Oost-Vlaamse mannen met een handicap in de negentiende eeuw. Een sociaal-demografisch onderzoek op basis van de conscriptieregisters. (Tom De Paepe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

6 Een beeld van mannen met een fysiek gebrek op basis van de gegevens uit de conscriptielijsten

 

Information on health can be an interesting approach of measuring the impact of industri-alization.

M. Neven en I. Devos[395]

 

6.1 Inleiding

 

In het vorige hoofdstuk hebben we aangegeven op basis van welke criteria we welke mensen geselecteerd hebben en waarom we dat gedaan hebben. In dit hoofdstuk zullen we onze onderzoekspopulatie doorlichten op basis van de variabelen die ons aangereikt worden door de conscriptieregisters. Deze hebben in de historiografie hun uitzonderlijke waarde al meermaals bewezen. We krijgen immers voor een volledige klasse van twintigjarige mannen een soort paspoort aangereikt, aangevuld met inlichtingen over hun professionele activiteiten en hun fysionomie. In het bijzonder denken we dan aan de lichaamslengte, een parameter die al uitgebreid geanalyseerd is in menig historisch-antropometrisch onderzoek.

 

We treden dus in het spoor van een historiografische traditie, met dat verschil dat we op voorhand een subgroep uit de registers geselecteerd hebben op de aanwezigheid van lichaamsgebreken. We zullen onze aandacht richten op de verschillende invalshoeken waarover we dankzij de registers informatie kunnen afleiden: de geografische spreiding, de migraties, de professionele activiteiten, de fluctuaties van de concepties en de lengte. Centraal in het exposé staat het testen van het theoretisch kader dat we in hoofdstuk 2 uiteengezet hebben, met oog voor de eigenheid van de Oost-Vlaamse situatie in de eerste helft van de negentiende eeuw.

 

 

6.2 Een populatie van Oost-Vlaamse mannen met een fysiek gebrek: een overzicht

 

Eerst en vooral willen we een beeld geven van de effecten van de selectie die we gemaakt hebben binnen de conscriptieregisters om een populatie van mannen met een fysiek gebrek samen te stellen.

 

 

1807

1808

1809

TOTAAL

1846

weerhouden

398

455

509

1362

300

Klassesterkte

6149

6093

6571

18813

7405

Vrijstellingen

1735

1869

2186

5790

1722

% vrijstellingen / klasse

28%

31%

33%

31%

24%

% weerhouden / klasse

6%

7%

8%

7%

4%

% weerhouden / vrijstellingen

23%

24%

23%

24%

17%

Tabel 5.6: Verhouding van de in het onderzoek weerhouden conscrits tegenover het
totaal aantal vrijgestelde conscrits en de sterkte van de klasse, 1807-1809
[396] en 1846[397].

 

In de tweede rij van deze tabel staat het aantal conscrits die voor dit onderzoek weerhouden werden, en in de vierde het totaal aantal vrijgestelde conscrits, ook diegenen die vanwege hun gestalte niet geschikt waren voor legerdienst. We merken dat de proporties van beide groepen in verhouding tot de klassegrootte sterk met elkaar correleren, behalve voor 1846 waar we minder conscrits weerhouden hebben in vergelijking met de periode 1807-1809. Met in het achterhoofd het verhaal van arm Vlaanderen verwachten we eerder het tegendeel. Een mogelijke verklaring voor het verminderd aantal vrijstellingen is de evolutie van de geneeskunde. Anderzijds zullen ook de vele mogelijkheden om op basis van sociale motieven vrijgesteld te worden, een belangrijke rol gespeeld hebben. Conscrits die al een broer in het leger hadden, werden automatisch doorgeschoven naar het volgende jaar.

 

Voor het interval 1807-1809 valt alleszins de sterke homogeniteit van de aandelen van de voor dit onderzoek weerhouden conscrits op. Tegenover de totale klasse spreken we van waarden tussen zes en acht procent, tegenover het totale aantal vrijstellingen is het aandeel nagenoeg constant, wisselend tussen 23 en 24%. Dergelijke weinig variabele cijfers, afgeleid van een brede statistische basis, lijken aan te tonen dat de medische gebreken die we als selectiecriterium hanteren, althans in het Scheldedepartement op een regelmatige manier over de mannelijke bevolking verdeeld waren.

 

 

6.3 De frequentie van de verschillende categorieën van gebreken in de onderzoekspopulatie

 

In het luik over de methodologische aspecten van ons onderzoek hebben we al toelichting gegeven bij de negen categorieën van medische gebreken die we in het verdere verloop van dit onderzoek zullen hanteren. In de volgende tabel overlopen we ze nog eens schematisch, voorafgegaan door de letters die we zullen gebruiken om ernaar te verwijzen.

 

O

Misvormingen aan de onderste ledematen

B

Misvormingen aan de bovenste ledematen

G

Misvormingen aan het bovenlichaam en het gezicht

Z

Gebreken van het zicht

M

Mentale gebreken

H

Gehoorproblemen

S

Spraakproblemen

D

Doofstom

A

Blindheid

Tabel 6.1: De indeling in categorieën van fysieke gebreken gehanteerd in dit onderzoek.

 

Een complicatie bij dergelijke indelingen is dat niet elk individueel geval er netjes in te passen is. Sommige conscrits zijn immers om meerdere redenen afgekeurd[398]. In de periode 1807-1809 waren er op de 1362 weerhouden conscrits 49 waarbij de registers meer dan één medische reden voor afkeuring gaven omwille van fysieke of mentale gebreken. We hebben geen rekening gehouden met indicaties van ziekten, omdat dat niet de focus van het onderzoek was. Slechts in drie gevallen, telkens één per jaar, ging het om drie redenen. In totaal werd er bijgevolg in 96% van de gevallen slechts één reden gegeven. In 1846, met in totaal 300 weerhouden conscrits, lag de verhouding nog hoger, namelijk op 99%. Als we bovendien deze meervoudige vermeldingen van naderbij bekijken, blijken de verschillende types van gebreken even sterk vertegenwoordigd te zijn als in de rest van de onderzoekspopulatie[399].

 

In de onderstaande grafiek hebben we de frequenties van de verschillende categorieën opgenomen voor de periode 1807-1809 en 1846[400].

 

Figuur 6.1: Overzicht van de frequenties van de verschillende categorieën
van medische beperkingen, 1807-1809 en 1846.

 

Er zijn twee categorieën die steeds de helft van het aantal weerhouden conscrits vormen: de misvormingen aan de onderste en de bovenste ledematen. De eerste groep maakt ongeveer één derde uit van de onderzoekspopulatie, terwijl de conscrits met problemen aan de bovenste ledematen een aandeel van twintig procent telt. Dat geldt voor beide dwarsdoorsneden die we gemaakt hebben. Voor de jaren 1807 tot 1809 liggen de verhoudingen voor het overige ook heel gelijklopend. Visuele aandoeningen komen voor bij één vijfde tot één vierde van de geselecteerde conscrits. Daarna volgen de problemen met het bovenlichaam, die goed zijn voor een tiende van de gevallen. De laatste categorie die nog in noemenswaardige verhoudingen aanwezig is, zijn de mannen met mentale gebreken.

 

Het jaar 1846 vertoont een sterk afwijkend beeld in de bovenste helft van de grafiek. De oogaandoeningen zijn sterk achteruitgegaan en de vrijgekomen ruimte is grotendeels ingenomen door de problemen aan het bovenlichaam. Een deel van de verklaring is dat we in 1846 de vermeldingen van oftalmie of oogontsteking niet meer opgenomen hebben omdat deze slechts aanleiding gaven tot een vrijstelling voor één jaar. Niettemin is het opvallend dat de problemen aan het bovenlichaam sterk vertegenwoordigd zijn dat jaar, en dat het wegzakken van de oogaandoeningen niet evenredig gecompenseerd werd door de andere categorieën.

 

Er moet dus een meer structurele factor aan de basis liggen van deze verschuiving. Het is aannemelijk om de oorzaak te zoeken in de sociaal-economische crisis waarmee Oost-Vlaanderen geconfronteerd werd. In het vorige hoofdstuk vertelden we hoe de arbeidsinzet omhooggeschroefd werd, onder andere door de kinderen te laten meewerken. Mogelijks worden we hier geconfronteerd met de nefaste invloed van deze evolutie, weerspiegeld in een grotere hoeveelheid jongemannen die afgekeurd worden wegens een slecht ontwikkeld bovenlichaam. Deze categorie bevat immers veel jongens met een bochel, een kromgegroeide ruggegraat of met rachitis.

 

 

6.4 De geografische spreiding van de onderzoekspopulatie

 

In deze paragraaf willen we onze onderzoekspopulatie letterlijk op de kaart zetten. Dankzij de conscriptieregisters kennen we de geboorte- en woonplaats van elke conscrit. We kunnen reconstrueren hoeveel mannen er op het platteland of in de stad woonden of in welke mate de verschillende arrondissementen vertegenwoordigd waren. Al dat materiaal kunnen we contextualiseren op twee manieren: door de vergelijking te maken tussen de geselecteerde conscrits van de perioden 1807-1809 en 1846, en door te vergelijken met de data uit onderzoeken naar de volledige groep Oost-Vlaamse conscrits.

 

6.4.1 De spreiding over de arrondissementen en de kantons

 

In eerste instantie benaderen we de onderzoekspopulatie als één geheel en differentiëren we nog niet volgens de verschillende types van handicaps. Onderstaande tabel vergelijkt het aandeel van de verschillende arrondissementen in de groep van weerhouden conscrits en in de totale Oost-Vlaamse bevolking.

 

 

1807-1809

bevolking 1801

1846

Bevolking 1846

N

%

N

%

N

%

N

%

Gent

477

35,0

188054

33,5

130

43,3

277552

35,0

Dendermonde

134

9,8

65813

11,7

23

7,7

96910

12,2

Aalst

244

17,9

98274

17,5

43

14,3

138251

17,4

Oudenaarde

223

16,4

85932

15,3

30

10

106872

13,5

Eeklo

94

6,9

38966

7,0

15

5

56056

7,1

Sint-Niklaas

190

14,0

83811

14,9

59

19,7

117623

14,8

Tabel 6.2: Geografische spreiding van de onderzoekspopulatie op arrondissementeel niveau,
 1807-1809 en 1846
[401].

 

Voor de periode 1807-1809 beschikken we over voldoende gegevens om statistisch verantwoorde conclusies te trekken. Het arrondissement Gent is duidelijk dominant, op ruime afstand gevolgd door de twee linnenarrondissementen Aalst en Oudenaarde en ook nog Sint-Niklaas. Eeklo en Dendermonde zijn met verhoudingen onder de tien procent veel minder sterk vertegenwoordigd. De overeenkomst met de aandelen van de respectievelijke arrondissementen in de totale populatie is echter heel sterk (R=0,99). In twee gevallen, Gent en Oudenaarde, is het aandeel mannen met fysieke gebreken een procentpunt hoger dan het aandeel in de bevolking. Op basis van dergelijke kleine verschillen kan niet besloten worden dat er in een bepaalde regio meer fysieke gebreken waren dan in een andere. De sterke relatie met het bevolkingscijfer doet terugdenken aan de vrij vaste verhouding van 10 tot 15% die we eerder in dit hoofdstuk terugvonden, en de vaste verhoudingen van het aantal afgekeurden binnen de klassegrootte.

 

In 1846 zijn de verschillen tussen het aandeel van de arrondissementen in de Oost-Vlaamse bevolking en in de onderzoekspopulatie veel duidelijker. De linnenarrondissementen zijn ondervertegenwoordigd in de onderzoekspopulatie, een verrassende conclusie als we de grote impact van de crisis in die gebieden in het achterhoofd houden. Sint-Niklaas en vooral Gent leveren veel meer fysiek gebrekkigen dan we zouden verwachten, terwijl de andere arrondissementen ondervertegenwoordigd zijn. De verklaring voor de cijfers voor Gent en Sint-Niklaas kunnen we zoeken in de sterke groei van de gelijknamige steden (cf. tabel 4.6), die geschraagd werd door de uitbouw van de textielnijverheid[402]. Het is mogelijk dat deze gebieden meer mensen met gebreken aantrokken omdat er een betere verzorgingsinfrastructuur aanwezig was, bijvoorbeeld in de vorm van hospitalen. Anderzijds kan ook de uitbouw van de gemechaniseerde textielindustrie in de twee steden verantwoordelijk zijn. Niet in de zin dat ze meer mensen aantrok vanop het platteland, want het waren vooral autochtonen die in de fabrieken werkten[403]. Wat wel kan is dat de specifieke arbeidsomstandigheden tot meer arbeidsongevallen leidden. De scherpe bewoordingen van de Gentse dokters Heyman en Mareska die we in dat verband eerder aanhaalden lieten weinig aan de verbeelding over. We hebben echter al eerder aangehaald dat deze tewerkstelling in de eerste helft van de negentiende eeuw slechts een minimaal deel van de beroepsbevolking omvatte. Tot slot mogen we ook de nefaste invloed van de kinderarbeid niet uit het oog verliezen.

 

Een tweede niveau waarop we de spreiding van de onderzoekspopulatie kunnen nagaan is het militiekanton. We hebben deze data niet samengevat in tabellen omdat er meer dan dertig militiekantons waren, wat niet bevorderlijk is voor de overzichtelijkheid. Daarom hebben we ervoor geopteerd om de gegevens cartografisch voor te stellen. Voor de periode van 1807 tot 1809 hebben we twee kaarten aangemaakt. De eerste geeft per kanton het aantal door ons weerhouden afgekeurde conscrits, in de tweede hebben we de resultaten gewogen aan de hand van het bevolkingscijfer voor de kantons in 1806[404]. We hebben het aantal afgekeurde conscrits per 10 000 inwoners berekend. In bijlage 7 hebben we een overzichtskaart opgenomen waarop de namen van de kantons zijn aangeduid.

 

Figuur 6.2: Aantal weerhouden afgekeurde conscrits per militiekanton, 1807-1809.

