Historische stront op Vlaamse grond. Een inleidende studie in de historische faecologie. (Bruno Debaenst)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

 

Wel hoe, Mijnheer!

Is het te begrijpen dat er schrijvers zijn,

die de onbetwistbare weldaad van den mest

in den Landbouw naar verdiensten niet schatten?[41]

 

J.L. Van Aelbroeck

 

HOOFDSTUK 2: Mest en Bemesting in de oude Vlaamse landbouw. Een kwalitatief overzicht.

 

2.1 De Vlaamse landbouw door de ogen van de tijdgenoten

 

We hebben reeds in de inleiding aangehaald dat onze oude Vlaamse landbouw geroemd werd door talloze buitenlandse bezoekers. In dit hoofdstuk zullen we ze uitgebreid aan het woord laten. De landbouw waarover ze berichtten aan het thuisfront was deze die in de 18de eeuw beroemd was geworden onder de naam Culture flamande en die in de eerste helft van de 19de eeuw zijn grootste bloei bereikte.[42] Weinigen spaarden hun superlatieven om de vele verbeteringen aan te duiden die men bereikt had in Vlaanderen. Zo beweerde de Engelsman J. Shaw in 1788:

 

“L’agriculture fleurit dans le Brabant et dans le Hainaut, mais c’est surtout dans la Flandre où cet art a été porté à la perfection. C’est-là que furent les premiers améliorations.”[43]

 

Iets verder lezen we:

‘La Flandre devint le pays de L’Europe le plus fertile et le mieux cultivé, et elle l’est toujours, quoique beaucoup de nations aient suivi son exemple.[44]

 

Ook De Candolle zei onomwonden waarop het sloeg:

J’ai traversé le Pays de Waes, qui paraît la partie la mieux cultivée de toute la Flandre et par conséquence du monde entier.[45]

 

Een van de zeldzame inlandse commentarenluidde:

 

Geen provincie ken ik, welke zoo veel werkzaeme en iverige landsliden in zig bevat, dan Vlaenderen; geen provincie weet ik, waer den landbouw zoo ten toppunt van zyn volmaektheid schynt te naderen, dan in het zelve; want de kwaedste en onvrugtbaerste gronden worden door den onvermoeielyken iver tot zeer vrugtbaere landen gebragt; zoo dat men waerlyk van deze lieden wel mag zeggen: dat zy hunnen bezeten rykdom, niet dan in hun zweet huns aenschyn hebben verkregen.[46]

 

Het zijn slechts enkele voorbeeldjes uit een lange rij gelijkaardige one-liners waarin binnen- en buitenlandse auteurs de loftrompet afstaken op de Vlaamse landbouw. Liever dan ons te verzuchten in spetterende herhalingen loont het de moeite om in een beknopt overzicht de meest in het oog springende kenmerken op te sommen die de agronomen opgevallen waren en die de Vlaamse landbouw maakten tot wat ze was.

 

1. De grote vruchtbaarheid en hoge opbrengsten.

 

C. Viry, de prefect die toegewezen was aan het Departement van de Leie (ongeveer het huidige West-Vlaanderen) schreef in het verslag dat bestemd was voor zijn patrons in Parijs dat de natuur weinig gedaan had voor het gebied, maar hij voegde eraan toe: ‘Mais aujourd’hui ce même département est un des plus fertiles de la République, un de ceux qui offrent les plus de ressources en tout genre.’[47]

 

De grote vruchtbaarheid en hoge opbrengsten kunnen zonder meer als de belangrijkste verwezenlijkingen naar voren geschoven worden. Op van nature arme gronden slaagden de Vlaamse boeren er in om jaar na jaar een uitgebreide reeks gewassen rijke oogsten voort te brengen. In deze simpele vaststelling schuilde de essentie van de bewondering van de buitenlandse agronomen. Immers mag het behalen van zo groot mogelijke oogsten, zowel kwalitatief als kwantitatief, als het ultieme doel van de landbouw beschouwd worden.

 

Samen met de bewondering voor deze prestatie groeide bij de agronomen natuurlijk de interesse voor de details van hoe de Vlamingen het precies voor elkaar kregen, te meer omdat er een aantal eigenaardigheden aan vast zaten die de logica schenen te tarten, zoals het feit dat de braak hier zo goed als onbekend was of het gegeven dat er meer vruchtwisselingsstelsels leken te zijn dan dat er boeren rondliepen …

 

2. het afschaffen van de braak

 

Les champs de la Flandre ne réposent jamais; leur sol est si fertile qu’il paye toujours avec usure les travaux du fermier’, beweerde J. Shaw zonder schroom na zijn rondreis in de Oostenrijkse Nederlanden.[48] Derival was iets genuanceerder: ‘Les cultivateurs flamands laissent rarement reposer leur tenure.’ Hij voegde er ook aan toe hoe het kwam: ‘Et la terre, sans avoir besoin de repos, répare aisement ses forces épuisées, par l’abondance et diversité des engrais que l’on y incorpore.[49] Dat de boeren elders wel hun gronden braak lieten liggen was volgens hem te wijten aan de bodemkwaliteit en een gebrek aan mest.

 

Het braken vloeide van oudsher voort uit twee grote motivaties. Bij het braken werd de grond een aantal keren geploegd en geëgd waardoor de wildgroei aan onkruid tegengegaan werd, wat het daaropvolgend jaar het gewas ten goede kwam. Zelfs de moeilijk te verdelgen wortelonkruiden moesten het bijltje erbij neerleggen. Een ander doel van het braken was om de grond weer op krachten te laten komen. Door de vele bewerkingen werd de bouwvoor luchtiger, wat de mineralisatie van de organische stof bevorderde, waardoor voedingselementen vrijkwamen voor de gewassen die na de braak werden verbouwd. Dit was vooral belangrijk bij laaggelegen, slecht ontwaterde percelen.[50] Bij de monocultuur van granen zoals die oorspronkelijk voorkwam met een zomer- en een wintergewas werden zoveel voedingsstoffen aan de grond onttrokken dat de bodem uitgeput raakte en verschraalde. Het braken moest dit helpen verhelpen. Tijdens het braakjaar werd vroeger ook meestal de stalmest ingebracht. Deze bemesting kwam niet alleen de eerstvolgende vrucht ten goede, maar ook de daaropvolgende in de vruchtopvolging.

 

Wanneer men dit zo leest zou men kunnen denken dat de braak niks dan positieve gevolgen met zich meebracht. Toch waren er ook minder positieve gevolgen, zoals het feit dat de braak een volledig verloren jaar met zich meebracht tijdens de welke er geen gewassen geteeld konden worden. In een landbouwstelsel waar de hoeveelheid grond geen echt probleem vormt kan men zich dit veroorloven. Maar in Vlaanderen waar de meeste bedrijven klein van omvang waren betekende het braak laten liggen van een stuk grond een relatief veel grotere last. Door het braakjaar af te schaffen kon men een extra oogst in de wacht slepen. Hierin schuilt waarschijnlijk de verklaring waarom de braak al vroeg verdween bij ons: reeds van in de veertiende eeuw werd in Vlaanderen de braak met voedergewassen zoals bonen en vitsen beplant.[51]

Het was het begin van een evolutie die ertoe zou leiden dat rond 1800 de braak virtueel niet meer bestond en plaats geruimd had voor voeder- en handelsgewassen. Zeldzame uitzonderingen waar de braak wel nog voorkwam waren de enkele zeer slechte gronden waar het de moeite niet loonde om overvloedig te bemesten of op de polders waar het braken het middel bij uitstek bleef in de strijd tegen het onkruid.

