De sociaal-economische betekenis van de abdijhoeven en hun pachters in de heerlijkheid Essen-Kalmthout (17e - 18e eeuw). (Dries Kools)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 1: De abdij van Tongerlo en de heerlijkheid Essen-Kalmthout: historische schets

 

1. Ontstaan en uitbreiding van de abdij van Tongerlo

 

De ligging van Tongerlo situeert zich in de Kempen tussen de steden Diest, Aarschot, Herentals en Geel. Het dorp behoorde in de vroegere eeuwen tot het kwartier van Herentals, dat als onderdeel van het markgraafschap Antwerpen onder het gezag stond van de hertogen van Brabant. Aangezien een groot deel van de Kempen gedomineerd werd door enkele lokale heren, waren het de adellijke families uit de streek waarmee de abdij in haar beginperiode nauwe relaties onderhield. Op kerkelijk vlak behoorde Tongerlo tot het uitgestrekte bisdom Kamerijk. Omwille van politieke gebeurtenissen en door grensverschuivingen zal de abdij uiteindelijk onderworpen worden aan de bisschoppen van Mechelen en Antwerpen[2].

Op verzoek van een lokale grootgrondbezitter, Giselbertus van Castelre, stuurde de abt van de Antwerpse Sint-Michielsabdij enkele kloosterlingen naar Tongerlo om de grondslag te leggen voor een nieuwe gemeenschap. Hoewel de precieze datum niet gekend is, wordt algemeen aangenomen dat de stichting rond 1130-1133 heeft plaatsgevonden[3]. De schenking van Giselbertus, die zelf als lekebroeder in de abdij intrad, bedroeg twee derde van de tienden van Tongerlo, veertig bunders (= 52 hectaren) grond, een molen en enkele huizen, hoeven en landerijen in de omgeving. Dit domein vormde de basis van een gemeenschap die zou uitgroeien tot de machtigste abdij van de Kempen[4].

Voor de komst van de kloosterlingen bestond het Kempische landschap uit een aaneenschakeling van moeras en zandige heide. Naarmate de gemeenschap groeide, ging men echter steeds meer arbeid vrijmaken voor de ontginning van de omliggende woeste gronden. Het midden van de twaalfde eeuw betekende dan ook een ommekeer binnen de Kempische landbouw. In tegenstelling tot wereldlijke heren namen abdijen en kloosters wel een centrale plaats in bij de ontginning, bedijking of afwatering van hun domeinen[5]. Door het werk van de kloosterlingen werden grote oppervlakten heide en moeras omgevormd tot akkers en weilanden[6]. Vooral lekenbroeders speelden een belangrijke rol bij de exploitatie van de hoeven en uithoven en het in cultuur brengen van de heidegronden. Tot in de veertiende eeuw vormden zij een niet te onderschatten onderdeel van de abdijgemeenschap. Als werklieden stonden ze in voor elke vorm van handenarbeid. Vanaf de vijftiende eeuw treft men in Tongerlo geen lekenbroeders meer aan en werd hun taak overgenomen door lekenpersoneel[7].

Via een beredeneerde landbouwpolitiek, die gekenmerkt werd door ruil en aankoop van onroerende goederen en het in cultuur brengen van woestenijen, breidde het goederenbezit van de abdij langzaam maar zeker uit. In de loop van de veertiende eeuw waren er al meer dan dertig hoeven in de omgeving van de abdij opgericht. Nadat deze uitbatingen door de abdij tot bloei waren gebracht, werden ze in huur gegeven aan vrije lieden. De paarden en het vee die nodig waren voor het werk op het veld, waren gewoonlijk in gemeenschappelijk bezit met de abdij[8]

Natuurlijk bleef ook de abdij niet gespaard van moeilijkheden. Meermaals moest men processen inspannen om het eigendomsrecht over bepaalde goederen te verdedigen. Bovendien was de abdij een geliefkoosd slachtoffer van soldaten, plunderaars en rovers. Ook de talrijke conflicten die in de regio werden uitgevochten, hebben hun sporen nagelaten. Om te kunnen voldoen aan speciale oorlogsbelastingen werd de abdij soms gedwongen een deel van haar goederen te verkopen. Toen de abdij in 1598 los kwam van het bisdom ’s-Hertogenbosch bijvoorbeeld werd hiervoor, naast een aanzienlijke geldelijke vergoeding, afstand gedaan van een twintigtal hoeven[9].

