De administratie van de Gentse schepenen van de Keure in de 14de eeuw. (Annelies Nevejans)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

“Scribenten, scriptoria en secretariaten in Gent in de late Middeleeuwen” of hoe een zin een scriptie werd

 

Hoofdstuk 1: Inleiding

 

1. Thema

 

            Voor een werk dat het sluitstuk moest worden van een vier jaar durende studie wilden we graag een onderzoek voeren omtrent een aspect van de Gentse samenleving in de Middeleeuwen, want “gene historie trekt zóó aan als die onzer geboorteplaats[1]. Onze interesse voor oude manuscripten, aangevuld met een belangstelling voor paleografie zorgde er voor dat, toen we onze blik door de thesisbrochure voor het academiejaar 2000-2001 lieten dwalen, deze bleef hangen bij een onderwerp dat voorgesteld werd door professor Th. de Hemptinne: “scribenten, scriptoria en secretariaten in Gent in de late Middeleeuwen”. Na een verkennend gesprek bleek het de bedoeling een pas afgeronde studie omtrent de vroegste stedelijke administratie van Gent verder te zetten en door te trekken voor de periode na 1350[2].

 

Omdat het bronnenmateriaal dat ter beschikking staat voor onderzoek in verband met de stadsadministratie exponentieel toeneemt vanaf de dertiende eeuw en dus zeker voor de veertiende eeuw in zeer ruime mate aanwezig is, werd het onderzoeksterrein verengd tot de akten van vrijwillige rechtspraak die voor de schepenen verleden werden. Een eerste prospectie leverde ons echter reeds een studie op uit de jaren 1970 omtrent akten van vrijwillige rechtspraak te Gent in de late Middeleeuwen[3]. Even vreesden we dat we een heel andere weg zouden moeten inslaan, maar al gauw bleek dat we voortbouwend op beide hierboven aangehaalde studies een eigen piste konden uitstippelen die bepaalde aspecten van de stadsadministratie van Gent in de veertiende eeuw verder zou uitdiepen. In overleg met onze promotor professor Th. de Hemptinne werd uiteindelijk beslist om de akten van vrijwillige rechtspraak opgetekend in de schepenregisters van Gent tot centraal onderwerp van het onderzoek te maken. Zo kwam de nadruk te liggen op de registratie door de stedelijke overheid.

 

Aanvankelijk was het de bedoeling een studie te maken van deze functie voor de stedelijke administratie in haar geheel, waarbij we dus de registers van beide Gentse schepenbanken in ons onderzoek zouden betrekken. Maar dit bleek bij de aanvang van het archiefwerk een te ambitieus plan, zodat enkel de jaarregisters van de schepenbank van de Keure onze volle aandacht verdienden, zonder weliswaar hun broertjes van de schepenbank van Gedele uit het oog te verliezen. Beide schepenbanken waren immers gelijktijdig aan de slag in Gent[4].

Een analyse van de stadsregisters als relict moet ook voor een beter begrip omtrent de conservatie van het geheugen van de stedelingen in de Middeleeuwen zorgen.

 

 

2. De bronnen

 

            Omdat de registers niet enkel onze belangrijkste bronnen zijn, maar tevens het onderwerp van onze studie, worden ze uitvoeriger besproken in het hoofdstuk over de registers van de Keure. Ook het door ons samengestelde bestand ‘losse akten’ wordt in het overeenkomstige hoofdstuk nader besproken.

Menigmaal heeft men gezucht bij de overdonderende bronnenreeks van de registers van de Keure en van Gedele. Velen zien er tegen op om ze te raadplegen en leggen ze liever naast zich neer of stellen zich tevreden met uitgegeven fragmenten, alhoewel de registers schatten aan informatie bevatten. Juist omdat ze zo’n interessant bronnenmateriaal vormen voor een hele waaier aan onderzoeksonderwerpen en –methoden zou het nuttig zijn om ze uit te geven of althans te onsluiten via indices, maar zelfs de meest geestdriftige historische graver werd tot nu toe niet bereid gevonden om dit titanenwerk uit te voeren.

 

 

3. Status quaestionis

 

Alhoewel de registers van de schepenbanken in Gent reeds meerdere malen gefungeerd hebben als belangrijk bronnenmateriaal voor een heel scala aan studies[5], werden de jaarregisters van de Keure en de staten van goed van de schepenbank van Gedele echter vooral ter hand genomen omwille van de onschatbare informatie die gepuurd kan worden uit de inhoud van de geregistreerde akten. Een diepgaand onderzoek vanuit een ander perspectief waarbij de registers als een type bron en artefact van de stedelijke administratie beschouwd zouden worden, drong zich echter op.

Behoudens bovengenoemde licentiaatsverhandelingen van Ph. Lardinois en D. Vandevelde en de bij elkaar gesprokkelde wetenswaardigheden en vaststellingen van vorsers die reeds met de registers te doen hadden, viel er weinig informatie te rapen omtrent de structuur van de registers en de werking van de stadsadministratie in de late Middeleeuwen[6].

We mogen hierbij echter niet onvermeld laten dat de aanzetten tot dit onderzoek gegeven werden door de licentiaatsverhandeling van Ph. Lardinois. Deze dissertatie was tot nu toe zowat het enige werk dat z’n licht liet schijnen over de werking van de administratie van de schepenen. Zijn stellingen bleken echter niet altijd even overtuigend, waardoor bijkomend onderzoek wenselijk was. Ph. Lardinois gaf reeds zelf in zijn verhandeling aan dat een grondig onderzoek van de registers waardevol zou zijn[7].

 

 

4. Onderzoeksvragen

 

            Bij de start van het onderzoek hadden we reeds een aantal basisvragen in ons achterhoofd, maar het was vooral de daadwerkelijke raadpleging van het bronnenmateriaal die nieuwe vragen opwierp. Zo werd het onderzoek een dynamisch spel waarbij antwoorden gezocht werden, maar zich ook nieuwe probleemstellingen ontwikkelden. Omdat we ergens een lijn moesten trekken in de omvang en diepgang van het archiefwerk, zijn er bijgevolg helaas vragen onbeantwoord gebleven. Hierdoor is echter een deur open gebleven voor toekomstige vorsers, alhoewel er aan onderzoekspistes in verband met de schepenregisters geen gebrek is, lijkt ons.

Omdat onderhavige studie handelt over de registratie door de stedelijke overheid is het in de eerste plaats belangrijk te weten wanneer de aanleg van registers om er akten van vrijwillige rechtspraak in te noteren een aanvang heeft genomen. Het is immers niet denkbeeldig dat er reeds registers aangelegd werden vóór het tijdstip waarop het oudste ons overgeleverde register van de Keure opgesteld werd. De eerste etappe bestond dus uit spoorzoeken in archiefmateriaal.

Voor het onderzoek rond de registerreeksen vormden een diplomatische en een paleografische benadering samen de basiscomponenten van ons onderzoek. Het diplomatische luik omvat de structuur van de akten en de gebruikte formuleringen, terwijl in het paleografische gedeelte getracht werd de verschillende handen uit elkaar te houden.

Ook aan het type van de akte, de taal en de validatie diende aandacht besteed te worden. Het was de bedoeling al deze elementen zoveel mogelijk te combineren en verbanden te zoeken tussen bijvoorbeeld het type akte en de gebruikte formuleringen, tussen de scribent en de gebruikte formuleringen of de structuur van de akte. Aanvankelijk bestudeerden we deze gegevens voor kleinere tijdseenheden, min of meer bepaald door de politieke veranderingen in Gent op bepaalde tijdstippen, om nadien grotere lijnen te schetsen voor het globale verloop van de 14de eeuw.

De opeenvolging van de akten in de registers wierp ook vragen op, daar de akten niet in chronologische volgorde opgetekend staan, zoals men misschien zou verwachten. Ph. Lardinois had hiervoor reeds een aantal hypothesen naar voor geschoven, maar het was verkieselijk deze eerst verder te toetsen aan bronnenmateriaal alvorens wij ons hierbij konden aansluiten. Bepaalde aspecten van zijn stellingen dienden ook verder uitgediept te worden om genuanceerder uitspraken te kunnen formuleren.

De groep ‘losse akten’ die we bij elkaar zochten als een soort van controlemateriaal op de registers stelde specifieke problemen. Het exacte tijdstip waarop ze vervaardigd werden (voor, tegelijk of na de registratie van de akte in het schepenregister) en hun functie was niet geheel duidelijk. De vraag naar hun functie staat in verband met die omtrent de waarde van zo’n ‘losse akte’ ten opzichte van een akte opgenomen in het register.

Door middel van het aanleggen van een geautomatiseerde databank (cf. infra) was het mogelijk om op een vrij eenvoudige wijze verbanden te onderzoeken. Zo stelden we ons de vraag of er een relatie bestond tussen de aard van de akte, de schepenen die als getuige optraden en de scribent die de akte registreerde; of tussen de klerk en de structuur van de akte of het gebruik van bepaalde formules in de notificatio (NOT) of datatio (DAT).

