| Nuptialiteitsstudie van Izegem (1750-1850) (Steven Vanbelle) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
6.Hertrouwen
De talrijke sterftecrisissen van de voorbije eeuwen zorgden voor een erg woelige huwelijksmarkt[56]. Veel jonge mensen kwamen voor een tweede keer op die markt terecht. Reeds vrij vlug werd een aanzienlijk deel van de bevolking alleenstaande. Zoals we in het vorige hoofdstuk zagen duurden huwelijken gemiddeld twee decennia. Een groot aantal relaties werd reeds eerder beëindigd door dat één van de partners op jonge leeftijd stierf. Het overlijden van de partner, had steeds een zwaar effect op de overgebleven wederhelft.
Hoe moest het nu verder met die langstlevende? Was hertrouwen voor de meeste mensen een must? Hoe lang wachtte men alvorens te hertrouwen en wie verkoos men als nieuwe partner? Wat waren de motivaties om een nieuwe relatie aan te gaan?
Hertrouwen was immers niet steeds een vrije keuze geweest. In vele gevallen was het de enige keuze. Financieel ging het bijlange niet iedereen voor de wind. Een tweede huwelijk was voor sommigen de enige kans om economisch te overleven. Grigg verwoordde het als volgt: “ … even the least attractive offer of marriage was better than none”[57]. Hiermee vat ze precies de noodzaak van het hertrouwen samen.
Er werd niet enkel uit financiële noodzaak tot een tweede huwelijk overgegaan. De aanwezigheid van kinderen betekende voor velen een extra stimulans om zich opnieuw in de echt te laten verbinden[58]. Alleenstaande mannen hadden een moeder nodig voor hun kinderen, alleenstaande moeders voelden de noodzaak een extra kostwinner in te schakelen om hun kroost te onderhouden.
Een weduwe of een weduwnaar die de stap naar een nieuw huwelijk zette, werd door de goegemeente vaak minzaam bekeken. De Katholieke Kerk had zich immers afkerig getoond tegenover tweede huwelijken. Volgens de predikanten in de zeventiende en de achttiende eeuw, konden weduwen zich beter op een godvruchtig bestaan richten. Het gevaar bestond dat men de kinderen uit een eerste huwelijk ondergeschikt zou maken aan het nieuwe gezin[59].
Niet alleen de Kerk was tegen het afsluiten van een tweede huwelijk, ook in volksspreuken vinden we een dergelijke afwijzing. Volgens een oud gezegde deugen er drie dingen niet: “herzaaien, herbakken en hertrouwen”[60]. Het was niet enkel fout om te hertrouwen, het was ronduit dwaas: “Die één vrouw heeft gehad, verdient een kroon van lijdzaamheid, die er twee heeft gehad, verdient er één van dwaasheid”[61].
Wie er toch voor koos een tweede keer in het huwelijksbootje te stappen, werd vaak op oorverdovende ketelmuziek getrakteerd. Of die charivari enkel diende als aanklacht tegen het hertrouwen of ook diende om de geest van de overleden echtgenoot/ echtgenote te verdrijven, is niet zo duidelijk[62]. De plagerijen waren vaak zo erg dat weduwnaars naar andere gemeenten uitweken om te trouwen[63].
Of hertrouwen sociaal aanvaard werd, wordt hier in het midden gelaten. Economische en sociale omstandigheden zorgden er in ieder geval voor dat een nieuwe levenspartner nemen, vaak meer regel dan uitzondering was[64].
De cijfers van het Nationaal Instituut voor de Statistiek voor 1998, leren ons dat 68,57% van de gesloten huwelijken, pure, eerste huwelijken zijn. In slechts iets meer dan 1% van de gevallen, is minstens één van beide partners weduwe (zie bijlage 11). Ruim 30% van de huidige Belgische huwelijken zijn “onzuiver”. Eén of beide partners verbraken hun vorige huwelijk door middel van echtscheiding.
