De weg naar het Hof. De activiteiten van 43 grafelijke ambtenaren in Den Haag aan het eind van de Middeleeuwen (1483-1506). (Serge ter Braake)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

5 Netwerken

 

Voor de Middeleeuwen worden doorgaans vier soorten netwerken onderscheiden: netwerken gebaseerd op verwantschap, vriendschap, patronage en groepssolidariteit.[166] In de praktijk blijkt echter dat netwerken vaak op meerdere bindmiddelen gebaseerd waren, en vaak is het niet duidelijk dankzij welk bindmiddel een netwerk in eerste instantie ontstaan is. Familiebanden lijken voor de grafelijke ambtenaren het meest belangrijke bindmiddel geweest te zijn dat aan een netwerk ten grondslag kon liggen, of automatisch voortvloeide uit een netwerk gebaseerd op een ander bindmiddel. Kokken en Brand signaleerden reeds dat familiebanden bepalend leken te zijn voor de politieke rol die iemand in een stad kon spelen in de late Middeleeuwen. De familie lag aan de basis van de economische, sociale en politieke reproduktie, waardoor de maatschappelijke kansen van het individu in hoge mate bepaald werden door de status en positie die de familie in de stad innam. Onder de bezittende burgerij en de stadsadel gold het huwelijk als bindmiddel tussen families die dezelfde belangen te verdedigen hadden.[167]

Ik heb er voor gekozen eerst de netwerken van twee individuele ambtenaren te behandelen om vervolgens verder in te gaan op de familienetwerken. Van de individuele ambtenaren is mijn keus gevallen op Jan van Egmond en Thomas Beukelaar, omdat zij het meest begunstigd werden door zowel de graaf als door Leiden en omdat uit alle gegevens blijkt dat zij de meest prominente rol speelden van alle grafelijke ambtenaren uit de populatie. Niet alleen hun netwerken zelf zijn hier getuige van, maar ook het feit dat in de rekeningen vanaf 1494 soms nadrukkelijk wordt vermeld dat een ambtenaar werd aangesteld op advies van Jan of Thomas.[168] Het is daarom bij voorbaat voor deze twee mannen het meest aannemelijk dat zij de rol van makelaar of patroon konden aannemen. Hoewel Thomas minder sterk werd begunstigd dan Jan is hij actiever geweest in het aanbevelen van mannen voor bepaalde functies. Omdat Jan van Egmond zijn positie vooral te danken had aan de succesvolle rol die hij rond 1480 speelde in de oplaaiende Hoekse en Kabeljauwse twisten, heeft zijn netwerk een heel ander karakter dan dat van Thomas Beukelaar die zijn succes te danken had aan de verschillende rentmeesterfuncties die hij bekleedde. Het netwerk van Jan van Egmond berustte vooral op Kabeljauwse groepssolidariteit en dat van Thomas Beukelaar op patronage of vriendschap. Een andere reden om deze twee mannen centraal te stellen was dan ook het feit dat hun netwerken weinig overlap vertonen.

 

 

5.1 Kabeljauwse netwerken

 

De Hoekse en Kabeljauwse twisten, die vanaf 1350 regelmatig speelden in Holland, vonden aan het einde van de vijftiende eeuw een climax waarbij het evenwicht uiteindelijk definitief omsloeg in het voordeel van de Kabeljauwen. Na een periode van relatieve rust waren de Hoekse en Kabeljauwse twisten weer opgelaaid in de jaren zeventig van de vijftiende eeuw omdat Karel de Stoute geprobeerd had beide partijen bij onderhandelingen over de beden tegen elkaar uit te spelen.[169] Dit ontaardde na zijn dood in een aantal schermutselingen waarbij een niet gering aantal vorstelijke vertegenwoordigers betrokken waren. Vanaf 1478 ontpopte Jan van Egmond zich bij deze twisten als officieuze leider van de Kabeljauwen,[170] en onder zijn 'leiding' kregen de Kabeljauwen de overhand. Ik zal hier eerst de gebeurtenissen omtrent de partijstrijd in vogelvlucht behandelen om vervolgens aandacht te schenken aan het Kabeljauwse netwerk en de uiteindelijke dominante rol van de Kabeljauwen in het landsheerlijk bestuur.

 

5.1.1 Oplaaiende twisten na de dood van Karel de Stoute

 

Direct na de dood van Karel de Stoute in 1477 werd de toon voor de twisten gezet toen Hoeken de macht in Dordrecht, Gouda, Schoonhoven en Hoorn grepen. Al gauw werden de spanningen ook zichtbaar in Den Haag, toen de stadhouder Wolfert van Borselen in november 1478 in conflict kwam met onder andere de Kabeljauwen Jan en Filips van Wassenaar en Jan Oom van Wijngaarden de oude. Ze hadden een verschil van mening over het jachtrecht in het duin- en bosgebied bij de Noordzee. Sinds dit meningsverschil werd Wolfert vrijwel automatisch tot de Hoekse partij gerekend. Hetzelfde jaar moesten Gerrit van Assendelft, Jacob Ruysch en Cornelis de Jonge een vechtpartij onderzoeken tussen de knechten van Wolfert van Borselen en de knechten van de Kabeljauw Lieven van Kats, die op dat moment baljuw van Den Haag was. Waarschijnlijk waren bij deze vechtpartij ook knechten van Jan van Wassenaar en Jan van Kats (Lievens broer) betrokken. Later werd nog een onderzoekscommissie van de Grote Raad ingesteld waar Jacob van Almonde en Filips Ruychrock van de Werve deel van uit maakten.[171] De spanning steeg nog verder toen Jan van Egmond in januari 1479 door Wolfert van Borselen gedaagd werd wegens smaad. Jan zou beweerd hebben dat Wolfert een geheime correspondentie met de Franse koning onderhield.[172]

