De sociaal-economische betekenis van de abdijhoeven en hun pachters in de heerlijkheid Essen-Kalmthout (17e - 18e eeuw). (Dries Kools)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 3: Exploitatie van de pachthoeven

 

Zoals we in het vorige hoofdstuk konden lezen, bezat de abdij van Tongerlo uitgebreide bezittingen in de heerlijkheid Essen-Kalmthout.  In dit hoofdstuk willen we dieper ingaan op de manier waarop deze bezittingen door de abdij werden uitgebaat. Het spreekt voor zich dat er een onderscheid moeten gemaakt worden tussen de exploitatie van de verschillende soorten  bezittingen. Het beheer van kleine moergronden kan immers moeilijk vergeleken worden met de exploitatie van uitgestrekte hoevedomeinen.

We zullen ons in het hiernavolgende overzicht beperken tot het beheer van de grote pachthoeven. Deze afbakening lijkt geoorloofd aangezien het bezit van pachthoeven een belangrijke invloed had op het financieel beleid van de abdij zelf. Als we het aandeel van de hoeven vergelijken met de totale inkomsten en uitgaven komen we tot de conclusie dat het belang van deze pachthoeven zeker niet mag onderschat worden. Tabel 10 geeft de procentuele bijdrage van de belangrijkste vormen van inkomsten en uitgaven met betrekking tot de heerlijkheid Essen-Kalmthout.

 

Tabel 10: samenstelling van de  inkomsten en uitgaven van de abdij van Tongerlo (in %)

inkomsten

1762-1763

1774-1775

1780-1781

 

 

 

 

tienden

51,29

34,68

46,98

hoeven en molens

28,27

17,97

18,51

cijnzen en erfpachten

8,31

6,98

3,47

renten

12,13

/

3,13

hout en turf

/

0,71

1,24

De Greef

/

38,23

26,67

extra

/

1,43

/

 

 

 

 

totaal

100

100

100

 

 

 

 

uitgaven

1762-1763

1774-1775

1780-1781

 

 

 

 

canones

9,85

5,08

6,3

tienden en publieke lasten

19,47

3,46

7,18

reparatie aan de hoeven

12,7

33,38

49,08

provisie voor de abdij

38,71

/

/

aanleg van bossen

19,27

58,08

37,44

 

 

 

 

totaal

100

100

100

Uit de voorgaande gegevens kunnen we besluiten dat de pachthoeven een onmisbare bron van inkomsten waren[138]. Enkel de opbrengsten uit tienden namen een groter deel van de totale inkomsten voor hun rekening. We merken bovendien dat de Greefhoeve, die vanaf 1775 rechtstreeks door een provisor werd uitgebaat, eveneens voor een grote opbrengst zorgde. Aan de andere kant eiste het onderhoud, en eventueel de heropbouw, van dergelijke hoeven een aanzienlijk deel van het uitgaande budget op. Nagenoeg het volledige budget van de provisor in Kalmthout werd gebruikt voor herstellingen enerzijds en de aanleg van nieuwe bossen anderzijds. Er zijn dus voldoende redenen om de uitbating van de pachthoeven dieper te bestuderen.

 

1. De pachtprijs van abdijhoeven

 

Een eerste belangrijke tendens die we zullen bestuderen is de evolutie van de pachtprijs. Vanaf de veertiende eeuw werden de rechtstreekse uitbatingen van grote domeinen door lekenbroeders vervangen door vrije pachters. In ruil voor het vruchtgebruik van de gronden moesten zij jaarlijks met een afgesproken bedrag over de brug komen.

Reeds van in het begin was er een duidelijk onderscheid tussen erfpacht en tijdpacht. Vooral voor de huurder was dit van kapitaal belang. In het eerste geval mocht hij immers de gronden voor altijd in zijn bezit houden. Aangezien deze overeenkomst bleef doorlopen na het overlijden van de pachter waren de erfgenamen zeker van een stukje land. Bij de tijdpacht daarentegen werd het contract opgesteld voor een beperkte termijn[139]. Dit betekende dat de pachter slechts voor enkele jaren zeker was van het grondgebruik. Zo kon het gebeuren dat de pachter na het verlopen van de overeenkomst op zoek moest naar een nieuwe hoeve of zelfs een nieuw beroep. De redenen hiervoor konden zeer uiteenlopend zijn. Het gebeurde dat een pachter zodanig veel schulden had dat de verhuurder de hoeve aan een ander verpachtte op het moment dat het contract ten einde liep. Bovendien kon de verpachter de pachtprijs opvoeren wanneer er een nieuw contract afgesloten werd. Hoewel dit vaak aanleiding gaf tot misbruiken, bleef de tijdpacht in onze streken tot op het einde van het Ancien Regime het meest aanwezig. We moeten hier uiteraard rekening houden met mengvormen.

