Kanegem (1647-1797). Een historisch-demografische studie van een West-Vlaamse plattelandsgemeenschap. (Birger De Coninck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel II: Bevolkingsevolutie en Gedragspatronen

 

Hoofdstuk 1 - De bevolkingsevolutie (1450-2000)

 

In dit tweede deel zal hoofdzakelijk gebruik gemaakt worden van de lopende bronnen, zijnde de parochieregisters. Alvorens tot de externe verwerking ervan over te gaan, bekijken we in dit eerste hoofdstuk de bevolkingsevolutie van Kanegem op basis van de statische bronnen. Daarbij zullen we dus gebruik maken van fiscale bronnen (haardtellingen en penningkohieren), militaire bronnen (weerbare mannen) en religieuze bronnen (communicantencijfers en Status Animarum) voor het Ancien Régime en van demografische gegevens uit de Franse Periode en van na 1830, toen België onafhankelijk geworden was.

 

Zoals in de titel van dit hoofdstuk wordt gesteld, zullen we niet alleen proberen de bevolkingsevolutie van Kanegem tussen 1450 en 2000 te beschrijven, maar ze ook te verklaren. Op het eerste zicht zou men kunnen denken dat de bevolkingsevolutie reconstrueren weinig problemen kan opleveren. Niets is echter minder waar: we zijn immers sterk afhankelijk van de bronnen. Kwantitatief betekent dit dat de frequentie van voorkomen van informatie ons onderzoek enorm zal bepalen. Sommige periodes kenmerken zich immers door een gebrek of afwezigheid van bronnen. Maar ook de kwaliteit van de gegevens kan ons beeld vertekenen. Zaak is dus kritisch om te gaan met het soms weinig voor handen zijnde materiaal. Naast het beschrijvende deel, is het ook de bedoeling het geconstrueerde beeld te interpreteren en te verklaren. Dit zal gebeuren op basis van de algemeen geldende opvattingen en door de verkregen cijfers in hun historische context te interpreteren. Dat het interpreteren en verklaren van gegevens gevaren inhoudt, hoeft niet benadrukt! Toch is dit onderdeel onontbeerlijk voor een historische studie die beweert wetenschappelijk te werk te gaan.

 

Tussen 1450 en 2000 beschikken we voor 62 jaren over bevolkingsgegevens. Zoals reeds vermeld, loopt de aard van de bronnen sterk uiteen. In bijlage 3 geven we de volledige lijst weer met vermelding van het jaartal, het - al dan niet berekend - bevolkingscijfer, de bron en de vindplaats van het gegeven[1]. Onmiddellijk valt op dat vooral de communicantencijfers de belangrijkste bron van informatie zijn in de 17e en 18e eeuw. Vanaf de Franse Tijd zijn de cijfers afkomstig van de burgerlijke overheid. Voor een bespreking van de bronnen verwijzen we naar het vorige deel[2]. In grafiek 4 werden de gegevens uit bijlage 3 verwerkt. Vooraf moeten we echter opmerken dat het om een gereconstrueerd bevolkingsverloop gaat. Dit betekent dat de afgebeelde evolutie slechts een mogelijk beeld geeft van de loop van de bevolking. Sommige periodes worden immers gekenmerkt door een gebrek aan bronnen. Vooral voor de 15e en 16e eeuw is dit het geval. Daarnaast dienen we ermee rekening te houden dat de gegevens vaak afgeronde cijfers zijn - denk maar aan de communicantencijfers. Bovendien worden die ruwe cijfers vaak verwerkt tot totale bevolkingscijfers d.m.v. een reductiecoëfficiënt. De verkregen cijfers zijn dan ook geen precieze resultaten, maar geven eerder de orde van grootte aan. Omwille van deze redenen zal het bevolkingsverloop dan ook met een stippellijn weergegeven worden om aan te duiden dat het geconstrueerde beeld geen absolute waarheid is, maar wel een mogelijke benadering van de werkelijkheid.

 

Als we grafiek 4 van naderbij bekijken, zien we een bevolkingstoename tussen 1469 en 1572. We zitten dan ook in de 16e eeuw, een eeuw van expansie. In de volgende decennia gaat de bevolking er echter sterk op achteruit. Dit heeft alles te maken met de Opstand der Nederlanden. Hoger wezen we er reeds op dat ook Kanegem niet gespaard bleef[3]. In 1617 werden in Kanegem nog amper 200 communicanten geteld, wat een totaal bevolkingscijfer van circa 300 oplevert. De Opstand der Nederlanden had dus zware gevolgen gehad! Tot halfweg de jaren 1630 volgde een spectaculair herstel, waarin de bevolking verdubbelde. Hoogstwaarschijnlijk zullen velen die tijdelijk uitgeweken waren, teruggekeerd zijn. Na een kleine daling rond 1635 werd een nieuwe piek bereikt in 1644: toen waren er ongeveer 700 inwoners in Kanegem. De jaren 1645-1647 brachten echter oorlog, schaarste en pest met zich mee[4], waardoor de bevolking tegen 1650 weer geslonken was tot circa 550 zielen. Daarna volgde opnieuw een toename van de bevolking en rond 1690 werd een piek van ongeveer 900 inwoners bereikt. Toch is de stijging in de loop van de 17e eeuw niet echt spectaculair: het betreft eerder een herstel van de verliezen door de Opstand der Nederlanden dan een werkelijke toename. Pas rond 1685 werd het niveau van 1572 overschreden! Bovendien was de piek van 1690 van korte duur: door de Negenjarige Oorlog, voedselschaarste en epidemische ziekten daalde het bevolkingspeil sterk, waardoor in 1696 nog slechts 660 inwoners geteld werden[5]. In de eerste decennia van de 18e eeuw kwam het bevolkingspeil weer op het in 1690 bereikte niveau én overschreed het zelfs. Zo waren er volgens de Status Animarum van 1713 ruim 1000 Kanegemnaren. Tot ca. 1750 groeide de bevolking lichtjes aan tot ongeveer 1100 zielen. Maar in de volgende 80 jaren zien we een ware demografische revolutie: terwijl er in 1751 slechts 1120 inwoners waren, telde men er in 1831 maar liefst 1973. De toename bedroeg m.a.w. ruim 76 %! Over de verklaring voor deze enorme demografische toename lopen de meningen in de vakliteratuur uiteen. Sommigen benadrukken de rol van de proto-industrie, anderen het autoregulerend karakter van de demografie door te wijzen op het uitblijven van sterftecrisissen en de dalende sterfte (vooral bij zuigelingen) door een betere hygiëne. Nog anderen kennen een cruciale rol toe aan de landbouw: de New Husbandry en de invoering van de aardappel maakten de bevolking minder afhankelijk van de grillen van de natuur[6]. Feit is in elk geval dat de bevolking niet alleen in Kanegem sterk toenam, maar in heel de Kasselrij Kortrijk[7] en de driehoek Gent-Kortrijk-Aalst (Binnen-Vlaanderen)[8]. Na 1831 zien we de Kanegemse bevolking terug afnemen. In 1846 werden 1846 inwoners geteld, maar tien jaar later waren er maar 1631 Kanegemnaren. Hier zien we dus duidelijk de demografische gevolgen van de mislukte aardappeloogst in 1845 en de eveneens mislukte rogge-oogst van 1846. Maar ook de zwanenzang van de proto-industrie komt hierin tot uiting. Terwijl de 18e eeuw de eeuw van de ruralisatie genoemd wordt, geldt dit niet meer voor de 19e eeuw: de huisnijverheid kon niet meer concurreren met de opkomende mechanisering[9]. Bijgevolg kende het platteland een uitstoot van mensen die opgeslorpt werden door de steden. Ook voor Kanegem zal dit het geval geweest zijn. Tot 1900 stabiliseerde het bevolkingscijfer zich (ca. 1600 inwoners), maar tussen 1900 en 1910 zien we opnieuw een sterke opstoot. Waarschijnlijk spelen hier de afnemende sterfte (vooral onder de zuigelingen), de toenemende hygiëne, de betere voeding en de grotere gezinnen - anticonceptiva waren nog niet sterk verspreid op het Vlaamse land, ook al omdat de katholieke kerk er tegen fulmineerde. Toch kan ook een immigratie-opstoot een rol gespeeld hebben. Na 1910 zien we de Kanegemse bevolking steevast afnemen. Vooral tussen 1920 en 1930, maar ook tussen 1947 en 1961 was de afname enorm. Die moet bijna volledig op rekening geschreven worden van de emigratie: op economisch vlak had Kanegem steeds minder te bieden, waardoor men naar de steden trok. Tot 1997 bleef het aantal Kanegemnaren dalen om zich (voorlopig) te stabiliseren rond 1000 inwoners. Door nieuwe verkavelingen mogen we verwachten dat het aantal Kanegemnaren in de nabije toekomst weer zal toenemen. Toch zal de stijging niet spectaculair zijn: daarvoor liggen de huidige geboortecijfers te laag.

