| De Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië. Leden en Bevoegdheden (1627-1665). (Annelies Vanhaelst) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
II. De raadsleden.
1. Bezetting van de Hoge Raad.
1.1. Geplande en reële bezetting.
Bij de oprichting van de Hoge Raad in 1588 werd bepaald dat deze zou bestaan uit een raadsheer-zegelbewaarder, een raadsheer en een secretaris van State.[40] In 1627 besloot men een hoger aantal raadsheren en secretarissen in dienst te nemen en werd de betrekking raadsheer-zegelbewaarder omgevormd tot deze van ‘voorzitter’.[41]
Er bestaan verschillende meningen over het specifieke aantal raadsheren, Rabasco Valdés[42] stelde vast dat het aantal steeg. Janssens en Vermeir[43] veronderstelden dat de normale bezetting vier raadsheren, waaronder twee juristen, en één secretaris bedroeg.
Officieel wilde men in 1627 dat de Hoge Raad bestond uit een voorzitter, zes raadsheren en twee secretarissen. Maar of er aan deze vooropgestelde normen voldaan werd, is een andere zaak en zal hierna besproken worden.
De president van de Hoge Raad kon volgens de koning zowel van Spaanse of van Nederlandse afkomst zijn, maar verder werden voor het voorzitterschap geen bepalingen vastgelegd.[44]
In een anoniem consult van oktober 1627 werd aan Olivares voorgesteld om acht raadsheren, vier wereldlijken en vier geestelijken, en twee secretarissen, ‘uno de la guerra y otro de la paz’, aan te stellen.[45] Maar het Madrileense Hof bleef bij zijn beslissing, de Hoge Raad diende zes raadsheren te tellen. Van deze zes raadsheren moest slechts één uit Bourgondië afkomstig zijn en, ongeacht de nationaliteit, wenste de vorst drie juristen en drie edellieden in de Hoge Raad.[46] Dit wordt bevestigd door een consult van 1652 dat terugblikt op de oprichting van de Hoge Raad in 1627.[47] Van de edelen diende één van de hoogste adel te zijn en Filips IV zou hem dan tevens de betrekking van kamerheer of van kapitein van zijn lijfwachten toekennen.[48]
De vorst merkte in het voorjaar van 1627 ook op dat indien er in de Zuidelijke Nederlanden een raadsheer zetelde met een ‘espiritu inquieto’[49], deze persoon naar Spanje kon worden gestuurd om daar dan tot raadsheer van de Hoge Raad benoemd te worden. Filips IV was van mening dat hij er geen schade zou kunnen berokkenen.[50]
Benoemde en aanwezige raadsheren.

Toch waren er pas vanaf november 1628 leden in de Raad aanwezig.[51] Bovendien was er slechts één raadsheer, De Croÿ, op post, wat absoluut niet overeenstemde met het geplande aantal raadsheren. Dit lag niet aan Filips IV, hij had in de loop van 1627 en 1628 voldoende raadsheren benoemd.[52] Maar het was het gevolg van de weigering van enkele benoemde personen hun betrekking op te nemen en van de obstructiepolitiek van de Raad van Financiën die niet wou voorzien in de reisvergoedingen van de overige benoemde raadsheren in 1627.[53]
Eigenlijk zetelde nooit het voorziene aantal raadsheren in de Hoge Raad. Eind november 1652 besloot Filips IV één jurist meer aan te stellen, waardoor het totale aantal raadsheren op zeven kwam.[54] Met slechts vier benoemingen kwam men niet aan de geplande zeven, maar er werd wel een inspanning gedaan om tegemoet te komen aan de vraag van Filips IV, want in het najaar van 1652 werd De Coxie benoemd. Bovendien zetelden slechts in twee periodes, in 1628-1633 en in 1656-1659, alle benoemde raadsheren in de Hoge Raad.
