Historische stront op Vlaamse grond. Een inleidende studie in de historische faecologie. (Bruno Debaenst)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Figuur 3.1:

‘Van schade by uytworpinghe …’[186]

 

HOOFDSTUK 3: De stedelijke mestproductie

 

3.0 Inleiding: een landbouweconomische benadering van een stedelijk fenomeen

 

In dit derde hoofdstuk wordt, zoals de titel het reeds laat vermoeden, de stad onder de loupe genomen. Als reden waarom wij deze invalshoek niet onbelicht konden laten, halen we aan dat de Vlaamse boeren in vroegere dagen bij het in stand houden en verhogen van de natuurlijke vruchtbaarheid van hun gronden als geen ander konden rekenen op het gebruik van het stedelijke restafval.[187]

 

Het historisch onderzoek naar de stedelijke restafvalproductie met haar onvermijdelijke smeuïge retoriek is reeds in een aantal andere referentiekaders aangeroerd. De allereerste beschrijvingen ervan vinden we terug in de vele stadsgeschiedenissen uit de 19de en begin 20ste eeuw, die door het gebruik van een aantal tekenende anecdotes over de stinkende steden met hun nauwe, enge straatjes vol mest en ander vuil een sfeerbeeld probeerden te evoceren van de dagelijkse realiteit in de ‘historische’ steden.

 

Deze weg wordt verder bewandeld en uitgespit bij het onderzoek naar het historisch stedelijk leefmilieu, dat de laatste decennia stevige impulsen heeft mogen ondervinden van de toenemende interesse en betrokkenheid van het grote publiek met alles wat in verband staat met het leefmilieu.[188] Bij de beschrijving van het stedelijk leefmilieu in de historiografie ligt de nadruk gewoonlijk op het dagdagelijkse leven van de stedelijke mens en de mate waarin deze geconfronteerd werd met milieuhinder en milieuvervuiling. J.A. Faber sprak in de jaren '70 over milieuvervuiling, 'wanneer uit klachten en uit overheidsmaatregelen tengevolge van die klachten blijkt, dat de mensen overlast ondervinden van stank, hitte en geluidshinder, alsmede van ziekteverwekkende hoedanigheden van bodem, lucht en water.'[189] Milieuhinder wordt door P. Poulussen dan weer omschreven als 'de mate waarin de bevolking uit de pre-industriële maatschappij een activiteit als vervelend, beperkend of schadelijk ervoer'.[190]

 

Bij deze studies worden steeds de verschillende oorzaken van deze grieven in kaart gebracht en de diverse manieren waarop de stedelijke autoriteiten probeerden tegemoet te komen aan de klachten en verzuchtingen van haar inwoners. Daarnaast wordt ook geprobeerd de houding van de tijdgenoten tegenover de bestaande problemen te schetsen. Dit soort onderzoek is de afgelopen decennia reeds voor talloze steden in binnen- en buitenland en voor diverse perioden, gaande van de Klassieke Oudheid tot vandaag, uitvoerig verricht. Dat het stedelijke restafval een vast item is bij deze studies, mag logisch genoemd worden omdat dit afval door de (potentiële) vervuiling van de bodem, de lucht en het water de grootste niet-industriële bedreiging vormde voor het stedelijk leefmilieu.

 

Een andere mogelijke dekmantel waarin de mest van binnen de stadsmuren het tot in de pen van de historicus kan halen is deze waarbij het excrementiële op zich, en de ganse er rond gegroeide abacadabra onderzocht wordt. We hebben het dan over studies die zich toeleggen op de verschillende vormen en manieren waarop de mens zijn houding ten opzichte van het onvermijdelijke, de ontlasting, gekanaliseerd en in zijn maatschappij geïmplementeerd heeft. Deze historici uit de hoek van de volkskunde, de sociologie of de kultuurgeschiedenis zoeken in dit specifiek onderdeel van de menselijke hygiëne vooral naar de wijzigingen en evolutie van de hygiëne bij de mens in al haar vormen. Het terecht bekroonde boek van D. Lamarcq over het latrinaire gebeuren dient hierbij nauwelijks nog voorgesteld te worden.[191] Met een overvloed aan gegevens weet Lamarcq de geschiedenis van het W.C. en toebehoren te schetsen van de oudheid tot op heden, hier en elders. N. Elias brengt in zijn wereldberoemde studie over het beschavingsproces dan weer het excrementiële ter sprake als voorbeeld waarbij de toenemende schroom bij het lichamelijk gevoeg in verband gesteld kan worden met de verhogende graad van beschaving.[192]

 

Zoals hierboven reeds aangegeven proberen we niet in de eerste plaats het stedelijk milieu vanuit deze invalshoeken te beschouwen, maar hopen we daarentegen wel het antwoord te vinden op een andere vraag, namelijk: hoe zag de organisatie in de steden eruit die ervoor zorgde dat men er in slaagde de geproduceerde afvalstoffen te verzamelen en te transporteren naar het platteland waar ze ingeschakeld werden in de intensieve landbouw? Dat we bij deze laatste vraag moeilijk om de eerder besproken leefmilieuproblematiek of de specifieke aanpak van het exrementiële heen kunnen, mag als een evidentie beschouwd worden gezien de nauwe verwevendheid tussen alle vakgebieden. Dat is de reden waarom deze studie zeker niet de pretentie heeft te ambiëren volstrekt maagdelijk terrein te betreden, integendeel. Niettemin is het de bedoeling en de stille hoop om door iets andere klemtonen te leggen een tikkeltje meer te kunnen zeggen over hetgeen waar het in deze studie uiteindelijk allemaal om draait: de mest, en dit in tegenstelling tot alle andere hier aangehaalde studies waar de mest enkel als schaamlapje fungeert om tot andere doelstellingen te komen.

 

Bij deze poging hebben we als centrale case study de stad Brugge genomen. Deze historische stede, waar zich de laatste vier jaar van onze middelbare studies afspeelden, had omwille van haar vertrouwdheid een extra charme, wat zeker meespeelde naast het feit dat ze tot op heden nauwelijks onderzocht geworden was op dit vlak. Een belangrijke reden dat het tot dusver slechts bij enkele korte artikelen en een sporadische verwijzing gebleven is, moet men zoeken in het feit dat de bewaarde archiefdocumentatie eerder gering van omvang is. Veel meer dan een aantal plakkaten en ordonnanties naast een bundel of twee specifieke archiefdocumentatie is er niet bewaard gebleven.

 

Dit is een dag en nacht verschil met de situatie in het stadsarchief van Antwerpen, waar een veel vollediger en uitgebreider archief bewaard gebleven is, wat onder andere P. Poulussen in staat stelde een aaneengesloten, goed gedocumenteerde periode te onderzoeken met een eenduidige beschrijving als resultaat. Ook M. Van Campenhout voor Brussel en E. Floin voor Gent werden in dat opzicht door het lot meer geholpen om hun studie te maken over het historisch leefmilieu in de betrokken steden.[193] Het gelukkige gevolg hiervan is evenwel dat we ons bij het onderzoek voor Brugge zullen steunen op hun resultaten als ruggegraat om de onvolledige en ontbrekende informatie voor Brugge aan op te hangen, en dat we tegelijkertijd een aantal vergelijkingspunten kunnen aanhalen tussen de onderscheiden steden, die een veralgemening voor de toestand in de Zuidelijke Nederlanden een heel wat meer plausibeler karakter zou moeten verlenen.