Omtrent 24 juni 1479 kwamen de ontwikkelingen tussen beide partijen in een stroomversnelling toen in een herberg ruzie ontstond tussen de dienaren van Wolfert van Borselen en die van Jan en Filips van Wassenaar. Op 3 juli 1479 trokken Jan van Egmond en Jan van Wassenaar vervolgens aan het hoofd van een Kabeljauws leger naar Leiden om een aantal Hoeken te arresteren.[173] Hierbij waren onder andere ook Jan van Rietveld en Tielman Oom van Wijngaarden (de broer van Jan) aanwezig.[174] Op 5 of 6 juli werden, bij afwezigheid van de stadhouder, de knechten van Wolfert van Borselen belegerd op het Binnenhof door onder andere Jan van Egmond, Jan en Filips van Wassenaar en Jan en Lieven van Kats. Wolferts huis werd hierbij geplunderd. Nadat de stadhouder tevergeefs had geprobeerd de raadsheren en afgevaardigden van Holland en Zeeland bij zich te roepen stuurde hij een leger naar Den Haag, wat leidde tot de plundering van Kabeljauwse huizen van onder andere Jan en Tielman Oom van Wijngaarden, Bartout van Assendelft en Willem de bastaard van Zwieten (de vader van de Dirk van Zwieten uit de populatie). Toen de Kabeljauwen terugkeerden in Den Haag werd het huis van onder andere Gerrit van Assendelft geplunderd, die blijkbaar als Hoek werd beschouwd. Wolfert van Borselen was uitgeweken naar Rotterdam waar hij nogmaals probeerde de raadsheren bij zich te roepen. Alleen Gerrit van Assendelft en Jacob Ruysch gaven trouw gehoor aan zijn oproep. Veel kon Wolfert overigens niet uitrichten, want Filips van Wassenaar en Willem van Zwieten hadden de grafelijke zegelstempel en registers meegenomen waardoor het onmogelijk werd het landsbestuur en de grafelijke rechtspraak te hervatten.[175]

Toen Maximiliaan in 1480 persoonlijk de twisten probeerde te beëindigen kwam hij met de Kabeljauwen een bede overeen. Bij die onderhandelingen waren onder andere Jan en Filips van Wassenaar, Arend van Zevenbergen, Arend van Duivenvoorde (de vader van de Jan van Duivenvoorde uit de populatie) en Jan van Kats aanwezig. Hetzelfde jaar kwam ook een verzoening met een deel van de Hoeken tot stand.[176] Mannen die teveel met één van de twee partijen geassocieerd werden, namelijk Wolfert van Borselen, Jan van Kats, Filips van Wassenaar, Tielman Oom van Wijngaarden en Hugo van Zwieten, verdwenen uit de Raad. Bij wijze van uitzondering werd de Henegouwer Joost van Lalaing als stadhouder aangesteld omdat hij als buitenstaander boven de twisten zou staan. Opvallend is dat twee van de neutrale onderzoekers uit de Grote Raad, Jacob van Almonde en Filips Ruychrock van de Werve, nu raadsheer werden in Holland.[177]

Ondertussen waren Dordrecht, Gouda en Schoonhoven echter nog steeds in handen van opstandige Hoeken. Bovendien werd in januari van het jaar 1481 Leiden weer 'heroverd' door de Hoeken. Dit was extra pijnlijk voor de Kabeljauwen omdat Filips van Wassenaar bij deze actie gevangen werd genomen. Hij was op dat moment kapitein van de wacht maar lag met jicht op bed. Op 6 april 1481 sloeg Jan van Egmond terug en eindigde de strijd in Holland definitief in het voordeel van de Kabeljauwen. Hij nam Dordrecht in door middel van een list en de Hoeken in Gouda en Schoonhoven gaven zich daarna over. De Hoeken in Leiden vluchtten vervolgens naar het Sticht en lieten hun gevangene Filips van Wassenaar achter.[178] De meesten van hen waren of veroordeeld of in staat van beschuldiging gesteld door Jan van Rietveld[179] die in 1480, wat ongetwijfeld niet op toeval berust, procureur-generaal was geworden.

De strijd verplaatste zich vervolgens naar Utrecht en was nu officieel geen strijd meer tussen twee partijen binnen Holland, maar een oorlog tussen de Hollandse graaf en de Hoekse ballingen in het Sticht. Op 5 augustus 1483 sneuvelde stadhouder Joost van Lalaing door een kanonschot, voordat in september de vrede tot stand kwam met Maximiliaan als overwinnaar. Op 7 oktober werd Jan van Egmond tot stadhouder benoemd en was de Kabeljauwse overwinning compleet.[180]

 

5.1.2 Kabeljauwse netwerken in kaart gebracht

 