Het leek ons ook relevant om het aantal geregistreerde akten na te gaan, en dit zowel van jaar tot jaar als van maand tot maand. Binnen een jaar kunnen er immers vaste piek- en dalperiodes zijn die te maken kunnen hebben met bepaalde socio-economische omstandigheden. Voor de jaartotalen kunnen de eventuele fluctuaties in verband gebracht worden met de tijdsomstandigheden. Globaal gezien is er een enorme toename merkbaar van het aantal geregistreerde akten in de chronologische opeenvolging van registers. Het was bijgevolg nodig te onderzoeken of aan deze groeiende administratieve activiteit ook aanpassingen binnen de organisatie of werking van de stadsadministratie beantwoordden.

Tot slot wilden we ook graag de situatie van de Gentse stadsadministratie vergelijken met andere administraties van grote en kleine steden binnen en buiten Vlaanderen om het exceptionele dan wel het ordinaire ervan aan te kunnen tonen.

 

 

5. Methode

 

            Om de bovengenoemde vragen te kunnen beantwoorden was het in de eerste plaats een kwestie van zoveel mogelijk materiaal te verzamelen. Voor ca. de eerste helft van de 14de eeuw (dit is t.e.m. het ambtsjaar 1357-1358) behandelden we dan ook alle overgeleverde registers van de Keure. Voor de tweede helft van de eeuw zijn er heel wat meer registers overgeleverd en beperkten we ons noodgedwongen tot het onderzoeken van één register per periode van ca. tien jaar. Er werden echter twee extra registers opgenomen binnen de periode van de Gentse Oorlog (1379-1385) omdat de weerslag van de politieke situatie op de administratie zeer opvallend was. Een oppervlakkige prospectie van de tussenliggende registers leverde ons nog enkele bijkomende gegevens op om bepaalde hypothesen te kunnen staven.

Om een antwoord te kunnen geven op de vraag naar de oudste vermelding van een schepenboek dienden we akten op te sporen die dergelijke verwijzingen bevatten in de vorm van een vaste formulering. We verzamelden akten van dit type voor de gehele 14de eeuw.

Zo vergaarden we uiteindelijk een bestand van akten bestaande uit ca. 4000 oorkonden geregistreerd in de registers van de Keure uit het Stadsarchief Gent en ca. 100 ‘losse akten’ uit fondsen bewaard in het Rijksarchief Gent[8]. Voor beide reeksen werd een afzonderlijke databank opgesteld waarin op elektronische fiches voorgestructureerde gegevens werden ingevuld[9]. Op beide fiches werd aan elke akte een volgnummer toegekend, waarbij voor de akten komende uit de registers ook het jaar aangegeven werd van het register waaruit ze stamden. Vervolgens werd de structuur van de akte afgekort weergegeven, waarna de verschillende diplomatieke onderdelen in afzonderlijke velden werden ingevoerd. Aangezien in het licht van ons onderzoek vooral de gebruikte formuleringen van belang zouden zijn, werden delen van de dispositio (DIS) die het minst vormgebonden waren weggelaten. Dit konden we pas doen nadat we een zekere vertrouwdheid met ons bronnenmateriaal hadden ontwikkeld. Wat de datum betreft, die namen we zowel op in haar originele vorm (DAT), als in een vorm omgerekend naar nieuwe stijl. Dit laatste vooral met het oog op statistische verwerking. Er werden verder nog velden voorzien voor eind- en / of marginale notities, een korte weergave van de inhoud van de akte en voor bijkomende opmerkingen. De korte inhoud is noodzakelijk om het type akte te kunnen bepalen. Tot slot werd de archiefreferentie toegevoegd.

Voor de akten uit de registers voegden we nog een veld toe waarin een code werd ingevuld die verwees naar een bepaalde hand en een veld waarin aangegeven kon worden of de akte al dan niet gecanceleerd was. Het bepalen van de handen was geen gemakkelijke opgaaf omdat de stijl nogal gelijklopend is. We baseerden ons voornamelijk op de vorm van de begininitiaal (vooral in de oudste registers zijn deze ten gevolge van extra ‘versieringen’ zeer duidelijk van elkaar te onderscheiden), enkele karakteristieke lettervormen en het algemene schriftbeeld. De handengroepen werden per register opgesteld omdat het juist vanwege de zeer gelijklopende stijlen zeer moeilijk is om over grote periodes uit te maken of een handschrift hetzelfde, dan wel verschillend is. Het onderscheid moet gemaakt worden op basis van minieme verschillen.

Voor de ‘losse akten’ was het verder nog belangrijk om, indien de corresponderende akte uit de registers opgenomen was in onze eerste databank, het betreffende volgnummer van die akte te noteren.

            De elektronische databank die we aldus opgesteld hadden, bood nu tal van mogelijkheden om de verzamelde gegevens te verwerken en verbanden te leggen. Paleografische gegevens, bijvoorbeeld alle akten van eenzelfde hand, konden op een vrij eenvoudige manier gekoppeld worden aan diplomatische eigenschappen, bijvoorbeeld de gebruikte formuleringen, wat ons soms tot verrassende vaststellingen bracht.

De verwerking van de chronologische gegevens in grafieken maakte het ook eenvoudiger om onder andere plotse breuken vast te stellen. De databank heeft het werk zeker verlicht, maar al wie ooit met computers te maken heeft gehad kent de grillen van de informatica.

Het doornemen van heel wat met het onderwerp verbonden literatuur stelde ons tenslotte in staat om de verzamelde gegevens te linken aan de historische context en om de casus van de 14de-eeuwse Gentse stadsadministratie te plaatsen in een breder kader van middeleeuwse administraties binnen en buiten Vlaanderen.

 

 

6. Structuur

 

Vertrekkend vanuit een breed historisch kader hebben we in een eerste hoofdstuk ‘De eeuw der Artevelden’ getracht om een beknopt beeld te schetsen van Gent in de 14de eeuw, waarbij vooral aandacht besteed wordt aan gebeurtenissen of evoluties die mogelijks een weerslag hadden op de werking van de administratie. Omdat de registers niet kunnen begrepen worden zonder een minimum aan kennis van de organisatie en bevoegdheden van een aantal stedelijke instellingen, gingen we ook even dieper in op de functie van de schepenbanken in de veertiende eeuw en behandelden we oppervlakkig de andere die in de loop van ons betoog ter sprake zullen komen.

Nadien staan de registers van de Keure centraal en worden concrete resultaten van ons diplomatische en paleografisch onderzoek naar voor gebracht. Er werd onvermijdelijk allusie gemaakt op de situatie in Gent om bepaalde zaken in de werking van de stadsadministratie te kunnen duiden. We hebben in dit hoofdstuk geopteerd om de gegevens en evoluties omtrent de registratie van de akten te bespreken binnen afgebakende tijdsblokken, waarvan de termini bepaald werden door belangrijke politieke of sociale gebeurtenissen die als referentiepunt konden dienen.

De vaststellingen die we konden doen aan de hand van de registers werden vervolgens aangevuld en vergeleken met gegevens uit het samengestelde bestand ‘losse akten’.

Het daarop volgende hoofdstuk is gewijd aan de werking van de administratie waarbij hypothesen gemaakt zullen worden op basis van de gegevens uit het onderzoek. Hier werd onder andere aandacht besteed aan de registratieprocedure.

We gaan nadien kort in op de overige documenten die binnen de Gentse stadsadministratie tot stand kwamen, waarbij gesteund werd op onderzoek van andere vorsers.

Tenslotte zullen we trachten de casus van Gent te vergelijken met andere grote en kleinere steden om zo het typische, dan wel het algemene te kunnen aantonen.

Aan het eind zal er nog een hoofdstuk gewijd worden aan de onderzoeksmogelijkheden van de registerreeksen in Gent, waarbij een beknopt overzicht van de reeds bewandelde paden gegeven wordt, maar ook een aantal niet onderzochte pistes zullen voorgesteld worden, waarmee de deur naar de toekomst open blijft.

 

‘De eeuw der Artevelden’

 

Hoofdstuk 2: “De eeuw der Artevelden”

 

 

1. Historische schets. Gent in de 14de eeuw[10]

            Vlaanderen kende in de late Middeleeuwen een uitzonderlijk hoge graad van verstedelijking en een enorme bevolkingsdichtheid. De stad Gent was koploper met ca. 64 000 inwoners. Ondanks deze hoge densiteit van de bevolking in de Lage Landen en de intensieve commerciële, politieke en militaire relaties die ze onderhielden, factoren die in normale omstandigheden de verspreiding van de pest positief zouden moeten beïnvloeden, bleven ze in 1348-1351 gespaard van de Zwarte Dood[11]. Volgens D. Nicholas daalt de omvang van de Gentse bevolking echter scherp in de tweede helft van de 14de eeuw, waarbij hij een cijfer voorop stelt van nog slechts 25 000 inwoners voor Gent in 1390[12]. Hij geeft hiervoor een politieke verklaring en wijst op de invloed van de zware repressie tegenover de wevers in de periode 1349-1369[13].

Samen met Brugge en Ieper behoorde Gent tot de zogenaamde ‘drie steden’ die de politieke macht in Vlaanderen in handen hadden. Die macht hadden ze weten te verwerven dankzij hun welvaart die voortkwam uit een bloeiende textielindustrie. De belangrijke politieke gebeurtenissen in Vlaanderen draaiden in de late Middeleeuwen dan ook steeds rond deze machtscentra.

