Kanegem (1647-1797). Een historisch-demografische studie van een West-Vlaamse plattelandsgemeenschap. (Birger De Coninck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel I: Algemene Inleiding

 

Hoofdstuk 1 - Historische schets van Kanegem

 

§ 1. Kanegem geografisch

 

Kanegem ligt in het oosten van de huidige provincie West-Vlaanderen en grenst aan Oost-Vlaanderen. Het ligt in de driehoek Brugge-Gent-Kortrijk. In vogelvlucht ligt het dorp op zo'n 30 kilometer van Brugge en 25 kilometer van Gent en Kortrijk. Ten noorden van Kanegem ligt Ruiselede, in het zuiden Aarsele, in het westen Tielt en in het oosten bevinden zich Poeke en Vinkt. Met deze laatste twee gemeenten wordt de grens tussen West- en Oost-Vlaanderen gevormd. De kerk ligt op een hoogte van 32,76 meter. Het hoogste punt van Kanegem ligt op 37 meter, het laagste op amper 12 meter, in het dal van de Neringbeek, die de scheidingslijn vormt tussen Kanegem en Aarsele. Naast deze Neringbeek in het zuiden, heeft het dorp nog een tweede beek, met name de Meulebeek, die in het noorden de grens met Ruiselede uitmaakt[1].

 

Dat de bodemgesteldheid een wezenlijke invloed heeft op de landbouw hoeft nauwelijks benadrukt. Gebruikte men de grond als akkerland of weiland? Welke produkten teelde men? Hoe hoog lagen de opbrengsten? Deze en andere vragen staan in nauw verband met de grondsoort. Kanegem behoort tot de zandleemzone, die het centrale deel van de Roede van Tielt omvat. Dit gebied kan nog eens opgedeeld worden in twee associaties: die van het zandleemgebied en die van het licht zandleemgebied. De associatie van het zandleemgebied treffen we aan in het zuiden van het dorp en loopt over in Aarsele en Poeke. De zone ontstond in de laatste ijstijd. Zandleemgronden zijn geschikt voor de teelt van quasi alle gewassen. Toch moet hierbij opgemerkt worden dat niet alleen de grondsoort bepaalt of de bodem als akkerland of weiland gebruikt wordt. Ook de hydrografie speelt immers een rol: beekjes en waterlopen konden de omringende grond immers drassig maken, waardoor voor weiland geopteerd werd. Aangezien Kanegem in het zuiden begrensd is door de Neringbeek (die een dal uitsnijdt in het plateau van Tielt), hebben we hier dus eerder met vochtige gronden te maken. Bijgevolg wordt de op zich zeer vruchtbare grond toch veelal door weiland ingenomen. In het noorden van het dorp is de bodem een associatie van het licht zandleemgebied. Deze zone loopt over in Tielt, Ruiselede en Poeke. Ook deze gronden zijn geschikt voor nagenoeg alle gewassen, hoewel de opbrengsten globaal iets lager liggen dan bij zandleemgronden[2].

 

We kunnen besluiten dat de Kanegemse gronden zich over het algemeen leenden voor alle gewassen. De vochtiger en lager gelegen gebieden in het zuiden en het noorden zijn het gevolg van de uitsnijding door een beek. Daar wordt de grond dus veelal als weiland gebruikt. Het centrale gebied ligt hoger en is droger. Bijgevolg kon de grond er voor alle doeleinden gebruikt worden.

 

Kaart 1 - Kanegem in de zandleemstreek[3]

klik op de kaart om die te vergroten.
Keer terug met vorige

 

Kaart 2 - Bodemgesteldheid in de Roede van Tielt en Kanegem in het bijzonder[4]

klik op de kaart om die te vergroten.
Keer terug met vorige

 

§ 2. Kanegems oorsprong

 

Op verschillende plaatsen in het Tieltse werden reeds archeologische vondsten gedaan die erop wijzen dat de streek reeds duizenden jaren bewoond werd. In Dentergem werden overblijfselen gevonden van een oeverdorp aan de Mandel, dat bewoond werd van het neolithicum tot de late bronstijd (ca. 3500 - ca. 800 v.C.). Iets ten zuiden van het oeverdorp werden resten van een moerasdorp teruggevonden. Dit moerasdorp dateert uit de Ijzertijd (ca. 700 - 500 v.C.) en bleef bestaan tijdens de Romeinse tijd en de middeleeuwen[5]. In Pittem werden overblijfselen van een Romeinse villa teruggevonden, die zouden dateren van vóór onze tijdrekening[6].

 

In Kanegem werden geen archeologische vondsten gedaan die zo ver terugklimmen in de tijd. De oudste vermelding van het dorp dateert uit 966. Toen kreeg de Sint-Baafsabdij van Gent haar bezittingen terug die verloren gegaan waren tijdens de Noormanneninvallen. In een bezitsoorkonde van koning Lotharius ten gunste van de Sint-Baafsabdij wordt ook Kanegem vermeld: "in Caningahem aecclesia cum mansis III". Hieruit blijkt dus dat de Gentse Sint-Baafsabdij reeds vóór de Noormanneninvasies bezittingen had in Kanegem, met name drie mansi en een kerk. Die dateren zeker van de 9e eeuw. De eerste kerk in Kanegem werd dus gebouwd tussen de 7e eeuw (in 639 werd de Sint-Baafsabdij gesticht door Sint-Amandus) en het einde van de 9e eeuw[7]. Hieruit kunnen we tevens concluderen dat Kanegem van Frankische oorsprong is. Dat blijkt bv. uit de naam van het dorp. "Caningahem" betekent "het heem, de woning (haim = hem) van (a) de volgelingen (ing) van Cano (Can)"[8]. Deze bestaande Frankische nederzetting werd heel waarschijnlijk tussen de 7e en 9e eeuw gekerstend zijn door de Gentse Sint-Baafsabdij.

 

In de volgende eeuwen zijn de aanduidingen m.b.t. Kanegem schaars. Allen hebben ze bovendien betrekking op de Sint-Baafsheerlijkheid. In 1121 kreeg de Sint-Baafsabdij het patronaatschap over de kerk[9], waardoor die aan Sint-Bavo gewijd werd, wat vandaag nog steeds het geval is. In 1130 schonk Symon Van Uytkerke een allodium aan Sint-Baafs. Later kocht Sint-Baafs nog verschillende stukken grond: eind 14e eeuw van Philippus Wieric, eind 15e eeuw van Ywein Brunkin en begin 16e eeuw van Loys Van Sint Thomaes. Begin 16e eeuw bezat Sint-Baafs verschillende percelen land, enkele hoeves (Rodekine, het groot Goed ten Broucken, het Goed te Keuckelaere), de kerk en de pastorie[10]. Besluitend mogen we dan ook stellen dat Kanegem ontstond in de vroege middeleeuwen door de Franken en dat we de oudste aanduidingen te danken hebben aan de Sint-Baafsheerlijkheid in Kanegem.