 

Besluitend mogen we zeker stellen dat Kanegem een vrij normaal bevolkingsverloop kent. Tot ca. 1700 zien we grote schommelingen, waarbij bevolkingsstijgingen enkel het verlies van voorbije periodes goedmaken. Daarna stijgt de bevolking spectaculair tot ca. 1840, om vervolgens weer af te nemen. De 20e eeuw kenmerkt zich door een continue afname van het aantal inwoners.

 

 

Hoofdstuk 2 - De trendbeweging (1647-1797)

 

§ 1. De evolutie van concepties, huwelijken en overlijdens

 

In deze paragraaf zullen we de evolutie van de concepties, huwelijken en overlijdens bestuderen voor de periode 1647-1797. De concepties worden berekend door negen maanden terug te tellen vanaf de geboorte. Meerlingen worden uiteraard beschouwd als één conceptie. Er moet echter gewezen worden op (onvermijdelijke) onderschatting. Zo leidt niet elke geslachtsgemeenschap tot een conceptie, maar ook de miskramen onderschatten het aantal concepties. Voorts moeten we rekening houden met onnauwkeurigheid van de bronnen én met de te vroeg of te laat geborenen, die vertekeningen met zich mee brengen. Desalniettemin krijgen we via de studie van de concepties meer inzicht in de toenmalige gedragspatronen.

 

De gegevens over de concepties, huwelijken en overlijdens kunnen zowel per kalenderjaar (van januari tot december) als per oogstjaar (van 1 augustus tot 31 juli van het volgend jaar[10]) worden uitgedrukt. Hier zullen we de laatste benadering hanteren - per oogstjaar dus. De voor de hand liggende reden hiervoor is dat zo de wisselwerking tussen demografische crisissen enerzijds en sociaal-economische factoren (inzonderheid de crises de subsistance) anderzijds zichtbaar wordt[11]. Schommelende graanprijzen en graanduurtes als gevolg van slechte of mislukte oogsten kunnen immers de demografische variabelen beïnvloed hebben, zeker wat betreft de mortaliteit[12]. Dit betekent echter niet dat andere externe factoren, zoals epidemieën, slechte weersomstandigheden en oorlogen, geen rol zouden gespeeld hebben!

 

Aangezien de concepties, huwelijken en overlijdens grote schommelingen kunnen vertonen per (oogst-)jaar, worden de gegevens uitgedrukt in elfjaarlijkse voortschrijdende gemiddelden, om de vijf jaar berekend. Zo verkrijgen we een duidelijker beeld van de algemene trend of evolutie die de drie demografische variabelen doormaken van 1647 tot 1797, zonder gestoord te worden door toevallige schommelingen. Normaliter wordt het middenste jaar als basisjaar gekozen[13], maar hier zullen we opteren voor het laatste jaar[14], aangezien dit de gebruikelijke benadering is in andere demografische studies. Het nadeel van deze werkwijze is dat de trend naar later wordt verschoven, terwijl andere gemiddelden op de evolutie vooruitlopen, wat vermoedelijk nog storender is. Aangezien de eerste elfjaarlijkse gemiddelden voor de concepties en huwelijken echter pas in 1657 kunnen berekend worden en dit voor de overlijdens pas vanaf 1659 kan[15], zullen we de evolutie van deze drie variabelen bestuderen voor de periode 1660-1795.

Om een duidelijker beeld te krijgen van de evolutie van de concepties, huwelijken en overlijdens, werden de elfjaarlijkse voortschrijdende gemiddelden omgezet in indices. Als basisjaar werd 1720 gekozen, omdat dit juist na de 17e-eeuwse crises komt én aan de vooravond ligt van de 18e-eeuwse groeiperiode, die zich echter pas vanaf 1750 sterk manifesteert. Concreet betekent dit dat het elfjaarlijks gemiddelde van 1720 gelijk gesteld wordt aan index 100 en dat de gegevens van de andere jaren daarmee vergeleken worden.

 

a. De concepties per oogstjaar[16]

 

Bij de concepties is het elfjaarlijks gemiddelde van 1720 (oogstjaar) 40,27. Dit cijfer wordt dus gelijkgesteld met index 100. De evolutie van de concepties in Kanegem kunnen we dus volgen voor de periode 1660-1795.

 

In 1660 bedraagt de index in Kanegem 78 (31,27 concepties), waarna hij oploopt tot 83 in 1665, om quasi gelijk te blijven tot 1670. De volgende tien jaar nemen de concepties echter af (tot index 68 in 1680), maar in de periode 1680-1690 volgt er een (kort) herstel. Na de heropleving in de jaren 1680 nemen de conceptie-indices in de jaren '90 van de 17e eeuw een diepe duik: rond de eeuwwisseling werd het absolute minimum bereikt (index 65). In de eerste decennia van de 18e eeuw stijgt het aantal concepties echter aanzienlijk: in Kanegem bereikte men in 1720 een eerste piek (index 100), maar daarna ging het weer bergaf tot 1745. Vanaf 1745 echter kende men een nooit eerder geziene groei. De indices namen tussen 1745 en 1760 een sprong van 27 punten (gemiddeld 1,8 punten per jaar). In het volgende decennium steeg het aantal concepties nóg aanzienlijker: van 1760 tot 1770 nam de index nog eens met 28 punten toe (gemiddeld 2,8 punten per jaar)! Tussen 1770 en 1780 zien we dan weer een tegengestelde evolutie: Kanegem "boekte verlies" (jaarlijks 1,2 punten). Daarna zag Kanegem in de periode 1780-1795 weer meer kinderen ter wereld komen: een stijging van 1,9 punten per jaar (van index 132 naar index 161).

 

Elders in de Roede van Tielt valt een gelijkaardige trend waar te nemen[17]. In Aarsele zien we een stijgende lijn tot ca. 1670, dan volgt een kleine terugval tot 1685, waarna er een kort herstel optreedt. In de jaren '90 van de 17e eeuw is er een sterke afname, maar gedurende de hele 18e eeuw zien we de curve weer stijgen, afgezien van de periodes rond 1745 en 1795. Ook voor Dentergem constateren we een gelijkaardige evolutie: de achteruitgang van de jaren 1690 wordt gevolgd door een bijna ononderbroken groei in de 18e eeuw. Ten slotte kunnen we voor de 18e eeuw ook een zelfde tendens voor Oostrozebeke achterhalen: van 1745 tot 1795 is er een constante groei, vergelijkbaar met die in Kanegem.

 

b. De huwelijken per oogstjaar[18]

 

In 1720 bedraagt het elfjaarlijks gemiddelde voor de huwelijken 9,9. Ook hier wordt dit index 100. Opnieuw zullen we de periode 1660-1795 bekijken én de Kanegemse gegevens vergelijken met die van Aarsele, Dentergem en Oostrozbeke[19].

 

Voor Kanegem verkrijgen we in 1660 een index van 78 (7,73 huwelijken). In 1665 is die al opgelopen tot 92, maar daarna loopt het aantal huwelijken sterk terug: in 1680 wordt het absolute dieptepunt bereikt, nl. index 51 (5,09 huwelijken). Daarna herstelt het huwelijkscijfer zich echter tussen 1680 en 1695. Na 1695 zien we echter de huwelijksindices teruglopen: rond 1700 werd een nieuw dal bereikt, want tussen 1695 en 1700 ging het aantal huwelijken met 2,4 punten per jaar achteruit. In Kanegem bereikte men in 1715 een hoogtepunt, maar daarna trouwde men weer minder (index 87 in 1725). Vervolgens ging het cijfer weer wat omhoog, maar rond 1745 werd er niet meer gehuwd dan in 1725. Op het einde van de jaren 1740 begon echter een groeiperiode: het aantal huwelijken steeg na 1745 eerst sterk (met jaarlijks 1,9 punten tussen 1745 en 1755), hoewel daarna, over enkele schommelingen heen, een stagnatie volgde. De periode 1780-1790 kenmerkte zich dan weer met een sterke toename (tussen 1780 en 1785 een jaarlijkse toename van 5,8 punten!). In 1795 moest men echter weer inleveren. We kunnen hieruit dus besluiten dat de huwelijken zeer sterk schommelen. Dat is zo aan het einde van de 17e eeuw en dat blijft in feite zo in de 18e eeuw, hoewel er toch duidelijke crisismomenten te onderkennen zijn (bv. rond 1700) én, over alle schommelingen heen, een stijgende trend valt waar te nemen gedurende de (tweede helft van de) 18e eeuw.

