| Het beleid van de grafelijke gerechtsdienaren tijdens de Gentse opstand in Brugge en het Brugse Vrije. (1379-1385) (Koen Van Huele) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel II. Het beleid van de Grafelijke Gerechtsofficieren
Hoofdstuk 4. Het beleidsprofiel. Classificatie van de naar hun aard onderscheiden inkomsten- en uitgavenposten.
De invulling van het beleid weerspiegelt zich in de manier waarop de naar hun aard onderscheidene inkomstenposten en uitgavenposten zich tot elkaar verhouden. Het is hierbij niet alleen belangrijk de procentuele verhouding te kennen naargelang de totale inkomsten of uitgaven, maar tevens rekening te houden met het werkelijke aandeel van de onderscheiden posten in het totaal aantal noteringen. Een te grote differentiatie in deze verhoudingen kan een ander licht werpen op het effectieve verband tussen de onderscheidene groepen.

Tabel 1. Procentuele verhouding der inkomsten in de baljuwsschappen van het Brugse Vrije.

Tabel 2. Procentuele verhouding van het aantal inkomstenposten in de baljuwsschappen.

Tabel 3. Procentuele verhouding der uitgaven van de baljuwsschappen in het Brugse Vrije.

Tabel 4. Procentuele verhouding van het aantal uitgavenposten binnen de baljuwsschappen
(B. Brug = Baljuw van Brugge, W. Mud = Waterbaljuw van Mude, S. Brug = Schout van Brugge, B. Dam = Baljuw van Damme, B. Aar = Baljuw van Aardenburg, R. Diks = Rewaard van Diksmuide, B. B&O = Baljuw van Blankenberge en Oostende, B. Hug = Baljuw van Hughenvliet, B. Oud = Baljuw van Oudenburg, B. Oost = Baljuw van Oostburg, B. M&H = Baljuw van Monnikerede en Hoeke, B. Gist = Baljuw van Gistel, B. IJzen = Baljuw van IJzendijke).
Louter afgaand op de onderlinge verhouding tussen beide componenten die de inkomsten onderscheiden, kunnen we stellen dat de beteugeling van de criminaliteit in de uitoefening van het baljuwsambt centraal staat. Maar het gewicht dat de delicten van strafrechtelijke aard in het beleid van de grafelijke gerechtsofficieren innemen, is het duidelijkst af te lezen in de omvang van de inkomsten van heerlijk-feodale aard. De ontleding van de rekeningen bracht immers een aantal posten naar voor die niet konden geclassificeerd worden: op de naam en het bedrag na kon niet worden uitgemaakt van welke aard de post was. Dit was vooral het geval in de rekening van de baljuw van Brugge en diens administratief ondergeschikte gerechtsofficieren. De veronderstelling dat deze 'onbekende' ontvangsten voornamelijk van strafrechtelijke aard zijn is aannemelijk, maar niet waterdicht. Om alle verwarring te vermijden werden deze delicten dan ook niet als een extra hoofdgroep gevoegd bij de inkomsten van strafrechtelijke aard, naast de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit, het eigendom, de zeden, het gezag en de openbare trouw, maar onderscheiden van de inkomsten van strafrechtelijke en feodaal-heerlijke aard. In de onderlinge vergelijking van deze procentuele verhoudingen tussen de verschillende baljuwsschappen moet daarom worden rekening gehouden met het gewicht dat deze 'onbekende' inkomsten innemen in het geheel. Een lage notering laat een objectieve vergelijking mogelijk, maar wanneer een derde tot twee derden van de inkomsten niet konden ontleed worden, zoals in de baljuwsschappen van Diksmuide, Blankenberge & Oostende, Gistel en Oudenburg moet enige voorzichtigheid aan de dag gelegd worden.
Globaal gezien nemen de geïnde heerlijke en feodale rechten in de periode voorafgaand aan de Gentse Opstand niet meer in dan 5% tot ongeveer 20% van de totale inkomsten, dit zowel in de smalle steden en de stad Brugge, als op het omliggende platteland. Binnen het waterbaljuwsschap Mude stijgt dit aandeel echter tot 40%. Een beeld dat niet wordt niet tegengesproken door de procentuele verhouding van het aantal posten. Deze percentages laten immers een nog beperkter aandeel uitschijnen in het geheel van de inkomsten, met ongeveer 5% à 15% van het aantal noteringen in alle baljuwsschappen, op dit van Mude na. Tijdens de Gentse Opstand is er een duidelijke verschuiving op te merken. Het procentueel aandeel van deze rechten verdubbelt in de meeste baljuwsschappen op zijn minst tot ongeveer 20% à 40% van het totaal der inkomsten. Het gewicht van de hier geinde heerlijke en feodale rechten is tijdens de opstand duidelijk toegenomen in de invulling van het beleid van deze ambtenaren. Maar deze conclusie geldt niet in de baljuwsschappen Aardenburg, Mude, Damme en Hughenvliet, waar een sterke afname is waar te nemen in het geheel. Voor het eerst duikt hiermee ook het belang op van de vergelijking van de inkomsten met het totaal aantal genoteerde posten. Hoewel de beleidsinvulling van de baljuw van Aardenburg met 79,8% van de totale inkomsten lijkt overheerst te worden door de inning van heerlijke- en feodale rechten, spreekt de procentuele verhouding van het aantal inkomstenposten dit tegen. Met slechts 11,5% van het aantal posten is het duidelijk dat hier slechts een beperkt aantal, maar zeer hoge ontvangsten werden geind. Een tegengestelde bemerking duikt op voor de baljuwsschappen Damme en Mude: waar het procentueel aandeel van het aantal noteringen quasi gelijk blijft, zakken de percentages die de verhouding weergeven van de totale inkomsten ineen tot de helft of een derde van de noteringen uit de voorgaande periode. Er is dus ofwel sprake van een opzienbarende meerontvangst wat betrefd de inning van boeten, composities of verbeurd verklaarde goederen, een sterke daling van de geinde heerlijke en feodale rechten of een combinatie van beide. Deze percentages kunnen ons hier echter niet onmiddellijk een antwoord bieden. De bespreking van de naar hun aard onderscheidene inkomsten zal hier een oplossing moeten bieden.
1. Inkomsten voortvloeiend uit de ordehandhaving en beteugeling van de criminaliteit.
1.1. Misdrijven tegen de lichamelijke integriteit
De misdrijven tegen de lichamelijke integriteit groeperen alle delicten waarbij de directe aanslag tegen het leven of de persoon centraal staan. Hierbij moeten we echter opmerken dat deze niet alle 'geweld' of 'agressie' misdrijven bundelen, doordat de delicten die onder de andere hoofdmisdrijven zijn gegroepeerd evenzeer met geweld kunnen gepaard gaan. Bij roof, huisvredebreuk, schaking, verkrachting of het verbreken van de vrede of zoen, die essentieel als misdrijven tegen de eigendom, de zeden of het gezag gelden, is er eveneens sprake van een agressief karakter. Toch kunnen deze door hun essentieel verschillende inhoud niet als een misdrijf tegen de lichamelijke integriteit gezien worden.[133] Dit 'hoofdmisdrijf' groepeert dus niet alle gewelddelicten, maar blijft niettemin een belangrijke parameter tot het meten van de aanpak van het geweld in de beleidsinvulling van deze ambtenaren.
De misdrijven tegen de lichamelijke integriteit vormen het grootste aandeel in de totale inkomsten van strafrechtelijke aard binnen de stadsbaljuwsschappen. De dominantie van dit type misdrijf is het duidelijkst waarneembaar in de kleinste stadsbaljuwsschappen Oostburg, Monnikerede & Hoeke, Gistel en IJzendijke, met ongeveer driekwart tot quasi alle inkomsten. Binnen de overige stadsbaljuwsschappen is dit aandeel minder uitgesproken, maar schommelt in de meeste gevallen rond de helft, met als uiterste waarden ca. 35% en 65%. De hier bovenuit stijgende percentages van het aantal delicten, bevestigen en versterken de dominantie van deze misdrijven in de beleidsinvulling van de stadsbaljuws. De baljuw van Brugge, actief binnen de ambachten van het Vrije, en de waterbaljuw van Mude noteren hier slechts respectievelijk 13,2% en 20,4% van de totale inkomsten. Er tekent zich dus onmiddellijk een opmerkelijk verschil af tussen stad en platteland, tussen land en stroom. De vraag of het beleid van deze ambtenaren inzake de aanpak en de strijd tegen het geweld nu anders is ingevuld, kan echter niet met zekerheid uit deze percentages worden afgelezen. Doordat niet alle gewelddelicten onder de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit werden geclassificeerd, kan de artificiele opdeling van de delicten toch nog een samenhang verbergen die ertoe kan besluiten dat in deze baljuwsschappen de strijd tegen het geweld een meer centrale plaats inneemt. De ontleding van de andere hoofdmisdrijven zal hier duidelijkheid moeten bieden.
