Kanegem (1647-1797). Een historisch-demografische studie van een West-Vlaamse plattelandsgemeenschap. (Birger De Coninck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II: Bevolkingsevolutie en Gedragspatronen

 

Hoofdstuk 3 - Natuurlijk en reëel accres (1715-1797)

 

§ 1. Natuurlijk accres

 

Door het voorgaande hebben we al een vrij goed beeld gekregen van de evolutie van de Kanegemse bevolking in het algemeen en de evolutie van de concepties, huwelijken en overlijdens in het bijzonder. Nu zullen we stilstaan bij de aangroei van de bevolking - het accres. Dat accres kan op twee manieren benaderd worden: via het natuurlijk accres of via het reëel accres. Onder het natuurlijk accres verstaan we het verschil tussen geboorten en overlijdens in een bepaalde periode. De bronnen hiervoor zijn uiteraard de parochieregisters. Het reëel accres daarentegen is het verschil tussen twee bevolkingscijfers, die verkregen worden uit statische bronnen. Daarna kunnen het natuurlijk en reëel accres met elkaar vergeleken worden om te achterhalen of Kanegem een immigratiesaldo, dan wel een emigratiedeficiet kende.

 

Maar eerst zullen we dus stilstaan bij het natuurlijk accres. Hier volstaat het het aantal geboorten en overlijdens in subperiodes bijeen te brengen en het verschil te berekenen. Dat werd gedaan in tabel 23. Vooraf moeten we echter opmerken dat het accres - zowel het natuurlijk als het reëel - slechts kon berekend worden vanaf ca. 1715, aangezien de kwaliteit van de sterftecijfers van voor dat jaar allesbehalve betrouwbaar is.

 

Tabel 23 - Natuurlijk accres (1715-1794)

 

Periode

 

Geboorten

 

Overlijdens

 

Accres

 

1715-1724

 

418

 

283

 

135

 

1725-1734

 

373

 

285

 

88

 

1735-1744

 

362

 

287

 

75

 

1745-1754

 

429

 

346

 

83

 

1755-1764

 

511

 

348

 

163

 

1765-1774

 

594

 

384

 

210

 

1775-1784

 

546

 

424

 

122

 

1785-1794

 

649

 

460

 

189

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1715-1794

 

3882

 

2817

 

1065

 

Uit deze tabel blijkt nogmaals overduidelijk dat de 18e eeuw volkomen terecht de eeuw van de Demografische Revolutie is. Van 1715 tot 1794 kende Kanegem een geboortenoverschot van maar liefst 1065 personen! Eerdere vaststellingen komen in deze cijfers opnieuw naar boven: de aangroei was eerst matig tot 1754, maar daarna volgde een sterke bevolkingsstijging, hoofdzakelijk door een toename van de geboorten. De sterftes konden er in de tweede helft van de 18e eeuw dan ook geen gelijke tred mee houden en moesten terrein prijsgeven. Heel oppervlakkig toont deze tabel dus ook aan dat de impact van de overlijdens sterk afgenomen was. Toch zijn deze cijfers op zich niet veelzeggend. Daarvoor moet gekeken worden naar het reëel accres.

 

§ 2. Reëel accres

 

In de vorige paragraaf stelden we vast dat Kanegem tussen 1715 en 1794 een natuurlijk accres kende van 1065 personen. In werkelijkheid groeide de bevolking echter niet met meer dan 1000 eenheden aan. Dat leren we uit het reëel accres. Via de statische bronnen zijn we immers in staat na te gaan hoe de bevolking in de 18e eeuw écht evolueerde[1]. Zo leert tabel 24 ons dat de Kanegemse bevolking tussen 1715 en 1796 met 554 mensen aangroeide, terwijl het natuurlijk accres voor die periode 1118 personen behelst.