 

Als we afgaan op de kaart gebaseerd op de absolute cijfers, blijken de streken rond Gent en Dendermonde het hoogst te scoren. Hetzelfde geldt voor de meest zuidelijke kantons, Geraardsbergen en Ronse. In het Waasland is het beeld heel homogeen, terwijl de streek rond Eeklo lagere waarden laat optekenen. Als we echter rekening houden met het bevolkingscijfer van het militiekanton ontstaat er een ander beeld. De streek rond Gent scoort weer de hoogste waarden, hoewel de stad zelf buiten beeld blijft. Het zijn immers Evergem en Nazareth die donkerblauw kleuren. Op de tweede plaats komen de regio's in het uiterste zuiden en het noordwesten van de provincie. Opvallend is de lage score van de noord-zuidlijn in het midden van de provincie (Lochristi, Wetteren, Oosterzele en Zottegem).

 

Figuur 6.3: Weerhouden afgekeurde conscrits per militiekanton, 1807-1809
(gewogen volgens bevolkingsaantal).

 

Samengevat kunnen we stellen dat de kantons die aan de west-, zuid- en oostgrens van Oost-Vlaanderen liggen een band vormen waarin gemiddeld hoog gescoord wordt. In het midden van de provincie scoort Gent heel hoog, terwijl de overige kantons net opvallend lager scoren.

 

Voor 1846 hebben we slechts één kaart gemaakt, namelijk een overzicht van het aantal weerhouden conscrits per militiekanton gewogen naar de bevolkingsgrootte. Deze beslissing werd genomen om twee redenen: ten eerste hadden we ons beperkt tot één jaar, waardoor we een kleinere steekproef hadden; ten tweede waren er in deze periode veel meer militiekantons, 53 in plaats van 37, wat voor een verdere versplintering zorgde van de gegevens. Bijlage 8 bevat een overzichtskaart met de
namen van de belangrijkste militiekantons.

 

Figuur 6.4: Afgekeurde weerhouden conscrits per militiekanton, 1846
 (gewogen naar bevolkingsgrootte van de kantons in 1846).

 

De meest homogene zone op de kaart is de noordoostelijke bovenkant van de provincie. Op de lijn Sint-Niklaas-Lokeren liggen de verhoudingen steevast tussen de 4 tot 6 weerhouden mannen per 10 000 inwoners. Gent en de regio ten westen van de stad geven dezelfde waarden, net als de kantons in het zuiden van de provincie. Het valt op dat ook de regio rond Nederbrakel, Sint-Maria-Horebeke en Oudenaarde in negatieve zin opvalt tussen de hen omringende kantons. De noord-zuidlijn die we in 1807-1809 nog konden onderscheiden, is nu volledig weggevallen. Enkel van het gebied onder Gent kunnen we zeggen dat er weinig tot geen afkeuringen voorkomen.

 

Het is moeilijk om op basis van de data op het niveau van het militiekanton conclusies te trekken. Het beeld dat naar voor komt is vrij disparaat. Bovendien steunden we voor het jaar 1846 op een smalle statistische basis, nog gecompliceerd door het grote aantal kantons. We kunnen wijzen op de homogeniteit van de noordoostelijke hoek van de provincie. Enkele streken, bijvoorbeeld rond Gent en in het uiterste zuiden van de provincie, scoren steeds relatief hoge waarden. Eén zaak staat vast: ook al was een regio, in casu de textielarrondissementen, heel zwaar getroffen door de sociaal-economische crisis, dan wordt dat niet weerspiegeld in een eventuele oververtegenwoordiging van onze onderzoekspopulatie in de desbetreffende gebieden.

 

Een laatste element dat we in verband met de demografische spreiding kunnen onderzoeken is de mate waarin de weerhouden conscrits in steden woonden en of er significante verschillen waar te nemen zijn met de cijfers voor de volledige provincie Oost-Vlaanderen.

 

 

N

% in steden[405]

Urbanisatiegraad Oost-Vlaanderen

1807-1809

1362

22,9

22,4[406]

1846

300

32,0

26,3

Tabel 6.3: Aandeel weerhouden conscrits in steden tegenover de provinciale urbanisatiegraad, 1807-1809 en 1846.[407]

 

Het resultaat van de periode 1807-1809 is al even opvallend als bij de spreiding over de verschillende arrondissementen, waar er een heel sterke correlatie was tussen de frequenties van onze onderzoekspopulatie en de bevolkingsaandelen. Deze keer is het verband al even frappant, met minimale verschillen. Veertig jaar later is de situatie helemaal anders, want het aandeel van onze onderzoekspopulatie dat in steden woont, is met negen procentpunten sterk toegenomen. Hoewel ook de totale urbanisatiegraad is gestegen, is die evolutie niet zo uitgesproken als bij de conscrits met lichaamsgebreken.

 

Als we nagaan welke steden het meest in trek waren, blijkt vooral Gent er bovenuit te steken. In 1846 woont maar liefst 16% van de onderzoekspopulatie in de provinciehoofdstad. Opvallend is ook de sterke opkomst van Deinze. Tevens krijgen we de bevestiging van de aantrekkingskracht van Sint-Niklaas, dat in het algemeen een sterke groeiperiode doormaakte. In de linnenarrondissementen wisselen stijgers en dalers elkaar af, waardoor hun aandeel vrij stabiel blijft.

 

 

1807-1809 (N=1362)

1846 (N=300)

Gent

9,77

16

Deinze

0,29

1,67

Aalst

2,28

2

Geraardsbergen

1,25

2

Ninove

0,51

0,67

Oudenaarde

0,88

1,33

Ronse

1,84

1,33

Eeklo

0,81

0,67

Sint-Niklaas

1,76

3

Lokeren

2,35

2,33

Dendermonde

1,17

1

Tabel 6.4: Proportie van de onderzoekspopulatie die woont in de belangrijkste Oost-Vlaamse steden,
1807-1809 en 1846.

 

In het Gent van de negentiende eeuw waren de leef- en werkomstandigheden verre van ideaal. Hoewel de mortaliteit in de stad in het algemeen toenam, hadden vooral de lagere sociale klassen een grotere kans om vroeger te sterven.[408] Over de vele ongevallen in de zo al ongezonde textielfabrieken hebben we eerder al de getuigenis van de dokters Heyman en Mareska aangehaald.

 

In deze paragraaf bleek dat geografische inplanting van onze onderzoekspopulatie van conscrits met een gebrek aan het begin van de eeuw nauwelijks verschilde van de rest van de bevolking. Zowel op het vlak van de spreiding over de arrondissementen als de urbanisatiegraad waren de parallellen treffend. In 1846, in volle sociaal-economische crisis en in de overgang naar een industrieel-kapitalistische maatschappij, veranderde het beeld grondig. Er waren meer conscrits die in steden woonden, en vooral de arrondissementen Gent en Sint-Niklaas telden proportioneel meer gebrekkige conscrits dan hun aandeel in de provinciale bevolking.

 

Aan de basis van dergelijke verstedelijking kunnen zowel interne als externe factoren liggen. Verderop, wanneer we het migratiegedrag bespreken, zullen we meer genuanceerd kunnen antwoorden op de vraag of de grotere aanwezigheid van onze onderzoekspopulatie in steden vanuit autonome of externe tendenzen moet verklaard worden.

 

6.4.2 De spreiding van de verschillende types van gebreken

 

Met deze paragraaf diepen we het analyseniveau verder uit door te onderzoeken of bepaalde gebreken gerelateerd kunnen worden aan een regio, in de wetenschap dat Oost-Vlaanderen verschillende sociaal-economische gezichten had. Een van de eerste aanzetten tot dergelijk onderzoek werd gegeven door G. Lagneau, maar hij zocht vooral naar verschillen op basis van de verschillende bevolkingsgroepen in Frankrijk[409].

 

Een eerste tabel vat de situatie in de periode 1807-1809 samen.

 

 

O

B

G

Z

M

A

H

S

D

Meerdere

Gent (N=477)

27%

18%

13%

25%

7%

0%

2%

1%

1%

4%

Dendermonde (N=134)

39%

22%

12%

16%

3%

0%

2%

1%

0%

5%

Oudenaarde (N=223)

35%

15%

12%

22%

6%

0%

3%

1%

0%

5%

Eeklo (N= 94)

33%

23%

16%

21%

3%

0%

1%

0%

0%

2%

Sint-Niklaas (N=190)

31%

17%

15%

18%

7%

0%

2%

7%

0%

3%

Aalst (N=244)

34%

25%

9%

21%

5%

0%

2%

1%

0%

3%

Gemiddelde (N=1362)

33%

20%

13%

21%

5%

0%

2%

2%

0%

4%

Tabel 6.5: Aandeel van de categorieën van fysieke gebreken per arrondissement, 1807-1809 (rijpercentages).

 

De weerhouden conscrits van het arrondissement Gent hadden het minst te kampen met problemen aan de ledematen. De problemen met het zicht waren er echter bijna even talrijk als de problemen met de onderste ledematen, traditioneel de grootste groep. Dat kan te verklaren zijn door het besmettelijke karakter van de oogaandoeningen, en de impact van een dichtbevolkte stad als Gent. Met 44 personen leverde de stad zelf al bijna de helft van de 25% mannen met gezichtsproblemen in het arrondissement Gent. Om de situatie in Gent in detail te bekijken hebben we de data over de visuele problemen cartografisch voorgesteld.

 

Figuur 6.5: Conscrits afgekeurd wegens problemen aan de ogen, 1807-1809, per militiekanton
(gewogen naar de bevolkingsgrootte van de kantons in 1806).

 

We hebben ons gebaseerd op het niveau van de militiekantons, en we hebben de cijfers gewogen aan de hand van het aantal inwoners per militiekanton in 1806. Het is opvallend hoe de oogaandoeningen geconcentreerd zijn in het gebied rond de stad. Ook de meest zuidelijke kantons, Ronse en Geraardsbergen scoren hoog.

 

Als we verdergaan met de analyse van tabel 6.5 blijkt het arrondissement Dendermonde proportioneel het meest aantal mannen met gebreken aan de onderste ledematen te bevatten: maar liefst vier op de tien mannen hebben ermee te kampen. Voor het overige valt het disparate beeld op van de gegevens. Daarom hebben we dezelfde oefening gemaakt voor 1846, waarvan de resultaten hieronder weergegeven worden.

 

 

O

B

G

Z

M

A

H

S

D

Meerdere

Gent (N=130)

37%

18%

35%

5%

2%

0%

0%

2%

1%

0%

Dendermonde (N=23)

43%

22%

22%

0%

4%

0%

0%

0%

0%

9%

Oudenaarde (N=30)

27%

23%

33%

13%

0%

0%

0%

3%

0%

0%

Eeklo (N=15)

33%

20%

20%

7%

20%

0%

0%

0%

0%

0%

Sint-Niklaas (N=59)

22%

20%

49%

3%

3%

0%

0%

0%

0%

2%

Aalst (N=43)

42%

19%

19%

9%

7%

0%

0%

0%

5%

0%

Gemiddelde (N=300)

34%

20%

30%

6%

6%

0%

0%

1%

1%

2%

Tabel 6.6: Aandeel van de categorieën van fysieke gebreken per arrondissement, 1846 (rijpercentages).

 

Het is opvallend dat Gent plots veel meer mannen met problemen aan de ledematen en het bovenlichaam omvatte, terwijl de groep van de oogaandoeningen sterk daalde. Bij het overzicht van de types hebben we gewezen op de sterke toename van de problemen aan het bovenlichaam, en niet toevallig blijkt ook Sint-Niklaas op dat vlak sterk getekend te zijn. Die vaststelling ondersteunt de hypothese dat de uitbouw van de textielnijverheid en de daarmee gepaard gaande arbeidsomstandigheden, een autonome stedelijke factor, mee verantwoordelijk was voor het stijgend aantal gebrekkige mannen in de steden. Toch is het moeilijk om in deze tabel geografische patronen te herkennen of om er een differentiële impact van de sociaal-economische crisis af te leiden, temeer voor sommige arrondissementen de statistische basis vrij smal is.

 

Tot slot van deze paragraaf bekijken we de spreiding tussen de stad en het platteland, per type. Aan het eind van de vorige paragraaf werden we geconfronteerd met de sterke toename van het aantal stedelingen tussen 1807-1809 en 1846.

 

 

1807-1809

1846

N

% stad

% platteland

N

% stad

% platteland

O

435

23%

77%

102

36%

64%

B

266

18%

82%

59

32%

68%

Z

298

23%

77%

18

44%

56%

G

170

26%

74%

100

26%

74%

H

27

22%

78%

0

0%

0%

M

80

16%

84%

12

25%

75%

A

2

100%

0%

0

0%

0%

S

27

22%

78%

3

67%

33%

D

6

50%

50%

3

0%

100%

Meerdere

51

22%

78%

3

33%

67%

TOTAAL

1362

22%

78%

300

32%

68%

Tabel 6.7: Types van medische gebreken, opgesplitst naar woonplaats in stad of op platteland,
1807-1809 en 1846.

 

We kunnen niet voor elke categorie statistisch verantwoorde conclusies trekken, maar toch wordt het patroon van een stijgend aantal mannen met fysieke gebreken die in de Oost-Vlaamse steden woonden bevestigd. Zeker voor de categorieën onderste en bovenste ledematen kunnen we spreken van een sterke toename. Een andere categorie, de problemen aan het bovenlichaam, blijft na veertig jaar even sterk aanwezig op het platteland. Eerder was al gebleken dat deze categorie in 1846 een veel ruimere proportie innam dan in de jaren 1807-1809. We zagen daarin de consequenties van het optrekken van de arbeidsinzet in de context van de sociaal-economische crisis, onder andere door de kinderen al heel vroeg te laten meewerken. Aangezien deze evolutie heel sterk aanwezig was in de huisnijverheid willen we dat naar voor schuiven als verklaring waarom de problemen van het bovenlichaam zo talrijk bleven op het platteland. Opvallend is ook de afwezigheid in 1846 van conscrits die afgekeurd werden omwille van problemen aan het gehoor. Tot slot merken we ook bij de mentale aandoeningen en de oogproblemen een duidelijke toename in de stad, hoewel we daar voor 1846 op een smallere statistische basis werken.