 

§ 3. Kanegem administratief

 

Vandaag behoort Kanegem tot de provincie West-Vlaanderen, arrondissement Tielt. In 1977, bij de grote fusie, werd het een deelgemeente van Tielt[11]. Andere deelgemeenten van Tielt zijn Aarsele en Schuiferskapelle, dat pas sinds 1862 een zelfstandig dorp geworden was[12]. In het Ancien Régime kende men echter een totaal andere administratieve indeling. Toen behoorde Kanegem tot het graafschap Vlaanderen, dat sinds de late middeleeuwen opgedeeld was in 17 districten, Kasselrijen genaamd, waaronder de Kasselrij Kortrijk[13]. Die bestond op haar beurt uit vijf Roeden. Dit waren de Roede van de Dertien Parochies, die van Harelbeke, Deinze, Menen en Tielt[14]. Kanegem maakte deel uit van de Roede van Tielt, samen met Aarsele, Dentergem, Egem, Gottem, Markegem, Meulebeke, Oeselgem, Oostrozebeke, Pittem, Poeke, Ruiselede, Sint-Baafs-Vijve, Tielt-Binnen en -Buiten, Wakken, Wielsbeke, Wingene, Wontergem en Zwevezele[15]. Toch hoorden niet al deze parochies als geheel tot de Roede van Tielt of de Kasselrij Kortrijk. Sommige delen - die spleten genoemd worden - maakten immers deel uit van een andere Kasselrij. Zo vielen delen van Zwevezele en Wingene onder het Brugse Vrije, terwijl stukken van Ruiselede bij de Gentse Oudburg hoorden. Anderzijds hoorden enkele fracties van Lotenhulle en Vinkt, die deel uitmaakten van de genoemde Oudburg van Gent, tot de Roede van Tielt[16]. De bevoegdheden van het kasselrijbestuur waren vooral van fiscale en administratieve aard. Rechterlijk bleef hun macht vrij beperkt[17]. De belangrijkste taak van het kasselrijbestuur - hoofdcollege genaamd - was de belastingen te innen die door de Staten van Vlaanderen goedgekeurd waren[18]. De rol van de roeden was beperkt en werd in de 17e-18e eeuw steeds kleiner. Toch kan gesteld worden dat zij de schakel waren tussen het kasselrijbestuur en de lokale instanties. Zo stonden zij bv. in voor de verspreiding van regeringsordonnanties[19].

 

Elke parochie - de toenmalige term voor het administratief gebied dat vandaag bv. dorp of gemeente genoemd wordt - telde verschillende heerlijkheden. Het dorpsbestuur werd waargenomen door de dorpsheer. Dit was normaliter de heer van de heerlijkheid waarop de kerk stond. De dorpsheer mocht de wereldlijke administratie van de parochie behandelen. Meestal liet hij het bestuur over aan de schepenen, die in principe door hemzelf aangesteld werden. In de praktijk echter werden de schepenen meestal aangeduid door de baljuw, de plaatselijke vertegenwoordiger en vertrouwensman van de heer.

 

Kaart 3 - De Kasselrij Kortrijk en de Roede van Tielt[20]

klik op de kaart om die te vergroten.
Keer terug met vorige

 

De bevoegdheden van de schepenen van de dorpsheer m.b.t. de dorpsadministratie omvatten voornamelijk het beheer van pointingen en settingen (rechtstreekse belastingen), de openbare orde en veiligheid, de inkwartiering van en leveringen aan troepen en de publicatie van ordonnanties en plakkaten van het centraal bestuur, gestuurd door het kasselrijbestuur. Eén van de schepenen werd aangewezen als burgemeester. De centrale persoon in het dorpsbestuur was evenwel de baljuw van de dorpsheer, die meestal jarenlang zijn ambt uitoefende. Hij hoorde en sloot de parochie- en kerkrekeningen en was de schakel tussen de parochianen en de overheid (de heer en het centraal bestuur). Naast deze ambten waren er ook nog de griffier, die alle schrijfwerk verrichtte, en de officieren, die van de baljuw afhankelijk waren en een soort politionele bevoegdheid hadden[21]. Al deze functies en bevoegdheden overschreden dus de grenzen van de eigen heerlijkheid, waardoor de dorpsheer een grote invloed en macht had over de parochie.

 

Terwijl het administratief en financieel beheer in handen van de dorpsheer was, kon de heer van elke heerlijkheid recht spreken in zijn eigen heerlijkheid. Daartoe lieten de heren zich vertegenwoordigen door een baljuw, die hun belangen ter harte nam en optrad tegen overtreders van de wet door hen aan te klagen. De baljuw riep de schepenbank (vierschare, wet) bijeen om recht te spreken. Hij zat de rechtzaak voor en voerde het vonnis uit dat door de schepenen geveld werd[22]. Elke heer mocht dus instaan voor de rechtspraak in zijn heerlijkheid, terwijl het dorpsbestuur enkel aan de dorpsheer toekwam.

 

In Kanegem zelf waren drie grote heerlijkheden aanwezig, naast nog enkele kleinere. De drie belangrijkste waren evenwel het Beexschen, Hames en Sint-Baafs. De heerlijkheid het Beexschen hing af van de heer van Poeke en lag in het westen van het dorp. Bovendien telde deze heerlijkheid nog twee achterlenen (Hulst en het Goed t'Olsene). Sinds 1597 was de heerlijkheid in handen van de adellijke familie de Preudhomme d'Hailly. Hames lag in het (noord-)oosten van Kanegem. Het centrum was het "Kasteelhof van Hames". Rond 1620 werd Jan de Hane de nieuwe heer van Hames. Naast het kasteelhof hoorden nog twee achterlenen tot deze heerlijkheid, met name de heerlijkheden Castillo en Vlinderghem[23]. De Sint-Baafsheerlijkheid ten slotte lag voornamelijk in het zuiden van de parochie, waar tevens het centrum van de heerlijkheid te vinden was: het groot Goed ten Broucken. Maar ook de kerk, de pastorie en nog enkele andere hoeves (Rodekine en het Goed te Keuckelaere) hoorden bij deze heerlijkheid. Bovendien hoorde de Kanegemse Sint-Baafsheerlijkheid tot een groter geheel: de gebieden lagen verspreid over Kanegem, Aarsele, Oostrozebeke en Lendelede. Tot 1540 hingen die heerlijkheden af van de Gentse Sint-Baafsabdij, maar na de Gentse opstand werd de abdij afgebroken. Daarna verhuisden proost en kanunniken naar de Sint-Janskerk, die zo de Collegiale kerk van Sint-Baafs werd. Door de hervorming van de bisdommen in 1559 werd deze kerk een bisschoppelijke kathedraal, waardoor de bisschop heer van de Sint-Baafsheerlijkheid werd. Dit bleef zo tot de Franse Revolutie. Toen werden alle kerkelijke goederen immers verbeurd verklaard. De toenmalige pachter, Philippus De Brabandere, kocht op 22 maart 1798 het groot Goed ten Broucken op. Dat deze gebeurtenis lang in het collectieve geheugen van de Kanegemnaren gegrift stond, blijkt uit het feit dat er nog tijdens de Eerste Wereldoorlog naar verwezen werd[24]!

 

Zoals gezegd, viel het bestuur van het dorp normaliter te beurt aan de heer van de heerlijkheid waar de kerk op stond. In principe was de heer van de Sint-Baafsheerlijkheid dus de dorpsheer van Kanegem, maar aangezien de heerlijkheid in Kanegem deel uitmaakte van een grotere heerlijkheid, werd het bestuur overgelaten aan de heerlijkheden Beexschen en Hames, die elk een volle schepenbank van zeven schepenen hadden en tevens over het volle justitierecht binnen hun heerlijkheid beschikten. Toen Jan de Hane rond 1620 heer van Hames geworden was, liet hij zich echter "Heer van Kanegem" noemen. Uiteraard was dit niet naar de zin van Jean Baptiste de Preudhomme d'Hailly, heer van Poeke en Beexschen in Kanegem. In 1625 spande deze dan ook een proces in voor de Raad van Vlaanderen, aangezien de heer van Hames zich het dorpsbestuur eigen gemaakt had en de heer van Poeke er bijgevolg geen inspraak meer in had. Pas in 1632 volgde de uitspraak: niemand mocht zich "Heer van Kanegem" noemen! Maar men was nog niet uitgeprocedeerd, want men trok naar de Grote Raad van Mechelen. In 1636 bevestigde de Grote Raad dat niemand de titel "Heer van Kanegem" mocht voeren en loste het probleem van het dorpsbestuur op via een compromis: voortaan zou het bestuur uitgeoefend worden door een gemeenschappelijke schepenbank, bestaande uit de schepenen van Hames en Beexschen. In de toekomst werden alle officiële documenten dan ook ondertekend met "schepenen van Hames ende het Beexschen als regieringe van Caneghem". Dit betekende echter niet dat de vete tussen beide families voorbij was. Daarvan getuigt niet alleen een regelrechte vechtpartij in de kerk op 23 oktober 1650 tussen Ferdinand de Hane en Marcus Antonius de Preudhomme d'Hailly, maar ook het nieuwe proces dat gestart werd in 1684. Weer draaide het rond de titel "Heer van Kanegem" en weer sleepte het proces enkele jaren aan. In 1688 volgde de uitspraak van de Raad van Vlaanderen, waarin de uitspraak van de Grote Raad van Mechelen bevestigd werd. Het langaanslepende conflict doofde uit en werd in 1713 uiteindelijk afgesloten met het huwelijk (!) tussen Marcus Anthonius de Preudhomme d'Hailly, zoon van de baron van Poeke, en Antoinette-Alexandrine d'Oignies de Courrière, vrouw van Hames. Op die manier werd de heer van Poeke en Beexschen eveneens heer van Hames, waardoor het dorpsbestuur in handen van één en dezelfde persoon kwam. Het huidige gemeentewapen van Kanegem bestaat dan ook, sinds het Koninklijk Besluit van 4 juli 1955, uit het wapen van de familie de Preudhomme d'Hailly. Toch liet het nageslacht van deze adellijke heren zich nooit "heer van Kanegem" noemen[25].

 

Het moge duidelijk zijn dat het lokale bestuur in Kanegem niet van een leien dakje liep. Die trend werd in de 19e eeuw voortgezet, maar nu lag een nieuwe vete aan de basis, met name tussen de familie De Brabandere - die dus eigenaar van het groot Goed ten Broucken geworden was en bovendien verschillende burgemeesters voortbracht - en enkele pastoors: pastoor Daugimont (1861-1869) en pastoor De Clerck (1869-1885)[26].

 

Kaart 4 - Ligging van de Sint-Baafsheerlijkheid en enkele andere belangrijke heerlijkheden[27]

klik op de kaart om die te vergroten.
Keer terug met vorige

 

 

§ 4. Kanegem sociaal-economisch

 

Kanegem heeft een oppervlakte van 1085 hectare. Via de penningkohieren die in 1571 opgesteld werden op bevel van Alva, beschikken we over informatie van ruim vier eeuwen geleden. Toen werd de Kanegemse grond voor ca. 50 % ingenomen door akkerbouw (zaylant), terwijl een kleine 30 % bosch, lant en meersch waren. Van bijna 17 % van de totale oppervlakte is het grondgebruik niet gekend[28]. In 1765 was het aandeel van de akkerbouw (zaailand) al opgelopen tot ruim 75 %, terwijl ca. 15 % gebruikt werd als weiland en 7 à 8 % van de grond door bos ingepalmd was[29]. Deze ruwe cijfers moeten zeker met een korreltje zout genomen worden, maar desalniettemin geven ze een beeld van de evolutie van het grondgebruik. Ontegensprekelijk was het aandeel van de akkerbouw sterk toegenomen ten koste van weiland en bos. Aangezien er voor Kanegem een gedetailleerd landboek uit 1762 bewaard is gebleven, is het aangeraden om in de toekomst het grondgebruik van naderbij te bekijken[30]. Een eerste verwerking ervan werd reeds door C. De Rammelaere aangevat[31].

 

Interessant is ook om de evolutie van het grondbezit na te gaan tussen 1572 en 1762. In 1572 stellen we vast dat 71 % van de grond verpacht was en 29 % in eigendom was. Bijna 200 jaar later zijn de verschuivingen niet spectaculair te noemen: toen was 67 % van het land in pacht, terwijl 33 % van de oppervlakte uit eigendom bestond. Hierbij dient de opmerking gemaakt dat de cijfers uit 1572 afwijken van het gemiddelde in de Roede van Tielt: de oppervlakte van de pachtbedrijven lag gemiddeld ruim 10 % lager, terwijl méér grond in eigendom gehouden werd[32]. Wie waren nu de eigenaars van de gronden? In 1572 bezat de adel 11 % van het land, terwijl de clerus zo'n 9 % bezat. Samen bezaten zij dus ongeveer 20 % van de gronden. Hoewel we over geen cijfers beschikken m.b.t. de stedelijke burgerij, mogen we aannemen dat hun grondbezit niet omvangrijk zal geweest zijn. De plaatselijke bevolking had dus vermoedelijk ca. 75 % van de grond in bezit[33]. In 1762 bedroeg het aandeel van de clerus quasi even veel (10 %), maar was het grondbezit van de adel toegenomen tot 20 %. Verder bezat de stedelijke burgerij 11 % van de gronden. Het aandeel van de plaatselijke bewoners was teruggelopen tot 59 %[34].