Het aandeel van de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit zwakt tijdens de Gentse Opstand met gemiddeld 10% tot 40% af, dit zowel binnen de stadsbaljuwsschappen als in het waterbaljuwsschap Mude. Noch naar het belang van het baljuwsschap, noch naar de ligging van het ambtsgebied binnen de kasselrij kan een lijn getrokken worden in de mate waarin de achteruitgang het sterkst voelbaar is. Enkel de baljuw van Brugge noteert eenzelfde percentage misdrijven tegen de lichamelijke integriteit als in de periode voor de opstand. De dominante positie die deze misdrijven tegen de lichamelijke integriteit innamen in de periode aan de Gentse Opstand voorafgaand, is duidelijk geslonken. Doordat deze ineenkrimping zo algemeen is, kan de oorzaak hiervan enkel gezocht worden in de invloed van de opstand op de beleidsinvulling van deze ambtenaren.
1.1.1. Misdrijven tegen het leven
Doodslag en moord moeten essentieel van elkaar onderscheiden worden. Het onderscheid tussen beide is feitelijk ingegeven door het overtreden van het eigentijds rechtsgevoel, waarbij de meest grove inbreuken het strengst worden gesanctioneerd. Moord is onder de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit het zwaarste misdrijf. Maar waar in deze beoordeling vandaag de intentie of het voorbedacht karakter van het delict een centrale rol speelt, wordt in het middeleeuws strafrecht in mindere mate rekening hiermee gehouden. Slechts een aantal voorbehouden gevallen worden er als moord beschouwd, net omdat deze zo initieel indruisten tegen dit rechtsgevoel: de nachtelijke of verraderlijke doding, doding met schending van de huisvrede of met schending van de van rechtswege opgelegde vrede of zoen. Het heimelijk karakter blijft hierbij een belangrijk criterium, doch niet alleen bepalend, mits voorgenoemde gevallen eveneens in alle openbaarheid kunnen plaatsvinden. Doodslag is het geheel van de hiervan afwijkende delicten die de dood tot gevolg hebben, dit zowel wanneer het slachtoffer ter plaatse om het leven komt als dat het elders aan de verwondingen bezweek.[134]
Onmiddellijk valt het overwicht op van het aantal doodslagen in vergelijking met het aantal moorden. Geen enkele post beantwoordde aan de strikte omschrijving van moord, terwijl 77 doodslagen werden opgetekend. Doch dit is niet verwonderlijk: moord druiste op een zodanige manier in op het eigentijds rechtsgevoel dat de gerechtsofficier niet kon overgaan tot het sluiten van een minnelijke schikking en terechtstelling met verbeurdverklaring van goed het enige alternatief was. Inkomsten zouden enkel beperkt zijn tot het innen van het verbeurd goed en deze werden niet opgetekend. Bovendien hield het openbaar karakter van de doodslag een grotere kans in dat deze delicten werden opgespoord, waarna kon worden overgegaan tot rechtsvervolging of het afsluiten van een minnelijke schikking. Vaak kon het hierbij gaan om een uit de hand gelopen ruzie, waarbij in het heetst van de strijd slachtoffers en doden vielen aan de zijde van één van de betrokken partijen of tussen omstaanders die betrokken werden in het gevecht. Getuigen, die de gerechtsofficier of diens ondergeschikten konden waarschuwen, waren hierbij overvloedig aanwezig. Eenzelfde sociale controle is merkbaar in de preventieve aanpak van moord: het dragen van verboden wapens of de poging tot het schenden van de huiselijke vrede op zich geeft immers aanleiding tot het bestraffen van de overtreder, zonder dat hierbij sprake hoeft te zijn van welke aanslag op de lichamelijke integriteit dan ook. Het afsluiten van een vrede of zoen, in de vrijwillige of opgelegde poging een einde te maken aan in de vete tussen twee tegenover elkaar staande partijen, wordt bovendien gewaarborgd door de gedeelde aansprakelijkheid van de clanleden in het breken van de hier opgelegde wapenstilstand. Dit vormt niet alleen een garantie tot het welslagen, maar is evenzeer een middel tot het bewaren van de rust. Aan de andere kant was het minder voor de hand liggend de moordenaar op te sporen van een in alle heimelijkheid gepleegde moord. De opsporingstechnieken waarover de gerechtsofficier beschikte, waren dun gezaaid en het was eenvoudig voor de moordenaar om ongemerkt in de nacht of via sluipwegen te ontkomen nadat het lijk was verborgen. Bovendien was het niet eenvoudig na te gaan, indien geen enkel vermoeden hiertoe rees, of er sprake was van een gifmoord dan wel of de dode een natuurlijke dood was gestorven. De wetenschap was nog niet in die mate gevorderd om hierop een sluitend antwoord te bieden of het gerechterlijk onderzoek op enig andere manier te ondersteunen. Het aantal doodslagen en moorden geeft hierom enkel een weerspiegeling van de door de gerechtsofficier opgespoorde vermoedelijke of onomstotelijk bewezen misdaden, niet van de werkelijke criminaliteit.[135]
De gerechtsofficier had een actieve opsporingsrol, doch moest hierin meestal terugvallen op een geruchtenmolen die door de volksgemeenschap draaiend werd gehouden. De bewijskracht van deze betichtingen was echter zeer beperkt en noodzaakte de baljuw, wanneer verdere vervolging slechts een geringe slaagkans had, tot het afsluiten van een minnelijke schikking.[136] Niettemin greep hij hierbij elke kans te baat om de grafelijke schatkist te vullen: het was immers moeilijk te bewijzen, noch te ontkrachten of een slachtoffer wel degelijk aan de hem toegebrachte verwondingen overleed. Een wettelijke observatietijd van dertig tot veertig dagen stelde de baljuw in staat een verdachte te betichten van doodslag wanneer het slachtoffer binnen deze termijn overleed, hoewel andere aanwijzigen het verband tussen het delict en de dood konden ontkrachten of minstens onwaarschijnlijk maakten.[137] Het overlijden van een schipper die ongeveer drie weken voordien was verwond, was voor de waterbaljuw aanleiding tot het sluiten van een minnelijke schikking met de dader, hoewel deze verwondingen de schipper niet had weerhouden zijn vracht naar Engeland te voeren en hij ondertussen genezen scheen.[138] Ondanks de beperkte bewijslast en de hieraan verbonden kans tot vrijspraak voor de vierschaar, kocht de verdachte verdere rechtsvervolging af: uit vrees voor het lijden en de kosten die een strafproces met zich meebrachten en bovenal om de baljuw, als initiatiefnemer tot het afsluiten van deze minnelijke schikking, niet tegen de haren in te strijken. Maar waar de gerechtsofficier hier van zijn macht gebruik maakte om, ondanks de gebrekkige bewijslast, de verdachte tot compositie te dwingen, had de baljuw soms geen andere keuze. De baljuw werd immers in zijn streven tot rechtsvervolging gefnuikt wanneer poorters of geestelijken beroep deden op hun poorterschap of clericatuur om zich aan rechtsvervolging te onttrekken.[139] Poorters eisten voor de eigen stedelijke vierschaar te worden berecht, de clerus voor een geestelijke rechtbank zodat verdere rechtsvervolging tot mislukken gedoemd was. De gerechtsofficier was dan ook, hoe omvangrijk de bewijslast ook was, tot composeren genoodzaakt.[140]
Iets meer dan de helft van het aantal doodslagen situeerde zich in de periode voorafgaand aan de Gentse Opstand binnen de steden, minder dan een derde binnen de ambachten van het Vrije en een vijfde in het waterbaljuwsschap van Mude. De hoge concentratie in de steden Brugge (34%) en Damme (10%) en in de haven van Mude en de Zwinmonding (20%), is in het verlengde van de hoge bevolkingsconcentratie en aan de drukke handelsactiviteit typerende populatiestroom, niet verwonderlijk. Maar waar de baljuwsrekeningen in de periode aan de opstand voorafgaand nog 80 zaken vermelden, noteren deze tijdens de opstand nog slechts 19 gevallen. Het opgetekend aantal doodslagen laat quasi eenzelfde geografische verspreiding opmerken. Deze ineenzakking van de absolute gegevens, die niet alleen kan verklaard worden door het ontbreken van quasi de helft van de rekeningen, kan evenmin aan een gebrekkige ijver vanwege de gerechtsofficieren in het opsporen van de delicten geweten worden. Ze moet verbonden worden met de precaire positie die de baljuws, als vertegenwoordiger van het grafelijk gezag, innamen tijdens deze periode. Een aantal gegevens wijzen er immers op dat hij, vooral naar het einde van de opstand toe, het niet naliet sporen te volgen die teruggingen tot de tijd "dat wij uutewaren"[141] om tot een minnelijke schikking met de verdachten te komen, ondanks de beperkte bewijslast of omdat men "tfait niet uuterlike hadde gheconnen in wette bringhen ende dat menne ghene waerheide of hadde gheconnen ghecrighen ende dat langhe es verjaert ende verdaecht"[142].