 

De verklaring voor dit aanzienlijke verschil ligt uiteraard in de migratie: zowat de helft van het geboortenoverschot werd uitgestoten. Tussen 1715 en 1796 bedroeg het emigratiedeficiet maar liefst 564. Als we het aantal emigranten per jaar berekenen, zien we in de eerste helft van de 18e eeuw gemiddeld 6,65 Kanegemnaren per jaar vertrekken. Tussen 1745 en 1765 neemt dat aantal af tot 4,24 en in de periode 1765-1773 tellen we slechts 0,56 emigranten per jaar. Samen met het hoge natuurlijke accres - het gevolg van een ware geboortenexplosie - zorgt dit fenomeen ervoor dat de Kanegemse bevolking vooral in de jaren '60 van de 18e eeuw een sterke groei kende. Daarmee werd waarschijnlijk een plafond bereikt: tussen 1773 en 1796 zien we maar liefst 9,73 emigranten per jaar!

 

Tabel 24 - Reëel accres en emigratie

 

Periode

 

Natuurlijk accres

 

Reëel accres

 

Emigratie

 

Emigranten/jaar

 

1715-1745

 

295

 

89

 

206

 

6,65

 

1745-1765

 

255

 

166

 

89

 

4,24

 

1765-1773

 

193

 

188

 

5

 

0,56

 

1773-1796

 

408

 

155

 

253

 

9,73

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1715-1796

 

1118

 

554

 

564

 

6,88

 

Het feit dat Kanegem een grote emigratie kende in de 18e eeuw is vrij normaal. In het Ancien Régime was er immers een belangrijk onderscheid tussen het platteland - in casu de dorpen - en de steden. Op het platteland was er vaak een geboortenoverschot dat uitgestoten werd naar de steden. Deze laatsten kenden een geboortentekort en hun bevolking bleef slechts op peil dankzij de plattelandsimmigranten. De bevolkingssurplussen op het platteland - en dan vooral het vrouwelijk dienstpersoneel - waren dus de push-factoren die het teveel aan mensen naar de steden dreef. In die steden lagen de sterftencijfers boven het aantal geboorten, waar-door men van villes tombeaux spreekt[2]. Dit fenomeen - de uitstoot van het bevolkingssurplus door dorpen - werd o.a. ook in Anzegem vastgesteld door L. Wante. Bovendien stelde ook hij vast dat de emigratie het laagst was in het midden van de 18e eeuw[3].

 

 

Hoofdstuk 4 - De brutocoëfficiënten

 

 

Met de brutocoëfficiënten wordt het aantal geboorten, huwelijken en overlijdens per jaar en per duizend inwoners uitgedrukt. Ter vergelijking geven we eerst eens de brutocoëfficiënten van het huidige België[4]. De cijfers slaan op 1995:

 

- brutogeboortecoëfficiënt:       11,28 ‰

- brutosterftecoëfficiënt:            10,32 ‰

- brutohuwelijkscoëfficiënt:         5,07 ‰

 

Hoewel deze cijfers al veelzeggend genoeg zijn, geven we toch nog wat duiding. In 1995 werden er per duizend Belgen gemiddeld 11,28 kinderen geboren, terwijl er 10,32 Belgen stierven. Er was m.a.w. een natuurlijk accres van 0,96 ‰ of ca. 9600 personen. Per duizend Belgen huwden er in 1995 gemiddeld 5,07. Met deze hedendaagse, westerse gegevens in het achterhoofd zullen we nu deze coëfficiënten berekenen voor Kanegem in de 17e-18e eeuw. Belangrijkste vereiste is evenwel dat we beschikken over betrouwbare bevolkingscijfers, wat uiteraard geen sinecure is.

 

§ 1. Brutogeboortecoëfficiënten

 