In tabel 3 (p. 40) heb ik geprobeerd de ambtenaren uit de populatie voor zover mogelijk als Hoeken, Kabeljauwen of 'neutralen' te kwalificeren (zie ook bijlage 3). In een aantal gevallen is dit redelijk makkelijk te doen zoals bij Jan van Egmond en de Van Wassenaars.  Problematischer is het om de partijkleur van de zoons van Kabeljauwse voormannen te bepalen, zoals Dirk van Zwieten en de beide Florissen Oom van Wijngaarden. Uit het volgende zal echter blijken dat de Kabeljauwse zoons zonder problemen tot de Kabeljauwen of in ieder geval het Kabeljauwse netwerk gerekend kunnen worden. Neutraal zijn de mensen die zich opzettelijk afzijdig hebben gehouden gedurende de twisten. Een goed voorbeeld hiervan is Filips Ruychrock van de Werve die in een brief zijn schoonzoon waarschuwde voor de verderfelijkheid van de partijstrijd. Jacob van Almonde, Jacob Ruysch en Cornelis de Jonge hebben tijdens het losbarsten van de partijstrijd in 1479 voor zover te zien valt ook een neutrale positie ingenomen. Als trouwe grafelijke vertegenwoordigers stuurden ze een bode naar Maximiliaan om hem op de hoogte te brengen van de belegering van het Binnenhof.[181] Gerrit van Assendelft had zich volgens Van Gent afzijdig gehouden in de partijstrijd, maar dit is onlangs bestreden door Glaudemans.[182] Juist in 1479 had Gerrit namelijk een conflict met de Kabeljauw Frank Ruychrock, met wie hij al jaren op vijandige voet stond. Frank had Gerrits vrouw in 1479 aangevallen met een bijl en later plunderden hij en een aantal gezellen het huis van Gerrit. Niet veel later vereerden Gerrit, zijn zoon Klaas en een aantal vrienden het huis van Frank met een soortgelijk bezoek.[183] Bovendien gaven de zoons van Gerrit van Assendelft duidelijker dan hun vader blijk van Hoekse sympathieën,[184] en is de vernieling van Gerrits huis door terugkerende Kabeljauwen in 1479 een duidelijk teken dat hij, terecht of niet, door tijdgenoten tot de Hoeken werd gerekend. Daarom heb ik besloten om Gerrit als gematigde Hoek te kwalificeren.

Het is nu zaak te kijken of de geïdentificeerde Kabeljauwen ook buiten en na de partijstrijd connecties met elkaar aangingen en of ze banden hadden met mannen die later gewestelijk ambtenaar werden. Uit de sententieregisters blijkt dat Jan van Egmond zijn positie van stadhouder gebruikte om een goede invloed te hebben op de processen waar Jan of Filips van Wassenaar bij betrokken waren. Jan van Egmond was over het algemeen niet vaak aanwezig bij de zittingen van de Raad (zie bijlage 4) en het kan daarom geen toeval zijn dat hij juist wel aanwezig was bij het niet geringe aantal processen waar één van de Van Wassenaars bij betrokken was.[185] Ook materiële transacties laten de verbondenheid van de drie Kabeljauwse kopstukken zien. De vader van Jan van Egmond nam na 1466 een hoekhuis aan de westzijde van de Vijverberg in Den Haag van Filips van Wassenaar over, en de lenen van Jan van Wassenaar waren belast met meerdere renten aan Filips.[186] Veel betrokkenheid met lagere Kabeljauwen lijkt Jan van Egmond niet gehad te hebben. Wel was Floris Oom van Wijngaarden Florisz. zijn rentmeester vanaf in ieder geval 1508[187] en schonk hij in 1498 het bodeambacht van Weesp aan Jan de bastaardzoon van Jan van Rietveld.[188]

De beide Van Wassenaars hadden wel duidelijke banden met de minder hoge (Kabeljauwse) edelen. De Van Duivenvoordes, waaronder de Kabeljauw Arend van Duivenvoorde en zijn zoon Jan van Duivenvoorde uit de populatie, waren sinds de dertiende eeuw een zijtak van de Van Wassenaars en voelden zich ook nog steeds verwant.[189] Bovendien was Arend van Duivenvoorde, net als Cornelis van Dorp en Jan Oom van Wijngaarden, leenman van Jan van Wassenaar.[190] Lieven van Kats, die een neef was van Jan Oom van Wijngaarden, was reeds in 1470 een vertrouweling van Jan van Wassenaar.[191] Enigszins mysterieus is de relatie die de familie Van Spangen met de Van Wassenaars had. Zeker is dat Filips van Spangen in 1497 leenhulde deed voor de zoon van Jan van Wassenaar, Jan II van Wassenaar, die na de dood van zijn vader nog minderjarig was.[192] Wellicht wierp Filips zich als naast familielid op want er was een traditie die zei dat de familie Van Spangen een jongere tak was van de burggraven van Leiden en dus van de Van Wassenaars. Om die reden liet Filips vermoedelijk ook de leeuwenkoppen op het familiewapen weg zodat dit meer op dat van de Van Wassenaars leek.[193] Hoewel het burggraafschap niet veel meer voorstelde in de tijd dat Jan van Wassenaar deze titel had, kwam hij regelmatig in Leiden. Wat hierbij opvalt is dat hij bij die uitstapjes soms ook een aantal niet bij name genoemde raadsheren met zich meenam, in jaren dat hij officieel niets met de Raad te maken had. Zo kwam hij in 1486 naar Leiden en nam een aantal anonieme raadsheren en Jacob Pijnsen met zich mee.[194] Dat Jan van Wassenaar een informele invloed bleef houden op de Raad blijkt ook uit een eenmalig optreden als onbezoldigd raadsheer op 5 juli 1488 samen met zijn leenman Cornelis van Dorp.[195] Beide heren lijken het dat jaar bij dit eenmalige optreden gelaten te hebben. Filips van Wassenaar tenslotte, had het rentmeesterschap van het Haagse bos in handen vanaf in ieder geval 1486 tot 1492 en liet het uitoefenen door Jacob Clamp.[196]