 

3. De schijnbaar willekeurige vruchtopvolgingen

 

Een ander typisch kenmerk van de Vlaamse landbouw waren de schijnbaar willekeurige vruchtopvolgingen. De meest verscheiden gewassen volgden elkaar op. Het kwam zelfs voor dat eenzelfde gewas meerdere jaren na elkaar verbouwd werd. De gewaskeuze werd eerder bepaald door de noden van de landbouwer alhoewel bepaalde agrarische wetmatigheden niet met de voeten getreden konden worden. De landbouwer moest ook een evenwicht zoeken tussen de mestproduktie enerzijds en anderzijds de produktie van de voedergewassen, vooral klaver, haver, rapen (knollen en loof) en wortelen voor het vee dat de mest moest leveren. Het kwam erop neer dat binnen het stelsel gestreefd werd naar een vruchtwisseling, waarbij de verbouw van de grond voor ongeveer de helft uit granen bestond, voor ongeveer een derde uit gewassen die in het algemeen door een overmatige bemesting en beploeging de bodem verrijkten en voor ongeveer het resterende vijfde door klaver.[52] Voor het overige kon de boer kiezen welk gewas op welk ogenblik voor hem het best uitkwam. Tussen de verschillende boeren kwamen er ook grote verschillen voor volgens de grootte en ligging van het bedrijf en de kwaliteit van de gronden.[53]

 

4. het verbouwen van handelsgewassen in de vruchtopvolging

 

Samenhangend met het verdwijnen van de braak verschenen felkleurige handelsgewassen zoals vlas of koolzaad op de velden. Deze verandzade vruchten betekenden een grote rijkdom voor het Vlaamse land. Daartegenover stond dat deze rovende vruchten een zware tol eisten van de bodemvruchtbaarheid en gecompenseerd moesten worden met een navenante bemesting. De Vlaamse boer wist deze gewassen ogenschijnlijk zonder problemen te integreren in zijn vruchtopvolging.

 

5. grote veestapel op stal gevoederd

 

De Vlaamse boer was in het bezit van veel vee. Hij had wel niet veel weiden ter beschikking waardoor hij voedergewassen moest inpassen in zijn vruchtopvolging. Het voordeel van de voedergewassen was dat ze op stal gevoederd konden worden waardoor de mest beter verzameld kon worden waardoor ook de hoeveelheid toenam.[54]

 

J.N. Schwerz schatte het aantal stukken hoornvee voor Oost-Vlaanderen op 110.000 stuks.Hij beweerde voorts: ‘De mest die deze verzameling vee levert, is de basis van de akkerbouw alhier, en door deze kan deze zandige, door de natuur onvruchtbare bodem tot een bewonderingswaardige vruchtbaarheid gebracht worden’.[55] Het gemengde akkerbouw-veeteeltbedrijf vormde een ideale symbiose: de akkerbouw leverde het voedsel voor het vee dat op zijn beurt instond voor de broodnodige mest.

 

6. nateelten en vooral klaver als nieuwigheid

 

M. Faipoultnoemde de klaver net als de rapen en wortels het belangrijkste objekt van de Oost-Vlaamse landbouw.[56] J.N. Schwerz zei over de klaver: ‘Dieses futterkraut ist der Triumph der Belgischen Cultur.’[57] De rapen en wortels werden hoofdzakelijk als nateelten in de vruchtwisseling ingevoegd. Dit betekent dat ze in een ander gewas gezaaid werden. Na de oogst van dat gewas werd het veld bedekt door deze navruchten die nog gedurende een bepaalde periode het voedsel konden leveren voor het vee. Op deze manier werd het totale beschikbare areaal vergroot en konden de boeren de grondproduktiviteit gevoelig opvoeren. De rapen konden op verschillende manieren gekweekt worden: dun gezaaid dienden ze als knol voor menselijk en/of dierlijk gebruik en dicht gezaaid werden de bladeren als loof aan de dieren gevoederd.[58]

 

De klaver bekleedde een speciale plaats binnen het geheel van de voedergewassen. Enerzijds was het net als de wortels en de rapen een groenvoeder dat in een ander gewas gezaaid werd en na de oogst ervan dienst deed als veevoeder. Anderzijds hielp ze ook bij het in stand houden van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem. Haar eigenschap om stikstof te binden was van levensnoodzakelijk belang in de traditionele landbouw.

 

7. grote arbeidsinzet op kleine bedrijfjes.

 

Het succes was in grote mate ook te danken aan de grote arbeidsinzet en dan vooral op de kleine pachthoven. Volgens Derival waren de landbouwers er ‘très labourieux’.[59] Ook J. Shaw erkende dat de vruchtbaarheid onder andere te danken was aan de ‘travaux du laboureur, qui prodigue son industrie et sa sueur à ces champs, qu’il a par son travail soumis à son empire’.[60] Dit was vooral het geval op de kleine bedrijfjes waar het werk gedaan werd door de boer met zijn familie. Hij deed dit met de grootste zorg: ieder stukje werd met het gepaste gewas bedacht en met zorg bemest en bewerkt. Een andere tijdrovende bezigheid was het wieden van de velden. De mentaliteit zou misschien nog best samengevat kunnen worden met de woorden van Van Aelbroeck: ‘De menschen hebben twee handen en tien vingeren en krachten om te werken, en als zij dagelijks hun noodig voedsel ontvangen, zij kunnen dagelijks hun werk verrichten.’ [61]

 

Een erg bloeiende discussie onder agronomen was of het nu de kleine, dan wel de grote uitbatingen waren die het meest te verkiezen waren. Volgens de ene waren het de kleine omdat deze het meest inspanningen konden besteden aan hun land dat ze bovendien het best kenden. Vlaanderen met zijn vele kleine uitbatingen werd vaak als type-voorbeeld genomen door deze groep.[62] Voor de anderen moesten de uitbatingen minstens een zekere omvang hebben, wilden ze succesvol genoemd worden. Voor de nodige verbeteringen en investeringen was namelijk voldoende kapitaal vereist, hetgeen enkel de grotere boeren konden opbrengen.[63]

 

Het is erg belangrijk om binnen het discours de arbeidsinzet van de arbeidsproduktiviteit te onderscheiden. Vlaanderen werd gekenmerkt door een lage arbeidsproduktiviteit die gecompenseerd werd door een hogere arbeidsinzet: door veelvuldig te wieden en veel tijd te steken in de zorg voor de meststoffen verkreeg de boer goeie resultaten.