Om de Kanegemse brutogeboortecoëfficiënten in de 17e en 18e eeuw te berekenen, doen we beroep op zowel lopende als statische bronnen. Door de gegevens uit de parochieregisters kennen we het jaarlijks aantal geboorten, terwijl de statische bronnen (communicantencijfers, status animarum, volkstellingen,...) ons een beeld opleveren van de bevolkingsomvang en de evolutie ervan. In onderstaande grafiek volgen we zowel de jaarlijkse evolutie als de gemiddelde evolutie[5] van de brutogeboortecoëfficiënten. Meteen valt op dat de brutocoëfficiënten grote jaarlijkse schommelingen vertonen. Uiteraard is dit geheel afhankelijk van het aantal geboortes dat in een bepaald jaar plaatsvindt. Door echter de gegevens te groeperen, verkrijgen we een beter beeld van de evolutie van de brutogeboortecoëfficiënten. Tot ca. 1670 liggen de coëfficiënten op een vrij constant, hoog niveau (45 ‰). Daarna zien we een sterke daling, met 1677 als dieptepunt (34 ‰). Na een periode van herstel zien we rond 1695 opnieuw een dal. Hierbij weze wel opgemerkt dat de gegevens van 1694-1695 niet kunnen gebruikt worden voor het berekenen van de brutogeboortecoëfficiënten, aangezien die jaren een onderregistratie van de geboortes kenden[6]. Na de crisis van de jaren 1690 treedt er opnieuw een herstel op, maar na 1705 treedt er een duidelijk dalende tendens in tot 1745. In dat jaar noteren we voor Kanegem een brutogeboortecoëfficiënt van 33 ‰. De daaropvolgende twintig jaar stijgen de Kanegemse geboortecoëfficiënten opnieuw om rond 1765 een piek van ca. 46 ‰ te bereiken. Daarna zien we opnieuw een dalende lijn tot 1775-1780, waarna de curve weer stijgt. Het gemiddelde geboortecoëfficiënt over de hele periode bedroeg ca. 40 ‰, wat perfect overeenkomt met de algemene opvattingen en bevindingen voor deze periode.

 

 

Het feit dat de jaarlijkse schommelingen zó uitgesproken zijn, is geheel normaal te noemen. De stijging van de geboortecoëfficiënten in de tweede helft van de 18e eeuw is echter minder normaal. C. Vandenbroeke schrijft over deze twee fenomenen het volgende: “Niet alleen komen de soms belangrijke schommelingen per periode tot uiting in dit overzicht, minstens even belangrijk is de dalende trend die op langere termijn onderkend wordt”[7]. Voor Kanegem stellen we dus het tegenovergestelde vast: de curve daalt niet in de tweede helft van de 18e eeuw, integendeel. In grafiek 23 kunnen we beide curves met elkaar vergelijken. De algemene gegevens werden geput uit de tabel van C. Vandenbroeke[8]. We kunnen duidelijk vaststellen dat het geboortecoëfficiënt van Kanegem in de late 17e eeuw beduidend lager ligt dan het algemene gemiddelde. Verder constateren we dat de algemene curve tussen 1710 en 1730 oploopt, terwijl die van Kanegem daalt. Vanaf de jaren 1740 zien we dan weer een omgekeerde beweging: het coëfficiënt van Kanegem stijgt, terwijl de algemene coëfficiënt daalt, waardoor de curve van Kanegem rond 1750 boven die van het Vlaamse gemiddelde gaat. Desalniettemin mogen we toch een belangrijke conclusie trekken: steeds ligt het brutogeboortecoëfficiënt rond de 40 ‰. Tot ca. 1670 bereikte men zelfs pieken die dicht bij de 50 ‰ lagen. Slechts in het decennium van 1760 tot 1770 werden deze waarden opnieuw genoteerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Kanegemse bevolking vooral in deze jaren sterk groeide. Een afdoende verklaring voor het bewegen van de Kanegemse curve hebben we echter niet. Werden er in de eerste helft van de 18e eeuw bewust minder kinderen gebaard? Of moeten we denken aan een oudere leeftijdsstructuur van de bevolking? En geldt dan het tegenovergestelde voor de periode 1750-        1770? Een eenvoudig antwoord is er jammer genoeg niet! Ten slotte dit nog:  tussen 1650 en 1800 lag het brutogeboortecoëfficiënt (ca. 40 ‰) maar liefst vier keer hoger dan het nu bedraagt (ca. 11 ‰). Uiteraard heeft ons hedendaags cijfer alles te maken met een quasi absolute geboortencontrole en -regeling.