Het eigentijds rechtsgevoel veroordeelde de zelfmoordenaar strenger dan de moordenaar, mits naast het lichaam eveneens de ziel werd gedood. De delinquent-zelfmoordenaar werd postuum terechtgesteld, het bezit verbeurdverklaard en het lichaam begraving in gewijde grond ontzegd.[143] Nabestaanden hadden er dus alle belang bij te doen uitschijnen dat het overleden familielid een natuurlijke dood was gestorven: hun eer en rechten op het nalatenschap stonden immers op het spel. Weinig twijfel kon er rijzen wanneer de zelfmoordenaar zichzelf had opgehangen of verminkt, doch wanneer het een verdrinking betrof was de werkelijke doodsoorzaak moeilijker na te gaan. De verdrinkingsdood kon evenzeer het gevolg zijn van een ongeluk en tenzij er een duidelijk motief bestond, kon dit niet worden uitgesloten.[144] Maar de gerechtsofficier stelde in geval van twijfel alles in het werk om een plots overlijden in verdachte omstandigheden als zelfmoord te identificeren, met het oog op de inbeslagneming van de nalatenschap of een minnelijke schikking met de nabestaanden.[145] Hierbij liet hij het niet na de plaats van de 'misdaad' te inspecteren en getuigen te verhoren, mits deze zijn aanklacht konden ondersteunen.[146] Enkel waar grote onduidelijkheid bestond omwille van de moedwillige intentie van de zelfmoordenaar ging de baljuw over tot een minnelijke schikking en gaf hij toestemming om het lichaam te begraven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat, onder de opgetekende zelfmoorden, het op één na alle drenkelingen betrof waar met de nabestaanden een compositie werd afgesloten en over dit andere geval een grote onduidelijkheid hing of het wel zelfmoord betrof. Bezweken aan de verwondingen, volgens de geruchten te wijten aan een mislukte zelfmoordpoging, eist de schout van Brugge het lichaam van de overledene op, doch moet hier onder druk van de schepenbank, omwille van de gebrekkige bewijslast en het poorterschap, van afzien en besluit tot een minnelijke schikking.[147] In de meerderheid van de gevallen werd tot de inbeslagneming van de nalatenschap van de zelfmoordenaar overgegaan, waarbij de waarde van de nalatenschap varieerde van enkele ponden tot meer dan 200 pond parisis.
Het totaal aantal zelfmoorden is, in vergelijking met het aantal doodslagen, vrij hoog. Ze behelst ongeveer een vijfde van het aantal misdaden tegen het leven. Dit gewicht verhoogt tijdens de Gentse Opstand, doch dit is enkel te wijten aan de voorheen opgemerkte ineenstorting van het aantal doodslagen tot slechts vijftien gevallen. Een achteruitgang die niet even groot was wat het aantal opgetekende zelfmoorden betreft, want waar het aantal doodslagen ineenkromp tot een vijfde, zakte het aantal zelfmoorden slechts tot een derde. Deze ineenkrimping kende echter wel een gelijklopende geografische evolutie, hoewel de verspeiding initieel varieerde. Waar in de periode tussen 1373 en 1379 de helft van het aantal zelfmoorden zich binnen de ambachten van het Vrije situeert, gevolgd door de stad Brugge (20%), Damme (13%) en de andere smalle steden, tekent het aantal gevallen zich tijdens de opstand eveneens sterker af in de steden dan op het platteland. Geen enkele zelfmoord werd er in de ambachten van het Vrije opgetekend, terwijl het aantal opgetekende gevallen in de stad Brugge constant blijft.
1.1.2. Misdrijven tegen de persoon
Het hoog aantal doodslagen houdt verband met het algemeen gewelddadig karakter van de middeleeuwse samenleving, dat zich hier vooral weerspiegelt in het hoog aantal misdrijven met verwonding, mishandeling en bedreiging tot gevolg. De misdrijven tegen het leven en de persoon hangen nauw samen: vechtpartijen kunnen snel uit de hand lopen en eens bloed vloeit, kunnen doden vallen of slachtoffers bezwijken aan hun verwondingen. Dit verband is enkel logisch te verklaren, want de rekeningen geven slechts zelden een aanwijzing naar de omstandigheden waarin de dodelijke verwondingen werden toegebracht. Maar dit beeld kan ook worden gesteund door het hoge aantal delicten waarbij het slachtoffer met getrokken wapens achterna werd gezeten of verwondingen werd toegebracht. Want ondanks het verbod op het dragen van wapens blijkt bij de minste opstoot een grote variëteit wapens beschikbaar. Mensen werden achternagezeten, bedreigd en verwond met een "messe"[148], "bazelare"[149], "bardaex"[150], "schierdagghe"[151], "zwaerde"[152], "gheyserden stocke"[153] of "gepinden stave"[154]. De gerechtsofficier trachtte, in zijn beleidsdoelstelling de openbare vrede te vrijwaren, een vat te krijgen op deze grove geweldplegingen. Middelen hiertoe waren onder andere het verbod tot het dragen van verboden wapens en de afschrikwekkende hoge boeten tot zestig pond parisis. Maar aan de doeltreffendheid hiervan kan getwijfeld worden, door het hoog aantal gewelddaden dat voortdurend werd opgetekend en op zich waarschijnlijk slechts een fractie van de werkelijkheid vertegenwoordigt.[155] Maar naast deze grove geweldplegingen, blijkt het gewelddadig karakter eveneens uit het hoog aantal slagen die werden uitgedeeld. Alle voorwerpen die zich in de onmiddellijke omgeving van de agressor lijken te bevinden komen hierbij in aanmerking: met "ene pollepele",[156] "ene canne",[157] "ene scale biers",[158] "ene coperinne candelare"[159], "ene sgraghen",[160] "ene stoele",[161] "ene rieme",[162] "ene pocke",[163] "ene stave",[164] "ene ghespleten stocke",[165] "ene bootshake",[166] "ene duele van ene scepe",[167] "ene woelstocke",[168] "ene steene"[169].
Eigen aan het middeleeuws rechtsgevoel was niet alleen de bevolking onderworpen aan de rechtspraak, maar hadden dieren ook rechtspersoonlijkheid. Wanneer een dier schade berokkende of verwondingen toebracht, kon de eigenaar afstand doen van deze en het aan het gerecht overleveren.[170] Het dier onderging de toegemeten strafmaat en werd verbeurdverklaard, waarna de opbrengst werd genoteerd in de baljuwsrekening.[171] Of het dier in geval van doodslag op het einde van de XIVe eeuw nog werd terechtgesteld of automatisch werd verkocht is onduidelijk mits de rekeningen hieromtrend geen nadere specifiëring bieden.