 

De conclusie luidt dat de verschuiving van het platteland naar de stad niet op het conto van één type gebrek mag geschreven worden. Alle categorieën waarvoor we over genoeg cases beschikken treffen we in 1846 meer aan in de steden, met uitzondering van de problemen aan het bovenlichaam. Deze categorie groeide wel fors aan (van 13% naar 30%), maar de stijging was even uitgesproken in de stad als op het platteland.

 

 

6.5 De professionele activiteiten

 

Bij het begin van deze paragraaf koppelen we even terug naar het tweede hoofdstuk, de theoretische reflectie over handicaps. Vanuit de literatuur werd de hypothese geformuleerd dat het marginaliseringsproces van mensen met een mentale of fysieke handicap een fenomeen is van de laatste anderhalve eeuw. Cruciale factoren in dat proces waren volgens de theoretici de veranderde productiewijze en de daarbij horende arbeidsorganisatie. In een systeem dat heel sterk de klemtoon legt op een hoge arbeidsproductiviteit werden mensen met een fysieke beperking sneller geconfronteerd met de nadelige gevolgen van hun lichamelijke of mentale toestand.

 

Dat houdt meteen in dat in de periode vóór deze omschakeling, die grosso modo rond 1850 gesitueerd wordt, veel minder het geval was, dat mensen met een fysiek gebrek wel nog een plaats hadden op de arbeidsmarkt. Deze hypothese willen we in deze paragraaf van naderbij onderzoeken. De vraag stelt zich immers of we dergelijk patroon op het spoor komen, bijvoorbeeld door te onderzoeken of er uit de diachronische vergelijking van de resultaten van 1807-1809 en 1846 opvallende verschuivingen naar voor komen. Anderzijds kunnen we nagaan of er vóór het doorbreken van de industriële productiewijze bepaalde gebreken samengingen met bepaalde beroepscategorieën. Kortom, we willen het algemeen theoretisch kader testen en tegelijk kijken of we geen nuanceringen kunnen aanbrengen in het vage beeld dat we voorlopig slechts hebben van de situatie vóór 1850 door een gebrek aan historisch onderzoek.

 

6.5.1 De problemen bij de interpretatie van beroepsgegevens en het opstellen van een beroepsstructuur

 

Zo weinig aandacht in de historiografie gegaan is naar de geschiedenis van fysieke gebreken, zo veel heeft men zich toegespitst op het reconstrueren van beroepsstructuren. Ondanks een aantal angels hebben onderzoekers op dat gebied veel minder terughoudendheid getoond dan tegenover de gegevens over de medische keuring.

 

Specifiek in de context van de huisnijverheid is er bijvoorbeeld het probleem van de combinatie van landbouw met huisnijverheid (cf. supra). Het criterium waarop een persoon zich baseert om zich tot een bepaalde beroepsgroep kan verschillen. C. Vandenbroeke vermeldt bijvoorbeeld dat een persoon uit het zuiden van Oost-Vlaanderen zich al landbouwer noemde als hij 1,5 tot 2 ha grond bewerkte. In het Noorden van de provincie lag het criterium hoger, rond 4 tot 5 ha[410]. Bovendien geeft een beroepsindicatie geen informatie over elementen als bezit, het onderwijsniveau of sociaal aanzien[411].

 

Dergelijke subjectiviteit sijpelt onvermijdelijk door in de conscriptieregisters, aangezien de gegevens verzameld werden op lokale basis. Een andere vertekening is het feit dat in de lijsten maar één beroep vermeld wordt, terwijl combinaties van meerdere professionele activiteiten zeker niet ongewoon waren. Bovendien is het mogelijk dat men zichzelf beter wilde voorstellen door een meer prestigieus beroep op te geven. De belangrijkste opmerking betreft wellicht de leeftijd waarop het beroep genoteerd werd. De conscrits waren negentien of twintig jaar oud, wat betekent dat ze nog maar aan het beginpunt van hun loopbaan stonden. Daardoor worden sommige instapberoepen die vooral onder jongeren gerecruteerd werden, zoals dienstpersoneel, mogelijk overschat[412], terwijl beroepen met een langere opleiding of een tragere doorstroming zoals in de landbouw onderschat[413]. Niettemin blijken de gegevens uit de conscriptielijsten opvallend goed te kloppen als ze vergeleken worden met informatie over de beroepsactiviteiten uit de huwelijksakten. Tot slot moeten we ook rekening houden met betekenisverschuivingen van de gebruikte termen.

 

Na deze uitweiding komen we terug op de beroepsstratificatie en de typologie die we in dit onderzoek zullen gebruiken. We hebben voortgebouwd op de indeling die vroegere onderzoekers van de militielijsten gehanteerd hebben, met het oog op een vlotte vergelijkbaarheid van de gegevens. Meteen volgen we de algemene methodologische vuistregel om de verscheidenheid van de individuele beroepsomschrijvingen en de betekenisverschuivingen te ondervangen door te werken met een beperkt aantal groepen.

 

6.5.2 De verwerking van de beroepsgegevens

 

Onderstaande tabellen vatten de samenstelling van de beroepspopulatie in 1807-1809 en 1846 samen. We hebben ook de procentuele verdeling opgenomen van de beroepsstructuur van alle Oost-Vlaamse conscrits uit dezelfde periodes.

 

 

1807-1809

Oost-Vlaamse conscrits, 1805-1806

N

%

%

Landbouw

360

26,4

33,3

Dagloner

336

24,7

16,4

Dienstpersoneel

139

10,2

8,6

Textiel

219

16,1

17,5

Ambachten

192

14,1

13

Handel en vrije beroepen

84

6,2

4,5

Zonder

5

0,4

6,8

Onvermeld

27

2,0

Tabel 6.8: Beroepsstructuur van de onderzoekspopulatie, 1807-1809 en Oost-Vlaamse conscrits,
1805-1806
[414].

 

Onze onderzoekspopulatie bevat minder landbouwers dan de verdeling bij alle Oost-Vlaamse conscrits, wat bijna volledig gecompenseerd wordt door de grote hoeveelheid dagloners, bijna een kwart. Bij de andere beroepscategorieën bemerken we bovendien sterke parallellen tussen de frequenties van onze onderzoekspopulatie en van alle conscrits, waardoor de score van de landbouwers nog uitzonderlijker wordt. Voor deze opvallende verschillen in de agrarische sector zijn er drie mogelijke verklaringen. Landbouwers hadden misschien gewoon minder te kampen met gezondheidsproblemen, bijvoorbeeld doordat ze over een rijker dieet konden beschikken. Wat tegen dit voorstel pleit, is het grote aandeel van de dagloners, waardoor de totale tewerkstelling in de agrarische sector binnen de onderzoekspopulatie nagenoeg gelijk is aan die van de totale groep van conscrits. Dat is een indicatie dat er nog veel mannen met een fysiek gebrek op het platteland bleven, maar als knecht aan de slag gingen. Een andere mogelijkheid is dat de boeren hun bedrijf niet graag zagen overgaan in handen van een zoon met een fysiek gebrek.

 

Volgens ons is het beter om de oorzaak te zoeken in de sociaal-economische mutaties van het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw. Om het hoge aantal landbouwers bij het totaal van de Oost-Vlaamse conscrits te verklaren haalde F. Roosemont de extreme bedrijfsversnippering aan, en de drang om zolang mogelijk onafhankelijk te blijven[415]. De gegevens van onze onderzoekspopulatie suggereren dat mannen met een fysiek gebrek sneller moesten afhaken in het proces van stijging van de grond- en pachtprijzen.

 

Voor de categorieën dienstpersoneel, ambachten en handel en vrije beroepen hebben we telkens één tot anderhalf procent meer dan bij alle conscrits. De meeste resultaten liggen dus in de lijn van de frequenties die genoteerd worden bij de totale populatie van conscrits. Een soortgelijke vaststelling konden we afleiden uit het onderzoek naar de geografische spreiding. Behalve wat de landbouwers en de dagloners betreft kunnen we niet stellen dat mannen met een fysiek gebrek in de periode 1807-1809 over het algemeen sterker vertegenwoordigd waren binnen een bepaalde beroepscategorie.

 

We willen ook even ingaan op de iets hogere verhouding voor de vrije beroepen en de handel. In het hoofdstuk over de conscriptie-activiteiten waren we een aantal voorbeelden tegengekomen van gegoeden die erin slaagden om hun kerngezonde zonen toch te laten afkeuren wegens een medisch gebrek. Als het in Oost-Vlaanderen al gebeurd is, moet het toch beperkt gebleven zijn, vermits we geen extreme verschillen optekenen.

 

De volgende stap is het inbouwen van een vergelijkingspunt, met de weergave van de beroepsstructuur van 1846.

 

 

Onderzoeks-populatie

Oost-Vlaamse conscrits

Oost-Vlaanderen[416]

N

%

%

%

Landbouw

39

13,0

24,6

29,5

Dagloner

84

28,0

21,0

20,1

Dienstpersoneel

34

11,3

14,7

8,7

Textielsector

41

13,7

14,0

14,2

Ambachten

56

18,7

16,8

15,5

Handel en vrije beroepen

18

6,0

6,7

12,1

Zonder

26

8,7

2,2

 

-

Onvermeld

2

0,7

-

Tabel 6.9: Beroepsstructuur onderzoekspopulatie, Oost-Vlaamse conscrits en Oost-Vlaanderen[417], 1846.

 

Ook in 1846 zijn de landbouwers ondervertegenwoordigd, en in nog veel sterkere mate dan in 1807-1809. Weer wordt dat aandeel echter gecompenseerd door het aantal dagloners die proportioneel oververtegenwoordigd zijn, zeker tegenover de cijfers van de volledige provincie Oost-Vlaanderen. Het opstarten van een eigen landbouwbedrijf was sowieso al heel moeilijk, maar voor mannen met een fysiek gebrek leek de situatie nog uitzichtlozer. De twee andere categorieën die boven de aandelen van alle Oost-Vlaamse conscrits uitsteken zijn de ambachten, maar vooral het aantal vermeldingen van conscrits die geen beroep uitoefenen ligt een veelvoud hoger. Hoewel deze vaststelling maar op 26 gevallen gebaseerd is, is het aannemelijk om hier de kiem terug te vinden van het proces waarbij mensen met een fysiek gebrek stilaan uit de boot vallen op de arbeidsmarkt. Deze opmerking krijgt nog meer reliëf als we gaan kijken naar het type van gebrek dat in deze categorie het sterkst vertegenwoordigd is, de mentale problemen. Van de 26 conscrits behoren er zeven tot deze categorie, een verhouding van 27%, terwijl mentale problemen in de onderzoekspopulatie slechts 6% uitmaken.

 

Het belangrijkste dat we uit deze tabellen echter moeten onthouden is dat mensen met een fysiek gebrek niet buiten het arbeidsproces stonden. Ze oefenden net als de andere conscrits een beroep uit, meestal zonder daarbij af te wijken van de proporties waarin beroepen voorkwamen in de totale populatie, de opvallende uitzondering binnen de landbouw even terzijde gelaten. Enkel in 1846 zijn er meer mannen met gebreken waarbij geen beroep vermeld wordt.

 

Voor de overzichtelijkheid hebben we de frequenties van de weerhouden conscrits hieronder samengebracht om de vergelijking van de gegevens te vergemakkelijken.

 

 

1807-1809

1846

Verschil

Landbouw

26,4

13,0

-13,4

Dagloner

24,7

28,0

+3,3

Dienstpersoneel

10,2

11,3

+1,1

Textielsector

16,1

13,7

-2,4

Ambachten

14,1

18,7

+4,6

Handel en vrije beroepen

6,2

6,0

-0,2

Zonder

0,4

8,7

+7,3

Onvermeld

2,0

0,7

-0,3

Tabel 6.10: Beroepsstructuur onderzoekspopulatie, procentuele verdeling, 1807-1809 en 1846.

 

Het meest in het oog springende verschil bij de vergelijking van de twee periodes is de spectaculaire achteruitgang van het aantal landbouwers. Dat de groep gehalveerd wordt komt vooral de groep zonder beroep, de ambachten, de dagloners en het dienstpersoneel ten goede. De meest waarschijnlijke verklaring ligt in de lijn van wat we hierboven al gesteld hebben, namelijk dat mannen met een fysiek gebrek als één van de eersten op het platteland moesten delen in de klappen van de sociaal-economische crisis. Er waren drie alternatieven: ofwel oefende men geen beroep meer uit, ofwel bleef men aan de slag als dagloner of maakte men de overstap naar een ambacht. Die laatste branche kon rekenen op een algemene toename doordat de vraag naar ambachtelijke producten steeg ten gevolge van de toenemende verstedelijking, de bevolkingsgroei en de beginnende industrialisatie[418]. Weinig verrassend is de teruggang van de tewerkstelling in de textielsector, eveneens zwaar geteisterd door de crisis.

 

Om een beter zicht te krijgen op deze verschuivingen kunnen we een onderzoek voeren naar de beroepsmobiliteit. In de registers van 1846 werd immers niet alleen het beroep van de conscrit vermeld, maar ook dat van de vader. Dat laat toe om een inschatting te kunnen maken van de beroepsmobiliteit. Alle onderzoeken over dat onderwerp wijzen voor de onderzochte periode op een zeer grote beroepsendogamie[419]. Als we dergelijke gegevens visualiseren in een kruistabel, valt in dergelijke gevallen de concentratie op de diagonaal op, en bij onze onderzoekspopulatie is dat niet anders.

 

 

BEROEP VADER

BEROEP ZOON

Landbouw

Dagloner

Dienst-personeel

Textiel

Ambachten

Handel

Zonder

N

38

73

4

34

42

19

1

Landbouw

78,9

2,7

0,0

0,0

2,4

5,3

0,0

Dagloner

2,6

63,0

0,0

5,9

11,9

10,5

0,0

Dienstperso-neel

2,6

16,4

75,0

8,8

2,4

0,0

0,0

Textiel

10,5

4,1

0,0

70,6

7,1

0,0

0,0

Ambachten

5,3

9,6

0,0

8,8

59,5

10,5

0,0

Handel en vrije beroepen

0,0

0,0

0,0

2,9

4,8

52,6

0,0

Zonder

0,0

4,1

25,0

2,9

11,9

21,1

100,0

Tabel 6.11: Beroepsmobiliteit binnen de onderzoekspopulatie, 1846 (kolompercentages).

