Het beleid van de grafelijke gerechtsdienaren tijdens de Gentse opstand in Brugge en het Brugse Vrije. (1379-1385) (Koen Van Huele)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel III.

Het beleid van de Grafelijke Gerechtsofficieren tijdens de Gentse opstand.

 

Hoofdstuk 7.  Besluit

 

Wanneer Johanna van Constantinopel er in 1224 in slaagt het in leen gehouden ambt van de burggraaf van Brugge over te kopen, is tevens dankzij het uitgebreid grafelijk bezit binnen de Brugse kasselrij, de voorwaarde geschapen tot een sterke ontwikkeling van het baljuwsambt in dit gebied.  Langzamerhand breidt het netwerk van gerechtsofficieren zich in de tweede helft van de XIIIe en vooral het begin van de XIVe eeuw uit met de oprichting van de  baljuwsambten in de belangrijkste smalle steden in het Vrije en met de creatie van het waterbaljuwsambt van Mude.  Er is een uitbreiding van het netwerk in de diepte merkbaar in het midden van de XIVe eeuw, met de creatie van talloze baljuwsambten in de overige smalle steden.  Hoewel de creatie van nieuwe ambten of de omvorming van oude feodale ambten tot ambten van het nieuwe type niet ten gronde werd onderzocht, lijkt deze hervorming tot stand te zijn gekomen tijdens de regering van Lodewijk van Male.  Nieuwe ambten die, behalve de baljuw van Hughenvliet en Eeklo, een administratief ondergeschikte positie behielden tegenover hun hoofdbaljuw tot wanneer deze band in de loop van de XVe eeuw langzamerhand afbrokkelde.

 

Het beleid van de grafelijke gerechtsofficieren, actief binnen de geografische omlijsting die de Vrije ambachten vormen, is, desondanks de nuances die werden opgetekend, vrij gelijklopend.  Het grootste verschil in de beleidsinvulling werd opgetekend tussen de waterbaljuw enerzijds en de gerechtsofficieren actief op het land anderzijds.  Het beleid van de waterbaljuw van Mude verschilt door het omvangrijke gewicht van de inkomsten van feodaal-heerlijke aard en door het beperkt aandeel van de geweld- of agressiemisdrijven in de inkomsten van strafrechtelijke aard.  De specifieke uitoefening van het ambt binnen het Zwingebied en meer in het bijzonder in de havens van Mude en Sluis houdt in dat de waterbaljuw in hoofdzake belast is met de inning van grafelijke rechten en het toezicht op de naleving van wat men breed beschouwd handelsrecht zou kunnen noemen.  Het beleid van de overige gerechtsofficieren wordt in tegenstelling hiermee bepaald door de inkomsten van strafrechtelijke aard, waarbij de gewelddelicten de overige typen misdrijven qua belang overtreffen.  Nuances in de beleidsinvulling kunnen echter worden opgetekend naargelang van het belang of de grootte van het baljuwsschap en de invloed van specifieke sociaal-economische factoren.  Een vergelijking tussen de verschillende baljuwsschappen volgens een hiërarchie die werd opgesteld op basis van het gemiddeld maandelijks salaris en de gemiddelde maandelijks inkomsten, laat vooreerst een aantal lijnen opmerken.  De kleinste stadsbaljuwsschappen worden getekend door een weinig gediversifieerde beleidsinvulling: inkomsten van misdrijven tegen de eigendom, de zeden en, behalve in het baljuwsschap Monnikerede & Hoeke, de openbare trouw, worden er niet of in zeer geringe mate opgetekend.  Het beleid wordt er overheerst door de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit, aangevuld met een niet onbelangrijk aandeel gezagsmisdrijven.  De beleidsinvulling in de overige stadsbaljuwsschappen en op het platteland is veel meer gediversifieerd en het gewicht van de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit is er minder uitgesproken.  Ondanks de sterke variatie tussen de verschillende typen misdrijven, blijft het aandeel van de geweldmisdrijven er niettemin dominant.  Dit blijkt duidelijk uit de beleidsinvulling van de baljuw van Brugge.  Hoewel hierbij slechts een beperkt aantal misdrijven tegen de lichamelijke integriteit wordt opgetekend, kan door de aard van de opgetekende gezagsdelicten toch tot deze vaststelling worden overgegaan.  Maar behalve in het baljuwsschap Brugge, waar de gezagsmisdrijven een dominante positie innemen, het baljuwsschap Damme, waar de misdrijven tegen de openbare trouw naast de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit de beleidsinvulling domineren en het schoutschap Brugge, waar met een beperkt aantal misdrijven tegen de eigendom de overige delicten quasi eenzelfde aandeel innemen naast het dominerend gewicht misdrijven tegen de lichamelijke integriteit, wordt het beleid in de overige baljuwsschappen gekenmerkt door een dominerend aandeel misdrijven tegen de lichamelijke integriteit, gevolgd door de misdrijven tegen het gezag en tegen de eigendom.  Misdrijven tegen de zeden zijn er quasi verwaarloosbaar.