De aard van het misdrijf bepaalde de sanctie voor de geweldplegers. Gewoonterechtelijk werd een onderscheid gemaakt tussen de delicten waarbij men "slaet met der vust iof met der palme iof bi den hare trect", "slaet met stocke iof met andren dinghe danne metre bloter hand", "slaet ter aerde iof metten voeten tardt", "wondt met knive [...] iof met gheliken mordadighen wapenen", "met gheslepene wapene andren vreeset ende uter stede doet". De keure legde hierbij de hoogte van de boete vast en het aandeel hierin van de graaf, de stedelijke overheid en de betrokken partij.[172] Deze bedragen vormden klaarblijkelijk veeleer een richtlijn, want voor schijnbaar gelijkaardige gevallen kon de som die uiteindelijk door de baljuw werd geïnd sterk verschillen van het bedrag dat de heer gewoonterechterlijk toekwam.[173] Verzachtende of verzwarende omstandigheden moeten hierbij aan de basis hebben gelegen, doch werden in de rekeningen veelal niet opgetekend.[174] De baljuw zag in vergelijking met de zware delicten als moord, zelfmoord en doodslag in mindere mate af van rechtsvervolging. Meer misdrijven werden in dit geval ook door de schepenbank gevonnist. De rekeningen van de stadsbaljuws laten echter een tweespalt uitschijnen tussen de steden in het oosten van het Vrije en de andere stadsbaljuwsschappen. Waar slechts een derde tot de helft van de delicten wordt gecomposeerd in de baljuwsschappen in het oosten en dit voornamelijk bij de ernstiger delicten als verwonding en gewapende bedreiging, varieert dit in de overige smalle steden en het Vrije van twee derde tot alle delicten. Dit schijnbaar onderscheid moet echter volledig worden afgezwakt door het hoog aantal gevallen die noodgedwongen als 'onbekend' moesten geclassificeerd worden. Het ging hier in hoofdzaak om boeten van drie pond parisis, de strafmaat voor lichte gewelddelicten. Omdat echter in dezelfde paragraaf evenzeer boeten werden ondergebracht van totaal andere aard, konden de inkomsten strikt gezien niet in hun totaliteit als gewelddelicten worden geclassificeerd.[175] Rekening hiermee houdend moeten deze cijfers worden afgezwakt en lijkt de verhouding zoals die werd teruggevonden in de baljuwsrekeningen van Damme, Aardenburg en Hughenvliet aannemelijker. Deze bedenking gaat echter niet op in het waterbaljuwsschap Mude, waar de gerechtsofficier consequent leek over te gaan tot een compositie met de delinquent. Alle opgetekende geweldmisdrijven werden er gecomposeerd, doch dit is niet zo verwonderlijk in een ambtsgebied waar de bevolkingssamenstelling van handelaars en scheepslui sterk fluctueerde. Beide partijen hadden er immers alle belang bij de zaak zo snel mogelijk te beslechten, omwille van economische of financieel-juridische redenen. Het was niet onwaarschijnlijk dat wanneer geen klacht werd ingediend, de delinquent ongehinderd verder trok. De waterbaljuw had echter ook het recht, doch dit in het verlengde van het waterrecht, om misdrijven gepleegd in andere havens en stromen aan te klagen.[176]
De onderlinge verhouding tussen de misdrijven met slagen, verwonding of getrokken wapens, verschilt naargelang hun gewicht in het aantal delicten en in het geheel der inkomsten van deze aard. Dit is logischerwijs ingegeven ondermeer door het grote verschil tussen de hierbij vastgestelde boeten, waarvan het grafelijk aandeel varieert van 2 tot 51 pond parisis. De lichtste misdrijven, met name vuist- en stokslagen, beslaan het grootste aandeel, terwijl de zwaardere misdrijven het grootste aandeel innemen in het aandeel der inkomsten. Deze verhouding blijft globaal gezien behouden tijdens de periode van de Gentse Opstand, doch verscherpt door de sterke daling van het aantal opgetekende delicten die voornamelijk merkbaar is in het geval van de lichtere geweldplegingen. Rekening houdend met het hoog aantal misdrijven van onbekend karakter opgetekend in de periode voor de Gentse Opstand in de administratief ondergeschikte stadsbaljuwsschappen in het Noord- en West-Vrije, en de quasi afwezigheid van deze 'onbekende' misdrijven tijdens de opstand, kan deze ineenkrimping in alle baljuwsschappen worden doorgetrokken. Waar het totaal aantal misdrijven tegen de persoon ineenkrimpt tot de helft of een vierde, zakt het aantal lichte misdrijven ineen tot een derde of een achtste. Haar aandeel in de inkomsten daalt met gelijke tred wanneer we beide perioden vergelijken. Een achteruitgang die tekenend is voor de algemene malaise waarin het gezag van de gerechtsofficieren is gewikkeld, daar het minder dan ooit vat lijkt te hebben op de criminaliteit in haar kleinste vormen. Het globaal aantal composities stijgt sterk tijdens de periode van de Gentse Opstand. Hierbij moet echter een onderscheid worden gemaakt tussen de rekeningen in het eerste jaar onmiddellijk volgend op het uitbreken van de opstand en de overige rekeningen uit deze periode. Terwijl in de rekeningen uit 1380 het aandeel composities quasi gelijk blijft en vergelijkbaar met de periode aan de opstand voorafgaand, stijgt het aantal minnelijke schikkingen sterk tijdens de hierop volgende jaren. De baljuw van Damme vermeldt hierbij expliciet dat "bin al der tijt van deser rekeninghe men ten Damme niet ghedinct heift, van keuren noch anders, mids der onruste die int lant gheweist heift ende noch es"[177] en dus genoodzaakt was minnelijke schikkingen af te sluiten mits hij niet kon overgaan tot rechtsvervolging. De rekeningen wijzen op een quasi continue onderbreking van de rechtspraak van het begin van 1382 tot midden 1384 in de stad Damme.[178] Hiervan wordt in de overige rekeningen geen melding gemaakt, doch het versterkt het vermoeden dat de stedelijke rechtspraak tijdens de opstand onder druk kwam te staan, met alle gevolgen van dien voor de uitoefening van het baljuwsambt.
Een laatste inbreuk tegen de persoon, die een aanslag betreft op de persoonlijke vrijheid, kan tenslotte afzonderlijk worden behandeld, door het minieme gewicht dat deze in het geheel inneemt. Het betrof het wederrechterlijk gevangen houden van een persoon teneinde hem onder druk te zetten schulden af te betalen[179] of tot andere zaken te dwingen. Men kon enkel op uitdrukkelijk bevel van de graaf of de schepenen van zijn vrijheid worden beroofd, een toestemming die de gerechtsofficieren eveneens dienden te bekomen tenzij de dader op heterdaad werd betrapt.[180] De rekeningen onderscheiden binnen de baljuwsschappen in de periode aan de opstand voorafgaand geen enkele inbreuk, terwijl in de hieropvolgende periode twee gevallen worden genoteerd. De ene notering van de baljuw van Sijsele, die hierbij tengevolge van de ruimtelijke afbakening buiten beschouwing wordt gelaten, tijdens de periode 1373 - 1379 maakt de waarde duidelijk van het aantal noteringen.[181] Het miniem aantal gevallen laat immers niet toe om in de stijging van het aantal gevallen de invloed te zien van de turbulente periode, temeer daar de gerechtsofficieren niet de middelen hadden om in de voorgaande periode alle inbreuken op te sporen. Duidelijk is echter dat het gewicht in de beleidsinvulling van de grafelijke gerechtsofficieren minuscuul is.
1.2. Misdrijven tegen het eigendom
Desondanks de dominante positie die de misdrijven tegen de lichamelijk integriteit innemen in het totaal der inkomsten van strafrechtelijke aard, was er tussen de verschillende baljuwsschappen niettemin een grote variatie wat de feitelijke percentages betreft. Een variatie die evenzeer terug te vinden is na onderlinge vergelijking van de misdrijven tegen het eigendom. Maar dit betekende niet dat er geen hoofdlijnen terug te vinden zijn. Trends lijken zich naargelang van de aard van de baljuwsschappen af te tekenen, met een onderscheid in beleid tussen de stads- en kasselrijbaljuwsschappen en de water- en landbaljuwsschappen. De baljuw van Brugge noteert binnen de ambachten van het Vrije het hoogste percentage inbreuken tegen het eigendom, die ongeveer een vijfde van het totaal aantal delicten op het platteland uitmaken. Dit percentage ligt aanzienlijk lager in de steden, waarbij een verdere differentiatie op te merken is in de lijn van de eerder opgestelde hiërarchie van baljuwsschappen. Opvallend is de totale afwezigheid van deze delicten binnen de kleinste baljuwsschappen IJzendijke, Gistel, Monnikerede & Hoeke en Oostburg en het laag percentage in de steden Brugge en Damme (resp. 1% en 1,7%), terwijl in de overige stadsbaljuwsschappen 5% à 10% van de opgetekende delicten een inbreuk vormen tegen het eigendom. Deze algemene tendensen, die zich tussen de naar hun aard gegroepeerde baljuwsschappen aftekenen, zetten zich minder duidelijk verder naar het aandeel in het totaal der inkomsten van strafrechtelijke aard toe. Het valt echter op dat deze percentages in de verschillende baljuwsschappen hoger liggen. Deze stijging is het sterkst voelbaar in de ambtsgebieden van de baljuw van Damme, de schout van Brugge en de waterbaljuw van Mude waar sprake is van een verviervoudiging tot een verdubbeling van de percentages. Dit betekent dat wat de misdrijven tegen het eigendom betreft de verschillen minder groot zijn dan zou blijken uit de procentuele verhouding van het aantal delicten. Enkel de schout van Brugge distantieert zich van de overige baljuws door het beperkte aandeel in de inkomsten.
Deze tendensen in de beleidsinvulling van de gerechtsofficieren, gegroepeerd volgens de naar hun aard onderscheiden baljuws schappen, zijn evenmin terug te vinden tijdens de periode van de Gentse Opstand. Bovendien liggen de percentages veel verder uiteen en blijkt de beleidsinvulling meer dan voordien van elkaar te verschillen. Zowel naar het aantal delicten als naar haar aandeel in de totale inkomsten van strafrechtelijke aard variëren de percentages respectievelijk van 0,8% tot 40% en van 0,1% tot 56,2%. Er kan hierdoor geen onderscheid meer gemaakt worden tussen de baljuwsschappen onderling, waar in alle ambtsgebieden noteringen van deze aard worden opgetekend.
Misdrijven tegen het eigendom bundelen de aanslagen op het privaat bezit, volgens hun karakter onderscheiden naargelang het de ontvreemding, beschadiging of aantasting van eigendom betreft. Maar waar evenmin alle geweldmisdrijven worden gegroepeerd onder de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit, is dit hier het geval. Er is in de classificatie van de delicten geopteerd de inbreuken op het grafelijk gezag, daar waar het een directe aanval op zijn vertegenwoordigers of de ontvreemding van grafelijk bezit betreft, te onderscheiden van de overige delicten.