De Kabeljauwse families waren ook door huwelijken verbonden. Filips van Wassenaar had een dochter van Arend van Zevenbergen als echtgenote, en in 1511 trouwde Jan II van Wassenaar met Josina, een dochter van Jan van Egmond. Daarvoor was Jan II al onder de voogdij komen te staan van Margaretha van York, die zou worden bijgestaan door Jan van Egmond.[197] Floris Oom van Wijngaarden Florisz. trouwde met Margriet van Zwieten, die de dochter was van bovengenoemde Willem van Zwieten en dus de zus van Dirk van Zwieten.[198] Twee dochters van de Kabeljauw Arend van Duivenvoorde, huwden met telgen van het geslacht Oom van Wijngaarden. Maria trouwde met Jacob Oom van Wijngaarden (de broer van Floris Florisz.) en Arnoldina trouwde met Floris Jansz.[199]

 

5.1.3 De Kabeljauwen als grafelijke vertegenwoordigers

 

Mario Damen meende dat aan het eind van de jaren tachtig van de vijftiende eeuw de partijstrijd ten einde was en dat  raadsheren steeds meer  in de Raad kwamen dankzij een rechtenstudie.[200] In dit hoofdstuk zal ik daarentegen aantonen dat de samenstelling van de Raad, en de bekleding van het ambt van procureur-generaal, nog tot het einde van de vijftiende eeuw mede bepaald werd door de steeds dreigende partijstrijd. Hoewel de twisten in de jaren tachtig van de vijftiende eeuw doodbloedden, mag niet vergeten worden dat de tijdgenoten toen nog niet konden weten dat het ergste al voorbij was en dat ze nog reden genoeg konden zien om op hun hoede te blijven. In hoofdstuk 6 zal ik bovendien aantonen dat ook nog minstens tot het einde van de vijftiende eeuw een Kabeljauws overwicht bleef bestaan in het bestuur en de schutterij van Den Haag.

Het laatste moment dat Van Gent aanwees van een hervorming in de Raad ten gunste van de Kabeljauwen is dat van 22 mei 1482. Maximiliaan verving Willem van Berendrecht en Jan van Kruiningen door Filips van Wassenaar en Gerrit van Abbenbroek. Willem van Berendrecht en Gerrit van Abbenbroek zouden zich volgens Van Gent niet sterk als Hoek of Kabeljauw hebben gemanifesteerd, hoewel Willem uit een Hoekse familie kwam en door hem onder voorbehoud tot de gematigde Hoeken werd gerekend. De Kabeljauwse versterking kwam vooral van de kant van Filips van Wassenaar.[201] Inderdaad is het aannemelijk dat Filips van Wassenaar twee jaar na de zuivering van de Raad van al te prominente partijgangers nu wel acceptabel was. Over Gerrit van Abbenbroek valt nog op te merken dat hij ook wel tot de Kabeljauwen gerekend is, en bovendien in oktober 1481 gevangen werd genomen in de oorlog met Utrecht wat hem zeker niet Hoeks gezind gestemd zal hebben.[202] Zeer opvallend is dat ook Filips van Wassenaar in 1481 gevangene van de Hoeken was. Wellicht dacht Maximiliaan zeker te kunnen zijn van de trouw van deze twee ex-gevangenen in een tijd dat de Utrechtse oorlog nog voortduurde.

Kijken we vervolgens naar 1483, het jaar waarin de Utrechtse oorlog beëindigd werd, dan zien we twee mannen in de Raad, Jan van Egmond als stadhouder en Filips van Wassenaar als raadsheer, die overduidelijk tot de Kabeljauwse partij hoorden. Gerrit van Abbenbroek en Arend van Zevenbergen waren twee raadsheren die gematigde Kabeljauwen genoemd kunnen worden. Hier stonden vier neutrale bezoldigde raadsheren tegenover, namelijk Jacob van Almonde, Filips Ruychrock van de Werve, Jacob Ruysch en Cornelis de Jonge. Gerrit van Assendelft tenslotte, bleef als enige Hoek in de Raad. Hij was toen echter al op leeftijd en had het landsheerlijk gezag al vanaf 1453 trouw gediend. Er is één duidelijk geval bekend waarin Jan van Egmond zijn positie van stadhouder gebruikt heeft om de samenstelling van de Raad te beïnvloeden. In 1514 wilde Margaretha van Oostenrijk een verder niet geïdentificeerde Klaas van Assendelft aanstellen als onbezoldigd raadsheer. Jan protesteerde met succes door te beweren dat Klaas net als zijn voorouders een man was die zich met partijstrijd bezighield. Hij zelf daarentegen zou altijd alle partijstrijd hebben proberen te bedwingen.[203] Uit het volgende zal blijken dat dit naar alle waarschijnlijkheid niet de eerste keer was dat Jan zijn invloed deed gelden om de Raad zo veel mogelijk Kabeljauws te houden.