 

Dezelfde tendens kunnen we vaststellen in Aarsele, waar de 17e eeuw gekenmerkt wordt door gelijkaardige schommelingen en een dieptepunt rond 1700. Behalve in de jaren '40 van de 18e eeuw, zien we het aantal huwelijken steevast toenemen tussen 1705 en 1790. Daarna volgde een kleine achteruitgang. Dentergem kende een quasi identieke ontwikkeling. Na de crisis rond 1700 volgt een herstel, maar in de jaren '20 en '40 van de 18e eeuw is er sprake van achteruitgang. Bovendien verloopt de groei zeer traag tot ca. 1775. Pas in de periode 1775-1790 wordt die echt spectaculair. Daarna volgde een kleine terugval. In Oostrozebeke ten slotte zien we ook een daling rond 1745, gevolgd door een traag herstel. Pas vanaf 1765 werd er meer en meer getrouwd, tót in 1795! Kortom, over alle schommelingen heen valt in verschillende dorpen van de Roede van Tielt een zelfde trend waar te nemen.

 

c. De overlijdens per oogstjaar[20]

 

Ook voor het bestuderen van de overlijdens fungeert 1720 als basisjaar. Het elfjaarlijks gemiddelde van dat jaar bedraagt 23,55. Opnieuw wordt die waarde gelijkgesteld aan index 100. Meteen worden we echter geconfronteerd met de grote gebreken van de sterfteregisters[21]. Zo is er de lacune van 1695-1699, waardoor er voor de jaren 1695, 1700 en 1705 géén elfjaarlijkse gemiddelden kunnen berekend worden. Maar daarnaast is er ook een permanente afwezigheid van kinder- en zuigelingensterfte. Pas rond 1715 duiken de eerste kinderen in de bronnen op. Het gevolg is uiteraard een felle onderschatting van de totale sterfte tot ca. 1715. De lage indices uit de 17e en het begin van de 18e eeuw weerspiegelen dus niet de werkelijkheid!

 

Desondanks is het toch mogelijk een algemene evolutie te schetsen. In 1660 bedraagt de index 51 (gemiddeld 11,91 sterftes). Tegen 1665 nemen de overlijdens licht toe, om rond 1670 weer wat te dalen en hetzelfde niveau te houden in 1675. Tussen 1675 en 1685 zien we daarentegen een sterke stijging: in de periode 1675-1680 zelfs jaarlijks met 4,4 punten! Daarna zakt het peil opnieuw tegen 1690. Voor de jaren 1695, 1700 en 1705 hebben we dus geen elfjaarlijkse voortschrijdende gemiddelen, maar desalniettemin mogen we veronderstellen dat er in de jaren 1690 weer een sterke toename was van het aantal jaarlijkse doden, zeker omstreeks 1694-1695[22]. Waarschijnlijk nam de sterftegraad weer lagere vormen aan rond de eeuwwisseling. In 1710 zien we dan ook een absoluut laagtepunt voor de sterftes: index 41 (!). Ongetwijfeld is er hier sprake van ondernotatie! Tegen 1720-1725 beginnen de overlijdensgegevens dan normale vormen aan te nemen: de kinder- en zuigelingensterfte komt erbij. De stijging tussen 1710 en 1720 (van index 41 naar 100) is m.a.w. géén reële toename! Vanaf 1720-1725 kunnen we dus meer waarde hechten aan de indices. In de jaren 1720 komen er meer overlijdens voor: tussen 1720 en 1730 is er een toename met 3 punten per jaar (tot index 130 in 1730). In het volgende decennium vallen er dan weer minder doden te betreuren, aangezien een daling met 2 punten per jaar valt te constateren. Maar in de jaren 1740 stijgt de index weer 3,9 punten per jaar: van 110 in 1740 tot 149 in 1750! Daarna is er weer een daling tot 1760, waarna het aantal overlijdens weer toeneemt tot ca. 1770. In de periode 1770-1780 zien we opnieuw een daling, maar in de volgende 15 jaar (van 1780 tot 1795) is er een uitgesproken toename en dan vooral tussen 1780 en 1785 (gemiddeld 5,2 punten per jaar!). Uiteindelijk bereiken de overlijdens in 1795 een hoogtepunt (index 196, d.i. 46,18 doden). Dit betekent dat sinds 1720 het aantal overlijdens bijna verdubbeld is.

 

Een zelfde evolutie kunnen we waarnemen in andere dorpen uit de Roede van Tielt[23]. In Aarsele zien we sterftepieken rond 1645, 1695, 1730, 1750 en 1785. Behalve voor 1645 - waar we geen gegevens over hebben - is dit ook in Kanegem zo. Opmerkelijk is echter dat de overlijdens in Aarsele na 1785 dalen, terwijl dit te Kanegem niet het geval was. Voor Dentergem stellen we een quasi identieke ontwikkeling vast als voor Kanegem: sterftecrisissen rond 1695, 1730, 1750 en aan het einde van de 18e eeuw. Opmerkelijk verschil is echter het feit dat de overlijdens in Dentergem na 1760 ononderbroken toenemen, wat voor Kanegem niet opgaat. In Oostrozebeke ten slotte is er ook een sterftetoename in de jaren 1740, gevolgd door een daling. Maar ook daar zien we - net als in Dentergem - een ononderbroken toename vanaf 1760, met 1795 als absolute piek. Ondanks enkele kleinere verschillen stemt de evolutie in Kanegem dus ook op het vlak van de overlijdens overeen met die in nabijgelegen dorpen.

 

d. Besluit

 

In onderstaande grafiek kunnen we de evolutie van de concepties, overlijdens en huwelijken volgen vanaf 1650 tot 1795. De y-waarden zijn géén indices, maar de voortschrijdende elfjaarlijkse gemiddelden vanaf 1660. Meteen valt op hoe slecht de gegevens m.b.t. de overlijdens zijn tot ca. 1720. Tussen 1690 en 1700 beschikken we immers over geen elfjaarlijkse gemiddelden door de lacune in de bronnen (1695-1699), terwijl anderzijds de waarden tot ca. 1720 duidelijk te laag liggen door de afwezigheid van de kinder- en zuigelingensterfte[24]. Het gevolg daarvan is dat de sterftes nooit het aantal concepties overschrijden, terwijl dit in werkelijkheid vermoedelijk wél het geval moet geweest zijn. Verschillende zaken wijzen althans in die richting. Zo zien we dat zowel in Aarsele als in Dentergem het aantal overlijdens in de jaren 1690 boven de conceptiecurve uitstijgt[25]. Dat dit voor Kanegem ook zo moet geweest zijn, lijkt duidelijk: in het najaar van het kalenderjaar 1694 stellen we immers een zware mortaliteitscrisis vast[26], terwijl de héle kasselrij Kortrijk (inbegrepen de Roede van Tielt) in de jaren 1693-1695 zwaar gebukt ging onder de Negenjarige Oorlog, met als gevolg een sterke toename van de mortaliteit[27]. Bovendien zien we in de jaren 1690 ook een sterke afname van de Kanegemse bevolking[28] die niet alleen kan veroorzaakt zijn door een massale emigratie, maar in hoofdzaak te wijten is aan het teruglopen van de concepties (duidelijk zichtbaar op de grafiek) én een oversterfte. Dit alles indachtig, mogen we dus veronderstellen dat de overlijdens in het laatste decennium van de 17e eeuw uitstegen boven de concepties.

 

Globaal bekeken, vallen er een drietal periodes te onderscheiden. De eerste omvat de tweede helft van de 17e eeuw. Daarin zien we de concepties, overlijdens en huwelijken sterk schommelen. De concepties en huwelijken kennen een vrij parallel verloop: beiden stijgen en dalen in dezelfde periodes. De overlijdens verhouden zich dan weer omgekeerd evenredig tot de andere variabelen: waar de sterftes hoge pieken scheren, gaan de concepties en huwelijken erop achteruit (en vice versa). De tweede periode (de eerste helft van de 18e eeuw) wordt gekenmerkt door een periode van herstel na de crisis van de late 17e-eeuw, gevolgd door een stagnatie vanaf 1715-1720: dat geldt zeker voor de concepties (die zelfs lichtjes afnemen) en de huwelijken, maar in feite ook voor de sterftes, ondanks de grotere schommelingen. Ook hier zien we de concepties, overlijdens en huwelijken op en neer gaan, waarbij de concepties en huwelijken zich nog steeds gelijklopend gedragen, terwijl de overlijdens een omgekeerd patroon vertonen, hoewel minder uitgesproken dan in de 17e eeuw. Vanaf 1745-1750 begint dan de derde periode, die loopt tot het einde van de 18e eeuw. Hier zien we een sterke toename van de concepties en de overlijdens vanaf 1745, enkel onderbroken door een kleine terugval in de jaren 1770. De huwelijken stagneren daarentegen tot ca. 1775. Pas vanaf 1780 vat er een (spectaculaire) groei aan, die echter al stopt in 1790. Michaël Delange kwam voor de huwelijken in deze periode tot bijna identieke conclusies[29]. Voor het eerst kunnen we bovendien vaststellen dat de sterftes en de concepties parallel stijgen en dalen, terwijl deze twee componenten tot ca. 1745-1750 zich steeds tegengesteld gedroegen. Daarenboven kan erop gewezen worden dat de concepties sneller stijgen dan de overlijdens. Dit betekent dus dat de bevolking niet meer geteisterd werd door zware demografische crisissen, waardoor de tweede helft van de 18e eeuw een ware bevolkingsexplosie met zich mee bracht. Gelijkaardige constataties werden gemaakt m.b.t. Aarsele, Dentergem en Oostrozebeke[30], maar ook in andere dorpen buiten de Roede van Tielt kunnen we na 1750 een sterke toename van concepties, overlijdens en huwelijken vaststellen. Dat is immers het geval in Anzegem, Kaster en Avelgem[31]. Hiermee wordt duidelijk dat de evolutie in de Roede van Tielt nauw aansluit bij die in Zuid-West-Vlaanderen.