 

Na een korte typologie van de stadsvervuiling en een overzicht van het in Brugge beschikbare bronnenmateriaal in verband met mest gaan we dieper in op het Brugse antwoord op de vervuiling. Allereerst worden hierbij de betrokken personen onder de loupe genomen: de deken van de meuraers, de mestrapers, de beerruimers en de transporteurs van de mest en de beer. Na een poging om door te breken in het dagelijkse leven van zo’n mestwerkers rond 1720, wordt de aktieradius van de deken van de meuraers bepaald, alsook het relatieschema tussen de verschillende participanten.[194] Na een beknopte vergelijking met de andere Vlaamse steden betekent de beschrijving van de stedelijke stortplaatsen de ideale aanloop om het te hebben over het transport van de stedelijke meststoffen, te land en in het water. Bij die laatste maken we kennis met een unieke bron, de mesttekens, die ons meer vertelt over de seizoenale fluctuaties en de grootte van de mestuitvoer aan het begin van de 18de eeuw.

 

 

3.1 Het stadsvervuilingsprobleem: waarde en mogelijkheden

 

3.1.1 Typologie van de stadsvervuiling

 

Iedere stad wordt en werd in mindere of meerdere mate geconfronteerd met problemen die gepaard gaan met de grote concentratie aan mensen en industriële activiteiten.[195] Die concentraties brachten immers, beschermd achter majesteuze muren en poorten, niet alleen prachtige belforten, kerken of andere gebouwen voort die als symbool voor de stedelijke macht golden, maar stonden ook garant voor een navenante, onspreekwoordelijke berg afval.[196] Dit afvalprobleem is zo oud als de stad zelf en valt voor een groot stuk te verklaren uit het feit dat de neutralisering en verwerking van dat geproduceerde afval niet meer op natuurlijke wijze kan geschieden.[197] De precieze grens vanaf waar de problemen beginnen valt moeilijk te trekken, maar het staat vast dat de natuurlijke outflow van restprodukten bij een bepaalde omvang en concentratie van de stedelijke samenleving vertraagd, gehinderd en zelfs onmogelijk wordt. Om de harmonie te herstellen dienen de mensen, en in de eerste plaats het stadsbestuur, de natuur een handje te helpen. Hier ligt de oorsprong van de stedelijke initiatieven inzake het stedelijk leefmilieu.[198] Belangrijk evenwel is steeds in te zien dat de sanering van het leefmilieu slechts één van de vele zorgen en kommeren was van het stadsbestuur. Er waren ook andere prioriteiten, zoals verdedigingswerken tegen bedreiging buitenaf of brandpreventie. Onder andere hierdoor, en door de beperkte middelen die de stedelijke overheden sowieso hadden, vertoonden de stedelijke milieureglementeringen steeds een sterk pragmatisch karakter. Heel wat verantwoordelijkheid werd doorgeschoven naar de inwoners (infra).

 

Over welk afval ging het? Ten eerste was er de menselijke productie van urine en uitwerpselen. Welke weg die opgingen na excretie was afhankelijk van de woning en de mogelijkheden die het met zich bracht. Bij woningen waar het privaat boven het water gebouwd was of waar de afvoerleiding op een waterweg uitgaf, verdwenen die eenvoudig in het water.[199] Bij woningen waar dit niet het geval was, dient onderscheid gemaakt tussen deze met een beerput - die ofwel gemetseld was of enkel uit een houten beerton bestond - en deze zonder. In het eerste geval werden de uitwerpselen verzameld in de beerput, tot ze geledigd werden door de daartoe bevoegde personen. In het tweede geval kwamen de uitwerpselen hetzij op straat, hetzij op een mesthoop terecht.[200] Deze rudimentaire uiteenzetting wordt verder nog verfijnd.

 

Een tweede vorm van afval waren de uitwerpselen van de dieren die zich in de stad bevonden, of deze aandeden. Heel wat woningen in de stad hadden stallingen, waarin de stedelingen hun paarden, het belangrijkste vervoermiddel na de benenwagen, stalden. De stedelijke markten waren een magneet voor de grote verscheidenheid aan dieren die er naartoe gebracht werden vanuit het platteland om op de stedelijke tafels terecht te komen. Daarnaast zwierven heel wat andere dieren door de straten (zoals honden, katten en varkens), die ook allemaal hun boodschap achterlieten.

 

Als derde kan het huishoudelijk afval genoemd worden. De restjes uit de keuken (die een heel andere samenstelling kenden dan nu), de asse uit de haard, het zand van op de vloer en al het andere afval uit het huishouden belandde eveneens op straat.[201]

J.L. Van Aelbroeck beschrijft de samenstelling van de straatmest als volgt:

de straatmest bestaat in de vuiligheden, die ieder huishouden in de steden op de straten werpt, en is de afval van de verrotte deelen van de moes-kruiden, vuile loogen, dik van schotel-water uit keuken, asche van steenkolen, vagelingen van zand en zavel uit huis en hof, met een woord, de afval, dat is, het verwezen deel van alles, wat in een huis-houden gebruikt wordt, …[202]

 

Tenslotte was er nog het afval dat de verschillende nijverheden voortbrachten, zoals bijvoorbeeld het slachtafval van de slagers.

 

3.1.2 De Brugse bronnen: overzicht en kritische evaluatie

 

1. de rekwesten en de processtukken[203]

 

De rekwesten vormen de schriftelijke neerslag van verzoeken gericht aan het stadsbestuur. Het is een erg verscheiden aanbod in tijd en ruimte, gaande van mensen die op het einde van de 18de eeuw vragen op te treden tegen het vuilstorten tegen hun (blinde) muurtot pachters van het mestrapen die op het einde van de 17de eeuw kwijtschelding van hun pachtcijns vragen omwille van oorlogsomstandigheden.

 

Processen vormen de weergave van de conflicten tussen mensen omwille van vuil of mest. Beide kunnen teruggevonden worden in het stadsarchief van Brugge in het archief van meuraers, resorterend onder dat van de stadsofficies. Ze werpen een blik op de gevoeligheden en spanningen die het stadsafval en de organisatie die ervoor instond met zich meebrachten. Helaas zijn de verschillende stukken wel te fragmentair qua tijd als onderwerp om een aaneensluitend logisch geheel te kunnen vormen. Wel kunnen ze vanuit de literatuur over andere steden in hun context geplaatst worden.

 

2. De hallegeboden en de plakkaten[204]

 

Hallegeboden is de naam voor de Brugse reglementeringen, verordeningen en wetten.De plakkaten zijn de affiches die op openbare plaatsen uitgehangen werden en waarop de hallegeboden aan het brede publiek kenbaar gemaakt werden. Beide zijn dus overlappend qua inhoud. Hun waarde schuilt erin dat ze de bekommernis van de stedelijke autoriteiten in verband met de leefbaarheid van hun stad uitdrukken. Ze zijn enerzijds een weerslag van de realiteit (door het verbieden) en anderzijds een uitdrukking van de wens zoals de autoriteiten het liever zagen (door het gebieden). Het nadeel eraan is dat moeilijk nagegaan kan worden of een gebod effektief nageleefd werd. Vooral het feit dat heel wat geboden herhaaldelijk moesten worden uitgevaardigd roept toch enige twijfels op rond de efficiëntie ervan.

 

Daarnaast is in het archief van de meuraers een instruktietekst uit 1623 bewaard, opgesteld ten gerieve van de nieuwe deken en die een compilatie is van een kleine twee eeuwen hallegeboden, die blijkbaar op het moment van zijn aanstelling nog niets van hun actualiteitswaarde verloren hadden, aangezien ze opnieuw opgenomen zijn geworden. Deze statuuten ende politieke ordonnantien waernaer den deken vande meuraers Jan moet reguleren int faict van syn functie bestaan uit een 72-tal artikelen die een mooi overzicht geven van het takenpakket van de deken in de vroege 17de eeuw, en tegelijkertijd van de stedelijke reglementeringen die geldend waren in deze en voorgaande periode.[205]

 

3. De stadsrekeningen[206]

 

De stadsrekeningen bevatten informatie over de kosten en opbrengsten van de stedelijke reinigingsdiensten. Ook kunnen er sporadisch weetjes gesprokkeld worden: in de stadsrekeningen van Gent uit 1650 wordt bij de cheyns ofte cleene uutpachten bijvoorbeeld vermeld dat de koning van de moorkinderen de messinck op den Verckensmaerct mag gebruiken voor de periode dat hij aangesteld was in het officie.[207] Als voorbeelden voor Brugge kunnen de onkosten voor het begraven van een kadaver van een paard of van vorte caes aangehaald worden.[208]

 

We nemen deze bron niet systematisch door omwille van het te geringe gehalte rechtstreeks bruikbare informatie over mest. Er is enerzijds het stereotype patroon waarbij gedurende jaren dezelfde bedragen onveranderd gehanteerd worden en anderzijds kunnen de fait-divers geen bijzondere meerwaarde toevoegen aan het verhaal.