 

Voor Vlaanderen kunnen twee types stedelijke netwerken onderscheiden worden. In het model waarin de steden een schakel vormen in een internationale handel, fungeerde Gent als productiecentrum. Brugge bekleedde een andere sleutelpositie als handelscentrum. De Gentse wolnijverheid die voornamelijk gericht was op een buitenlandse markt, was een belangrijk element binnen het stedelijke netwerk in Vlaanderen. Om haar faam hoog te houden was Gent meer en meer verplicht om de ‘monocultuur’ van het textielwezen te bestendigen. Dit maakte de sector echter bijzonder vatbaar voor grillen van de markt en politiek-militaire omstandigheden. De vele sociale spanningen en revoltes in de 14de eeuw waren dan ook vaak het gevolg van crisissen in de textielsector.

Behalve als productiestad voor de internationale handel functioneerde Gent ook nog in een ander model als centrale stad ten opzichte van het omringende platteland en de kleine steden. Gent monopoliseerde de essentiële rechterlijke taken en bezat een uitgebreide administratie[14].

 

            Een schets van de sociaal-economische en politieke ontwikkelingen die zich in de loop van de 14de eeuw voordeden in Gent is onontbeerlijk voor een studie over de stadsadministratie, want deze bleef er natuurlijk niet ongevoelig voor. Het is een eeuw die gekenmerkt werd door crisissen, opstanden en oorlogen: de oorlog van 1297-1305, de Vlaams-Franse strijd van 1315, de Kustopstand 1323-1328, het uitzonderingsregime van 1338-1349 waar Jacob van Artevelde deel van uitmaakte, de herhaaldelijk rebellie van de wevers en tenslotte ook de Gentse Oorlog van 1379-1385. Een bijzonder woelige tijd dus, zowel voor Vlaanderen als voor Europa, want overal braken zowat synchroon revoltes uit in de loop van de 14de eeuw. De repressie die op de opstanden volgde droeg in zich meteen echter ook de kiem voor nieuw verzet.

 

De 14de eeuw wordt voor Gent ook wel eens betiteld als ‘de eeuw der Artevelden’ vanwege de twee historische helden die elk een poosje de macht uitoefenden: Jacob van Artevelde (1338-1345) en zijn zoon Philips van Artevelde (tijdens de Gentse Oorlog).

 

Gent stond als belangrijke Vlaamse stad steeds tussen twee vuren, want het was voor zijn dominante lakennijverheid afhankelijk van de import van Engelse wol, maar behoorde staatkundig tot de Franse Kroon. Noord-Frankrijk fungeerde daarenboven ook als graanschuur voor het Vlaamse land. Meer dan eens kwam Gent dan ook in een hachelijke positie terecht wanneer de beide grootmachten het oneens waren, waarbij het voor de verscheurende keuze kwam te staan tussen voedsel of economie, beide nagenoeg even belangrijk voor het voortbestaan van een stad.

            Internationale spanningen waren steeds verbonden met conflicten op lokaal of regionaal vlak. Aan het einde van de dertiende eeuw hadden Engeland en Frankrijk al een keer tegenover elkaar gestaan toen de toenmalige graaf van Vlaanderen Gwijde van Dampierre in 1297 eenzijdig zijn leenverdrag met de Franse koning opzegde en om economische redenen een bondgenootschap aanging met Engeland. Te Gent zorgde dit voor een polarisatie tussen het gevestigde stadspatriciaat, dat de zijde van Frankrijk koos, en de tegenpartij, bestaande uit belangrijke economische groepen die zich aansloten bij de Vlaamse graaf. Wanneer koning Filips IV in mei 1300 Vlaanderen opnieuw in zijn macht heeft, zal hij zijn leliaardse bondgenoten opnieuw op hun post plaatsen binnen het stadsbestuur, maar om het bewaren van de lieve vrede vervangt hij in 1301 het bestaande systeem van de XXXIX door een jaarlijks vernieuwd schepencollege met een tweeledige structuur[15]. De inspiratie voor een dergelijke structuur kan hij gehaald hebben bij Margaretha van Constantinopel, die in 1275 al eens een poging waagde om de stadsmagistraat te hervormen in 13 schepenen, 13 raadsheren en 4 ontvangers[16]. Het tweepolige karakter van de Gentse schepenbank ligt hiermee vast tot aan het einde van het Ancien Regime, de beide schepenbanken krijgen eigen specifieke bevoegdheden en vermoedelijk wordt tegelijk ook de administratie hervormd.

            De sociale spanningen waren hierdoor echter nauwelijks getemperd en deze situatie in Vlaanderen zal in de loop van de 14de eeuw dan ook steeds opnieuw voor uitbarstingen zorgen. Ook Frankrijk en Engeland kwamen opnieuw tegenover elkaar te staan wanneer ze elkaar de Franse kroon betwistten; een conflict dat uitgroeide tot de Honderdjarige Oorlog, waarin Vlaanderen willens nillens ook positie zou moeten kiezen.

 

Na de Guldensporenslag van 1302 kwam in Gent een eind aan de monopoliepositie van het gevestigde stadspatriciaat, de zogenaamde erfachtige lieden, alhoewel ze nog steeds in ruime mate aanwezig bleven in het bestuur van de stad. De ambachten verwierven ook politieke macht binnen het stadsbestuur. Het politieke landschap zal in de 14de eeuw echter vooral getekend worden door onderlinge conflicten tussen de ambachten. Er zal zich meer bepaald een harde strijd ontwikkelen tussen de wevers en de volders die herhaaldelijk voor een bloedig treffen zal zorgen[17].

Het politieke evenwicht was echter zeer fragiel en op 4 augustus 1311 kwam het dan ook tot een uitbarsting waarbij de wevers en de volders tegen het patriciaat op straat kwamen. Graaf Robrecht van Bethune, op zijn hoede voor opstanden binnen Vlaanderen, maakte korte metten met de revolte en vaardigde zware straffen uit tegen de opstandelingen. De wevers die aanvankelijk zegevierden en nieuwe schepenen aanstelden, werden zwaar gestraft en de graaf wijzigde in 1312 de samenstelling van de schepenbank, die opnieuw voornamelijk uit erfachtige lieden bestond[18].

In 1314-1316 werd de strijd tegen Frankrijk opnieuw hervat. De leliaards in Gent verzetten zich, maar na een militair treffen volgden confiscaties door de graaf van Vlaanderen.

Op het eerste gezicht lijkt deze overwinning op het Fransgezinde kamp te wijzen op een tanend gezag van de Franse koning over de Vlaamse graaf, maar de gebeurtenissen van 1311 en 1314-1316 moeten veleer geïnterpreteerd worden als indicatoren van de toenemende macht van de Vlaamse steden; Gent in het bijzonder.

Graaf Robrecht moest dan ook controle trachten te behouden over de samenstelling van de schepenbanken. Wanneer de Gentse milities in 1319 tijdens een veldtocht met de Vlaamse graaf plots hun medewerking opzegden, reageerde deze dan ook terstond met een drastische ingreep in het Gentse schepencollege: hij elimineerde de onruststokende wevers uit het stadsbestuur. De wevers ondergingen een waar terreurbewind, want ze verloren al hun politieke rechten en hun deken en kregen bovendien ook zware lasten opgelegd[19]. Om de sociale vrede en het precaire politieke evenwicht te verzekeren stelde hij daar bovenop nog een college van vijf (graafgezinde) hoofdmannen aan om de stad te besturen.

Tekenend voor het herstelde bondgenootschap tussen het oude leliaards gezinde patriciaat en de Vlaamse graaf was de steun die Gent verleende aan graaf Lodewijk van Nevers, de opvolger van Robrecht van Bethune, tijdens de zogenoemde Kustopstand (1323-1328) terwijl de stad zelf volledig afwezig bleef in deze revolte. Een opstand van de Gentse wevers in de herfst van 1325 werd dan ook niet alleen door de graaf, maar ook door het schepencollege neergeslagen en de wevers bleven dus van politieke macht verstoken.

Alhoewel Lodewijk van Nevers er in slaagde de opstandige gebieden weer onder controle te krijgen en zo opnieuw wat ademruimte had waardoor hij zelfs het regime van de hoofdmannen in Gent kon afschaffen (1329)[20], lag in zijn overwinning ook de kiem van zijn falen onder het bestuur van Jacob van Artevelde. De doorslaggevende hulp van de Franse troepen dwong de graaf namelijk de Franse koning erg trouw te zijn, waardoor de economische contacten met Engeland in het gedrang kwamen. Deze politieke omstandigheden, versterkt door een recessie in de wolnijverheid zorgden voor hoogoplopende spanningen binnen Gent.

Daarbovenop kwam de internationale dimensie. De Arteveldestad komt dan ook tussen twee vuren te staan wanneer de beide grootmachten, Frankrijk en Engeland, in de 14de eeuw slaags geraakten naar aanleiding van de betwisting van de Franse troon. De stad zal dan ook aanvankelijk een neutrale positie trachten in te nemen, maar dat werd steeds moeilijker wanneer Engeland in augustus 1336 een handelsembargo instelde en de wolnijverheid daardoor in het gedrang kwam. De Gentse economie was sterk gesteund op deze buitenlandse wolhandel. Toen later op het jaar ook nog de (subsidiaire) Engelse graantoevoer afgesneden werd, kwam na de werkgelegenheid ook de voedselbevoorrading in het gedrang. In het voorjaar van 1337 kwam de hongerende bevolking dan ook in opstand, die werd echter met harde hand onderdrukt door de graaf en de stadsmagistraat. Door de versterkte band met Frankrijk kon graaf Lodewijk van Nevers geen kant meer uit en hypothekeerde zodoende ook een herstel van de handelsrelaties met Engeland.