Ondanks deze tegenslagen bleef het bezit van de abdij van Tongerlo toenemen, waardoor ze niet enkel de rijkste, maar ook de grootste abdij van Brabant werd. In tabel 1, opgesteld aan de hand van het rapport de Külberg, worden het jaarinkomen en het aantal kloosterlingen en hoeven van enkele grote Brabantse abdijen met elkaar vergeleken[10]. Deze lijst, die werd opgemaakt op vraag van de Oostenrijkse regering, gaf niet aan hoeveel boerderijen de abdij van Tongerlo in haar bezit had. Uit andere documenten weten we echter dat op het einde van de achttiende eeuw meer dan honderd hoeven, waarvan een deel gelegen op het grondgebied van het huidige Nederland, rechtstreeks afhankelijk waren van de Witheren van Tongerlo[11].   

 

Tabel 1: het inkomen, het aantal kloosterlingen en hoeven van enkele Brabantse abdijen in vergelijking met de abdij van Tongerlo (einde 18de eeuw)[12]

abdij

totaal inkomen

aantal

kloosterlingen

aantal

hoeven

 

(in gulden)

 

 

Averbode

63.864

86

37

Dielegem

24.973

34

14

Grimbergen

56.994

37

5

Park

46.209

52

17

St.-Gertrudis

41.200

9

4

St.-Michiels

74.065

46

82

Vlierbeek

21.843

21

14

 

 

 

 

Tongerlo

123.375

118

+ 100

 

Voor alle drie de parameters scoorde de abdij van Tongerlo het hoogst. Wat betreft het aantal kloosterlingen telde ze er bijna dubbel zoveel als de anderen. Enkel de abdij van Averbode, eveneens gesitueerd in de Kempen, kwam in de buurt van dit aantal. Een gelijkaardige situatie zien we bij het jaarinkomen en het aantal hoeven. De uitstraling en de invloed van Tongerlo was zo groot dat ze terecht tot een van de beroemdste abdijen van heel België mag gerekend worden[13].

Toch was het niet alleen voorspoed dat de abdij kende. De opeenvolging van oorlogen en conflicten leidde niet enkel tot verliezen binnen de abdijmuren, maar ook de abdijbezittingen elders kregen het zwaar te verduren. Een combinatie van afpersing en zware oorlogslasten bracht veel pachters ertoe hun hoeven te verlaten op zoek naar betere leefomstandigheden in de steden of dorpskernen. Door de zware financiële eisen kon dit verlies aan inkomsten moeilijk opgevangen worden.

Tot het midden van de achttiende eeuw bleven de lasten eerder beperkt tot een financiële bijdrage. Zo werden de Norbertijnen van Tongerlo in 1760 verplicht 50.00 gulden te betalen als vergoeding aan de keizerin. Geleidelijk begon echter de houding van de centrale overheid tegenover monastieke instellingen in haar geheel te veranderen. De macht van de kloosters, die zich in de eerste plaats deed voelen op het platteland, vormde voor de Oostenrijkers een te grote dreiging voor hun gezag[14]. Het grote gevaar schuilde in de snelle uitbreiding van het aantal religieuze instellingen. Rond het midden van de achttiende eeuw telde men in de Oostenrijkse Nederlanden immers meer dan zevenhonderd kloosters en abdijen. In 1786, na de maatregelen van Jozef II, was hun aantal al sterk verminderd[15].

In dezelfde periode drong de Oostenrijkse administratie aan op een verregaande centralisatie van zowel wereldlijke als religieuze instellingen. Deze maatregelen stuitten op het hardnekkig verzet van de lokale bevolking, die haar privileges niet wenste prijs te geven. Door hun steun aan dit verzet geraakten ook de abdijen bij de opstand betrokken en werd de repressie van Jozef II nog heviger. De abdij van Park werd afgeschaft, de anderen onder toezicht geplaatst. Tot een inbeslagname is het in Tongerlo ten tijde van de Oostenrijkers nooit gekomen[16].

Pas in december 1796 hield de abdij van Tongerlo werkelijk op te bestaan, al was het maar voor enkele decennia. Om het hoofd te kunnen bieden aan de vele oorlogsschattingen werden de Norbertijnen verplicht een deel van hun goederen te verkopen. Eens de kloosterlingen verjaagd, werden ook de nog resterende abdijbezittingen verbeurd verklaard en als ‘zwartgoed’ verkocht. Ook de abdijgebouwen zelf bleven niet gespaard. De verwoesting had haar werk volbracht. Van de grootste Kempische abdij bleven uiteindelijk drie grote gebouwen en enkele werkhuizen over. Al het overige werd door Franse militairen met de grond gelijk gemaakt[17].