In 1484 werd het Kabeljauwse overwicht versterkt door de aanstelling van Jan van Rietveld als bezoldigd raadsheer in de plaats van Filips Ruychrock van de Werve, die wel onbezoldigd raadsheer bleef. Toen Gerrit van Assendelft in 1486 overleed kwam de partijloze Zeeuw Jan van Wissenkerke in zijn plaats. Ondertussen bleef Jan van Wassenaar als onbezoldigd raadsheer in 1482, 1484, 1485 en 1488 (éénmalig, zie boven) ook invloed houden. De laatste verschuivingen in de Raad in Kabeljauws voordeel vonden plaats in de vroege jaren negentig. Hoewel Jan van Rietveld verdween als bezoldigd raadsheer in 1489,[204] zien we Bartout van Assendelft vanaf 1489 en Jan Oom van Wijngaarden vanaf 1491 als onbezoldigd raadsheer optreden. Ook Cornelis van Dorp en Filips van Spangen duiken sinds het eind van de jaren tachtig af en toe op in de Raad. De Kabeljauwse voorman Jan van Wassenaar werd in 1492 bezoldigd raadsheer in de plaats van de gematigde Kabeljauw Arend van Zevenbergen. Tellen we alles bij elkaar op dan zien we dat in 1492 vijf uitgesproken Kabeljauwen van 1479, Jan van Egmond, Jan en Filips van Wassenaar, Jan Oom van Wijngaarden en Bartout van Assendelft in de Raad zaten. Verder waren er nog steeds Gerrit van Abbenbroek als gematigd Kabeljauw en de neutralen Jacob Ruysch, Cornelis de Jonge en Jacob van Almonde. Wel duikt Willem van Berendrecht sinds 1490 weer op als onbezoldigd raadsheer. De overige bezoldigde en onbezoldigde raadsheren, Jan van Schoonhoven, Jan van Wissenkerke, Filips Ruychrock van de Werve, Jan van Essche, Gerrit van der Mije, Thomas Beukelaar (als rentmeester-generaal) en Simon Pietersz., hebben voor zover bekend geen rol gespeeld in de twisten. In 1492 hebben we dus een Kabeljauwse stadhouder en drie bezoldigde en twee onbezoldigde Kabeljauwse raadsheren. Hier staat Willem van Berendrecht als enige hooguit gematigde Hoekse onbezoldigde raadsheer tegenover. Hetzelfde jaar ontsteeg Jacob Clamp de anonimiteit, en verwierf een plaats in de behandelde populatie, door zijn aanstelling van controleur. Hij had toen zes jaar lang onder de hand van Filips van Wassenaar het ambt van rentmeester van het Haagse bos uitgeoefend, en de indruk ontstaat dat Filips een rol heeft gespeeld bij zijn aanstelling.

De versterkte positie van de Kabeljauwen kan wellicht verklaard worden uit de Jonker Frans-oorlogen (1488-1490) waarin een groep Hoeken onder leiding van Frans van Brederode, twee bastaards van Brederode en Jan van Naaldwijk voor onrust zorgden. Frans van Brederode was in 1488 door Filips van Kleef, die door opstandige Vlamingen in plaats van Maximiliaan was aangewezen als voogd van Filips de Schone, 'benoemd' tot stadhouder van Holland en Zeeland. Vervolgens was jonker Frans met zijn Hoekse alliantie, met behulp van manschappen van Filips van Kleef, begonnen zijn 'ambtsgebied' te veroveren. Rotterdam en Woerden werden ingenomen, maar uiteindelijk overmeesterde Jan van Egmond de 'usurpator' in de slag bij het Brouwershavense gat.[205] In deze situatie deed Maximiliaan waarschijnlijk graag een beroep op de Kabeljauwen, waarvan hij zeker kon zijn dat ze hem zouden steunen.

Later in de jaren negentig is er een natuurlijk verloop van de Kabeljauwen in de Raad. Filips van Wassenaar stierf in 1493, Gerrit van Abbenbroek in 1494 en Jan van Wassenaar in 1496. Jan Oom van Wijngaarden en Bartout van Assendelft waren na respectievelijk 1495 en 1497 niet meer actief in de Raad. Hierdoor was Jan van Egmond in 1498 als enige Kabeljauw van de 'oude garde' overgebleven. In plaats van de 'oude' Kabeljauwen zien we nu echter wel mannen in de Raad komen die tot Kabeljauwse families of het Kabeljauwse netwerk behoorden. Cornelis van Dorp kwam in 1493 in de plaats van Filips van Wassenaar, Filips van Spangen in 1494 in de plaats van Gerrit van Abbenbroek en Floris Oom van Wijngaarden Jansz. in 1496 in de plaats van Jan van Wassenaar. Bovendien werd Dirk van Zwieten vanaf 1495 onbezoldigd raadsheer. Hoewel Willem van Berendrecht in 1494 weer bezoldigd raadsheer werd in plaats van de neutrale Cornelis de Jonge, doet dit in verband met het bovenstaande alleen maar sterker vermoeden dat hij zich uit carrière-overwegingen vooral neutraal heeft opgesteld. De laatste Kabeljauwen van de nieuwe generatie die in de Raad kwamen waren Floris Oom van Wijngaarden Florisz. en Jan van Duivenvoorde. Ook zij kwamen in de plaats van mannen uit het Kabeljauwse netwerk. In 1503 kwam Floris, die van 1483 tot 1503 griffier was geweest, in de plaats van Cornelis van Dorp en in 1508 kwam Jan, die al vanaf 1500 onbezoldigd raadsheer was, in de plaats van Filips van Spangen.

Voor de rentmeesters-generaal en advocaten-fiscaal in de onderzochte periode is het niet bekend of ze partij hebben gekozen in de twisten. De procureurs-generaal vallen grotendeels wel bij de Kabeljauwen in te delen. Boven is reeds gebleken dat Jan van Rietveld na zijn hulp bij de Kabeljauwse inval in Leiden in 1479 procureur-generaal werd in 1480. Hij behield dit ambt tot 1484, toen de twisten over hun hoogtepunt waren en de Utrechtse oorlog was afgelopen. Hij werd opgevolgd door de meer anonieme Klaas Duyst Pietersz. die ook in 1480 al tijdelijk optrad als zijn vervanger. In 1489, toen de Jonker Frans-oorlogen volop in gang waren, kwam het ambt weer in handen van een duidelijke Kabeljauw, namelijk Bartout van Assendelft. Hij werd in 1491 opgevolgd door de Kabeljauwenzoon Dirk van Zwieten. In 1494, toen de Hoekse dreiging weer voorbij was, werd Karel Grenier, die vermoedelijk neutrale Henegouwse ouders had, procureur-generaal in zijn plaats.[206] De voorkeur voor Kabeljauwse procureurs-generaal ligt waarschijnlijk in het gegeven dat deze arrestaties konden verrichten en mensen in staat van beschuldiging konden stellen. Jan van Rietveld heeft zich, zoals boven bleek, verdienstelijk gemaakt door Hoeken te beschuldigen en te arresteren in het begin van de jaren tachtig. Ook Dirk van Zwieten heeft zich als procureur-generaal actief ingezet om Hoeken te vervolgen. Samen met Jan van Egmond ging hij nog in 1491 naar Haarlem om daar te bevelen dat de stad helpen moest bij het arresteren van de Hoek Jan van Naaldwijk ende meer andere van de slants vianden.[207]

