|
Historische situering en analyse van politieke aspecten in het oeuvre van de negentiende-eeuwse Gentse volkszanger Karel Waeri. (Tineke Bruyneel) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
4. LIEDEREN VAN KAREL WAERI IN HET KADER VAN DE SOCIALE STRIJD
In de volgende hoofdstukken van deze thesis zullen de liederen van Waeri besproken worden die in het teken stonden van de sociale strijd. Ik zal nagaan hoe Waeri de arbeiders bewust trachtte te maken van hun minderwaardige en oneerlijke positie in de maatschappij, welke standpunten Waeri verdedigde bij een aantal politieke problemen (zoals bijvoorbeeld de schoolstrijd) en in welke mate hij betrokken was bij de socialistische arbeidersbeweging en hun ideeën vertolkte.
In het begin van de 19e eeuw werkte het merendeel van de arbeiders nog in de ambachtelijke sector. Dat wil zeggen dat de werklieden in kleine groepjes werkten in kleine werkplaatsen. Ze kenden elkaar en vervaardigden hun product nog bijna helemaal zelf. De arbeidsdeling was in deze periode dus nog gering wat betekent dat ‘stielkennis’ en arbeidsfierheid nog een grote rol konden spelen in het productieproces. Samen met de verspreiding van machines nam echter ook de arbeidsdeling toe. Eén arbeider was dus voor een steeds kleiner deel van de afwerking van een product verantwoordelijk en steeds meer arbeiders moesten hun werk doen in steeds groter wordende ruimtes. Deze evolutie had tot gevolg dat het belang van ‘stielkennis’ afnam en dat de arbeider makkelijker vervangbaar werd. De omschakeling van de ambachtelijke arbeid en arbeidsomstandigheden naar de fabrieksarbeid in de loop van de 19e eeuw, betekende een grote kwalitatieve verandering voor de arbeidersklasse. Negatief aan deze verandering was dat de ellende en verpaupering van de arbeiders alsmaar grotere vormen aannam. De aangroei van nieuwe arbeidsplaatsen was namelijk niet in verhouding tot de stroom landarbeiders uit de agrarische sector die van het platteland naar de stad trokken om daar hun geluk te beproeven. Er was bijgevolg bijna permanent, behalve in periodes van snelle industriële groei, sprake van een arbeidsoverschot, waardoor de ondernemers in staat werden gesteld de laagste lonen uit te betalen. De huisvesting van al die arbeiders gaf sommige bemiddelden ook de kans om veel geld te verdienen. Er ontstonden beluiken waarin de arbeiders in de meest erbarmelijke omstandigheden moesten leven. De hygiëne was, in een beluik met één of een paar pompen en enkele toiletten voor een hele gemeenschap, ver te zoeken. Het gebrek aan hygiëne en daarenboven de bijna voortdurende ondervoeding van de arbeiders maakten de beluiken tot broedplaatsen van besmettelijke ziekten.[70]
Moeder! Zie eens wat schoon speelgoed,
Dat daar voor het venster ligt!
Riep een knaapje opgetogen,
De oogen naar een huis gericht,
Waar men poppen en Jan-Klassen
Prijken zag in overvloed;
Moeder! Was de klein aan ’t smeken,
Koop toch iets, ach moeder zoet!
Kom, mijn kind, laat ons niet kijken,
Onzen toestand is zoo erg,
Heden droeg ik van den huisraad,
’t Laatste stukje naar den berg;
Reeds drij eeuwenlange weken,
Zit uw vader zonder werk,
En geen bijstand te bekomen,
Noch van stadhuis noch van kerk.
Moeder, hebt ge dan geen stuiver,
Voor zoo’n kleinen arlekijn,
Moet dan enkel, al dat speelgoed
Voor de rijke kind’ren zijn?
Ach! Lief kind, ik mag niets koopen,
Zusje sterft van hongersnood,
En mijn arme laatste centen
Dienen voor een stukje brood.
‘k Wil dan wachten, lieve moeder,
U bedroeven waar’ te dwaas;
‘k Zal dan maar nog eens gaan slapen,
’t Is toch morgen Sint-Niklaas!
Die zal wel rechtvaardig wezen,
Morgen is’t bij ons dan feest,
Die vraagt zeker naar geen centen,
En daarbij, ‘k heb braaf geweest!
Zwijg toch, mijn onnoozel schaapken,
Gij verbrijzelt mij het hart,
Heden zijn wij ongelukkig,
Morgen wacht ons diepe smart.