 

 

§ 2. Brutohuwelijkscoëfficiënten

 

Ook de brutohuwelijkscoëfficiënten worden berekend door een combinatie van lopende en statische bronnen en net als bij de brutogeboortecoëfficiënten valt ook hier op dat er enorme schommelingen zijn. Grafiek 24 maakt dat overduidelijk. Om toch een trend te kunnen ontwaren, hebben we ook hier een curve van de gemiddelde huwelijkscoëfficiënten berekend. Wat meteen opvalt, is het feit dat de huwelijkscoëfficiënten zich op een veel lager niveau bevinden dan de geboortecoëfficiënten: gemiddeld liggen ze om en bij de 8 à 9 ‰.

 

 

Dit gemiddeld cijfer (8 à 9 ‰) komt enorm goed overeen met de algemene gegevens. Zo schreef Louis Henry in 1967 het volgende: "Pour le passé, on peut citer le taux de nuptialité de la France vers 1780, 8,8 pour 1000."[9] Dit geldt echter ook voor onze regio's: "Kenmerkend voor deze coëfficiënt is vooral het feit dat die zich - in tegenstelling tot de relatieve cijfers van de geboorten en de sterften - over langere termijn weet te stabiliseren rond 7 à 10 per duizend."[10] Dat laatste wordt ook voor Kanegem duidelijk in grafiek 24: over lange termijn beschouwd, blijven de huwelijkscoëfficiënten vrij constant. Dat neemt niet weg dat de jaarschommelingen enorm kunnen zijn. Reeds hoger werd daarop gewezen[11]! Ook C. Vandenbroeke wijst terecht op dit fenomeen: "Over middellange termijn (cfr. de situatie in Vlaanderen tussen 1700 en 1850) en dan zeker over korte termijn kunnen de huwelijkscijfers enorme schommelingen vertonen. Met name geldt dit bij politieke en sociaal-economische verwikkelingen"[12]. De dallen op grafiek 24 vallen dan ook vaak samen met crisisjaren, terwijl de pieken er veelal op wijzen dat het ergste leed geleden is en men optimistischer is over de toekomst. Toch moeten we nog even stil staan bij een andere vaststelling: in de 17e eeuw lijken de brutohuwelijkscoëfficiënten iets hoger te liggen dan in de 18e eeuw, waarin ze immers een licht dalende tendens vertonen. Maar ook dat strookt met de algemene lijnen[13]. Een belangrijke verklaring hiervoor vinden we in de leeftijdsopbouw van de bevolking: in de 18e eeuw is die anders dan in de 17e eeuw. Bovendien kan gewezen worden op de toename van het definitieve celibaat, waardoor de brutohuwelijkscoëfficiënt lager uitvalt. Desalniettemin mogen we besluiten dat de (gemiddelde) huwelijkscoëfficiënten vrij constant waren.

 

§ 3. Brutosterftecoëfficiënten

 

De laatste brutocoëfficiënt is die van de sterftes. We hebben er reeds veelvuldig op gewezen dat de sterftegegevens in de parochieregisters tot ca. 1715 veel te wensen over laten: er is sprake van een quasi constante onderregistratie, waardoor het aantal sterftes tot omstreeks 1715 onderschat wordt. Bovendien is er van 1695 tot 1699 een lacune van vijf jaar. De gevolgen hiervan worden ook weerspiegeld in de brutosterftecoëfficiënten. Op grafiek 25 zien we niet alleen de lacune, maar worden we ook geconfronteerd met lage (gemiddelde) brutosterftecoëfficiënten tot ca. 1715. We mogen immers aannemen dat de sterfte in de 17e eeuw zeker niet lager lag dan die in de 18e eeuw. Bovendien wordt algemeen aanvaard dat de brutosterftecoëfficiënten zich in het Ancien Régime tussen 25 en 30 ‰ situeerden[14]. Daarnaast zou de 18e eeuw iets lagere cijfers moeten vertonen dan de 17e eeuw. Op de onderstaande grafiek kunnen we echter een totaal tegenovergesteld beeld aflezen. We kunnen dan ook niet anders dan besluiten dat de brutosterftecoëfficiënten pas vanaf 1715 bruikbaar zijn! Dan komen we tot de slotsom dat de Kanegemse sterftes in niets afwijken van de algemene gemiddeldes. Zo schreef L. Henry over de grootte van de brutosterftecoëfficiënten: "on peut le situer vers 30 pour 1000 pour les populations européennes anciennes."[15] Ook de 18e-eeuwse Kanegemse brutosterftecoëfficiënten vertonen die orde van grootte...