Toen de abdij kort na de Belgische onafhankelijkheid opnieuw werd opgericht, eerst nog in het kasteel van Broechem, bleef van het uitgebreide abdijbezit van weleer niets meer over. Nog geen vijftien van de vroegere kloosterlingen maakten de heroprichting nog mee. In 1840, toen de kloosterlingen erin slaagden de overblijvende abdijgebouwen opnieuw te bemachtigen, was de terugkeer naar Tongerlo een feit[18]. Geleidelijk werden kerk en kloostergebouwen opnieuw opgetrokken en begon de abdij van Tongerlo aan een tweede leven.

 

 

2. Essen en Kalmthout in het verleden

 

Sinds het midden van de twaalfde eeuw vormden de huidige gemeenten Essen en Kalmthout, samen met een deel van het Nederlandse Huijbergen, een heerlijkheid onder de controle van de abdij van Tongerlo. Tot het einde van het Ancien Regime zou aan deze situatie niets veranderen.

Essen en Kalmthout zijn twee gemeenten in het noorden van de provincie Antwerpen, gelegen aan de Nederlandse grens. In het verleden maakten ze deel uit van het hertogdom Brabant. Ze behoren tegenwoordig tot een natuurlijk gewest dat men de Kempen noemt, en meer bepaald de Noorderkempen. De bodem bestaat uit zandgronden, duinen en heivelden[19]. Tot in het begin van de negentiende eeuw was de heide alomtegenwoordig. Net als voor de hele Kempen werd de lokale bevolking dan ook voortdurend geconfronteerd met de ongemakken die de heide met zich meebracht. Door de ondoordringbaarheid van de leemlaag in de bodem ontstonden er vennen en moerassen. De aanplanting van uitgestrekte bossen kwam er pas met de nieuwe ontginningsbeweging op het einde van de achttiende eeuw[20]. Die barre, voor landbouw schijnbaar weinig geschikte wildernis werd doorbroken door een aantal natuurlijke waterlopen, waarvan de Kleine Aa de belangrijkste. Later zou voor de turfwinning nog een uitgebreid netwerk van vaarten en kanaaltjes worden aangelegd.

De werkelijke geschiedenis van Essen en Kalmthout begint ongeveer rond het midden van de twaalfde eeuw, wanneer het gebied in handen kwam van de Witheren van Tongerlo. Omstreeks 1150 schonk een lokale grondeigenaar, Arnold de Brabander, de helft van de heerlijkheid Kalmthout aan de pas gestichte abdij. Enkele jaren later werd, door de schenking van Berner van Rijsbergen, het allodium Essen daaraan toegevoegd. Ook gronden aan de andere kant van de huidige landsgrens kwamen onder controle van de Norbertijnen[21].

Absoluut heer en meester was de abdij echter niet. Tot de zeventiende eeuw hadden inwoners van Essen-Kalmthout immers twee heren, namelijk de abt van Tongerlo, met de lagere jurisdictie, en de hertog van Brabant, als overheer met hoge rechtsheerlijkheid. Toen in 1651 de Brabantse geldkoffer, op dat ogenblik in handen van de Spaanse koning, zo goed als leeg bleek te zijn, werd ook de hoge heerlijkheid over Essen, Kalmthout en Huijbergen te koop aangeboden. Voor achtduizend gulden namen de abten van Tongerlo de hoge rechtsmacht van de hertogen over. De inwoners van de heerlijkheid waren voortaan dan ook volledig afhankelijk van de abdij van Tongerlo[22].

In de geschiedenis van Essen en Kalmthout werden perioden van bevolkingstoename afgewisseld met ontvolking en leegloop. Als gevolg van oorlog, hongersnood en ziekte werd de bevolking meermaals uitgedund. Telkens zorgden de inspanningen van de abdij ervoor dat de gronden opnieuw aantrekkelijk werden, waardoor de bevolking na verloop van tijd zou terugkeren. Zo zien we dat in 1437 Essen en Kalmthout samen 371 bewoonde huizen telden. Door de hongersnoden die Brabant en Vlaanderen op dat ogenblik teisterden waren er vijf jaar later honderd woningen minder[23].