De toenemende crisis in de wolnijverheid gecombineerd met de voortdurende onderdrukking van de wevers bracht Gent in een steeds hachelijker positie en maakte de weg vrij voor iemand als Jacob van Artevelde.

 

Op 28 december 1337 slaagde van Artevelde erin om alle sociale geledingen ervan te overtuigen de Gentse neutraliteit op te geven en de steven te wenden naar Engeland[21]. Bovendien wist hij het Gentse stadsbestuur zo samen te stellen dat naast de poorters, volders en kleine neringen eindelijk ook de wevers weer politieke macht kregen. Dit werd bereikt door het aanstellen (3 januari 1338) van vijf hoofdmannen, waarvan Jacob van Artevelde er één was; weliswaar een dominerende. Het schepencollege dat aan het bewind was sedert augustus 1337 werd niet gewijzigd[22]. Het feit dat zo’n drastische ingreep midden in het ambtsjaar van de schepenen gebeurde toont aan hoe erg de situatie wel was[23]. Vanzelfsprekend was dit regime nogal anti-graafgezind. Onvermijdelijk moeten deze woelige tijden met hun diepgaande wijzigingen repercussies gehad hebben op de stadsadministratie. Volgens D. Nicholas werden de stadsklerken afgezet en vervangen door een nieuw corps op 27 februari 1338[24].

Begin februari kon dit regime een eerste succes op zijn palmares schrijven: er werd een handelsakkoord met Engeland gesloten. Tijdelijk leefde de hoop weer op dat de economie uit het slop zou geraken.

De vernieuwing van de schepenbanken op 15 augustus 1338 was de eerste gelegenheid voor van Artevelde om invloed uit te oefenen op de samenstelling ervan. Voor het eerst werden toen de wevers weer toegelaten tot de stadsmagistraat[25].

 

Het regime van Jacob van Artevelde kwam echter in een lastig parket ten opzichte van de graaf van Vlaanderen die eigenlijk aan de Franse koning verplicht was in te grijpen toen de Gentenaars meer en meer hun neutraliteit lieten varen en steeds duidelijker een economisch geïnspireerde anglofilie vertoonden. De aanwezigheid van de graaf in Vlaanderen verleende onrechtstreeks legitimiteit aan het uitzonderingsregime van van Artevelde. Lodewijk van Nevers verbleef in Vlaanderen tot midden februari 1339 en keerde terug in oktober van hetzelfde jaar[26]. Toen hij echter begin december min of meer gedwongen werd een verdrag met Brabant te tekenen, nam hij nadien de benen. Dit ontnam van Artevelde de basis voor zijn aanspraak op macht en er moest dus een plaatsvervangende regent voor de functie van de graaf voorzien worden. Men liet zijn oog vallen op Simon van Mirabello, de echtgenoot van de bastaardzuster van Lodewijk van Nevers. Gent kiest begin 1340 resoluut voor Engeland wanneer het op 26 januari de Engelse koning Edward III verwelkomde en hem erkende als koning van Frankrijk. Hiermee verkoos Gent wol boven graan en blies de handelsbruggen met Frankrijk op.

Langzaamaan kwam het regime van Jacob van Artevelde echter onder spanning te staan. Vanaf 1342 spreekt men dan ook van een crisis in het van Artevelde regime[27]. De tijdelijke aanwezigheid van de graaf in Vlaanderen, op vraag van de drie steden, markeert het begin van de aantasting van de macht die Jacob van Artevelde en zijn regime zich toegeëigend hadden. Een sociaal-economische crisis zal deze evolutie nog versterken en het lot van van Artevelde bezegelen. Binnen Gent nam de onrust tussen wevers en volders opnieuw toe. De tijdsomstandigheden dreven de spanning verder op, want de graanprijzen lagen nog steeds bovenmatig hoog en het tekort aan wol hield aan[28]. Op 2 mei 1345, beter bekend als Kwade Maandag, kwam het tot een uitbarsting waarbij de volders het onderspit moesten delven[29]. Een paar weken voordien, op 15 april, had Jacob van Artevelde echter  reeds zijn ambt als hoofdman neergelegd[30]. Op 17 juli 1345 werd hij het slachtoffer van een afrekening die eerder het resultaat was van vijandschap ten opzichte van zijn persoon dan van de gevoerde politiek ten aanzien van Engeland, want het door de wevers gedomineerde stadsbestuur zette het bondgenootschap met Engeland onveranderd verder tot aan het Frans-Engelse bestand in november 1348. De restanten van het Gentse ‘volksfront’, gedomineerd door de wevers werden opgeruimd na alweer een bloedig treffen tussen de wevers en de volders, waarbij deze laatsten als overwinnaars uit de bus kwamen en opnieuw de macht veroverden. Dit wapenfeit dat plaatsvond op 13 januari 1349, staat bekend als Goede Dinsdag en maakte meteen ook een eind aan het bewind der hoofdmannen. Gent capituleerde ten voordele van de nieuwe graaf, Lodewijk van Male.

 

Het stadsbestuur werd onmiddellijk vervangen en samengesteld uit getrouwen van de graaf (patriciërs), leden van de volders en de kleine neringen[31]. De wevers werden net als tijdens de periode 1319-1338 gekleineerd: ze werden opnieuw uitgesloten van deelname aan het bestuur van de stad, kregen opnieuw zware lasten te verduren en ook op sociaal vlak kregen ze heel wat beperkingen opgelegd. Ze moesten zwaar boeten voor hun beleid van de voorbije jaren. De discriminatie zorgde voor een al dan niet vrijwillige emigratiegolf, wat de bestaande recessie in de Gentse economische sector nog deed toenemen.

Rust en orde waren in Vlaanderen bijgevolg ver te zoeken. In de jaren 1350 waren er herhaaldelijk wrijvingen en opstootjes. De Gentse voorschepen van de Keure moest in 1357-1358 om redenen van corruptie verbannen worden om het volk te kalmeren. In juni 1356 was Lodewijk van Male daarbij ook nog eens ten strijde getrokken tegen Brabant.

De situatie werd onhoudbaar en naar het einde van de jaren 1350 toe moesten de maatregelen noodgedwongen versoepeld worden[32]. Deze verzachtende politiek moet gekoppeld worden aan de toenmalige rebellie te Parijs onder leiding van Etienne Marcel en de hieruit voortkomende vrees dat de vonk wel eens naar Vlaanderen kon overslaan[33]. Het is in deze verhitte tijden dat de Gentse wevers en volders op 12 juli 1359 nog maar eens tegenover elkaar kwamen te staan. In paniek werd de wevers een plaatsje in het stadbestuur aangeboden; deze namen onmiddellijk hun oude posities weer in en namen wraak. In een golf van volkse opstanden kwam de anti-grafelijke houding nog eens tot uiting, maar de interne verdeeldheid maakte het voor graaf Lodewijk van Male mogelijk om zijn macht opnieuw te consolideren. Te Gent bleef de spanning tussen wevers en volders echter te snijden en op 1 februari 1360 gingen de poppen weer aan het dansen en werden de volders nog maar eens in de pan gehakt. De wevers maakten hiervan handig gebruik om hun macht de herstellen en op hun beurt de volders in een ondergeschikte positie te dwingen. De verdeling van het stadsbestuur onder poorterij, kleine neringen en wevers die hierdoor ontstond, zal behoudens een onderbreking in de 15de eeuw (1455-1477), aangehouden worden tot 1540, en wordt bestempeld als het regime der Drie Leden. Deze verhouding werd bevestigd in 1369 en toegepast op nagenoeg alle sociale en politieke instellingen in Gent. Alhoewel dit tot conflictbeheersing leidde, werkte het onvermijdelijk ook verstarring in de hand. Een verandering in de samenstelling van het klerkencorps dat in dienst was van de stad, lijkt er in 1361 niet geweest te zijn[34].

 

De periode 1360-1379 is de langste van de eeuw in Gent zonder sociaal-politieke opstootjes die veelal met geweld werden beslecht. De relatie met de Vlaamse graaf was hersteld. Lodewijk van Male koos zelfs Gent uit om in 1369 het huwelijk van zijn dochter Margaretha met Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, te sluiten. Maar deze rust was slechts schijn, daar de sociale spanningen niet plots opgelost waren.

 

De explosie van 1379 is dan ook niet te wijten aan de verzwakte positie van de graaf, maar moet gezien worden als het culminatiepunt van een sociaal-politieke strijd die al de hele eeuw aan het gisten was. Belangrijke factoren zijn de steeds weerkerende onderdrukking van de textielarbeiders, de algemene verarming van de bevolking, vooral tijdens de tweede helft van de 14de eeuw, en tot slot ook het langzame centraliserende knagen van de grafelijke politiek gepaard gaande met inbreuken op de privileges van de stad. Daar bovenop nestelden zich nog persoonlijke en familiale vetes, die veelal met geweld uitgevochten werden, en ook de revolutionaire traditie van Gent mag niet vergeten worden[35].