 

8. enorme aandacht voor de mest en bemesting:

 

Het is al een paar keer aan bod gekomen, maar centraal in de Vlaamse landbouw stond de mest en de bemesting. Ongeacht de impakt van de andere factoren onderscheidde de Vlaamse boer zich in het bijzonder door zijn grote zorg om te bemesten,aldus J. Sinclair.[64] Het verleidde J.N. Schwerz zelfs tot de volgende plastische vergelijking: ‘De Mest zelf bekleedde de rol van een godheid (bij de Klassieken): ‘Pitumnus sterquilinus, stercutius.’ Wanneer er een verering voor hem zou gevoerd worden, dan zou de rol van de priester ontegensprekelijk aan de Vlaming toekomen, of toch ten minste het predikaat van zijn voornaamste vereerder.’[65]

 

We hebben hier nu de belangrijkste kenmerken los van elkaar opgesomd. Dit is natuurlijk een kunstmatige constructie omdat alle factoren onverbrekelijk aan elkaar gekoppeld zijn. Om de zo geroemde hoge opbrengsten te verkrijgen moet de boer veel en afdoend bemesten. Die hoeveelheid kan hij maar op drie manieren verkrijgen. De eerste mogelijkheid is door veel mest te produceren op de hoeve, maar dit kan maar door er een grote veestapel er op na te houden, liefst op stal omdat op deze manier het minst van de geproduceerde mest verloren gaat. Om dit vele stalvee te kunnen voeden moeten er veevoedergewassen in de vruchtopvolging opgenomen worden, waardoor een tamelijk los vruchtwisselingssysteem vereist is en de braak niet in stand gehouden kan worden, wat dan weer zijn repercussies heeft op de mate waarin de grond bemest en bewerkt moet worden.

 

Een tweede mogelijkheid om de nodige meststoffen in de grond te krijgen is door deze aan te schaffen van buiten de hoeve. Dit vereist echter het nodige kapitaal. Hiervoor moet de boer goederen aanbieden op de markt. Handelsgewassen zoals vlas of koolzaad liggen het meest voor de hand. Daartegenover staat dat net die gewassen de grootste mestverslinders zijn. Ze vragen niet alleen het meest, maar bovendien verdwijnt een groot deel van die meststoffen samen met de gewassen.

 

Een derde mogelijkheid om de vruchtbaarheid van de grond op peil te houden is door landbouwkundige innovaties zoals het gebruik van klaver als groenbemester. Ook deze plant moet een plaats krijgen in het vruchtwisselingsstelsel.

 

Behalve de bemesting spelen natuurlijk ook nog het vruchtwisselingssysteem en de arbeidsinzet een determinerende rol. Vooraleer dieper in te gaan op de verschillende mestsoorten zoals die in Vlaanderen voorkwamen, kunnen we besluiten met de woorden van J.N. Schwerz:

 

Wat in dit schoon land het meest de aandacht vraagt en vooral in de landbouw van de pachthoeves te bespeuren valt, is behalve de kunst waarmee men hier de akker ploegt, de buitengewone hoeveelheid mest die men uitvoert en de vruchtopvolging die men gebruikt. De grondbewerking, de mest en de vruchtopvolging zijn ontegensprekelijk de grote hefbomen van elke goede Landbouw; en hier precies vindt men ze alle drie op z’n best verbonden, en het loont de moeite ze met aandacht te bestuderen.[66]

 

 

2.2 De verschillende gangbare meststoffen in Vlaanderen

 

‘Wij gaan spreken over alle soorten van mest, die de Vlamingen den God van den Landbouw noemen’[67]

 

Wat hier volgt is een opsomming van alle mogelijke meststoffen die voorkwamen in het Vlaanderen van voor de kunstmestrevolutie. Onmiddellijk zal duidelijk worden welke exuberante verscheidenheid er bestond in de ‘Vlaamschen meschkeuken’.

 

2.2.1 Van dierlijke origine

 

We geven nu eerst de meststoffen van dierlijke oorsprong. Niet alleen betreft het de oudste meststoffen, ook zijn het de meststoffen die het grootst in aantal aanwezig waren en aldus de basis vormden van de bemesting in de landbouw. Iedere boerderij had in wezen een aantal dieren lopen die instonden voor de produktie van de dierlijke meststoffen.

 

1. de mest van het gevogelte

 

a. duivenmest

 

We beginnen met de duivenmest, omdat deze volgens Olivier de Serres ‘de eerste en de beste van alle meststoffen is’.[68] In het Ancien Regime was het houden van duiven een feodaal voorrecht dat enkel voorbehouden was aan herenhoeven.[69] Die waren in het bezit van een duivenhok met een paar honderd duiven die zich voedden met wat de omgeving te bieden had, vaak tot de ergernis van de omwonende boeren die hun oogsten geplunderd zagen worden door de vreetzuchtige groepen duiven van de heer. Op die manier verkreeg de eigenaar van de duiven op een relatief gemakkelijke manier en ten nadele van anderen een hoeveelheid sterke meststof. Na de Franse revolutie werd dit feodale voorrecht afgeschaft en kwam er waarschijnlijk een toename van het aantal duiven, doordat ook de gewone boeren op deze manier een graantje wilden meepikken.[70]

De boeren haalden deze meststof uit Frankrijk, vooral uit Artesië. In de omgeving van Arras waren er vele pachthoeves met grote duiventorens, die de mestproductie van hun duiven verpachtten aan de meestbiedenden.[71] Grote afnemers waren de landbouwbedrijven van Rijsel, die deze duivenmest het jaar door gebruikten. Vaak sloten ze reeds van drie jaar tevoren verdragen af met de ‘duivenmelkers’ om zich te verzekeren van de mest. In het voorjaar, vooral februari en maart, trokken ze er dan met de wagen heen om de duivenmest naar huis te transporteren. Een duivenkot van zo’n 4 à 500 duiven werd rond 1800 gewoonlijk voor zo’n 72 à 80 frank verpacht. De mest hiervan volstond om een halve bunder te bemesten. Halverwege de negentiende eeuw werd de mest van 600 à 650 duiven verpacht voor de duur van een jaar of meerdere jaren voor de som van 100 frank, ieder jaar te betalen. Voor die prijs had je toen ongeveer een wagen ‘colombine’.[72]

 

De duivenmest werd over het algemeen aangewend voor het telen van het vlas, een gewas dat als geen ander een sterke bemesting vraagt voor een evenwichtige en gelijkmatige groei. Waar duivenmest voor handen was, werd hiervan gebruik gemaakt voor gerijsd of geraamd vlas dat een zeer fijne draad geeft te kweken.[73] Voor een hectare vlasland volstonden in het begin van de negentiende eeuw ongeveer twee grote voeren duivenmest, die elk zo’n honderdtwintig frank kostten.[74] Vergelijkbare cijfers vonden we voor het midden van de negentiende eeuw, toen er in Vlaanderen ongeveer 2000 kg per hectare gebruikt werd.[75] Vooraleer de duivenmest op het land te brengen verpletterde men de droge klonters tot men een soort fijn poeder verkreeg. Om de meststof te verspreiden koos men een kalm ogenblik, liefst een beetje vochtig maar niet regenachtig. Soms werd ze bedekt door een egbeurt, maar meestal liet men ze zonder voorbereiding op het oppervlak liggen. De duivenmest werd pas nuttig geacht wanneer het niet lang na het zaaien regende. Bij voortdurende droogte bleef ze onwerkzaam of verbrandde ze zelfs de gewassen. Vaak ook werd de duivenmest met water vermengd in de gierkelder geworpen, om een krachtig en gemakkelijk te verdelen mengsel op de akkers te kunnen brengen.[76] Op die manier voorkwam men het droogterisico. Een andere manier was om ze met aarde of humus te vermengen.