 

In de cijfers hebben we geen gegevens opgenomen van vaders waarvan het beroep onvermeld was of die reeds gestorven waren. Door de kolompercentages te berekenen kijken we eerst vanuit het perspectief van de vader. Het meest uitgesproken resultaat vinden we bij de landbouwers, waar net geen 79% van de zonen dezelfde weg opgaat. Dat is iets minder dan de 82,5% die F. Roosemont terugvond voor alle Oost-Vlaamse conscrits. Ook in dat onderzoek bleek de textielsector het eerste alternatief te zijn, weliswaar met maar 6,6%. Het grootste verschil zit in de doorstroming naar de ambachten, die hier op een derde plaats komen maar in het onderzoek van Roosemont op de laatste plaats staan.

 

Vaders die als dagloner aan de slag waren, kregen merkelijk minder navolging. 16% van hun zonen was in dienst, wat overeenstemt met de provinciale cijfers, waar maar liefst één op de vier zonen van dagloners als knecht hun beroepsloopbaan begon. Als we vermelden dat slechts vier vaders behoren tot het dienstpersoneel, wordt meteen duidelijk dat het hier vooral om een typische instapjob ging voor ongehuwde jongemannen die op latere leeftijd opgegeven werd. Eén op de tien zonen kon beginnen met een ambacht, tegenover 6% bij de totale populatie van conscrits. Ook bij de textielarbeiders merken we een vrij grote populariteit van de ambachten, zo'n 3% meer dan bij alle conscrits. De overstap naar een job in de agrarische sector werd niet echt overwogen, getuige de geringe keuzes voor een carrière als landbouwer of dagloner.

 

De zonen van de ambachtslui en de handelaars en de vrije beroepen die niet in de voetsporen van hun vader traden, waren vaak geneigd om over te stappen naar de landbouw, met dat verschil dat de zonen van handelaars en vrije beroepen meer graten zagen in een zelfstandig bedrijf. Bij de ambachten probeerde een kleine 7% het in de textielsector, terwijl 5% aan de slag ging in de categorie van de handel en de vrije beroepen. Wat opvalt aan beide categorieën is het hoge aantal zonen zonder beroep, respectievelijk 12% en 21%. We veronderstellen dat het niet gaat om studenten, want van die groep hebben we in de registers enkele vermeldingen teruggevonden. Dat zou kunnen betekenen dat een jongeman met een fysiek gebrek wiens vader tot de betere beroepscategorieën behoorde, sneller uit het arbeidscircuit stapte, mogelijk omdat er meer financiële ruimte was.

 

 

BEROEP VADER

BEROEP ZOON

N

Landbouw

Dagloner

Dienst-personeel

Textiel

Ambachten

Handel

Zonder

Landbouw

34

88,2

5,9

0,0

0,0

2,9

2,9

0,0

Dagloner

56

1,8

82,1

0,0

3,6

8,9

3,6

0,0

Dienstper-soneel

20

5,0

60,0

15,0

15,0

5,0

0,0

0,0

Textiel

34

11,8

8,8

0,0

70,6

8,8

0,0

0,0

Ambachten

39

5,1

17,9

0,0

7,7

64,1

5,1

0,0

Handel

13

0,0

0,0

0,0

7,7

15,4

76,9

0,0

Zonder

15

0,0

20,0

6,7

6,7

33,3

26,7

6,7

Tabel 6.12: Beroepsmobiliteit binnen de onderzoekspopulatie, 1846 (rijpercentages).

 

Ditmaal analyseren we de beroepsmobiliteit vanuit het standpunt van de zonen. De endogamie komt in dit geval nog sterker tot uitdrukking, zoals de cijfers op de diagonaal aangeven. Er is echter één markante uitzondering, het dienstpersoneel. Daarin verschilt onze onderzoekspopulatie weinig van de overige conscrits, waar slechts 6% van de dienstknechten een vader hadden die in dezelfde branche werkzaam was. Hun vaders vinden we vooral terug onder de dagloners, en in veel lagere verhoudingen bij de textielarbeiders en de landbouwers. Voorts valt op dat veel ambachtslui afkomstig zijn van dagloners, bijna het dubbele van het aandeel bij alle conscrits (8,7%). Voor de categorieën dagloner, dienstpersoneel, textiel en handel is de endogamie zelfs sterker dan bij het totaal van de Oost-Vlaamse keurlingen. Zo ligt het cijfer van de textielsector bijna 20 procentpunten hoger (70,6% tegenover 51,4%). Enkel bij de ambachten ligt het peil tien procentpunten lager. [420]

 

Wat de arbeidsmobiliteit betreft luidt de eerste conclusie dat deze heel beperkt bleef, zoals dat in de volledige maatschappij het geval was. Behalve voor de landbouw en de ambachten geeft onze onderzoekspopulatie zelfs blijk van een grotere endogamie dan gemiddeld. De meeste zonen met een fysiek gebrek traden in de voetsporen van hun vader, de notoire uitzondering van het dienstpersoneel niet te na gesproken. Vooral in de landbouw worden er nauwelijks andere wegen bewandeld. Pas als het op de tweede keuze aankomt, kunnen we echte verschilpunten aanwijzen. Vooral de ambachten scoren beter dan we op basis van de cijfers voor alle Oost-Vlaamse conscrits zouden vermoeden.

 

Deze beperkte endogamie lijkt te contrasteren met een aantal grote verschuivingen van de beroepen waarvan de onderzoekspopulatie blijk gaf. Onder andere de scherpe daling in de landbouw en de stijging van het aandeel van de ambachten en de dagloners wezen op ingrijpende veranderingen, die we hier slechts in mindere mate weerspiegeld zien. Hier botsen we ons inziens op een nadeel van de brongegevens van de conscriptielijsten in verband met de studie van de beroepsmobiliteit. De professionele activiteiten van vader en zoon worden op hetzelfde moment vastgelegd. Daardoor kennen we enkel het actuele beroep van de vader, en blijven we in het ongewisse over eventuele veranderingen tegenover het verleden. Gezien de cijfers wijzen op een grote mate van endogamie, moet een belangrijk deel van de verschuivingen op de arbeidsmarkt al bij de ouders van de conscrits van 1846, geboren in 1827, gebeurd zijn.

 

In een volgende fase kunnen we onderzoeken wat de aandelen zijn van de verschillende categorieën van gebreken in de verschillende beroepsgroepen, en omgekeerd.

 

Type

O

B

G

Z

M

A

H

S

D

Meer-dere

TO-TAAL

N

435

266

170

298

80

2

27

27

6

51

1362

Landbouw

24,1

29,7

28,8

22,8

33,8

0,0

29,6

25,9

16,7

31,4

26,4

Dagloner

24,1

25,9

24,7

26,5

22,5

0,0

18,5

22,2

16,7

21,6

24,7

Dienst-personeel

10,6

15,4

6,5

7,4

11,3

0,0

7,4

18,5

0,0

5,9

10,2

Textiel

18,6

10,5

13,5

16,4

17,5

0,0

18,5

22,2

50,0

19,6

16,1

Ambacht

16,1

11,7

14,1

17,4

5,0

0,0

18,5

3,7

16,7

7,8

14,1

Handel en vrije beroepen

4,4

5,6

10,0

8,7

5,0

0,0

0,0

0,0

0,0

5,9

6,2

Onbekend

2,1

0,8

2,4

0,7

2,5

100

3,7

3,7

0,0

7,8

2,0

Zonder

0,0

0,4

0,0

0,0

2,5

0,0

3,7

3,7

0,0

0,0

0,4

Tabel 6.13: Aandeel van de beroepsgroepen in de types van gebreken, 1807-1809 (kolompercentages).

 

De groep van landbouwers telt relatief minder problemen aan de onderste ledematen, maar de gebreken aan de bovenste ledematen, de gestalte, het gehoor en mentale problemen scoren duidelijk hoger dan het gemiddelde. Vooral de dominantie van de laatste categorie valt op. Er worden tevens heel wat conscrits afgekeurd omwille van meerdere gebreken. De dagloners laten waarden optekenen die minder afwijken van het gemiddelde, met hoge waarden voor de visuele gebreken en de bovenste ledematen. Bij het dienstpersoneel valt het op dat er veel spraakgebreken en problemen aan de bovenste ledematen zijn.

 

De weerhouden conscrits die werken in de textielsector worden opvallend minder met deze laatste categorie geconfronteerd, maar hebben des te meer te kampen met problemen aan de onderste ledematen. We komen hetzelfde patroon opnieuw tegen bij de ambachten. Mensen met gebreken aan de voeten en de benen prefereerden een zittend beroep boven een job die meer beweging vroeg. Omgekeerd konden ze het zich minder veroorloven om problemen te hebben aan de bovenste ledematen, omdat dat de kwaliteit van hun producten beïnvloedde. Deze gegevens suggereren dus dat fysieke gebreken een zekere invloed hadden op de beroepskeuze. We mogen er echter geen determinerende relatie van maken, want zoals we gezien hebben bij de beroepsmobiliteit speelde vooral het vak van de vader een belangrijke rol.

 

Diegenen die werken in de ambachten hebben ook meer last van oogproblemen, eventueel kunnen we ook dit relateren aan de specifieke omstandigheden waarin gewerkt moest worden. In deze categorie zijn er heel weinig mensen met mentale handicaps. De handelaars en de vrije beroepen tot slot hebben dan weer het meest last van de gestalte en het zicht.

 

 

N

O

B

G

Z

M

A

H

S

D

Meer-dere

Landbouw

360

29,2

21,9

13,6

18,9

7,5

0,0

2,2

1,9

0,3

4,4

Dagloner

336

31,3

20,5

12,5

23,5

5,4

0,0

1,5

1,8

0,3

3,3

Dienstpersoneel

139

33,1

29,5

7,9

15,8

6,5

0,0

1,4

3,6

0,0

2,2

Textiel

219

37,0

12,8

10,5

22,4

6,4

0,0

2,3

2,7

1,4

4,6

Ambacht

192

36,5

16,1

12,5

27,1

2,1

0,0

2,6

0,5

0,5

2,1

Handel en vrije beroepen

84

22,6

17,9

20,2

31,0

4,8

0,0

0,0

0,0

0,0

3,6

Onbekend

27

33,3

7,4

14,8

7,4

7,4

7,4

3,7

3,7

0,0

14,8

Zonder

5

0,0

20,0

0,0

0,0

40,0

0,0

20,0

20,0

0,0

0,0

TOTAAL

1362

31,9

19,5

12,5

21,9

5,9

0,1

2,0

2,0

0,4

3,7

Tabel 6.14: Aandeel van de types van gebreken in de verschillende beroepsgroepen, 1807-1809 (rijpercentages).

 

Als we de aandelen van de types van gebreken per beroepscategorie bekijken, worden de vaststellingen van de vorige tabel grotendeels bevestigd, alleen zijn de verhoudingen nog meer uitgesproken. De dagloners zitten bijna steeds op het gemiddelde. De dominantie van de problemen aan de onderste ledematen in de groepen van de ambachten en het textiel wordt extra in de verf gezet. Hetzelfde geldt voor de gebreken aan de gestalte en het gezichtsveld bij de handelaars en de vrije beroepen.

 

Vervolgens bouwen we een vergelijkingspunt met een beeld van de situatie in 1846.

 

 

O

B

G

Z

M

S

D

Meerdere

TOTAAL

N

102

59

100

18

12

3

3

3

300

Landbouw

12,7

11,9

13,0

22,2

8,3

0,0

33,3

0,0

13,0

Dagloner

25,5

30,5

30,0

33,3

16,7

0,0

0,0

66,7

28,0

Dienstpersoneel

12,7

10,2

11,0

5,6

8,3

33,3

0,0

33,3

11,3

Textiel

17,6

11,9

14,0

0,0

8,3

0,0

33,3

0,0

13,7

Ambachten

20,6

18,6

19,0

22,2

0,0

33,3

0,0

0,0

18,7

Handel en vrije beroepen

5,9

6,8

6,0

11,1

0,0

0,0

0,0

0,0

6,0

Zonder

4,9

8,5

6,0

5,6

58,3

33,3

33,3

0,0

8,7

Onvermeld

0,0

1,7

1,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,7

Tabel 6.15: Aandeel van de beroepsgroepen in de types van gebreken, 1846 (kolompercentages).

 

 

N

O

B

G

Z

M

S

D

Meerdere

Landbouw

39

33,3

17,9

33,3

10,3

2,6

0,0

2,6

0,0

Dagloner

84

31,0

21,4

35,7

7,1

2,4

0,0

0,0

2,4

Dienstpersoneel

34

38,2

17,6

32,4

2,9

2,9

2,9

0,0

2,9

Textiel

41

43,9

17,1

34,1

0,0

2,4

0,0

2,4

0,0

Ambachten

56

37,5

19,6

33,9

7,1

0,0

1,8

0,0

0,0

Handel en vrije beroepen

18

33,3

22,2

33,3

11,1

0,0

0,0

0,0

0,0

Zonder

26

19,2

19,2

23,1

3,8

26,9

3,8

3,8

0,0

Onvermeld

2

0,0

50,0

50,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

TOTAAL

300

34,0

20,0

33,0

6,0

4,0

1,0

1,0

1,0

Tabel 6.16: Aandeel van de types van gebreken in de beroepsgroepen, 1846 (rijpercentages).

 

De landbouwers, als groep sterk teruggevallen binnen de onderzoekspopulatie, telden opvallend meer visuele problemen, een type gebrek dat in 1807-1809 nog sterk ondervertegenwoordigd was. De dagloners vertonen hetzelfde patroon. De dominantie van de gebreken van de onderste ledematen bij de ambachten en het textiel wordt bevestigd, maar de ondervertegenwoordiging van problemen aan de bovenste ledematen is bij de ambachten volledig verdwenen. Bij de handelaars en de vrije beroepen blijven de problemen aan het gezichtsveld ruim hoger scoren dan het gemiddelde.