Diefstal en roof, beide gezien als een moedwillige ontvreemding van goederen, verschillen sterk van elkaar, door het heimelijk of openbaar karakter en door het gebruik van geweld en wapens die met deze delicten gepaard gaan. Straatroof en roofovervallen worden gekenmerkt door het gewelddadig en openlijk karakter waarbij overvallers tewerk gaan. Gebruikmakend van de situatie, ingegeven door de nominale of fysieke zwakte van de slachtoffers of het afgelegen karakter van de plaats van de misdaad, worden de slachtoffers overmeesterd en het bezit afhandig gemaakt. Het gebruik van wapens is niet noodzakelijk om van roof te spreken, de fysieke overmacht kan hierbij al voldoende zijn om de slachtoffers onder druk te zetten en hun eigendom afhandig te maken.[182] Maar gegevens naar de aard van het goed of de omstandigheden van de overval zijn zeer beperkt door de schaarse omschrijving van het beperkt aantal noteringen in de rekeningen.[183] In de periode voorafgaand aan de Gentse Opstand werden noch in de steden noch op het platteland inkomsten van deze aard genoteerd. De baljuw van Damme tekent echter uitzonderlijk een misdrijf op dat onder het waterrecht valt. Een minnelijke schikking wordt opgemaakt wanneer blijkt dat een schipper het goed geroofd had van een andere schipper voor de Spaanse kust, en beide partijen reeds tot een vergelijk waren gekomen en de geleden schade vergoed was. Deze notering in de rekening van de baljuw van Damme is echter uitzonderlijk, doordat normaal gezien de waterbaljuw het waterrecht toepast en hij de delicten "ghevallen binder lande ende der buten" samen behandelt in dezelfde paragrafen, terwijl de baljuw van Damme hiermee duidelijk minder raad weet en ze in een aparte paragraaf op het einde van zijn rekening vermeldt.[184] Tijdens de Gentse Opstand worden in het ambtsgebied van de baljuw van Brugge, binnen de ambachten van het Vrije, twee gevallen opgetekend. Hieruit afleiden dat de onveiligheid op het platteland groter was dan in de steden is voorbarig, maar het staat niettemin symptoom voor de ontwrichting van het grafelijk gezag. De gerechtsofficieren konden er als vertegenwoordiger van de graaf niet langer het gezag afdwingen dat noodzakelijk was om hun ambt uit te oefenen. De greep van de opstandige milities en revolutionaire gezinden op de steden in het platteland bracht een algemene malaise met zich mee die de bevolking machteloos maakte tegen hun acties. De rewaard van Oudenburg schrok er immers niet voor terug in 'sHeer Woutermansambacht, grenzend aan de stad, een raid uit te voeren en er het goed van de brouwer van Oudenburg te roven.[185]
Diefstal onderscheidt zich van roof door zijn geweldloos en heimelijk karakter.[186] Hierdoor is het voor de gerechtsofficier niet steeds voor de hand liggend om voldoende bewijzen tegen de beschuldigde te verzamelen en het is dan ook niet verwonderlijk dat veelal wordt overgegaan tot het sluiten van een minnelijke schikking. Dit is in alle baljuwsschappen duidelijk waarneembaar. Tenzij de dader op heterdaad kon worden betrapt of het gestolen goed op zich droeg, konden hem niet meer dan vage beschuldigingen worden aangewreven en was de kans op effectieve rechtsvervolging klein. De gerechtsofficier was dan ook genoodzaakt tot het afsluiten van een compositie, wanneer hij de verdachte niet vrijuit wou laten gaan.[187] Maar wanneer de bewijslast voldoende was, werd de delinquent, naast de teruggave van een veelvoud van het gestolene en eventueel verminking, verbannen of in geval van herhaling opgehangen en het bezit verbeurd verklaard.[188] Het aanvaarden, kopen en verkopen van gestolen goed wordt op eenzelfde manier bestraft als diefstal: de dief wordt in het ten gelde maken van het gestolen goed immers een helpende hand toegestoken. Niet alleen de heler, maar ook wie het goed moedwillig[189] of "bi onnoeselheden"[190] kocht, aanvaardde of bewaarde[191], hield dit netwerk staande en was op eenzelfde manier als de dief onderworpen aan de vervolging van rechtswege. Het bijeenbrengen van bewijslast is hierbij echter nog minder voor de hand liggend dan dit het geval is voor diefstal. Hoewel de gerechtsofficier bij machte is huiszoekingen uit te voeren en het bezit van het gestolen goed na te gaan, bestaat de moeilijkheid er nog steeds in het goed als gestolen te identificeren.[192] Het is dan ook niet verwonderlijk dat heling, nog meer dan diefstal met een compositie werd besloten. Maar ondanks de dominantie van de delicten die verband houden met heling en diefstal in het totaal aandeel der misdrijven tegen het eigendom, kan men er echter niet van tussenuit dat de gerechtsofficier slechts een gering aantal delicten van deze aard noteert. Het is tekenend hoe in de periode tussen 1373 en 1379 in alle stadsbaljuwsschappen, op dit van Brugge na, maximaal tien gevallen worden opgetekend: de rekeningen getuigen hier van een inefficient opsporingsbeleid met een jaarlijks gemiddelde van hoogstens twee genoteerde gevallen van diefstal of heling. Rekening houdend met de specifieke demografische en sociaal-economische factoren, die de ambtsgebieden van de waterbaljuw van Mude, de baljuw en de schout van Brugge onderscheiden van de overige baljuwsschappen, kan evenmin worden gesteld dat met het noteren van een aanzienlijk hoger aantal diefstallen de invulling van het beleid van deze ambtenaren contrasteert met dit van de andere gerechtsofficieren.
Inzake de opsomming van de gestolen goederen binnen elk baljuwsschap afzonderlijk is er niet onmiddellijk een verband te leggen naar de aard van het goed en de onderscheidene baljuwsschappen. Men kan in tegenstelling tot vandaag immers niet beweren dat de steden wars zijn van elk agrarisch karakter en bovendien blijken in het totaalpakket aan gestolen goederen vooral basisgoederen, varierend van huisraad tot kledij en van landbouwgewassen tot ambachtsproducten te zitten. Er is geen sprake van luxegoederen. Binnen dit totaalpakket domineren in de totaliteit van de baljuwsschappen vooral de goederen die een aanvulling betekenen op de elementaire levensbehoeften: in twee derden van het aantal diefstallen kan het gestolen goed geclassificeerd worden als kleding, huisraad, geld en vee. Goed dat niet onmiddellijk de hoogstdringende noden lenigde, doch door zijn waarde ook niet onmiddellijk voor de hand lag voor de brede groepen van de samenleving. Dit algemeen karakter van het gestolen goed verandert niet tijdens de periode van de Gentse Opstand, doch het aandeel aan veediefstallen stijgt duidelijk boven de andere uit.[193] Waar het aantal opgetekende diefstallen halveert, verdrievoudigt het aantal gevallen van heling: het kopen en verkopen van vee blijkt hierbij bovendien de meest lucratieve handel, waardoor het hoog aantal veediefstallen binnen deze context moet worden begrepen. Niettemin blijft ook tijdens de Gentse Opstand het gering aantal noteringen opvallen die betrekking hebben op diefstal en heling. Toch is er geen sprake van eenzelfde neergaande tendens zoals die merkbaar was bij de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit.