 

Tegenover het voordeel van dat duivenmest een zeer krachtige meststof was stond het nadeel dat het slechts in beperkte mate beschikbaar was. Zoals eerder gezegd werd de duivenmest vooral vanuit het Franse ingevoerd. Waarschijnlijk was het vooral in Zuid-Vlaanderen een courant voorkomende meststof en behielp men zich elders met stadsmest.[77] Alhoewel ook elders waar de duivenmest voorradig was, men deze gebruikte. Zo vinden we in de boedelbeschrijving van Marie Willems uit 1730 te Maldegem de vermelding ‘item twee voeren duyvemesch ende asschen’, ter waarde van £ 2-6-8.[78]

 

b. mest van het pluimvee op de boerderij

 

Een gelijklopend verhaal kan verteld worden van de mest van het pluimvee op de boerderij. Op iedere hofstede liepen er wel wat kippen en een haan rond, die naast het dagelijkse eitje ook af en toe een gebraden hoentje opleverden. De waarde en hoeveelheid mest die de dieren voortbrachten moet niet overdreven worden. In het beste geval was er een vaste plaats waar de dieren overnachtten, zodat de mest die ‘s nachts geproduceerd werd gemakkelijk verzameld kon worden. Over het algemeen waren er slechts een tiental hoenders aanwezig. Hiervan kunnen wij heel wat voorbeelden geven uit de staten van goed van het ambacht Maldegem: uit de boedelbeschrijving van Jan Valcke uit 1692 ‘vyfthien hoenders metten corperael’ , bij Jan Sienens in 1730 waren er 11 hoenders en 1 haan, ter waarde van £ 0- 8-0, en in hetzelfde jaar bij Gillis Boecaert 6 hoenders, ter waarde van £ 0-4-0.[79]

 

De pluimveemest werd op dezelfde manier behandeld als de duivenmest. Gezien haar geringe hoeveelheid vond ze waarschijnlijk vooral een toepassing als meststof van het moestuintje.

 

c. de guano

 

Volledigheidshalve betrekken we ook de guano bij dit overzicht van de gebruikte meststoffen. Voor een duidelijke definitie laten wij H. D. Hauw aan het woord:

 

‘Den Guano komt voor van den drek van eene groote menigte zeevogelen, dewelke by voorkeur rotsen uitkiezen om aldaer hunne eijeren, in volle rust en vervolgens ook hun mest, neder te leggen’.[80]

 

Guano, of huano zoals de Peruvianen het noemen, is dus de naam voor de opeenhoping van excrementen en overblijfselen van zeevogels, vooral pelikanen en zeeraven.[81] De geografische verspreiding bestrijkt de kusten van Peru, Bolivië en Chili en eilanden in de Grote oceaan, de Indische oceean, de Rode zee en de Atlantische oceaan. In Peru en Bolivië bediende men zich reeds eeuwen van deze vogelmeststof om de zandige bodems van de kusten te bemesten.[82] Men vond de guano in overvloed op verschillende eilanden in de Stille Oceaan, waar sommige lagen een breedte van meer dan 20 meter bereikten, het resultaat van duizenden jaren vogelijke aanwezigheid en excrementatie. De guano werd er gewonnen in groeven zoals ijzererts.

 

De samenstelling van guano is tamelijk ingewikkeld: ze bevat calciumfosfaten, ammoniumfosfaten en talrijke andere zouten.[83] Ze bevat dus zowel stikstof, fosfaat als kali, wat haar tot een heel volledige meststof maakt.[84] De tijdsgenoot kon dan ook terecht het volgende stellen: ‘Den Guano is een der krachtigste meststoffen; men kan daeraen niet meer twyfelen. Het is zelfs eene volledige meststof, het is te zeggen dat hy aen de planten alle de voedzels verschaft die zy noodig hebbn om hunnen ganschen groeikring te doorloopen; bovendien doet den Guano spoedig zyne uitwerksels.’[85]

 

Er worden twee soorten guano onderscheiden.[86] De eerste is de guano die voorkomt in de droge streken, waar atmosferische neerslag bijna volledig ontbreekt. Het is vooral hier dat de grootste voorraden zich bevinden. De andere soort is deze van de vochtige landstreken, waarvan de kwaliteit minder goed is doordat er uitspoeling opgetreden is. De guano uit de droge streken wordt beschermd door vervluchtiging en blootstelling aan de zon doordat er zand opvliegt die meegevoerd is door de wind, wat haar opmerkelijk goede kwaliteit verklaart.

 

Er worden bij de guano uit de droge streken drie soorten onderscheiden: de zeldzame witte guano, de stikstofrijke grijskleurige en de roodachtige die het meest voorkomt in de handel. Die laatste is oranjegeel, gemengd met witte en grijsachtige stipjes. Het lijkt een beetje op koffie vermengd met melk. Ook heeft het een sterke reuk die te vergelijken is met de geur van watervogels. De reuk neemt toe met de vochtigheidsgraad. De guano heeft een frisse en weinig sterke smaak, die doet denken aan de smaak van salpeter.

 

De eerste die de guano in Europa introduceerde was de vermaarde reiziger De Humboldt.[87] Hij had de bemestingswaarde van de guano leren kennen bij de inwoners van Peru die er zelfs in de slechtste gronden goede oogsten mee konden verkrijgen. In 1840 vertrok de eerste scheepslading richting Engeland. De organisatie stond onder de auspiciën van een multinationale maatschappij met zetel te Lima, die het monopolie op de guano-explotatie in handen gekregen had. Van 1841 tot 1844 werd reeds meer dan 30.000 ton verscheept naar Engeland.

 

De uitzonderlijke waarde van de guano werd al vlug duidelijk aan de landbouwers doorheen heel Europa. Praktijkervaring wees uit dat een hoeveelheid van 350 à 400 kg volstond om een hectare een volledige bemesting te geven. En aan de prijs van zo’n 28,5 frank voor 100 kg in 1847 kwam men aan een totaalprijs van zo’n 114 frank, wat aanzienlijk minder was dan de prijs van om het even welke andere meststof op dat ogenblik.[88]

 

De aanvoer van guano naar Europa bereikte in de periode 1850-’70 haar hoogtepunt, toen er jaren waren dat er zo’n half miljoen ton van deze meststof naar hier werd overgebracht.[89] Als we aannemen dat er zo’n halve ton per hectare gestrooid werd, dan komen we aan het verbluffende getal van zo’n miljoen Europese hectaren die dankzij de guano sterk bemest konden worden. Onze gewesten waren niet achtergebleven in de nieuwe rage. De eerste vermeldingen van guano bij ons dateren van rond 1845.[90] In Zeeland waren er reeds experimenten met guano rond 1843.[91]

 

Helaas waren er ook schaduwkanten aan de guanohandel. Na een paar decennia waren de rijkste guanobronnen opgedroogd en moest er noodgedwongen op zoek gegaan worden naar nieuwe voorraden, bijvoorbeeld in Afrika.[92] Hierbij begon men de guano van mindere kwaliteit te ontginnen, wat een sterke achteruitgang betekende voor de waarde van het produkt.[93] Niettemin bleef de vraag zodanig groot dat de prijzen constant bleven. De boeren hadden dus minder meststof voor hun geld, wat de guano minder profijtig deed uitdraaien.[94] Daarenboven waren er heel wat malafide handelaars op de markt die erin slaagden de guano te vervalsen.[95] De minderwaardige produkten ten gevolge van uitputting van de voorraden of vervalsing zorgden ervoor dat de guano minder aantrekkelijk werd voor eventuele kopers. Niettemin is de guano nooit volledig van de markt verdwenen. Ook vandaag wordt de (goede) guano nog steeds geroemd voor zijn rijke samenstelling en positieve eigenschappen voor de ontwikkeling van de plant en worden er nog steeds tonnenladingen van het spul naar Europa en andere afzetgebieden getransporteerd.