 

Men kan zich afvragen waarom de bevolking na 1750 kon aangroeien en dit daarvoor niet het geval was. De sleutel tot deze hamvraag ligt bij de demografische crisissen. Vóór 1750 zakken de concepties merkelijk bij een hogere mortaliteit en liggen de conceptie- en mortaliteitscijfers niet ver uit elkaars buurt. In de tweede helft van de 18e eeuw echter vallen de concepties niet meer terug bij een mortaliteitsstijging én gaat de conceptiecurve sneller de hoogte in dan die van de overlijdens. De bevolking maakt zich dus los van de crisissen! Maar welke wijzigingen waren er nu opgetreden waardoor die crisissen geen moordende impact meer hadden? Vermoedelijk spelen hier de innovaties in de voedselproductie een wezenlijke rol. Zo groeide op het 18e-eeuwse platteland de "New Husbandry", waarbij kleine lapjes grond intensief bewerkt werden en waarbij verschillende teelten per jaar konden konden geoogst worden. Dit zorgde voor een merkelijke stijging van de voedselproductie. Daarbovenop stapte men over op nieuwe teelten met meer rendement, waaronder de aardappel een echte mirakelteelt vormde. Door de aardappel halveerde de hoofdelijke graanconsumptie in de loop van de 18e eeuw zelfs[32]! Bijgevolg hadden graanduurtes - die vaak epidemieën met zich meebrachten - een veel geringere impact dan voorheen. Uit het voorgaande mag blijken dat de demografische crisissen een primaire rol spelen bij de bevolkingsevolutie. In de volgende paragrafen gaan we er dieper op in.

 

 

§ 2. Typologie van demografische crisissen

 

a. Wat is een demografische crisis?

 

Een demografische crisis mag niet zomaar gelijkgesteld worden met een mortaliteitsstijging. Ook de conceptie- en huwelijkscurve moeten immers bekeken worden. In normale jaren - dus buiten de crisisjaren - zijn er meer concepties dan overlijdens, terwijl in een crisisperiode het aantal overlijdens sterk kan uitstijgen boven de concepties. Tot het begin van de 18e eeuw was een verdubbeling en zelfs een  verdrie- of verviervoudiging van de sterftes in bepaalde jaren geen uitzondering, waardoor 10 à 20 % van de bevolking kon ten grave gedragen worden[33]. Dat deze zogenaamde crises mortelles tot het begin van de 18e eeuw een grote invloed uitoefenden op de bevolkingsevolutie, behoeft dus geen betoog[34]. Bovendien kan vastgesteld worden dat er bij vele crises mortelles een uitgesproken daling van de concepties optreedt, zeker tot de eerste decennia van de 18e eeuw. Voor een deel is dat het gevolg van een afname van de huwelijkssluitingen in crisisperiodes: men stelde een huwelijk uit in afwachting van betere tijden[35]. Anderzijds kan er ook een verminderde seksuele omgang geweest zijn. We kunnen ons echter afvragen of dit gewild gebeurde dan wel ongewild. In het eerste geval zou er dan sprake zijn van contraceptie door tijdelijke onthouding, een hypothese die niet door iedereen aanvaard wordt[36]. Ongewilde vermindering van de seksuele omgang kan dan weer aan andere factoren toegeschreven worden: het afsterven van één der partners, lichamelijke aftakeling, maar ook fysieke onvruchtbaarheid[37]. Zo stelt E. Leroy Ladurie bijvoorbeeld dat er een tijdelijk uitblijven van de maandstonden (amenorrhoe) kon optreden bij ondervoeding, waardoor vrouwen enkele maanden onvruchtbaar werden. Hij spreekt dan ook van een aménorhée de famine als één van de verklaringen voor het teruglopen van de concepties in crisistijden[38]. Ten slotte moet ook rekening gehouden worden met een eventuele toename van miskramen (abortus spontaneus).

 

Verschillende auteurs definieerden reeds de term "demografische crisis" op basis van uiteenlopende criteria. Zo spreekt P. Goubert pas over een demografische crisis wanneer de mortaliteit per kalenderjaar verdubbelt t.o.v. het gemiddelde niveau en de concepties met minstens één derde zakken[39]. Maar deze werkwijze is niet toepasbaar voor alle crisissen. Mortaliteitsstijgingen waarbij geen of slechts een geringe daling van de concepties optreedt, vallen immers uit de boot. Dat deze crisissen vooral vanaf de tweede helft van de 18e eeuw voorkwamen, moge duidelijk zijn[40]. Vandaar dat andere auteurs zich enkel richtten op de sterftes. Dat is o.a. het geval bij J. Dupâquier, die zelfs een formule hanteert om de ernst van een crisis te meten aan de hand van sterftecijfers: "De sterfte-index is gelijk aan de sterfte van een bepaald jaar minus de gemiddelde sterfte van de voorafgaande tien jaren gedeeld door de standaardafwijking van de sterfte in die tien jaren"[41]. Dupâquier onderscheidde op die manier verschillende soorten demografische crisissen qua omvang, gaande van kleine crisissen tot catastrofes[42]. Net als M. Delange opteerden wij voor deze benadering[43]. Hoewel deze werkwijze  een goede indicatie geeft van de zwaarte van de crisissen, zullen we echter ook rekening houden met het verloop van de concepties en de huwelijken, die immers ook sterke schommelingen kunnen vertonen in crisisperiodes. De crisisjaren zullen dan ook in detail geanalyseerd worden per maand, waarbij nagegaan wordt in welke mate de sterftes stijgen én de concepties en huwelijken afnemen. Ten slotte zal ook naar de oorzaken van de demografische crisis gepeild worden.

 

Over alle details heen kan gesteld worden dat een demografische crisis drie mogelijke oorzaken heeft: hongersnood of ondervoeding, epidemie en oorlog. In de meeste crisissen komen echter twee of zelfs alle drie de elementen voor[44]. Vele Franse historici hebben onderzoek verricht naar de oorzaken van de demografische crisissen. Reeds in 1946 constateerde J. Meuvret dat sterk stijgende graanprijzen vaak een mortaliteitstoename en een daling van de concepties met zich mee brachten. Dit soort crisissen noemde hij crises de subsistance (bestaans- of duurtecrisissen). Tot het begin van de 18e eeuw kwamen deze voedselcrisissen veelvuldig voor. Daarna werden ze vervangen door zogenaamde crises larvées (verdoken crisissen): de (graan-)prijzen bleven een belangrijke rol spelen, maar dit uitte zich niet meer in de demografische ontwikkeling[45]. Later werd deze theorie overgenomen en uitgebreid door P. Goubert. Hij kwam tot de vaststelling dat demografische crisissen vaak gepaard gingen met ongunstige weersomstandigheden, waarbij vooral regenrijke zomers een nefaste invloed konden hebben op de oogsten. Door het lage aanbod gingen de graanprijzen bijgevolg de hoogte in, terwijl de lonen dat niet deden. Bovendien werden de graanprijzen nog meer ten top gedreven door boeren die, speculerend op nog hogere prijzen, hun voorraad niet onmiddellijk op de markt brachten. Het directe gevolg laat zich raden: de schaarse oogst en de hoge prijzen zorgden voor hongersnood. Ondervoeding en het innemen van bedorven en minder kwalitatief voedsel deden de natuurlijke weerstand verzwakken, waardoor infecties en epidemieën de kop opstaken, met alle gevolgen vandien[46]. P. Goubert koppelde dus twee elementen - hongersnood en epidemieën - aan elkaar, waarin hij ook door anderen gevolgd werd[47]. Zijn theorie werd echter ook bekritiseerd. Sommige auteurs wezen immers op duurtejaren zónder mortaliteitsstijging en op jaren waarin de sterftes sterk opliepen, maar waar geen abnormaal hoge graanprijzen voorkwamen. Deze auteurs beschouwen epidemieën als doorslaggevende factor bij demo-grafische crisissen[48]. Nog anderen ten slotte beklemtonen een nauwe verwantschap tussen oorlogen en crisissen: voor hen zijn oorlogen van cruciaal belang bij een demografische crisis[49].