 

 

3.2 Het Brugse antwoord op de vervuiling

 

3.2.1 De professionele mestwerkers

 

Men kan de professionele mestwerkers in een drietal grote groepen onderverdelen: de mestrapers of meuraers onder het toezicht van een deken, de beerruimers en de mesttransporteurs.

 

1. De deken van de meuraers

 

Dat de stadsreiniging een van de oudste zorgen van het Brugse stadsbestuur was, blijkt uit het feit dat reeds in de vroegste stadsrekeningen, meer bepaald die van 1299, melding gemaakt wordt van personen die daarmee belast zijn.[209] In de 14de eeuw wordt gespecifieerd over wie het gaat en is er voor het eerst sprake van de deken van de muederaers en zijn medewerkers en van de aankoop van karren, schoppen en harken voor hun dienst.[210] Het betreft hier net als in de andere steden een speciaal daarvoor opgericht officie. Volgens J.G. Claeys had het woord officie in de oudste teksten de zeer algemene betekenis van openbaar ambt.[211] Meer bepaald in de Middeleeuwen sloeg het op een stedelijk ambt dat voor het leven uitgeoefend werd. De titularis van het officie verkreeg het recht het ambt uit te oefenen en de inkomsten ervan voor zichzelf te houden. Volgens A. Vandewalle zijn officiën bedieningen door de stad die ofwel verkocht of toegewezen zijn. In het eerste geval gaat het om arbeidersofficiën, in het tweede voornamelijk om ambtenarenofficiën.[212] Heden ten dage dragen het beroep van de notaris en de pleitbezorger nog hetzelfde karakter: beiden voeren een taak uit in dienst van, maar toch met met een graad van onafhankelijkheid van de overheid en mogen daar hun brood mee verdienen. De reden van het ontstaan van deze situatie was ab origine om de berooide toestand van stadskas te verbeteren. In de Nieuwe Tijden had het dezelfde betekenis van een ambt dat verkocht werd aan de hoogstbiedende, dit voor het leven. De betrekking van deken van de meuraers als officiehouder zou in essentie weinig wijzingen ondergaan hebben tot aan het einde van het Ancien Regime, tenminste als we het plakkaat van 18 maart 1765 daaromtrent mogen geloven.[213]

Wie was deze deken van de meuraers en wat waren zijn bevoegdheden en taken? We weten al dat het ambt gekocht werd van de stad. Dit gegeven noopt ons tot de eenvoudige vaststelling dat de deken dus niet volledig onbemiddeld kan geweest zijn. Die gedachte wordt nog versterkt door een ongedateerde rekening uit de eerste helft van de 18de eeuw, waarin vermeld wordt dat de deken Jaecques Flore eveneens meester matsenare is en dus naast zijn officie minstens tevoren ooit nog een ander beroep uitgeoefend heeft en misschien nog steeds uitoefent.[214] Het takenpakket van de deken van de meuraers wordt verder besproken; eerst gaan we dieper in op de andere betrokkenen.

 

2. de meuraers of mestrapers

 

Een eerste grote groep zijn de meuraers. In oorsprong waren deze mestrapers de knechten van de deken, die samen met hem toezicht hielden op het vervuilingsgedrag van de inwoners en de andere mestwerkers en vooral de kost verdienden met het rapen van de straatmest en het innen van de hen toegewezen belastingen en boetes.

 

In de loop van de vroege 17de eeuw, en misschien zelfs vroeger, werd het mestrapen afzonderlijk verpacht voor een periode van één, twee of drie jaar aan de hoogstbiedende.[215] In ruil voor een som geld, die te bepalen was door het recht van opbod, hadden ze het monopolie over het rapen van meurder, mesch ende andere vuyligheden langs de straten, markten en andere publieke plaatsen van de stad. Ze moesten deze wegvoeren in schepen of op daartoe aangewezen plaatsen opstapelen. Het was niemand anders dan de pachters van het mestrapen toegestaan straatmest te rapen, met uitzondering van de zaterdag toen het iedereen geoorloofd was het afval van de straten te verzamelen, met uitzondering van deze plaatsen die expliciet vernoemd werden.

 

Als bijkomende voorwaarden dienden ze de poorten schoon te houden, zodat de valbruggen behoorlijk opgetrokken konden worden en de draaihekkens van alle zijden behoorlijk konden draaien. Ook alle belangrijkste Brugse openbare pleinen, zoals de Burg, de Grote markt, de Beurse, de Braamberg, de Eiermarkt, de Garenmarkt (=Nazarette-plaetse), de Melkmarkt, de lijnwaadhalle, de Beestemarkt en alle andere plaatsen aangewezen door de deken van de meuraers, moesten ze schoon maken en houden. Daarnaast moesten ze eens per jaar, op het einde van de maand augustus, de Burg ontdoen van al het gras en ander onkruid. Het monopolie op het ruimen van het straatafval op deze plaatsen bestond al langer: een hallegebod uit 1550 heeft het over dezelfde plaatsen, maar dan ten gunste van de deken van de meuraers.[216] Dit doet ons besluiten dat de deken van de meuraers de oorspronkelijke pachter van het mestrapen was en dat er ergens tussen 1550 en 1623 een splitsing moet gekomen zijn tussen het pachten van het mestrapen en het kopen van het officie van deken van de meuraers.

 

Dat ze nog steeds onder de controle van de deken en andere daartoe bevoegde stadsambtenaren stonden mogen we lezen in het artikel 72 van de instruktie van de deken van de meuraers uit 1623 : Sullen ooc de voors. deken mueraers, amman ende andere daertoe van ouds gequalifieert synde moghen doen boeten de voors. vier muederaers en de gone in hun dienst synde zoo verre dat sy in eenighe ponten commen te contravenieren de voorgaende ordonnantien ende statuuten, buuten den inhouden van hun reglement ende instructie.[217] Uit dit fragment kunnen we eveneens afleiden dat de meuderaers met vier waren, die op hun beurt nog eens anderen in hun dienst hadden. Om hun taak deftig uit te voeren mochten de mestrapers immers beschikken over zo veel paarden en karren of personen met kruiwagens als ze nodig hadden. Ze dienden ook de poortstraten en andere belangrijke straten van de stad die naar de markten leidden en de straten waarlangs de processies van de kerken en kloosters passeerden proper te houden. Andere erfenissen uit het verleden waren het (doen) onderhouden van heel wat andere geboden, bijvoorbeeld deze betreffende het hopen van afval op plaatsen die daar niet voor in aanmerking kwamen. De pachters van het mestrapen kregen de opdracht dit onwettig gestort afval te beboeten, in beslag te nemen en weg te voeren. Ook het delven van krengen van dieren moesten ze op hun kosten uitvoeren, telkens wanneer een inwoner of de deken van de meuraers erom vroeg.