De zestiende eeuw begon een stuk beter. Heel wat gronden werden terug in cultuur gebracht, waardoor de bevolking opnieuw zou toenemen. Al gauw bleek echter dat het slechts om een tijdelijke toestand ging. Met de start van de Tachtigjarige Oorlog begon ook voor de heerlijkheid Essen-Kalmthout een periode van armoede en geweld. De achteruitgang van de bevolking kan mooi geïllustreerd worden aan de hand van de woningstatistieken van 1518 en 1610 (bijlage 1).

In een tijdspanne van een halve eeuw werden Essen en Kalmthout drie maal leeggeplunderd en voor een groot deel uitgemoord. In 1587 telde Essen geen enkele vaste inwoner meer en bleef in Kalmthout het aantal huwelijken steken op twintig.

Terwijl de strijdende troepen verder trokken, bleven beide dorpen verwoest en verlaten achter[24]. In het begin van de zeventiende eeuw werden de plunderingen gewoon voortgezet. Ook na de vrede van 1648 bleef het rommelen. Spanje was aanhoudend in oorlog met Frankrijk, en voortdurend werd de lokale bevolking betrokken in de wederzijdse verliezen. Van verwoesting en verbranding bleef de streek ditmaal gespaard. Het waren eerder financiële lasten die zwaar op de schouders wogen[25].     

Rond het midden van de zeventiende eeuw bereikte de armoede in de streek een hoogtepunt. Elk jaar smeekten de inwoners de Staten van Brabant om een belastingverlaging. Een overdreven haardtelling uit 1526 leidde ertoe dat  Essen en Kalmthout veel zwaarder werden aangeslagen dan de andere dorpen in de omgeving[26]. In 1693 zou er dan ook een nieuwe telling volgen. 

Na de dood van de Habsburgse koning Karel II kwam er een einde aan de Spaanse overheersing. Al gauw brak er een strijd uit met de Spaanse kroon als inzet. Hierbij nam Frankrijk, met Spanje, het op tegen Oostenrijk, dat de steun kreeg van Engeland en de Nederlandse republiek. In 1701 werd er dwars door ons land een verdedigingslinie opgetrokken. Opnieuw lagen Essen en Kalmthout in een soort van niemandsland, waar tal van vijandelijke troepen actief waren. De lokale bevolking werd echter evenzeer onder de voet gelopen door vriendschappelijke troepen. Nieuwe plunderingen waren dan ook een logisch gevolg[27].

Bij de vrede van 1714 kwamen de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks gezag en een periode van vrede en relatieve rust zou volgen. In 1740 brak echter de Oostenrijkse Successieoorlog uit. Veel mannen uit Essen en Kalmthout werden te werk gesteld aan de vestingen van Antwerpen, Bergen-op-Zoom, Hasselt en Maastricht. Paarden en karren werden voor verschillende dagen opgeëist voor het transport van mondvoorraad en oorlogsmaterieel. Voortdurend waren er boeren op weg naar voor hen verafgelegen plaatsen.

In mei 1748 kwam het tot een wapenbestand. De troepen van de Fransen zouden zich terugtrekken achter een lijn ten zuiden van Kalmthout en de anderen ten noorden van Essen. Ongeveer twee maanden na het ondertekenen van de het vredesverdrag in Aken, oktober 1748, keerden de Franse troepen terug naar hun thuisland. Opnieuw brak er een rustige tijd aan, maar de naweeën van de voorbije oorlog zou men nog lang blijven voelen[28].

Tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw kenden Essen en Kalmthout opnieuw een periode van bloei. Dit had men vooral te danken aan de komst van provisor Hermans. Hij deed de oorlogsschade vergeten en herstellen, en zorgde ervoor dat de tienden nauwkeurig betaald werden. In 1780 vertrok hij, als nieuwe abt, opnieuw naar Tongerlo. Op De Greef werd hij vervangen door provisor Marcellinus Heylen[29].       