 

We hebben de guano hier niet enkel voor de volledigheid besproken - tenslotte komt ze nog net voor de doorbraak van de kunstmeststoffen en mag ze als dusdanig nog tot de ‘oude’ meststoffen gerekend worden - maar ook omdat ze een aantal frappante ontwikkelingen toont die typerend kunnen genomen worden voor de veranderingen die zullen leiden tot hèt grote scharniermoment in de geschiedenis van de bemesting, met de ontwikkeling en verspreiding van de kunstmeststoffen. Hierin is de guano het kind van twee systemen, dat zowel gekenmerkt door continuïteit met het verleden als door nieuwe tendenzen die ingrijpende veranderingen aankondigen.

 

Enerzijds is er continuïteit, doordat ze aansluit bij de traditionele meststoffen. Guano is immers een natuurlijk produkt, dat zonder al te veel verwerking in originele vorm aan de consument verkocht wordt. Vanuit deze optiek bekeken is er niet veel verschil met andere, inheemse meststoffen zoals kalk of mergel, die reeds eeuwen gebruikt werden.[96] Echt nieuw mag de guano ook niet genoemd worden. In Europa was ze dan wel onbekend, maar in Zuid-Amerika werd ze reeds eeuwen ingeschakeld in de landbouw.

 

Daar staat tegenover dat de guano een voorafspiegeling biedt van het nieuwe era van de kunstmeststoffen die enkele decennia na de doorbraak van de guano hun plaats zullen opeisen binnen het bemestingsstelsel. Als nieuwe elementen wijzen we bijvoorbeeld op het internationaal karakter. Voor het eerst worden meststoffen van buiten Europa naar het Oude continent gebracht om ingeschakeld te worden in het boerenbedrijf. Buitenlandse bronnen worden aangeboord om het eeuwenoude probleem van tekort aan mest te omzeilen. Deze schaalvergroting is kenmerkend voor de internationalisering van de landbouw. Opvallend is ook de vlugge verspreiding die de guano kenmerkt: binnen de 10 jaar heeft de vogelmest zich verspreid over de belangrijkste landbouwgebieden van Europa, zijnde Engeland, België, Nederland en Duitsland. Het gemak waarmee deze meststof kon binnendringen in de verschillende stelsels is een indicatie voor de ontwikkelingsgraad van de landbouw. Blijkbaar was er een wijdverbreide markt die genoeg ruimte bood voor de aanschaf van deze extra meststoffen. Het is niet voldoende om een voldoende aanbod te hebben van nieuwe, supplementaire meststoffen, ook de vraag moet hierin willen volgen. Grote delen van West-Europa bevonden zich halverwege de negentiende eeuw blijkbaar in een dermate situatie dat er grote vraag was naar nieuwe meststoffen. De ontwikkeling van de kunstmeststoffen gebeurden in dat gunstig klimaat en waren het antwoord op de nieuwe, wijdverbreide vraag. Het is in deze fout aan de kunstmeststoffen de voorttrekkersrol te geven: ze werden ontwikkeld door een combinatie van wetenschappelijke expertise en vraag vanuit de landbouw.

 

2. De paardenmest

 

Volgens Schwerz werden de paarden uitsluitend (ausschlieslich) voor de landbouw ingezet.[97] Dit mag wat overdreven genoemd worden als we bij Faipoult lezen dat er toch nog meer dan 2.000 (iets minder dan tien procent van het totale aantal) paarden buiten de landbouw actief waren.[98]

 

In het eerste geval werden de paarden gebruikt om het land te bewerken (ploegen, eggen, …) en om goederen (oogstgewassen, meststoffen) te transporteren van en naar de hoeve. Slechts weinig factoren hingen zo nauw samen met de oppervlakte van een agrarisch bedrijf als het aantal paarden. De kleine bedrijfjes hadden meestal geen paarden, in tegenstelling tot de grotere die het zich wel konden veroorloven. Paarden konden wel veel werk verzetten, maar moesten ook gevoed en onderhouden worden, waardoor ze pas vanaf een bepaalde oppervlakte rendabel werden. Vaak gingen de grote boeren werk gaan verrichten bij de kleintjes die hiervoor betaalden en in ruil hiervoor bijvoorbeeld ook hielpen op de drukste momenten (zoals bij het binnenhalen van de oogst).[99] Van deze onderlinge solidariteit zijn veel overblijfsels bewaard in de boedelbeschrijvingen. Deze onkosten werden dan ingeschreven bij de kommeren of de baten, naargelang de situatie of er betaald of geïnd moest worden. Enkele voorbeelden:

Bij de baten van de boedelbeschrijving van Marie Verstrenghe, overleden op de 21ste november 1691 staat: ‘ten laste van Jan Moens 2 pond en seven schellingen over labeur en peirdewerck’. Ook Guilliame De Wulf en Pieter Kerckhof moesten nog betalen voor labeur en peirdewerck, terwijl Pieter Maeckaert nog 10 schellingen moest betalen voor een ‘waghen vreght’.[100] Bij Lievynne Van Rie, overleden in 1692 staat bij de kommeren: voor 3 £ 6 sch. schulden aen peerdewercke en labeur.[101]

 

De dieren werden dus niet in de eerste plaats gebruikt als mestleverancier. Toch kon hun mest wel naar waarde worden geschat. Van Aelbroeck beschrijft ze als een ‘drooge, doch warme en krachtige mest.’[102] Ze wordt bij voorkeur gebruikt op zware en natte gronden, doordat ze de grond meer dan de andere mestsoorten lichter maakt. De paardenmest heeft ook een snellere werking: de planten kunnen eerder van de voedingsstoffen genieten, maar het effekt is wel sneller uitgewerkt. Dat is een eigenschap die haar ongeschikt maakt voor bijvoorbeeld de bemesting van het vlas.[103]

 

De paarden die niet in de landbouw actief waren werden integraal ingezet in het transportwezen. Het merendeel van de wagens en karren werd door hen getrokken. De voortgebrachte mest kwam ofwel op straat terecht ofwel in de stallingen waar ze verzorgd werden. In het eerste geval werd deze in de steden verzameld door straatvegers (infra). Voor de mest die buiten de stad op de weg terecht kwam gaf P. Sencie aan de pagters, landmans en boeren de volgende tip: ‘Legt stroey op de groote wegen, en daer de beesten passeren, om alzoo Mest te maeken voor de zwaere en straffe landen.[104] Het verzamelen van mest langs de straten op het platteland was voorgehouden voor de ‘cleyne luyden’ die op die manier een beetje mest hadden voor in hun moestuintje of er een beetje geld mee konden verdienen.