 

In 1688 werd het mestrapen van de zes parochies van de Brugse binnenstad niet meer over vier meuderaers gespreid, maar in één keer verpacht voor de duur van 1 of 3 jaar, naar keuze.[218] De pachter diende de penningen van zijn pacht en een waarborg drie maanden op voorhand te betalen. Hij had ook geen recht op een kwijtschelding van z'n pacht, wanneer de vaart van Brugge naar Oostende of Gent om de een of andere reden gesloten zou worden, of om gelijk welke andere reden. Alles was 't synder rysque ende perycle sonder afslagh van pachte. Dat dit laatste artikel er niet zomaar stond blijkt uit een rekwest van een jaar later, uit 1689, waarin de pachters verklaarden niet meer te kunnen voldoen aan de voorwaarden van hun pacht en kwijtschelding vroegen.[219] De reden ervoor was dat omwille van een oorlogsverklaring -we zitten volop in de Louis-XIV-periode- de verkoop van mest op het platteland spaak gelopen was. De pachters van het mestrapen hadden wel vele aanvragen gekregen van gegadigden om hun specie te kopen, indien ze die ter plaatse konden leveren, maar dit was onmogelijk omdat de poorten omwille van de oorlogsdreiging gesloten gebleven. Ondertussen was het seizoen waarin de mest in het land gebracht werd stilletjes voorbijgegaan en was geen kat nog geïnteresseerd in stadsmest. Niet alleen lagen hierdoor alle plaatsen die aangeduid waren om het mest op te slaan propvol, maar hadden de pachters van het mestrapen geen inkomsten om hun paarden en knechten te onderhouden, laat staan hun pacht te betalen waar ze door de Tresorier toe aangepord werden. Of hun rekwest uiteindelijk ingewilligd werd, konden we niet achterhalen.

 

De pacht van het mestrapen moet mettertijd zijn vervallen, want in de tweede helft van de 18de eeuw vonden heel wat particulieren er hun broodwinning in. Zo waren er in 1775 niet minder dan 587 die er een licentie voor gekregen hadden van de dismeesters van de verschillende Brugse parochies. Het waren vooral de zwakken, ouderen van dagen en invaliden die daartoe in aanmerking kwamen. Maar zelfs stielmannen als metselaars en tegeldekkers, die in de winter veelal zonder werk zaten, moesten er hun gezin mee onderhouden.[220]

 

In de Franse periode rolden de mestrapers over de tong, toen bleek dat zij grote schade toebrachten aan de dijken, rampaarden en openbare wegen, doordat ze op al die plaatsen aarde wegnamen om te vermengen met straatmest, om zo de verzamelde hoeveelheid straatafval groter te maken.[221] Om deze wantoestanden tegen te gaan werden de mestrapers verzocht zich aan te melden bij de wijkcommissaris van de politie, waar ze al dan niet de toestemming kregen om verder het beroep van mestraper uit te oefenen en een tinnen medaille met de eerste letter van de stad, die ze steeds moesten dragen. De commissarissen mochten deze medaille enkel bezorgen aan deze mestrapers die geen andere bestaansmiddelen bezaten. De gelukkigen die verder mest mochten blijven rapen moesten er voor opletten geen schade meer aan te richten. De politiecommissarissen dienden zich verder te voegen aen de bezondere onderrigtingen die hun zullen gegeven worden, om zoo veel mogelyk zynde, dit slag van werklieden nut te maeken, met hun te verpligten de straeten en openbaere plaetzen, in eenen gevoeglyken staet van nettigheyd en zuyverheyd te houden.[222]

 

Gelijkaardige bepalingen werden nog opgelegd in de loop van de 19de eeuw. Zelfs met de aanstelling van aannemers in 1861 verdween het beroep van mestraper nog niet uit het straatbeeld. Het was pas met de vermindering in vraag naar de stedelijke meststoffen, op het einde van de 19de eeuw, dat ook het beroep van mestraper stilaan tot de folklore ging behoren.[223]

 

3. de beerruimers

 

Een tweede groep waren diegene die zich bezig hielden met het ruimen van de Brugse beerputten, de beerruimers of stillevaghers of secreetruymers zoals ze ook wel eens genoemd werden. Hun taak bestond erin de privaten van de stedelingen te gaan leegmaken en de inhoud ervan te transporteren naar daartoe aangewezen plaatsen. Daarbij moesten ze er nauwkeurig op letten dat de werking zig doe in zulker wyze, dat de nettigheyd der straeten, de zuyverheyd der lucht en de rust der burgers in niets beledigd worde.[224]

 

Dat de beerruimers deze voorschriften soms aan hun laars lapten blijkt uit een processtuk uit 1722 waarin de heer en mevrouw Ignace Van Toers, de eigenaars van het huis Hemelrycke, een oplossing vragen voor de problemen die hun huurster dagelijks ondervond met de beerruimers.[225] Johanna, een weduwe, dreigde er zelfs mee haar huis te verlaten omdat het eenvoudig niet meer bewoond kon worden door ‘den excessiven ende onverdraeghelycken stanck’. We hebben reeds in het vorige hoofdstuk sterke getuigenissen mogen horen over de stadsbeer. Dat het ook hier niet zomaar bij een sporadisch vleugje onaangename geur bleef, kan men afleiden uit het gegeven dat ‘alle haer provisien van bier, boter en vleesch is commen te bederven’ en ze ‘haeren kelder niet meer en can ghebruycken’.

 

Deze zware hinder werd veroorzaakt door de ‘beirschepen’ die dagelijks aan haar venster aanmeerden, wat de dag voor het opstellen van het processtuk om twee uur ’s middags nog voorgevallen was. Bovendien waren de beerruimers dan nog hele nachten van voor negen uur ’s avonds tot ’s morgens zeven uur in de weer met hun smurrie die ze niet alleen die ze niet alleen uit het gebuurte betrokken, maar ook uit diverse andere straten zoals de Oude Burg, de Wollestraat en de Steenstraat, terwijl daarvoor nochtans andere plaatsen aangeduid waren.

 

Op weg naar hun schepen passeerden ze daarenboven doorheen het nauwe, langs het huis gelegen steegje dat de straat met het water verbond en waarlangs de ‘plaetsen ende camers’ gebouwd waren.

 

Om deze wantoestanden in de toekomst te vermijden vroeg het echtpaar Van Toers om met het luiden van de avondklok het poortje aan de ingang van het steegje te mogen sluiten tot de volgende morgen. Ze waren wel bereid het open te laten, maar dan enkel om de beerputten te laten ruimen van de nabijgelegen huizen, ‘te weten vande Tassche af tot aen de oude Postereye, terwijl de andere privaeten connende gheruympt worden lanxt de waterhalle, Oudenburgh, Eeckhoutbrugghe, gruythuys ende Mariebrugghe.’

 

Bij het uitvoeren van hun taak konden de beerruimers waarschijnlijk beschikken over een kar met paard of een pupegale om de beer te vervoeren.[226] Ter plaatse schepten ze de put waarschijnlijk leeg met emmers met koord, waarvan ze de inhoud in een ton goten. Het onwelriekend korvee mocht enkel ’s nachts gebeuren.[227]

 

4. de mesttransporteurs

 

Een laatste groep betrof diegene die de verzamelde meststoffen transporteerden naar het platteland. Hiertoe behoorden wagenaers of karreluyden, die de mest met karren vervoerden en mestschippers, die hun schepen gebruikten om de meststoffen naar het platteland te transporteren.

 

In hoeverre de bovenvermelde indelingen in Brugge door elkaar liepen valt moeilijk te achterhalen. Hield een mestraper zich ook bezig met het ruimen van beerputten of omgekeerd, raapte een beerruimer bij gelegenheid ook straatmest? Stonden ze ook in voor de thuislevering? In hoeverre hielden beerruimers zich professioneel met hun beroep bezig? Was het ook besteed aan particulieren? Zeker voor dat laatste staat het vast dat heel wat stadsafval verwerkt werd door tuinders in de stad zelf.[228] Ze mochten zeker in de 19de en 20ste eeuw beer ophalen in Brugge-stad, wat de ideale mest was voor hun gronden.[229] Ze waren wel gebonden aan beperkingen: net zoals de beerruimers mochten ze enkel ’s nachts mest ophalen en ze moesten 12 centiemen stadtaks per hectoliter betalen.