 

Een ander aspect heeft betrekking tot de grootte van de bedrijven. In 1572 namen de bedrijven kleiner dan 1 hectare bijna 36,5 % voor hun rekening, terwijl het aantal bedrijven van 1 tot 5 hectare 31 % innam. Dit betekent m.a.w. dat 67,5 % van de bedrijven kleiner dan 5 hectaren waren! Deze 67,5 % besloeg echter amper 15,6 % van de totale oppervlakte. Slechts 8,2 % was groter dan 20 hectare, maar zij waren wel goed voor 46,7 % van de totale oppervlakte[35]. De sociale ongelijkheid was dus groot, terwijl mag aangenomen worden dat de meerderheid van de bevolking beroep moest doen op een bijkomend inkomen, naast de landbouw. Bijna 200 jaar later was die situatie niet sterk gewijzigd, integendeel. Toen namen de "dwergbedrijven" van minder dan 1 hectare 32 % voor hun rekening - een kleine afname dus met 4,5 %. Het aantal bedrijven tussen 1 en 5 hectare daarentegen was toegenomen tot 46 %, wat een stijging betekent van 15 %. Maar liefst 78 % van de bedrijven was dus kleiner dan 5 hectare! Daarnaast constateren we een afname van de bedrijven groter dan 20 hectare: hun aantal loopt terug van 8,2 % naar 5,7 %. Het is echter jammer dat we voor 1762 niet kunnen nagaan welk aandeel de grote en kleine bedrijven in de totale oppervlakte innemen. Daarvoor zal een diepere analyse nodig zijn van het landboek[36]. Toch kunnen we uit deze gegevens belangrijke conclusies trekken: de grote sociale ongelijkheid werd tussen 1572 en 1762 nog groter, terwijl nog meer beroep moest worden gedaan op andere inkomensvormen dan de landbouw. De verklaring hiervoor moet ongetwijfeld gezocht worden op het vlak van de demografie en de proto-industrie: in 1762 was de bevolking veel groter qua omvang dan 200 jaar tevoren[37], wat grondversnippering met zich mee bracht, terwijl de proto-industrie sterk uitgebreid was in de 18e eeuw. Het blijft echter de vraag of de bevolkingstoename (door o.a. een verlaging van de huwelijksleeftijd) het gevolg was van de proto-industrie, dan wel of proto-industrie veroorzaakt werd door de demografische revolutie van de 18e eeuw...

 

Laten we daarom eens kijken naar de tewerkstelling in Kanegem. Algemeen wordt aangenomen dat ca. 80 % van de bevolking in het Ancien Régime werkte in de landbouw[38]. De meesten daarvan waren kleine "keuterboeren" en dagloners, zoals ook al bleek uit de grondverdeling en de grootte van de bedrijven. Uit een telling van 1695 blijkt dat zo'n 70 % van de gezinshoofden inderdaad leefden van de landbouw, terwijl ca. 23 % in de secundaire sector en 7 % in de tertiaire sector tewerkgesteld waren[39]. Ondanks de vragen omtrent de betrouwbaarheid van deze telling[40], mogen we toch aannemen dat ruim 70 % van de bevolking in de landbouw was actief was[41]. Akkerbouw en veeteelt primeerden. Maar ook schapen waren aanwezig: uit een schapentelling uit 1700 bleek dat vier landbouwers samen over ruim 380 schapen beschikten. Gemiddeld hadden ze elk 95 schapen: de "kleinste" bezat er 88, de grootste 115[42]. In de loop van de 18e eeuw kwam de traditionele rurale inkomensstructuur onder druk te staan door de bevolkingstoename, grondversnippering en de proto-industrie. Dit betekende dat meer en meer een beroep werd gedaan op andere werkzaamheden dan de landbouw, hoewel er vaak sprake was van een combinatie van inkomens. Concreet betekent dit dus dat de huisnijverheid steeds belangrijker werd. Dat dit zeker voor Kanegem geldt, blijkt uit een telling van wevers uit 1739, doorgevoerd in de hele Kasselrij Kortrijk. In Kanegem waren op dat moment maar liefst 112 meesters actief, onder wie er zelfs één was die vier knechten tewerkstelde, een unicum in de hele Kasselrij! Daarnaast telde men ook nog 17 huysmans (d.w.z. wevers die geen meester waren, maar die wel knechten inzetten), 84 knechten en 12 leerlingen[43]. In totaal was dus 225 man werkzaam als wever. Als we ermee rekening houden dat vele vrouwen - al dan niet deeltijds - betrokken waren bij het spinnen, wordt duidelijk dat Kanegem in de 18e eeuw behoorde tot het centrum van de proto-industrie. Wel is het jammer dat we niet kunnen nagaan in welke mate deze proto-industrie als hoofdtaak, dan wel als nevenactiviteit uitgeoefend werd. Het staat zo goed als vast dat voor veel van de meesters het weven een bijkomende inkomenswerving betekende, naast de landbouw. Daarnaast is het ook moeilijk na te gaan welk aandeel deze beroepsgroep inneemt t.o.v. de totale beroepsbevolking. Desalniettemin kan toch gewezen worden op het belang van deze rurale tewerkstelling in de textielnijverheid.

 

De eerste vrij betrouwbare statistieken over de tewerkstelling krijgen we vanaf de Franse Tijd. Voor Kanegem zijn er de tellingen van het jaar VIII (1799) en 1815[44]. In 1799 stellen we vast dat 64,4 % in de landbouw actief is, ca. 19,9 % in de secundaire sector, 5 % in de tertiaire sector en dat van 10,7 % het beroep niet werd opgegeven. Als we met deze laatste 10,7 % dus geen rekening houden, blijkt dat ruim 72 % in de landbouw actief is, 22,2 % in de secundaire sector en 5,5 % in de tertiaire sector. Daarmee worden de eerdere cijfers dus bevestigd. Voor 1815 stellen we belangrijke verschuivingen vast. Nog slechts 57,8 % is dan tewerkgesteld in de primaire sector, terwijl de secundaire sector nu 38 % en de tertiaire 3,9 % voor hun rekening nemen. Het aantal onbepaalden (0,3 %) is hier te verwaarlozen. Dit betekent dus dat in een periode van 15 jaar de landbouw werkkrachten uitstoot ten voordele van de secundaire sector. Die secundaire sector wordt in 1815 voor 80 % bepaald door de textielnijverheid. Anders gesteld: ruim 30 % van de bevolking is actief als wever (uitsluitend mannen) of als spinster (uitsluitend vrouwen). Opvallend ten slotte is het feit dat de tertiaire sector enkel uit mannen bestaat! Hoe moet dit nu verklaard worden? Vooreerst moet er op gewezen worden dat de verschuivingen niet te zwart-wit mogen beschouwd worden: zowel in 1799 als in 1815 zullen velen actief geweest zijn in zowel de primaire als de secundaire sector. Desalniettemin zijn de cijfers opvallend! Dit zou het gevolg kunnen zijn van de snelle bevolkingstoename tussen 1799 en 1815: in deze 15 jaar groeit de bevolking aan met 15 %[45]. Dit surplus zal vermoedelijk grotendeels in de rurale textielnijverheid terecht gekomen zijn. Dit blijkt ook uit de absolute cijfers: tussen 1799 en 1815 gaan er 18 banen verloren in de primaire sector, terwijl er alleen al in de textielsector 72 bij komen! Daarnaast kan ook gewezen worden op de algemene economische situatie. Tijdens de Franse periode vierde de proto-industrie immers hoog tij door de Continentale Blokkade. Meer en meer mensen werden ingezet in de textielnijverheid en er werden steeds lagere lonen betaald om te kunnen concurreren met Groot-Brittannië, dat snel mechaniseerde. Dat dit een ongelijke strijd was, staat buiten kijf. Hier ligt dan ook de basis voor het Arme Vlaanderen van de 19e eeuw. De crisis van 1846-1847 is daar de exponent van...