Uiteindelijk kan geconcludeerd worden dat de Kabeljauwen vanaf 1482 en 1483 een dominante rol in de Raad hebben gespeeld. De Hoeken waren na de partijstrijd rond 1479 vrijwel geheel verdwenen uit de Raad. De Kabeljauwen behielden hun dominante positie en versterkten die zelfs toen de Hoeken sinds 1488 een bedreiging gingen vormen voor Maximiliaan. In 1492 en 1493 bereikten de Kabeljauwen hun sterkste bezetting in de Raad. Op het moment dat een Kabeljauw wegviel uit de Raad werd zijn plaats zonder uitzondering ingenomen door een partijgenoot of iemand die op andere wijze verbonden was aan de Kabeljauwse voormannen. Het meest belangrijke hierbij blijft dat hun 'kampioen' Jan van Egmond van 1483 tot 1515 stadhouder was. Hij was ook de enige Kabeljauw van de oude generatie die na 1497 nog actief was in het landsheerlijk bestuur. Jan genoot sinds 1481 grote populariteit wat onder andere tot uiting kwam in meerdere jaardichten en een historiedicht op de inname van Dordrecht.[208] Aan het eind van zijn leven had hij een legendarische status gekregen. Zo zou hij ouder dan negentig jaar zijn geworden en met grote eer geregeerd hebben.[209]

 

Tabel 3

Grafelijke vertegenwoordigers van 1483-1506

Partijvoorkeur

Gerrit van Abbenbroek

          k

Jacob van Almonde

          N

Bartout van Assendelft

          K

Gerrit van Assendelft

          h

Willem van Berendrecht

          h

Thomas Beukelaar

          -

Jacob Boudijnsz.

          -

Jan Boudijnsz.

          -

Jacob Clamp

          kn

Abel van Coulster

          -

Cornelis van Dorp

          kn

Jan van Duivenvoorde

          k

Jan van Egmond

          K

Jan van Essche

          -

Jacob Goudt

          -

Karel Grenier

          -

Jan van Haarlem

          -

Adriaan Pz. van der Hayman

          -  

Adriaan van Hogestein

          -

Cornelis de Jonge

          N

Reinier de Jonge

          -

Joost van Lalaing

          -

Gerrit van der Mije

        -

Jan van Noordwijk

          -

Floris Oom van Wijngaarden Fz.

          k

Floris Oom van Wijngaarden Jz.

          k

Jan Oom van Wijngaarden

         K

Jan van Oudheusden

         -

Klaas Duyst Pietersz.

         k?

Simon Pietersz.

         -

Jacob Pijnsen

         -

Jan van Rietveld

         K

Dirk van Rijswijk

         -

Filips Ruychrock van de Werve

         N

Jacob Ruysch

         N

Jan van Schoonhoven

          -

Filips van Spangen

         kn

Evert de Veer

         -

Jan van Wassenaar

         K

Filips van Wassenaar

         K

Jan van Wissenkerke

         -

Arend van Zevenbergen

         k

Dirk van Zwieten

         k

K = Kabeljauwse voorman. Heeft zich duidelijk onderscheiden als Kabeljauw.

k =  Gematigde Kabeljauw. Wordt gerekend tot de Kabeljauwse partij of is lid van een Kabeljauwse familie.

kn = Behoort tot het Kabeljauwse netwerk, maar heeft zich niet duidelijk als Kabeljauw onderscheiden.

N = Heeft zich in de twisten neutraal opgesteld.

h =  Gematigde Hoek. Wordt gerekend tot de Hoekse partij of is lid van een Hoekse familie.

 

 

5.2 Thomas Beukelaar

 

Met Thomas Beukelaar zal iemand behandeld worden die voor zover te achterhalen is nauwelijks banden had met de Kabeljauwse edelen uit de vorige paragraaf. Hij is een voorbeeld van een succesvolle ambtenaar die door de functies die hij bekleedde een sterke positie binnen Holland verwierf. Petra van Dam vergeleek zijn optreden met dat van de Bruggeling Pieter Lanchals, die een grote carrière maakte als centraal financieel functionaris. Beukelaar kwam als rentmeester van Zuidholland vanaf 1477 regelmatig bij hem over de vloer om rekeningen te laten nakijken of opstellen. Lanchals was toen algemeen ontvanger van de graaf en later gecommitteerde van de financiën. Hij was gehaat bij het volk omdat hij verantwoordelijk werd gehouden voor Maximiliaans fiscale en monetaire politiek waarbij hij zich sterk verrijkt zou hebben. Lanchals had negen maanden na het Groot Privilege de niet erg populair makende taak gekregen om manieren te vinden het verlies aan inkomsten door het privilege tegen te gaan. Toen Lanchals in 1488 door kwade Bruggelingen werd onthoofd bleek Beukelaar zijn papieren en enkele waardevolle voorwerpen onder zijn hoede te hebben.[210] Thomas had dus al voordat hij in 1490 rentmeester-generaal werd een vertrouwensrelatie met een centrale topambtenaar. In tegenstelling tot Lanchals wist Thomas zich echter niet te verrijken (zie paragraaf 3.2) en is ook niet door een executie om het leven gekomen.