Het uitzicht van onze streek op het einde van de achttiende eeuw kan zeer nauwkeurig bestudeerd worden aan de hand van de Ferrariskaart[30]. We zien heel duidelijk de grens tussen akkerland en woeste gronden. In het centrum van de heerlijkheid, directe nabij de bewoning, lagen de in cultuur gebrachte gronden, waarvan een groot deel omgeven door een haag. Daarbuiten was er de uitgestrekte heide, onderbroken door een heuvelrug en enkele vennen. Bossen waren eerder schaars. Hier en daar zien we echter al bosaanleg aan de grens van de heide. De opbrengst in hout volstond nochtans niet voor het plaatselijk gebruik, waardoor de bevolking genoodzaakt werd turf te steken op de heide en in de moeren. De meeste inwoners leefden nog van de landbouw en gebruikten daarbij de heide als weigelegenheid voor het vee[31].

De komst van de Fransen bracht opnieuw moeilijkheden. Op 1 oktober 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden officieel door Frankrijk geannexeerd. Na een periode van meer dan zeshonderd jaar werden de Norbertijnen niet langer erkend als eigenaar van de heerlijkheid. Heel het stelsel van feodaliteit werd afgeschaft. De gemeenten Essen en Kalmthout, eeuwen lang verenigd onder een enkel bestuur, werden gescheiden en ingericht volgens de regels van de Franse Republiek[32].       

 

 

Hoofdstuk 2: De bezittingen van de abdij van Tongerlo in Essen-Kalmthout

 

1. De bronnen

 

Om een duidelijk beeld te kunnen scheppen van de bezittingen die de abdij van Tongerlo door de eeuwen heen verworven had in de heerlijkheid Essen-Kalmthout, hebben we ons gebaseerd op verschillende soorten bronnen. De meeste van deze bronnen vonden we terug in het abdijarchief van Tongerlo zelf, waar voldoende materiaal voor handen was om een mooi overzicht te kunnen opstellen.    

 

Het archief van de abdij is ingedeeld in vijf secties. Van elke sectie bestaat een uitgebreide inventaris, waarin de voornaamste elementen met betrekking tot het archiefstuk zijn opgeschreven, zoals het aantal folio’s, een datering, eventueel bijkomende informatie, enzovoort.

Voor ons onderzoek waren vooral secties II en IV het meest bruikbaar. In sectie II vinden we immers alle documenten die door de kloosterlingen werden opgesteld in verband met het economisch beheer van het abdijdomein. Het gaat hier zowel om bepalingen die geldig waren voor alle bezittingen van de abdij, als om specifieke voorschriften voor een regio in het bijzonder. Met betrekking tot de goederen in Essen en Kalmthout vonden we hier de algemene en bijzondere voorwaarden van verpachting en pachtcontracten, een reeks ontvangstboeken van pachtgelden, rekeningen van de provisor en zelfs beschrijvingen en metingen van een aantal belangrijke abdijhoeven.   

Een groot deel van de pachtcontracten waarover hierboven werd gesproken, staan neergeschreven in de pachtboeken. Deze boeken werden per regio opgesteld. Binnen elke regio wordt wel per dorp vermeld welke goederen er verpacht werden. Voor elke hoeve staat eveneens opgegeven hoeveel de pachtprijs bedroeg en voor welke termijn het contract geldig was. De algemene pachtvoorwaarden zijn niet in de losse huurcontracten opgenomen, maar worden voor elke reeks nieuwe contracten in het pachtboek vermeld. Deze contracten geven een theoretisch zicht op de manier waarop pachter en verpachter met elkaar dienden om te gaan. De werkelijke toestand van de pachters en hun schulden vinden we in de rekeningen. Deze geven jaarlijks per hoeve een overzicht van de betalingen, zowel in natura als in geld, die door de huurders aan de abdij werden gedaan. Op die manier komen we heel wat te weten over de ware relatie tussen de abdij en haar pachters. Door beide bronnen met elkaar te vergelijken kunnen we nagaan in hoeverre de voorwaarden die bij het begin van een contract werden vastgelegd in werkelijkheid ook werden nageleefd. In een ander interessant document vonden we de beschrijving van enkele hoeven uit het begin van de zestiende eeuw. Door deze gegevens te verifiëren met latere beschrijvingen, kan dit als basis dienen voor het onderzoek naar de verandering in de bezitsstructuur.

Sectie IV bestaat uit talrijke bundels losse archiefstukken. Deze stukken zijn geordend volgens inhoud. De eerste verzameling documenten, voor ons het meest interessant, verschafte eveneens informatie over de talrijke pachthoeven. Denken we hierbij aan losse pachtcontracten, beschrijvingen van processen tegen pachterss, inventarissen van enkele hoeven, enzovoort. Daarnaast vonden we hier gegevens over de verpachting van tienden, de bouw van molens, regels voor de ontginningen en enkele goederenstaten. 