 

Om het luik van de tewerkstelling af te ronden, bekijken we kort de sectoren buiten de landbouw en de rurale textielnijverheid. In eerste instantie worden we dan geconfronteerd met ambachten die nauw aansluiten bij de primaire sector. Daarbij denken we vooral aan molenaars, smeden, bakkers,... De oudste gegevens over de molens van Kanegem dateren uit 1572: toen werd het graan gemalen door twee molens: de Caneghemmuelene en de Eeckhoudtmuelene. Deze laatste was eigendom van de heer van Poeke en was - blijkens de geschatte waarde - de belangrijkste[46]. In 1695 werden er drie molenaars geteld[47] en in 1765 werd het Kasselrijbestuur meegedeeld dat Kanegem drie (graan-)molens op haar grondgebied had staan[48]. Hoewel aangenomen wordt dat één molen voorziet in de behoefte van 500 à 600 personen, stellen we hier dus vast dat er zowel in 1572, 1695 als in 1765 een "te veel aan molens" voorkwam. In 1799 waren er zelfs vier molenaars in het dorp, maar de toestand normaliseerde weer in 1815. Toen stonden drie molenaars in voor de (graan-)behoeften van de bevolking[49]. Daarbij dient echter de opmerking gemaakt dat de bevolking vanaf de 18e eeuw minder nood had aan graan, aangezien de aardappel geleidelijk het hoofdbestandsdeel van de voeding zou worden. In de 19e eeuw werd men bovendien zó afhankelijk van de aardappel, dat een misoogst vérstrekkende gevolgen kon hebben. Heeft dit surplus aan molens te maken met een drang naar prestige? Werd de sociale positie van de molenaar echter niet slechter? Waren de Kanegemse molens misschien belangrijk voor naburige dorpen? Alvast in 1765 blijkt dat Aarsele - met een bevolking van 1815 inwoners - slechts over twee molens beschikte en Poeke - dat toen 644 zielen telde - er zelfs geen had! Ook in 1572 had Poeke geen molen[50]. Het feit dat Kanegem theoretisch te veel molens telde, kan dus verklaard worden. Zeker één van de molens maalde ook voor Poeke. Logisch, aangezien de heer van Poeke eigenaar was van de Eeckhoudtmolen...

 

Een landbouweconomie zonder mechanische aandrijfkracht heeft ook behoefte aan smeden. In 1695 was er één in Kanegem, terwijl er zowel in 1799 als in 1815 drie (hoef-)smeden konden geteld worden. Merkwaardig is het feit dat er in 1695 géén bakker was in Kanegem, wat er kan op wijzen dat men zélf brood bakte. In 1799 was het beroep wél al opgedoken en in 1815 waren er zelfs twee bakkers aanwezig[51].

 

Naast deze beroepen die nauw aansluiten bij de primaire sector, kende Kanegem er ook nog enkele andere: schrijnwerkers, wagenmakers, kuipers, metsers, brouwers, kleermakers, schoenmakers, handelaars, winkeliers, herbergiers,... Vanaf de Franse tijd doken ook nog administratieve functies op (burgemeester, klerk, griffier,...), maar al in het Ancien Régime waren officieren aanwezig met een politionele bevoegdheid. Bij de vrije beroepen valt op dat er al in 1695 een chirurgijn aanwezig was, maar dat er zowel in 1695, 1799 als in 1815 géén vroedvrouw was. Dat blijkt ook uit een studie van V. Arickx over vroedvrouwen in de Kasselrij Kortrijk. In 1762 was er in Kanegem één chirurgijn, maar géén vroedvrouw[52]. Toch staat vast dat bij de bevallingen vaak een vroedvrouw aanwezig was[53]. Kwamen zij uit naburige dorpen? Of waren zij "officieuze" vroedvrouwen uit Kanegem, die bij de volkstellingen hun "officiële" beroep of hun hoofdbezigheid opgaven? Ten slotte ronden we het thema van de tewerkstelling af met de vermelding dat er uiteraard ook religieuze functies uitgeoefend werden: de pastoor, zijn onderpastoor (vanaf de vroege 18e eeuw) en de koster. De adel werkte in het Ancien Régime natuurlijk niet...

 

Uit het bovenstaande bleek dus dat de landbouw zéér belangrijk was in het Ancien Régime. Wat werd er nu geteeld? Tot het einde van de 17e eeuw werd er voornamelijk graan (tarwe en rogge, in mindere mate gerst, boekweit en spelt), koolzaad, klaver en vlas geoogst. Vandaar dat brood en pap het voornaamste bestanddeel van de (eentonige) voeding waren. Vandaar ook dat een misoogst catastrofale gevolgen kon hebben[54]! In de 18e eeuw verbeterde deze precaire situatie eerst geleidelijk, later spectaculair door het invoeren van de aardappel. Toch was de aardappel in Europa reeds bekend vanaf de 16e eeuw! Toen werd hij echter beschouwd als sierplant, als een curiosum uit de Nieuwe Wereld en werd hij niet als veldgewas geteeld. Vanuit Ierland en Engeland stak de aardappel het Kanaal over: in de jaren 1630 werd hij ingevoerd door de kartuizer Robert Clark in Nieuwpoort. Enkele decennia later, omstreeks 1670, werd de aardappel voor het eerst buyten de lochtinghen geteeld, m.a.w. als veldgewas, in de streek van Diksmuide (Esen, Zarren, Klerken,...). Vanuit het westen begon de aardappel aan zijn veroveringstocht oostwaarts, waardoor in de loop van de 18e eeuw de oostgrens van het huidige België bereikt werd[55]. De streek van Tielt werd al bereikt in de loop van de jaren 1680 en de oudste vermelding m.b.t. Kanegem dateert van 1689. Dit blijkt althans uit een procesbundel uit 1723[56]. In de eerste helft van de 18e eeuw breidde de (veldgewijze) aardappelteelt verder uit, zo ook te Kanegem. Via een aardappeltelling uit 1740 - toen de graanoogst tegenviel en gevreesd werd voor hongersnood - krijgen we zelfs een goed beeld van de verspreiding van de nu als normaal beschouwde teelt. In 1740 hadden maar liefst 151 gezinnen aardappelen geplant. Wetende dat er toen ca. 185 gezinnen waren in Kanegem, betekent dit dat ruim 80 % van de gezinnen aardappelen teelden! Opvallend is echter dat het om zeer kleine perceeltjes ging. Slechts 24 hectare van de 800 hectare bouwland werd ingenomen door aardappelen, hetzij amper 3 %. De perceeltjes waren voor ruim 80 % kleiner dan 20 aren. Ze waren gemiddeld 0,16 hectare groot[57]. C. Vandenbroeke wees erop dat de kleine omvang van de aardappelvelden als typisch kan beschouwd worden voor de Zuidelijke Nederlanden rond deze periode. Daarbij vergelijkt hij de toestand van Kanegem met die in Klundert (Noord-Brabant). Waar in Kanegem véél mensen kleine hoeveelheden aardappelen verbouwen, zijn er in Klundert weinig aardappelboeren, die echter gemiddeld 1,2 hectare besteden aan de aardappelteelt[58].