 

3.2.2 het epos van de mestwerkers

 

Het is tegelijkertijd gemakkelijk, maar vooral heel moeilijk een beeld te krijgen van de personen die in vroegere dagen hun boterham verdienden met andermans stront. Gemakkelijk, want heden ten dage zijn nog steeds heel wat mensen actief in deze sektor, hoe kan het ook anders. Geen mens die vandaag opkijkt wanneer een oranje stadsvuilniswagen met bijhorende 'milieu-arbeiders' voor de deur passeert om de verschillende vuilniszakken op te halen. Hetzelfde met pakweg de straatvegers in felle fluo pakjes met traditionele bezem en mobiele vuilnisbak of met de vrachtwagen voor het leegzuigen van beerputten. Misschien dat de nieuwe hondendrolzuigmachines die recent in het straatbeeld opgedoken zijn nog iemand de wenkbrauwen doet fronsen. Voor eventjes dan toch. Deze mensen verrichten immers een als evident beschouwd werk in de marge van de samenleving. Vroeger kan het niet veel anders geweest zijn. Beerputten werden leeggeschept in de stilte en rust van de nacht om zo weinig mogelijk geuroverlast te veroorzaken.[230] En terwijl Italiaanse en andere buitenlandse handelaren op weg waren naar de allereerste Beurs(e), maakten ze vast wel een goeie kans af en toe het pad van een mestraper te kruisen die bezig was het straatafval te verzamelen.

Met een beetje verbeelding kan men zich perfekt voorstellen dat deze personen nog veel meer dan nu in de onderste regionen van de maatschappij moeten vertoefd hebben. Want tenslotte stinkt het nu en stonk het vroeger even veel, terwijl het een sterk manueel werk was, dat niet erg hoog ingeschat werd.[231] In hoeverre de tolerantiedrempel anders ligt, door de veranderde waarden en normen van de maatschappij, dient wel in rekening gebracht te worden, maar valt moeilijk te achterhalen.[232] De mest leverde een niet al te moeilijke kans om een boterham te verdienen, en dat was belangrijk in een samenleving zonder al te veel sociale vangnetten. In die zin lag het geld letterlijk langs de straten, voor wie het wilde oprapen.

 

Dat er genoeg geïnteresseerden waren voor de job blijkt uit een rekwest waarin een elftal aspirant-mestrapers zich kandidaat stelden. Veel weten we er niet over, behalve hun namen en het feit dat ze elk een vrouw en samen 47 kinderen te onderhouden hadden. Ze woonden omtrent het einde van de Hoemaeckerstrate en de Gistelhoven, konden niet lezen of schrijven, maar wilden wel heel graag het vuylicheyt ende mesch vande straeten raepen tot commoditeyt van het publijcq.[233]

 

Toch was het professionele mestrapen slechts weggelegd voor een aantal gelukkigen, want de pachters van het mestrapen werden beschermd in hun monopolie door tal van stedelijke hallegeboden, die 'eenenyeghelic wien hy sy,' verboden 'eenich mesch ofte mueder lancx de straeten en andere publicqe platsen deser stad te raepen ende in hopen te gaederen dan de voorseide nieuwe anghenome muederaers ende de gone die sy sullen associeren ofte in hun dienst aennemen up de boete van XX. sch. paris. te verbueren soo dicmaels alst ghebuert ende bevonden wort.'

 

3.2.3 De aktieradius van de deken van de meuraers

 

Na de in de sektor aktieve personen beschouwd te hebben, gaan we nu dieper in op de aktieradius van de deken van de meuraers. Achtereenvolgend passeren de straten, de waterwegen, de andere stedelijke publieke plaatsen, de openbare handhaving en de inkomsten van de deken de revue. Tegelijkertijd wordt een overzicht gegeven van de problemen waar de stad probeerde aan te verhelpen en waar de deken van de meuraers moest op toezien vanuit zijn officie.

 

1. De straten

 

Alhoewel heel wat buitenlandse bezoekers in de Nieuwe Tijden vol lof waren over de algemene toestand van de straten in de Zuid-Nederlandse steden, waren deze niet onmiddellijk het toonbeeld van netheid, zeker naar hedendaagse normen gemeten.[234] Meestal waren enkel de hoofdwegen die van de poorten naar de markten leidden en enkele andere belangrijke wegen en pleinen met de een of andere wegbedekking toegerust.[235] In het beste geval waren de gewone straten geplaveid langsheen de gevels, terwijl het midden van de straat onverhard bleef en dienst deed als greppel.[236] Het gevolg van deze gebrekkige plaveiing was dat een fikse regenbui volstond om het wegdek te veranderen in een drassig moeras waar je niet zonder kleerscheuren doorkwam. Bij droogte was het één stoffige zandbak. Deze door metereologische omstandigheden veroorzaakte hinder was slechts één van de potentiële boosdoeners.

 

Er was ook nog het afval dat vooral uit menselijke en dierlijke uitwerpselen, huishoudelijk afval en andere afvalsresten bestond en waarvan heel wat op de straten terechtkwam.[237] Dat de vervuiling van de straten toch nog relatief binnen de perken bleef, was in niet onaanzienlijke mate te danken aan het kordate optreden van de daartoe bevoegde stadsdiensten en de ijver van de professionele mestwerkers. Het door de inwoners geproduceerde afval werd langsheen een keur hallegeboden in goede banen geleid, waarna het met schepen en karren de stad kon verlaten. Het bestond immers slechts een gering aandeel uit onverteerbaar afval (kapotte potten, bouwafval, …). Dat soort afval werd dan nog vaak gerecycleerd of apart gehouden, zodat het stadsafval zonder al te veel problemen op het platteland een nieuwe bestemming als meststof in de landbouw kon vinden.

 

Volgens een vroeg hallegebod, dat helaas niet nader gepreciseerd wordt in de tijd, was het de Brugse inwoner toegestaan de mesch, aerde ofte greys uut synen huuse, vloeren ofte kelders op de strate te brengen, maar dan enkel op de voorwaarde dat hij zorgde dat het binnen de 24 uur weggevoerd was. Was dit niet het geval, dan mochten de meuraers de overtreder beboeten met 5 schellingen parisis, naast het bevel om het opnieuw binnen de 24 uur in orde te brengen. Vond men er daarna nog liggen op de straat, dan mocht dien meuderaere innen een boete van xx. sch. par.

 

Een later hallegebod stelt kortweg dat wie dat mesch ofte vaghelynghe vande vloeren brynght uute zynen huuse, wuenste ofte breldenaere, ende dat legghe op de straete ofte messyngen, sy verbueren 5 sch. pars. alsoo dicwels als sy daere mede bevonden zullen worden.

 

Volgens deze hallegeboden waren de inwoners dus zelf verantwoordelijk voor hun afval: ze moesten het zelf verwijderen. 'Ieder zijn afval!' was het motto.[238] In dezelfde geest was het hallegebod uit 1535 opgesteld, waarin de Bruggelingen verplicht de straten moesten schoone maecken ende doen vaghen ten minsten eens de weecke ende tmesch ende vulichede vandaen doen draghen, ten ghecostumerden messynghen, van ons daer toe gheordonneert ende nieuwers el. Blijkbaar had dit hallegebod wel maar weinig effekt, want ze werd een jaar later nogmaals uitgevaardigd, met als extra vermelding dat de muederaers dit nauwlettend in de gaten moesten houden en de schuldigen beboeten. Het spreekwoord 'Als ieder voor zijn deur veegt, is heel de straat proper', stamt dus misschien wel al uit die tijd, maar ze werd al even spreekwoordelijk met de voeten geveegd. En dat er altijd mensen zijn die er vanonderuit willen knijpen, wordt nogmaals bevestigd door het gebod dat stelt dat wat mensch syn maerdere vaegde op eens andere streke, voor eens voorhooft ofte syn mesch, vuyle, grippe streke voor eens voorhooft of zijn mesch daerop drouge, eveneens beboet werd als de meuraers daarachter kwamen.