Naast de moedwillige ontvreemding van goederen vormt de beschadiging van goed een tweede groep delicten onder de misdrijven tegen het eigendom. Hiertoe worden zowel de moedwillige, door agressie ingegeven beschadiging van eigendom gerekend, als de vernieling van het goed door onvoorzichtigheid of nalatigheid. Wie iemands eigendom beschadigde, moest de schade vergoeden en werd beboet. Het onbetekenend aantal delicten van deze aard in de rekeningen van de gerechtsofficieren moet verklaard worden doordat de benadeelde in vele gevallen het waarschijnlijk niet belangrijk genoeg achtte om gerechtelijke vervolging in te spannen en de gerechtsofficier het evenmin de moeite vond om voor dergelijke onbenulligheden tot vervolging van ambtswege over te gaan. Een inefficiënt opsporingsbeleid alleen kan dit laag aantal, namelijk twee gevallen in de periode 1373 - '79 en één in de periode 1379 - '86, niet verklaren. Deze intentie veranderde echter wanneer het uitdrukkelijk ging om een aanslag op de persoonlijke integriteit en de moedwillige beschadiging aanleiding kon geven tot verdere geweldpleging. De gerechtsofficier zag zich dan immers genoodzaakt, als behoeder van de openbare vrede, tussenbeide te komen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de baljuw uitdrukkelijk de kans greep tot het sluiten van een compositie wanneer "in evelen wille"[194] de kleren van het slachtoffer "syns ondanx ende ieghen sine wille"[195] werden gescheurd.[196]
De aantasting van het eigendom tenslotte omvat de gevallen van huisvredebreuk. Het begrip "huussoekinghe" bezit een vrij brede betekenis en omvat alle delicten waar op welke wijze dan ook de huisvrede werd verstoord. Dit zowel wanneer een woning met of zonder geweld, 's nachts of overdag werd binnengedrongen, als dat de bewoners van op straat het huis werden uitgedaagd.[197] De intentie die achter de actie schuil ging bleef van ondergeschikt belang zolang er geen gevolg werd aan gegeven: wanneer de poging mislukte tot het binnendringen van het huis via het raam om "bi enen wivekine te gane slapene"[198], werd een al bij al lage compositie afgesloten. Hoge minnelijke schikkingen werden echter getroffen wanneer de inbraken gepaard gingen met het ontvreemden van eigendom[199] of het toebrengen van slagen en verwondingen[200] aan de bewoner die gewettigd was zichzelf en zijn goed te verdedigen tegenover de indringers.[201] De feitelijke beweegredenen kunnen in de meerderheid van de gevallen echter zelden achterhaald worden door de vage omschrijvingen van deze posten in de rekeningen. Diefstal is een voor de hand liggende intentie tot inbraak, doch in het verlengde van het gewelddadig en agressief karakter van de middeleeuwse maatschappij kan wraakneming niet uitgesloten worden, hoewel de rekeningen hier niet expliciet over spreken. Het nachtelijk bezoek van een groep duidelijk aan elkaar verwante mannen laat geen vredevolle intenties vermoeden, want hoewel geen vermelding wordt gemaakt van welke aanslag tegen de persoon of eigendom dan ook, blijken ze zich niettemin neer te leggen bij de zeer hoge compositie afgedwongen door de baljuw van Brugge.[202] Deze ging hierbij over tot het sluiten van een minnelijke schikking met de verdachten "voor tontphinc vanden besouke" of de beperkte delegatie van schepenen die de baljuw vergezelde naar de plaats van het misdrijf tot het instellen van een vooronderzoek. Op deze manier werden de verdachten feitelijk onder druk gezet in te gaan op het door de gerechtsofficier genomen initiatief om af te zien van verdere rechtsvervolging, die hij van ambtswege kon laten gelden. Een som werd echter van deze compositie afgenomen om de schepen en de klerk in hun onkosten te vergoeden. Het verbreken van de huisvrede blijkt bovendien voornamelijk voor te komen op het platteland, terwijl het werkelijk aantal noteringen binnen de steden eerder wijst op een incidentele inbreuk. Dit weerspiegeld zich dan ook in de beleidsinvulling van de gerechtsofficieren, waar het belang van deze inbreuken in het beleid van de baljuw van Brugge deze van alle stadsbaljuws en de waterbaljuw overstijgt. Een verschuiving is hierin echter merkbaar tijdens de Gentse Opstand: niet alleen verdwijnen deze noteringen in de stadsbaljuwsschappen, maar bovenal is er een complete ineenstorting waar te nemen in het gewicht die deze innemen in het beleid van de baljuw van Brugge. Deze achteruitgang is niet opzienbarend in de stadsbaljuwsschappen, daar het werkelijk aantal noteringen er varieerde van een enkele notering tot drie gevallen, en er niettemin moet rekening gehouden worden dat het bronnenmateriaal dat voorhanden is quasi halveert, en hiermee een onmiddellijke invloed uitoefent op het absoluut aantal gevallen van huisvredebreuk in deze baljuwsschappen. De ineenkrimping is echter opzienbarender op het platteland. Waar de baljuw van Brugge in de periode aan de opstand voorafgaand nog negentig gevallen noteert, is dit tijdens de opstand beperkt tot twee.
Een achteruitgang die eveneens merkbaar is in zijn beleidsinvulling, met respectievelijk 56,9% en 3,7% in de procentuele verhouding van het aantal delicten en quasi dezelfde verhouding wat de inkomsten betreft in beide onderscheiden perioden. Hieruit blijkt alvast dat de greep van de baljuw van Brugge binnen zijn ambtsgebied tijdens de opstand sterk is verzwakt.
1.3. Misdrijven tegen de zeden
De misdrijven tegen de zeden vormen slechts een beperkt gewicht op de invulling van het beleid van de grafelijke gerechtsofficieren. De inkomsten ontbreken immers in de meeste baljuwsschappen of zijn er totaal verwaarloosbaar, terwijl in de ambtsgebieden van de baljuw van Brugge, de schout van Brugge, de baljuw van Damme en de rewaard van Diksmuide maximaal 5% à 10% van de inkomsten voortvloeien uit de bestrijding van zedenfeiten. Hierbij valt enerzijds op dat de verschillen in beleidsinvulling zich niet zozeer afspiegelen tussen de stad en het platteland, maar dat onder de stadsbaljuwsschappen enkel in de belangrijkste ambtsgebieden inkomsten van deze aard werden genoteerd en dat geen enkele notering werd gemaakt binnen het waterbaljuwsschap Mude. Een vergelijking met het procentueel aandeel naargelang het aantal delicten geeft echter een andere kijk op de beleidsinvulling van deze gerechtsofficieren. De percentages liggen lager in Damme en Diksmuide, maar aanzienlijk hoger in de stad Brugge en binnen de ambachten van het Vrije. Waar de schout van Brugge een kwart en de baljuw van Brugge een vijfde van het aantal opgetekende delicten noteert in zijn rekeningen betekent dit dat er een zeer hoog aantal lage boeten werden opgetekend. Hierdoor is het gewicht van de misdrijven tegen de zeden in de beleidsinvulling van deze ambtenaren aanzienlijker dan eerst werd aangenomen. Een verdere ontleding en vergelijking van de verschillende zedenmisdrijven zal hierin een verklaring moeten brengen, want een onmiddellijke verklaring kan hiervoor in eerste instantie niet gegeven worden.
Tijdens de Gentse Opstand zakt het aandeel van de zedenmisdrijven in de beleidsinvulling van alle gerechtsofficieren ineen tot een te verwaarlozen aandeel. Dit zowel naar het aandeel in de inkomsten als het aantal posten van strafrechtelijke aard, waar de percentages respectievelijk varieren van 0,1% tot 1,9% en van 0,3% tot 2,6%. Enkel binnen de stad Brugge is er nog een niet onaanzienlijk aantal zedendelicten opgetekend en blijkt het gewicht in de beleidsinvulling van de schout er met 8,1% van het aantal delicten niet totaal onverwaarloosbaar. De verspreiding blijft echter quasi gelijk zoals in de periode aan de Gentse Opstand voorafgaand. Terwijl de zedenfeiten er geconcentreerd blijven op het platteland en de grootste stadsbaljuwsschappen, wordt nu echter eveneens een enkel geval genoteerd in het waterbaljuwsschap van Mude.