Binnen Holland was Thomas ook een bekend figuur. Als rentmeester van de bede kwam hij vanaf 1483 met enige regelmaat in Leiden waar hij in contact kwam met de stadsadvocaat en latere advocaat-fiscaal Jacob Pijnsen (zie paragraaf 4.2). [211]  Het wordt niet helemaal duidelijk hoe het contact tussen de twee heren verder is verlopen, maar er zijn aanwijzingen dat ze een goede relatie ontwikkeld hebben. Direct contact tussen de twee mannen was alleen nog te traceren voor het jaar 1502, waarin Thomas de ambachtsheerlijkheid van de parochie ‘s-Heeraartsberg overdeed aan Jacob.[212] Een dergelijke materiële transactie op zich zegt echter niet veel over de relatie tussen Thomas en Jacob, zeker omdat het niet vreemd is dat Thomas gezien zijn schulden gedwongen werd een heerlijkheid te verkopen. Een indirecte maar sterkere aanwijzing voor een band tussen de twee mannen, is dat Thomas een vertrouwensrelatie ontwikkelde met Jan de Heuyter, een schoonzoon van Jacob. De Heuyter was net als Jacob Pijnsen afkomstig uit Delft en bekleedde daar geruime tijd het ambt van schout. Na Thomas' dood bezat hij een koffer met zijn waardepapieren. Toen Jan van Oudheusden, een schoonzoon van Thomas en zijn opvolger als rentmeester-generaal, beweerde dat De Heuyter een aantal van die waardepapieren ontvreemd had, klaagde deze hem aan voor belediging, smaad en de aantasting van zijn goede naam.[213] Verdere goede banden met mannen uit Delft blijkt uit een huwelijk tussen de tweede dochter uit Thomas' eerste huwelijk en Dirk Sonck Jansz., die in 1482 en 1486 schepen en in 1487 schout van Delft was. Een zoon uit dit huwelijk, Frans Sonck, werd vanaf 1516 onbezoldigd raadsheer.[214]

Thomas kan zich er op beroemen in een bron van het Hof van Holland nadrukkelijk als vriend genoemd te worden. In inventarisnummer 484 van het archief van het Hof van Holland zijn de sententies van de jaren 1504 en 1505 opgetekend door de griffier Cornelis Bouillin. In tegenstelling tot de eerdere sententieregisters worden hier in de inleiding alle raadsheren genoemd. Daarnaast staat er in een andere hand (en dus van Bouillin zelf en niet van een klerk?) bijgeschreven: Thomas Beukelere mijn bisondere goede vrient.[215] Hoewel het niet te bewijzen valt dat Bouillin inderdaad degene is die deze zin heeft neergeschreven, is het opvallend dat hij op 20 augustus 1505 een van de drie rekenmeesters in de Rekenkamer van Holland werd, kort nadat Thomas deze functie actief had bekleed. Cornelis bleef rekenmeester tot 1511 waarna hij griffier werd in Vlaanderen.[216]

Jan van Oudheusden was niet de enige verwant die Thomas in een functie opvolgde. Een ander familielid, Arend Beukelaar, volgde Thomas in 1485 reeds op als rentmeester van Zuidholland.[217] Hoe de twee heren precies verwant waren is mij niet bekend. Dat Thomas een sterke positie had verkregen binnen Holland werd nog eens bevestigd door zijn huwelijk na 1498 met Margaretha Oom van Wijngaarden, een dochter van Floris Oom van Wijngaarden Florisz..[218] Floris Oom van Wijngaarden heeft in latere jaren zijn invloed mogelijk ook aangewend om een cliënt aan een baan te helpen. Ene Jasper de Beauvoir oefende vanaf 1496 onder Floris' hand het rentmeesterschap van het Haagse bos uit. Jasper werd vervolgens in 1509 tijdelijk griffier en in 1510 secretaris bij het Hof van Holland. Floris had deze twee functies in het verleden ook uitgeoefend.[219]

Deze familierelaties waren voor Thomas niet altijd een versterking van zijn netwerk. Hij was in een aantal rechtszaken met zijn schoonzoon en schoonvader verwikkeld, die voornamelijk gingen om de verkoop van enkele landgoederen. Thomas procedeerde tegen Jan van Oudheusden en werd tegelijkertijd aangeklaagd door Floris Oom van Wijngaarden Florisz. Daarnaast beweerde Jan van Oudheusden dat Beukelaar onrechtmatig goederen had verkocht uit de erfenis van zijn eerste vrouw. Volgens Jan kwamen die goederen hem en zijn echtgenote toe. Na Thomas' dood zetten Jan en Floris samen de rechtszaken voort, onder andere omdat Jan als echtgenoot van een dochter uit het eerste huwelijk de schulden en kosten voor het sterfhuis van Thomas probeerde te ontlopen.[220]

 

 

5.3 In dienst in Den Haag: een familietraditie?

 

Als men een blik werpt op de namen van de mannen uit de populatie, dan valt het op dat een aantal achternamen meerdere keren voorkomen. In deze paragraaf zal gekeken worden hoe de ambtenaren door familiebanden geholpen konden worden bij het verkrijgen van een functie bij het Hof van Holland of de Haagse Rekenkamer, en hoe ze zelf jongere verwanten konden helpen daar een carrière te beginnen.