Gij waart immer als uw zusje
Lief en zoet in d’ arme kluis;
Morgen vindt gij, voor uw klaasdag,
Zelfs geen kruimel brood in huis.[71]
Gent telde aan het einde van de 18e eeuw maar 50.000 inwoners, maar zag zijn bevolking tijdens de 19e eeuw meer dan verdrievoudigen (157.214 inwoners in 1895[72]). De Gentse katoenindustrie had in de 19e eeuw een enorme opgang gekend en daardoor was Gent uitgegroeid tot ‘The Cotton City’, het Manchester van het continent. De industrie had massa’s plattelandsbewoners naar de stad gelokt.[73] Gent was wellicht de meest proletarische stad van België. Rond het midden van de 19e eeuw was Gent dan ook herschapen in een onleefbare en compleet overbevolkte verzameling van armzalige arbeiderswijken en fabrieken.[74] Gent was te klein: terwijl van 1800 tot 1856 de bebouwde oppervlakte van de stad nauwelijks met 22 procent toenam, steeg de bevolking met 93 procent. De gevolgen konden natuurlijk niet uitblijven en werden in 1843 voor het eerst uitgebreid beschreven door J. Mareska en J. Heyman, twee Gentse geneesheren. Zij voerden in regeringsopdracht een enquête uit in verband met de arbeids,- woon- en levensomstandigheden van de Gentse katoenarbeiders. Ze stelden onthutsende zaken vast: “Mille fois, depuis le commencement de notre enquête, nous nous sommes demandés, comment, pendant 20 ans, tous les jours des impasses nouvelles et de plus en plus dégôutantes ont pu s’ajouter à celles qui existaient déjà sans qu’on ait trouvé le moyen d’empêcher une si indigne spéculation qui compromet la santé et la vie d’une immense partie de nos concitoyens et les détériore jusque dans leurs générations à venir…” Ze gaven een beschrijving van de arbeiderswijk Batavia aan de Blandijnberg. In Gent bestonden er in die periode ongeveer 14000 arbeiderswoningen, waarvan er 3586 in beluikjes of ‘citeetjes’ te vinden waren. Batavia was zo een beluik.[75] De wijk was ongeveer 100 meter lang en 30 meter breed. Batavia bevatte 117 woninkjes verdeeld over vier straatjes die nauwelijks 3 meter breed waren. Drie poortjes gaven toegang tot de wijk. Alle bewoners van Batavia moesten zich behelpen met zes toiletten en twee pompen. Een open riool liep midden door de straatjes. De huisjes waren extreem klein. Ongeveer een vijfde van de huisjes had een verdieping. Deze huisjes werden verhuurd aan 1,63 fr. per week. In de huisjes zonder verdieping werd de ruimte onder de dakpannen gebruikt als slaapkamertje. Deze woningen werden verhuurd aan 1,09 fr. per week.[76] Uit de enquête van Mareska en Heyman bleek ook dat Gent in 1843 53 katoenspinnerijen en –weverijen en negen “indiennerieën” telde met in totaal ongeveer 10000 werknemers, waarvan 6000 mannen en 4000 vrouwen. De werkdagen in de fabriek waren lang: van vijf of half zes ’s morgens tot acht uur ‘s avonds. Er waren meestal twee onderbrekingen van een half uur, naast een onderbreking van een uur voor het middagmaal, voorzien. Gemiddeld werkte men dus 13 uur per dag, ook de zaterdag. Enkel op maandag eindigde de werkdag al om drie uur in de namiddag. Een gemiddelde werkweek telde dus ongeveer 73 uur. Het aantal verlofdagen was zeer beperkt. Enkel op kerkelijke feestdagen, tijdens de Gentse feesten en tijdens het carnaval kregen de arbeiders vrij. De vrije dagen werden niet uitbetaald. De lonen verschilden naargelang het werk:
|
Dagloon |
Minimum |
Maximum |
|
Spinner (grof) |
2,66 |
2,83 |
|
Spinner (fijn) één getouw |
2,00 |
2,33 |
|
Spinner (fijn) twee getouwen |
3,00 |
3,33 |
|
Wever op twee getouwen |
1,77 |
2,05 |
|
Wever op één getouw |
0,88 |
1,32 |
|
Wever: leerjongen |
0,45 |
0,58 |
|
Arbeider |
1,50 |
1,81 |
|
Stoker |
2,50 |
3,12 |
|
Meesterknecht |
3,66 |
5,00 |
|
Vrouwen |
0,90 |
2,05 |
|
Werknemers tussen 12 en 16 jaar |
0,45 |
2,30 |
|
Kinderen onder de twaalf jaar |
0,30 |
0,50 |
Mareska geeft als gemiddeld loon per jaar:
|
Volwassen mannen |
656,08 fr. |
|
Volwassen vrouwen |
383,64 fr. |
|
Kinderen tussen 12 en 16 jaar |
241,00 fr. |
|
Kinderen onder 12 jaar |
114,00 fr. |
Uit het lied, De Vier Getouwen, van Waeri blijkt dat de arbeider verplicht was te werken voor een hongerloontje. Waeri haalt in dit liedje het voorbeeld van de wevers aan. Als de wevers op vier getouwen zouden moeten gaan werken, zou dat betekenen dat de helft van de wevers op straat stond, met nog grotere armoede tot gevolg. Daardoor zouden de werklozen verplicht zijn werk te aanvaarden tegen nog een lager loon. De fabriekseigenaars profiteerden van de dreiging van werkloosheid om goedkope arbeidskrachten te kunnen aanwerven:
“Wanneer men moet op vier getouwen slaven,
Dan valt de helft der wevers zonder brood;
Dan mag die helft straat op straat neder draven,
Tot ’t kwaad gedoemd of tot den hongerdood!
Door ’t nieuwe juk, dat men u op wil dringen,
Zult g’evenmin uw lot verbeterd zien;
D’armoede zal de werkloozen dwingen,
Voor minder loon hun arbeid aan te biên.
Waar eindigt eens d’inhaligheid der rijken,
Wanneer zeggen zij: mijn vraatzucht is voldaan;
Nooit zullen zij d’uitbuitersvlagge strijken
Zoo lang gij kust de roê die u zal slaan.”