 

Op basis van grafiek 6.1 konden we vaststellen dat het aandeel van de gebreken van de gestalte sterk toegenomen was. Uit de tabel blijkt duidelijk dat geen enkele specifieke beroepscategorie daarvoor verantwoordelijk was, maar dat de stijging algemeen was. Wel is de aangroei meer uitgesproken bij het dienstpersoneel en de textielarbeiders. De resultaten voor 1846 liggen steevast in de buurt van het totale aandeel van elke beroepsgroep in de onderzoekspopulatie. Dat betekent dat de sterkst groeiende categorie van lichamelijke gebreken, die van de gestalte, elke beroepscategorie trof. De sociaal-economische crisis van de eerste helft van de negentiende eeuw teisterde met andere woorden de hele bevolking. Met enige zin voor overdrijving kunnen we zeggen dat de Oost-Vlamingen zich krom moesten werken om het hoofd boven water te houden.

 

Al meermaals hebben we gewezen op de toenemende graad van verstedelijking waarvan onze populatie blijk gaf. In onderstaande tabel hebben we de professionele gegevens opgedeeld naargelang de woonplaats zich al dan niet in de belangrijkste Oost-Vlaamse steden bevond.

 

 

1807-1809

1846

N

% in totaal

% in stad

N

% in totaal

% in stad

Landbouw

360

26,4

9,7

39

13,0

7,7

Dagloner

336

24,7

14,0

84

28,0

21,7

Dienstpersoneel

139

10,2

10,1

34

11,3

12,1

Textiel

219

16,1

23,7

41

13,7

24,4

Ambachten

192

14,1

47,9

56

18,7

62,5

Handel en vrije beroepen

84

6,2

71,4

18

6,0

76,5

Zonder

5

0,4

40,0

26

8,7

44,0

Onbekend

27

2,0

37,0

2

0,7

0,0

TOTAALGEMIDDELDE

1362

 

22,9

300

 

32,0

Tabel 6.17: Procentueel aandeel van onderzoekspopulatie dat in steden woont, uitgesplitst per beroepsgroep, 1807-1809 en 1846.

 

Op de groep landbouw na wonen er van alle beroepscategorieën in 1846 relatief meer gebrekkige conscrits in steden. Als we de aandelen vergelijken met de totale aandelen in de beroepen, blijken ook de dagloners sterker ingeplant te zijn op het platteland. Dat is vrij logisch gezien het feit dat de onderzoekspopulatie exclusief uit mannen bestond, en het mannelijk dienstpersoneel vooral als knecht op landbouwbedrijven aan de slag was. Het aantal tewerkgestelden in de textielsector daalt over het algemeen maar blijft stabiel in de steden, wat betekent dat deze sector, althans in onze onderzoekspopulatie, op het platteland aan belang inboette.

 

De ambachtslui met fysieke gebreken waren duidelijk één van de eerste beroepsgroepen die zijn geluk ging beproeven in de steden. Meer dan zes op de tien waren daar terug te vinden. Een andere typisch stedelijke beroepsgroep vormen de handelaars en de vrije beroepen, waarvan de omvang in 1846 met vijf procentpunten is toegenomen. Tot slot valt het op dat ook de jongemannen zonder beroep in bijna de helft van de gevallen in de stad wonen. Uit tabel 6.16 bleek dat de vaders van deze jongemannen vooral onder de ambachtslui, handelaars en vrije beroepen gezocht moesten worden, niet toevallig sterk aanwezig in de steden.

 

In Oost-Vlaanderen waren er een aantal geografische patronen inzake tewerkstelling, zoals de dominantie van de textielsector in het zuidwesten van de provincie. De regionale opsplitsing van de beroepsgegevens van onze onderzoekspopulatie kan ons leren in welke mate mannen met een fysiek of mentaal gebrek in dat plaatje pasten.

 

 

Gent

Ouden.

Aalst

Dend.

St.-Nikl.

Eeklo

N

477

-

223

-

244

-

134

-

190

-

94

-

Landbouw

22

23

16

17

46

47

38

49

23

34

16

62

Dagloner

22

15

25

22

19

13

16

16

32

24

46

10

Dienstpersoneel

11

11

7

7

9

9

13

8

13

10

7

1

Textiel

16

16

36

40

7

11

11

10

9

12

17

10

Ambachten

15

15

11

10

14

13

16

12

18

15

6

13

Handel en vrije beroepen

10

6

2

3

4

5

6

4

4

5

6

4

Zonder

1

15

0

3

0

3

0

1

0

1

0

1

Onbekend

3

3

1

0

1

1

Tabel 6.18: Beroepsstructuur per arrondissement, onderzoekspopulatie, 1807-1809 (linkerkolom) en alle conscrits, 1805-1806 (rechterkolom)[421], (kolompercentages).

 

In de tabel zijn een aantal vaststellingen te herkennen die al in het verhaal over de sociaal-economische context van Oost-Vlaanderen aan bod kwamen. De dominantie van Oudenaarde wat tewerkstelling in de huisnijverheid betreft wordt hier bevestigd met een heel hoog cijfer voor de mannen met een beroep in de textielsector. We kunnen ook afleiden dat de lage cijfers van de onderzoekspopulatie voor de landbouw nagenoeg volledig op het conto te schrijven zijn van drie arrondissementen: Dendermonde, Sint-Niklaas en Eeklo. Vooral in de laatste twee regio's is de kloof opvallend groot en zoeken veel jongemannen een alternatief als dienstknecht, textielarbeider of ambachtsman.

 

In alle arrondissementen, met uitzondering van Dendermonde, bevat onze onderzoekspopulatie meer dagloners. Vooral in Eeklo is de kloof heel uitgesproken, en daar zijn ook meer gebrekkigen tewerkgesteld in het textiel. In het hoofdstuk over de contextualisering hebben we aangestipt dat het noorden van de provincie Oost-Vlaanderen werd gekenmerkt door grotere landbouwbedrijven. Het is mogelijk dat mannen met een fysiek gebrek in die regio het nog moeilijker hadden dan in de rest van de provincie om zich te handhaven als zelfstandig landbouwer, en daarom meer dagloner waren of hun broodwinning zochten in de textielsector of als dienstpersoneel.

 

 

Gent

Ouden.

Aalst

Dend.

St.-Nikl.

Eeklo

N

130

-

30

-

43

-

23

-

59

-

15

-

Landbouw

12

19

10

20

26

37

26

30

2

23

13

21

Dagloner

27

23

20

19

16

17

22

19

44

18

33

34

Dienstpersoneel

12

14

7

15

9

12

17

16

14

17

7

16

Textiel

15

11

20

25

19

15

9

11

8

13

7

7

Ambachten

21

20

23

13

19

12

17

16

15

21

7

13

Handel en vrije beroepen

6

9

7

6

0

4

4

8

10

6

7

6

Zonder

8

3

10

2

12

2

0

0

7

1

27

3

Onvermeld

0

3

0

4

0

0

Tabel 6.19: Beroepsstructuur per arrondissement, onderzoekspopulatie (linkerkolom) en alle conscrits (rechterkolom)[422], 1846 (kolompercentages).

 

In de eerste periode was de lage score van de categorie landbouw te wijten aan drie arrondissementen. Een kleine halve eeuw later heeft dat patroon zich verspreid over de hele provincie, met als absoluut dieptepunt het arrondissement Sint-Niklaas. Enkel in Aalst en Dendermonde kunnen ze zich nog enigszins handhaven. De drastische cijfers tonen aan dat onze onderzoekspopulatie sterk in de klappen deelde. De heroriëntaties op de arbeidsmarkt verschilden echter sterk per arrondissement. In Gent en vooral Sint-Niklaas werd men dagloner, in Gent en Aalst zien we meer textielarbeiders. De ambachten waren het populairst in Oudenaarde en Aalst. Alle arrondissementen, op uitzondering van Dendermonde, hebben echter gemeen dat er een groot aandeel beroepslozen zijn.

 

De geografische uitsplitsing levert dus een heel verscheiden beeld op. De voortschrijdende crisis liet zich binnen onze onderzoekspopulatie het sterkst voelen in de landbouwsector. De antwoorden waren echter heel divers. Op dat vlak is het beter om de transformaties op de arbeidsmarkt te bekijken vanuit de dichotomie stad – platteland, of per type van gebrek.

 

Tot slot van de behandeling van de informatie over de professionele activiteiten hebben we nagegaan of een onwettige geboorte in combinatie met een fysiek gebrek een invloed had op de beroepskeuze.

 

 

N

%

Onwettigen bij alle conscrits

Onderzoeks-populatie

Alle conscrits

Landbouw

7

17,5

17,9

26,4

33,3

Dagloner

6

17,5

24,5

24,7

16,4

Dienstpersoneel

10

25,0

27,7

10,2

8,6

Textiel

8

20,0

15,8

16,1

17,5

Ambachten

3

7,5

13,0

14,1

13

Handel en vrije beroepen

3

7,5

1,1

6,2

4,5

Zonder

0

0,0

-

0,4

6,8

Onvermeld

3

7,5

-

2,0

Tabel 6.20: Beroepsstructuur onwettigen in de onderzoekspopulatie, 1807-1809 en bij alle Oost-Vlaamse conscrits, 1805-1806[423], beroepsstructuur van de totale onderzoekspopulatie, 1807-1809, en alle Oost-Vlaamse conscrits, 1805-1806.

 

We beschikken slechts over een kleine steekproef (N=40), maar toch zijn er een aantal opvallende parallellen met de situatie bij alle conscrits. De belangrijkste vaststelling is de dominantie van het dienstpersoneel, zowel bij de gebrekkige conscrits als bij alle conscrits. Ongeveer één op vier onwettige zonen wordt knecht, één op vijf is aan de slag in het textiel, dat bij de gebrekkige onwettigen meer in trek is dan een carrière als dagloner. We zoeken een verklaring voor deze vaststelling bij het feit dat de moeders van onwettigen vooral als spinster werkten[424]. Dat zou een deel van de gebrekkige onwettige conscrits kunnen beïnvloed hebben bij de beroepskeuze, in de zin dat ze ervoor opteerden om voorlopig bij hun moeders te blijven inwonen. Dat kan bovendien de lage waarden van de ambachten verklaren, een beroepsgroep waar weinig vrouwen aanwezig waren. Opvallend is ook de hoge score van de handel en de vrije beroepen. Afgaande op de tabel kunnen we besluiten dat een fysiek gebrek een beperkte impact had op de beroepskeuze van onwettige conscrits, maar dat de mannen in kwestie over het algemeen goed het patroon weerspiegelden dat we bij alle onwettigen terugvinden.

 

Ter afronding van deze paragraaf overlopen we per beroepsgroep de belangrijkste conclusies. De landbouwers waren steevast in de minderheid binnen de groep van gebrekkige conscrits. Volgens ons betekent dit niet dat landbouwers gezonder waren, maar dat mannen met een fysiek gebrek moeilijker een zelfstandig bedrijf konden handhaven. Hun fysiek gebrek moet hen dermate gehinderd hebben dat ze bij de eerste slachtoffers hoorden van de sociaal-economische crisis. Dat de daling van het landbouwersaandeel zich doorzette naarmate de crisis vorderde, lijkt onze hypothese te bevestigen.

 

Een tweede indicatie waarop we steunen om deze verklaring naar voor te schuiven is het hoge aantal dagloners, steeds zeven tot acht procentpunten meer dan bij alle conscrits. Heel wat mannen met fysieke gebreken bleven in die hoedanigheid op het platteland aanwezig. Als we de twee groepen optellen, komen we uit op een agrarische tewerkstelling die nauwelijks afwijkt van de verhoudingen in de gewone populatie. In 1846 werd die gelijkheid echter doorbroken, want de scherpe daling van het aantal landbouwers betekende zeker geen evenredige aangroei bij de dagloners.

 

De textielsector ging – weliswaar niet zo spectaculair - achteruit, niet toevallig samen met de landbouw de crisissector bij uitstek. Het vrijgekomen aandeel werd slechts in geringe mate ingenomen door de groep van het dienstpersoneel. De twee categorieën die het meest vooruitgingen waren de ambachten, en vooral de groep conscrits die geen beroep uitoefenden. Die vaststelling stemt overeen met de theoretische uitgangspunten uiteengezet in hoofdstuk twee. Met het opdrijven van het belang van de arbeidsproductiviteit en de sterke concurrentiedwang vanuit de internationale markt kwamen zij onvermijdelijk in de problemen. Het is veelzeggend dat de mentale handicaps binnen deze groep het sterkst vertegenwoordigd waren. Anderzijds woonden de beroepslozen vrij veel in de steden, en werkten hun vaders als ambachtslui of als handelaar, of oefenden ze een vrij beroep uit, waarvan we mogen aannemen dat die het meeste financiële ruimte hadden om een uitstap uit de arbeidsmarkt te overwegen.

 

Bij de ambachtslui en de textielarbeiders merkten we bovendien dat er opvallend veel personen met problemen aan de onderste ledematen waren, terwijl ze minder te kampen hadden met problemen aan de bovenste ledematen. Fysieke gebreken oefenden in dat geval een zekere invloed uit op de beroepskeuze, hoewel de sterke beroepscontinuïteit tussen vader en zoon deze bevindingen meteen relativeert.

 

Tot slot bleken de problemen aan de gestalte, die in 1846 flink toegenomen waren, bij alle beroepsgroepen even sterk aanwezig te zijn. Het Vlaamse antwoord op de sociaal-economische crisis bestond vooral uit het opdrijven van de arbeidsproductiviteit en het inschakelen van de gezinsleden, al vanaf jonge leeftijd. De gevolgen van deze aanpak vinden we terug in de conscriptielijsten, met proportioneel gezien meer jongemannen met bochels of misvormingen van de ruggegraat.