 

De paardenmest die zich in de stallingen ophoopte werd verpacht aan geïnteresseerden. Zo is er het voorbeeld van Maximiliaen Van Damme uit Sint-Pieters, die de mest pachtte van de paarden van ‘den Coninck van Enghelandt’ gelegen in de heerlijkheid op het Eeckhaut. Hij gaf in de periode van 17 september 1743 tot 8 maart 1744 zeven groten per paard per week voor de mest van 21 (rij)paarden en 16 ‘bagagiepeerden’. Deze informatie werd ons overgeleverd doordat dezelfde mest blijkbaar ook aan Anthone Vande Walle uit Sint-Denijs verkocht werd, met de nodige problemen van dien.[105] De grootste paardenbezitter was wellicht het leger. De mest van deze dieren werd in Brugge tot in de huidige eeuw een keer in de week per opbod verkocht aan de meestbiedende.[106]

 

3. De rundermest

 

Voorwaar mag de rundermest als de belangrijkste meststof in de Vlaamse landbouw aanzien worden. Niet omdat ze vergeleken met de andere over superieure capaciteiten zou beschikken, maar wel omdat ze zonder twijfel het grootste volume uitmaakte. Dit werd in de hand gewerkt doordat het vee op stal gehouden werd en daar gevoederd. De kwantiteit werd niet alleen bepaald door de grote hoeveelheid uitwerpselen die de dieren produceerden maar ook door de eigenschap dat rundermest zich relatief gemakkelijk met grote hoeveelheden strooisel vermengd wat niet kan gezegd worden van bijvoorbeeld paardenmest.

 

De rundermest werd tot de koude mestsoorten gerekend. Dit betekende niet alleen dat ze niet zo hevig actief was als bijvoorbeeld paardenmest, maar ook dat ze langer bleef doorwerken.[107] Girardin beschreef ze als volgt: ‘Le fumier des bêtes à cornes, toutes choses égales d’ailleurs, est toujours moins actif, moins prompt à fermenter, plus aqueux, plus spongieux et plus apte à retenir l’humidité ambiante, à entretenir, par suite, plus de fraîcheur à la terre que le fumier de cheval et des bêtes à laine’.[108]

We zullen dieper ingaan op de eigenschappen van de rundermest bij de bespreking van de stalmest.

 

4. de schapenmest

 

De schapenmest beschouwde men tot de krachtiger mestsoorten: zes voeren schapenmest konden evenveel uitrichten als negen voeren andere mest.[109] Hierdoor was ze dan ook meestal voorbestemd voor de veeleisende gewassen, zoals de oliehoudende gewassen zoals rapen en koolzaad of de industriegewassen tabak of hennep. Ook voor de roggeteelt kwam ze veel in aanmerking. Soms werd ze ook bij de haver gebruikt. [110]

 

Vlas daarentegen was er niet voor geschikt doordat het gewas bij een schapenmestbemesting te snel zou opschieten wat niet naar de wens was van de vlasboer door het kwaliteitsverlies die dit met zich meebracht.

 

Schapenmest was relatief zeldzaam door het weinige aantal schapen dat gehouden werd in Vlaanderen, hetgeen men kan wijten aan de beperkte oppervlakte weiland en het ontbreken van de braak.[111] De schapenteelt was vooral een extensief bedrijf, wat niet te rijmen valt met het intensieve karakter van de Vlaamse landbouw. Stalvoeding zoals bij de runderen kwam te duur uit, zodat men enkel op de grote bedrijven waar de bodem van geringere waarde was schaapskudden kon aantreffen. Hier vormden ze een welkom antwoord op het proportionele grotere mesttekort.

 

5. de varkensmest

 

We ronden het rijtje af met de uitwerpselen van de varkens. Deze dieren werden in de eerste plaats gehouden als voedsel voor de mens. Hun mest werd maar weinig geacht en was zeer zeker bijkomstig. Veelal kwam ze gewoon op de mesthoop terecht bij de stalmest. Wanneer ze alleen gebruikt werden, moest er meer van gebruikt worden omdat ze geen krachtige meststof was. Soms werden ze gebruikt bij de wortels omdat de mollen een afkeer schenen te hebben voor de reuk van de varkensmest.[112]

 

Besluit dierlijke meststoffen

 

Deze dierlijke meststoffen bezaten elk hun eigen kenmerken die de Vlaamse boer naargelang de soort meer of minder wist te appreciëren. Men moet geen expert zijn om deze kennis te kunnen visualiseren: koeienvlaaien hebben zoals de naam het zegt het uitzicht van platte, vochtige taarten. Paardenmest is dan weer droog en luchtig, terwijl de schapenkeutels er erg geconcentreerd, droog en hard uitzien. Deze verscheidenheid is het gevolg van de verschillende spijsverteringsstelsels die deze dieren kenmerkt en het verschillend voedsel dat ze consumeren.

 

Over het algemeen rangschikte men de uitwerpselen van de planteneters op de volgende manier: de schapenmest werd het meest geappreciëerd, gevolgd door de paardenmest die op zijn beurt beter scoorde dan de rundermest. De varkensmest stond het laagst in aanzien.[113] Deze rangschikking was het gevolg van de praktijkervaring die de boeren opdeden met de verschillende meststoffen.

 

2.2.2 L’engrais flamand ofte Vlaamsch genoffel: de menselijke excrementen

 

De menselijke uitwerpselen werden gebruikt op alle plaatsen waar de landbouw ver gevorderd was, vertelt ons H. Heiden, een auteur die op het einde van de 19de eeuw een boek schreef rond het thema van de menselijke uitwerpselen.[114] Dit was reeds het geval in het oude China en Japan, waar de uitwerpselen zorgvuldig verzameld werden, niet alleen in ieder huis afzonderlijk, maar zelfs langs de wegen waar eveneens regelingen getroffen waren om de uitwerpselen van de reizigers te verzamelen. Het was zelfs verboden bij wet om de menselijke uitwerpselen weg te werpen.[115] De oosterlingen waren hiertoe verplicht omdat ze te weinig vee hadden om voor de nodige meststoffen te zorgen. De uitwerpselen werden er in hun natuurlijke vorm verzameld en in bedekte putten bewaard. In de omgeving van de grote steden werden de uitwerpselen gedroogd om vervolgens in de vorm van een soort koeken naar het platteland getransporteerd te worden.