De familie Oom van Wijngaarden is een duidelijk voorbeeld van een familie die in Den Haag generaties lang in dienst was van de graaf. Dit begon met Godschalk Oom van Wijngaarden als rentmeester-generaal en raadsheer en is daarna voortgezet door zijn zoons Tielman, Hendrik en uiteraard Jan de oude. Jan en Tielman waren bovendien allebei gehuwd met een bastaarddochter van Willem van Egmond die tot aan zijn dood in 1451 meerdere malen als raadsheer actief was. Jan Oom van Wijngaarden had ook nog een zwager, Jacob van Kats, die als raadsheer acctief was. Een zoon van Jacob, Jan van Kats, trad later in zijn vaders voetsporen. De derde generatie bracht twee van de kleurrijkste figuren uit de populatie voort, namelijk de neven Floris Oom van Wijngaarden Florisz. en Floris Oom van Wijngaarden Jansz.. Florisz. lijkt echter in eerste instantie niet door zijn ooms of neven bij het Hof van Holland te zijn betrokken. Hoewel hij daar begonnen is als onbezoldigd secretaris vanaf in ieder geval 1482, kwam hij in 1483 in het bezit van het meer lucratieve en prestigieuze ambt van griffier dankzij zijn schoonvader Willem van Zwieten. Dit terwijl Floris' zwager Dirk van Zwieten in die tijd ook al volwassen was en werkzaam bij het Hof. Toen in 1503 een Kabeljauwse schakel uit de Raad wegviel was Florisz. zeker geen onlogische kandidaat om zijn plaats in te nemen. In 1496 werd Jansz. bezoldigd raadsheer in plaats van Jan van Wassenaar. Aangezien Jansz. voor zijn benoeming rector was van de universiteit van Leuven en dus noch veel bestuurlijke ervaring had noch dicht in de buurt zat, kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat zijn vader Jan de oude, in samenwerking met andere Kabeljauwen, een rol heeft gespeeld bij zijn benoeming.[221]

Cornelis en Reinier de Jonge waren ook vader en zoon en Jan van Oudheusden was, zoals al eerder vermeld, de schoonzoon van Thomas Beukelaar. Jans vader, Wouter van Oudheusden, was bovendien nog in dienst van de graaf als muntmeester en bewaarder van de juwelen.[222] Ook veel andere mannen hadden familieleden die voor hen een functie bekleedden bij het Hof van Holland of de Rekenkamer. Gerrit van der Mije had een grootvader, een vader en twee ooms die daar werkzaam waren geweest, Jan van Wissenkerke twee broers, Jan en Filips van Wassenaar een vader en een oom, Joost van Lalaing twee ooms, Dirk van Zwieten een grootvader, vader en oom, Jan van Egmond een vader, Arend van Zevenbergen een schoonvader en schoonzoon, Gerrit van Abbenbroek een zwager, Filips van Spangen een schoonvader, Gerrit van Assendelft een grootvader en een oom, Karel Grenier een vader en Filips Ruychrock van de Werve een vader en een schoonvader.[223] Jan van Haarlem trad in 1483 op als één van de erfgenamen van de kinderloos gestorven Dirk van Zwieten Boudijnsz. die in zijn leven ook een aantal jaren raadsheer was geweest.[224] Het wordt niet duidelijk hoe Jan met Dirk verbonden was, maar hij trad op als de voogd van zijn vrouw Josina (in de bron vermeld als Joost). Wellicht was Josina een nicht van Dirk, wat Jan van Haarlem een aangetrouwde neef zou maken.[225] Tenslotte is het niet onaannemelijk dat Jan en Jacob Boudijnsz. broers waren. Behalve dat ze beide een vader met dezelfde niet veel voorkomende naam hadden, kwamen ze allebei uit Haarlem en schreef Jacob zich een jaar na Jan in aan de universiteit van Leuven.[226] Gerrit en Bartout van Assendelft hadden geen directe familieband.

De heren uit de populatie hadden ook zoons, schoonzoons en andere jongere verwanten die een ambt bij het Hof van Holland bekleedden of gingen bekleden. De enige dochter van Karel Grenier trouwde met Pieter van Rotterdam die advocaat bij het Hof was of werd. Karel had daarnaast een neef, Thomas Sanchio Cassiopein, over wie hij zich waarschijnlijk ontfermde na de dood van zijn zwager.[227] Hoewel hier slechts indirecte aanwijzingen voor zijn is het aannemelijk dat Karel de voogd was van Thomas en minstens één van zijn zussen. Toen Karels nichtje, vermoedelijk de zus van Thomas Cassiopein, in 1510 overleed liet ze in haar testament geld na aan het Sint-Nicolaasgasthuis. Opvallend is dat ze niet bij naam vermeld wordt of in relatie tot haar ouders maar slechts als Karel de procuroers nicht.[228] Het is in ieder geval zeker dat Thomas Cassiopein als substituut-procureur-generaal van Karel ging werken vanaf 1518. Vermoedelijk voelde Karel, die in 1520 stierf, zijn einde naderen en zag hij Thomas als zijn opvolger. Thomas heeft het echter nooit tot procureur-generaal geschopt en sleet de rest van zijn leven als procureur-postulant bij het Hof van Holland. Thomas noemde als eerbetoon wel zijn zoon naar Karel en was één van zijn erfgenamen. [229]

Jacob Goudt was succesvoller in zijn poging een jonger familielid tot zijn opvolger te maken. Jacobs verwant Willem Goudt werkte onder hem als klerk toen hij rentmeester van Noordholland was, en Willem volgde hem na zijn dood in 1510 op in die functie.