 

De belangrijkste conclusie luidt echter dat mensen met een fysiek gebrek door de band genomen een beroep uitoefenden, en blijkbaar meehielpen om het gezinsbudget rond te krijgen. Zelfs mannen die omwille van mentale handicaps afgekeurd waren, bleven niet werkloos thuis zitten. Zoals hierboven aangehaald verandert dat beeld in 1846 voor het eerst, en waarschijnlijk ook definitief. Daar worden we geconfronteerd met het prille begin van de evolutie waarin mensen met een gebrek, mentaal of fysiek, op de arbeidsmarkt uit de boot vallen.

 

 

6.6 Het migratiegedrag

 

Dankzij de conscriptielijsten kunnen we het migratiegedrag van de opgenomen jongemannen reconstrueren, omdat we een aanduiding krijgen van de geboorte- en de woonplaats. Toen we de sociaal-economische context van deze studie schetsten, bleek dat de provincie Oost-Vlaanderen in de crisisjaren 1845-1850 geconfronteerd werd met een emigratie die de immigratie overtrof. Intern oefenden vooral de steden een grotere aantrekkingskracht uit, terwijl de linnenarrondissementen de grootste uitstroom lieten optekenen.

 

Eerder in dit hoofdstuk kwamen we tot de conclusie dat in het begin van de negentiende eeuw onze onderzoekspopulatie nauwelijks afweek van de algemene urbanisatiegraad van rond de 22%, een situatie die in 1846 echter drastisch veranderd was. Op het hoogtepunt van de crisis bleek dat één op drie gebrekkige conscrits (32%) in de stad terug te vinden was, terwijl die verhouding voor alle conscrits slechts 26,3% bedroeg. De vraag stelde zich of deze verschuiving naar de steden een gevolg was van een plattelandsvlucht, of dat er autonoom-stedelijke factoren de hoofdoorzaak waren. Een manier om klaarheid te scheppen is kijken naar de mate waarin gemigreerd werd.

 

In een eerste tabel geven we een overzicht van het aantal migranten in de onderzoekspopulatie.

 

 

1807-1809

1805-1806

1846

1846

N

% migrant

% migrant, alle conscrits

N

% migrant

% migrant, alle conscrits

Gent

477

20,1

16,2

130

19,2

16,5

Oudenaarde

223

15,7

17,1

30

23,3

15,9

Aalst

244

15,6

13,5

43

4,7

9,3

Dendermonde

134

17,2

16,0

23

4,3

8,8

Sint-Niklaas

190

17,4

13,7

59

16,9

10,5

Eeklo

94

18,1

21,3

15

6,7

13,0

TOTAAL

1362

17,8

15,9

300

15,3

13,1

Tabel 6.21: % migranten (woonplaats verschillend van geboorteplaats) per arrondissement in de onderzoekspopulatie, 1807-1809 en 1846, vergeleken met % migranten onder alle conscrits,
1805-1806 en 1846
[425].

 

Het valt onmiddellijk op dat onze populatie in de eerste periode steeds hogere waarden laat optekenen dan de volledige groep van conscrits, cijfers waar nota bene de gegevens van de weerhouden conscrits ingecalculeerd zijn. In feite zal de kloof dus nog iets groter zijn. Het verschil blijft weliswaar beperkt en is doorheen de twee periodes vrij stabiel, rond de twee procent. Het is een nieuwe bevestiging van de vaststellingen die volgden uit de gegevens van de urbanisatie: we hebben te maken met een groep binnen de bevolking die blijk geeft van een grotere mobiliteit, zonder evenwel opvallend af te wijken van de cijfers van de andere jongemannen. Wanneer we in 1846 een lager algemeen migratiecijfer optekenen, volgt onze onderzoekspopulatie volledig deze trend.

 

In 1846 is het arrondissementele patroon grilliger, mogelijk als gevolg van de smallere statistische basis. Niettemin valt op dat Gent en Sint-Niklaas in de twee onderzochte perioden steeds meer migranten tellen dan het provinciale gemiddelde. Ook hier is er een parallel met de eerdere onderzoeksresultaten, onder meer de grotere aanwezigheid van gebrekkige conscrits in de steden, waaruit een sterke dynamiek in beide arrondissementen naar voor kwam.

 

 

Uit hetzelfde arrondissement

Uit 0ost-Vlaanderen

Uit België

Uit het buitenland

Gent (N=96)

66,7%

65,7%

60,5%

69,6%

72,7%

70,6%

24,0%

14,3%

23,7%

30,4%

15,2%

5,9%

6,3%

17,1%

15,8%

0,0%

6,1%

23,5%

3,1%

2,9%

0,0%

0,0%

6,1%

0,0%

Oudenaarde (N=35)

Aalst (N=38)

Dendermonde (N=23)

Sint-Niklaas (N=33)

Eeklo (N=17)

TOTAAL (N=242)

66,9%

20,7%

9,9%

2,5%

Alle Oost-Vlaamse conscrits (1805-1806)

86,3%

8,3%

3,6%

1,8%

Tabel 6.22: Geografische uitsplitsing per arrondissement van de migraties in de onderzoekspopulatie (rijpercentages), 1807-1809, en idem voor alle Oost-Vlaamse conscrits, 1805-1806[426].

 

Als we de migraties opdelen in vier ruwe categorieën, worden we geconfronteerd met een opvallend verschil met de resultaten voor alle Oost-Vlaamse conscrits. Onze onderzoekspopulatie vertoont ook wat de afstand van de migraties betreft een meer mobiel karakter. Ze gaan verhoudingsgewijs veel meer migreren buiten de arrondissementsgrenzen, vooral naar andere gebieden binnen de provincie en in één op de tien gevallen elders in België.

 

 

Hetzelfde arrondissement

0ost-Vlaanderen

België

Het buitenland

Onderzoekspopulatie (N=46)

47,8%

32,6%

17,4%

2,2%

Alle conscrits

75,0%

12,9%

10,1%

2,0%

Tabel 6.23: Geografische uitsplitsing van de migraties in de onderzoekspopulatie (rijpercentages),
1846, en idem voor alle Oost-Vlaamse conscrits, 1846
[427].

 

Door het beperkte aantal cases hebben we voor 1846 geen arrondissementele opsplitsing doorgevoerd. De cijfers spreken voor zich: de trend van het begin van de negentiende eeuw zet zich versterkt door. Een op twee gebrekkige mannen die op hun twintigste gemigreerd waren, kwamen terecht buiten het arrondissement waar ze geboren waren. Bij alle conscrits merken we in de peiling van 1846 de eerste aanzetten tot een grotere mobiliteit op, maar op dat moment komen ze nog niet aan het niveau dat de conscrits met fysieke gebreken al in 1807-1809 lieten optekenen.

 

Al enkele malen werden we geconfronteerd met aanduidingen dat de onderzoekspopulatie sneller zijn toevlucht zocht in de stad (cf. tabel 6.3). Met de onderstaande tabel proberen we te testen of de migratie naar de steden een bepalende factor was in deze evolutie.

 

 

Alle migraties

Migraties naar stad[428]

N

N

% van alle migraties

1807-1809

 

Gent

96

15

15,6

Oudenaarde

35

6

17,1

Aalst

38

8

21,1

Dendermonde

23

5

21,7

Sint-Niklaas

33

10

30,3

Eeklo

17

2

11,8

TOTAAL

242

46

19,0

1846

 

TOTAAL

46

12

26,1

Tabel 6.24: Procentueel aandeel migraties naar Oost-Vlaamse steden binnen het totaal van migraties,
1807-1809 en 1846.

 

Begin negentiende eeuw verhuisde slechts 19% van de migranten uit onze onderzoekspopulatie naar de belangrijkste Oost-Vlaamse steden, een vrij laag cijfer.[429] In 1846 is het aandeel gestegen tot een kwart, maar als we de gegevens afzetten tegenover de totale omvang van de twee steekproeven blijken de stedelijke migraties weinig toe te nemen.

 

 

N

% stedelijke migraties

1807-1809

1362

3,4%

1846

300

4,0%

Tabel 6.25: Procentueel aandeel stedelijke migraties in de totale onderzoekspopulatie, 1807-1809 en 1846.

 

De stedelijke migratie kan dus niet exclusief ingeroepen worden ter verklaring van de stijging van de urbanisatiegraad die we teruggevonden hebben. Deze conclusie is niet alleen van toepassing op de bevolkingsgroep die hier wordt onderzocht, maar gaat op voor de volledige samenleving. Volgens M. Neven en I. Devos was in de periode van 1831 tot 1910 slechts 25% van de stedelijke aangroei te verklaren door migraties, en het was vooral het geboorteoverschot dat aan de basis lag van de aanwas in de steden[430].

 

BEROEP

Gent

Ouden.

Aalst

Dender.

St.-Nikl.

Eeklo

TOT.

PROV.

Landbouw

24,3

13,9

12,5

9,8

14,0

13,3

15,8

12,3

Dagloner

17,8

17,5

21,3

14,3

3,3

25,6

16,4

15,9

Dienstpersoneel

38,9

46,7

23,8

38,9

41,7

28,6

37,4

39,6

Textiel

17,3

8,8

12,5

6,7

17,6

6,3

12,3

12,0

Ambachten

11,1

12,5

8,8

23,8

20,0

16,7

14,1

19,6

Handel en vrije beroepen

19,1

40,0

40,0

25,0

62,5

0,0

26,2

18,7

Zonder

0,0

0,0

0,0

-

-

-

0,0

5,5

Onbekend

6,3

16,7

0,0

-

0,0

0,0

7,4

Tabel 6.26: % Migranten in elke beroepsgroep van de onderzoekspopulatie, opgesplitst per arrondissement, 1807-1809, en bij alle Oost-Vlaamse conscrits, 1805-1806[431].

 

De tabel geeft voor elke mogelijke combinatie het percentage migranten binnen het aandeel dat deze combinatie heeft in de onderzoekspopulatie. Meteen springt de sterke mobiliteit van het dienstpersoneel in het oog, een typisch fenomeen dat we ook bij de gezonde conscrits vaststellen. De resultaten van de gebrekkige jongemannen komen sterk overeen met die van alle conscrits uit dezelfde periode. De tewerkgestelden in de agrarische sector, de landbouwers en de dagloners, vertonen een iets sterkere mobiliteit dan het gemiddelde. Het is een nieuwe indicatie dat de groep die hier onderzocht wordt en die relatief gezien al beperkt in omvang was, vaker de thuishaven achter zich liet. Anderzijds is de migratie in de andere crisissector, het textiel, normaal te noemen. Bij de ambachtslui met een gebrek valt dan weer de honkvastheid op.

 

 

Onderzoekspopulatie

PROVINCIE

Landbouw (N=39)

12,8

9,8

Dagloner (N=84)

10,7

11,1

Dienstpersoneel (N=34)

32,4

20

Textiel (N=41)

12,2

12,5

Ambachten (N=56)

16,1

12,5

Handel en vrije beroepen (N=18)

11,1

17,6

Zonder (N=26)

19,2

18,8

Onbekend (N=2)

0,0

-

Tabel 6.27: % Migranten in elke beroepsgroep van de onderzoekspopulatie en voor alle Oost-Vlaamse conscrits[432], 1846.

 

Een halve eeuw later is de migratie wat getemperd. Toch blijft onze onderzoekspopulatie blijken geven van een sterke mobiliteit, zeker wat het dienstpersoneel betreft. De terugval blijft beperkt, terwijl we voor alle Oost-Vlaamse conscrits geconfronteerd worden met nagenoeg een halvering. De landbouwers met fysieke of mentale gebreken migreren nog steeds meer dan het provinciale gemiddelde.

 

Opvallend is de stijging van de ambachten, in 1807-1809 nog ruim onder het gemiddelde van alle Oost-Vlaamse conscrits. Dat is geen verrassing, want we hebben gezien dat deze groep in de eerste helft van de negentiende eeuw sterk gegroeid was. De dagloners en textielarbeiders blijven hangen rond het gemiddelde, maar de meest opvallende verandering is te noteren bij de handelaars en de beoefenaars van een vrij beroep. In de eerste steekproef legden ze een sterk migratiegedrag aan de dag, in 1846 is dat scherp teruggevallen.

 

 

O

B

G

Z

M

A

H

S

D

Meerdere

1807-1809

aandeel in migraties (N=242)

35%

21%

13%

20%

5%

0%

1%

2%

0%

3%

aandeel in onderzoekspopulatie

33%

20%

13%

21%

5%

0%

2%

2%

0%

4%

1846

aandeel in migraties (N=46)

35%

26%

26%

2%

7%

0%

0%

2%

0%

2%

aandeel in onderzoekspopulatie

34%

20%

20%

6%

6%

0%

0%

1%

1%

2%

Tabel 6.28: Aandelen van de verschillende redenen voor afkeuring bij de migranten, vergeleken met de frequenties voor afkeuring in de onderzoekspopulatie, 1807-1809 en 1846.

 

Als we nagaan of sommige types van gebreken aanleiding gaven tot een verscherpt migratiegedrag, valt de stabiliteit op van de conscrits met problemen aan de onderste ledematen, die één tot twee procenten boven het gemiddelde scoren. Diegenen met problemen aan de bovenste ledematen en de gestalte gaan wel duidelijk meer verhuizen naar het midden van de negentiende eeuw toe. Algemeen gesproken waren er in de periode 1807-1809 geen fysieke gebreken die aanleiding gaven tot een intenser migratiepatroon. In 1846 is dat patroon doorbroken door de jongemannen met problemen aan de gestalte en de bovenste ledematen.

 

Om deze paragraaf af te sluiten halen we de belangrijkste krachtlijnen aan die uit de verschillende tabellen naar voor kwamen. Onze onderzoekspopulatie bleek relatief gezien een grotere mobiliteit te vertonen dan alle conscrits samen, zowel op het vlak van het aantal migraties als de soort van bestemmingen die uitgekozen werden. Mannen met een fysiek gebrek trokken gemiddeld genomen verder weg. Anderzijds konden we geen specifieke handicaps aanduiden die daarvoor verantwoordelijk waren.