 

In 1623 dan werd duidelijk gesteld hoe het moet: Voorts beveelt men eenen yeghelic voor syn huus ende bovanc, van dien te vaeghen en suveren de straten, leggende ende hoopende 't mesch ende mueder int midden vande straete ofte ander bequamer plaetse (…) also gehopt synde by de voors. stadsmuederaers met hun cruuwaghens ende carren wechgevoert te werden up de plaetsen daertoe ghedestineert. De stadsmuederaers waren toen dus ondubbelzinnig verantwoordelijk voor het wegvoeren van de stadsmest van op de straten naar de door de deken aangeduide plaatsen terwijl de burgers van hun kant hun afval netjes in het midden van de straat moesten deponeren.

 

Niet alleen de mensen, ook de dieren werden geviseerd. Dit waren niet enkel honden en katten die als huisdieren gehouden werden, maar ook de paarden als transportmiddel en zelfs koeien en varkens, die er gekweekt werden voor hun vlees.[239] Een hallegebod uit 1560 stelt dat iedereen die koeien, paarden of zwijnen in zijn bezit heeft, er voortaan moet voor zorgen dat de hael suwerende van pyseyne van coeyen, peerden, swynen, ofte andre messynghen, niet langer op de straat terecht komt. Dit probleem moet wel geleidelijk afgenomen zijn toen andere hallegeboden simpelweg het houden van varkens verboden.[240]

 

Er werd ook toezicht op gehouden dat de professionele strontwerkers hun klus zonder al te veel slordigheid klaarden. Zo moest er bij elke beerput die geruimd werd een meuraer aanwezig zijn, om sorge te dragen, dat zy de straten niet vuyl en maken. Voor de stillevagers gold dat ze dien dreck ende lyge die sy nemen sullen uute te doene, soo (moesten) bewaren int voeren ofte int draeghen, dat zy niet en laeten vallen up de straete, upde ghele boete te verbuerne telcken warne. Ook de lantwerckers, grontwerkers en waeghenaers riskeerden een boete indien ze het waagden de straat te bekladderen. De boetes waarvan sprake durfden wel te variëren in grootte. De beerruimers, lant- en grontwerkers en stillevaghers werden het ergst aangepakt bij overtreding, met een boete van 3 pond parisis. waegenaers daarentegen kwamen er al vanaf met een boete van 5 schellingen parisis.

 

Dezelfde bepalingen bleken een eeuw later nog steeds geldig, toen het aan de beerruymers verboden was eenighen beer te sturten achter straete ofte te gieten in de greppen ofte reyen deser stede.[241]

 

Naast het nethouden van de straten behoorde het ook tot de taken van de deken om het wegdek in een behoorlijke staat te houden. Hij moest er op toezien dat voor het oprichten van stellingen bij verbouwingswerken aan huizen geen gaten gemaakt werden in de kasseibedekking van de straat, om palen in de grond te slaan.[242] Een andere maatregel om het wegdek in z'n oorspronkelijke staat te vrijwaren was het verbod ingesteld in 1564 om de straten niet te verhogen. Personen die zich bezondigd hadden aan het ophogen van de straat voor hun deuren, huizen of winkels, werden aangemaand om de straat terug in de oorspronkelijke toestand te brengen.

 

Naast het nethouden en preserveren ging een derde belangrijke taak uit naar het vrijhouden van diezelfde straten. Een aantal van de voorgaande geboden valt ook voor een stuk te verklaren vanuit deze motivatie. Zo is het weghalen van mest en vuil van de straat niet alleen bevorderlijk voor de hygiëne en het proper uitzicht van de straat, maar maakt het het doorgaand verkeer, hetzij nu te voet of met een vervoermiddel, een stuk eenvoudiger.

 

2. de waterwegen

 

Het Brugse waterwegennet heeft zich in de loop van de Middeleeuwen ontwikkeld uit de Reye, dit is de beek die door Brugge stroomt. Het bestaat voornamelijk uit de Reye zelf en twee grote lussen, die de eerste stadsomwalling uit 1127-28 en de tweede uit 1297-1300 omsloten.

 

Figuur 3.2: het Middeleeuwse waterwegennet van Brugge.[243]

 

Deze waterwegen hadden een veelvuldig belang. In de eerste plaats waren ze aangelegd bij de wallen ter verdediging. Ten tweede konden bepaalde scheepstypes rechtstreeks tot het hart van de stad doordringen, waar ze hun waren konden lossen. Dit vormde een niet onaanzienlijk voordeel voor de handel. Een derde gemak was de aanwezigheid van stromend water in een groot deel van de stad, dat naast veel andere zaken kon dienen voor de deportatie van allerlei afval.

 

De meeste huizen die aan het water paalden, hadden een toilet dat uitgaf op het water waardoor de uitwerpselen rechtstreeks in het water terecht kwamen.[244] Op deze manier waren de bewoners gespaard van het vervelende karwei van het leegmaken van de beerput op geregelde tijdstippen. Het minder aangename gevolg was dat de waterwegen in de zomer onder andere hierdoor een luchtje kregen. Een aantal stedelijke reglementen probeerden hier een mouw aan te passen. Een hallegebod van 23 mei 1535 stelt dat alle de guene die eenighe aysementen hebben suwerende int water van de Reye van deser stede, dat sy die ghaten van selven aysementen ten Reye uute commende, stoppen ende ghestopt houden tot bamesse naestcomende.[245] Een ander hallegebod vraagt om de stillen aan de Reyekant te sluiten tussen Sint-Maria-Lichtmis en Sint-Maartensmis.[246]

 

In de winter was het wel toegestaan om de stillen te openen, op voorwaarde dat dit gebeurde met water en zonder truuken of stokken om het vuil eruit te poken. Een van de achterliggende reden voor deze maatregelen in de zomer was de stankhinder van gistende uitwerpselen, veroorzaakt door het warme zomerweer en het lage waterpeil van de Reyen.[247]

 

De mogelijke hinder veroorzaakt door de mestwerkers werd geprobeerd tegen te gaan door een aantal strenge regels. Zo was het verboden voor de schippers die met hun boten de mest kwamen weghalen, deze mest op hun boten te smijten. Ze moesten met de kruiwagen van op de wal in hun schip rijden, zonder iets in het water te laten vallen: tzelve mersch ende greys met pypegalen ende bernen uutedraghene zonder tzelve inde Reye te laten vallene up ghelycke boete. Omwille van dezelfde reden mochten ze hun schepen ook niet te vol laden: niet hoger dan 1 voet boven de boord. Het was hun ook verboden hun schepen op willekeurige plaatsen bij bruggen of kaaien langs de Reye aan te meren.

 

De beerruymers, lant- en grontwerkers en stillevaghers werden meer dan eens aangemaand er voor te zorgen dat er geen beer, afval of ander vuil in het water terechtkwam. Eveneens omwille van hygiënische maatregelen was het in de vesten, grachten, Reye, riolen, ruussolen of grippen gooien van dode honden, katten of andere beesten verboden, aldus een hallegebod uit 1510. Ook ingewanden en ander slachtafval kregen om begrijpelijke redenen een duidelijk 'njet'.

 

Een tweede grote bekommernis vanwege het stadsbestuur was het bevaarbaar houden van het waterwegennet. Een aantal van de hierboven vermelde maatregelen waren zeker ook voor een stuk vanuit deze optiek genomen. Om die reden was het verboden aarde, mest, stenen of ander vuil in de reie te laten vallen. Wie een afvoerpijp had naar het water moest daar in 1536 een zeef voor zetten, zodat er geen brokken in het water vielen.