In de reglementering van 1700 heeft men het over twee edelen en twee juristen, dus vier raadsheren in totaal. Misschien legde men dit toen zo vast, het kan natuurlijk ook zijn dat deze verandering zich al eerder voltrokken had. Maar van deze laatste veronderstelling werden geen sporen teruggevonden.[55]
Oorspronkelijk werden twee secretarissen aangesteld, net zoals dat het geval was geweest bij het college dat in 1621 opgericht was.[56] Omdat er één secretaris wegens omstandigheden in de onmogelijkheid verkeerde zijn ambt meteen op te nemen, werd een secretaris ad interim voorzien, Hernart, die deze functie waarnam totdat de benoemde secretaris er zijn betrekking kwam opnemen.[57] In 1648, kort na de dood van de secretaris Botin, opperde de Hoge Raad geen vervanger meer aan te duiden. Twee jaar later werd dit idee de nieuwe regel en van dan af telde de Raad slechts één secretaris meer.[58]
Van in het najaar van 1659 tot in 1667 bezat de Hoge Raad geen vastbenoemde secretaris. Dit kwam doordat Brecht, alhoewel hij pas in 1660 ontslag verleend werd, in de herfst van 1659 naar de Zuidelijke Nederlanden terugkeerde. Het duurde tot de zomer van 1667 vooraleer de volgende secretaris Vecquer werd aangesteld. Maar voordien oefende hij wel de functie al ad interim uit.
Aan het vooropgestelde aantal secretarissen en voorzitters werd in tegenstelling tot het aantal geplande raadsheren, wel voldaan. Maar dat wil niet zeggen dat zij altijd aanwezig waren. Sommigen kregen bijvoorbeeld diplomatieke opdrachten toegewezen, zoals de secretaris Brecht in 1640. En als er geen benoemde secretaris was, zoals gedurende de periode 1660-1667, stelde men een secretaris ad interim aan, waardoor het secretariaat steeds bemand bleef.
Geplande en reële bezetting in de Hoge Raad.

Als we nu kijken naar de dieptepunten in de personeelsbezetting, springen er drie in het oog, respectievelijk het jaar 1627 - hetwelk hierboven al aan bod kwam -en de periodes 1635-1639, 1653-1655 en 1660-1662.
De povere bezetting in de periode 1635-1639 was vooral aan de diplomatieke opdrachten van het personeel te wijten. In 1633 was de secretaris De Roy voor een politieke opdracht naar het Noord-Europa vertrokken, in 1635 vertrok de voorzitter Leganés naar Milaan en het raadslid De Croÿ naar Polen. De Gaverelles was al in 1634 huiswaarts gekeerd en begin 1637 overleed de secretaris De Brito. Gedurende vier jaar was er dus zo goed als geen enkele raadsheer aanwezig.[59] Als men de Raad wou behouden, was het nodig dat er dringende maatregelen getroffen werden, wat Filips IV in 1637 deed. Hij droeg de hoofd-voorzitter Roose op kandidaten - twee secretarissen, twee juristen en een financieel expert - te zoeken voor de Hoge Raad. Roose stelde Brecht voor als secretaris en deze laatste werd daarop in 1638 door de vorst benoemd. Later droeg Roose ook De Vulder en Asseliers als raadsheren naar voor, zij werden eind 1639 benoemd. Deze drie personen waren allen vertrouwelingen van Roose, die zouden doen wat hij hen opdroeg.[60] Daarnaast besliste Filips IV eind augustus 1638[61] bij koninklijk decreet een junta[62] op te richten die, zolang er geen raadsheren aanwezig waren, de taken van de Hoge Raad diende over te nemen. Hiertoe benoemde hij als leden de graaf van Oñate[63] en de hertog Villahermosa[64], en toen Brecht in Madrid aankwam werd ook hij in deze junta opgenomen.[65]
Deze situatie herhaalde zich in de jaren 1653-1655. Sinds begin mei 1653 waren noch de pas benoemde voorzitter Spínola noch de raadsheren Brun[66], De Coxie en Van der Piet[67] in de Hoge Raad aanwezig. Filips IV besliste toen bij koninklijk decreet dat Leganés zijn oude functie als president in de Hoge Raad opnieuw moest komen opnemen totdat de voorzitter of één van de raadsheren zijn ambt kwam vervullen.[68] In het najaar van 1653 nam Spínola zijn betrekking op en drie jaar later volgden ook De Coxie en Van der Piet[69].