 

Een belangrijke vraag waarop we een antwoord zochten was het aandeel van de stedelijke migratie, aangezien onze onderzoekspopulatie blijk gaf van een bovengemiddelde verstedelijking. Het aantal verhuizingen naar de stad bleek echter beperkt te zijn, en schommelde zowel in het begin als in het midden van de negentiende eeuw rond de vier procent van de onderzoekspopulatie. Voor de grotere aanwezigheid van gebrekkige jongemannen in de steden moeten we bijgevolg vooral rekening houden met autonoom-stedelijke factoren.

 

Tot slot merkten we op dat de weerhouden landbouwers een iets intensiever migratiegedrag vertoonden dan gewoonlijk. Dat is opnieuw een indicatie dat deze beroepsgroep het moeilijker had om in geval van een fysiek gebrek zich te handhaven in de thuishaven.

 

 

6.7 De onwettige conscrits

 

In deze paragraaf zullen we kort ingaan op de groep onwettige conscrits met fysieke gebreken. Ook over hen kunnen we informatie afleiden uit de conscriptieregisters. Meestal is er letterlijk vermeld of een jongeman een onwettige zoon was, zoniet kunnen we nog altijd afgaan op het ontbreken van de naam van de vader of het feit dat moeder en zoon dezelfde achternaam delen.

 

De periode die in deze scriptie behandeld wordt, vertoont een stijgende tendens wat het aantal onwettigen betreft. De oorzaak ligt in het bredere proces van verarming en het restrictief huwelijkspatroon dat de bevolking aannam. Het uitstel verhoogde het risico voor vrouwen om ongehuwd zwanger te worden. Bovendien evolueerden de maatschappelijke normen, waardoor de relaties tussen niet-gehuwde koppels duurzamer werden. Tot slot verminderde het gezag en de impact van de kerk op de bevolking. Typerend zijn dan ook de hogere resultaten die opgetekend worden in de steden, waar vlotter contacten gelegd werden dan op het conservatieve platteland.

Bij de interpretatie van de gegevens moeten we wel enige voorzichtigheid aan de dag leggen. We krijgen de stand van zaken niet op het moment van de geboorten, maar twintig jaar later. Ondertussen zijn er onwettigen gestorven, een risico dat bij deze groep vooral in de eerste levensjaren groot was. Niet alle onwettige kinderen waren immers even gewenst, en de bevallingen konden niet altijd in optimale omstandigheden gebeuren vanwege de wens om uit de schijnwerpers te blijven. Een andere mogelijkheid is dat ze erkend werden door een man waarmee hun moeder achteraf in het huwelijksbootje stapte. In de conscriptieregisters hebben we bijgevolg meestal te maken met een onderschatting van het aandeel van deze groep.

 

 

Onderzoekspopulatie

Oost-Vlaanderen

Vlaanderen

N

% onwettigen

1807-1809 (geboren in 1787-1789)

1362

2,9%

1785-1786

2,4%

1780-1790

2,2%

1846 (geboren in 1827)

300

5,0%

1827

4,2%

1821-1830

4,0%

Tabel 6.29: Frequentie onwettige conscrits in de onderzoekspopulatie, 1807-1809 en 1846, onwettigen in Oost-Vlaanderen tegenover het aantal geboorten, 1785-1786 en 1827, onwettige vruchtbaarheid in Vlaanderen, 1780-1790 en 1821-1830[433].

 

Als we uitgaan van de eigenschap van de gegevens tot lichte onderschatting, merken we dat onze onderzoekspopulatie iets hoger scoort dan door de band genomen het geval is. Anderzijds hebben we eerder in dit hoofdstuk vastgesteld dat we de gebrekkige conscrits in 1846 vaker in de stad terugvonden, wat het resultaat beïnvloedt. Daarom hebben we onderzocht in welke mate we de onwettigen terugvinden in de belangrijkste Oost-Vlaamse steden.

 

 

N onwettigen

% in steden

Urbanisatiegraad onderzoekspopulatie

Urbanisatiegraad Oost-Vlaanderen

1807-1809

40

27,5%

22,9

22,4[434]

1846

15

40,0%

32,0

26,3

Tabel 6.30: Percentage onwettigen in steden, onderzoekspopulatie, 1807-1809 en 1846, vergeleken met urbanisatiegraad onderzoekspopulatie en Oost-Vlaanderen, zelfde periodes.

 

De tabel maakt duidelijk dat we niet onmiddellijk mogen concluderen dat er een verband is tussen het voorkomen van fysieke of mentale handicaps en onwettigheid, omdat de factor urbanisatie moet ingecalculeerd worden. Zeker in 1846 wordt het eindresultaat beïnvloed door het feit dat heel wat conscrits in de stad terug te vinden zijn. In de eerste periode is de urbanisatie van onze onderzoekspopulatie echter gelijk aan het gemiddelde, waardoor de factor verstedelijking geneutraliseerd is en er geen interfererende variabelen meer zijn. Dan bedraagt de kloof 0,5 procentpunten, te weinig om van een structureel verschil te spreken.

 

Spijtig genoeg konden we enkel voor 1846 iets te weten komen over de beroepen van de moeders, net de periode waar onze steekproef beperkt is en maar vijftien onwettigen telt. Niettemin zijn de gegevens toch richtinggevend: de enige drie beroepsgroepen die we terugvinden, zijn één huisvrouw, vier dagloonsters en zes vrouwen die werken in de textielsector. Zuiver afgaande op dit gering aantal vermeldingen wijst dit op een sterke inbedding in de onderste maatschappelijke lagen.

 

De onwettige conscrits vertonen ook een sterker migratiegedrag dan gemiddeld. In de periode 1807-1809 had maar liefst 32,5% van de veertig onwettigen in onze onderzoekspopulatie een verschillende geboorte- en woonplaats. Dat is opmerkelijk, maar niet als we in het achterhoofd houden dat veel onwettige jongemannen hun beroepscarrière als dienstknecht begonnen. Dat was immers de meest mobiele beroepscategorie, waardoor we hier weerom geen link mogen leggen met het feit dat ze gebrekkig zijn.

 

 

N

% onwettig

Alle conscrits, 1785-1786

N

% onwettig

Alle conscrits, 1827

Gent

477

1,9%

3,2%

130

4,6%

4,2%

Oudenaarde

223

5,4%

2,0%

30

10,0%

5,3%

Aalst

244

4,9%

1,9%

43

7,0%

3,8%

Dendermonde

134

1,5%

2,9%

23

4,3%

4,5%

Sint-Niklaas

190

1,6%

1,5%

59

3,4%

4,4%

Eeklo

94

2,1%

1,1%

15

0,0%

2,6%

Tabel 6.31: Percentage onwettige conscrits in de onderzoekspopulatie, per arrondissement, 1807-1809 (geboren in 1787-1789), en alle Oost-Vlaamse conscrits, 1805-1806 (geboren in 1785-1786)[435].

 

De resultaten van de geografische uitsplitsing verschillen opvallend sterk van de resultaten van het onderzoek van F. Roosemont. Anderzijds passen de gegevens goed in de Oost-Vlaamse context, met de hoogste scores voor Aalst en Oudenaarde, de twee arrondissementen waar de bevolkingsdruk en de bedrijfsversplintering heel hoog waren, en waar sneller werd overgegaan op een restrictief huwelijkspatroon. Vanuit die optiek is het niet verwonderlijk dat beide regio's ook in 1846 heel hoog scoren, al lijken de resultaten voor dat jaar uitzonderlijk hoog, wat misschien te verklaren is door de kleine omvang van de steekproef. De andere arrondissementen volgen min of meer het beeld dat we van alle onwettige conscrits uit Oost-Vlaanderen hebben.

 

Al bij al kunnen we niet besluiten dat onwettige conscrits structureel meer te kampen hadden met fysieke gebreken. Als we voor verschillende parameters hogere waarden bekomen, kunnen we de oorzaken vaak terugbrengen op andere variabelen. Alleen bij de beroepskeuze kon een fysiek gebrek een beetje invloed hebben.

 

 

6.8 De seizoensschommelingen van de concepties

 

De conscriptieregisters verschaffen ons eveneens waardevolle informatie over het ritme van de geboorten en de concepties, aangezien van elke conscrit de geboortedatum wordt vermeld. Het onderwerp is al intens bestudeerd, wat geleid heeft tot de vaststelling dat de nataliteit in het Ancien Régime nauw verbonden was met het verloop van de seizoenen. In sterke mate gold dat voor de leefgemeenschappen die gericht waren op de landbouw. De geboortecurve was de inverse van de arbeidsinzet: ze vertoonde een dieptepunt in de oogstperiode, terwijl de top ervan niet toevallig in het voor landbouwers kalmere winterseizoen lag. Dat betekent dat de meeste concepties in de maanden april tot juni of juli vielen. Deze ritmering kon doorbroken worden door het kerkelijke voorschrift om zich in de vastenperiode te onthouden. Aan de mate waarin de curve van de concepties in die periode een terugval laat optekenen, kunnen we afleiden hoe het met de invloed van de kerk gesteld was.

 

Figuur 6.6: Concepties van de geboorten, onderzoekspopulatie, 1787-1789 (conscrits uit 1807-1809) en 1827 (conscrits uit 1846), en alle Oost-Vlaamse conscrits, 1785-1786 (uit 1805-1806) en 1827 (indices)[436].

 

De conceptiecurves van mannen met een fysiek gebrek vertonen de typische u-vorm die we terugvinden bij de maatschappijen waarvan het ritme door de landbouwsector bepaald wordt. Wel zijn er een aantal niveauverschillen tussen de verschillende grafieken. De concepties van de periode 1787-1789 zitten in het voorjaar op een lager peil dan bij alle Oost-Vlaamse conscrits uit de jaren 1785-1786, wat echter gecompenseerd wordt in het najaar. Dat is verwonderlijk, want de geboorten vallen dan net in de maanden augustus en september, net drukke maanden in de landbouwsector. Verderop proberen we een verklaring te zoeken voor dit opmerkelijk gegeven. Onze onderzoekspopulatie beperkt tevens de inzinking in mei die we bij de conscrits van 1805-1806 opmerkten. In 1827 is de vorm van beide grafieken vrij parallel, maar in de eerste jaarhelft heeft de curve van de gebrekkige conscrits meer uitschieters, zowel in de toppen als in de dalen. De hoge waarden in het najaar zijn nu volledig verdwenen. De invloed van de kerk laat zich ook in onze onderzoekspopulatie gevoelen, met tweemaal een lage waarde in de vastenperiode.

 

Figuur 6.7: Concepties van de geboorten, 1787-1789 (gebrekkige conscrits uit 1807-1809) en 1785-1786 (alle Oost-Vlaamse conscrits uit 1805-1806)[437].

 

Een hypothese om de hoge waarden in het najaar in de periode 1787-1789 te verklaren is dat onze onderzoekspopulatie minder landbouwers telt, en dus niet zo sterk verbonden is met de ritmering van de agrarische bedrijvigheid. In de bovenstaande grafiek hebben we daarom een onderscheid gemaakt tussen de linnenarrondissementen (Gent, Oudenaarde en Aalst) en de niet-linnenonderscheid (Sint-Niklaas, Dendermonde en Eeklo). Hoewel dergelijk zwart-wit-onderscheid de nuances van de realiteit geweld aandoet, is het onderscheid toch nuttig. Meteen blijken het dal in het voorjaar en de piek in het najaar voor rekening te komen van beide regio's. De niet-linnenarrondissementen, waar we het meeste landbouwers mogen verwachten, bereikt zelfs in november het hoogste peil.

 

Dat betekent dat de geformuleerde hypothese niet klopt. Een tweede mogelijkheid is dat mannen met een fysiek gebrek meer voorkomen in de groep van concepties in het najaar. De gegevens uit de grafiek suggereren dat wie geboren werd in de drukke augustus- en septembermaand een grotere kans op fysieke gebreken had. Mogelijk had het drukke werkschema een invloed op het goed verloop van de zwangerschap of de eerste levensmaanden, met mogelijk blijvende gezondheidsproblemen als gevolg. We merken alleszins dat er in de maanden augustus en september in de belangrijkste categorieën van gebreken geen uitzonderlijke waarden opgetekend worden, ook niet in de groep van de misvormingen.

 

Figuur 6.8: Concepties van de geboorten uit het jaar 1827, onderzoekspopulatie
en alle Oost-Vlaamse conscrits
[438].

 

Deze verklaring botst nog op een tweede probleem, met name de vaststelling dat in 1846 het peil van de concepties in het najaar volledig normaal is. Als we weerom een onderscheid maken tussen de linnen- en niet-linnenarrondissementen, blijkt de curve van deze laatste gebieden dicht aan te leunen bij die van alle Oost-Vlaamse conscrits. Enkel de linnenarrondissementen springen uit de band, maar vooral in het voorjaar.

 

Ter afsluiting vatten we de bevindingen uit deze paragraaf kort samen. Onze onderzoekspopulatie volgde niet altijd het typische u-vormige patroon van de concepties en de geboorten dat in het Ancien Régime en de eerste helft van de negentiende eeuw algemeen verbreid was. De concepties van de conscrits uit de eerste steekproef vallen echter opvallend vaak in het jaareinde, wat niet evident is omdat de geboorte dan volgt in de oogstperiode. Een sluitende verklaring voor dit fenomeen hebben we echter niet kunnen geven, omdat het patroon in 1846 verdwenen is.

 

 

6.9 De lichaamslengte van keurlingen met een fysiek of mentaal gebrek

 

6.9.1 Inleiding

 

In dit onderdeel onderzoeken we de gegevens waarvoor de conscriptieregisters wellicht het meest bekend zijn in de historiografie: de gegevens over de lengte van de lotelingen. Dankzij de lijsten beschikken we over unieke cijferreeksen, voor een historische periode die gekenmerkt is door ingrijpende sociaal-economische transformaties en hun al even ingrijpende gevolgen. J.-P. Bois besluit dan ook resoluut: "C'est son étude, sans doute, qui donne la meilleure indication anthropologique." [439]

 

Het uitgangspunt van de benadering is dat de menselijke groei beïnvloed wordt door twee groepen van factoren: genetische en externe. Voor historici bieden deze laatste interessante perspectieven, omdat de impact van de sociaal-economische omstandigheden op de groei heel belangrijk was, en nog steeds is. Aspecten als het voedingspatroon, de huisvesting, de arbeidsomstandigheden, de gezinsgrootte en migratie spelen een rol[440]. De conscriptielijsten laten ons toe om via diachrone vergelijking een idee te krijgen van de evolutie van de lengte, en daardoor van de beweging van de conjunctuur. In combinatie met de informatie over de andere parameters in de registers is het zelfs mogelijk om gedetailleerde socio-professionele en geografische differentiaties in te bouwen.