 

Tot het begin van de 18e eeuw zullen hongersnoden als gevolg van slechte oogsten en hoge graanprijzen waarschijnlijk een wezenlijke rol gespeeld hebben in de demografische crisissen. Dat de weersomstandigheden de oogst sterk kunnen beïnvloeden, zien we zelfs nog vandaag. Oorlogssituaties zullen de toestand bovendien vaak dramatisch gemaakt hebben: opeisingen, plunderingen, oogstvernielingen, hoge voedselprijzen, schaarste,... gingen immers nauw samen met oorlogsvoering. Zo kon een ideale voedingsbodem voor epidemies geschapen worden, die daarenboven vlug verspreid konden geraken door rondtrekkende troepen en migrerende dorpelingen en stedelingen. Maar ook zonder oorlog konden voedselschaarste en hoge graanprijzen tot epidemies leiden. Vermoedelijk ontstonden epidemies ook in periodes waarin geen voedselschaarste voorkwam. Het weer kan dan een bepalende factor geweest zijn. Kortom, verschillende op elkaar inwerkende factoren kunnen tot demografische crisissen geleid hebben: het weer, mislukte of slechte oogsten, hoge graanprijzen, hongersnood en voedselschaarste, epidemieën, oorlogen,... zijn elementen waar men steeds rekening mee moet houden bij het bestuderen van een crisisjaar.

 

Reeds in de vorige paragraaf werd erop gewezen dat graanduurtes in de loop van de 18e eeuw steeds minder invloed uitoefenden op de bevolking. Graan werd immers steeds meer ingeruild voor aardappelen, ook te Kanegem, terwijl de "New Husbandry" tot betere oogsten leidde[50]. Bovendien was men op het platteland minder gevoelig voor een stijging van graanprijzen dan in de steden: veelal beschikte men over een klein lapje grond waarop wat groenten geteeld werden, terwijl men anderzijds in het centrum van de produktie zat. J. Meuvret heeft dus gelijk wanneer hij stelt dat de crises de subsistance plaats ruimden voor crises larvées. Daarbovenop komt nog dat de Zuidelijke Nederlanden in de 18e eeuw véél minder te lijden hadden van oorlogen, een vaak zeer invloedrijke factor bij demografische crisissen. Dit alles zorgde er dus voor dat demografische crisissen in veel beperktere mate voorkwamen zodat de bevolking ongestoord kon aangroeien.

 

b. Bespreking van enkele epidemieën

 

Uit het voorgaande bleek dus dat een demografische crisis in hoofdzaak veroorzaakt wordt door hongersnood, oorlog en epidemieën. Ook onze voorouders hadden dit door, want in vele kerken hoorde men het gebed "A fame, peste et bello, libera nos, Domine!"[51]. Hongersnood en oorlog kwamen al uitvoerig aan bod, terwijl ook al stilgestaan werd bij epidemieën. Hier zullen we enkele epidemieën echter nader toelichten.

 

1. De pest

 

Na de zevende eeuw kwam de pest in Europa voorlopig niet meer voor, maar omstreeks 1350 stak de ziekte opnieuw de kop op, met alle gevolgen vandien[52]. In het derde kwart van de 17e eeuw zou ze definitief uit onze streken verdwijnen[53]. Het bacil dat de pest verwekt, de pasteurella pestis, werd in 1894 ontdekt door Yersin, een Franse medicus[54]. De pestbacil wordt gedragen door een vlooiensoort, de xenopsylla cheopsis, die leeft op de zwarte rat (rattus rattus), maar vaak ook bij andere knaagdieren en zelfs bij de mens voorkomt. Bovendien kon de rattenvlo ook de menselijke luis (pulex irritans) besmetten die de ziekte op haar beurt snel deed verspreiden. Door beten van de besmette vlooien of luizen werd de mens drager van de ziekte[55]. Vanzelfsprekend hangt het verspreiden van pest nauw samen met de grootte van de rattenpopulatie, naast de onhygiënische toestanden, waardoor mensen gemakkelijk dragers kunnen worden van vlooien en luizen.

 

Naar het ziektebeeld kunnen we bij de pest drie verschijningsvormen onderscheiden: de builenpest, de septicemische pest (zwarte dood) en de longpest. De builenpest wordt opgelopen door een beet van een pestbacildragende vlo of luis, veelal in de lies- of okselstreek, de geliefkoosde omgeving van dergelijke parasieten. De incubatietijd duurt 1 tot 6 dagen en de ziekte begint steevast met hevige koorts (39°-40° C). Op de plaats van de beet ontstaat een zwarte plek door inwendige bloedingen. Na twee of drie dagen wordt dit dan een zwartachtige pestbuil die de grootte van een kippenei kan aannemen: vandaar dus de naam "builenpest". Veelal volgde na 3 à 6 dagen de dood, maar als de zieke in leven bleef, barstte de buil open na 8 à 10 dagen en liep er een etterend, stinkend vocht uit. Daar vindt de zegswijze "stinken als de pest" haar oorsprong. In de minderheid van de gevallen (20 à 40 %) kon na acht dagen genezing optreden, maar die duurde dan meestal zeer lang. Builenpest kon gepaard gaan met verschillende symptomen: zenuw- en spijsverteringsstoornissen konden vergezeld worden door neusbloedingen, maar ook door diaretische stoelgang die, net als de urine, bloed kon bevatten[56]. De moorddadigheid van deze builenpest hoeft nauwelijks benadrukt te worden. Zo mogelijk nog dodelijker was de tweede vorm van pest, nl. de septicemische pest. Ook hier loopt men de ziekte op door huidpenetratie via een beet van een pestbacildragende vlo of luis. Net als bij de builenpest ontstaan er onderhuids zwarte vlekken door inwendige bloedingen ("zwarte pest"), maar in tegenstelling tot de builenpest verschijnen er geen etterbuilen. De zieke overleed reeds na 24 à 36 uur! De septicemische pest deed zich voornamelijk voor bij het uitbreken van een epidemie, wanneer de ziekte geen tijd gegund werd om zich verder te ontwikkelen of zich in een etterbuil te uiten. De symptomen zijn vrij gelijklopend met die van de builenpest: koortsen, zenuw- en spijsverteringsstoornissen, neusbloedingen, bloederige stoelgang,... Genezing kwam bijna niet voor[57]. De derde verschijningsvorm van de pest betreft de longpest. In tegenstelling tot de vorige twee soorten treedt besmetting hier niet op door huidpenetratie via een beet, maar interhumaan. Infectie kon immers ook optreden door inademing van pestbacillen uit etterbuilen of uit speeksel van een pestlijder dat vrijkwam bij het hoesten. Op die manier worden de longen aangetast, waardoor men van longpest spreekt. De incubatietijd duurt hier slechts 1 à 3 dagen. Longpest uit zich in hevige koorts, een zeer hoge hartslag en een grote, vaak bloederige slijmvorming. Reeds na 48 à 72 uur treedt de dood in door verstikking. Genezing was uiterst zeldzaam: in meer dan 90 % van de gevallen eindigde longpest met de dood[58]!

 

Builenpest en septicemische pest kwamen vooral voor in de zomer- en herfstmaanden (juli tot oktober), maar konden ook in de winter aanwezig blijven. De pestbacil is immers bestand tegen temperaturen van -2° C tot +45° C, hoewel de ideale temperatuur 25 tot 28° C is. Longpest is dan weer de pestvorm van koudere streken, die vooral in januari en februari kan toeslaan. De pestcurve kent een lang verloop en kan 25 à 35 weken aanhouden. In de lente is de impact van de pest minder moordend dan in de zomer, aangezien ratten en vlooien in het voorjaar minder talrijk zijn. Om de vier weken - telkens er een nieuwe groep vlooien is - komt er bij pestepidemieën een piek voor. Per piek zien we dan ook een stijging van het aantal doden. Natuurlijke immuniteit tegen pest is quasi onbestaande[59]... In de Nederlanden kon de pest goed aarden en snel verspreiden omwille van de hoge bevolkingsdichtheid, de uitgebreide en veelvuldige commerciële contacten, het gematigd en vochtig klimaat én de vele troepenbewegingen[60]. Een sluitende verklaring voor de verdwijning van pest uit onze streken is er niet. Sommigen wezen op het feit dat de zwarte rat in deze periode vervangen werd door de grijze rat, terwijl anderen de doorbraak van een andere ziekte (Yersinia Pseudotuberculosis) als oorzaak zien voor het verdwijnen van de pestbacil[61].