Om een juist oordeel over de bovenvermelde lonen te kunnen vellen, geven Mareska en Heyman een overzicht van de uitgaven per week van een gezin bestaande uit vader, moeder en vier kleine kinderen “vivant dans un état très voisin de la misère”:
|
Brood (rogge en tarwe) |
4,62 fr. |
|
Karnemelk |
0,16 fr. |
|
Aardappelen |
2,24 fr. |
|
Rijst |
0,24 fr. |
|
Boter |
2,38 fr. |
|
Meel |
0,08 fr. |
|
Koffie |
0,35 fr. |
|
Ajuin |
0,08 fr. |
|
Cikorei |
0,21 fr. |
|
Onderhoud kleren |
0,80 fr. |
|
Melk |
0,21 fr. |
|
Brandstof en verlichting |
1,00 fr. |
|
Zout |
0,14 fr. |
|
Zeep |
0,22 fr. |
|
Peper |
0,03 fr. |
|
Stijfsel |
0,11 fr. |
|
Azijn |
0,14 fr. |
|
Huishuur |
1,27 fr. |
|
Totaal: |
14,28fr. |
In deze lijst zijn dus geen vlees, fruit, groenten of bier opgenomen. Volgens deze gegevens moest een katoenarbeider dus een jaarlijks inkomen hebben van 742 fr. Daaruit kan men besluiten dat dit bedrag bijna honderd frank hoger is dan het gemiddeld jaarinkomen van een volwassen textielarbeider. Het was dan ook noodzakelijk dat vrouw en kinderen meewerkten. De kleinste tegenslag (ziekte, arbeidsongeval,…) zorgde ervoor dat een gezin met bittere ellende geconfronteerd werd. Over het feit dat kinderen moesten meewerken om het gezinsinkomen aan te vullen, schreef Waeri in Onze Fabrieksmeisjes het volgende:
“Geen droeviger lot dat dit van ’t tenger meisje
Dat ’s morgens vroeg al optrekt naar’t fabriek,
Om dagelijks ’t hernemen ’t zelfde reisje,
Tot ’s avonds laat, zich zwoegend lam en ziek,
Voor de overlast van vader wat te steunen,
Wordt ’t arme kind reeds vroeg der school ontrukt,
Men kan zich om haar toekomst niet bekreunen,
En ’t juk aanvaardt het, diep ter neer gedrukt.”
De arbeiders vertrokken meestal zonder ontbijt naar de fabriek. ’s Middags en ’s avonds aten ze “uitgebreid”. Hun middagmaal bestond uit karnemelkpap of een magere soep met aardappelen en ajuinsaus. Aardappelen en brood waren de ingrediënten van het avondmaal. Daarnaast namen ze ook twee tussenmaaltijden: de eerste om negen uur ’s morgens en de tweede om vier uur in de namiddag. Deze maaltijden bestonden enkel uit boterhammen. Ze dronken er een dunne koffie bij. Van de 1000 mensen die aan de enquête hadden deelgenomen, aten er 187 nooit vlees, 285 eenmaal per week en 377 twee maal per week. Dat vlees was meestal van ronduit slechte kwaliteit. Het besluit van Mareska en Heyman is dan ook dat de voeding van de arbeider totaal niet voldeed.
In een deel van de enquête werden ook de lichamelijke toestand, de ziekten, de zeden en de ontwikkeling van de katoenarbeiders besproken. Een vijfde van de lotelingen te Gent in de jaren 1842, 1843 en 1844 werkten in de katoennijverheid; een derde van de lotelingen in kleine bedrijven. 26,87 % van de Gentse lotelingen werden afgekeurd wegens lichaamsgebreken. Dit is het hoogste percentage van de 11 steden van Oost-Vlaanderen. Voor de hele provincie bedroeg het aantal afgekeurden wegens lichaamsgebreken voor de jaren 1840 tot en met 1844 14,9 %. Het procent afgekeurden te Gent is dus bijna het dubbel van het procent van de provincie. De oorzaak van dit grote verschil moet gezocht worden in de arbeidsvoorwaarden, de slechte behuizing, onvoldoende voeding en de vroege tewerkstelling van kinderen in fabrieken. Dat het werk in de fabrieken zeer ongezond is en zelfs kinderen niet bespaard blijft, blijkt onder andere uit Onze Fabrieksmeisjes:
“Naar de galei, genaamd de vlasfabrieken,
Stuurt men het kind van in zijn prilste jeugd;
…”
“In de fabriek waar ’t meisje staat te slaven.