Een laatste dieptepunt situeert zich in de jaren 1660 en 1661. In een consult van juni 1660 berichtte de Hoge Raad dat enkel de voorzitter Velada op post was daar de raadsheer De Coxie ernstig ziek was en vroeg de koning twee à drie nieuwe raadsheren aan te stellen.[70] Enkele dagen later werd Watteville al aangesteld. Maar daarnaast besliste Filips IV ook nog, bij koninklijk decreet, dat de toenmalige landvoogd, de markies van Caracena[71], hem twee kandidaten moest voorstellen.[72] Daarop werden eind juli 1660 Van Male en in het voorjaar van 1661 Van der Bruggen aangesteld.
Het lag hoofdzakelijk aan de obstructiepolitiek van de Collaterale Raden van de Zuidelijke Nederlanden dat er nooit voldaan werd aan het vooropgestelde aantal raadsheren, een thema dat hierna aan bod zal komen.[73]
1.2. Ereraadsleden.
De Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië had ook ereraadsleden, dit konden zowel ereraadsheren als eresecretarissen zijn. Zo werd bijvoorbeeld in 1629 de titel eresecretaris door de vorst aan Pieter Paul Rubens[74] verleend.[75]
1.3. De bezoldiging.
In 1627 werd beslist de jaarwedden van alle leden van de Hoge Raad te verhogen. Het kwam er op neer dat de voorzitter een bedrag van 16.000 gulden, een raadsheer 8.000 gulden en een secretaris 6.250 gulden zou ontvangen.[76]
Bovendien werd, in tegenstelling tot de vorige Hoge Raad, de ontvanger-generaal van Financiën van de Zuidelijke Nederlanden nu met de volledige betaling van de salarissen belast, zonder tussenkomst van Spanje.[77]
Toch waren de leden van de Hoge Raad niet tevreden met hun lonen. In oktober 1647 vroegen ze de vorst een loonsverhoging net zoals er één bij de raden in de Nederlanden was doorgevoerd. Voor zover ons bekend is, werd hier geen gevolg aan gegeven.[78]
1.4. De obstructiepolitiek van de Zuidelijke Nederlanden.
De obstructie werd gevoerd door de meeste landvoogden en de Collaterale Raden van de Zuidelijke Nederlanden om het zwaartepunt van de beschikkingen inzake het binnenlands bestuur in Brussel te houden.[79] Hierover getuigde de Hoge Raad ook, volgens hem lag de oorzaak van de grieven van de Collaterale Raden bij de Akte van Afstand van 1598. Van dan af verminderde hun belang, vooral dat van de Geheime Raad, in het bestuur van de Nederlanden. Meer en meer zaken werden door Madrid afgehandeld. Daardoor waren zij niet erg gesteld op de creatie van een Raad voor de Nederlanden te Madrid, vooral de Geheime Raad zou zich bijzonder ontevreden getoond hebben.[80]
Hieronder zal hoofdzakelijk de rol van de Raad van Financiën en van de hoofd-voorzitter van de Geheime Raad aan bod komen. Dit omdat zij in deze politiek een vrij duidelijk standpunt hadden en tastbare gegevens nalieten, die ons in staat stelden het verhaal min of meer te reconstrueren.
Alhoewel het hier om een strijd om macht gaat en dus om bevoegdheden, wordt dit stukje toch hier behandeld omdat het verzet van de Zuidelijke Nederlanden een negatieve impact had op de lonen van het personeel en ook op het personeelsbestand zelf.
1.4.1. De Raad van Financiën.[81]
De moeilijkheden bij de uitbetaling van de lonen en andere onkosten van de leden van de Hoge Raad vormen een vervolg op deze waarmee de vorige Hoge Raad[82] te maken had gehad. Een eerste maal deden zich problemen voor in 1629, de Raad van Financiën verklaarde toen onvoldoende financiële middelen te bezitten om de lonen uit te betalen.[83] Eind dat jaar gaf de Hoge Raad hier zijn opvattingen over. Hij besefte maar al te goed, dat indien er geen lonen uitbetaald werden, de benoemde raadsheren het zouden nalaten naar Spanje te komen. Bovendien zou het ook moeilijk zijn nieuw personeel dat over de nodige eigenschappen beschikte, te vinden.[84] Daarna duurde het een tiental jaar, in 1640[85], eer deze problematiek opnieuw opdook.[86] Vooral vanaf 1649[87] deden zich de grootste problemen voor.