Net als voor de andere brutocoëfficiënten, kunnen we ook hier wijzen op de enorme schommelingen van de jaarlijkse brutosterftecoëfficiënten. De pieken duiden vanzelfsprekend op crisisjaren, die reeds uitgebreid aan bod kwamen. De hoogste toppen representeren de crisissen van 1694-1695 en die van 1794. Maar ook andere pieken wijzen crisisjaren aan. Wat eveneens opvalt, is het feit dat de zgn. "daljaren" na 1715 nog hoger liggen dan de gemiddelde curve in de 17e eeuw, wat er nogmaals op wijst dat deze laatste een onbetrouwbaar beeld oplevert. Uit deze gegevens kunnen we dan ook weinig besluiten, behalve vaststellen dat de sterftes op een vrij hoog niveau lagen en zo het hoge aantal geboortes - en bijgevolg de bevolkingsgroei - intoomden. Ondanks de slechte kwaliteit van onze bronnen, mogen we toch stellen dat de brutosterftecoëfficiënten in Kanegem met een grootte van 25 à 30 ‰ normaal waren.

 

 

§ 4. Besluit

 

Als we even afstand nemen van de - vaak enorme - jaarlijkse schommelingen van zowel de brutogeboorte- als van de brutohuwelijks- en brutosterftecoëfficiënten, dan verkrijgen we een duidelijk beeld van de orde van grootte van de drie coëfficiënten. De brutogeboortecoëfficiënten bewegen zich rond de 40 ‰, waarbij de 17e-eeuwse waarden gemiddeld iets hoger liggen dan de 18e-eeuwse. De brutohuwelijkscoëfficiënten bereiken een bijna constant niveau van 8 à 9 ‰. Opvallend daar zijn de hoge waarden tussen 1655 en 1665. Toch wordt men getroffen door het feit dat deze coëfficiënt eigenlijk weinig schommelt. De brutosterftecoëfficiënten ten slotte kunnen - door de slechte kwaliteit van de begrafenisregisters - pas vanaf ca. 1715 in beschouwing genomen worden. Dan moeten we concluderen dat ook deze coëfficiënt een zekere trend kent: gemiddeld schommelen de brutosterftecoëfficiënten tussen 25 en 30 ‰. Vergelijkingen tussen de 17e en de 18e eeuw zijn echter niet mogelijk voor Kanegem, daar de bronnen ons in de steek laten. In grafiek 26 werden de drie brutocoëfficiënten samengebracht: ze geven een goed beeld van de evolutie van ca. 1650 tot 1800. De hierboven vermelde vaststellingen worden erin gevisualiseerd. Eigenlijk mag men bij het "lezen" van deze grafiek geen rekening houden met de sterftecurve tot 1715, aangezien men zou kunnen denken dat de aangroei van de bevolking in de 17e eeuw veel sterker was dan in de 18e eeuw. Reeds eerder wezen we erop dat er pas in de 18e eeuw een échte bevolkingsexplosie plaatsgreep. Indien men echter afging op grafiek 26, zou men geloven dat - door de grote kloof tussen geboorten en sterftes - er in de 17e eeuw een demografische revolutie plaatsgevonden heeft. Niets is dus minder waar!