Twee incidenten lokten de polarisatie uit. De door de graaf verleende toelating aan Brugge om een verbindingskanaal te graven naar de Leie, stuitte vanzelfsprekend op groot verzet vanwege Gent dat zo haar levensnoodzakelijke stapelrecht omzeild zag. De Witte Kaproenen voerden in mei 1379 dan ook een raid uit op de Brugse delvers. Met de aanhouding van de leiders van de Gentse militie in september door de baljuw, zonder daarbij de toestemming van de Gentse schepenen te vragen, werd een tweede inbreuk gepleegd op de voorrechten van de stad. De graaf ging daarmee een brug te ver en het spel zat op de wagen. Het Gentse volk had een motief voor een krachtig optreden tegen de centraliserende tendensen van de graaf en vermoordde op 5 september de grafelijke baljuw Rogier van Outrieve. Het nooit gedoofde vuur van de autonomie werd opnieuw aangewakkerd en Vlaanderen verzeilde voor de zoveelste maal in een spiraal van geweld.

Opnieuw werd een college van vijf hoofdmannen samengesteld, dit maal onder leiding van de deken van de schippers Jan Yoens. Het bestaande schepencollege dat pas een paar weken voordien was ingesteld (15 augustus 1379), werd volledig buiten spel gezet. Er volgde een militaire expeditie met de bedoeling bondgenoten te verzamelen, waarbij echter een spoor van vernieling door Vlaanderen getrokken werd. Het akkoord tussen de graaf en de Vlaamse steden op 1 december werd op poten gezet door Filips de Stoute en betekende slechts een tijdelijke wapenstilstand. Dientengevolge werd te Gent eind december een nieuw schepencollege voor beide banken verkozen[36].

De gespannen verhoudingen binnen de steden en radicale anti-grafelijke houding van Gent leidden ertoe dat Brugge en Ieper afhaakten. Gent ging op zijn eentje door met revolteren, maar verloor toch stilaan terrein. Brugge werd zelfs vanaf augustus 1380 een uitvalsbasis voor de Vlaamse graaf. Op 11 november werd opnieuw een bestand afgesloten waarmee de winterperiode overbrugd werd. Gent hervatte zijn razzia’s in februari 1381, maar kreeg het vanaf september steeds moeilijker om zich te bevoorraden omdat handelsroutes onder druk van de vorst afgesneden werden. De winter van 1381-1382 was erg zwaar voor de Gentse bevolking die met lede ogen moest toezien hoe de werkloosheid toenam en de handel lam kwam te liggen met voedseltekorten tot gevolg. Men kon niet anders dan het andermaal over de radicale boeg te gooien en als een verre echo van de gebeurtenissen in 1337-1338, werd Philips van Artevelde, zoon van Jacob, op 24 januari 1382 naar voor geschoven als baljuw. Maar de tactiek werkte niet meer. Na een Pyrrusoverwinning op het grafelijke leger in mei waardoor Gent even op adem kon komen, werden de Gentse opstandelingen op 27 november 1382 door een coalitie tussen de Vlaamse graaf en de Franse koning verslagen in de Slag van Westrozebeke. Filips van Artevelde sneuvelde, maar de stad zette nog een poosje op eigen houtje onder leiding van Pieter van den Bossche en Frans Ackerman de strijd verder. De militaire overwinning te Westrozebeke bleef echter politiek onbenut omdat Filips de Stoute, sedert eind januari 1384 graaf van Vlaanderen, met de onderdrukking en vernietiging van Gent op economisch vlak in zijn eigen vingers zou snijden. Het rebelse vuur kreeg zo echter de mogelijkheid om nog jaren na te smeulen[37]. Op 8 december 1385 vertaalt het einde van de Gentse Oorlog zich in de vrede van Doornik, gesloten door een diplomatische graaf en een uitgeputte stad[38].

 

 

2. Instellingen in de stad

 

2. 1. Schepenbanken[39]

a) Geschiedenis en organisatie

 

            Met het verdrag van Senlis werd het bestaande schepenbestuur met negenendertig leden in 1301 vervangen door twee schepenbanken met elk 13 leden en eigen bevoegdheden. De benamingen Keure en Gedele waren daarmee een feit. De schepenen van beide banken konden slechts gedurende één jaar hun ambt uitoefenen, want elk jaar wordt het college op 15 augustus vernieuwd na verkiezingen door acht kiesheren, waarvan vier aangesteld door de vorst en vier door de uittredende stadsmagistraat.

Alhoewel men het schepenambt niet kon bekleden gedurende twee opeenvolgende jaren, was een terugkeer niet uitgesloten[40]. We zien bepaalde personen dan ook regelmatig opnieuw opduiken in één van beide schepenbanken. Wanneer een schepen tijdens zijn mandaat het leven liet, werd door de in functie zijnde schepenen met goedkeuring van de baljuw een nieuwe collega gekozen. Beide schepenbanken kenden een typische hiërarchische indeling met aan het hoofd een voorschepen.

 

            We hebben reeds in de historische schets gezien dat in de loop van de veertiende eeuw sociale en politieke conflicten ertoe zullen leiden dat het Gentse politieke landschap een grondige wijziging onderging. De grote constante bestaat echter uit de kleine neringen, daar zij zowel onder revolutionaire bewinden als in vredestijd deel uitmaakten van elk regime dat de stad bestuurde na 1302. Het patroon van het stadsbestuur werd bijgevolg gevormd door enerzijds de poorterij, die hoewel ze hun monopolie verloren hadden niettemin nog steeds belangrijke functies bezetten, en de kleine neringen en anderzijds de wevers of de volders. De laatsten werden echter in 1349 definitief uitgeschakeld ten voordele van de wevers. Rond 1369 werd deze indeling formeel vastgelegd en werd de verdeelsleutel die gehanteerd werd voor de toewijzing van de schepenzetels aan de drie bovengenoemde sociale groeperingen gegeneraliseerd voor alle belangrijke functies binnen de stad. Democratisch was dit geenszins, daar een groot deel van de bevolking uitgesloten bleef van enig aandeel in de politieke macht.

Voor de schepenbanken werkte de verdeelsleutel als volgt: voor elk college waren er drie zetels voor de poorterij en telkens vijf voor de kleine neringen en de wevers. Ook de hiërarchie lag vast. Plaats één, vier en zeven waren voor de poorterij. Voor de wevers en de kleine neringen wisselde de rangorde om het jaar. In de pare jaren kregen de wevers plaats drie, zes, negen, elf en dertien voor de Keure, en plaats twee, vijf, acht, tien en twaalf voor Gedele. De kleine neringen vulden de resterende plaatsen in.

 

b) Bevoegdheden en activiteiten

 

            Voor de periode waarover dit werk handelt, oefenen de schepenen het dagelijkse stadsbestuur uit met alles wat daarbij komt kijken. Vanaf de opsplitsing in twee schepenbanken krijgen ze ook elk specifieke bevoegdheden, waardoor het noodzakelijk wordt hier de zaken op te splitsen. Een volledige beschrijving van alle bevoegdheden van de schepenen zou ons te ver leiden en is hier ook niet echt op z’n plaats. We beperken ons bijgevolg tot de bespreking van die bevoegdheden waarvan de activiteiten hun weerslag vonden in de registers.    

De schepenen van de Keure:

 

Zij verenigden in zich de traditionele machtsverdeling op wetgevend, rechterlijk en bestuurlijk vlak. Het is belangrijk om dit voor ogen te houden, maar we zullen nu slechts ingaan op de rechterlijke bevoegdheid van de schepenen van de keure omdat deze de belangrijkste is voor een goed begrip van wat volgt[41].

Voor de 14de eeuw zijn er nagenoeg geen beperkingen meer op de reikwijdte van de juridische bevoegdheid van de Gentse schepenen van de Keure, daar deze zich behoudens enkele enclaves uitstrekt over het gehele grondgebied van de stad. Naast de criminele en de burgerlijke rechtspraak vormde de vrijwillige rechtspraak een belangrijk element dat bijdroeg tot het aanzien van de schepenen[42]. Het gaat hier om akten en contracten tussen twee of meer partijen die rechtszekerheid krijgen door ze te ‘passeren’ voor de schepenbank, vandaar ook de benaming wettelijke passering voor dergelijke akten. Het zijn deze akten die geregistreerd werden in de jaarregisters van de Keure, die de centrale bron van ons onderzoek vormen. Een voorlopig onopgeloste vraag blijft deze naar de mogelijkheid tot sociale controle van de schepenen op de inwoners van hun stad omwille van het feit dat ze allerlei aspecten van het sociale leven op schrift stelden[43].

Het is van groot belang te weten in welke mate de schepenbank van de Keure in de 14de eeuw het alleenrecht bezat wat betreft de vrijwillige rechtspraak. De schepenregisters zouden namelijk slechts 50 tot 60 % van het totale aantal juridische handelingen bevatten. De ‘vrije markt’ van de vrijwillige rechtspraak werd in de Vlaamse steden bevolkt door verschillende instanties[44].