 

2. Dysenterie

 

Op zich is dysenterie eigenlijk geen ziekte, maar eerder een reeks anatomische verschijnselen bij verschillende ziekten. Hoewel onze voorouders vaak een correcte diagnose  stelden m.b.t. dysenterie, bestond er toch veel verwarring rond diverse varianten. De gebruikte terminologie kon dan ook sterk uiteenlopen[62]. Bijgevolg is het vaak onmogelijk om uit de schaarse gegevens het onderscheid met tyfeuze aandoeningen te maken[63].

 

De bacillaire dysenterie was de kwaadaardigste vorm en werd in de volksmond rooloop (fluc du sang) geheten, aangezien de stoelgang hevig én bloederig was, wat bovendien kon leiden tot deshydratatie[64]. Tijdens de eerste dagen kon men zelfs tachtig tot honderd excreties per dag hebben[65]! De incubatietijd bedroeg ongeveer een week. Na 8 à 10 dagen was het grootste leed achter de rug en kon men genezen. Deze bacillaire vorm was lange tijd één van de meest voorkomende kwalen in onze streken[66]. Desondanks groeide dysenterie weinig uit tot een epidemie. Meestal bedroeg de mortaliteit niet meer dan 0,5 à 3 %, maar in slechte gevallen kon toch meer dan 20 % van de bevolking er aan ten onder gaan. Dan kon de dood reeds na 48 uur intreden[67]! Vooral op het platteland werd de rooloop gevreesd, omdat daar de meeste slachtoffers vielen, voornamelijk tijdens de eerste herfstmaanden (september-oktober). De kwaal duurde dus meestal slechts 2 à 3 maanden, maar kende een snelle verspreiding[68]. Dysenterie kwam hoofdzakelijk voor bij maatschappelijk zwakkeren en jongeren van minder dan 20 jaar, waardoor de huwelijks- en conceptiecurve weinig beïnvloed werd[69].

 

Een hele reeks oorzaken konden aan de basis liggen van de besmetting. Zo speelden socio-economische factoren - in casu de armoedige en onhygiënische levenswijze, bv. het dragen van tweedehandskleding en -schoenen én de schrale huisvesting - een rol, maar ook chronische ondervoeding deed het natuurlijk weerstandsvermogen afnemen, waardoor velen gemakkelijk aangetast werden. Daarnaast was het eten van onrijp fruit en bedorven voedsel vaak een bron van besmetting, terwijl ook het klimaat een rechtstreekse invloed had. Enerzijds deden hete en droge zomers het waterpeil dalen tot kritische punten, waardoor men genoodzaakt was onhygiënisch en modderig water te drinken. Anderzijds konden vochtige zomers de oogst doen mislukken of de bewaring bemoeilijken (schimmel), waardoor er te weinig of bedorven voedsel moest gegeten worden. Steeds werd het natuurlijk weerstandsvermogen aangetast, waardoor besmetting niet lang op zich liet wachten. Ten slotte zorgden rondtrekkende troepen voor een snelle verspreiding tijdens de maanden september en oktober, aangezien de legers zich toen terugtrokken in hun winterkampen[70].

 

3. Tyfus en tyfeuze koortsen

 

Tyfus wordt veroorzaakt door de tyfus- en paratyfusbacillen, die zich vrij gemakkelijk  kunnen verspreiden door feco-oraal contact: via besmet drinkwater, besmette melk of besmet dierlijk voedsel (salmonella) wordt de mens aangetast. De incubatieperiode duurt tien tot twintig dagen. Tyfus begint met koorts die kan oplopen tot 40° C en 12 à 15 dagen kan aanhouden. Bij hoogstens 10 % eindigt de ziekte met de dood, die in erge gevallen na 6 tot 8 dagen hoge koorts optreedt. Toch waren de lichte gevallen ook gevaarlijk: de drager van de ziekte was niet noodzakelijk ziek, maar kon wél anderen besmetten, zelfs na genezing! Naast de hoge koortsen - die gepaard gaan met een barstende hoofdpijn en ijlen - kenmerkt tyfus zich ook door roodachtige vlekken op de huid, die soms moeilijk waar te nemen zijn. Door het eten van bedorven of besmet voedsel krijgt men bovendien darminfecties en een hevige buikloop, waardoor de ziekte vaak verward wordt met dysenterie. En hoewel tyfeuze koortsen eigenlijk gedurende het hele jaar de kop kunnen opsteken, komen ze meestal in dezelfde periode voor als dysenterie (augustus tot november), wat tot nog grotere verwarring met de rooloop leidt[71].

 

Naast tyfus zijn er nog een aantal tyfeuze koortsen die minder dodelijk zijn. Een andere soort is bijvoorbeeld de vlektyfus, vooral opduikend in oorlogsomstandigheden en tijden van ellende. De hoofd- en kleervlo, die de bacillen dragen, zijn verantwoordelijk voor de besmetting van hun gastheer. Ook hier vangt de ziekte aan met hoge koortsen en na 4 à 7 dagen verschijnen er rode vlekken. Voornamelijk volwassenen worden getroffen door deze variant. Bij vlektyfus kan er echter immuniteit optreden. Anders dan tyfus, komt vlektyfus vooral voor van november tot april en verdwijnt de ziekte bij de eerste warmte[72].

 

4. Andere ziekten

 

Naast pest, dysenterie en tyfeuze koortsen werd men - tot de 20e eeuw! - vaak getroffen door ziekten die vandaag ofwel verdwenen zijn, dan wel geen of weinig impact meer hebben. In eerste instantie was er het pokkenvirus, dat vele slachtoffers kon maken, maar dat nu uitgeroeid is[73]. Daarnaast moeten we ook denken aan een "banale" griepepidemie, die vooral in de winter veel (oudere) slachtoffers kon maken, alsook "gewone" verkoudheden[74]. Zelfs vandaag nog is de invloed van griep op de oudere populatie merkbaar! Het moge duidelijk zijn dat de kleine ongemakken van de hedendaagse westerling niet te vergelijken zijn met die van onze voorouders: een aantasting van de ademhalingswegen bijvoorbeeld wordt nu vlug opgelost, terwijl dit vroeger vérstrekkende gevolgen kon hebben... Hoewel deze ziekten geen epidemieën waren, is hun invloed niet te onderschatten!

 

 

§ 3. Demografische crisissen in Kanegem (1649-1797)[75]

 

a. De crisis van 1645-1647

 

Hoewel sterftegegevens in de parochieregisters pas in 1649 een aanvang nemen, is het uitermate interessant om de demografische crisis van 1645-1647 te bespreken. Door het ontbreken van gegevens uit die jaren weten we uiteraard niet hoeveel overlijdens er waren, laat staan wie er stierf of welke maanden pieken vertonen. Bijgevolg kunnen we ook de sterfte-index van Dupâquier niet berekenen.

 

Desalniettemin beschikken we over enkele gegevens die duidelijk aantonen dat er in de tweede helft van de jaren 1640 een zware demografische crisis heerste in Kanegem. Met name de communicantencijfers uit die periode weerspiegelen de impact van de sterfte tijdens de jaren 1645-1647. Terwijl er in 1644 nog 470 communicanten geteld werden[76], waren er dat in 1650 amper 372[77]. Uitgaande van de veronderstelling dat de communicanten 2/3 van de bevolking vertegenwoordigden[78], bekomen we in 1644 en 1650 een bevolkingscijfer van respectievelijk 712 en 564 inwoners. En zelfs al is het communicantencijfer uit 1644 mogelijks een overschatting[79], dan nog is er sprake van een sterke achteruitgang van het aantal communicanten en bijgevolg ook van de hele bevolking. Het cijfer uit 1650 (372 communicanten) lijkt in ieder geval correct, aangezien in 1652 ca. 400 communicanten geteld werden[80]. Uit deze gegevens kunnen we besluiten dat de Kanegemse bevolking tussen 1644 en 1650 met 15 à 20 % afnam[81]: een zware demografische crisis dus!

 

De oorzaak van deze demografische crisis is relatief gemakkelijk te achterhalen. Tijdens de jaren 1645-1646 bereikten de Dertigjare Oorlog (1618-1648) en de oorlog tegen de Noordelijke Nederlanden[82] een hoogtepunt in onze streken. Reeds in juli 1644 werden verscheidene parochies in de Roede van Tielt ingepalmd door (vijandelijke) Franse en Hollandse troepen. M. Cloet schrijft over 1645 het volgende: "Het jaar 1645 zou voor het gewest Tielt biezonder rampzalig worden. De gemeenten leden veel schade door het verplicht logeren van de voorbijtrekkende legers."[83]. In 1645 moesten Tielt en de omliggende parochies ruiterijcompagnieën van het Spaanse huurlingenleger huisvesten, dat in principe onze streken verdedigde tegen de Fransen en Hollanders. Deze soldaten sloegen echter aan het plunderen en staken de kerken van Meulebeke, Tielt en Ruiselede in brand. Velen sloegen op de vlucht, terwijl anderen aangehouden of afgeranseld werden[84]. In 1646 werden Tielt en omgeving zowel door Franse als door Spaanse troepen geteisterd. Deze laatsten gingen, net als hun Franse collega's een jaar voordien, over tot plunderingen. Ook in 1647 had men te kampen met muitende soldaten, maar het ergste was toen voorbij. De gevolgen laten zich raden: zowat een vierde van de Tieltse bevolking werd ten grave gedragen[85], terwijl er ook massaal veel zieken waren. Twee keer sloegen alle Tieltenaren op de vlucht[86], terwijl ook veel inwoners uit de omliggende dorpen andere oorden zullen opgezocht hebben. De oogsten waren verloren, waardoor de bevolking verzwakt en vatbaar voor epidemieën was.