Den ganschen dag, wordt zij dan nog bespat;
Net als een paard dat door het slijk moet draven,
Met stof en vocht besmeurd en druipend nat,
En na het werk wanneer zij tot verzachting
Zich wascht en kuischt, wijl ’t sluitingsklokje klept,
Kleeft nog aan haar de modder der verachting,
Van hem voor wie zij pracht en rijkdom schept. “
In de enquête beschreef Mareska ook de kledij en woning van de werkman. “Ces cloaques immondes d’invention moderne, qu’on désigne sous le nom d’enclos ou d’impasses et qui nous ont fait connaître l’existence d’une seconde ville dans la ville: d’un côté: de l’air, de l’espace et des provisions de santé, d’un autre côté tout ce qui empoisonne et abrège la vie, l’entassement des maisons et des familles, l’obscurité, l’humidité, l’infection”.[77]
De grote kloof tussen arm en rijk, hier beschreven door dokter Mareska, wordt in de liedjes van Waeri natuurlijk ook regelmatig aangeklaagd. Zo schrijft hij in De Martelaressen der Continues :
“Het zijn de continues die goud steeds moeten scheppen
Voor hem die, ver van daar, in sierlijken salon,
In zijnen zetel ligt. Geen woordje moogt gij reppen,
Die immer met uw zweet fortuinen voor hem won…”
In Het fabrieksmeisje heeft hij het over de grote ongelijkheid die bestaat tussen kinderen van rijken en kinderen van armen:
“ Dikwijls in het kwartje schoftijd
- Wat vervliegt die stond toch snel,-
Zagen wij met bloedend harte
’t Kind ontrukt aan ’t lustig spel.
Voortgezweept om weer te slaven,
’t Drooge brood nog in den mond;
Wijl de kleine des Bestuurders
Zich verlustigt met haar hond…”
Schrijnend is het liedje Klaas Avond waarin een jongetje niet kan begrijpen waarom hij geen speelgoed krijgt en rijke kindjes wel. Hij is nochtans braaf geweest…:
“Moeder, hebt ge dan geen stuiver,
Voor zoo’n kleinen arlekijn,
Moet dan enkel, al dat speelgoed
Voor de rijke kind’ren zijn?
Ach! Lief kind, ik mag niets koopen,
Zusje sterft van hongersnood,
En mijn arme laatste centen
Dienen voor een stukje brood”
Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de talrijke korte verwijzingen naar de grote kloof tussen arm en rijk, die terug te vinden zijn in het oeuvre van Waeri. Karel Waeri zong bijna altijd over de werkmensen, maar een enkele keer heeft hij het toch ook over zijn rijke stadsgenoten. In De Chic beschrijft hij het rijke volkje. Natuurlijk doet hij dat op zijn eigen ironische en scherpe manier. Zoals de priesters en nonnetje zo vaak op de korrel worden genomen in de liedjes van Waeri, krijgt ook hier de chic een veeg uit de pan:
Het lied dat ik hier zal gaan zingen,
’t Is van de kwaal van onze tijd,
Het brengt de pest in alle kringen,
Door klein en groot word het benijdt.
De mode met haar vieze streken,
Die moet ik hier nu gaan bespreken,
De wereld is er van zoo dik,
Dat is de chic, dat is de chic,
Eerst komen de mannen aan de beurt:
G’hebt ook al vele van die heeren;
Die loopen met ‘ne lange frak;
Wanneer zij ’t zondags paradeeren,
Toch zijn z’er mêe op hun gemak.
Zij kunnen er hun sulferstekken,
En hun gelapte broek mee dekken,
Dan schijnen zij nog eens zo dik,
En dat is chic, en dat is chic.
De heeren die zoo frakken dragen,
Vermaken zich met een Lolo;
Dat goedje dat veel houdt van vragen,
C’est toujours un petit cadeau.
Maar als de frak niet meer kan leggen,
Dan zal dat goed hun ook wel zeggen;
La baisse est à l’arithmétique,
Soyez donc chic, soyez donch chic
Over het vrouwelijk volkje heeft hij het volgende te vertellen:
De juffers met die lange slepen,
Verdienen ook wat van de zweep;
Ze trekken goed op oorlogschepen,
Met hier een koord en daar ne reep.
Bezie maar eens hunne botienen,
Ik weet niet waar z’ het gaan verdienen,
Met hielkens van ‘nen vinger dik
En dat is chic, en dat is chic,
Daarbij een witte broek met kanten,
En fijne zijden kouskens aan,
En hoeden als komedianten,
Waarmêe zij maken veel cancan;
Ne rok met honderdduizend plooien,
Daar is veel plaats in voor de vlooien,
‘Nen dod gelijk ’ nen allembiek,
En dat is chic, en dat is chic
…[78]
Waeri lacht in dit liedje met de burgerij, met hun kleren, hun paraderen en hun Franse taal waarmee ze zich van het “gewone volk” willen onderscheiden. Toch spreekt er ook een zekere wrangheid uit dit lied. De kloof tussen arm en rijk was dan ook immens. Burgers en proletariërs leefden samen in dezelfde stad, maar alles werd in het werk gesteld om te voorkomen dat welgestelde burgers in contact moesten komen met arbeiders. De arbeiderswijken lagen liefst zo ver mogelijk van de burgerwoningen, uit angst voor ziekten en epidemieën. De burgerij vermeed zo veel mogelijk dat “gemene volk, hun viezigheid, hun alcoholstank en wilde zeden”. In kerken en treinen waren er verschillende wagons voorzien voor de verschillende klassen. Ieder stand had ook zijn eigen klederdracht waar men zich aan diende te houden. De kledij van de rijken werd hierboven mooi beschreven door Waeri. Voor de arbeidersklasse was het allemaal wat eenvoudiger zich ’s morgens aan te kleden. De mannen hadden hun kiel, klompen en pet en de vrouwen moesten het doen met rok, jak en sjaal. Vele arbeiders schaamden zich over hun armoede, hun lelijke kleding en krotwoningen. Ze waren niet in staat iets aan hun situatie te veranderen en ze leefden dan maar teruggetrokken in hun wijk die ze bijna nooit verlieten. De ellende konden ze maar even vergeten bij een doopsel of huwelijk, dat dan uitgroeide tot een waar gemeenschapsfeest. Vermaak was ook te vinden in de volkse theaterzaaltjes. In het laatste kwart van de 19e eeuw kende het amusementsleven in Gent een grote bloei. Zaaltjes waar men kon dansen of waar concertjes werden gegeven werden alsmaar talrijker. Op feestdagen kon men gaan kijken naar een processie. Hoogtepunten van het gemeenschapsleven waren echter de wijkkermissen.
