘k mij wel veel profijt;
Mijn werk bleef altijd liggen,
‘k Was een verloren schaap;
Want meê die ewwe zage[176],
Viel ik altijd in slaap.
Alzo mijn geld vermoossen[177],
Da’was een dommigheid;
Want Maria van de Leie,
Die heê ’t mij ook gezeid.
Die zes cens[178] alle weken,
Es zes frans op een jaar;
Dat es een schone mitse[179],
Voor op mij beetje haar.
-Da’ ‘k op wat anders valle[180]
Da’ ‘k zo nieuwsgierig ben,
Hoe staat da’ nu meê ’t stemrecht,
Gâ de ’t nu nog nie hên[181]?
-Maar, Cieska, gij zijt haastig,
’t Zal komen, aardig spook!
-Kis gij mijn ewwe kloefen,
De boer die zei het ook.
Ja, Cieska, da me ’t moesten
Van Katolieken hên,
Me zou’n nog lange wachten,
Omdat ‘k die vleugels ken,
Dat ’t nog aflaten waren;
Voor iedre zielemis,
Wel honderd duizend jaren;
Maar stemrecht dat es mis.
Die mannen – Cieska – willen
Da’ ge altijd stille zwijgt,
Als ge voor al uw werken,
Een droge kroete[182] krijgt;
G’en meugt niets beters vragen,
Dan hebt ge nog misschien,
De hemel als ge dood zijt;
Maar da’ zou ‘k willen zien!
Cies Wevers zou in Brussel gaan betogen, maar zijn vrouw lijkt het toch maar niets te vinden. Ze had immers in ’t Genteneerke, een katholieke krant, gelezen dat het waarschijnlijk wel tot rellen zou komen. Cieska vond het allemaal maar riskant en de reis was bovendien niet goedkoop. Uiteindelijk legt Cies haar uit dat de jezuïeten zulke praatjes verspreiden omdat ze bang zijn hun macht te verliezen door de invoering van het algemeen stemrecht.
Stemme: Patience
Cies Wevers ging naar Brussel,
’t Was zoo zijn vast besluit,
Hij spaarde alle weken
Daarvoor ‘nen dikken kluit,
’t Was om zijn recht te eischen;
De man was overtuigd,
Dat onze lands-regeering,
Voor bede nimmer buigt.
Maar Cieska, zijne vrouw,
Die ‘t “Genteneêrke” leest,
Was om er van te sterven,
Zoo erg was zij bevreesd;
Z’had van Mie Trees vernomen,
Dat al dat rood gespuis,
Te Brussel gingen smijten,
Ja, heel de stad in gruis.
Wel Cies toch zijn dat dingen,
Maar zijt ge niet benijd,
Waar zijn toch uw gedachten
Dat ge ook naar Brussel rijdt?
Zijt ge nu toch waarachtig
Van uw verstand beroofd?
Hoe zie ’k u Zondag weere;
Misschien wel zonder hoofd!
Daarbij die groote reize
Dat kost toch zooveel geld,
Geef mij dat voor mijn mutse
Die ‘k gist’ren heb besteld;
Wat wilde gij u moeien
Met kiesrecht; laat dat gaan,
Die politieke zaken
Wat trekken w’ons dat aan!
Ja, Cies de “Genteneêre”,
Die schrijft het klaar en goed;
“De kopstukken die houden
Zich altijd uit de voet;
En d’arme dwaze dutsen,
Die krijgen ’t op hun vel”.
Den zevenden September[183]
Was ’t juist hetzelfde spel.
Och, zwijg, onnooz’le sloore.
Zei Sies, al dat misbaar,
Dat zijn jezuiten streken
Wordt gij dat niet gewaar?
’t Is geen gevaar van vechten
Waar men zich ’t hoofd om breekt
“Het stemrecht is de doorn
Die hen zoo nijdig steekt!”.
Uit dit lied blijkt duidelijk de grote invloed die de kranten hadden op het publiek. De katholieke pers trachtte de arbeiders te overtuigen niet te gaan betogen in Brussel. Waeri probeerde met dit liedje zijn toehoorders, die onder invloed van de katholieke pers eventueel dezelfde bedenkingen hadden als Cieska, ervan te overtuigen wel te gaan betogen.
Uit het lied kan men ook opmaken dat socialistische groepen spaarkassen hadden opgericht waar gespaard werd voor de verplaatsing naar Brussel.
De betoging van 15 augustus 1886 (?) werd een succes en was voor Waeri een reden om een extra liedje te schrijven over de gebeurtenis. Hij gaf Cies Wevers en zijn echtgenote Cieska de gelegenheid een praatje te maken over de voorbije betoging.
Cies wevers trok naar Brussel
En ’s avonds kwam hij ’t huis,
Tevreden bij zijn Cieska,
Zonder het minst gedruis.
Hij was wel heesch van zingen,
En moê gelijk een peerd;
Maar zoo een schoone kermis,
Was wel een gees’ling weerd.
Maar Cieska, zijne vrewwe,
Die ‘t “Genteneerke” leest,
Die vroeg hem heel verwonderd:
Wat heê ’t daar nu geweest?
“Uw kleêre zijn nog schoone,
Uw broek ’n es nie gescheurd;
Es er nu toch in Brussel
Geen enk’le moord gebeurd?”
Och, zwijg, onnoz’le sloore,
Zei Cies, de Brusseleers,
Die déën niet als roepen:
“Vivan de Genteneers!!!”
Me waren wij geen tjeefkens,
Ze zagen zij dâ wel;
Den “zevenden september”
Was ’t en heel ander spel!
Kijk, Cieska, ons korteze[184],
Van veertig duizend man