In Gent moesten de schepenen van de Keure deze bevoegdheden delen met de erfachtige lieden (viri hereditarii), de publieke notarissen, officialen en dekens van de christenheid.

Aanvankelijk bezaten de erfachtige lieden in de 13de eeuw het monopolie, maar na 1302 verloren ze dit ten voordele van de schepenen. In de loop van de 14de eeuw treden de erfachtige lieden echter nog geregeld op als getuigen bij transacties, wat er op wijst dat ze zeker niet plots uit het stedelijke leven verdwenen. Het lijkt er echter op dat de erfachtige lieden zich vooral toelegden op het opstellen van akten voor transacties van onroerende goederen[45].

Op basis van diplomatieke overeenkomsten tussen akten van vrijwillige rechtspraak door de erfachtige lieden en door de schepenen van de Keure heeft Ph. Lardinois reeds aangetoond dat ze beide onstonden in het Gentse stadssecretariaat. Uit een vergelijking van de akten blijkt ook overduidelijk dat schepenen en erfachtige lieden geen twee gescheiden sociale groepen waren, maar dat men eerder moet spreken van een osmose, daar dezelfde personen terugkeren in beide functies. De erfachtige lieden leverden akten af aan de partijen onder de vorm van chirografen, maar deze werden veelal achteraf toch geregistreerd in de registers van de Keure[46]. In de 15de eeuw wordt het aandeel van de erfachtige lieden in de vrijwillige rechtspraak tot nul herleid. De schepenen hebben nu het absolute monopolie[47].

Het notariaat was een andere instelling die ook bevoegd was voor de opmaak van geschreven bewijsstukken. In Vlaanderen werd de ontwikkeling van deze instelling echter sterk beknot omwille van het feit dat de schepenbanken hun macht reeds hadden uitgebouwd en over een goed ontwikkelde administratie met eigen scribenten beschikten voor de notarissen op het toneel verschenen[48]. Het ligt in de lijn der dingen dat de inwoners van een stad voor het verlijden van hun akten eerder een beroep zullen doen op de schepenen, waarmee ze al vertrouwd waren omdat deze het dagdagelijkse bestuur en de rechtspraak uitoefenden, dan op de notarissen[49]. Dit beeld verschilt grondig van wat zich in zuidelijker gelegen regionen van West-Europa voorgedaan heeft. Daar kon het notariaat zich parallel met de groeiende steden ontwikkelen en werd zo geïntegreerd als stedelijke instelling[50]. De publieke notarissen hebben zich in Vlaanderen bijgevolg nooit kunnen ontwikkelen tot een hechte vereniging[51].

 

Een ander aspect van rechtsbedeling door de Gentse schepenen wordt gevormd door hun functie als hogere rechtsinstantie voor de lagere rechtbanken binnen de stad. Vooral de vinders zijn hierbij belangrijk, daar hun akten vaak ook geregistreerd werden in de registers van het schepencollege. De vinders traden voornamelijk op bij schuldvorderingen en brachten deze dan in kennis voor de schepenen. Dit is vermoedelijk een gevolg van het feit dat de vinders vaak schepenen waren die tussen twee mandaten in zaten.

De schepenen van Gedele:

 

Zij kregen vanaf de hervorming van de schepenbanken aan het begin van de 14de eeuw naast hun functie als oppervoogden voor wezen ook de functie van ‘paysierders’ toebedeeld. Dit laatste is een soort van vredegerecht waarbij zoendingen konden worden afgesloten. De betreffende akten werden geregistreerd in de zogenoemde zoendingboeken.

De oppervoogdij over de wezen door de schepenbank is bijzonder voor Gent, daar in de meeste Vlaamse steden deze functie ingevuld werd door speciaal daarvoor opgerichte wezenkamers. Allerlei akten die tijdens de uitoefening van dit ambt tot stand kwamen in verband met het beheer van de goederen van de minderjarige wezen, werden geregistreerd in de wezenboeken van de schepenen van Gedele. Samen met de zoendingboeken vormen ze de reeks registers van Gedele[52].

 

2. 2. Brede Raad of Collatie

 

            We vermelden hier ook kort de Brede Raad omdat die aan bod komt in ons verdere betoog. De Brede Raad, ook samengesteld en verdeeld door de drie leden, kreeg vaste vorm rond 1360. Vermoedelijk bestond dit beleidslichaam zelfs reeds vóór 1342, het jaar waarin de term voor het eerst opduikt in de bronnen[53]. Elk lid (poorterij, kleine neringen en wevers) had één stem en een meerderheid van twee stemmen tegen één zorgde voor de beslissing. Vooral in tijden van onrust konden de besluiten van de Collatie zwaar doorwegen op de gang van zaken[54]. De Brede Raad was vooral een adviserend orgaan voor het stadsbestuur, maar oefende ook controle uit op de stadsmagistraat. Vooral aangaande financiële aangelegenheden, bijvoorbeeld de vorstelijke beden, speelde het een voorname rol[55].

 

2. 3. Hoofdmannen

 

De hoofdmannen waren alleen of drie of vijf in getal. Voor Gent zijn er in de 14de eeuw drie periodes geweest waarin het hoofdmanschap werd ingesteld, meerbepaald van 1322 tot 1328, 1337 tot 1349 en 1379 tot 1385. Meestal functioneerden de hoofdmannen naast de schepenen, maar vaak ook trokken ze het bestuur van de stad volledig naar zich toe. In 1379 wordt onder leiding van Jan Yoens het schepencollege echter voor een paar maand afgezet[56].

 

2. 4. Vinderijen of smalle wetten

 

            Het grondgebied van Gent was onderverdeeld in zes kosterijen: de opper- en onderkosterijen van Sint-Jans en Sint-Michiels en de kosterijen van Sint-Jacobs en Sint-Niklaas[57]. Aan elk van de kosterijen waren vier tot zes stadsvinders verbonden die de lagere rechtbanken of smalle wetten van de stad vormden. Net zoals de schepenbanken werden ook de vinders ieder jaar gewijzigd, maar ze werden aangesteld door en stonden onder toezicht van de schepenen van de Keure. De vernieuwing van de smalle wetten gebeurde telkens op Kerstavond. Hun voornaamste opdracht bestond eruit de meningsverschillen tussen Gentse poorters op te lossen, bijvoorbeeld bij schuldvorderingen omtrent kleine bedragen. De uitspraak van hun vonnis wordt vinderschap genoemd. Elke bank had een gezworen klerk, die de verklaringen van de getuigen moest bijhouden.

 

2. 5. Erfscheiders

 

            Regelmatig duiken in de akten van de registers van de Keure ook erfscheiders op. Zij oefenden toezicht uit op de (water)wegen in de stad en traden op als experten bij betwistingen betreffende bouwaangelegenheden. De vaststellingen werden meestal gedaan in het bijzijn van enkele schepenen.

Te Gent waren er twee erfscheiders. Het ging telkens om één lid van het timmerambacht en één metser.

 

2. 6. Halleheren

 

            De halleheren oordeelden over betwistingen en schuldvorderingen omtrent de koop, verkoop en levering van wol en laken binnen de stad en in de lakenhalle in het bijzonder. Volgens De Potter hadden de drie halleheren een eigen zegel en een klerk[58]. Uit de registers konden we afleiden dat er aparte halleheren waren voor de benedenhallen en de hallen waar gestreept laken werd verkocht.

 

2. 7. Amman

 

De amman was een vertegenwoordiger van de vorst in de stad. Hij kon de schepenen manen om recht te spreken. Bij het opstellen van akten van pandingen, hypotheken, geboden, aanslagen, het afkondigen van schepenverordeningen enzovoort kon de amman ook tussenkomen en een vergoeding van de partijen eisen. Daarenboven bezat hij ook het toezicht op de stadsgevangenis[59].

 

 

Les lieux de mémoires

 

Hoofdstuk 3: “Les lieux de mémoires[60]

1. Inleiding

 

Veruit de belangrijkste bron van de schepenbank van de Keure die tot ons gekomen is, zijn de jaarregisters die de akten van vrijwillige rechtspraak, verleden voor de schepenen bevatten. Concreet vinden we in de registers verkopingen, verpachtingen, rentebezettingen en –lossingen, huwelijksovereenkomsten, schuldbekentenissen, testamenten, borgstellingen en nog allerlei afgesloten overeenkomsten[61]. Ook akten die in eerste instantie verleden werden voor erfachtige lieden, vinders of halleheren konden opgenomen worden in de registers van de Keure. De inhoud van de registers blijkt ook uit de openingsregels die meestal aan het begin van het register opgetekend werden: “[…] Dit es de bouc vanden vonnessen, kennessen, beloften ende vorwarden te termine ende sonder termijn gheordineert ende ghemaect int scependom […][62].

Voor Gent zijn de registers van de Keure bewaard vanaf 1339, helaas met enkele belangrijke hiaten voor de 14de eeuw. Een aantal cruciale jaren betreffende belangrijke politieke gebeurtenissen in Gent zijn helaas voorgoed (?) verdwenen. In de Middeleeuwen werden de registers van vrijwillige rechtspraak bewaard op de griffie van de schepenbank[63]. Ieder jaar, op het moment dat ook een nieuw schepencollege werd verkozen, werd een nieuw register begonnen, wat in de meeste steden die een gelijkaardig systeem hanteerden ook gebeurde.