Echtscheidingen zijn echter een verschijnsel van de laatste honderd jaar. Voordien was dit een unicum, alvorens men wou scheiden was één van de partners overleden[65]. In Izegem konden we tussen 1750 en 1850 niet één echtscheiding terugvinden. Alle koppels waren elkaar “tot der dood” trouw gebleven. Na de dood van hun wederhelft gingen de meeste echter driftig op zoek. Vooral de weduwnaars lieten zich niet onbetuigd. Ze hadden méér kans op een tweede huwelijk[66].
Grafiek 2: De koppelstructuur in Izegem, 1750-1849.

Bron: eigen berekeningen op basis van de trouwboeken, 1780-1789 en de huwelijksregisters van Izegem, 1810-1819 en 1840-1849.
In Izegem waren 80% van de huwelijken, eerste huwelijken. Het basishuwelijk waarbij twee celibatairen elkaar de eeuwige trouw beloofden, was dus ook in de schoenenstad de regel. Tussen 1780 en 1849 was er zelfs nog een lichte stijging van 3 procent punten merkbaar.
Deze waarden zijn iets hoger dan in Kaster. Lasuy berekende dat in de periode 1730 – 1779, 76,44% van de huwelijken, eerste huwelijken waren[67]. In Lebbeke vielen er dan weer wat meer eerste huwelijken te noteren. Tussen 1780 en 1809 bedroegen ze meer dan 80% van het totaal aantal huwelijken. De eerste helft van de 19° eeuw werd er echter wel gekenmerkt door een enorme terugval. Het aantal eerste huwelijken daalde van 84,2% naar 72,5%[68].
Knodel en Lynch onderzochten enkele Duitse dorpen en stelden vast dat in de periode 1800 – 1850, 74% van de huwelijken uitsluitend tussen celibatairen werd gesloten[69]. Van Poppel kwam in Nederland tot soortgelijke resultaten. Volgens hem maakten de eerste huwelijken 75 tot 80% van de totale huwelijken uit[70].
Alle onderzoekers bleken tot gelijkaardige bevindingen te komen. Een kleine 80% van de huwelijken werd gesloten tussen twee jonggehuwden.
In één vijfde van de huwelijken was dus minstens één van beide partners niet aan zijn proefstuk toe. Er zijn drie combinaties mogelijk: “ongehuwde man met weduwe”, “weduwnaar met ongehuwde vrouw” en “weduwnaar met weduwe”.
Tweede huwelijken waarbij een weduwnaar betrokken was, namen ¾ van het totaal in. Vooral de combinatie “weduwnaar – ongehuwde vrouw” werd vaak gemaakt. Mannen hadden meer kans om een tweede keer te huwen. Niet zelden kozen oude bokken ervoor om een jong blaadje te consumeren[71].
Voor vrouwen lag die situatie enigszins anders. Hun kans op hertrouwen was opmerkelijk kleiner dan die van de mannen[72]. Weduwen waren niet steeds in trek. Ze waren niet altijd even jong meer en sleepten vaak een kroost met zich mee. Volksspreuken keurden trouwen met een weduwe radicaal af. “Die weeuwen trouwt en worsten houwt, weet niet wat er in is gedouwd”[73]. Ook in Izegem was het voor vrouwen moeilijker om een tweede huwelijk aan te gaan. In minder dan 10% van alle nieuw ingezegende koppels was een weduwe aanwezig.
Om de verschillen nog iets duidelijker te maken werd in onderstaande tabel enkel rekening gehouden met tweede huwelijken.
Tabel 9: De koppelstructuur bij niet-eerste huwelijken in Izegem, 1780-1849.
|
|
1780 - 1789 |
1810 - 1819 |
1840 - 1849 |
|
Weduwnaar & Ongehuwde Vrouw |
56,9 |
62,6 |
61,7 |
|
Ongehuwde Man & Weduwe |
23,9 |
21,7 |
25,9 |
|
Weduwnaar & Weduwe |
19,3 |
15,7 |
12,3 |
Bron: eigen berekeningen op basis van de trouwboeken, 1780-1789 en de huwelijksregisters van Izegem, 1810-1819 en 1840-1849.