 

Van de Europese landen, die de menselijke uitwerpselen het vroegst gebruikten, noemde Heiden België, Frankrijk en Holland, ‘von welchen sich in der allgemeinen Verwendung derselben vor Allem Belgien auszeichnete’. De gelijkenissen tussen China en onze gewesten mogen op zijn minst frappant genoemd worden. Beide regio’s werden gekenmerkt door een dichte bevolkingsdichtheid en een hoog ontwikkelde en intensieve landbouw die door een gebrek aan andere meststoffen overging tot het gebruik van de menselijke uitwerpselen. Blijkbaar zijn dit de factoren die het meest aanzetten tot het optimaal benutten van de menselijke uitscheiding, met de positieve gevolgen voor de vruchtbaarheid van de grond. Dit gegeven was ook de buitenlandse bezoekers niet ontgaan: ‘Telle est la fertilité de ces terres, laquelle est due non seulement à la richesse du sol, mais encore aux nombreux engrais qui fournissent les villes et villages, …’[116]

 

De menselijke beer was in de Nederlanden bij groot en klein bekend onder de naam van ‘Vlaemschen Genoeffel’.[117] Schwerz zag ze in Antwerpen in enige schepen op de Schelde gieten. Naast de mededeling dat dit een uiterst voordelige meststof was voor het vlas deelde hij zijn lezers ook mee dat deze substantie niet al te goed rook. Dat was ook de mening van R. Southey in 1815: ‘We trokken (met de trekschuit van Brugge naar Gent) voorbij enige schuiten die met buitengewoon walgelijken mest geladen waren. Blijkbaar wordt niets, waaruit men profijt kan trekken, in Vlaanderen verspild. Eer ik ontdekt had vanwaar de onverdraaglijke stank voortkwam, vermaakten de Vlaamse goudzoekers zich zeer toen ze zagen dat ik mijn neus dichtkneep’.[118] F. Girardin stelde het zo: ‘L’engrais flamand répand au loin une odeur infecte qui persiste pendant plusieurs jours, mais elle n’est qu’incommode et aucunement insalubre.[119]

 

We kunnen deze stank verklaren doordat de uitwerpselen in de omgevingslucht naast ammoniak ook geurstoffen vrijgeven. Deze veroorzaken voor zover gekend geen schade, maar geven alleen aanleiding tot stankhinder.[120]

 

Toch meende P.J. Van Bavegem op het einde van de 18de eeuw de oorzaak van heel wat ziekten te kunnen ontwaren in de uitwasemingen van de mesthopen en beerputten die overal op het platteland verspreid lagen. Grootste boosdoender was echter de schipmest, die de ergste vormen van dyssenterie en roodkoorts wist te verwekken. De effekten werden nog verergerd door de substantie overdag te vervoeren. De auteur had zelf aan de lijve de krachtige werking van de schipmest ondervonden en herinnerde zich nog levendig ‘toen in den omtrek, waer ik woon, schipmest wierd gelost, ‘t welk uitnemende stonk, hoe ik oogenblikkelyk dor pyn in de keel, en eenen scherpen hoeft wierd overvallen, en voor het overig alle teekens van een onderdrukte Uitwaesseming gevoelde; waer toe ik (zoo veel ik my te binnen breng) geen aenleidende oorzaek had gegeven: ondertusschen waeren deze toevallen onder het gebruik der noodige middelen geweken, of my andermael op die plaats bevindende, gevoelde ik wederom de zelve uitwerking, deze nu nogmaels gedaen zynde, wilde ik my voor de derde reize hier van verzekeren; en waerlyk de zelve toevallen hadden wederom plaets.’[121]

 

Ondanks deze minder positieve eigenschappen van de ‘menschendrek’ waren alle landbouwers die er mee werkten vol lof over haar goeie eigenschappen op de planten: ‘Nul cultivateur, dans le Nord, n’a remarqué que l’engrais flamand communiquat un mauvais goût aux plantes qui s’en nourrissent; tous, au contraire, se louent de son emploi.’[122]

 

In het volgende hoofdstuk gaan we dieper in op de organisatie in de steden die verantwoordelijk was voor de ophaling en verzameling van deze meststoffen en op de mesttransporten die het aroma produceerden waar de buitenlandse bezoekers hun neus voor ophaalden.

 

2.2.3 De meststoffen van niet-faecale oorsprong

 

1. De as.[123]

 

Bij verbranding blijft altijd een residu achter, de as. Deze stof, rijk aan pH-verhogende zouten van kalium, calcium en magnesium, kon een welkome aanvulling vormen voor de traditionele stalmest, die in het algemeen weinig gezegend was met de broodnodige minerale zouten. Ook bevatten ze een kleine hoeveelheid spoorelementen en fosfaat.[124] Vooral in zure gronden werkt de as sterk door. Dat hadden onze voorouders ook gemerkt en vanaf de 17de eeuw werd de bemesting met as een algemeen verspreid fenomeen.

 

Er werden verschillende assesoorten onderscheiden. De meest voorkomende was de turfas, die hoofdzakelijk uit Nederland ingevoerd werd en daardoor de naam ‘Hollandsche assche’ meedroeg. Andere assen kwamen voort van de verbranding van hout, steenkool, kaf en zaadstroo. We vonden ook nog zeep-as (het overblijfsel van de zeepziederijen) en de bleekers-as (als residu van het bleekproces).

 

De as werd hoofdzakelijk aangewend bij de klaver op het ogenblik dat die boven de grond begon uit te steken of zelfs nog vroeger. Men probeerde de asverstrooiing te doen tijdens nevelachtig, vochtig weer, met weinig wind, om te voorkomen dat de as teveel zou wegwaaien. Bestrooide klaver deed het merkelijk beter dan onbestrooide. Volgens Schwerz bedroeg het verschil al gauw een hele voet (ongeveer een derde van een meter). Vandaar het spreekwoord dat te lande gebruikt werd: ‘Wie as voor zijn klaver koopt, heeft ze gratis, wie ze echter achterwege laat, betaalt ze dubbel.’ Ook op magere weiden en vlas werd er as gestrooid. De kali die opgenomen werd in de klaver kwam via de vertering bij het vee in de mest terecht waardoor deze een rijkere samenstelling bezat.

 

In het Rijksarchief Gent zijn we op een ‘Notitie Boeck’ uit de jaren 1749-’50 gestoten waarin de aantekeningen van een ashandelaar neergeschreven zijn.[125] Per boerderij staan het aantal kuipen per levering vermeld samen met de kostprijs. Bijvoorbeeld:

 

 Verschueren van ‘t hof te Landeghem debit van 60 cuypen asschen

ten jaere 1749 tot gulden: £ 19-0

debit den selven van 32 cuypen asschen den 2de april 1749 £ 8-16

debit den selven van 28 cuypen turfasschen den 24ste april 1749 £ 7-14

Het boekje geeft een indicatie van de grootte en uitgestrektheid van de vroegere meststoffenhandel. De handelaar, waarvan we de naam niet konden terugvinden, was vooral actief in de leemstreek, de regio die het meest de asbemesting toepaste, zoals we verder zullen zien. Hij leverde aan hoeven in Velzeke, Oordegem, Vlierzele, Elst, Zonnegem, Baegem, … De leverdata liepen uiteen van maart tot oktober. Blijkbaar werd er in de winter niet geleverd.

We vonden drie soorten assen terug: asse (zonder meer), sautassche en turfassche en de kostprijs schommelde rond de 4 kuipen voor 1 gulden voor turfassen en 5 kuipen voor 1 gulden voor de sautassen.