Uitgaven in extenso van deze bijzonder waardevolle reeks zijn nog niet tot stand gekomen. Voor de 14de eeuw zijn er wel enkele uitgaven van regesten voorhanden[64].

 

 

2. Aanblik van de registers

 

De prachtige perkamenten reeks registers houdt op in 1646, waarna men (tot 1679) overschakelde op papier.  Het perkament dat voor de Gentse registers gebruikt werd, is niet van topkwaliteit, want hier en daar zitten er gaatjes, scheurtjes en (dichtgenaaide) littekens in. Elk register bestaat uit een of meerdere katernen die gevormd worden door perkamenten folio’s. Sommige registers kregen ook een flap mee in minderwaardig, stugger perkament, maar bij anderen ontbreekt dit. In de loop van de 18de en 19de eeuw zijn de registers ingebonden in banden met harde kaft waarbij de binder meestal meerdere jaren samen nam[65]. Ook registers met ‘verboden’, het ‘bouc van den blivene’ en lijsten met pachters en ontvangers werden toen samengebonden met het overeenkomstige jaarregister[66].

Op de recto zijde van elke folio is bovenaan in het midden in inkt een folionummer in Romeinse cijfers aangebracht; dit is de oorspronkelijke contemporaine foliëring die per register loopt. In de rechter bovenhoek van de pagina vindt men ook nog een foliëring van recentere datum in Arabische cijfers en in potlood, vermoedelijk daterend uit de 18de of 19de eeuw, daar ze over een hele band loopt en dus gewoon doornummert, ook als er een nieuw register begint. In vele bronvermeldingen wordt de meest recente foliëring gehanteerd, maar wij opteerden voor de originele folionummering daar deze door de klerken zelf aangebracht werd en binnen de administratie ook gebruikt werd voor verwijzingen in andere documenten, zoals de foliovermelding op de ‘losse akten’ (cf. infra).

 

Nagenoeg elk register vangt aan met een openingstekst die de inhoud van het register, de belangrijkste schepenen van het betreffende ambtsjaar en de begindatum weergeeft. Er zijn echter ook een aantal registers waarbij deze tekst ontbreekt en de voorziene plaats in het register blanco is gebleven. We hebben kunnen vaststellen dat deze openingsregels geschreven werden door dezelfde hand die de eerste akte registreert.

Wanneer we een overzicht maken van de openingteksten, dan moeten we vaststellen dat er niet echt een vaste vorm bestaat. Voor Amiens werd echter door een bepaling van de schepenen vastgelegd met welke woorden ieder register moest beginnen[67].

 

Daar de registers niet altijd even netjes ogen omdat ze in vrij cursieve handen zijn geschreven, er aanvullingen gemaakt werden in andere handschriften, er hier en daar marginale notities zijn aangebracht, een heleboel akten gecanceleerd werden en de akten bovendien niet in chronologische volgorde werden opgetekend, menen wij te mogen stellen dat de registers fungeerden als dagelijks werkdocument van de schepenen. Een mogelijke verklaring voor het feit dat de akten vreemd genoeg niet in strikt chronologische volgorde staan opgetekend zullen we later naar voor brengen (cf. infra). Het dient reeds opgemerkt dat het heel uitzonderlijk is dat er een akte opgetekend wordt die dateert uit een ander jaar dan het lopende ambtsjaar.

Het canceleren van akten in de registers gebeurde door middel van inktstrepen. Akten waarbij de inhoud ongeldig was geworden, bijvoorbeeld bij aflossing van een schuld, konden (op verzoek van de partijen) ‘uitgeschreven’ worden door middel van doorhaling. Soms werden er ook aantekeningen gemaakt over gehele of gedeeltelijke betalingen van tegoeden. Ook bij andere akten duiken dergelijke notities op (cf. marginale notities).

 

In de registers bevinden zich ook losse papieren (!) en perkamenten strookjes met slordige notities op, delen van chirografen, uitgewerkte teksten van akten en niet-afgeleverde ‘losse akten’. De kleine strookjes met notities vormen wellicht de kladjes voor het uitwerken van akten. Het zou nuttig zijn de inhoud van deze notities na te gaan en te onderzoeken of deze daadwerkelijk in verband kunnen gebracht worden met geregistreerde akten. Dit is echter een grote opgaaf, daar de briefjes niet noodzakelijk op de plek zitten waar de overeenkomstige akte genoteerd staat. De strookjes hoeven zelfs niet per se in het juiste register te zitten, daar het niet denkbeeldig is dat vele strookjes los in de registers zaten en er in de loop der tijden wel eens uitvielen en pas in de 18de en 19de eeuw definitief mee ingebonden werden op de plaats waar ze zich toen toevallig bevonden. Sommige schriftstukken zitten zelfs nog steeds los tussen de folio’s van de registers geschoven[68]. Bovendien dragen de notities vaak geen datum, of geven ze slechts dag en maand weer, waardoor het een heel karwij wordt om na te gaan of het werkelijk om kladjes gaat. In de registers van Gedele, meerbepaald in de zoendingboeken vond L. Pylyser gelijkaardige velletjes (perkament) met korte notities aangaande het verloop van een verzoening. Deze minuten vormden volgens L. Pylyser de basis van de akten in de registers[69]. Soms worden deze minuten ook gewoon in het register gestopt zonder dat ze worden overgeschreven en volstaat een dorsale notitie die aangeeft dat de akte in het schepenboek hoort[70].

 

 

3. De jaarregisters van de Keure

 

3. 1. 1301-1338: op zoek naar de oudste vermeldingen van ‘schepenboeken’

 

                        Het precieze tijdstip bepalen waarop een diplomatische activiteit aangevat is, is zeer moeilijk en men zal het vermoedelijk nooit exact kunnen bepalen daar het zich meestal situeert vóór de datum van het oudst bewaarde document. Een van de eerste vragen die we wilden beantwoorden was dan ook die naar de oudste vermelding van een schepenregister. Daartoe gingen we op zoek naar ‘losse akten’ die onderaan een soort formule hebben die inhoudt dat de akte ook opgenomen werd in het schepenboek van hetzelfde jaar[71]. We moeten ook hier een onderscheid maken tussen akten die verwijzen naar de registers van de Keure en die van Gedele. We zijn er, onder andere op basis van latere gelijkaardige verwijzingen die we konden verifiëren aan de hand van bewaarde registers, van uit gegaan dat een simpele verwijzing naar een ‘schepenboek’ slaat op de registers van de Keure en dat er voor een verwijzing naar de registers van Gedele gebruik gemaakt wordt van de term ‘wezenboek’.

 

            Ons vertrekpunt was de vermelding in de licentiaatsverhandeling van Ph. Lardinois van een in Gent opgestelde oorkonde van 13 juli 1286 die over een ‘scepenbouc’ spreekt[72]. Het gaat echter om een kopie in een cartularium van bijna honderd jaar later (1371)[73]. In het cartularium vinden we een rubriekje boven de opgetekende akte:

Van der renten ende capoenen in de Donkersteghe. Ende daer af es oec I copie hute scepenen bouc.”

Wanneer we in het fonds van deze geestelijke instelling (Gent, Rijke Gasthuis) op zoek gaan naar de originele ‘losse’ oorkonde van 13 juli 1286 die vermoedelijk aan de basis lag van de registratie in het cartularium, dan vinden we in de corrobatio (COR) [74]:

Soe hebben wij in orconsepe van desen vorseiden sticken ende biden versouke vander vorseider Vrouwen dese lettren doen bescriven ende beseghelen met onsen conterseele vander stede.

De zinsnede ‘doen bescriven’ is de enige aanwijzing die we mogelijks zouden kunnen opvatten als ‘registreren’, alhoewel het ook gewoon kan slaan op het schrijven van de oorkonde.

 

We vonden nog twee andere verwijzingen naar het bestaan van een schepenregister vóór 1339, het jaar waarin het oudste ons overgeleverde register werd opgesteld. Het gaat om een verkoopsakte gedateerd op 18 oktober 1328 en een schenking van erfelijke renten van 10 november 1331[75].

Onderaan de akten vinden we de volgende vermeldingen:

Dees ghelike staet in scepenen bouc van den selven jare.” (1328)

en

Aldus staet in scepenen bouc van den selven jare” (1331)

 

            Voor de registers van Gedele werd tot nu toe aangenomen dat de registratiepraktijk op z’n minst teruggaat tot 1330. Hierbij baseerde men zich op een verwijzing in het wezenboek van 1350-1351 naar een inschrijving uit het boek van 1330[76]. Deze stelling werd aanvankelijk kracht bijgezet door de vondst van een ‘losse akte’, gedateerd op 13 juli 1330, die spreekt over een ‘wezen bouc[77]. In het fonds oorkonden van Sint-Baafs troffen we echter nog een akte aan die in 1323 reeds melding maakt van een wezenboek[78]. Onderaan de akte staat het volgende:

Aldus staet in der weesen bouc van den selven jare.”

De vroegste referentie, die teruggaat tot 1314, is te vinden in 16de-eeuwse notities die gemaakt werden vanuit de registers van Gedele[79].