Het aandeel hertrouwende mannen dat een ongehuwde vrouw neemt, blijkt met voorsprong het succesvolst. Het overwicht van deze huwelijkscombinatie nam zelfs nog toe. Dit resultaat strookt volledig met de evolutie die Bideau voorstelde[74].
Opvallend is de afname van het aantal hertrouwers dat elkaar opzocht. In 1780 was hun aandeel nog 20%, maar tegen het midden van de negentiende eeuw was dit nog slechts 12%. De nood om een soortgenoot te hebben, mensen die elkaars problemen begrepen, verdween.
De derde combinatiemogelijkheid, waarbij een weduwe een ongetrouwde man huwde, hield stand rond de 23%. Dit was stukken minder dan relaties tussen een weduwnaar en een ongehuwde vrouw. De tabel geeft een mooie cijfermatige weergave van de ondergeschikte positie van de vrouw op de huwelijksmarkt.
Op 4 oktober 1812 werd Jean François Verstraete weduwnaar. Het duurde hem echter niet lang om een nieuwe wederhelft te vinden. Tweeënvijftig dagen later, op 25 november, verscheen de man voor de burgervader om zijn tweede huwelijk te wettigen.
De 64- jarige Pierre Jacques Quaghebeur, verloor zijn vrouw op 23 november van datzelfde jaar. Op 30 januari 1813 hertrouwde hij met een fris jong blaadje van 24 jaar. Pierre ’s daad zal, door de jongeren van Izegem, wel bedacht zijn op helse ketelmuziek. Dergelijke leeftijdsverschillen werden immers niet geapprecieerd door de goegemeente[75].
De situatie van hertrouwende weduwvrouwen, daarentegen, was volkomen anders. Marie Elisabeth Vanlerberghe werd in 1800 weduwe. Pas op 22 april 1811, toen ze al 59 jaar oud was, hertrouwde ze.
Rosalia Carette was slechts 20 jaar oud toen ze weduwe werd. Het duurde nog elf jaar alvorens ze zich weer in de echt liet verbinden.
Deze extreme voorbeelden geven een duidelijk gedragsverschil weer. Mannen waren veeleer geneigd vlak na de dood van hun vrouw op zoek te gaan naar een nieuwe levensgezellin. Hoe vlugger die gevonden werd, hoe beter. Lang werd er dan ook niet gewacht, alvorens tot een nieuw huwelijk over te gaan. Een oude spreuk verwoordde deze mentaliteit erg mooi: “Deuil de femme morte dure jusqu’à la porte”[76].
Weduwvrouwen waren veel gereserveerder. Ze wachtten wat langer om aan een nieuwe speurtocht te beginnen.
De volgende tabel zal alvast een en ander duidelijk maken.
Tabel 10: Gemiddelde duur van het weduwschap (in maanden) in Izegem, 1810-1819.
|
1810 - 1819 |
Mannen |
Vrouwen |
|
|
|
|
|
1810 |
24 |
32 |
|
1811 |
15 |
30 |
|
1812 |
13 |
31 |
|
1813 |
16 |
13 |
|
1814 |
20 |
29 |
|
1815 |
22 |
- |
|
1816 |
24 |
27 |
|
1817 |
38 |
41 |
|
1818 |
36 |
38 |
|
1819 |
28 |
68 |
Bron: eigen berekeningen op basis van de huwelijksregisters van Izegem, 1810-1819 en de overlijdensakten, 1810-1899.
In het begin van de 19° eeuw lijken de mannen de traditie alle eer aan te doen. Ze hertrouwen beduidend vroeger dan de weduwes. De gemiddelde weduwnaar wachtte 24 maanden alvorens zijn geluk met een andere vrouw te beproeven. De weduwvrouwen bouwden een wachtperiode van haast drie jaar in.