Deze continuïteit bevond zich zowel op het vlak van de Raad van Financiën, die opnieuw met financiële moeilijkheden kampte, als bij de koning, die telkens op een stipte betaling bleef aandringen.
Bij de heroprichting van de Hoge Raad bepaalde Filips IV dat de Raad van Financiën voor de uitbetaling van de lonen een beroep kon doen op de opbrengsten van de licenties en de geïnde rechten bij de invoer van Engelse lakens en van paarden.[88]
In januari 1651 werd de betaling van de bezoldigingen door de koning opnieuw, net zoals bij de eerste Hoge Raad, aan de ontvangerij-generaal van Brabant[89] toevertrouwd.[90] Volgens Rabasco Valdés deed hij dit een eerste maal op 20 december 1650[91], waarschijnlijk is deze brief uit januari dus een herinnering aan het adres van de gouverneur-generaal Leopold-Willem[92].
Van dan af zijn aanmaningen aan het adres van de gouverneur-generaal legio.[93] Telkens opnieuw verzocht hij om de stipte uitbetaling van de lonen en andere vergoedingen, zoals beloningen. Filips IV wees hem er ook op dat het zijn wil was dat het Madrileense Hof een Hoge Raad voor de Nederlanden bezat. Opdat deze goed zou kunnen functioneren, was het nu eenmaal onontbeerlijk dat de raadsheren op tijd hun loon uitgekeerd kregen.[94] Tweemaal verklaarde hij zelfs dat dit moest gebeuren vóór de uitbetaling van andere raadsheren in de Nederlanden.[95]
Ook de Raad van Financiën liet niet na zijn grieven te uiten. Één van de argumenten was dat de lonen te hoog waren en eigenlijk door Spanje zouden moeten betaald worden.[96] Een andere keer argumenteerde hij dat ze de middelen ertoe niet hadden[97], of dat de domeinen in een erbarmelijke staat verkeerden[98]. In 1655[99] en in 1656[100] werd de tegenstand van de Staten van Brabant als oorzaak opgegeven. Datzelfde jaar lagen ook de kosten van het onderhoud van de vestigingsplaatsen in Frankrijk aan de basis[101]. Er werd zelfs niet altijd een reden vermeld.[102]
Begin 1656 drong de gouverneur-generaal er zelfs bij Filips IV op aan de Raad van Financiën van zijn plicht tot betaling te ontslaan. Deze Raad had immers dergelijke leningen aangegaan dat hij voor de onmogelijkheid stond nog verder lonen uit te betalen.[103] Dat Filips IV hier niet op in wou gaan, blijkt uit zijn schrijven later dat jaar, waarin hij aanhaalt dat de raadsheren dreigen hun post te verlaten, daar ze geen enkele bron van inkomen meer hebben.[104] Maar een latere gouverneur-generaal, de markies de Caracena, zag daarentegen geen enkel probleem. Volgens hem was de Raad van Financiën perfect in staat de lonen op tijd uit te betalen.[105]
De Geheime Raad mengde zich ook in deze problematiek en koos hierbij partij voor de Raad van Financiën. De Raad uitte zijn ongenoegen over het feit dat de uitbetaling van de lonen van de leden van de Hoge Raad voorrang kreeg op de andere lonen. [106]
Terwijl deze briefwisseling telkens op alle leden van de Hoge Raad samen sloeg, deed er zich vanaf 1663 een verandering voor. Dan kwam bijna enkel nog de situatie van de pas benoemde raadsheer, Esteban de Gamarra, aan bod. De Raad van Financiën weigerde steevast de Gamarra uit te betalen, zoals het uitgebreide schrijven getuigt.[107]
Er dient hier opgemerkt te worden dat de achterstallige betalingen tijdens de periode 1627-1665 bijna nooit meer dan één halfjaarlijkse termijn bereikten. De hele zaak werd duidelijk van beide kanten, zowel van de raadsheren van de Hoge Raad als van de Raad van Financiën, overdreven.[108]
De Raad van Financiën lag niet enkel dwars bij de bezoldiging, ook bij de door de koning toegekende financiële bijdrage voor de reis naar Spanje, liet hij zijn stem horen. Al van bij de heroprichting van de Hoge Raad was dit merkbaar, het was door deze onwil dat enkel De Croÿ in 1628 naar Madrid kon komen, de andere raadsheren zagen zich genoodzaakt in de Nederlanden te blijven.[109] Een ander voorbeeld is dat van De Coxie en Van der Piet, die door de problemen bij de uitbetaling van hun reisvergoeding pas vier jaar na hun benoeming in Madrid aankwamen.[110]
Deze gegevens laten ons toe te besluiten dat de Raad van Financiën door financieel onvermogen de uitbouw van de Hoge Raad belemmerde. Maar naar alle waarschijnlijkheid lag de politieke onwil nu en dan ook aan de basis. Niettemin gaf de Raad van Financiën meestal een reden van uitstel van uitbetaling op, wat het moeilijk maakt te achterhalen wanneer er van bewuste obstructiepolitiek sprake was.