 

Dat het geen overbodige luxe was bewijst het volgende hallegebod uit 1562: Men geeft te kennen van weghen den heere ende der wet, soe omme dieswille dat zy bevonden hebben, dat niet jegenstaende diveerssche voorgeboden, alhier ghedaen, van te rumene ende zuveren de waterloopen deser stede, daer toe gheen debvoir en es ghedaen gheweest, maer ten contrarien zyn die zelve waterloopen ten diveerssche plaetsen versluust ende teenemael verstopt ten grooten griefven, schade ende intereste deser stede, daerby groot elve gheinfecteert werdende zulcx datter by de ghemeente groote ende juuste clachte gheschiet es. De maatregelen die hetzelfde hallegebod uitvaardigt om hieraan te verhelpen zijn de volgende: Allen die aan waterlopen aanpalende eigendommen hebben of waarvan de waterlopen over hun erf of landen lopen, worden hier verplicht tot de actie over te gaan wanneer deze vervult ofte versluust, vernauwet ofte verstopt zyn, ofte eenichsins belemmert ende bestaen met eenighe loomen, sorghen, thinnen, gheleuden, aysementen ofte ander belemerthede. De betrokkenen moeten deze belemmeringen verwijderen en de waterwegen hun oude bedding en zijkanten teruggeven. Ook moeten de mensen die een stuk overwelfde waterweg in hun bezit hebben deze bedekken met een deksteen vander langde van drie voeten met twee ryven daer inne geschoten.

 

Andere hallegeboden die de waterwegen in hun oorspronkelijke staat dienen te houden hebben het over het lozen van industriël afval, zoals de kalk van huidevetters, muelemeesschen en volders, die deze niet op minder dan een roede afstand van de Reye mogen lozen of het coffyt van de volders, dat eerst gezeefd moet worden alvorens te lozen.

 

3. de andere stedelijke publieke plaatsen

 

Niet alleen de land- en waterwegen werden nauwkeurig gecontroleerd op hun hygiënische toestand. Ook andere stedelijke publieke plaatsen werden nauwlettend in het oog gehouden. Mest en afval mochten niet tegen de muren van kerken en stadsbouwwerken of op de kerkhoven gelegd worden. Hetzelfde gold voor blinde muren, huizen of fonteinen. Voor het behoud van het groen in de stad moest een hallegebod uit 1564 instaan, dat de bomen en hagen beschermde tegen het illegaal omhakken of snoeken. De deken had ook toezicht op de afbraak van huizen, die zonder medeweten van de tresorie illegaal was.

 

4. de stedelijke ordehandhaving

 

Ten gevolge van het feit dat de deken van de meuraers een stedelijk officie bekleedde, werd hij ook belast met andere opdrachten dan deze die rechtstreeks met zijn ambt te maken hadden. Dat kunnen we afleiden uit een paar artikels in de instruktietekst uit 1623. Op de markt moest hij helpen zorgen dat de verkopers op de oude, gecostumeerde plaatsen stonden.[248] In verband met het lossen van ingevoerd hout moest hij erop toezien dat dit op de juiste plaatsen gebeurde.[249] Er zijn ook nog een aantal bepalingen in verband met voedingswaren uit de periodes 1564-'65 en 1575 waar hij mede verantwoordelijk was voor het naleven. Toen mocht men geen wijnen slaan zonder bij de stokhouder geweest te zijn en mocht men geen beesten kopen buiten de stad om verder te verkopen. Hetzelfde was verboden voor caustelynghen, platte coucken of ander geëierd brood, graan en allerhande victuaillen.[250]

 

In hoeverre deze bepalingen tijdsgebonden waren en al lang voorbijgestreefd waren in 1623 is nog maar de vraag. Het stemt in ieder geval tot nadenken dat ze opnieuw opgenomen zijn geworden als punten waar de deken van de meuraers moest op toezien.

 

5. Inkomsten voor de deken[251]

 

Dat het verboden was aan alle insatenen te ruumen eenighe privaeten, sonder by de propietarissen ofte de mueders midsgaders by de ruumers danof te preadverteren anden deken van de mueraers wijst er op dat de deken op de hoogte diende gebracht te worden van elke geruimde beerput.[252] Waarschijnlijk speelde hier naast het gegeven dat de deken een overzicht wilde blijven behouden op de potentiële vervuilvers, ook wel het feit mee dat den ruymer 't oude recht van 1 florijn acht groten schuldigh is te betaelen aen den deken vande meuraers van yder privaet op dien nacht geruympt, zoals het te lezen valt in een plakkaat van 1720 waarin deze reglementering nogmaals hernomen werd.[253]

 

Andere inkomsten haalde de deken uit zijn deel van de opgelegde boetes en het recht van het innen van belastingen op een aantal specifieke terreinen: de mosselschepen en schepen met hout, zout, hooi, stroo of fruit moesten telkens ze aan de kaai of onder de halle kwamen 14 myten overhandigen aan de meuderaers. De wagendrijvers moesten 2 myten betalen telkens zij in de hallen, het zuivelhuis of de markt kwamen.[254]

In hoeverre de deken kon rekenen op inkomsten uit de verkoop van de stadsmest aan de geïnteresseerden is niet duidelijk. Zeker na de afzonderlijke verpachting van het rapen van de stadsmest, moet dit aandeel toch minstens teruggedrongen geweest zijn.

 

3.2.4 relatieschema

 

Dit overzicht van de verschillende aktieterreinen van de deken van de meuraers maakt duidelijk dat hij de centrale schakel vormde in heel het Brugse stedelijke milieubeheer. Als milieu-ambtenaar avant-la-lettre stond hij tussen de stedelijke overheid met haar reglementen en geboden, de burgers met haar klachten en de personen die beroepshalve met de afvalproblematiek betrokken waren.

 

Dit wordt verduidelijkt met het volgende schema:

 

Het bovenstaande schema geeft de verschillende relaties en spelers weer in het Brugse saneringsapparaat: het stadsbestuur, de deken van de meuraers, de mestwerkers en de stadsbewoners. Het is wel een vereenvoudiging van de situatie:

 

In oorsprong werkten de meuraers samen met de deken. Er lijkt doorheen de Nieuwe Tijden een grotere kloof gekomen te zijn tussen beide, toen de verpachting van het mestrapen afzonderlijk begon te gebeuren van deze van het officie van de deken van de meuraers.

 

Ten tweede stonden de Brugse inwoners zelf nog onder de controle van lagere bestuurlijke indelingen, vergelijkbaar met de dekenijen in Gent.[255] Ook waren er nog andere stedelijke ambtenaren dan de deken van de meuraers die bevoegd waren om inbreuken op de stedelijke reglementeringen te beboeten, de amman bijvoorbeeld. Daarnaast was er nog de sociale controle van de buren, die ook hielp uitspattingen te voorkomen.

Ondanks deze vereenvoudigingen toont dit schema toch de essentie:

 

1. de relatie tussen het stadsbestuur en de deken van de meuraers.

 

De stadsmagistraat vaardigde hallegeboden uit, dit zijn bekendmakingen en verordeningen die afgekondigd werden vanaf het balkon van de halle. Na deze aflezing, die aangekondigd werd door klokgelui en gebeurde door de Amman in aanwezigheid van minstens twee schepenen, hadden de hallegeboden kracht van wet.[256] In eerste instantie moest de deken van de meuraers erop toezien dat de stedelijke reglementeringen in verband met zijn officie nageleefd werden door de betrokken partijen. Om efficiënt te kunnen optreden tegen inbreuken, had hij de macht om boetes op te leggen. In ieder geval blijkt duidelijk dat de deken van de meuraers de ogen en oren van het stadsbestuur waren en moest toezien op de naleving van de hallegeboden.

 

Omgekeerd zijn voorbeelden te geven van rekwesten, waarin de deken van de meuraers de stadsmagistraat aanraadt een bepaald hallegebod opnieuw op te nemen, omdat ze niet goed (meer) nageleefd wordt. De deken, vertrouwd met het terrein, had omgekeerd naar boven toe dus een adviserende functie. De Tresorije was het stedelijk orgaan dat verantwoordelijk was voor de stadsfinanciën, de openbare werken en de openbare hygiëne. Ze stonden in voor de verkoop van het officie van de deken van de meuraers.