Hertouwen was voor mannen volkomen vrij. Al te vlugge tweede huwelijken, of weduwnaars die jonge meisjes binnenhaalden werden wel getrakteerd op charivari. Deze charivari kon bestaan uit helse ketelmuziek, het verbranden van een pop bij het huis van de weduwnaar, het schieten voor het huwelijk,…. Deze acties dienden in de eerste plaats om de onvrede van de dorpelingen, met het huwelijk, te uiten. Waarschijnlijk hadden deze volkse gewoonten nog een dieperliggende reden. De pop die verbrand werd zou de overleden echtgenote kunnen symboliseren. Het schieten diende om de kwade geesten te verdrijven en ook de ketelmuziek moet zo geïnterpreteerd worden[77].
In tegenstelling tot de mannen waren de vrouwen wel aan regels onderworpen. Het werd weduwen verboden te hertrouwen binnen de negen maanden na hun vorige huwelijk. De maatregel moest “confusio sanguinis” vermijden[78]. Op die manier wist men zeker dat de geboren kinderen van de nieuwe man waren. Wanneer men vroeger hertrouwde nam men het risico om een kind van de overleden echtgenoot te zien als een wettig kind van de nieuwe man. Deze sperperiode werd echter niet altijd gerespecteerd. Volgens Bideau trouwde maar liefst 15,5% van de weduwes reeds binnen deze negen maanden[79].
Tabel 11: Gemiddelde duur van het weduwschap (in maanden) in Izegem, 1840-1849.
|
1840 - 1849 |
Mannen |
Vrouwen |
|
|
|
|
|
1840 |
57 |
29 |
|
1841 |
57 |
90 |
|
1842 |
39 |
18 |
|
1843 |
34 |
32 |
|
1844 |
38 |
42 |
|
1845 |
26 |
17 |
|
1846 |
28 |
14 |
|
1847 |
16 |
17 |
|
1848 |
32 |
15 |
|
1849 |
37 |
27 |
Bron: eigen berekeningen op basis van de huwelijksregisters van Izegem, 1840-1849 en de overlijdensakten, 1840-1899.
In de periode 1840 – 1849 is er haast geen verschil te merken tussen mannen en vrouwen. Het blijken zelfs de weduwes te zijn, die iets vlugger hertrouwden. Opnieuw werd een wachttijd van gemiddeld drie jaar ingebouwd. Ook de gemiddelde weduwnaar wachtte drie jaar alvorens een nieuw huwelijk aan te gaan. Dat was bijna één jaar langer dan voordien het geval was geweest. Mogelijks zorgden de crisissen van de jaren ’40 ervoor dat weduwnaars iets restrictiever huwden.
Gezien het beperkt aantal weduwnaars en weduwes dat hier onderzocht werd, is de kans op vertekeningen niet irreëel. Daarom werden alle hertrouwende personen in een cumulatieve tabel opgenomen. Deze moet ons een duidelijkere spreiding van het hertrouwen geven.
Tabel 12: De duur van het weduwschap in Izegem, 1810-1819 en 1840-1849 (cumulatief).