 

Het moge duidelijk zijn dat de impact van de aardappel niet mag onderschat worden. Waar men vóór de 18e eeuw aangewezen was én bijna totaal afhing van (het slagen van) de graanoogst, veranderde dit vanaf ca. 1700. Bijgevolg hadden tegengevallen graanoogsten minder zware effecten op de bevolking, kwamen zware hongersnoden véél minder voor dan in de 17e eeuw én nam het aantal zware sterftecrisissen als gevolg van graantekort sterk af[59]. Een rechtstreeks gevolg van het oprukken van de aardappel was dan ook de afname van het graanverbruik. Terwijl men rond 1700 nog gemiddeld 1 liter graan per persoon per dag verbruikte, was dit in 1791 nog slechts 0,6 liter[60]! De aardappel vulde het dieet aan en werd in de 19e eeuw zelfs het belangrijkste voedsel voor de brede massa van keuterboeren, dagloners en thuiswerkende textielarbeiders. Dit leidde echter tot een catastrofe, toen de aardappeloogst in 1845 mislukte en een jaar later ook nog eens de rogge-oogst de mist in ging. Hongersnood en oversterfte waren het rechtstreekse gevolg. Toch mag deze crisis niet enkel als een klassieke bevoorradingscrisis beschouwd worden. De crisis symboliseert immers ook de doodsstrijd van de oude huisnijverheid en het nakende einde van de rurale overlevingsstructuur[61].

 

De aardappel mag dan in de 18e eeuw een cruciale rol gespeeld hebben, toch moet ook aandacht besteed worden aan de zgn. New Husbandry. Dit systeem bestond in de Zuidelijke Nederlanden al vóór de 18e eeuw, maar in de 18e eeuw werd het quasi overal toegepast en op punt gesteld. De New Husbandry - ook wel het Norfolk System genoemd - verving het klassieke drieslagstelsel, waarin zeer eenzijdig aan graanbouw gedaan werd én waarin men aangewezen was op periodieke braakligging. Met de New Husbandry verdween de braakligging en werden nieuwe vruchtwisselingssystemen ingevoerd, mét naoogsten. Voortaan werd ook meer veevoer geteeld, waardoor de veestapel groeide én er meer mest kwam. Zo kon de bodem verrijkt worden en lagen de opbrengsten hoger[62]. Door deze intensieve landbouw verhoogde de agrarische output dus en in combinatie met de doorbraak van de aardappel zorgde de New Husbandry er zelfs voor dat zo'n 10 % van de graanoogst in de tweede helft van de 18e eeuw kon uitgevoerd worden, ondanks de snelle bevolkingstoename[63]!

 

De aardappel en de New Husbandry hadden een grote invloed, maar welke rol moet toegekend worden aan de proto-industrie m.b.t. de bevolkingsgroei en de Industriële Revolutie? En wat wordt precies met proto-industrie bedoeld? De term ontsproot aan de geest van F. Mendels, een Canadees die het 18e-eeuwse Vlaanderen onder de loep nam. Met proto-industrie bedoelde hij de rurale produktie van goederen door keuterboeren, die via de huisnijverheid een extra-inkomen konden krijgen. Van deeltijdse arbeid evolueerde de proto-industrie echter naar voltijdse tewerkstelling voor grote groepen keuters, bijna-landlozen en dagloners. Belangrijk voor F. Mendels is dat de markt van de proto-industrie buiten de eigen regio ligt, dit in tegenstelling tot de ambachtelijke produktie. Daardoor is de proto-industrie dus commercieel gericht. De gevolgen ervan voor de bevolking zijn immens: bevolkingsgroei, grondversnippering, proletarisering, verarming,...[64]

Het debat rond de proto-industrie kreeg een belangrijke impuls door het werk uit 1977 van P. Kriedte, H. Medick en J. Schlumbohm[65]. Daardoor spitste het debat zich toe rond een zevental proto-industriële deelaspecten. Vooreerst was er het probleem rond de definitie. Drie centrale elementen werden vooropgesteld: marktgerichte produktie met buiten-regionale afzet, huishoudelijk inkomenscombinatie en de uitbouw van een commerciële landbouwsector. Verder komen de oorzaken van de proto-industrie aan bod: bevolkingsgroei of strakke belastingpolitiek, men is het er niet over eens. De organisatie van de proto-industrie kent vele verschillen. De twee uitersten zijn het Kaufsystem - de zgn. "Exploitation through trade" - waarbij de producenten zelfstandig zijn en het Verlagsystem - het zgn. "putting-out" systeem - waarbij de producent volledig afhankelijk is van de koopman-ondernemer. Vervolgens werd de (neo-marxistische) opvatting dat de proto-industrie de overgang van feodalisme naar kapitalisme vormde, zwaar onder vuur genomen. Maar ook de band tussen proto-industrie en de agrarisch-rurale samenleving was onderhevig aan kritiek. De sociale en demografische gevolgen van de proto-industrie werden ook niet door iedereen aanvaard. Zo wijzen sommigen er op dat de huwelijksleeftijd - zeer belangrijk voor de bevolkingsgroei - niet daalde door de proto-industrie[66]. Ook de "verarmingsthese" - waarbij gesteld wordt dat proto-industrie op termijn voor verarming en proletarisering zorgde - was niet vrijgesteld van kritiek. Ten slotte discussieerde men over de manier waarop de proto-industrie aan haar einde kwam: moet men nadruk leggen op interne problemen of spelen de externe factoren (i.c. de ongelijke concurrentie van de gemechaniseerde produktie) de hoofdrol[67]?