 

2. De relatie tussen de deken van de meuraers en de professionele mestwerkers

 

Zoals hierboven duidelijk werd, kunnen we grosso modo een vijftal domeinen onderscheiden waarop de deken actief behoorde te zijn. Ten eerste was hij verantwoordelijk voor de hygiëne, conservatie en vlotte bereikbaarheid van de wegen. Dat gold eveneens voor het stedelijk waterlopennet. Als stadsambtenaar moest hij bovendien bijspringen waar nodig: zo moest hij af en toe de handel reguleren of in crisisperioden mede toezicht houden op bepaalde specifieke uitgevaardigde hallegeboden, die op zich niks met het leefmilieu te maken hebben. Hij had ook het recht bepaalde belastingen te innen die hem in zijn levensonderhoud moesten voorzien. Tenslotte was hij ook nog verantwoordelijk voor het uitzicht en behoud van stedelijke eigendommen zoals fonteinen, bomen en kerkhoven.

 

De deken had vooral een controlerende functie. Hij zag er op toe dat de mestwerkers hun werk uitvoerden en de stedelijke reglementeringen in verband met de vervuiling van straten en waterwegen niet overtraden. In het geval van overtredingen kon hij hen beboeten.

 

3. De relatie tussen de professionele mestwerkers en de Brugse inwoners

 

Deze mestwerkers hielden de stad schoon. Op zich konden de Brugse inwoners er dus slechts moeilijk problemen mee hebben. De klachten kwamen maar wanneer het boekje te buiten gegaan werd en de Bruggelingen hinder ondervonden van de slordigheid van de mestwerkers. De mestrapers mochten als helpers van de deken de Bruggelingen ook beboeten voor een klein aantal specifieke overtredingen.

 

4. De relatie tussen de inwoners en de deken van de meuraers

 

Met hun klachten kwamen de inwoners in de eerste plaats aankloppen bij de deken, die daarna de betrokken daders probeerde te vinden en te beboeten. Naast deze reactie op klachten, was de deken ook actief betrokken bij het beboeten van de overtreders van de stedelijke reglementeringen.

 

5. De relatie tussen de inwoners en de stedelijke overheid.

 

Ten gevolge van de vele tussenstappen kwamen beiden maar weinig rechtstreeks met elkaar in aanraking. Toch zijn er voorbeelden te geven van processen waarin inwoners met hun klachten tot bij het stadsbestuur gaan. Meestal betreft het dan geschillen tussen de inwoners en de deken, waarvan het oordeel van de laatste aangevochten werd. In die optiek bekeken vormde het stadsbestuur een soort controle- en beroepsorgaan voor de beslissingen van de deken van de meuraers.

 

3.2.5 Korte vergelijking met de situatie in enkele andere Zuid-Nederlandse steden

 

Net als in Brugge waren er in deze steden gedurende de Middeleeuwen tal van initiatieven ontstaan die instonden voor het gezond houden van het stedelijk leefmilieu. In de loop van de Nieuwe Tijden werden ze verder verfijnd en uitgewerkt.

 

In alle onderzochte gevallen bestond er een monopolie op het verzamelen van de straatmest of het ruimen van de beerputten, die de onderscheiden personen van een vast inkomen diende te garanderen. De verkoop van dit monopolie bracht de stadskas schoon geld op. Bij schending van het monopolie volgde onmiddellijk een reaktie: dat bewijzen toch de processtukken die hierover bewaard zijn. Sommige gedupeerden waren zelfs niet te beroerd om langs te gaan bij de Raad van Vlaanderen: er is het voorbeeld van Jaques DuBois, de pachter van het raepen van straetmes mitsgaders 't ruymen van de secreten te Oudenaarde.[257] Zijn monopolie liep tot de eerste juli 1661, maar ondertussen was een zekere Philips Vander Slycken (what's in the name) onder zijn duiven aan het schieten geweest door het illegaal en zonder vergunning ledigen van beerputten. De heer Dubois verdedigde zijn zaak door een groot deel functionarissen op te trommelen die een getuigenis ten goede voor hem onderschreven hadden en door te verwijzen naar het voorbeeld van voorgaande pachters, zoals Pieter de Somere en Jaques de Cuysere, die genoten hadden van de voordelen van een ongeschonden monopolie.

 

In Gent werd de vuilophaling verpacht aan de koning van de moorkinderen voor de som van vijf ponden Vlaams per jaar.[258] In functie van dit ambt had de koning van de moorkinderen nog heel wat andere verplichtingen, waardoor hij vaak rekwesten stuurde naar het stadsbestuur met de vraag om deze verplichte som te laten vallen, zonder resultaat. In tegenstelling tot Brugge bleef de koning van de moorkinderen dezelfde persoon als de pachter van het mestrapen. Wat het takenpakket betreft vallen dezelfde grote lijnen te ontwaren als bij de deken van de meuraers in Brugge, alhoewel hier en daar wel kleine verschillen op te merken zijn.[259] Als voorbeelden van die taken vermeldt D. Bogaert onder andere het verwijderen van gruis (steengruis of bouwafval), het ruymen van secreten en het verwijderen van kadavers.[260] Floin heeft het over brandbestrijding, milieugerichte taken zoals het opsporen van sluikstorters, het toezicht houden op de markt en de netheid ervan, de vuilophaling, het net houden van de straten en rivieren, …[261] Bij het uitoefenen van zijn taak kon de koning van de moorkinderen over drie, vanaf 1656 over vier moorkinderen beschikken die hem moesten bijstaan in zijn functie.

 

De situatie in Antwerpen lag iets anders. Daar was er een opsplitsing van de taken tussen een moosmeier (voor het ophalen van straat- en huisvuil), een gruismeester (voor het verzamelen van puin- en afbraakmaterialen) en tenslotte de pachters van de beer of de nachtwerkers (om de beerputten te ledigen).[262] Als reden voor die opsplitsing kan men zeker aanhalen dat Antwerpen van alle hier genoemde voorbeelden de grootste agglomeratie bezat. In een kleine stad zoals Oudenaarde volstond één persoon voor zowel het rapen van de straatmest als het ruimen van beerputten.[263] De beschikbare middelen stonden eveneens in verhouding: in Antwerpen kon in 1747 de moosmeier alleen al over twintig karren met eenzelfde aantal paarden en minstens evenveel knechten beschikken.

 

Alle steden hadden hun specifieke reglementeringen in verband met het milieu. Deze reglementeringen vertoonden meestal eenzelfde karakter. Ze probeerden de straten, waterlopen en lucht schoon te houden in de mate van het mogelijke. Om dit te realiseren speelden de stedelijke autoriteiten handig in op de vraag vanuit het platteland naar de stedelijke afvalstoffen. In ruil voor een monopolie op het verzamelen en verkoop van deze afvalstoffen dienden uitbestede, speciaal daartoe opgerichte officies toe te zien op de algemene netheid van de stad. In Brugge werd de controle en het verzamelen zelf opgesplitst in de loop van de 17de eeuw. In andere steden bleven beide in éénzelfde hand verenigd.

 

Deze manier van werken betekende een 4-maal-winsituatie: een eerste maal vanuit het stadsbestuur dat op een eenvoudige manier van heel wat zorgen af was. Zonder al te veel moeite zorgden derden immers voor de schoonmaak van de stad en voor de controle op de potentiële vervuilers. Daarenboven kon de stadskas ook nog genieten van de milde bijdrage van de monopoliehouders. Een tweede maal vanuit het standpunt van de burgers: deze waren op een gemakkelijke en goedkope manier verlost van het afval dat ze produceerden. Een derde maal vanuit het standpunt van de mestwerkers, die er hun boterham mee verdienden. En tenslotte ook vanuit het standpunt van de Vlaamse boer die zijn land meer kon bemesten dan anders het geval was.