De oorsprong van de tijdpacht is vooralsnog onduidelijk. Wel weten we dat veel heren vanaf de twaalfde eeuw startten met een nieuwe vorm van uitbaten. Stukjes land van een beperkte omvang werden aan kleine boeren uitgegeven in ruil voor een vast bedrag. Aanvankelijk bleven deze contracten beperkt tot een mondelinge afspraak tussen eigenaar en pachter. Pas vanaf de zestiende eeuw verschenen er steeds meer geschreven overeenkomsten. Tal van religieuze instellingen, waaronder de abdij van Tongerlo, gingen in die periode over tot de herstructurering van hun grondbezit. De massale ontvolking, veroorzaakt door de economische crisis en de moeilijkheden van de late Middeleeuwen, had immers geleid tot het failliet van het domaniaal stelsel. Omdat de abdijen zelf over onvoldoende arbeidskrachten beschikten om alle verloren akkers opnieuw rendabel te maken, deed men een beroep op de lokale bevolking. Deze eerste pachters waren niet enkel keuterboertjes, maar behoorden dikwijls tot de kleine landadel. Via nieuw opgestelde grondboeken, waarin men een uitvoerig beschrijving gaf van alle bezittingen van een klooster of een abdij, wist men het overzicht te bewaren. In deze grondboeken werd eveneens vermeld op welke manier de goederen werden geëxploiteerd. Geleidelijk kwamen er specifieke pachtboeken in omloop[140].     

Ook voor de hoeven van Tongerlo werd de overeenkomst gesloten voor een beperkte duur. Zowel in de algemene als bij de bijzondere condities vinden we een periode van drie of zes jaar als regel. Telkens na drie jaar bestond de mogelijkheid om het contract vervroegd op te zeggen[141]. Dit heeft natuurlijk alles te maken met het traditionele drieslagstelsel. De pachter diende de landerijen terug te geven in dezelfde staat zoals hij ze, bij de aanvang van het contract, had gekregen. Om aan deze voorwaarde te voldoen, moest de volledige drieslagcyclus worden doorlopen, wat overeenkwam met drie jaar. Elk contract liep van half maart tot half maart, het moment waarop een nieuw gewas moest gezaaid worden. Op het einde van zijn overeenkomst moest men een derde van alle landen braak laten zodat de volgende pachter onmiddellijk kon beginnen met het zaaien van zomervruchten. In dat laatste jaar mocht men ook geen groesen of drassen meer bezaaien. Deze weiden moesten gereed zijn op het ogenblik dat het nieuwe contract van start ging, zodat de nieuwe huurder zijn vee onmiddellijk kon laten grazen. Andere voorschriften hadden dan weer betrekking op de gewassen die de afscheidende pachter op de hoeve moest laten[142]. Door dergelijke bepalingen in de pachtcontracten in te lassen, gaven de Norbertijnen in grote mate aan op welke wijze de hoeven dienden uitgebaat te worden. De vrijheid van de pachters bleef hierdoor enigszins beperkt. 

De samenstelling van de pacht verschilde van hoeve tot hoeve. Vooral in de oudere contracten troffen we een gecombineerde pacht aan van geld en natura. Aanvankelijk werd de geldpacht opgesplitst in twee delen en maakte men een onderscheid tussen het voorlijf en de eigenlijke pacht. Dit voorlijf werd door sommige auteurs gezien als een vorm van voorschot[143]. Waarom men dit onderscheid maakte, is echter niet volledig duidelijk.

Naast de jaarlijks terugkerende pacht waren de huurders verplicht een aantal eenmalige betalingen te verrichten. Dit zogenaamde reken- en knapengeld bedroeg doorgaans slechts enkele guldens. Voor elke hoeve gold hetzelfde bedrag. Op die manier betaalde men een kleine vergoeding aan de notaris die het contract opstelde. Daarnaast was er iedere keer een deeltje bestemd als drinkgeld voor de bedienden van hoeve en abdij[144]. Ook de dorpspastoor, steeds nauw verbonden aan de abdij, kreeg zijn deel. Meestal ging het om een kleine bijdrage die hij kon gebruiken voor de aanschaf van meubelen of als vergoeding voor de eredienst.