 

Wat betekent dit alles nu voor Kanegem? We hebben er reeds op gewezen dat de grondversnippering in de 18e eeuw verder doorzette, dat Kanegem proto-industriële activiteiten kende, dat Kanegem rond 1740 zeer veel wevers telde, dat tussen 1799 en 1815 meer en meer mensen in de rurale textielnijverheid terechtkwamen,... Kanegem kan dus zeker beschouwd worden als een proto-industriële parochie. Daarmee wordt nogmaals bevestigd dat Binnen-Vlaanderen - de driehoek Kortrijk, Gent, Aalst - het hart van de Vlaamse proto-industrie was. Dat blijkt ook uit de bevolkingsevolutie die de Kasselrij Kortrijk in het algemeen en de Roede van Tielt in het bijzonder doormaakte. In de 18e eeuw stellen we immers vast dat de bevolking in de Roede van Tielt met 144 % toenam. Enkel de Roede van Harelbeke liet nog hogere cijfers optekenen: daar groeide de bevolking met 160 % aan[68]. Maar er blijven ook veel onopgeloste vragen. Zo kunnen we voor Kanegem (voorlopig) niet nagaan of de proto-industriële produktie inderdaad bestemd was voor een markt buiten de regio. Over de oorzaken - bevolkingsgroei of belastingsdruk - tasten we ook in het duister. Toch is het opvallend dat Kanegem én de hele Roede van Tielt in de 18e eeuw een spectaculaire demografische (r)evolutie meemaakten. Was dit het gevolg van de proto-industrie of was dit de aanzet tót die proto-industrie? Een eenduidig antwoord verkrijgen we niet! Vervolgens kunnen we opmerken dat niet vast staat of er sprake was van het Kaufsystem, dan wel het Verlagsystem. Bovendien is het zo dat combinaties mogelijk zijn, dat lokale eigenaardigheden een grote invloed kunnen hebben! Het is niet onwaarschijnlijk dat plaatselijke landbouwers sterk betrokken waren in proto-industriële werkzaamheden, hetzij door werk uit te besteden, hetzij door weven of spinnen óp de boerderij te laten uitvoeren. In het geval van Kanegem zou de familie De Brabandere, pachters van het Groot Goed ten Broucken, hierin wel eens een belangrijke rol kunnen gespeeld hebben, hoewel rechtstreekse aanwijzingen daaromtrent ontbreken[69]. Wat we voor Kanegem wel met zekerheid kunnen stellen, is dat de traditionele rurale overlevingsstructuur door de proto-industrie werd aangetast. Dat blijkt immers uit de evolutie in de tewerkstelling tussen 1799 en 1815: meer en meer mensen werden toen loonafhankelijk en proletariseerden. In de 19e eeuw heeft de proto-industrie ongetwijfeld tot verarming geleid: het plafond was bereikt en om te concurreren met de mechanische produktiewijze daalden de lonen en de koopkracht! In de 18e eeuw heeft de proto-industrie waarschijnlijk voor een verbetering van het inkomen gezorgd[70]. Slechts één conclusie kan uit dit alles getrokken worden: Kanegem kende in de 18e eeuw en de eerste helft van de 19e eeuw een belangrijke proto-industrie, maar veel vragen blijven onbeantwoord. Gedetailleerd onderzoek dringt zich dus op om klaarheid te scheppen.

 

Een volgend facet van de socio-economische toestand in het Ancien Régime - en de 18e eeuw in het bijzonder - sluit al aan bij de demografie: de samenstelling van de huishoudens of, in historisch jargon, gezinssociologie. Daaruit wordt meteen duidelijk dat een sterk levende mythe ontkracht wordt. Alle gegevens tonen immers aan dat het Ancien Régime niet door massale kinderrijkdom gekenmerkt werd! Grote gezinnen dateren pas uit de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw. Vandaag is die toestand weer voorbij!

 

Voor Kanegem beschikken we over vier betrouwbare tellingen: twee Status Animarum (1713 en 1773) en twee volkstellingen uit de Franse Tijd (1799 en 1815)[71]. Zowel in 1713 als in 1773 bestond het gemiddelde gezin uit 5,4 personen. In 1799 liep dit terug tot 5,1 personen, maar in 1815 telde een gezin gemiddeld 5,6 leden. Ter vergelijking: in 1997 was het gemiddeld huishouden in Kanegem 2,7 personen groot[72].

 

Hoe waren die gezinnen nu opgebouwd? In onderstaande tabellen wordt duidelijk dat het aandeel van de ouders in de 18e eeuw quasi gelijk bleef (1,85 in absolute cijfers). Naar het einde van de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw zien we dat hun aandeel vermindert (nog 1,72 in 1815). Wat de kinderen betreft, zien we een toename in de 18e eeuw: tussen 1713 en 1815 steeg hun aanwezigheid van 2,73 tot 3,05 per gezin[73]. Enkel de telling van 1799 toont een eigenaardige afwijking: daar is hun aandeel gedaald (tot 2,56)! Waarschijnlijk is dit te wijten aan fouten in de telling of aan de demografische crisis van 1794, die vooral kinderen trof[74]. De zgn. "anderen" (waar het dienstpersoneel de grootste brok van uit maakt) nemen lichtjes af in de 18e eeuw, maar worden weer groter in aantal in het begin van de 19e eeuw.

 

Tabel 1 - Gezinssamenstelling (absoluut)

 

Gezinsleden

 

1713

 

1773

 

1799

 

1815

 

Ouders/gezinshoofden

 

1,85

 

1,86

 

1,78

 

1,72

 

Kinderen

 

2,73

 

2,82

 

2,56

 

3,05

 

Anderen (o.a. dienstpersoneel)

 

0,82

 

0,72

 

0,76

 

0,83

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

5,4

 

5,4

 

5,1

 

5,6

 

In tabel 2 zien we de gezinssamenstelling in relatieve cijfers (percentages). Daaruit blijkt dat de ouders instaan voor ca. 1/3 van het gezin gedurende de 18e eeuw, maar dat hun aandeel licht terugloopt tegen 1815. Het aantal kinderen stijgt tussen 1713 en 1815 geleidelijk, behalve in 1799. Dezelfde opmerking over de betrouwbaarheid van de telling en de impact van de crisis van 1794 kan hier gemaakt worden. De "anderen" (mét het dienstpersoneel) nemen lichtjes af qua belang tegen 1773, maar bereiken aan het begin van de 19e eeuw quasi hetzelfde aandeel als een eeuw tevoren.