Tot de zwaarste misdrijven tegen de zeden wordt verkrachting gerekend. De aard van het misdrijf en de straf ermee verbonden noopte de schepenbank ertoe tot een sluitende bewijslast te komen tegen de verkrachter, want ongegronde aantijgingen waren niet uit te sluiten. Het hulpgeroep stond hierbij quasi symbool voor de grove schending van de eerbaarheid van de vrouw, maar vormde eveneens de essentiële voorwaarde in de bewijslast tegen de verkrachter. Vooral binnen de steden was dit element onontbeerlijk. Het ontbreken van getuigen op het platteland, waar de verkrachting op afgelegen plaatsen of schuren kon plaats grijpen was aannemelijker dan in de stad.[203] Want hoe was het immers mogelijk dat in een stad of verstedelijkt gebied geen getuigen, die in het aanhoren van hulpgeroep verplicht waren tussenbeide te komen, konden worden voorgelegd om het misdrijf te bevestigen ?[204] Getuigen konden bovendien een beeld van de relatie tussen beide partijen schetsen, wanneer ze samen op straat werden opgemerkt.[205] De agressieve houding van de beklaagde was immers een bezwarend element in de bewijsvoering, maar was hierbij niet doorslaggevend. De gerechtsofficier zag zich immers bij gebrek aan doorslaggevende bewijzen of stotend op de immuniteit van de clerus verplicht tot het afsluiten van een minnelijke schikking. Het uitvoeren van het vonnis zou de verbeurdverklaring van de goederen en de terechtstelling of verbanning van de verkrachter met zich hebben meegebracht.[206]
Het gewelddadig ontvoeren van een vrouw om ze tegen haar wil in tot huwelijk aan te zetten werd op eenzelfde manier bestraft. De schaking hield immers niet alleen een grove inbreuk op de eerbaarheid in, maar vormde tevens een aanslag op de macht van de ouders, voogd of echtgenoot. Noodzaak tot vervolging van de ontvoering bleef echter een sluitende bewijslast: bij gebrek aan bewijs was de baljuw genoodzaakt een minnelijke schikking af te sluiten, mits de zaak er naar alle waarschijnlijkheid door de vierschaar zou worden afgewezen.[207] Maar de gerechtsofficier kon bij een dwingender bewijslast, waar het verzet van de vrouw duidelijk werd onderschreven, eveneens overgaan tot het afsluiten van een hoge compositie met de schaker en zijn medeplichtigen.[208] Niettemin kon de vrouw, ondanks haar initieel verzet, er uiteindelijk toch voor kiezen de schaker te huwen. Dit veranderde het feitelijk karakter van de overtreding en maakte de weg vrij voor een verzoening tussen beide partijen. Het hoefde daarentegen de gerechtelijke actie en de uitspraak tot strafuitvoering niet te beletten.[209] De gerechtsofficier had immers tot taak de misdrijven te behandelen als een overtreding van publiek rechtelijk verbod en niet in eerste instantie als een misdrijf tegen de private persoon. De daad wordt bestraft, de consequentie is van minder belang. Schaking onderscheidt zich dan ook van verleiding, door het gewelddadig karakter van de ontvoering van de vrouw onder het ouderlijk gezag. Wanneer de vrouw vrijwillig toestemde in het huwelijk, zonder de toestemming van haar ouders, verwanten of voogden, was ze immers zelf ook in overtreding. Tenzij een minnelijke schikking kon worden getroffen, werd de man gestraft met verbanning en een boete, de vrouw haar vermogen en erfrecht ontnomen.[210] Beide delicten, schaking en verleiding liggen vrij dicht bij elkaar en moeten onderscheiden worden naar het gewelddadig karakter, door de initiële actie ingegeven.[211]
Naast verkrachting, schaking en verleiding, die zich voornamelijk in de voorhuwelijkse of gewelddadige sfeer bevinden, begrijpen we onder de zedendelicten eveneens die lichtere misdrijven die een aanslag vormden op het algemene zedelijkheidsgevoel van de bevolking en hierdoor ook op de openbare orde. Ontucht, overspel en prostitutie worden in het verlengde van dit beginsel, waar de gerechtsofficier borg staat voor de vrijwaring ervan, vervolgd. Het blijkt aldus dat de wereldlijke overheid eveneens optreedt in die gevallen waar inbreuk wordt gepleegd op het sacrament van het huwelijk en strikt gezien een overtreding vormt op het kanoniek recht.[212] Het optreden van de gerechtsofficier tegen ontucht en overspel beperkt zich tot een aantal gevallen die de publieke opinie fel moeten hebben beroerd, daar overspel eveneens door de kerkelijke rechtbanken zal zijn gevonnist. Het gering aantal opgetekende overtredingen noopt ons tot deze conclusie. Gehuwde mannen en vrouwen verbreken hun huwelijkse trouw op dergelijke wijze dat ze in aanvaring treden met de openbare zeden: overspel tekende zich het duidelijkst af wanneer een gehuwde man of vrouw samenwoonde met een ander dan hun in de echt verbonden partner[213] of wanneer een vreemde man werd aangetroffen in het echtelijke bed[214]. Deze omschrijvingen zijn echter zeldzaam, want ontucht of onzedig gedrag wordt veelal als "onredelike wanderinge" in de rekeningen geplaatst. Waar in de water- en stadbaljuwsschappen een zeer laag aantal gevallen van overspel en ontucht worden opgetekend, verschijnen er in de rekening van de baljuw van Brugge een zeer hoog aantal posten van onzedig gedrag. Deze schijnbare lokalisering op het platteland kan niet worden verklaard door een veel losbandiger plattelandsleven, want hiertegenover staat het volledig ontbreken in de andere baljuwsschappen van de overtredingen door "onredelike wanderinge". Binnen de stad Brugge treedt men niet op tegen het gedrag, maar tegen de oorden van bedenkelijke aard waar ontucht en onzedig gedrag welig tierden.[215] Het groot aantal inbreuken verklaart hierbij het relatief gewicht van de zedenmisdrijven in het totaal aantal delicten genoteerd in de rekeningen van de baljuw en schout van Brugge.
De wereldlijke overheid treedt op tegen prostitutie door algemene verboden uit te vaardigen. Prostitutie was verboden binnen wel omschreven gebieden en koppelaars, houders van ontuchthuizen en prostituees konden worden vervolgd. De strafmaat hieraan in de praktijk verbonden laat echter een zekere tolerantie uitschijnen. Inbreuken tegen het stedelijk verbod "binden palen" een bordeel open te houden werd met een geringe boete bestraft.[216] Het is bovendien onduidelijk of de "husen, cameren ende stoven daer men quaet pleit" binnen de stad Brugge in grote aantal genoteerd, niet evenzeer de plaatsen bij uitstek waren voor verdoken prostitutie. Maar niet alleen binnen de steden, ook binnen de ambachten van het Vrije gold dit verbod.[217] De verspreiding van deze delicten over het platteland toont duidelijk aan dat prostitutie niet enkel een stedelijk fenomeen is: er is een verspreiding waar te nemen over verschillende uithoeken van het Vrije en dit binnen ambachten waar geen smalle stad gelokaliseerd is of in de onmiddellijke nabijheid ligt.[218] Het blijkt trouwens dat niet de prostituees en klanten werden beboet, doch de pooiers en houders van "bourdeel" of "quade herberghe". Publieke vrouwen werden dus niet veroordeeld voor de uitoefening van hun beroep en werden op eenzelfde wijze tegen geweldpleging beschermd als de eerbare vrouwen. Wie prostituees mishandelde, werd evenzeer voor slagen en verwondingen voor de vierschaar gedaagd en bestraft.[219]
Het laag aantal opgetekende zedendelicten in de rekeningen van de gerechtsofficieren bemoeilijkt het nagaan van een evolutie van deze in het ambtsinvulling van de gerechtsofficier in de periode voor en tijdens de Gentse Opstand. Er is bovendien een grote fluctuatie in de notering van de verschillende zedenfeiten tussen de baljuwsschappen in eenzelfde periode en binnen dezelfde baljuwsschappen tussen beide afgelijnde perioden. Hoewel duidelijk blijkt dat de zedendelicten slechts een gering deel uitmaakten van het beleid van de gerechtsofficieren, is eveneens duidelijk dat de gerechtsofficieren ingrepen waar het een grove inbreuk betrof tegen de persoonlijke integriteit en konden ingrijpen waar het om lichte delicten ging. Hierbij werd in de meeste gevallen overgegaan tot het afsluiten van een minnelijke schikking, omwille van de gebrekkige bewijslast of verzachtende omstandigheden. Gevallen van ontucht en prostitutie, die golden als een inbreuk op de publieke orde, worden daarentegen binnen de stad Brugge en de ambachten van het Vrije, frequent beboet met weliswaar lichte straffen. Enkel binnen deze baljuwsschappen is een evolutie te bemerken naar het aantal opgetekende zedenmisdrijven toe tussen beide afgelijnde perioden: de totale neergang van het aantal genoteerde delicten wijst er op een sterk ingekrompen greep van de gerechtsofficieren en zijn gerechtsdienaren op de samenleving tijdens de periode van de Gentse Opstand.
1.4. Misdrijven tegen het gezag
De misdrijven tegen het gezag bundelen in het algemeen de delicten die de autoriteit van de graaf direct of indirect aantasten. Hierbij komt echter niet alleen de directe aanval tegen het politiek gezag naar voor, maar eveneens het gebrek aan respect voor de functies die dit gezag binnen het openbare leven waarneemt en voor het eigendom en de rechten die de graaf er bezit. De aard van deze misdrijven zorgt ervoor dat ze zich onderscheiden van de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit of het eigendom, mits het grafelijk gezag hierdoor schade wordt toegebracht.
Het aandeel opgetekende misdrijven tegen het gezag binnen het totaal aantal delicten van strafrechtelijke aard is in de periode aan de Gentse Opstand voorafgaand en gekenmerkt door politieke stabiliteit in een aantal baljuwsschappen vrij hoog. Hierbij zal niet zozeer de autoriteit van de graaf in vraag zijn gesteld door een directe aanval op zijn macht, maar eerder in het gebrek aan respect voor de functies die deze uitoefent. De misdrijven tegen het gezag vormen binnen het baljuwsschap van Brugge het belangrijkste hoofddelict, dit in tegenstelling tot de stadsbaljuwsschappen waar de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit steeds het grootste gewicht werpen in het geheel van delicten van strafrechtelijke aard. De grafelijke vertegenwoordiger op het platteland noteert er meer dan een derde van het aantal delicten van strafrechtelijke aard. Het hoge aandeel in de inkomsten, doch het beperkter aandeel in het totaal aantal posten van strafrechtelijke aard, wijst op een hoge gemiddelde ontvangst. Hoewel het aandeel van de misdrijven tegen het gezag in de beleidsinvulling van de stadsbaljuws minder groot is, kunnen ze niet van elkaar worden onderscheiden door de grote variatie in de percentages die het gewicht in de beleidsinvulling weerspiegelen van de onderscheidene gerechtsofficieren. Het aandeel in de inkomsten varieert er tussen circa 2% en 38% en het aandeel in het aantal noteringen van strafrechtelijke aard tussen circa 1% en 28%. Hierbij geldt echter, op een aantal uitzonderingen na, dat een hoge gemiddelde ontvangst werd genoteerd. De noteringen in het waterbaljuwsschap Mude wijken hiervan niet af.