 

 

Tot slot vergelijken we de Kanegemse gegevens van 1650 tot 1800 met de hedendaagse Belgische, waarmee we dit hoofdstuk begonnnen waren. In de loop van de 19e en 20e eeuw zijn zowel de brutogeboorte- als de brutosterftecoëfficiënten spectaculair gedaald. Waar de brutogeboortecoëfficiënten in de 18e eeuw nog 40 ‰ bedroegen, bereiken ze nu nog slechts 11,3 ‰, terwijl de brutosterftecoëfficiënten gezakt zijn van 25 à 30 ‰ tot 10,3 ‰. Aangezien de sterftes eerst in aantal afnamen - door het verdwijnen van zware demografische crisissen - kon de bevolking sterk toenemen. Pas in de loop van de 19e en 20e eeuw kregen de geboortes een ferme knauw, het gevolg van een steeds grotere controle over de vruchtbaarheid via anticonceptie én gezinsplanning. In de hedendaagse Derde Wereld-landen heeft men ook te kampen met dit fenomeen: terwijl de sterfte meer en meer onder controle gebracht wordt, blijven de geboortes op een hoog peil! Het gebruik van anticonceptiva lijkt dan ook meer dan aangewezen in dergelijke landen en regio's. Deze constataties staan in schril contrast met onze Vlaamse situatie[16]. De brutohuwelijkscoëfficiënten ten slotte zijn minder gedaald: waar ze in de 17e-18e eeuw 8 à 9 ‰ bedroegen, haalden ze in het België van 1995 nog een niveau van 5,1 ‰. Toch ziet het er naar uit dat ook deze coëfficiënt verder zal afnemen. Dat is een gevolg van het ongehuwd samenwonen van steeds meer mensen: hetzij definitief, hetzij als proefperiode voor het huwelijk, dat dus uitgesteld wordt - wat dan weer tot afstel kan leiden...

 

 

Hoofdstuk 5 - De seizoensschommelingen

 

Een volgend luik van het externe onderzoek via de lopende bronnen betreft de studie van de seizoensschommelingen, waarmee een seizoensgebonden, ritmisch en cyclisch leefpatroon aangeduid wordt[17]. In tegenstelling tot de vorige hoofdstukken, worden de vital facts (geboortes/concepties, huwelijken en overlijdens) hier niet per jaar, maar per maand bekeken.

 

Tot de Industriële Revolutie was de mens bijna compleet afhankelijk van de natuur. Het is dan ook logisch dat het levensritme van de mens uit het Ancien Régime parallel liep aan het leefritme van de natuur en de schommelingen van de seizoenen. Zo was Kanegem in het Ancien Régime hoofdzakelijk een landbouwersgemeenschap, die meeleefde met de seizoenen. Tijdens de lente ploegde men de akkers en zaaide men de velden. In de zomer werden alle werkkrachten ingezet voor de oogst: de lange dagen werden voornamelijk op het veld doorgebracht, waarbij iedereen moest meewerken en dit vaak vanaf jonge leeftijd. De herfst was het uitgelezen seizoen voor de verwerking en bewaring van de oogst. Traditioneel was november de slachtmaand. Tijdens de dode, kille en donkere wintermaanden trachtte men met weven en spinnen een stuiver bij te verdienen. Net als de seizoenen kwam dit levensritme elk jaar terug. In dit hoofdstuk zullen we zien dat deze verbondenheid met de natuur ook een weerslag had op het jaarlijks verloop van geboortes/concepties, huwelijken en overlijdens.

 

Om een evolutie in de tijd te kunnen nagaan, werd de onderzochte periode (ca. 1650-1800) verdeeld in drie subperiodes van ongeveer 50 jaar. Telkens werd ook een curve berekend voor de periode als geheel. Per maand werden de totalen van geboortes/concepties, huwelijken en overlijdens berekend. Die som werd vervolgens gedeeld door het aantal dagen van de respectievelijke maanden, waarbij februari gemiddeld 28,25 dagen telt[18]. De bekomen quotiënten werden op hun beurt opgeteld. De hieruit voortvloeiende som stelden we gelijk aan 1200, hetzij 100 punten per maand. Per maand werden zo de indices berekend - de daggemiddelden werden vermenigvuldigd met dezelfde factor als die waarmee de som der daggemiddelden vermenigvuldigd was om 1200 te bekomen. De indices vormen relatieve waarden, uitgedrukt ten opzichte van 100: wanneer de index hoger is dan 100, zijn er dus relatief meer geboortes/concepties, huwelijken en overlijdens dan gemiddeld, terwijl het omgekeerde geldt als de index lager ligt dan 100. Deze methode werd reeds voorgeschreven door M. Fleury en L. Henry[19] en werd de afgelopen decennia steevast gevolgd, waardoor vergelijkingen met andere lokaliteiten voor dezelfde periode mogelijk zijn. Daarom werd deze methode ook hier gevolgd, ook al omdat ze haar deugdelijkheid bewezen heeft.