|
1810 – 1819 1840 – 1849
|
||||
|
|
Weduwnaar |
Weduwe |
Weduwnaar |
Weduwe |
|
|
|
|
|
|
|
0 - 3 maand |
0,057 |
0,023 |
0,016 |
0 |
|
4 – 6 maand |
0,207 |
0,023 |
0,145 |
0 |
|
7 – 9 maand |
0,345 |
0,023 |
0,274 |
0 |
|
10 – 12 maand |
0,402 |
0,163 |
0,322 |
0,103 |
|
1 jaar |
0,632 |
0,442 |
0,468 |
0,483 |
|
2 jaar |
0,793 |
0,651 |
0,581 |
0,759 |
|
3 jaar |
0,862 |
0,791 |
0,710 |
0,862 |
|
4 jaar |
0,908 |
0,814 |
0,839 |
0,862 |
|
5 jaar |
0,931 |
0,814 |
0,887 |
0,862 |
|
6 jaar |
0,943 |
0,860 |
0,903 |
0,897 |
|
7 jaar |
0,943 |
0,930 |
0,919 |
0,897 |
|
8 jaar |
0,954 |
0,953 |
0,952 |
0,931 |
|
9 jaar |
0,954 |
0,953 |
0,968 |
0,966 |
|
10 jaar |
0,966 |
0,953 |
0,984 |
1 |
|
11 jaar |
0,989 |
1 |
0,984 |
|
|
12 jaar |
0,989 |
|
1 |
|
|
13 jaar |
0,989 |
|
|
|
|
14 jaar |
0,989 |
|
|
|
|
15 jaar |
0,989 |
|
|
|
|
16 jaar |
0,989 |
|
|
|
|
17 jaar |
1 |
|
|
|
Bron: eigen berekeningen op basis van de huwelijksregisters van Izegem, 1810-1819 en 1840-1849 en van de overlijdensakten, 1810-1899.
Deze tabellen geven ons een klaardere kijk op de acties van de weduwes en de weduwnaars op de huwelijksmarkt.
Binnen het eerste jaar van hun weduwnaarschap, was reeds 4 op 10 Izegemnaren hertrouwd. De rouwperiodes waren dus zeer krap. Erg weinig mannen bleven langer dan drie jaar zonder vrouw. In 1840 lagen de waarden duidelijk lager, er was een veel restrictiever huwpatroon merkbaar. Na een jaar weduwnaar-zijn, was slechts 32% hertrouwd. Dat is 8 procent punt minder dan in de periode 1810 – 1819.
Op één uitzondering na merken we dat alle Izegemse weduwes, de sperperiode van negen maanden respecteerden. Ze kiezen ervoor om na het overlijden van hun echtgenoot een sabbatjaar in te lassen. Eens de eerste verjaardag van het overlijden van hun partner was verstreken, ging men massaal tot een nieuw huwelijk over. Nog eens 12 maanden later, na twee jaar weduwschap, zag de situatie er helemaal anders uit. Bijna één weduwe op twee was toen hertrouwd.
Hoewel er een wezenlijk verschil is tussen het huwelijksgedrag van weduwnaars en weduwen blijkt het eindresultaat redelijk gelijkaardig. Wanneer men alleen komt te staan en kiest om te hertrouwen, zal men dat haast steeds doen de eerste jaren na het overlijden van de vorige partner.
Hertrouwen deed men bij voorkeur kort na het overlijden van de vorige partner. Een celibatair bestaan werd dus gemeden. Maar waarom hertrouwde men nu precies? Wat bepaalde de hertrouwmogelijkheden? Susan Grigg, duidde in haar artikel: “Toward a Theory of Remarriage”, vier elementen aan die de kans op hertrouwen beïnvloedden[80]. We zullen ze hier één voor één aan bod laten komen.
(a) De leeftijd
De leeftijd van de weduwe of weduwnaar was de belangrijkste factor bij een mogelijk tweede huwelijk[81]. Vooral bij de weduwes nam de kans op een tweede huwelijk met de leeftijd sterk af. Eens men de vijftig jaar had overschreden, zagen slechts weinig weduwes nog een kans op de huwelijksmarkt[82]. Helemaal anders lagen de kansen voor de mannen. Zelfs op ver gevorderde leeftijd slaagden zij erin om een nieuwe echtgenote te vinden. Niet zelden was hun nieuwe muze tientallen jaren jonger.
Tabel 13: De leeftijd van de weduwnaar bij hertrouwen in vijfjaarlijkse klassen in Izegem, 1780-1849.
|
Mannen |
1780 - 1789 |
1810 - 1819 |
1840 - 1849 |
|
|
|
|
|
|
20 – 24j. |
0 |
3,4 |
0 |
|
25 – 29j. |