 

2. De oliekoeken

 

Vlas en koolzaad waren de handelsgewassen die het meest verspreid waren in Vlaanderen. Van beiden kon uit het zaad olie geperst worden, alhoewel het vlas vooral bestemd was voor de textielnijverheid en het lijnzaad slechts marginaal gewonnen werd. Nadat men de olie uit de zaden geperst had, bleef een residu achter dat in koeken samengedrukt werden die eertijds aan het vee gevoederd werd. In de loop van de 18de eeuw begon men deze koeken ook als meststof te gebruiken, een gebruik dat blijkbaar overgewaaid was uit Noord-Frankrijk.

 

Schwerz vertelt immers dat hij vernomen had van een geloofwaardige landbouwer dat het eerste gebruik van de oliekoeken als meststof dateerde uit 1746 in Geluwe. De koeken werden van de andere kant van de Leie, uit Frans-Vlaanderen gehaald.[126] Tevoren scheen het gebruik niet bekend te zijn in Vlaanderen en werden deze koeken enkel als veevoeder aan de dieren gegeven.

 

Er waren twee mogelijkheden om de oliekoeken te gebruiken. De eerste was om ze tot meel te malen en als zaad over het veld te zaaien, hetgeen enkel bij regenachtig weer kon gebeuren. De andere mogelijkheid bestond erin om de oliekoeken in de gier op te lossen en zo op het veld te brengen.[127]

 

3. Het nijverheidsafval

 

Heel wat afval uit de nijverheid vond een weg als meststof voor de velden. We hebben reeds de asse vernoemd die gewonnen werd bij het bleekproces of bij de fabricatie van zepen. Ook de oliekoeken mogen als nijverheidsafval bestempeld worden. Ander afval was bijvoorbeeld het slachtafval, dat de slagers verkochten per kar.[128] Deze materie werd gemengd met kruiden en stro. Verder werd ook visafval, de resten van huiden van leerlooiers en hoedenfabricanten, de overschot van lijmfabrieken, de sedimenten van de suikerraffinaderijen, kortom, ‘nichts, was nur immer zur Vermehrung der Fruchtbarkeit der Erde etwas beytragen kann, wird von diesem auf den Ackerbau so erpichten Volke übersehen.’[129]

 

4. de mengsels

 

Het gebruik van allerhande nijverheidsafval hing nauw samen met de kunst van de Vlamingen tot het aanleggen van composthopen. Hierbij voegde de boer een aantal produkten samen die hij liet gisten tot een mengsel dat de kwaliteiten van doordeweekse stalmest minstens evenaarde. Van Aelbroek geeft een voorbeeld van de zogenaamde smoorhopen, die onder andere uit de delfaarde van de grachten, het onkruid van de rand van de akkers, het vuil stro en aardappelloof bestond.[130] Ook nu nog worden dergelijke mengsels van stalmest met een bepaalde toevoeging gemaakt. Ze krijgt de naam toemaak mee.[131]

5. kalk en mergel

 

We vermelden hier kalk en mergel omdat deze stoffen ook een belangrijke invloed hadden op de bodemvruchtbaarheid. Bekalking verbetert immers de bodemstructuur, waardoor een maximale lucht- en watercirculatie en een goede wortelontwikkeling mogelijk worden.[132] De hoeveelheid die men op het land dient te brengen is afhankelijk van een aantal factoren. De pH van de grond is een van die factoren, alsook de grondsoort, waar bij de zwaardere meer moet gekalkt worden dan bij de lichtere.[133] Ook de teelten vragen een verschillende kalktoestand. Tenslotte bevat een humusrijke bodem meer kalk dan een humusarme.

 

Het mergelen bestond al heel lang.[134] Ze schijnt vooral in de zware Leemstreek voorgekomen te zijn. Toen de mergelputten uitgeput raakten, werd kalk ingevoerd van buiten Vlaanderen, vooral uit de streek van Doornik.

 

 

2.3 De stalmest en gier op de hoeve

 

2.3.1 De stalmest: bestanddelen

 

De stalmest bestaat in het algemeen uit twee bestanddelen, namelijk het strooisel dat in de stallen gelegd wordt en de uitwerpselen van het vee, waarmee het zich vermengt. We zullen nu deze beide bestanddelen overlopen en bespreken welke de decisieve factoren zijn die van belang zijn voor de samenstelling, hoeveelheid en aard van de stalmest. We menen dit te moeten doen omdat al te vaak te eenzijdig over de mest heen gegaan wordt en er te weinig aandacht is voor de complexiteit van de materie.

 

1. het strooisel

 

a. de aard van het strooisel

 

In Vlaanderen werd voor het strooisel in de stal vooral het stro gebruikt dat verkregen werd als restafval van de oogst. Dit strooisel had meerdere functionele voordelen. Het was niet alleen een zachte rustplaats voor het vee, maar het hielp ook de uitwerpselen (vooral de vloeibare) vasthouden. En met het slijten keerde een deel van de oogst naar de bodem terug, die hiermee stukje van haar vroegere vruchtbaarheid herwon.[135] Het was verboden de stro te verkopen, omdat de bodem hiermee een groot stuk van haar vette zou verliezen. Het spreekwoord ‘Vendre sa paille c’est vendre son fumier, et qui vend son fumier, vide son grenier’ laat hier omtrent weinig aan duidelijkheid te wensen over.[136] In veel pachtcontracten werd het verbod om stro te verkopen duidelijk gesteld. Vaak werd er ook gevraagd om het stro van de laatste oogsten op het hof tot mest om te zetten ten behoeve van de volgende pachter.[137]

 

In andere streken gebruikte men ook andere produkten als strooisel. Bijvoorbeelden in de Kempen werden plaggen gestoken in de heide. Deze heideplaggen werden in de stal gelegd die speciaal ingericht was voor de mestbereiding.[138] De stalvloer lag ongeveer een kleine meter dieper dan de gewone vloer zodat de koppen nauwelijks boven de begane grond uitstaken. In de potstal bleef het vee op zijn eigen mest staan, die zich vermengde met onder andere de heideplaggen die elke dag op de mest geworpen werden. De bedoeling van deze praktijk was om de hoeveelheid mest te vermeerderen.

 

b. het vochtopzuigend vermogen van het strooisel[139]

 

De hoeveelheid urine die door stro wordt opgenomen neemt toe naarmate het langer met de urine in contact is. Niet alleen de hoeveelheid is belangrijk, maar ook de hoeveelheid die onder druk vastgehouden kan worden. Wanneer de mest buiten op de mesthoop gevoerd wordt, gaat namelijk altijd een variabel percentage aan urine verloren als mestwater doordat de opgenomen urine uit het strooisel geperst wordt. Graanstro kan onder ideale omstandigheden per kg zo’n 2,5 à 3 kg urine opnemen, waarvan door het persen slechts enkele percenten verloren gaan. In de praktijk liggen die hoeveelheden wel veel lager. De hoeveelheid urine die zal opgezogen worden door het stro is afhankelijk van de hoeveelheid stro die ingebracht wordt en van de duur dat ze er ligt.

 

Kolenbrander geeft enkele hedendaagse cijfersvan de hoeveelheid in stro opgezogen urinein een stal:

 

Stro per koe per dag: opgenomen urine per kg stro:

 0,5 kg --- 1,80 liter

 1 kg --- 1,60 liter

 2 kg --- 1,35 liter