Tijdens de periode van de Gentse Opstand is een duidelijke verschuiving waar te nemen, zowel in de onderlinge verhouding tussen de hoofddelicten binnen de baljuwsschappen als tussen de baljuwsschappen zelf. Zowel naar het aantal als naar de inkomsten toe stijgt het procentueel aandeel van de misdrijven tegen het gezag in de verschillende baljuwsschappen en verhoogt hun belang in de beleidsinvulling van deze gerechtsofficieren. Een stijging die in de steden Brugge en Damme en het waterbaljuwsschap Mude sterker is dan in de overige baljuwsschappen, hoewel dit niet betekent dat de inkomsten voortvloeiend uit de misdrijven tegen het gezag de overige inkomsten gaan overschaduwen. Enkel de waterbaljuw (91,4%), de baljuw van Damme (89,1%) en de kasselrijbaljuw (57,5%) noteren meer dan de helft van de inkomsten in hun ambtsgebied als misdrijven tegen het gezag. Binnen de stad Brugge en de overige smalle steden nemen deze delicten eveneens een groot gewicht in, maar overstemmen de overige hoofddelicten niet op eenzelfde manier.
Het zwaarste misdrijf tegen het gezag betrof, naast de rechtstreekse aanslag op het leven van de vorst, het openlijk verzet tegen het grafelijke gezag en de passieve ondersteuning van dit verzet waarmee de grafelijke autoriteit in vraag wordt gesteld. Het ligt in de lijn van de verwachtingen dat deze misdrijven voornamelijk voorkomen in perioden van politieke instabiliteit die een bepaalde stad, regio of het gehele graafschap teisterden.[220] Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de loop van de jaren '70 van de XIVe eeuw geen enkele notering van deze aard werd gemaakt in de rekeningen van de grafelijke gerechtsofficieren in de kasselrij van Brugge, dit in contrast met de hieropvolgende periode. Tijdens de Gentse Opstand noteerden alle baljuws, op deze in de kleine baljuwsschappen na, inkomsten die voortvloeiden uit de vervolging van opstandelingen en collaborateurs. Het gewicht van deze specifieke gezagsdelicten in het geheel der inkomsten van strafrechtelijke aard varieert sterk tussen de verschillende baljuwsschappen. De waterbaljuw van Mude en de baljuw van Damme onderscheiden zich hierin met respectievelijk 89,2% en 88,3% van de totale inkomsten van strafrechtelijke aard duidelijk van de overige gerechtsofficieren in het Vrije, die, op de baljuw van Aardenburg (14,9%) na, inkomsten noteerden varierend tussen een vijfde en een derde van de totale inkomsten van strafrechtelijke aard. De beleidsinvulling van de baljuw van Aardenburg tijdens de Gentse Opstand is echter onduidelijk, omdat op twee na geen enkele rekening is bewaard en hierdoor een objectieve vergelijking met de overige baljuwsschappen moeilijk wordt. De strafmaat bij opstand is doodstraf en verbeurdverklaring der goederen van de opstandelingen. De baljuws kunnen hier door de ernst van het misdrijf immers niet overgaan tot het afsluiten van een minnelijke schikking.[221] Maar niet alleen de actieve medewerking met het opstandig regime en het meeheulen met de opstandige troepen vormden een daad van verzet: elke daad die zich richtte tegen het grafelijk gezag tijdens dergelijke periode van politieke onrust was strafbaar, hetzij door het uiten van zijn sympathieën voor de opstandige beweging,[222] hetzij door economische collaboratie.[223] Deze delicten vormden echter in tegenstelling tot het actieve verzet tegen de grafelijke autoriteit, eerder aanleiding tot het sluiten van minnelijke schikkingen, waarvan de hoogte varieerde naarmate de ernst van het delict. In de rekeningen van de grafelijke gerechtsofficieren blijken de meerderheid van de inkomsten echter niet door het sluiten van composities te zijn samengesteld, maar door de inning van verbeurdverklaarde goederen. Enkel in het baljuwsschap Damme is dit niet het geval, maar hier werd de gerechtsofficier tijdelijk in zijn financiële bevoegdheden beknot door de vorming van een speciale commissie tot de inning van geconfisqueerde goederen in de periode onmiddellijk volgend op het neerslaan van de opstandige troepen in Rozebeke.[224] De baljuw van Damme noteert hierdoor in zijn rekening van december 1382 tot mei 1383 geen enkele inkomst van goed dat de opstandelingen toebehoorde. Dit verklaart waarom in zijn beleidsinvulling het aandeel van de composities een dergelijke omvang inneemt. Tijdens de periode aan de Gentse Opstand voorafgaand is geen enkele notering te bespeuren waarin het politieke macht van de graaf in vraag wordt gesteld door een daad van opstand of collaboratie, maar talrijker zijn de overige inbreuken die een aantasting betekenen van het gezag. Dit zijn diefstal en heling van grafelijk eigendom, verzet tegen de grafelijke ambtenaren in de uitoefening van hun ambt en ambtsmisbruik of overtreding van de hun toegemeten bevoegdheden.
Diefstal en heling van goed dat de graaf toekwam, werd omwille van hun bijzonder karakter onderscheiden van de delicten die een misdrijf vormden tegen het eigendom. Beperkte boeten tot drie pond werden weerhouden voor wie was betrapt op "garssnidene" aan de kant van weg of dijk en voor stropers die werden beticht van "visscene", "pertriseerne" of "hasen te vanghene", maar deze misdrijven wogen niet op tegen het overtreden van de heerlijke rechten op bastaardgoed en onbeheerd goed. Men was immers verplicht de vondst van onbeheerd goed binnen de drie dagen bekend te maken aan de grafelijke gerechtsofficier en het volledige bezit van de overleden bastaard of de tot verbeurdverklaring veroordeelde delinquent over te geven. Strandjutten,[225] het achterhouden van "zeedreftich" goed,[226] stragiersgoed[227] en bastaardgoed [228] betekende een inbreuk op de heerlijke rechten, het achterhouden van verbeurd goed[229] een inbreuk op de grafelijke prerogatieven, mits deze inkomsten hem volledig toekwamen. De gerechtsofficier trad hierbij steeds op door het afsluiten van een minnelijke schikking, waarvan de hoogte echter in de lijn lag van de composities die werden afgesloten voor de diefstal van niet-grafelijk goed. Eenzelfde vervolgingsbeleid werd blijkbaar ingezet zonder onderscheid te maken naar het bijzonder karakter van het gestolen goed, opmerkelijk daar hierbij tevens de rechten van de graaf werden geschonden. Haar belang hiervan mag niet onderschat worden, daar het aantal delicten het aantal diefstallen opgetekend in elk van de verschillende baljuwsschappen benadert. In de periode voorafgaand aan de Gentse Opstand betrof het hoofdzakelijk de ontvreemding van onbeheerd goed, dat langs de kant van de weg of langs het water was gevonden, terwijl tijdens de Gentse Opstand het gebruik van goed toebehorend aan medestanders van de opstandelingen werd gesanctioneerd.
Het hinderen van de ambtsuitoefening van de grafelijke vertegenwoordiger of diens ondergeschikten was een ernstig delict. Ze belichaamden niet alleen het grafelijk gezag, maar vormden in hun beleidsuitoefening tevens een garantie tot het in stand houden van de openbare vrede. Er moet echter een uitdrukkelijk onderscheid worden gemaakt tussen de misdaden die werden gepleegd tegen de gerechtsofficieren en deze tegen zijn ondergeschikte gerechtsofficieren en -dienaren. Delicten tegen eerstgenoemde waren voorbehouden gevallen die door het grafelijk hof werden behandeld of de tussenkomst vereisten van de hiërarchisch overste van het baljuwskader.[230] Zo werd op uitdrukkelijk bevel van de souverein baljuw een minnelijke schikking afgesloten nadat een man zich had willen verzetten tegen de nakende arrestatie door de baljuw van Hughenvliet.[231]
Maar ondanks de speciale rechtspositie die de baljuw hier innam, is het door zijn omvangrijke administratieve, financiële en gerechtelijke bevoegdheden niet verwonderlijk dat voornamelijk zijn ondergeschikte gerechtsdienaren, die enkel waren belast met het uitvoeren van gerechtelijke taken, zoals het opsporen van delicten, aanhouden van verdachten en innen van boeten, letterlijk in aanvaring kwamen met de delinquenten. Bovendien genoten deze "beriders", "sheerencnape vanghers" en "colfdragers" evenmin de status en het gezag die de gerechtsofficieren uitstraalden. Een frontale aanval tegen de baljuw is dan ook minder waarschijnlijk dan tegen een van zijn rechtsdienaren. Composities werden gesloten omdat men "den colfdragher quade worde gaf omme sire officie wille"[232] of omdat men zich "stelde ieghen tsheren cnape bi nachte omme toccosoen van sinen diensten"[233]. Het hoogste aantal delicten werd gecomposeerd omdat men zich verzette tegen hun arrestatie.