1.4.2. De hoofd-voorzitter van de Geheime Raad.
Roose speelde zo mogelijk een nog belangrijkere rol in de obstructiepolitiek. De Hoge Raad werd een gemakkelijk manipuleerbare speelbal van zijn politieke aspiraties. Maar later zou de Raad tegen hem gebruikt worden.
Hij was ervan overtuigd dat zijn persoon, als hoofd-voorzitter van de Geheime Raad en voorzitter van de Raad van State, de werking van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië overbodig maakte.[111] Want, mede door de bijzondere en geheime instructies voor Don Ferdinand[112] waarin een groter belang aan het ambt van hoofd-voorzitter gegeven werd, kwam hij op een sleutelpositie in het Zuid-Nederlandse regeringsstelsel terecht, waardoor hij de macht bezat het beleid van de Zuidelijke Nederlanden mee te bepalen.[113] Hij maakte er ook geen geheim van dat hij de Hoge Raad zinloos vond en beschouwde zichzelf als hoofd-voorzitter perfect in staat de Nederlanden te besturen.
Maar hij kon altijd wel vertrouwelingen aan het Madrileense Hof gebruiken, zodoende plaatste hij er zijn mannetjes, zoals Brecht, De Vulder en Asseliers. Dit liet hem toe de Hoge Raad naar zijn hand zetten en zo beschikte hij over een officieuze informatiebron die hem inlichtingen kon verschaffen over beslissingen die aan het Hof genomen werden.[114]
Toen het aanzien van Roose taande en men zijn macht wou uithollen, probeerde men dit onder andere via de Hoge Raad. Onder meer door het aanstellen van een opponent, Brun, in die Raad. Ook de afschaffing ervan werd overwogen, om zo Rooses verbinding met het Madrileense Hof te verbreken. Bovendien leefde de idee dat de Hoge Raad toch overbodig was, zij leverde werk dat in de Nederlanden gemakkelijk kon overgenomen worden. Maar zo ver kwam het niet, de Consejo de Estado achtte de Raad noodzakelijk, hij vormde een schakel tussen Madrid en de Zuidelijke Nederlanden, een symbolische functie die toch niet onderschat mocht worden.[115]
1.4.3. Besluit.
De vlotte werking en de uitbouw van het personeelsbestand van de Hoge Raad werd vanuit verschillende kampen gehinderd. De voornaamste tegenstand kwam van de Raad van Financiën en de hoofd-voorzitter van de Geheime Raad. Beide situaties werden hierboven dan ook uitgebreid bestudeerd.
Eind de jaren 1620 voorzag de Raad van Financiën in onvoldoende reisvergoedingen waardoor er in 1628 slechts één raadsheer op post kon zijn. Maar ook later probeerde hij - al dan niet om reële redenen - op financieel vlak de werking van de Hoge Raad te ondermijnen.
De hoofd-voorzitter van de Geheime Raad was nu eens wel en dan weer niet tegen de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië. Dit hing voornamelijk af van de situatie waarin hij zich bevond. Over het algemeen wist hij de Hoge Raad naar zijn hand te zetten en gebruikte hij de Raad als middel om inlichtingen te verkrijgen. Toen men zijn macht wou beknotten overwoog het Madrileense Hof in de jaren 1643 en 1644 zelfs de Raad af te schaffen. Dit idee vond bijval in de Nederlanden, de Collaterale Raden drongen aan op de afschaffing van de Hoge Raad omdat het onderhoud van deze Raad volgens hen te duur was en vooral omdat zij de Raad nog steeds als een concurrent beschouwden. [116]