Tenslotte hebben we natuurlijk ook gebruik gemaakt van kaartmateriaal. De abdij bezit nog een groot aantal exemplaren van vroeger opgemaakte kaarten[33]. Dankzij deze plannen, die werden samengebracht in sectie III, zijn we in staat het uitzicht en de samenstelling van de hoeven die we bestuderen te reconstrueren. Bovendien kunnen ze erg nuttig zijn voor de studie van de economische activiteiten van de abdij en de ontginningen. De figuratieve kaarten van Tongerlo kunnen we in drie chronologische groepen indelen. De eerste groep werd gemaakt in de jaren 1656-1661, de tweede tussen 1694 en 1722 en de derde groep dateert uit het begin van de achttiende eeuw. Kaarten van een vroegere datum hebben we niet aangetroffen en zijn waarschijnlijk ook nooit gemaakt[34]. Een deel van de kaarten uit de zeventiende eeuw werden gebundeld in een kaartenboek. Meer dan veertig kaartjes werden hierin teruggevonden. Van enkele andere hoeven troffen we losse plattegronden aan. Een aantal van deze plattegronden zijn opgenomen in bijlage 2. Aangezien al deze plannen door professionele landmeters werden opgetekend, kunnen we ervan uitgaan dat ze in grote mate betrouwbaar zijn.   

 

 

2. Het goederenbezit van Tongerlo in Essen en Kalmthout

 

In de twaalfde eeuw leefde West-Europa nog volop in de domaniale periode. Voor vele heren, zowel wereldlijke als kerkelijke, vormde grondbezit de belangrijkste bron van inkomsten[35]. Om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, hadden ook de pas gestichte abdijen nood aan een eigen domein. Zoals reeds gezien verwierf de abdij van Tongerlo bij haar stichting een beperkte oppervlakte grond, een molen, enkele huizen en hoeven[36]. Dit was ruim voldoende om de eerste jaren rond te komen. Net als vele andere abdijen wisten de Norbertijnen van Tongerlo hun grondbezit in de loop van de Middeleeuwen aanzienlijk uit te breiden. Door de nog gunstige economische toestand ging de lokale landadel vaak over tot het schenken van uitgestrekte gronden. Op die manier hoopten tal van adellijke families hun bezit bij elkaar te houden. Door gronden te schenken aan een klooster of een abdij werden deze immers gevrijwaard van erfenis of verkoop. Bovendien behielden vele plaatselijke heren in zekere mate controle over de geschonken abdijgoederen. Vaak ging dit gepaard met het intreden van één of meer kinderen in het klooster. Door het prestige dat met zo een schenking gepaard ging, kon men zich overigens onderscheiden van het gewone volk. Daarnaast speelden ook religieuze motieven een belangrijke rol. Velen hoopten hun plaats in de hemel veilig te stellen. In ruil voor grond namen de kloosterlingen de zorg voor het zielenheil van de schenker en zijn afstammelingen op zich[37]. Door die massale schenkingen groeiden de kleine bezitskernen uit tot omvangrijke domeinen. De Witheren van Tongerlo bezaten op het einde van de achttiende eeuw, verspreid over het hele hertogdom Brabant, meer dan honderd pachthoeven met uitgestrekte akkerlanden, heidegronden en bossen.

In de heerlijkheid Essen-Kalmthout alleen al bezat de abdij in het begin van de zestiende eeuw, op 365 bestaande huizen en hoeven na, alle verbouwde gronden[38]. De vruchtbaarste plekken behoorden tot haar abdijhoeven, terwijl de rest werd verpacht aan zelfstandige boeren. Rond 1686 werd van de totale oppervlakte van de heerlijkheid, samen meer dan 12.000 hectaren, slechts 19 % in gebruik genomen. De overige gronden waren niet in cultuur gebracht[39]. Aan de hand van een telling die werd uitgevoerd door het dorpsbestuur, krijgen we een duidelijk overzicht van de toestand in Essen-Kalmthout in 1686. Diezelfde telling gaf ook aan in welke mate het bebouwde land in handen was van de Witheren van Tongerlo. Beide resultaten worden in onderstaande tabel naast elkaar gezet[40].