 

De invloed van de Gentse Opstand op de beleidsinvulling van de grafelijke gerechtsofficieren is duidelijk waarneembaar.  Globaal gezien versterkt het aandeel van de inkomsten van feodaal-heerlijke aard zich ten koste van de inkomsten van strafrechtelijke aard en is er een opzienbarende verzwakking op te tekenen van het aandeel misdrijven tegen de lichamelijke integriteit tegenover de overige typen misdrijven.  Er is evenzeer een dalend gewicht merkbaar van de misdrijven tegen de zeden en de openbare trouw.  Behalve in de kleinste baljuwsschappen, waar ondanks de procentuële daling de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit nog steeds meer dan de helft van de inkomsten van strafrechtelijke aard belichamen, neemt dit type misdrijf haar eersterangspositie in de overige baljuwsschappen niet langer waar.  De gezagsmisdrijven, quasi compleet belichaamd door minnelijke schikkingen en verbeurdverklaring van goed ten gevolge van collaboratie met het opstandige regime, vormen tijdens de opstand de belangrijkste categorie inkomsten.  Hun feitelijk aandeel varieert echter sterk tussen de verschillende ambtsgebieden.  Terwijl in het waterbaljuwsschap Mude en het baljuwsschap Damme hun aandeel van die omvang is dat ze de overige inkomsten volledig overschaduwen, worden er in de kleinste baljuwsschappen geen gezagsdelicten opgetekend en overstijgt het aandeel in de overige baljuwsschappen niet de helft van de totale inkomsten van strafrechtelijke aard.  Het aandeel gezagsmisdrijven neemt niettemin een niet onaanzienlijke positie in naast de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit in de beleidsinvulling van deze officieren.

 