Rijken kenden een veel comfortabeler bestaan. Hun huizen waren rijkelijk ingericht. Voor ontspanning hadden ze geld en tijd in overvloed. Ze lazen de krant, discussieerden over politiek, gingen naar het casino, naar concerten, naar het theater en de opera. Vaak waren ze lid van clubjes of verenigingen.[79]
De overvloedige weelde van de burgerij contrasteerde dus enorm met het grauwe, ellendige bestaan van het proletariaat. Die tegenstellingen konden niet onbeantwoord blijven en zouden dat ook niet.
De arbeiderswijken werden dan wel weggemoffeld in de achtertuinen van vroegere burgerhuizen of achter burgergevels, maar dat verhinderde niet dat het proletarische karakter van de stad zichtbaar bleef. Na 1860 kwam de burgerij hiertegen in actie, vooral uit angst voor epidemieën en volksopstanden. De burgerij ging over tot de sanering van de stad waardoor de arbeiders meestal in nieuwe wijken aan de periferie terechtkwamen en de burgerij het centrum weer voor zich had. Dit alles werd mogelijk gemaakt door de wet van 1858 op “de onteigening voor het saneren van ongezonde buurten”, later aangevuld met de wet van 1867. Zo kon men door de “ongezonde wijken” nieuwe straten trekken. Het stadsbeeld veranderde door al deze ontwikkelingen volledig: hele arbeiderswijken, middeleeuwse volksbuurten en beluikencomplexen verdwenen systematisch. Zo werd de Bataviawijk in 1881-1882 bijvoorbeeld afgebroken om plaats te maken voor het Instituut der Wetenschappen van de Rijksuniversiteit. Een ander voorbeeld van deze sanering was het grootscheepse Zollikofer-De Vigneplan (1880-1888) van architekt Edmond De Vigne en ingenieur Edouard Zollikofer, dat tot doel had de omgeving van de Nederschelde te saneren en een rechtstreekse verbinding van het stadscentrum naar het Zuidstation te verzekeren.[80] Het nieuwe Zuidstation (gebouwd in 1850) was vanaf de Korenmarkt immers moeilijk bereikbaar. Naar het einde van de 19e eeuw lag het centrum van Gent op de as Korenmarkt-Vrijdagmarkt met als schakel de Lange Munt. De uitvoering van het Zollikofer-plan zou het zwaartepunt verleggen en een nieuw centrum creëren rond het Zuidstation. Ook hygiënische redenen hadden aanleiding gegeven tot het plan. In 1880 begonnen de slopingswerken bij de brug over de Brabantdam. De Oudescheldestraat werd aangelegd die zou uitlopen op de hernieuwde Kuiperskaai. De Vanderdoncktdoorgang bestond reeds sinds 1852, maar werd in 1886 doorgetrokken in de richting van de nieuwe Vlaanderenstraat. Het Hippoliet Lippensplein kwam tot stand op het kruispunt van de Brabantdam en de Vlaanderenstraat. Op het overwelfde deel van de Reep werden de standbeelden van Francois Laurent en Lieven Bauwens opgericht. Omstreeks 1888 was Het Zollikofer-De Vigneplan zo goed als volledig gerealiseerd en was de doorbraak van de binnenstad naar het Zuidstation toe een feit.[81] Karel Waeri schreef een liedje over dit plan: Zollikoffer (sic.). Hij heeft het in dit liedje niet over de technische aspecten van het plan of over de werken, maar wel over de gevolgen die het plan had voor de arbeiders die in de onteigende arbeiderswijken woonden:
Menschen lief wat dingen is dat,
De werkman moet naar buiten,
Dat geuzen gespuis, en is niet pluis,
Ze smijten ’t al in gruis.
Vuile Pauline die kwam gelopen,
Recht naar mijn huis in eene vlucht,
Karel me zullen ’t gaan bekopen,
Hoor ‘ne keer hier, ’t en is geen klucht;
Wij meugen al vertrekken,
Maar zeg eens waar naar toe?
Ze schuppen ons in den nekke,
Nog erger of Malou.
Menschen lief, enz.
Zie dat en kan ik niet verkroppen,
Wat dat ze nu met ons gaan doen.
Heel dat project van d’oliekoppen,
Dat vraagt miljoenen op miljoen;
Ze n’hênt zij maar te pakken,
Ze denken zij, da goed,
Dat ’t geld met heele zakken,
Op onze rugge groeit.
Menschen lief, enz.
Zie ne keer al ons waterstraatjes
En al ons poortjes moeten er aan;
Maar dat en vult bij mij geen gaatjes,
Karel wat zegde gij daarvan?
Gij die zoo goed kunt kloppen
Toe maakt algauw een lied,
Op al die oliekoppen,
Die ons brengen in ’t verdriet.
Menschen lief, enz.
‘K zegge Pauline, ‘k en ben geen boffer,
En ‘k ben met alles licht kontent;
Maar dat ontwerp van Zollikoffer,
Is de verschooninge van Gent.
Dat spel zal ons bedienen,
Gezondheid en gemak,
‘k Geloove ‘t, zei Pauline,
‘k gevoelt in mijnen zak.[82]
…
In de volgende tien stroofjes vertelt Pauline hoe slecht de gedwongen mobiliteit wel niet is voor haar verkoop (Pauline heeft een winkeltje): ze verliest haar klanten en de eetwaren die ze verkoopt, worden slecht. Uit het liedje komt duidelijk naar voor hoe negatief de gevolgen van de verfraaiing van de stad wel niet zijn voor de arbeiders. Uiteindelijk zijn de krotten die zo’n doorn in het oog zijn van de gegoede burgers, wel hun woningen. De arbeiders worden uit hun huisje, uit hun vertrouwde poortje gezet met een heleboel onzekerheid tot gevolg.
Er was nochtans heel wat kritiek over het plan te horen bij sommige leden van de gemeenteraad. Zij vonden dat de realisatie van het plan weinig zou bijdragen tot de rijkdom, welvaart en vitaliteit van de stad. Door woningen te slopen om er andere te bouwen, zou men eerder waarden verliezen dan er nieuwe creëren. Nieuwe wijken zouden nooit de rijkdom van de stad verhogen, enkel het privaatkapitaal. De kritiek werd vanuit liberale hoek echter aan de kant geschoven als “de theorie van de immobiliteit”. Belangrijk was de vooruitgang van de beschaving en daarvoor was meer materiële welvaart noodzakelijk. De sanering en verfraaiing van de steden en hun aanpassing aan de nieuwe eisen van handel en industrie stond daarbij centraal. Brede en rechte straten moesten aangelegd worden om het toenemende verkeer op te vangen. Mooie en grote vitrines moesten worden opgericht opdat handelaars aangespoord zouden worden om betere waren aan te bieden. Alleen op die manier zou Gent kunnen wedijveren met steden als Brussel of Parijs.[83] Met de onzekerheid die de “verschooninge” van Gent voor de arbeider meebracht en die zo duidelijk tot uiting komt in het liedje van Waeri werd bij dit alles geen rekening gehouden. Het illustreert de grote kloof die er bestond tussen arm en rijk in een stad als Gent tijdens de 19e eeuw.
In De blauwen Kiel schetst Karel Waeri een positief beeld van het leven van de werkman:
Wanneer de klok mij ’s morgends komt ontwekken,
Dan spring ik uit mijn legerstêe met spoed,
Ik kleed mij aan om ’t lichaam te bedekken,
Ik neem mijn kiel dat gaat mij toch zoo goed;
Steeds welgezind begeef ik mij aan ’t werken,
Ik ben altijd verheugd en wel gemoed,
In ’t rijkste kleed en vind ik geen behagen,
Mijn blauwen kiel, dat staat den werkman goed.
Als werkmanskind, wierd ik op aard geboren,
Mijn zweet alleen, verschaft mij veel geluk,
Geen rijke pracht kan immer mij bekoren,
Mijn blauwen kiel verdrijft al mijnen druk;
Mijn hart is niet verlekkerd op kasteelen,
’t Is mij gelijk, al wat den rijken doet,
Mijn werk alleen, kan steeds mijn harte streelen.
Mijn blauwen kiel, dat staat den werkman goed.
De week is uit, ik heb mijn loon ontvangen,
Ik loop naar huis, mijn vrouwtje wacht op mij,
Zij drukt een kus, mij zachtjes op de wangen,
Geen mensch op aard heeft meer geluk dan wij.
Dan mag ik ook, een smaaklijk pintje drinken,
Ik kleed mij aan met besten jas en hoed,
Maar ’s anderdaags herneem ik, vol van vreugde,
Mijn blauwen kiel, dat staat den werkman goed.
Een werkmanszoon is in het lot gevallen,
Ziet, hij vertrekt, zijn pakje in de hand,
Hij wordt soldaat, hij wilt zich goed gedragen,
Van korporaal wordt hij welhaast sergeant,
…[84]
Karel Waeri beschrijft in dit liedje de arbeidsvreugde en het huiselijk geluk dat de arbeiders dagelijks mogen meemaken. Uiteraard is dit liedje ironisch bedoeld en men kan zich voorstellen dat het wel de nodige reacties zal uitgelokt hebben. De andere meer sociaal getinte liederen uit de bundel, uitgegeven in 1899, getuigen wel van een andere aanpak. In die liedjes worden de leef- en werkomstandigheden van de negentiende-eeuwse werklieden niet ironisch beschreven zoals dat hier het geval is, maar wordt er door Waeri een exacte, realistische omschrijving van de omstandigheden geven. Deze liedjes zijn natuurlijk al een heel stuk minder rooskleurig.
De Martelaressen der Continues: de titel alleen al maakt duidelijk dat Waeri in dit liedje niet zo’n luchtige toon zal aanslaan. Hij geeft hierin een beeld van de werkomstandigheden in de vlasfabrieken:
Wie in de continues den voet nog nimmer zette,
Geeft zich geen denkbeeld neen, hoe alles steeds daar was.
Het lawaai van de machines, de slechte geur en de dampen die vrijkomen bij het koken van het vlas, maken het werk zwaar, ongezond en gevaarlijk:
Bij ’t raderwerk dat reeds zo menig’ hand verplette
Verpest u nog den geur, den damp van ’t kokend vlas.
Stelt u eens voor den geest ’t geruisch der mekanieken,
Het water, damp en geur, en g’hebt een klein gedacht
Wat groot gevaar er ligt in onze vlasfabrieken,
Hoe menig jonge maagd ten grave werd gebracht.
Waeri klaagt de grote kloof aan die er bestaat tussen arm en rijk:
Het zijn de continues die goud steeds moeten scheppen
Voor hem die, ver van daar, in sierlijken salon,
In zijnen zetel ligt. Geen woordje moogt gij reppen,
Die immer met uw zweet fortuinen voor hem won.
De machines worden nooit stilgelegd. Tenzij het noodlot toeslaat. Ongelukken komen regelmatig voor en worden met gelatenheid onthaald:
Al ’t werk gebeurt daar staâg, ja, onverpoosd al draaien,
’t Is enkel in den nood dat men eens stille legt:
“Een meisje ingedraaid!” dat hoort men dikwijls kraaien,
“’t Is weeral ’t zelfde spel,” meer wordt er niet gezegd.
De rusttijd duurt, zelfs voor de kinderen, nog geen half uur per dag en deze kinderen die op het einde van de week 5 à 6 frank verdienen, zien hun loontje dan nog vaak verminderd worden omwille van onverdiende boetes:
Geen half uur op een dag hebben zij rust, de kindren,
Die dan op ’t eind’ der week ontvangen vijf, zes frank,
Waarvan mijnheer dan nog het loon tracht te vermindren,
Door boeten onverdiend, ziedaar des rijken dank.
Misdadigers in de gevangenis zijn beter af dan de arbeiders:
Wij vragen het aan elk rechtvaardig menschenharte;
Is zulks genoeg om uw behoeften te voldoen?
Misdadigers in ’t gevang die lijden minder smarte
En krijgen voor hun werk het dagelijksch rantsoen
Waeri eindigt zijn lied met de oproep tot de vlasbewerkers om zich te verenigen en het slavenjuk van zich af te leggen:
Waarom langzamerhand te worden doodgemarteld,
Door ’t schaamtelooze ras der rentestrijkerskliek?
Heeft ’t lang genoeg geduurd, dat ge als de paling spartelt
Tusschen der gierenklauw, ô slaven der fabriek?
Op, vlasbewerkers, op! vereenigt uwe krachten!
Neen, geen lamlendigheid, maar moed in onzen strijd.
Laat ons dan onversaagd en fier het juk verachten,
Vereenigt U met spoed, ’t is meer dan den hoogen tijd.
In Onze Fabrieksmeisjes gaat de aandacht van Waeri naar de kinderen die tewerk gesteld werden in de vlasfabrieken:
…
Naar de galei, genaamd de vlasfabrieken,
Stuurt men het kind van in zijn prilste jeugd;
Dat is de wensch der groote politieken,
Wellicht vergeet het zoo den weg der deugd.
Zijn rechtsgevoel zal daar toch nooit ontwaken,
Zoo denkt mijnheer, en houdt het bij de keel;
Toch valt weldra, men kan er staat op maken,
Ontwikkeling der vrijheid haar ten deel.
In de fabriek waar ’t meisje staat te slaven.
Den ganschen dag, wordt zij dan nog bespat;
Net als een paard dat door het slijk moet draven,
Met stof en vocht besmeurd en druipend nat,
En na het werk wanneer zij tot verzachting
Zich wascht en kuischt, wijl ’t sluitingsklokje klept,
Kleeft nog aan haar de modder der verachting,
Van hem voor wie zij pracht en rijkdom schept.
…
De natte spinnerij, waar de vlaswieken gekookt werden om vervolgens gesponnen te kunnen worden, was één van de zwaarste beroepen in de textielnijverheid. De werkomstandigheden in de continuspinnerijen waren mensonterend. De vrouwelijke arbeidsters en de kinderen stonden meestal blootsvoets temidden van dikke dampen. Druppels condensatiewater lekten van het plafond op de kleren van de werksters. Door de spinmolen werd slijk op hun doorweekte kleren geworpen. De hitte, die noodzakelijk was voor de gebruikte spinmethode, schommelde tussen de 39 en 49°. Van veel meisjes en vrouwen werden handen en voeten aangetast door waterkanker, de typische beroepsziekte.[85] Pas rond 1890 werden er in een aantal natte spinnerijen spatborden geplaatst die de spinsters toch gedeeltelijk voor het opspattende water beschermden.