 

Tabel 2 - Gezinssamenstelling (relatief aandeel - percentages)

 

Gezinsleden

 

1713

 

1773

 

1799

 

1815

 

Ouders/gezinshoofden

 

34,3

 

34,4

 

34,9

 

30,7

 

Kinderen

 

50,5

 

52,2

 

50,2

 

54,5

 

Anderen (o.a. dienstpersoneel)

 

15,2

 

13,4

 

14,9

 

14,8

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

100

 

100

 

100

 

100

 

Daarmee is meteen de trend aangegeven die de 19e eeuw zal kenmerken: de kinderrijkdom wordt groter en zo wordt de aanwezigheid van de gezinshoofden relatief kleiner. Vandaag kennen we echter een totaal andere situatie: de ouders of gezinshoofden vormen ruim 66 % van het gezin, terwijl de kinderen slechts goed zijn voor ca. 33 %[75]. Daarmee is het aandeel van de "anderen" sterk gereduceerd: (inwonend) dienstpersoneel komt vandaag praktisch niet meer voor!


 

Via de tellingen van 1799 en 1815 kunnen we ook de leeftijdsopbouw bepalen. In 1799 was 49,5 % van de bevolking jonger dan 20 jaar, in 1815 was dit 48,9 %. Bijgevolg is de gemiddelde leeftijd laag: 25,08 jaar in 1799 en 25,55 jaar in 1815. Als we vandaag dus een "grijze" bevolking hebben, kunnen we stellen dat er in het Ancien Régime - en dit tot in de 20e eeuw! - een "groene" bevolking was... In 1799 was slechts 7,5 % van de bevolking ouder dan 60 jaar, in 1815 was dit zelfs nog teruggelopen tot 7 %. Het aandeel van de leeftijdsgroep van 20 tot 60 jaar bedroeg in 1799 42,7 % en 43,9 % in 1815.

 

Zoals reeds bleek, vormde het dienstpersoneel een belangrijke groep van de bevolking. Met dienstpersoneel worden de knechten en meiden bedoeld die inwoonden bij een landbouwer. Hun loon bestond dus uit kost en inwoon, aangevuld met een (relatief kleine) som geld. Hun werk bestond uiteraard uit landarbeid en al het werk dat bij een boerderij kwam kijken. In het dode winterseizoen hielden veel mannen zich bezig met weven, terwijl de vrouwen zich veelal toelegden op het spinnen. Dit verklaart alvast voor een groot stuk het hoge aantal wevers (meesters, huysmans, knechten en leerlingen) rond 1740[76].

 

Hoe zag het dienstpersoneel er nu uit? In 1713 was de geslachtsverhouding 103, d.w.z. dat 50,8 % mannen waren en 49,2 % uit vrouwen bestond. Zestig jaar later, in 1773, was die verhouding geheel anders. Toen waren de mannen oververtegenwoordigd met 69 % van het totaal. Vrouwen namen toen dus slechts 31 % voor hun rekening, wat een sex-ratio van 222 oplevert[77]! In 1799 was de situatie weer "genormaliseerd", met een geslachtsverhouding van 115, wat neerkomt op 54 % mannen en 46 % vrouwen. Maar 15 jaar later, op 1 januari 1815, bedroeg de sex-ratio opnieuw 158: 61 % mannen en 39 % vrouwen. Slechts één conclusie kan hieruit getrokken worden: steeds zijn er meer mannen dan vrouwen, hoewel de verhoudingen sterk kunnen schommelen. Dit zal dan wel sterk afhankelijk zijn van het soort werk dat moest gedaan worden. Zowel in 1713 als in 1773 telden huishoudens mét dienstpersoneel gemiddeld 1,8 knechten en/of meiden. In 1773 was er één gezin met 6 knechten en 1 meid. De meeste huishouden hadden echter één meid of één knecht[78]. Voor 1799 en 1815 kunnen we nagaan hoe oud het dienstpersoneel gemiddeld was. In 1799 was ruim 62 % jonger dan 25 jaar en 76 % was jonger dan 30 jaar. In 1815 waren de respectievelijke verhoudingen zelfs opgelopen tot 66 % en 80,6 %. In beide jaren waren de mannen meestal jonger dan de vrouwen: de grootste groep van de mannen bevond zich in de leeftijdsklasse van 15-19 jaar (in 1799 37,3 % en in 1815 26 %), terwijl de meeste meiden in de leeftijdsklasse van 20-24 jaar terug te vinden zijn (32 % in 1799 en 34,6 % in 1815), hoewel ook ca. 30 % van de meiden tussen 15 en 19 jaar waren. Hiermee wordt de "burgerlijke" mythe dus ontkracht van het zgn. trouwe dienstpersoneel. Het personeel bleef gemiddeld niet langer dan de leeftijd van 25 à 30 jaar. Toen verliet men de boer en ging men - zowel mannen als vrouwen - zelfstandig leven.

 

In tabel 3 kunnen we nagaan welk aandeel het dienstpersoneel inneemt t.o.v. de totale bevolking per leeftijdsklasse. In het licht van wat zo juist over de leeftijd gezegd werd, zal het niet verbazen dat dit aandeel vrij hoog ligt tot 25 à 30 jaar. In 1799 waren maar liefst 42 % van de mannen tussen 20 en 24 jaar in dienst als knecht! Van de vrouwen uit dezelfde leeftijdscategorie werkte ruim 34 % als meid. Dit betekent dat meer dan 42 % van de mannen en meer dan 34 % van de vrouwen ooit knecht of meid was geweest. Vermoedelijk liggen de cijfers nog hoger: dit zijn slechts doorsnedes op een bepaald moment! Stellen dat de helft van de mannen ooit knecht was en dat meer dan 40 % van de vrouwen als meid "gediend" heeft, is dan ook geenszins een overdrijving! In 1815 is het aantal knechten in de leeftijdsklasse 20-24 jaar lager. Toen woonde "slechts" 30,8 % in op een boerderij. Bijna 27 % vrouwen tussen 20 en 24 jaar werkte toen als meid, eveneens een lager cijfer dan 15 jaar terug. Desalniettemin geldt ook hier dat waarschijnlijk 40 % van de mannen en meer dan 30 % van de vrouwen ooit deel uitmaakte van het dienstpersoneel. Hoe valt deze (relatieve) afname van het dienstpersoneel te verklaren? Ten eerste speelt de groei van de tewerkstelling in de rurale textielnijverheid - als hoofdbestandsdeel van het inkomen of als enige inkomenswerving - waarschijnlijk een belangrijke rol. Maar ook de sterke stijging van de bevolking tussen 1799 en 1815 moet in rekening gebracht worden: landbouwers konden - in absolute cijfers - niet meer mensen in dienst nemen dan nodig was!

 

Tabel 3 - Relatief aandeel van het dienstpersoneel t.o.v. de totale bevolking per leeftijdsklasse

(percentages)

 

 

 

 

 

1799

 

 

 

 

 

1815

 

 

 

Lft.

 

Mannen

 

Vrouwen

 

Totaal

 

Mannen

 

Vrouwen

 

Totaal

 

12-14

 

18,75

 

10,53

 

15,69

 

20,78

 

11,67

 

16,79

 

15-19

 

29,25

 

27,27

 

28,42

 

28,32

 

23,76

 

26,05

 

20-24

 

42,42

 

34,33

 

37