De vormen van natura konden sterk uiteenlopen. In tijden van grote behoeften vroeg de abdij om basisproducten zoals boter, bier en vlees. Wat betreft het vlees ging het vooral om levende beesten, zoals kapoenen, varkens en hamels, die door de kloosterlingen zelf zouden geslacht worden[145]. Van andere huurders werd dan weer verwacht dat zij zorgden voor een zekere hoeveelheid graan of mest. In zo een geval was de pachter overigens verplicht de vereiste gewassen na de oogst zelf aan de abdij of aan één van haar refugiehuizen te bezorgen. Daarnaast moest hij eventuele overschotten naar de markt voeren om ze tegen een gunstig tarief te verkopen. Deze vorm van natura werd sterk bepaald door de kwaliteit van de bodem. In tegenstelling tot meer vruchtbare streken moesten de pachters uit Essen en Kalmthout, waar de bodem van betrekkelijk lagere kwaliteit was, beduidend minder graangewassen leveren. Soms gebeurde het dat een pachter werd belast met een bijzondere opdracht. Zo kreeg een huurder in 1610 als vorm van pacht de opdracht ieder jaar vijfentwintig heesters te planten op een stuk land dat hij niet meer bewerkte. Een ander veel voorkomend karwei, zeker in streken zoals Essen en Kalmthout, was het omploegen en bewerken van enkele gemeten heide[146].

Vanaf het einde van de zeventiende eeuw werd de pacht meer en meer volledig in klinkende munt betaald. In tabel 11 zien we hoe de pachtprijs van een aantal belangrijke hoeven uit de heerlijkheid Essen-Kalmthout evolueerde tussen 1662 en 1780.

 

Tabel 11: evolutie van de pachtprijs van enkele grote pachthoeven (in gulden)[147]

hoeve

1662

1695

1704

1723

1745

1795

 

 

 

 

 

 

 

Achter de Kerk

160

150

152

150

150

140

In ’t Achterbroek

120

110

 

110

110

100

In de Hoek

112

112

130

112

112

140

De Greef

100

110

114

110

113

/

Oude Pastorij

 

100

 

100

100

130

Op de Wildert

120

120

122

120

110

107

Priesterdonk

95

95

 

95

95

120

Voetsbergshoefken

 

85

87

85

85

50

Spijker-west

200

200

 

200

200

219

Spijker-oost

210

210

213

210

210

219

Op de Donk

150

120

156

120

 

150

 

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de pachtprijs nagenoeg constant bleef gedurende de tweede helft van de zeventiende en de hele achttiende eeuw. Ondanks lichte afwijkingen bleef de prijs van elke hoeve steeds rond hetzelfde bedrag schommelen. Deze tendens moet zeker in verband gebracht worden met de verandering in het landbouwareaal. Net zoals de pachtprijs zou ook de oppervlakte van de verschillende bedrijven slechts weinig evolutie doormaken. Als de oppervlakte van een boerderij toenam, was dat in hoofdzaak het gevolg van heideontginning. Aangezien de landwinning steeds beperkt bleef tot enkele gemeten werd hiervoor geen extra geldsom aangerekend. De abdij was zelfs een grote stimulator van dergelijke ontginningswerken.

We moeten wel opmerken dat er zich in de loop van de zeventiende eeuw een belangrijke verschuiving heeft voorgedaan. Aanvankelijk was het deel van de pacht dat betaald moest worden in geld aanzienlijk kleiner. Natura speelde toen nog een belangrijke rol. Geleidelijk werden deze betalingen in natura echter omgevormd tot een geldsom. Zo bestond de pacht van het Voetsbergshoefken in 1632 nog uit vijftig gulden en twee verplichte werken. Het contract bevatte echter een clausule waardoor de huurder de mogelijkheid bezat om deze karweien om te zetten in een geldelijk bedrag, net zoals andere pachters uit Kalmthout[148]. Hieruit kunnen we afleiden dat de karweidienst voor veel hoeven in de loop van de zeventiende eeuw verdween. Voor sommige hoeven bleef deze natuurlijke vorm van betaling wel behouden, soms zelfs tot op het einde van het Ancien Regime. Een voorbeeld hiervan was de Van Dammehoeve, waar de pachter tot 1787 verplicht twee dagen per week werkte ten dienste van de abdij en dat slechts voor een minimale vergoeding[149].

 

De manier waarop de pacht moest betaald worden, stond uitdrukkelijk beschreven in de pachtcontracten. Ondanks talloze bepalingen merken we dat de situatie in werkelijkheid heel vaak anders verliep dan overeengekomen. Tabel 12 heeft betrekking op de schuldaflossing van enkele pachthoeven uit het begin van de achttiende eeuw en toont de absolute en procentuele bijdrage van geld en natura. 

 

Tabel 12: absoluut en procentueel aandeel van natura en geld in de pachtaflossing van een aantal belangrijke hoeven uit de heerlijkheid Essen-Kalmthout tussen 1705 en 1730

hoeve

absoluut (in gulden en stuivers)

in procenten

geld

natura

totaal

geld

natura

 

 

 

 

 

 

 

Achter de Kerk

2.081-16-6

340-05-0

2.422-01-6

85,95

14,05

Op de Donk

3.194-02-2

960-03-4

4.154-05-6

76,89

23,11

De Greef

1.324-03-2

346-02-4

1.670-05-6

79,28

20,72

Het Hof

 

1.964-16-0

171-17-0

2.136-13-0

91,96