Men kan zich voorstellen dat het werk in de vlasfabrieken een nefaste uitwerking had op de fysieke en psychische gezondheid van de arbeidsters.[86]
In de mechanische vlasspinnerij waren de arbeidsomstandigheden uitermate slecht. In de natte continus zorgde de vochtige hitte voor een ziekmakende arbeidsomgeving. De dampen condenseerden en vielen op de arbeidsters, die vanwege de hitte schaars gekleed waren. Bovendien moesten ze moesten ze voortdurend met de handen in het warme water en slijk werken. Daardoor ontstonden kloven die de tijd niet kregen om te genezen en bijgevolg gingen ontsteken en zweren. De ziekte werd in de volksmond ‘waterkanker’ genoemd en waren in de vlasspinnerij een veel voorkomende kwaal. Allerlei remedies en kwakzalverijen werden uitgeprobeerd om de pijn te bestrijden. De handen werden ingewreven met zalf of men urineerde erop.[87] Virginie Loveling bracht op uitnodiging van Edouard Aseele een bezoek aan een vlasbedrijf. In haar dagboek schrijft ze daarover het volgende neer: “Het hoofd wordt ineens duizelig van het machtig geronk daarbinnen, tenminste voor wie er niet aan gewend is. Alles draait en ronkt en stampt en kraakt in onophoudende bedrijvigheid. Meisjes en vrouwen, meestal jong, met een muts op, waren ieverig aan het werk. Aankomende jongens evenzoo. ‘Hoelang moeten die mensen het hier in die stinklucht uithouden? Tien uren daags. Denken is dat mogelijk hier in al dat geronk? Neen, maar de wevers kunnen dat. Het soort van hun arbeidbrengt dat mede.’ Ik zag een man aan een toestel staan, die niets anders te doen haddan al zijn krachten te gebruiken om een slot klikkend toe en open te draaien. Helaas! Hoe geestdoodend moet zoiets wezen. En nu naar de continus… Meisjes met blode halzen, armen tot aan de oksels naakt, korte rokjes, blode benen en… bloot niet allen maar alles nat, druipend, stonden of sliepen ze daar, in sterk machienengedruisch, aan hun slaventaak bezig. Het oog wordt ook nat bij zulk een hartbrekend schouwspel. ‘De hel’ had Anseele gezeid… Ja, het was de hel in al haar akeligheid.[88]”
In Het fabrieksmeisje stelt Karel Waeri de kinderarbeid centraal. Hij heeft het in dit lied over een meisje van twaalf jaar oud dat voor een hongerloontje dagelijks wel twaalf uur moet zwoegen. Waeri schrijft ook over de verveling die het eentonige werk in de fabrieken met zich meebrengt:
Tot verzet en tot ontspanning
Ziet het kind den ganschen dag
Niets dan ruwe, dikke muren,
Ruiten waar men nooit door zag
Voorts, Dat steeds vervelend draaien,
Slaan van riemen, rad en wiel;
Neen, geen wonder dat reeds menig
Tenger meisje in stuipen viel.
Het fabriekswerk ontneemt kinderen hun recht op een zorgeloos bestaan onder het toeziend oog van een zorgzame moeder…:
Dikwijls in het kwartje schoftijd
- Wat vervliegt die stond toch snel,-
Zagen wij met bloedend harte
’t Kind ontrukt aan ’t lustig spel.
Voortgezweept om weer te slaven,
’t Drooge brood nog in den mond;
Wijl de kleine des bestuurders
Zich verlustigt met haar hond.
Integendeel, de kinderen die het ongeluk hebben gehad geboren te worden in een arbeidersgezin, moeten zwoegen in plaats van spelen. In de fabrieken worden ze uitgescholden en soms zelfs mishandeld:
Bij gebrek aan moederzorgen
Wordt het onervaren kind,
Dat bij ’t eindelooze zwoegen
Voor mijnheer millioenen wint.
Op den hoop toe uitgescholden,
Wreed beleedigd, ja, nog meer;
Hoe het somtijds wordt mishandeld
Neen, dat schrijf ik hier niet neer. [89]
Waeri laat het ook niet na de arbeiders met zijn liedje aan te zetten tot verzet tegen wantoestanden zoals kinderarbeid en zich samen te keren tegen de onderdrukkers:
Volgt het voorbeeld der verdrukkers,
Weest vereenigd, onvermoeid,
Allen wien nog onverbasterd
Werkersbloed door de ad’ren vloeit.
De vereenigden zijn machtig,
Eendracht maakt ons kloek en sterk.
Zo verkrijgen wij, wees zeker,
Allen welstand door het werk.
En gij, Moeders, helpt ons mede
’t Heil betrachten van uw kroost,
Dat het spoedig uit de klauwen
Der tirannen zij verlost. In ons midden zal het leeren
Hoe men met vereende kracht
Alle juk weet af te schudden
Onder welk men ons versmacht.
In Het Fabrieksmeisje wijst Waeri de toehoorder vooral op de psychologische druk waarmee een kind, dat in de fabriek werkt, geconfronteerd wordt. Een kind dat op jonge leeftijd al naar de fabriek wordt gestuurd, heeft niet het zorgeloze leventje dat het normaal zou hebben. Het gebrek aan onderwijs, het gebrek aan ontspanning en de verveling, veroorzaakt door het eentonige fabriekswerk, hebben natuurlijk een nefaste invloed op de intellectuele en persoonlijke ontwikkeling van zo een kind. Daar komt dan nog eens bij dat de kinderen niet kunnen rekenen op de zorgen van hun moeder en in de fabrieken het slachtoffer worden van beledigingen en soms zelfs mishandeling. In het liedje Onze Fabrieksmeisjes legt Waeri dan weer meer de nadruk op de lichamelijke gevolgen van het fabriekswerk:
Geen droeviger lot dan dit van ’t tenger meisje