 

Tabel 2: oppervlakte in gebruik genomen gronden in de heerlijkheid Essen-Kalmthout en het aandeel in handen van de abdij, 1686 (in hectaren)

 

totaal

van de abdij

in %

 

 

 

 

zaailand

1.974,05

308,1

15,61

zure weiden / beemden

141,27

53,95

38,19

ettingen / gagelvelden

91

31,85

35,00

bossen

88,62

55,25

62,34

jonge geplante bossen

13

13

100,00

binnenheide

390

239,85

61,50

 

 

 

 

TOTAAL

2.697,94

702

26,02%

 

Hieruit blijkt dat 26,02 % van de gebruikte gronden in de heerlijkheid Essen-Kalmthout eigendom was van Tongerlo. Wel zijn er belangrijke verschillen naargelang de aard van de grond. Zo was het zaailand grotendeels in handen van de lokale bevolking. Dit is begrijpelijk aangezien de lokale bevolking hoofdzakelijk leefde van de landbouw. Verder in het verslag lezen we immers ‘dat in desen dorpe niet en syn eenige persoonen doende traffieck oft neiringhe’[41]. Bijna elk huishouden had dus nood aan een eigen stukje grond dat kon bewerkt worden om in het onderhoud te kunnen voorzien. Het aandeel allodiale goederen bleef eerder beperkt. Van de totale oppervlakte zaailand werden 1.593 hectaren (80,7 %) door kleine boeren in cijns gehouden[42]. Het zaailand in het bezit van de abdij was altijd verbonden aan een pachthoeve. Het grootste deel van de bossen en de binnenheide was dan weer bezit van de abdij. Deze laatste gronden sloten aan bij het cultuurland van een hoeve en zouden als eerste in aanmerking komen om te worden ontgonnen..

Ondanks het groot economisch belang van de hoeven mag men de andere bezittingen niet uit het oog verliezen. Daarom lijkt het ons aangewezen om een overzicht te geven van de verschillende soorten goederen waarover de abdij beschikte in de heerlijkheid Essen-Kalmthout.

 

2.1. Hoeven

 

Geleidelijk aan verwierven de Norbertijnen in de heerlijkheid Essen-Kalmthout een grote hoeveelheid gronden. Toen de abdij in het midden van de twaalfde eeuw een deel van Kalmthout in handen kreeg, bestond dit gebied hoofdzakelijk uit een woestenij van vennen, moeren en heide. Om ervoor te zorgen dat die onvruchtbare, schrale gronden na verloop van tijd toch rendabel zouden worden, moest er in de eerste plaats ontgonnen worden. De kloosterlingen begonnen onmiddellijk met de bouw van twee boerderijen om van daaruit het hele gebied in cultuur te brengen[43]. Ook elders gingen de abdijen over tot het oprichten van dergelijke uithoven. Voor de kloosterlingen was het zo eenvoudiger om de geschonken landerijen, die dikwijls ver van de abdij verwijderd lagen, te exploiteren[44]. Aanvankelijk werden deze grote boerderijen uitgebaat door lekenbroeders, die eveneens zorgden voor het in cultuur brengen van de omliggende woeste gronden. Zij werden hierin bijgestaan door plaatselijke dienstleden en werklieden, die zich geleidelijk aan rond de hoeven begonnen te vestigen. Waar de ontginningen ver genoeg gevorderd waren, werden er nieuwe hoeven opgericht. Sommigen werden rechtstreeks door de abdij zelf uitgebaat, terwijl anderen aan de dienstleden werden geschonken, mits betaling van een cijns[45].

De structuur van een uithof was steeds dezelfde. Het centrum van een uitbating werd gevormd door een hoeve die bestond uit een woonhuis met een schuur en enkele stallen. Aansluitend lagen de reeds bebouwde landen. Aan het einde vond men bossen, moerassen en heidegronden die nog ontgonnen moesten worden[46]. Een gelijkaardige structuur vinden we later terug bij de talrijke pachthoeven.

Hoewel de abt het hoogste gezag uitoefende over alle goederen, was het dagelijks beheer van de uithoven en andere onroerende goederen in handen van een provisor. Hij bepaalde welke gronden mochten ontgonnen worden en welke hoeveelheid vee elk hoeve nodig had. Gewoonlijk oefende de provisor zijn gezag uit vanuit de abdij zelf, al gebeurde het dat hij zich, tijdelijk of permanent, ter plaatse vestigde om de activiteiten beter te organiseren.