1.5. Ambtstermijn.
Er werd geen ambtstermijn voor de voorzitter voorzien, maar wel voor de raadsheren en secretarissen. Rabasco Valdés en Wynants namen terecht aan dat de ambtstermijn van de raadsheren theoretisch drie jaar bedroeg.[117] Maar in de praktijk hield men zich niet aan deze bepaling.[118] Ongeveer de helft van de raadsheren die naar de Zuidelijke Nederlanden terugkeerden, bleven hun benoeming, maar niet de wedde, voor de rest van hun leven behouden.[119] Dit was ook het geval bij Brun en Gamarra ofschoon zij er nooit hun post bekleed hadden.
Naar alle waarschijnlijkheid gold voor de secretarissen dezelfde termijn als voor de raadsheren. Maar ook deze bepaling werd niet nageleefd en dienden zij allen, behalve Brecht, tot aan hun overlijden.
De biografieën zijn opgesteld volgens het onderstaande model:
ACHTERNAAM (en verschillende wijzen), voornaam en voorvoegsels, geboorte- en overlijdensdatum.
1. Titels (adellijk, heerlijkheden)
2. Afkomst (beroep en sociale leefwereld van de vader)
3. Nationaliteit
4. Opleiding
5. Ambt bekleed in de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië, wanneer en effectief aanwezig geweest of niet
6. Carrièreverloop (voor - tijdens - na het ambt in de Hoge Raad)
7. Andere opdrachten
8. Netwerk of patroon
Gebruikte conventies:
$ = later dan die datum of dat jaar
á = waarschijnlijk later dan die datum of dat jaar
< = voor deze datum of dat jaar
[ = waarschijnlijk voor deze datum of dat jaar
(x) = vanaf die datum, onduidelijk tot wanneer
(x -y) = vanaf datum x tot datum y
* = onduidelijk wanneer
° = datum of jaar van geboorte
† = datum of jaar van overlijden
? = hier bestaat geen zekerheid over
Voor bronvermelding: zie bijlage, pagina 127.
- ASSELIERS, Robert (De of Van), ° 1576, † 28 november 1661.
1. ridder (1640)
2. Guillaume Asseliers, raadsheer in de Raad in Brabant
3. Brabant
4. doctor in de rechten
5. - raadsheer (eind 1639, begin 1640 - voorjaar 1652)
- zegelbewaarder (*; bij afwezigheid van Leganés)
- aanwezigheid: kwam in maart 1640 aan
6. voor:
- auditeur-militair van een Iers leger dat zich aan de Rijn bevond (< 1619)
- raadsheer in de Raad in Brabant (1619)
- advocaat-fiscaal in de Raad van Brabant (februari 1632)
tijdens:
- afgevaardigde van de Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondië in de Junta de la media annata (begin oktober 1644 - voorjaar 1652)
- lid van de Junta en la posada del inquísidor general (14 november - 18 december 1645)
na:
- kanselier van Brabant (5 juni 1651)
- raadsheer in de Raad van State (begin oktober 1651)
onduidelijk:
- raadsheer in de Raad van Financiën (*)
7. /
8. - Roose en Asseliers hadden elkaar leren kennen in de Raad van Brabant en aan die vriendschap had Asseliers zijn benoeming in de Hoge Raad te danken. Samen met De Vulder en Brecht was hij er de vertrouweling van Roose.
- Indien Asseliers effectief raadsheer in de Raad van Financiën zou geweest zijn, kan hij daar Brecht, Brouchoven en / of De Roy leren kennen hebben.
- Asseliers werd kanselier van Brabant toen Van der Bruggen en Van Male raadsheren in de Raad van Brabant waren. Later werd ook Locquet raadsheer van deze Raad.
- Botin, Juan, ° *, † najaar van 1648.[120]
1. /
2. /
3. Spanje (?)
4. /
5. - secretaris (30 juni 1647)
- aanwezig: ja
6. voor:
- actief in het secretariaat van de Consejo de Estado (< 1647)
7. /
8. /
- Brecht, Jacques, ° 1581, † *.
1. ridder
2. /
3. Brabant
4. /
5. - secretaris (12 april 1638 - voorjaar 1660)
- lid van de junta die tijdelijk de taken van de Hoge Raad overnam (augustus 1638)
- aanwezigheid: onderbroken
6. voor:
- griffier in de Raad van Financiën (1624, 1630 of 1631 - voorjaar 1652)
tijdens:
- griffier in de Raad van Financiën (1624, 1630 of 1631 - voorjaar 1652)
- lid van de Junta en la posada del inquísidor general (14 november - 18 december 1645)
- gecommitteerde in de Raad van Financiën (2 november 1652 - voorjaar 1658)
7. tijdens:
- geheime missie in Frankrijk (maart 1640)
8. - Brecht had zijn benoeming in de Hoge Raad te danken aan Roose. Samen met De Vulder en Asseliers was hij er de vertrouweling van Roose. Hij was ook een intimus van Olivares.
- Indien Asseliers raadsheer in de Raad van Financiën geweest was, kon hij daar Brecht al leren kennen hebben. Brecht leerde in deze Raad ook De Roy kennen.
- Brito (Britto), Juan Osvaldo De, ° *, † begin 1637.
1. /
2. /
3. /
4. /
5. - secretaris (15 november 1628 - begin 1637)
- aanwezig: ja
6. voor:
- secretaris van het departement verantwoordelijk voor de briefwisseling tussen Madrid en de landvoogdes Isabella (mei 1622 - 15 november 1628)
7. /
8. In 1633 werd vastgelegd dat De Brito samen met De Gaverelles, De Croÿ, De Roy en de baron d’Auchy[121] Filips IV zouden helpen de goede naam en reputatie van de hoofd-voorzitter van de Geheime Raad, Roose, hoog te houden.
- Brouchoven, Jan Baptist Van, ° < 19 september 1619, † 13 november 1681.
1. graaf (9 december 1676), baron van Bergeyck (2 mei of 1 juni 1665) en ridder in de orde van Santiago (1660)
2. jonkheer Gerard van Brouchoven, in 1620 in de adelstand verheven, schepen in ’s-Hertogenbosch, raadsheer en rentmeester-generaal van de Staten van Brabant in het kwartier van Den Bosch
3. Noord-Brabant
4. /
5. - raadsheer (12 mei 1663 - 13 november 1681)
- aanwezigheid: onderbroken
6. voor:
- schepen in Antwerpen (1643 - 1644)
- stadsthesaurier in Antwerpen (1648 - 1649)
- commissaris voor de aanwerving van soldaten (11 augustus 1650)
- hoofd van de contadorie of conseiller et contador des gens de guerre (juni 1651)
- raadsheer en gecommitteerde in de Raad van Financiën (29 mei 1655)
- adjunct bij de aanwerving van soldaten (1658)
- superintendant van de aanwerving van soldaten (1660)
tijdens:
- raadsheer in de Raad van State (21 april 1665)
- waarnemend ambassadeur in Londen (eind 1674 - mei 1675 en augustus 1676 - juli 1677)
7. tijdens:
- Als afgevaardigde naar Den Haag gezonden om er de Verenigde Provinciën proberen te overtuigen een alliantie aan te gaan met Spanje (najaar van 1667).
- Als buitengewoon gezant naar het Duitse Rijk gezonden om er te overleggen met de vorsten over onder meer de hulpverlening aan de Republiek (1672).
- Naar het Spaanse Hof gezonden om er de erbarmelijke toestand van het Ejército de Flandes te belichten (januari 1676).
8. - Indien Asseliers effectief raadsheer in de Raad van Financiën zou geweest zijn, kan hij daar Brouchoven leren kennen hebben.
- Kan Van der Bruggen leren kennen hebben in Antwerpen, zij waren er beiden schepen. Maar van Van der Bruggen is niet geweten wanneer hij deze functie uitoefende.
- BRUGGEN (Brughen), Koenraad Van der of Van den, ° *, † 13 oktober 1662.
1. ridder (1662)
2. Jérôme Van der Bruggen
3. Brabant
4. rechten in Leuven (1636)
5. - raadsheer (22 januari 1661 - 13 oktober 1662)
- lid van een junta (juni 1662)
- aanwezigheid: pas in februari 1662 aangekomen en onderbroken
6. voor:
- schepen in Antwerpen (< 1648)
- raadsheer in de Raad van Brabant (juli 1649 - juni 1657)
- raadsheer in de Geheime Raad (juni 1657) (pas vanaf februari 1658 waargenomen)
- raadsheer in de Opperste Admiraliteitsraad (27 juli 1660)
7. voor:
- Werd voor de verzekering van de Vrede van Münster naar Holland gestuurd (mei 1648).
- Regelde een grenskwestie in Brussel met Frankrijk als gevolg van de Vrede van de Pyreneeën (januari 1660).
tijdens:
- Onderhandelde met de Franse koning, Lodewijk XIV, over de overdracht van een grensstad (september 1662 - oktober 1662).
8. - Asseliers werd kanselier van Brabant toen Van der Bruggen raadsheer in de Raad van Brabant was.
- Kan Brouchoven leren kennen hebben in Antwerpen, zij waren er beiden schepen.
- Leerde Van Male kennen in de Raad van Brabant. Zij zetelden later ook samen in de Geheime Raad.
- BRUN, Antoine, ° 29 juni 1599, † 2 januari 1654.
1. baron (juli 1653) en ridder
2. Claude Brun, advocaat, advocaat in het Parlement van Dole, kreeg enkele diplomatieke opdrachten toegewezen.
3. Bourgondië
4. filosofie in Lyon (1617), daarna rechten in, afwisselend, Dole en Bourges
5. - raadsheer (7 januari 1642 - 2 januari 1654)
- aanwezig: neen
6. voor:
- advocaat (< juni 1632)
- procureur-generaal in het parlement van Dole (juni 1632 - najaar 1645)
- lid van verschillende militaire raden (1636)
- raadsheer in de Geheime Raad (13 april 1639) (heeft zijn plaats nooit ingenomen)
tijdens:
- raadsheer in de Raad van Vlaanderen (begin 1643)
- raadsheer in de Raad van State (26 mei 1645)
- ambassadeur in Den Haag (22 juli 1648 - 2 januari 1654)
- tweede hoofd van de Raad van Financiën (juli 1653 - 2 januari 1654)
7. voor:
- Kreeg politieke opdrachten van groot belang toegewezen, waarvoor hij onder andere naar Frankrijk en Zwitserland trok, in dienst van de gouverneur van Franche-Comté of van het parlement van Dole (vanaf 1631).
- Stond in voor de politieke correspondentie bij de belegering van Dole, verzorgde de briefwisseling van het parlement met het Spaanse Hof, de hertog van Lotharingen en andere (1636 - 1637).
- Vormde samen met de markies van Saint-Martin en de president van het parlement van Dole, Boyvin, een triumviraat dat de kern van het verzet in Dole vormde tegen de Franse invasiemacht (1636 - 1637).
- Verdedigde de belangen van de Bourgondische Kreits op de Rijksdag van Regensburg (oktober 1640) en ook deze van het Paltsgraafschap en van Spanje (juni 1641) in Wenen (najaar 1641).
tijdens:
- Verdedigde de belangen van de Bourgondische Kreits op de Rijksdag van Frankfurt (juli 1642) en in Münster (augustus 1643).
8. - Roose had zijn veto gesteld bij de benoeming van Brun tot raadsheer van de Geheime Raad, daardoor kon Brun nooit in deze Raad zetelen.
- Later werd Brun als tegenstander van Roose in de Hoge Raad benoemd, als één van de middelen Rooses macht uit te hollen.
- COXIE, Michel De, ° *, † najaar 1660.
1. ridder (1656)
2. /
3. Zuidelijke Nederlanden
4. /
5. - raadsheer (najaar 1652 - juni 1660)
- aanwezig: vanaf 1656
6. voor:
- raadsheer en advocaat-fiscaal in de Grote Raad van Mechelen (5 november 1638)
7. tijdens:
- Kreeg de opdracht in naam van de Hoge Raad Filips IV, Maria Anna van Oostenrijk[122] en de Infante, Maria Theresa[123] op de ceremonie van de Vrede van de Pyreneeën feliciteren (12-13 november 1659), maar hij werd hier te laat over geïnformeerd.
8. Leerde Van der Piet en De Vulder kennen in de Grote Raad van Mechelen.
- Croÿ, Jean De, ° *, † 1640.
1. markies van Renty, graaf van Solre, baron van Molembaix, ridder van d