 

Het is dan ook niet toevallig dat precies in de jaren 1645-1647 een grote pestepidemie rondwaarde in Vlaanderen. "Dès 1645 et jusqu'en 1647, la Flandre est éprouvée par la peste," schrijft C. Bruneel hierover. Voor Brabant stelt hij echter vast dat de pest er slechts sporadisch voorkwam[87]. Ook H. Van Werveke stelt in de jaren 1645-1646 in vele (huidige) Oost-Vlaamse parochies pest vast[88]. A. Wyffels vermeldt voor Tielt m.b.t. de crisisjaren 1645-1647: "Bovendien woedde de pest met een ongehoorde hevigheid"[89]. Van Aarsele weten we met zekerheid dat er een pestepidemie geweest is. Hoewel de Aarseelse pastoor pas in 1647 aanduidingen i.v.m. pest ("ex peste") neerschreef in de parochieregisters, veronderstelt F. Mus toch dat de pest vooral in de jaren 1645-1646 slachtoffers maakte[90]. In ieder geval was de sterfte in Aarsele massaal: terwijl er in de periode 1635-1644 gemiddeld 28,4 overlijdens per jaar waren, kenden de jaren 1645, 1646 en 1647 respectievelijk 95, 74 en 52 sterfgevallen[91] (gemiddeld 73,66 per jaar). Dit is, voor 1645, een toename met maar liefst 235 % of, anders geformuleerd, ruim een verdrievoudiging van de sterfte! Berekenen we de sterfte-index van Dupâquier voor 1645 in Aarsele, dan zien we dat we te maken hebben met een sterke tot zware crisis[92]. Piekperioden waren oktober 1645-maart 1646, augustus-november 1646 en november-december 1647. Vooral de piek in november 1645 lag bijzonder hoog (24 overlijdens!)[93]. Merkwaardig echter is dat van deze zware demografische crisis geen sporen zijn terug te vinden in de communicantencijfers van Aarsele: zowel in 1644 als in 1650 worden 640 communicanten opgegeven[94]. In andere parochies van de dekenij Tielt zien we dan weer een zelfde afname als in Kanegem (Aalter, Dentergem, Emelgem, Gottem, Grammene, Meulebeke, Oostrozebeke, Ruiselede, Tielt, Wakken,...). Tussen 1644 en 1650 loopt het aantal communicanten in de dekenij Tielt zelfs met ruim 10 % terug[95]. De afname in Kanegem (15 à 20 %) ligt dus merkelijk hoger!

 

Uit al deze gegevens kunnen we moeiteloos besluiten dat ook Kanegem sterk te lijden had in de jaren 1645-1647. Voornamelijk vier aanduidingen wijzen in die richting. Vooreerst is er de sterke afname van de communicanten in Kanegem zelf tussen 1644 en 1650. Daarnaast weten we dat het aanpalende Aarsele een zware demografische crisis doormaakte, waarbij een hoofdrol voor pest was weggelegd. Vervolgens werd aangetoond dat het naburige Tielt énorm te lijden had in dezelfde jaren. Ten slotte is er de algemene afname van communicanten in de hele dekenij Tielt. Dit werd bovendien ook vastgesteld voor Ruiselede, een andere buurgemeente van Kanegem.

 

De oorzaak van deze crisis moet gezocht worden in  krijgsverrichtingen die plaatsvonden in de regio Tielt tijdens de jaren 1645-1647. Vanzelfsprekend zullen enkele mensen rechtstreeks het slachtoffer van militairen geworden zijn (verkracht, vermoord,...)[96], maar de indirecte gevolgen waren nog veel moordender. Door plundering, fouragering en vernietiging van de oogst had de bevolking immers minder te eten, waardoor de natuurlijke weerstand afnam en men veel gevoeliger werd voor ziektes en epidemies. Bovendien zorgden de militairen vermoedelijk voor de snelle verspreiding van de pest, waardoor het dodental sterk kon oplopen. Oorlog en pest waren de twee grote boosdoeners. Graanprijzen speelden geen rol: op de markten te Deinze en Gent werd in 1645 en 1646 minder betaald dan het gemiddelde van de periode 1635-1644[97]. Het weer kan de demografische crisis nog versterkt hebben. Zowel de winter van 1645-1646 als die van 1646-1647 werden door J. Buisman als "streng" gecatalogeerd. De zomer van 1645 wordt als wisselvallig omschreven[98]. In 1646 had men te kampen met wateroverlast door overvloedige neerslag in juni, augustus en september, waardoor de oogst in het gevaar kwam[99]. Toch is de invloed van het weer op deze crisis te verwaarlozen: oorlog en pest waren de werkelijke oorzaken, onrechtstreeks aangevuld met hongersnood: "A fame, peste et bello, libera nos, Domine!" (cfr. supra, p. 80).

 

b. De crisis van 1658

 

Volgens de sterfte-index van Dupâquier (3,07) hebben we hier te maken met een gemiddelde crisis, waarbij de sterftes verdubbelden tegenover de vorige tien jaren. Bovendien valt er een afname te constateren van de concepties met 23 %. Eigenaardig echter is de toename van de huwelijken!

 

Tabel 7 - Het crisisjaar 1658

 

 

 

1657

 

1658

 

1659

 

gem. 1648-1657

 

Overlijdens

 

15

 

24

 

10

 

11[100]

 

Concepties

 

44

 

24

 

38

 

31

 

Huwelijken

 

8

 

11

 

16

 

5

 

Uit bovenstaande tabel wordt duidelijk dat er inderdaad een sterke toename van de sterftes was, gepaard met een achteruitgang van de concepties. Dat we hier echter te kampen hebben met onderregistratie van de sterftes, blijkt uit de brutosterftecoëfficiënten voor de periode 1649-1657. Uitgaande van een bevolkingscijfer dat iets lager ligt dan 700, bekomen we met gemiddeld 11 overlijdens per jaar een brutosterftecoëfficiënt van 16 à 17 ‰, terwijl dit normaliter 25 à 30 ‰ bedraagt[101]! Die onderregistratie is echter niet toe te schrijven aan het niet-opnemen van de kindersterfte, want in de jaren 1657-1659 vermeldt pastoor Bultinck meerdere malen de woorden "proles", "infans" en "puer" (zonder de leeftijd te specifiëren). Het achterwege laten van de kindersterfte dateert dus van later. Petrus Bultinck bleef de kindersterfte opnemen en dat deed ook zijn opvolger, pastoor Vanden Bossche. Pastoor Goedenaarde daarentegen noteerde vanaf 1685 - het jaar waarin hij pastoor van Kanegem werd - geen overlijdens van kinderen meer tot 1714. Op basis van de brutosterftecoëfficiënten kunnen we echter besluiten dat er een algemene onderregistratie was van de sterftes die Petrus Bultinck opnam. Bijgevolg kan de sterfte in 1658 nog hoger gelegen hebben dan 24. De werkwijze van Dupâquier heeft hier het grote voordeel dat met de onderregistratie weinig of geen rekening moet gehouden worden, aangezien de index er niet door beïnvloed wordt.

 

Via onderstaande grafiek zien we hoe de crisis zich voltrok. Van september tot december 1658 stijgen de sterftes uit boven de concepties, met september en oktober als piekmaanden. Vanaf november nemen de overlijdens immers af, vanaf januari 1659 klimmen ze niet meer uit boven de concepties (behalve in maart). In februari is er nog een opstoot van het aantal doden, maar daarna gaat het in dalende lijn. Dat september en oktober 1658 ongunstige maanden waren, blijkt ook uit de huwelijkscurve: tijdens die twee maanden is er geen enkele huwelijkssluiting! In november lijkt het ergste achter de rug, want dan zijn er weer twee huwelijken. Toch kan hierbij ook een rol aan de seizoensschommeling van de huwelijken toegekend worden[102]. De directe invloed van de sterftetoename op de huwelijken zou dan miniem zijn. Dat neemt niet weg dat nà de (korte) crisis in het najaar van 1658 de hemel opklaarde voor jongeren met trouwplannen: in de eerste helft van 1659 tellen we maar liefst 8 huwelijken en die trend wordt verdergezet in het oogstjaar 1659, waarin welgeteld zestien koppeltjes in het huwelijksbootje stapten! Dit fenomeen - nl. huwen na een sterftecrisis - is heel normaal. Vaak immers kwamen er arbeidsplaatsen, een woonst of een boerderij vrij, waardoor mensen met trouwplannen geen economische hinder meer ondervonden om de stap te zetten[103]. Algemeen geformuleerd betekent dit dus dat positieve vooruitzichten en toekomstverwachtingen na een crisistijd leidden tot meer huwelijken. Ten slotte stelden koppels die reeds van plan waren om te trouwen hun huwelijk niet langer meer uit na afloop van een crisisperiode[104].