Door het langzaam verdwijnen van de lekenbroeders werden de abdijen gedwongen de directe grondbebouwing op te geven. Vanaf de veertiende eeuw werden steeds meer abdijhoeven aan vrije lieden verpacht. Op het einde van de Middeleeuwen was tijdpacht een algemeen verschijnsel[47]. Door deze grondige herstructurering van het grondbezit verzekerden de kloosterlingen zich van bepaalde inkomsten. De meeste contracten werden voor zes tot twaalf jaar afgesloten zodat de abdij de pachtprijs kon aanpassen aan haar financiële behoefte.

 

In de heerlijkheid Essen-Kalmthout bezaten de Witheren van Tongerlo op het einde van de veertiende eeuw twaalf hoeven. In de loop van de volgende eeuwen zou dit aantal nog uitbreiden. Tegen het einde van het Ancien Regime had de abdij er zesentwintig in haar bezit[48]. De meerderheid van deze hoeven bestond reeds in de veertiende eeuw, maar zijn pas later in handen gekomen van de Norbertijnen. Verder zou ook de abdij zelf over gaan tot het oprichten van nieuwe boerderijen. De regio Essen-Kalmthout telde daardoor, samen met Tongerlo zelf, de grootste concentratie abdijhoeven. Een overzicht van de dorpen waar de abdij van Tongerlo één of meer hoeven in bezit had, wordt gegeven in bijlage 3. Ondanks de grote gelijkenis tussen de manier van exploitatie en de opbouw van de verschillende hoeven verschilt de gemiddelde bedrijfsgrootte van regio tot regio. In tabel 3 worden de abdijhoeven ingedeeld per regio en volgens de grootte van het areaal[49].

 

Tabel 3: indeling van de abdijhoeven per regio en per grootte (anno 1750)

regio

< 15 ha

15-30 ha

> 30 ha

 

 

 

 

Alphen

4

8

0

Kalmthout

11

15

0

Lier

2

10

12

Tienen

0

1

3

Tongerlo

3

9

21

 

 

 

 

TOTAAL

20

43

36

 

De bedrijfsoppervlakte van een gewone Kempische landbouwer lag gemiddeld rond de vijf hectaren[50]. Wat betreft het landbouwareaal en economische impact behoorden de abdijhoeven dus tot de belangrijkste en grootste bedrijven van het dorp. In tegenstelling tot tal van privé-boerderijen, bleven de abdijhoeven immers gespaard van voortdurende erfdelingen. Vooral een toename van de plattelandsbevolking had versnippering tot gevolg. Een pachtcontract was daarentegen persoonlijk en kon niet erfelijk overgedragen worden. Vaak gebeurde het wel dat een van de nabestaanden een nieuw contract met de abdij afsloot en zo de boerderij in zijn totaliteit overnam.

Als we de abdijhoeven vergelijken met andere grote hoeven valt het echter op dat de Brabantse Witheren de voorkeur gaven aan bedrijven met een bescheiden oppervlakte. Grote bedrijven bezaten over het algemeen meer dan vijftien hectaren grond[51]. Tabel 3 geeft aan dat  in de heerlijkheid Essen-Kalmthout de nadruk lag op middelgrote en grote hoeven. Een vergelijking met de andere hoeven van Tongerlo toont immers dat de uitbatingen in Essen en Kalmthout, net als in Alphen, beperkt waren in grootte. Van elf hoeven was de oppervlakte kleiner dan vijftien hectaren. De grote bedrijven, waarvan vijf nauwelijks meer dan vijftien hectaren, bleven overigens allemaal onder de zesentwintig hectaren. Het overwicht aan grote landbouwbedrijven was veel nadrukkelijker in het zuiden van het hertogdom Brabant en in Haspengouw[52].

De samenstelling van de uitbatingen bleef nagenoeg onveranderd. De onderstaande tabel, die werd opgemaakt aan de hand van een goederenstaat uit 1510, geeft de structuur van enkele abdijhoeven. De gronden werden ingedeeld zoals ze in de goederenstaat stonden beschreven[53].

 

Tabel 4: samenstelling abdijhoeven, 1510 (in hectaren)

naam hoeve

 

huis

zaailand

heide

etting

weide

bos

totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

nieuwe hoeve op Nieuwmoer

3,03

8,67