 

Voor het begin van de negentiende eeuw is het niet verrassend dat de verschillende lengte-indicaties een dalende trend vertonen. In het hoofdstuk over de contextualisering gingen we kort in op het terugschroeven van de kwaliteit van de voedselconsumptie, geïllustreerd aan de hand van de daling van het vleesverbruik. Tegelijk moesten de kinderen steeds vroeger meehelpen om het gezinsbudget rond te krijgen. De gevolgen voor de lichamelijke constellatie van de conscrits . In het begin van de eeuw kon de Franse prefect Faipoult nog stellen dat de Vlamingen sterk, robuust en gemiddeld 1m60 tot 1m70 maten[441]. Een halve eeuw later zou hij dat beeld drastisch hebben moeten bijstellen.

 

Jammer genoeg is er nog niet veel onderzoek gevoerd naar de invloed van fysieke gebreken of ziekte op de lengte van conscrits. Des te meer heeft men dat gedaan voor de relatie met de beroepsklasse, de onwettigheid of de regionale herkomst van de conscrits. Dat zal ons gelukkig toelaten om de invloed van deze variabelen te kunnen onderscheiden van onze invalshoek, de lichamelijke gebreken.

 

6.9.2 Enkele methodologische opmerkingen bij de verwerking van de lengtegegevens

 

Alvorens echter te beginnen met het praktische deel van het onderzoek, moeten we een aantal kritische bedenkingen formuleren bij de op het eerste gezicht heel objectieve cijfergegevens. Onderzoekers hebben de neiging om vrij licht over deze stap te gaan, ten onrechte. Om nogmaals J.-P. Bois te citeren: "Une apparante précision millimétrique, qui est en realité trompeuse."[442]

 

We hebben de proef op de som genomen en nagegaan hoeveel lengteaanduidingen, steeds genoteerd tot drie cijfers na de komma, op het niveau van de millimeters afgerond worden. Uit de tabel blijkt duidelijk dat er sterk wordt afgerond, vooral naar de nul toe, en in mindere mate naar de vijf. Dat betekent ongeveer 67% van de gevallen. Op het niveau van de centimeters is de situatie volledig normaal, met elk cijfer dat voorkomt met een frequentie van rond de 10%. Voor 1846 zijn de lengtes veel losser genoteerd, vaak maar met één of twee cijfers na de komma. Toch konden we geen noemenswaardige afrondingen terugvinden. Dat alles betekent niet dat de gegevens uit de periode 1807-1809 onbruikbaar zijn, maar we moeten er toch rekening mee houden bij de interpretatie. Het is vooral op het niveau van de centimeters dat we zinnige uitspraken zullen kunnen maken over eventuele verschillen.

 

Aanduiding mm

1807 (N=378)

1808 (N=439)

1809 (N=497)

TOTAAL (N=1314)

0

196

188

219

603

1

3

14

7

24

2

15

36

37

88

3

6

20

24

50

4

11

10

11

32

5

91

100

117

308

6

19

10

26

55

7

6

10

16

32

8

23

40

28

91

9

8

11

12

31

Tabel 6.32: Eindcijfer van de lengteaanduidingen (op het niveau van de millimeters).

 

In het hoofdstuk van de conscriptie hebben we gesignaleerd dat in 1807 conscrits die te klein waren om in dienst te moeten in vele gevallen niet meer medisch gekeurd werden. Dat jaar waren er maar 2,9% van de weerhouden conscrits kleiner dan de vereiste lengte, 1,544m. Het jaar erna was die groep plots aangegroeid tot 12,9%, waaruit we afleiden dat de te kleinen toen meestal wel gekeurd werden. Uit overzichtstabel 6.33 blijkt welke impact deze verandering gehad heeft op de resultaten van onze verwerking. In 1807 ligt het gemiddelde bijna twee centimeter hoger dan in 1808 en 1809, de andere jaren uit de eerste steekproef.

 

Tot slot van deze methodologische opmerkingen signaleren we ook dat in 1846 proportioneel gezien meer waarnemingen ontbraken. In bijna 10% van de gevallen blijven we in het ongewisse over de lengte, bijna drie keer zo veel als in de Franse periode. Het bevestigt nogmaals de efficiëntie van de Franse recruteringsmachine.

 

6.9.3 De verwerking van de lengteaanduidingen

 

In een eerste fase hebben we de informatie over de lengte van de conscrits verwerkt zonder rekening te houden met andere variabelen. Los van de uitzonderlijke gegevens van 1807 worden we geconfronteerd met een duidelijk verschil tussen de eerste en de tweede onderzochte periode. Alle meters voor de middenwaarden liggen in 1807-1809 hoger dan in 1846. Gemiddeld genomen is een gebrekkige conscrit uit dat laatste jaar drie volle centimeters kleiner dan een collega uit het begin van de negentiende eeuw. De spreiding van de waarden is in die periode achteruitgegaan, hoewel de cijfers een veel minder homogeen karakter vertonen, zoals we kunnen afleiden uit de kleinere variatiebreedte en de grotere standaardafwijking.

 

 

1807 (N=398

1808 (N=455)

1809 (N=509)

TOTAAL (N=1362)

1846 (N=300)

Missing Values[443]

20

16

12

48

30

% Missing

5,03

3,52

2,36

3,52

10

Gebruikte cases

378

439

497

1314

270

Modus

1,650

1,590

1,600

1,650

1,610

Mediaan

1,630

1,613

1,612

1,620

1,610

x

1,632

1,613

1,611

1,618

1,588

Minimum

1,300

1,390

1,200

1,200

1,200

Maximum

1,850

1,822

1,810

1,850

1,820

Variatiebreedte

0,550

0,432

0,610

0,650

0,620

Q1

1,590

1,567

1,573

1,575

1,550

Q3

1,673

1,658

1,654

1,660

1,650

Q3-Q1

0,083

0,091

0,081

0,085

0,100

Variantie

0,004

0,005

0,004

0,004

0,010

Standaardafwijking

0,064

0,071

0,065

0,067

0,102

Variatiecoefficient

0,039

0,044

0,040

0,042

0,064

Y (symmetrie)[444]

0,036

-0,016

0,040

-0,059

0,340

Tabel 6.33: Algemeen overzicht van de lengte (in m), 1807-1809 en 1846.

 

Wanneer we als vergelijkingspunt de gegevens van alle conscrits uit 1805-1806 opnemen, komen we tot een eerste inschatting van de impact van een fysiek gebrek op de groei. De cijfers uit tabel 6.32 spreken voor zich: gemiddeld genomen is een gebrekkige conscrit vier centimeter kleiner dan de doorsnee loteling. We brengen in herinnering dat in het vergelijkingsmateriaal de gebrekkigen meegerekend zijn, zodat de kloof in de realiteit nog meer uitgesproken geweest moet zijn. Op arrondissementeel niveau blijft het beeld identiek, alleen valt de hoge score van Eeklo op. Zelfs in Oudenaarde, waar alle jongemannen iets kleiner zijn, vertonen de conscrits uit onze onderzoekspopulatie een evenredige kloof. De gebrekkige conscrits verschillen sterker van lengte naargelang het arrondissement waartoe ze behoren dan alle conscrits. Intern bedraagt de kloof net geen drie centimeter.

 

 

1807-1809

1805-1806

A-B

N

Gemiddelde (A)

Gemiddelde (B)

Gent

464

1,615

1,658

-0,043

Oudenaarde

218

1,613

1,651

-0,038

Aalst

233

1,626

1,660

-0,034

Dendermonde

130

1,631

1,666

-0,035

Sint-Niklaas

180

1,618

1,662

-0,044

Eeklo

90

1,603

1,661

-0,058

TOTAAL

1315

1,618

1,659

-0,041

Tabel 6.34: Overzicht van de gemiddelde lengte van de onderzoekspopulatie, 1807-1809, en van alle Oost-Vlaamse conscrits, 1805-1806[445] (in m).

 

Recent onderzoek geeft echter andere cijfers voor het Scheldedepartement in de door ons onderzochte periode. K. Vanheuverbeke vermeldt voor de periode 1807-1809 de volgende gemiddelde lengtes:

 

1807

1808

1809

1,642

1,637

1,638

Tabel 6.35: Gemiddelde lengte in het Scheldedepartement, 1807-1809[446] (in m).

 

Meteen wordt de kloof gehalveerd, en spreken we van een verschil van twee centimeter, toch nog een structurele afwijking. Anderzijds hebben we toch reserves bij zijn cijfers, omdat bij het arrondissementeel overzicht Oudenaarde steeds op de tweede of eerste plaats komt, terwijl Oudenaarde in die periode al het hoogste aantal behoeftigen telde van de hele provincie (cf. tabel 4.19).

 

Binnen het Scheldedepartement waren gebrekkige conscrits duidelijk kleiner. Als we echter vergelijken met gegevens uit de Anjou in Frankrijk, stellen we vast dat het gemiddelde uit die regio voor het jaar 1807, 1,612m, nog lager ligt dan het gemiddelde van de gebrekkige conscrits uit Oost-Vlaanderen[447]. Deze opmerking nuanceert meteen de situatie in Oost-Vlaanderen, waar zelfs segmenten uit de bevolking die eerder klein waren, blijkbaar opgroeiden in betere omstandigheden dan elders in Europa.

 

Naarmate de Oost-Vlaamse crisis vordert, zien we de gemiddelde lengte achteruitgaan, ook in de onderzoekspopulatie. De gebrekkige conscrits zijn nu gemiddeld genomen drie centimeter kleiner dan hun leeftijdsgenoten uit het begin van de negentiende eeuw. Opmerkelijk is dat de kloof met alle conscrits zelfs verkleint, tot een dikke drie centimeter. De opvallende regionale verschillen moeten we vooral toeschrijven aan de vertekeningen door een hoog aantal ontbrekende vermeldingen en de beperkte omvang van de steekproef. Daarom moeten we de resultaten voor Oudenaarde en Eeklo met het nodige voorbehoud interpreteren. Toch springt opnieuw de kloof van zo'n drie à vier centimeter met alle Oost-Vlaamse conscrits in het oog.

 

We moeten er echter rekening mee houden dat we in deze periode de fysieke weerslag terugvinden die de Napoleontische conscriptie had aangericht. Het Franse leger had heel wat gezonde en grote mannen definitief weggedraineerd uit de bevolking, waardoor relatief gezien meer kleine mannen op de huwelijksmarkt aanwezig waren[448].

 

1846

Onderzoekspopulatie

Alle conscrits

A-B

Onbekend

N

Gemiddelde (A)

Gemiddelde (B)

Gent

7

123

1,579

1,618

-0,039

Oudenaarde

13

17

1,640

-

-

Aalst

3

40

1,577

1,619

-0,042

Dendermonde

0

23

1,586

1,628

-0,042

Sint-Niklaas

3

56

1,593

1,626

-0,033

Eeklo

4

11

1,628

1,618

+0,010

TOTAAL

30

270

1,588

1,621

-0,033

Tabel 6.36: Overzicht van de gemiddelde lengte van de onderzoekspopulatie en alle Oost-Vlaamse conscrits, 1846[449] (in m).

 

Mannen met een fysiek gebrek waren dus structureel kleiner dan de rest van hun soortgenoten. De vraag rijst of die vaststelling opgaat voor de verschillende types van gebreken. Tabel 6.37 geeft aan dat vooral problemen aan de onderste ledematen en de bouw van het bovenlichaam samenhangen met een kleine gestalte. Van de grotere categorieën scoren ze in beide onderzoeksperiodes het slechtst. Van deze categorieën kun je dat ook verwachten, want het gaat vaak om vergroeiingen van de benen of de ruggengraat.

 

Op een halve eeuw tijd is het trouwens de groep met problemen aan het bovenlichaam die het sterkst achteruitgaat. De andere groepen neigen meer naar de provinciale gemiddelden. Het beste resultaat vinden we bij de problemen aan de bovenste ledematen, de problemen aan het gehoor en de spraak. Dat zijn dan weer fysieke gebreken die weinig te maken hebben met vergroeiingen.

 

 

1807-1809

1846

N

Gemiddelde

N

Gemiddelde

O

424

1,607

94

1,588

B

255

1,639

58

1,617

G

166

1,589

87

1,560

Z

291

1,627

15

1,614

M

74

1,615

9

1,572

A

1

1,700

0

-

H

25

1,643

0

-

S

26

1,638

2

1,638

D

6

1,636

3

1,712

Meerdere

47

1,626

2

1,593

TOTAAL

1315

1,618

270

1,588

Tabel 6.37: Gemiddelde lengte per type van gebrek, 1807-1809 en 1846 (in m).

 

Het probleem bij de interpretatie van de gegevens over de groeiverschillen is dat diverse factoren een rol spelen, niet alleen de fysieke constitutie. Om de impact van een aantal andere mogelijke oorzaken van een kleinere lengte in te kunnen schatten in vergelijking met de invloed van fysieke gebreken, hebben we een aantal vergelijkende tabellen opgesteld.

 

In eerste instantie kunnen we denken aan de professionele activiteiten. De zware crisis waarheen Oost-Vlaanderen door moest, kwam bij een paar beroepsgroepen nog harder aan. We denken in eerste instantie aan de mensen die werkzaam waren in de huisnijverheid, maar ook de vele kleine keuterboertjes. We stellen vast dat het beroep inderdaad een invloed uitoefent, maar binnen het gegeven van de structurele kloof van zo'n drie à vier centimeter die er was tussen gebrekkige conscrits en de gemiddelde conscrits (met gebrekkigen bijgerekend).

 

1807-1809

Onderzoekspopulatie

Alle conscrits

A-B

N

Gemiddelde (A)

Gemiddelde (B)