 

            Uit het bovenstaande kunnen we dus concluderen dat de administratie van de schepenen reeds in 1286 een register bijhield. W. Prevenier brengt deze datum in verband met de kort tevoren (1279) ingestelde controle op de stadsrekeningen[80]. Bij deze akte, die nog tot stand kwam onder het ‘oude’ regime van de XXXIX, is de manier van verwijzen naar de registratie in een ‘schepenboek’ echter totaal verschillend van de latere akten. Meer dan waarschijnlijk is deze registratiepraktijk later stopgezet en behoort die van de 14de eeuw tot een geheel nieuwe traditie.

Vanaf de jaren ’20 van de 14de eeuw vinden we opnieuw verwijzingen naar een ‘scepenenbouc’ van de Keure en een ‘weesenbouc’ van Gedele. Vermoedelijk moet 1301 echter beschouwd worden als beginpunt voor het aanleggen van afzonderlijke jaarregisters voor de beide schepenbanken; het is immers vrij logisch dat de wijzigingen in de politieke structuur van de stad ook een weerslag zullen gehad hebben op de administratie[81]. Wanneer de nieuwe structuren ingeburgerd waren, is men waarschijnlijk begonnen met het aanleggen van registers op regelmatige basis en heeft men een vaste verwijzingsmethode ontwikkeld. Deze chronologie loopt dan gelijk met het aanleggen van registers in de kanselarij van de graven van Vlaanderen en de tweede definitieve golf van registratie aan het Franse hof. De woelige omstandigheden rond 1302 spelen hierin vermoedelijk een doorslaggevende rol, en de registers kunnen wat de vorsten betreft, aanzien worden als een politiek hulpmiddel[82].

Wanneer we echter 1286 aanhouden als beginpunt voor de registratie door de Gentse schepenen, dan valt de registratieactiviteit samen met die van andere administraties, zoals een cijnsregister en goederenregister van de Sint-Baafsabdij te Gent in de periode 1280-1290 en het register van Oudenbiezen van ca. 1280[83].

 

Vermoedelijk zijn deze oudste registers reeds vóór het begin van de 16de eeuw uit het stadsarchief verdwenen[84]. De registers van vóór 1300 kunnen reeds verdwenen zijn sedert de grote brand die Gent teisterde aan het einde van de 13de eeuw[85].

 

3. 2. 1338-1345 : de oudste overgeleverde registers

 

De termini van dit hoofdstuk komen overeen met de bewindsjaren van Jacob van Artevelde en de beginterminus is tevens het ambtsjaar waarin naar onze mening het oudste bewaarde register opgesteld werd (cf. infra). De economisch-politieke crisis van 1337 en voorgaande jaren brengt Jacob van Artevelde op de voorgrond van het politieke theater te Gent. In 1338 bezetten vrienden van Jacob van Artevelde de schepenbanken en het patricische bestuur, dat gedurende vijfentwintig jaar de macht in handen had gehad, wordt uit het zadel gelicht. Gedurende tien jaar zal deze groep nu de stad besturen[86].

 

Het fragmentarische karakter van de overgeleverde registers van de Keure voor deze periode laat ons niet toe uit het materiaal sluitende conclusies te trekken omtrent de werking van de administratie[87]. Ook de invloed van de woelige politieke omstandigheden op de administratie (bv. het aantal akten dat gepasseerd wordt) kan helaas niet gemeten worden om dezelfde reden.

De meest vernieuwende inzichten voor deze periode hebben betrekking op het oudste bewaarde register[88]. In de inventaris van het stadsarchief te Gent wordt dit register bestempeld als lopende over de periode 1339-1340 omdat er zowel akten uit 1339 als uit 1340 in opgetekend staan[89]. Verkeerdelijk werd hier tot nu toe uit afgeleid dat het om een register ging voor het ambtsjaar 1339-1340. Op basis van paleografische en chronologische argumenten die hierna aan bod zullen komen menen wij echter te kunnen stellen dat het register opgesteld werd tijdens het ambtsjaar 1338-1339.

De aanvangsdatum van dit oudst bewaarde register is een uitzondering op de regel: het register vangt namelijk niet aan op 15 augustus, zoals gebruikelijk was, maar wel op 20 mei (1339)[90]. Volgens de visie van Ph. Lardinois loopt het register van 20 mei 1339 tot midden augustus 1340[91]. Bijgevolg zou dit register niet alleen een uitzonderlijke aanvangsdatum hebben, maar ook een uitzonderlijk lange duur. Bovendien spreekt Ph. Lardinois voor de periode september 1339 - februari 1340 van een onverklaarbaar hiaat; onverklaarbaar wegens het feit dat de foliëring doorlopend is, er geen katernen ontbreken, de laatste akten van 1339 en de eerste van 1340 op hetzelfde blad te vinden zijn en er geen sprake kan zijn van een uitzonderlijke sociale of politieke toestand in Gent gedurende deze periode[92].

Ten eerste moet de duur van het register ons inziens anders geïnterpreteerd worden, waardoor ook het ‘hiaat’ minder vreemd wordt dan het op het eerste zicht lijkt. Men dient namelijk rekening te houden met de opvallende paleografische verschillen tussen de akten van 1339 en die van 1340[93]. Het samenvallen van deze breuk op paleografisch vlak met het zogenaamde ‘hiaat’ in de chronologie van de opgetekende akten bracht ons tot een nieuwe interpretatie van de duur van het oudste bewaarde Gentse schepenregister.

Wanneer we de akten van 1339 chronologisch ordenen, dan vangt het register aan op 20 mei 1339 en is de laatste akte gedateerd op 13 augustus 1339. Dit wijst er sterk op dat het register oorspronkelijk liep tot 14 augustus 1339, wat overeenkomt met het normale einde van een ambtsjaar van de schepenen.

Onze stelling is nu dat het hier om een register gaat dat opgesteld is in de loop van het ambtsjaar 1338-1339 en waarin om nog onverklaarbare redenen een drietal akten uit 1340 opgetekend zijn. Deze akten liggen chronologisch te gespreid om van een voortzetting van het register te kunnen spreken[94]. Bovendien komt een schepenregister steeds overeen met een bepaald schepencollege en aangezien de schepenbank in augustus 1339 volgens de normale gang van zaken gewisseld werd - en de akten van 1340 bijgevolg dus voor een ander corps werden gebracht dan die van 1339 - is het weinig waarschijnlijk dat de schepenen van 1339-1340 het register van hun voorgangers continueerden.

            Uit het voorgaande volgt een tweede stelling, namelijk dat het eigenlijke register voor het ambtsjaar 1339-1340 verloren is gegaan. Die stelling lijkt bevestigd te worden door een ‘losse akte’ van 23 maart 1340 (n.s.) die vermeldt dat ze opgenomen werd in het schepenregister,  maar ze wordt niet teruggevonden in de groep akten van 1340 die in het register mei1339 - augustus 1339 opgetekend werden[95]. Deze akte stond dus vermoedelijk in het niet-overgeleverde register 1339-1340.

 

            Het oudst bewaarde register blijft natuurlijk wegens haar onconventionele aanvang en het feit dat er een drietal ‘verdwaalde’ akten in opgenomen werden een uitzonderlijk geval[96]. In tegenstelling tot Ph. Lardinois die meende hiervoor geen verklaring te kunnen vinden in de socio-politieke situatie van Gent op dat moment, menen wij te mogen stellen dat Gent op dat ogenblik in een erg turbulente periode verkeerde - denken we maar aan het uitzonderingsregime onder Jacob van Artevelde - waardoor de lokale politiek (en dus ook de administratie) verwikkeld raakte in grotere internationale spanningen en het dus niet ondenkbaar is dat hieruit enige onregelmatigheden in de stedelijke administratie voortvloeiden.

Met de historische context die we in het vorige hoofdstuk schetsten in ons achterhoofd, kunnen we samenvatten dat dit register tot stand kwam onder het eerste schepencollege waarop Jacob van Artevelde rechtstreeks invloed kon uitoefenen, en dat bovendien sedert begin 1338 een nieuwe garde stadsklerken aan de slag was[97].

We vinden echter in de literatuur geen enkele aanwijzing van bijzondere gebeurtenissen rond 20 mei 1339 die doorslaggevend konden zijn om te beginnen met een nieuw register; de bronnen zwijgen heel frustrerend over deze periode. Het feit dat er een nieuw register werd begonnen kan echter op zich beschouwd worden als indicator voor mogelijke veranderingen kort voor het tijdstip van aanvang.

Het is uiterst moeilijk om aan de hand van de registers de invloed van de politieke omstandigheden op de stadsadministratie te meten, daar de registers voor de meest cruciale jaren niet bewaard zijn gebleven. Zo zouden de registers van 1337-1338 en van 1344-1345, respectievelijk de jaren waarin Jacob van Artevelde de macht overnam en hem weer afstond, heel interessant geweest zijn om breuken, dan wel continuïteit van de administratie aan te tonen.

 

Het volgende register dat bewaard is gebleven kwam eveneens tot stand tijdens het bewind van Jacob van Artevelde. Het gaat om het register 1343-1344. Voor deze periode spreekt men reeds van een daling van het aanzien van Jacob van Artevelde. Het daarop volgende overgeleverde register, dat van 1345-1346, dateert van kort na de val van en de