 

§ 1. De geboortes en concepties

 

Wanneer we de seizoensschommeling van de geboortes nagaan, denken we automatisch ook aan de concepties. In tabel 25 werden de indices van de geboortes - verspreid over de drie subperiodes én de gehele periode - samengebracht. Daarin wordt meteen duidelijk dat de meeste geboortes plaatsvonden in de winter: februari en maart zijn echte piekmaanden. Daarnaast valt ook op dat er tijdens de zomermaanden juni-juli-augustus-september weinig kinderen ter wereld kwamen.

 

Tabel 25 - Seizoensschommelingen van de geboortes te Kanegem, 1648-1796

 

 

 

J

 

F

 

M

 

A

 

M

 

J

 

J

 

A

 

S

 

O

 

N

 

D

 

1648-1697

 

121

 

163

 

150

 

134

 

87

 

78

 

69

 

77

 

76

 

78

 

81

 

87

 

1698-1747

 

110

 

117

 

139

 

119

 

94

 

84

 

79

 

89

 

79

 

100

 

83

 

108

 

1748-1796

 

110

 

130

 

121

 

96

 

86

 

88

 

79

 

84

 

92

 

95

 

106

 

112

 

1648-1796

 

113

 

134

 

134

 

112

 

88

 

84

 

76

 

84

 

84

 

92

 

93

 

105

 

Deze vaststellingen worden nog duidelijker als we de cijfers van tabel 25 visualiseren. Grafiek 27 weerspiegelt de schommelingen van de seizoenen perfect. Bovendien kunnen we ook nagaan hoe de seizoensschommeling van de geboortes evolueerde tussen 1648 en 1796. Terwijl de tweede helft van de 17e eeuw nog een zéér sterke maandschommeling vertoont met zéér hoge pieken in februari-maart en lage indices in de zomer, zien we in de tweede helft van de 18e eeuw een vlakkere curve. Er is m.a.w. een begin van nivellering waar te nemen, die vandaag zowat voltooid lijkt te zijn. Dit fenomeen werd ook al vastgesteld voor andere lokaliteiten[20].

 

 

Het feit dat er in de maanden januari-april veel geboortes voorkomen, is volkomen normaal. Zo schrijft C. Vandenbroeke bijvoorbeeld: "Specifiek voor de spreiding der geboorten worden aldus de hoogste frekwenties waargenomen voor de maanden januari-april en september-december"[21]. Dat laatste feit stellen we echter niet vast in Kanegem: de maanden september-december bereiken bijlange niet het niveau van de echte piekmaanden. Eigenlijk dienen ze als overgangsperiode beschouwd te worden tussen de zgn. dalmaanden en de piekmaanden. Ook L. Wante beschouwde de periode september-december niet als piekmaanden en ook hij wees erop dat dit - wat Anzegem betrof - niet strookte met de bevindingen van C. Vandenbroeke[22].

 

Aan de basis van deze schommeling van de geboortes liggen uiteraard de concepties. Daarom is het bijzonder interessant om na te gaan welke maanden het grootste aantal en welke het kleinste aantal concepties kenden. Tabel 26 geeft de indices weer voor de respectievelijke maanden gedurende zowel de gehele periode als de drie subperiodes. Aangezien de indices van de geboortes eigenlijk een afgeleide zijn van die van de concepties, veranderen de waarden eigenlijk niet, maar horen ze nu bij andere maanden thuis. Meteen wordt duidelijk dat de meeste concepties plaatsvonden tijdens de maanden april-juli, met mei en juni als piekmaanden, terwijl de periode augustus-december een dal kende.

 

Tabel 26 - Seizoensschommelingen van de concepties te Kanegem (1648-1796)

 

 

 

J

 

F

 

M

 

A

 

M

 

J

 

J

 

A

 

S

 

O

 

N

 

D