 

 

De oorzaken van deze crisis achterhalen, is niet vanzelfsprekend. In de parochieregisters komen geen verduidelijkende inlichtingen voor. Bovendien stelde F. Mus voor het naburige Aarsele geen crisis vast[105]. Ook in het hertogdom Brabant was 1658 geen crisisjaar[106]. Toch lijkt het mogelijk enkele plausibele oorzaken te achterhalen. Zo was de winter van 1657-1658 bijzonder streng in heel West-Europa (in Oostende vroor de zee dicht!) en was de zomer van 1658 te koud[107]. Toch leidde dit niet tot een tegenvallende oogst. De roggeprijzen op de markten van Deinze en Gent liggen zelfs lager dan het gemiddelde van de tien voorafgaande jaren: in november 1658 betaalde men per halster rogge (ca. 53 liter) 118 groten Vlaams, terwijl men in de periode 1648-1657 gemiddeld 143,8 groten Vlaams moest neertellen voor dezelfde hoeveelheid[108]. Bijgevolg moet de oversterfte zeker niet verklaard worden door een misoogst. Hebben we daarentegen te maken met een lokale epidemie? Dysenterie en tyfus lijken niet logisch, aangezien we niet te maken hebben met een steile piek in september-oktober-november. Mogelijk was er een lokale opstoot van pest, als uitloper van de pestepidemie in Brabant. Maar ook dat schijnt niet erg logisch, aangezien in het naburige Aarsele geen gewag gemaakt wordt van pest[109]. Bekijken we echter de leeftijdscategorieën die getroffen werden door de oversterfte, dan valt op dat er een grote kindersterfte voorkwam[110]. Waar er in de periode 1649-1657 jaarlijks gemiddeld 4,22 kinderen stierven, stierven er in het oogstjaar 1658 maar liefst elf! In de periode 1649-1657 nam de kindersterfte ca. 37 % van de overlijdens voor haar rekening, terwijl dit in 1658 oploopt tot 46 %. Hieruit zouden we dus kunnen afleiden dat het hoge sterftecijfer van 1658 het gevolg is van een besmettelijke kinderziekte, waarbij we in eerste instantie aan pokken kunnen denken. Kindersterfte verklaart in elk geval de piekmaanden september-oktober-november: 7 van de 11 overlijdens in die drie maanden (64 %) zijn immers kinderen! De concentratie van de kindersterfte kan dus wijzen op een besmettelijke kinderziekte. Anderzijds is een hogere kindersterfte in het najaar vrij normaal. Dat zou dan weer betekenen dat de pastoor in 1658 accurater te werk ging dan in de vorige jaren. Er werd reeds aangestipt dat het brutosterftecoëfficiënt in de periode 1649-1657 te laag lag. Berekenen we het coëfficiënt voor 1658, dan bekomen we 34 ‰, een cijfer dat iets boven het normale gemiddelde van 25 à 30 ‰ uitstijgt. Die 34 ‰ is inderdaad een verdubbeling t.o.v. het gemiddelde van 1649-1657, maar dit gemiddelde ligt dan ook duidelijk te laag!

 

Toch verklaren deze denkpistes niet volledig het hoger aantal sterfgevallen in 1658. Niet alleen de hogere kindersterfte, maar ook een hogere sterfte onder de volwassenen moet verklaard worden! Bovendien is het verre van zeker of pastoor Petrus Bultinck de overlijdens toevallig strikter bijhield dan in de vorige en volgende jaren. Een laatste factor, met name oorlog, moet soelaas brengen. Eind augustus 1658 vielen Frans-Engelse troepen Tielt binnen. Ze verwoestten de oogst, ontmantelden huizen om de deuren, vensters, daken,... te gebruiken voor hun legerkamp en namen de klok uit de kerktoren mee, net als in Aarsele. Het Franse leger o.l.v. Turenne was tijdens de winter gelegerd in Izegem, van waaruit het gans Vlaanderen  controleerde. "Die vernedering ging gepaard met zwarte armoede," schrijft M. Cloet daarover. Met de Vrede van de Pyreneeën (1659) kwam een eind aan deze krijgsverrichtingen[111]. Vermoedelijk had men in Kanegem eveneens af te rekenen met militairen, aangezien ze zowel in Tielt als in Aarsele geweest waren. Het vernielen van oogsten door de Franse troepen zal dus vermoedelijk een rol gespeeld hebben, waardoor de Tieltse regio zware armoede en honger moet gekend hebben in het oogstjaar 1658. Toch is het opvallend dat in Aarsele geen sterftecrisis voorkwam in 1658, integendeel! Was de bevolking er, net als in Tielt[112], op de vlucht geslagen? In ieder geval is er voor Aarsele in de periode 1650-1675 waarschijnlijk sprake van onderregistratie bij de sterftes[113]. Via de communicantencijfers kunnen we dit controleren. In de jaren 1650 telde men in Aarsele 650 à 700 communicanten[114], wat dus overeenstemt met een bevolking van ca. 1000 inwoners. Het brutosterftecoëfficiënt in de periode 1650-1660[115] bedroeg gemiddeld 11,45 ‰, ver onder het gemiddelde van 25 à 30 ‰ dus! De hypothese van F. Mus dat er sprake is van een onderregistratie in de periode 1650-1675, is m.a.w. correct[116]. Mogelijks is dat de reden waarom er in 1658 absoluut geen sterftepiek te bekennen is in Aarsele, maar zekerheid hieromtrent hebben we niet.

 

Besluitend kunnen we drie hypotheses naar voor schuiven. Enerzijds kan de oversterfte te wijten zijn aan een besmettelijke kinderziekte, die voornamelijk in de maanden september tot november toesloeg. Maar daarmee is de hogere sterfte onder de volwassenen niet verklaard! Een tweede mogelijkheid zou een (toevallige) accuratere registratie van de sterftes door pastoor Petrus Bultinck kunnen zijn (cfr. brutosterftecoëfficiënten). Maar ook deze verklaring vertoont ernstige zwakheden. Beide hypotheses laten bovendien vermoeden dat de sterfte-index van Dupâquier de crisis overschat (wat mogelijk is door een onderregistratie in de periode 1649-1658). De derde hypothese heeft de grootste verklaringskracht. De oorzaak van de demografische crisis wordt hierbij gezocht in de factor oorlog. Militairen die in de Tieltse regio vertoefden, plunderden en verwoestten de oogsten. Daardoor was er minder te eten en verzwakte de bevolking. De meest kwetsbaren - met name kinderen - werden hierdoor sterker getroffen dan de rest van de bevolking. In de maanden september-november kwamen daarenboven weinig concepties voor: vermoedelijk wachtte men op betere tijden. Na het einde der krijgsverrichtingen moet de bevolking opgelucht geweest zijn, gezien de vele concepties en huwelijken in het voorjaar van 1659. Deze hypothese is het meest geloofwaardig: ze verklaart de hogere sterfte, de hoge kindersterfte, het verloop van de conceptiecurve en de toename van de huwelijken in de eerste helft van 1659. Het neemt echter niet weg dat de sterfte-index van Dupâquier deze crisis kan overschatten, een gevolg van de onderregistratie in de periode 1649-1657. Dit laatste verklaringsmodel heft echter wel de eerste hypothese op: een besmettelijke kinderziekte (zoals bv. pokken) lijkt minder waarschijnlijk.

 

c. De crisis van 1662

 

In 1662 botsen we op een volgend crisisjaar. Volgens de sterfte-index van Dupâquier, die 2,41 bedraagt[117], was er in het oogstjaar 1662 een gemiddelde crisis. Ten opzichte van de vorige tien jaar namen de sterftes met 75 % toe, terwijl de concepties een kleine daling vertonen (10 %). De huwelijkscurve daarentegen gedroeg zich op het eerste zicht absoluut normaal.

 

Tabel 8 - Het crisisjaar 1662

 

 

 

1661

 

1662

 

1663

 

Gem. 1652-1661[118]

 

Overlijdens

 

15

 

21

 

11