Het beleid werd echter tijdens de opstand niet steeds op eenzelfde wijze beïnvloed.  Er zijn duidelijke fasen waarneembaar die samenhangen met het verloop van opstand, en die tot uiting komen in de vestiging van het opstandige bewind of de manifestatie van het grafelijk gezag binnen het Brugse Vrije.  Deze fasen beïnvloeden de invulling en het karakter van het beleid in de verschillende ambtsgebieden.  Het is duidelijk dat in een eerste fase, vóór de vestiging van het opstandige regime na de overwinning op het Beverhoutsveld in mei 1382, de beleidsinvulling, wat de inkomsten op strafrechtelijk vlak betreft, geen sterke veranderingen ondergaat.  Naast een verzwakking van het aandeel van de misdrijven tegen de openbare trouw is een toename van de gezagsmisdrijven vooral te wijten aan de inbeslagneming van goederen die Gentse burgers toebehoren.  Er is hierbij echter geen enkele aanwijzing alsof de gerechtsofficieren een strikt repressief beleid zouden hebben gevoerd in hun poging het grafelijk gezag te verstevigen, hoewel met het beperkte bronnenmateriaal deze veralgemening met de nodige voorzichtigheid moet worden gehanteerd.  De verhoogde spanning is niettemin voelbaar in de opdrachten aan ondermeer de waterbaljuw van Mude tot de opsporing en arrestatie van opstandelingen.  Een tweede fase start onmiddellijk na de nederlaag van de opstandelingen te West-Rozebeke in november 1382, waarbij de graaf met alle middelen opnieuw zijn gezag wil laten gelden.  Er wordt in de maanden volgend op de grafelijke overwinning een harde repressie gevoerd, waarvoor het baljuwskader niet in eerste instantie wordt aangewend.  Een speciale commissie wordt belast met de inning van verbeurd goed, behorend tot gesneuvelde of terechtgestelde opstandelingen, en treedt eveneens op door het sluiten van minnelijke schikkingen met opstandelingen.  Binnen een aantal baljuwsschappen worden dan ook geen gezagsmisdrijven opgetekend, terwijl in de overige ambtsgebieden voornamelijk composities worden gesloten omwille van economische collaboratie of sympathisering met andere opstandelingen.  Enkel de waterbaljuw van Mude vormt hierop een uitzondering, daar hij tevens was aangesteld tot commissaris van het verbeurd goed en geen aparte rekeningen indiende, in tegenstelling tot de baljuw en de schout van Brugge.  Het karakter van het beleid verandert niettemin in alle ambtsgebieden.  Er is, in vergelijking met de eerste fase, een forse stijging van de maandelijkse gemiddelde inkomsten op te tekenen.  Na een eerste golf van repressie tegenover de opstandelingen, worden deze sporen ook in het beleid van de andere gerechtsofficieren zichtbaar.  Maar hierbij is er enerzijds een verzwakking van de maandelijks gemiddelde inkomsten op te tekenen en anderzijds treedt er een verzwakking op van het sterk dominerende aandeel van de gezagsmisdrijven in die baljuwsschappen waar deze delicten werden genoteerd.  De waterbaljuw van Mude en de baljuw van Brugge vervullen intussen een belangrijke coördinerende rol in het verzamelen van gegevens inzake de activiteiten van opstandelingen binnen en buiten het graafschap, en begeleiden de kustverdediging die wordt opgebouwd als reactie op het zich verzamelen in Zeeland van opstandig gezinden en bannelingen.  Een derde fase tenslotte start na de dood van Lodewijk van Male eind januari 1384, waarbij de minder onverzettelijke houding die Filips de Stoute tegenover de opstandelingen aanneemt ook weerga vindt in het beleid van de gerechtsofficieren.  Niet alleen is er een sterke verzwakking waar te nemen van de gemiddelde maandelijkse inkomsten, maar bovendien is er opnieuw een tendens tot het beleidsprofiel zoals dit in de aan de opstand voorafgaande periode bestond.  Een tendens die steeds duidelijker zal worden in de opeenvolgende ambtsperioden in deze laatste fase.  Misdrijven tegen het gezag worden nog wel steeds opgetekend en de gerechtsofficieren schrikken er evenmin voor terug hoge minnelijke schikkingen op te leggen, maar het aandeel van de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit nemen meer en meer hun oude positie in.  Maar terwijl de inkomsten hun oud profiel benaderen, manifesteert de tendens uit de voorgaande periode in de uitgavenrubriek van de baljuw van Brugge en de waterbaljuw van Mude zich duidelijk en neemt zelfs toe in belang.  De baljuw van Brugge wordt de schakel tussen het hof en een spionagenetwerk dat de externe en interne vijandige bewegingen volgt en ondersteunt de verdere uitbouw van het verdedigingssysteem binnen de eigen kasselrij, naast de reeds bestaande gordel aan de Hontekust.  Deze derde fase sluit af met de formele beëindiging van de Gentse Opstand na de bezegeling van de vrede van Doornik in december 1385.

 

De aangewende methode tot het analyseren van het beleid van de grafelijke gerechtsofficieren, met als uitgangspunt het meten van het relatief gewicht van de inkomsten en uitgaven volgens een uitgebreide classificatietabel tot het bepalen van de beleidsinvulling enerzijds en het meten van de maandelijks gemiddelde schommelingen in de ontvangsten tot het nagaan van het karakter van het beleid anderzijds, bleek een goede basis tot de vergelijking van de verschillende baljuwsschappen.  Het toepassen van deze methode in de andere kasselrijen binnen het graafschap, uitgebreid in de tijd zou een bijkomende test vormen voor de methode en een goede uitgangspositie tot het vergelijken van de resultaten.  Bovendien zou het interessant zijn, wanneer de bronnen dit zouden toelaten, na te gaan of de ambtsverpachting van invloed was op de beleidsinvulling en het karakter van het beleid van deze officieren.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende