| Latijnse epigrafische poëzie uit de republiek. Repertorium, vertaling en studie. (Wouter Keuleers) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Opmerking: getallen en percentages dienen slechts om een duidelijker inzicht te geven in de opgenomen inscripties. Het is zeker niet de bedoeling om deze cijfers tot globale conclusies voor de bestudeerde periode te veralgemenen. Daarvoor is het opgenomen materiaal te beperkt.
3.1 Wat is een carmen en wat niet; de verhouding funerair en niet-funeraire inscripties
In deel 1 zijn de criteria om een inscriptie al dan niet als een carmen te beschouwen, besproken. Na een studie van de metriek en de toepassing van deze criteria krijgen we de resultaten die in tabel 1 in de appendix zijn weergegeven.
Een eerste blik op deze tabel leert ons het volgende: van de 77 inscripties die door Bücheler en latere editoren van CLE zijn opgenomen, kunnen er 59 als metrisch worden beschouwd. De andere 18 zijn niet metrisch of het metrisch karakter is te vaag, of te arbitrair bepaald en zij worden niet in deze studie bestudeerd. Ook het carmen Arvale valt af (cf. infra), samen met de Osko-Umbrische inscriptie voor Gaius Anaeus (CIL I², 3230),[758] waardoor we nog 57 inscripties overhouden. De rest van deze studie behandelt deze 57 inscripties.
51 van deze 57 inscripties zijn grafschriften, waarvan er 2, of misschien 3 een hybride karakter hebben: ze staan wel bij een graf, maar hebben verder alle kenmerken van een elogium. (bedoeld worden de Scipio inscripties 6/7 en 8/9, misschien ook 15). De verdeling van de andere inscripties is dan als volgt: 3 wij inscripties, één enkele ere-inscriptie (CIL I², 652; Tuditanus), één voorbeeld van instrumentum (de sortes) en één graffito. In plaats van als ere-inscriptie zou men de inscriptie voor Tuditanus eveneens als wij-inscriptie kunnen beschouwen, in dit geval hebben we 4 wij-inscripties en geen enkele ere-inscriptie. Het carmen Arvale, de enige religieuze inscriptie, hoort ook niet echt thuis in dit overzicht.
Opmerkingen:
Het fragmentarisch overgeleverde Scipio-fragment (CIL I², 14) heb ik als metrisch aanvaard, ook al kan het metrum niet nader bepaald worden.
De sortes worden in dit overzicht als één enkele inscriptie behandeld, daar zij waarschijnlijk allemaal voor hetzelfde orakel dienst deden (zelfde plaats, zelfde vorm, zelfde periode, zelfde taal en stijl). Men zou voor de inscripties van de Scipiones hetzelfde kunnen doen (zelfde graf), maar daartegen zijn de volgende bezwaren aan te voeren: het gaat om verschillende personen, tussen de oudste en de jongste inscriptie zit meer dan een eeuw, er zijn verschillen in taal, stijl en metrum. Kortom: het zijn verschillende inscripties. De inscripties voor Amarantus en Optatus, hoewel in CIL als één inscriptie onder hetzelfde nummer gebracht, worden daarentegen afzonderlijk beschouwd omdat het verschillende inscripties zijn
Carmen Arvale: indien we de datering van Piva buiten beschouwing laten, zou het carmen Arvale het oudste epigrafisch gedicht zijn, waarvoor de datering van Norden, rond het einde van VA en het begin van IVA, als terminus ante quem kan gelden. Nochtans is het eigenlijke epigrafische karakter van het carmen Arvale pas een goede 250 jaar na de republiek ontstaan, en het heeft weinig zin om dit carmen te relateren aan de andere carmina epigraphica rei publicae.
Conclusies:
- Van de inscripties die door de verschillende CLE-editoren zijn opgenomen, moet ongeveer een kwart als niet metrisch beschouwd worden (23,5 %). Er kunnen verschillende redenen aangevoerd worden voor dit vrij hoge aantal niet-metrische "carmina": het gebrek aan duidelijke criteria om iets als carmen te catalogiseren, het enigmatisch karakter van de versus saturnius, en vooral, de conjecturale gretigheid waarvan sommige editoren blijk hebben gegeven.[759] Büchelers inleidende commentaar bij CLE 1851 is op dat gebied veelzeggend.[760]
- Het overgrote deel van deze inscripties zijn funeraire carmina (ca 89,5 %), gevolgd door een klein aantal wij-inscripties (ca 5 %). Het aandeel van ere-inscripties en instrumentum is marginaal.
- Er zijn geen geversificeerde bouwinscripties uit de republiek teruggevonden of herkend.
- De verdeling over de metra: 10 saturnii, 24 jambische senarii, 6 hexameters, 8 elegische disticha, 3 scenische metra, 2 commatica en 4 carmina waarvan het metrum niet zeker is. De jambische senarius maakt hier de grootste groep uit, gevolgd door de dactylische metra. De saturnius komt pas op de 3de plaats.
3.2 De chronologische spreiding
Om de inscripties chronologisch in kaart te brengen, wordt gewerkt met periodes van een halve eeuw. Het is weinig zinvol om kleinere periodes aan te houden, gezien inscripties moeilijk nauwkeurig kunnen gedateerd worden.[761] Voor een aantal inscripties is een halve eeuw zelfs te nauw en is een ruimere periodisering aangewezen. Details: tabel 2 in de appendix.
Elogia Scipionum. Nu we het carmen Arvale buiten beschouwing laten, krijgen we als effectief beginpunt voor de epigrafische poëzie de grafschriften voor Gnaius Cornelius Scipio en voor zijn vader Scipio Barbatus. Het eerste dateert uit de tweede helft van IIIA, het tweede moet, indien men de traditionele datering volgt, een paar decennia later gemaakt zijn. Volgens Wachters datering is het oudste gedicht dat van Scipio Barbatus, dat kort voor de helft van IIIA is ontstaan. De relatieve chronologie tussen beiden is misschien omstreden, maar dit verandert weinig aan de belangrijkste vaststellingen:1) deze inscripties zijn gevonden in Rome; 2) in de schoot van een van de meest vooraanstaande families, die tevens haar acmè beleefde in de periode rond en vlak na de tweede Punische oorlog; 3) deze inscripties in eerste instantie grafinscripties zijn en 4) opgesteld zijn in het saturnisch metrum, 5) beide gedichten in opbouw overeenkomen en mogelijk een Griekse invloed ondergingen.
Ook in de 1ste helft van IIA is de oogst aan metrische inscripties eerder gering: nog 2 grafschriften voor de Scipiones, het grafschrift voor de mimespeler Protogenes en mogelijk ook de wij-inscriptie van de Vertulei.
Een paar opmerkingen:
- Protogenes is een slaaf, zijn grafschrift is de vroegste metrische inscriptie voor een persoon, die niet tot de hogere kringen behoorde.
- Dit is tevens het eerste carmen, dat niet is opgesteld in Saturnii, maar in hexameters (of hinkjamben?)
- Het is ook de eerste inscriptie die buiten Rome werd gevonden (Amiternum, Sabijns grondgebied)
- Indien we de elogia van scipio Barbatus (6/7) en zijn zoon (8/9) niet in de eerste plaats als grafschrift beschouwen, maar als elogia,[762] dan zijn de carmina voor Protogenes en voor de Scipiones 10 en 11 de eerste grafschriften, en duiken ze pas op in IIP.
- Op het einde van deze periode (of aan het begin van de volgende), duikt de eerste metrische wij-inscriptie op.
- In dit vroege stadium is al meteen sprake van Griekse invloeden: bij de Scipiones vertoont de sarcofaag van Barbatus Griekse stijlelementen en een aantal inhoudelijke elementen van de elogia zijn volgens sommige onderzoekers ontleend aan Griekse voorbeelden.[763] De plaats van het familiegraf zou gekozen zijn in overeenstemming met met de verwachte expansie naar het Zuiden, naar Magna Graecia. Ook voor de mimespeler Protogenes mag men van een Griekse achtergrond of een gehelleniseerde instelling spreken.[764]
Er zijn dus maar 6 metrische inscripties uit deze periode, die de tand des tijds hebben overleefd.
In de tweede helft van IIA krijgen we een paar wijzigingen in het epigrafisch landschap: tegen het einde van deze periode neemt het aantal inscripties toe, en zijn alle metra vertegenwoordigd. De inscripties worden in Rome, Italië en Spanje gevonden.
Uit deze periode: CIL I² 14, 15 (Scipiones), 1202 (M. Caicilius); 364b (wij-inscriptie van het koksgilde), 632 (wij-inscriptie van L. Munius) en 652, de ere-inscriptie (of wij-inscriptie) van Tuditanus.
Mogelijk uit deze periode of aan het begin van de volgende periode: CIL I² 1211, 1251, 1732, 1836, 2273, 3449h.
Bijzonder aan deze periode:
- In deze periode krijgen we de eerste metrische inscripties die buiten Italië zijn gevonden.
- Naast Saturnii zijn ook de jambische senarii en de dactylische metra goed vertegenwoordigd, vooral in de aanloop naar de volgende eeuw.
- CIL I² 1211, 1251; buiten Rome: 1732, 1836, 2273, 3449h zijn sepulcralia die niet in saturnii zijn opgemaakt. Op 1251 na zijn het allemaal carmina voor vrouwen. Behalve 3449h, die een slavinnetje, en tevens kind van een verna was, zijn het carmina voor vrije vrouwen (1211) In deze sepulcralia zijn de affectio maritalis en vaak ook de affectio parentalis centrale motieven. De dedicanten moeten bij ouders en echtgenoten gezocht worden. Ook het slavinnetje wordt samen met haar moeder, door haar vader herdacht.
Het gros van de inscripties dateert dus uit IA.
Uit de eerste helft van IA hebben we:
CIL I², 708, 1209, 1212, 1213, 1215, 1221, 1223a, 1223b, 1259; buiten Rome:
1349, 1761, 1822, 1837, 2997, 2274 (grafinscripties); 632 (wij-inscriptie) en
2540 (graffito).
Uit de tweede helft komen 1216, 1222 en 1283
- Met 708 (Sergii) schijnt de saturnische versmaat zijn laatste vertegenwoordiging gekend te hebben. Dit carmen heeft nog een episch tintje.
- Pas nu krijgen we carmina die we kunnen typeren als zelfportretering of zelfherdenking. (1209, 1212, 1259(?), 1761, 2247)
- 1209, 1349 en 1822 zijn de eerste collectieve graven; in 1209 en 1349 is het carmen slechts aan een persoon opgedragen. 1822 is een niet-gepersonaliseerde inscriptie voor alle begraven personen.
- De eerste carmina voor kinderen verschijnen in deze periode (maar dat was al deels het geval in 3449h).
Eveneens uit IA, maar met een datering die vager
is of open staat voor discussie:
1210,1214, 1218, 1219, 1270, 1347, 1547, 1570, 1603, 1776, 1798, 1924, 1930,
2138, 2139, 2161, 3449d (grafinscripties); en 2173/2189 (sortes).
Het grafschrift voor Lemiso (1325) is niet dateerbaar.
Bijzonder aan deze periode:
- Een forse toename van de CLE begint eigenlijk pas in IA, met vrij veel inscripties die uit de laatste decennia van de republiek stammen.
- Pas nu zien we een echte doorbraak van de Dactylische versmaat en de jambische senarius.
3.3 De geografische spreiding:
De geografische verdeling geeft volgend beeld:
1. Rome CIL I², (6)/7, (8)/9, 10, 11, 14, 15, 708, 1202, 1209, 1210, 1211, 1212, 1213, 1214, 1215, 1216, 1217, 1218, 1219, 1221, 1222, 1223a, 1223b, 1251, 1259, 1270, 1283, 1325, 1347, 1349, 2997.
2. Italië
Latium: CIL I², 1547 (St.-Elia, Casinum), 1570 (Minturnae), 632 (Reate), 1531 (Sora)
Campanië CIL I², 1603 (Capua), 2540 (Pompeji)
Samnium- Hirpini CIL I², 1732 (Beneventum)
Frentani CIL I², 1761 (Atessa)
Paeligni CIL I², 1776 (Sulmo), 1798 (Superaequum)
Aequi CIL I², 1822 (Alba Fucens)
Sabini CIL I², 1836 (Trebula Mutuesca), 1837 (Trebula Mutuesca), 1861 (Amiternum)
Picenum CIL I², 1924 (Urbs Salvia), 1930 (Gallignano)
Gallia Cisalpina CIL I², 2138 (Cremonae, Mantua), 2139 (Cremonae), 2161 (Eporedia)
Falisca CIL I², 364b (Falerii Nova)
Venetia et Istria CIL I², 652 (Aquileia) en mogelijk 2173/2189 (sortes)
3. Hispania
Carthago Nova CIL I², 2273, 2274, 3449d, 3449h
Zoals te verwachten neemt Rome het leeuwendeel
van de CLE voor haar rekening: niet minder dan 31 van de 57 inscripties komen
uit Rome (ca 55 %); 22 uit de rest van Italië
(38 %) en 4 uit Hispania (ca 7 %). In Rome stad zijn alleen sepulcralia
gevonden: het graffito, de wij-inscripties en de ere-inscriptie komen van buiten
Rome
Rome kan dus als officieel vertrekpunt van de carmina epigraphica beschouwd worden. Uit de beginperiode zijn echter weinig voorbeelden overgeleverd en die zijn beperkt tot de elogia Scipionum. Bovendien hebben we ook vroege voorbeelden buiten Rome, zodat het misschien wat te voorbarig is om zondermeer voorop te stellen dat de traditie vanuit Rome zelf naar de provincies is uitgedeind. Maar we hebben natuurlijk weinig voorbeelden.
Carthago Nova is de enige plaats buiten Italië waar geversificeerde inscripties uit de Republiek zijn teruggevonden. Dit bevestigt het beeld dat in de stad al een belangrijke conventus civium romanorum moet aanwezig geweest zijn voor de eigenlijke kolonisatie en dat de stad al ten dele geromaniseerd was.
Wie zijn nu deze mensen die een geversificeerd grafschrift krijgen en wat valt er uit af te leiden in verband met hun sociale status binnen de maatschappij?
Helemaal bovenaan de ladder staat de familie van de Scipiones. Deze behoorde tot de meest vooraanstaande gentes van Rome en in de CLE vertegenwoordigt zij de hoogste stand. Zij zijn de trouwens de enige leden van het Patriciaat waarvoor geversificeerde grafschriften zijn teruggevonden. Hun grafschriften bestrijken een periode van meer dan een eeuw, misschien wel anderhalve eeuw. In totaal zijn er 6 carmina in het familiegraf gevonden, en ongetwijfeld moeten er meer zijn geweest. Er stonden ook proza-inscripties in het graf.
De twee oudste carmina zijn de inscripties voor Barbatus (6/7) en zijn zoon (9/10). De stijl van deze grafschriften ademt strengheid uit en de inscripties volgen een regelmatige opbouw in drie blokken. Ze vermelden de naam van de dode en geven een korte laudatio voor zijn bijzonderste kwaliteiten. Daarna volgt een kort overzicht van hun cursus honorum. Een derde blok beschrijft hun belangrijkste res gestae. In dit stadium is het eigenlijke cursus honorum nog niet zo gedetailleerd en beslaat het maar één regeltje, maar het belangrijkste is aanwezig. Beiden Scipiones hebben de hoogste magistratuur bekleed in de periode voor en tijdens de eerste Punische oorlog en waren leidende figuren in het bestuur van de staat. Ook hun militaire merites waren belangrijk.
De bedoeling van deze inscripties kan samengevat worden als het geven van een ideaalportret van de dode. Hij was een waardig lid van zijn gens en een voorbeeld voor de gemeenschap. De vraag is of deze inscripties enkel als grafschriften bedoeld waren. In feite is er in de tekst niets dat verwijst naar een overlijden en indien deze inscripties niet bij een graf hadden gestaan, had men ze evengoed als ere-inscripties kunnen kwalificeren.[765]
In de twee volgende inscripties (10 en 11) komt het funeraire aspect wel tot uiting Inhoudelijk is er een grote overeenkomst tussen deze inscripties en de twee voorgaande. In de eerste plaats de vermelding van een cursus honorum, dat misschien later is toegevoegd en dat hier beperkt is tot de vermelding van een priesterschap (flamen dialis in 10). Mogelijk is het ook begrepen in de vage omschrijving honos (10 en 11). De laudatio voor de morele kwaliteiten ontbreekt evenmin en het gebrek aan res gestae wordt opgevangen door de anticipatie op wat de dode had kunnen bereiken. De plaats in de familiecatenatio wordt gerechtvaardigd door het potentieel van de dode even veel waardering te geven als de daden van zijn illustere voorouders. Deze inscripties moeten niet alleen het portret van de dode schilderen,ze moeten tevens hem en zijn familie verontschuldigen voor het feit dat hij niet- zoals zijn illustere voorouders - kan bogen op belangrijke functies in de magistratuur, in het openbaar leven en in het leger. In 11 lijkt deze verontschuldiging het belangrijkste motief. In 10 heeft de inscriptie een intiemere toets gekregen. Deze tekst is gericht tot de dode zelf, die in troostende bewoordingen wordt toegesproken. Hier is sprake van troostpoëzie. Dit zijn de vroegste inscripties die duidelijk wel als grafschriften bedoeld zijn.
In de carmina voor Barbatus en zijn zoon kregen de afgebeelde personen een heroïsche dimensie en de strengheid van de inscripties verheft hen bijna tot mythische figuren. Zij worden in de eerste plaats geportretteerd als vooraanstaande leden van de staat, die veel hebben bijgedragen tot het behoud en de grootsheid van Rome. Hun voortbestaan in de inscriptie schijnt zich verder vooral te rechtvaardigen doordat zij niet zozeer als individuen optraden, maar als waardige leden van hun gens.[766] Er is niets in de inscripties dat naar hun meer persoonlijk achtergrond of hun familiale omstandigheden verwijst. Geen karaktertrekken die niet passen in dit geïdealiseerde portret. Pas in de twee volgende inscripties krijgen de overledenen puur menselijke trekken en vertonen de carmina typische funeraire aspecten. Is het toeval dat deze inscripties, die in feite de eerste echte funeraire carmina zijn, ongeveer gelijktijdig opduiken met het grafschrift voor Protogenes?
Een volgend inscriptie (14) voor een Scipio - waarschijnlijk een vrouw - is te fragmentarisch overgeleverd om er veel uit te kunnen afleiden, maar er zijn redelijke vermoedens dat ook hier een metrische tekst bij het graf stond.
De laatste inscriptie uit dit graf, die van Scipio Hispanus, luidt een nieuwe periode in, maar grijpt ten dele ook terug naar het oorspronkelijke karakter van de elogia voor Barbatus en zijn zoon. Men vindt hier de opbouw in drie blokken van de vroegste elogia terug. Alle elementen komen terug: het cursus honorum, de laudatio, en de res gestae. Maar waar bij Barbatus en zijn zoon het cursus honorum eerder beperkt was, wordt dit nu volledig en gedetailleerd weergegeven in het praescriptum. Hier is de laudatio zeer specifiek geconcentreerd op het vermelden van de waarde voor de gens. Ook de res gestae, die niet concreet zijn verwoord, moeten in de eerste plaats dienen om de eer en de roem van de eigen familie hoog te houden. Ondanks de bezorgdheid voor de familie-eer en de inschakeling van de dode in het collectief, is dit carmen ook zeer persoonlijk. Voor het eerst is hier de dode zelf aan het woord. Ook het metrum is vernieuwend, niet langer meer de strenge saturnius, maar elegische disticha, die het carmen een zachtere toon geven.
Heeft het teruggrijpen naar de vroegere vorm van een elogium misschien iets te maken met de herleving van de grootheid van de Scipiones in de persoon van Scipio Aemilianus?
De beroemdste familie van het Republikeinse Rome heeft dus ook een stuk literatuurgeschiedenis geschreven.
Van andere hooggeplaatste Romeinen zijn er geen funeraire carmina teruggevonden die in de republiek kunnen worden gedateerd. Zij ontbreken bijna totaal in het epigrafisch landschap tot IIIP.[767]
Toch vangen we hier en daar een glimp op van figuren die tot de hoogste stand gerekend worden. Het meisje Rancia[768] (1215) wordt in verband gebracht met Q. Rancius, die ten tijde van Sulla als bijzitter aanwezig was bij de redactie van het senatusconsultum over Oropos. Deze bijzitters waren gewoonlijk van senatoriële rang. Als de interpretatie van de tekst juist is, was het meisje zwanger van een tweeling van Q. Rancius toen ze stierf. Maar de inscriptie werd niet gemaakt door Q. Rancius, wel door de vader van het meisje, een vrijgelatene van Q. Rancius. Dit gedicht geeft een laudatio van de dode en gaat dan over in een klaagzang over het hardvochtig lot. Het is een uiting van verdriet voor een gestorven familielid. Het graf was bedoeld als een familiegraf en de onderlinge relaties zijn gebaseerd op bloedverwantschap.
De hoogste klassen komen we daarna alleen nog maar tegen in een grafschrift uit Casinum. Gaius Quinctius Protymus (1547) was de alumnus (beschermeling of cliëns?) van Gaius Quinctius Valgus, die in Pompeji de hoogste magistratuur bekleed heeft, kort na de stichting van deze kolonie. Hij was de opdrachtgever van deze inscriptie die uit een korte lofprijzing voor Protymus bestaat. Protymus moet zijn vroegere slaaf geweest zijn, want Valgus vermeldt zichzelf als patronus. Toeval: Valgus was tevens de financier van het kleine stenen theater van Pompeji, waarop het graffito is teruggevonden. Was hij een beschermer van de kunsten?
L. Sulpicius (2274) tenslotte heeft illustere naamgenoten die het tot senatoriële rang gebracht hebben en die we ook in de hogere magistratuur tegenkomen. Maar zijn tribusopgave Collina schrijft hem een lagere status toe dan sommige, meer aanzienlijke Sulpicii. Hij heeft verder geen sporen nagelaten waaruit we meer kunnen afleiden over zijn sociale status. Zijn grafschrift is een korte laudatio waarin hij wordt voorgesteld als een geliefd man.
Ook P. Clodius Felix en Clodia Athenais (1283) zijn verbonden met een bekende patriciërsfamilie. Zij waren vrijgelatenen van P. Clodius Pulcher. Deze familie heeft in Rome generatie na generatie in het centrum van de macht verkeerd. P. Clodius Pulcher uit de inscriptie heeft een paar ambten vervuld, maar het was vooral zijn vader Clodius Pulcher, volkstribuun in 58a, die bekend en berucht was. P. Clodius Felix heeft de kleine laudatio van zijn conliberta gekregen.
In enkele andere inscripties dragen de overledenen wel een naam die naar een patricisch gens refereert, maar het is weinig waarschijnlijk dat zijzelf lid waren van het patriciaat. Manlia Gnome (1218) en Manlia Sabina (1836) dragen een patricisch gentilicium. Toch verraden ze allebei een nederige afkomst. De ene door haar libertinatio, de andere door haar cognomen. Men heeft wel eens gedacht dat Claudia (1211, misschien met cognomen Nome) door haar naam een lid van het patriciaat was, maar inhoudelijke en formele elementen van het carmen wijzen haar veeleer als de dochter van een vrijgelatene aan.
Ondanks deze vingerwijzingen naar grote namen en mensen uit de hogere klassen, is de daadwerkelijke aanwezigheid van de hoogste klassen in de carmina sepulcralia blijkbaar beperkt gebleven tot de Scipiones en C. Quinctius Valgus, en de laatste enkel als dedicant.
De CLE zijn dan toch in de eerste plaats een zaak van eenvoudige mensen, mensen die politiek en sociaal niet veel te betekenen hadden. Deze carmina bevatten zelden aanwijzingen over beroepen of ambten, en de situering van de overledenen in sociale strata moet in de eerste plaats beroep doen zijn op de gegevens die de onomastiek ons verschaft over hun juridisch statuut.
Om te beginnen zijn er een aantal inscripties voor slaven. Een 6-tal personen kunnen gesitueerd worden in het slavenmilieu.
Een van de vroegste funeraire carmina is trouwens voor een slaaf. Protogenes (1861) - slaaf van Cloulus - de naam van zijn meester in de genitief wijst hem als aan slaaf - krijgt deze twijfelachtige eer.
Hedia[769] (1213) was waarschijnlijk een slavinnetje. De naam van haar meesteres (Vettia) wordt soms in verband gebracht met de vrouw van Verres, maar dit kan niet bewezen worden. Te oordelen naar het taalgebruik was Hedia waarschijnlijk nog een kind. Ze moet geliefd geweest zijn door haar meesteres want ze heeft haar grafschrift van haar gekregen. Dit is tevens het enige carmen uit de republiek dat uitdrukking geeft aan de genegenheid van een meester voor een slaaf. Er is genoeg van de inscriptie overgeleverd om de sympathie en het verdriet van haar meesters in terug te vinden (in delicieis…f]letu ac muneribus replent).
Amarantus (1223b), nog een kind, werd door zijn moeder begraven. Hij was waarschijnlijk een slaaf en zijn moeder moet een slavin geweest zijn. Zijn inscriptie staat misschien op hetzelfde monument als de inscriptie van Optatus (1223a), een ander kind, dat wel vrijgelaten was, maar mogelijk pas bij zijn dood. Indien deze kinderen voor hun grafschrift dezelfde steen deelden, hebben ze tijdens hun leven misschien ook een vorm van onderlinge verwantschap gehad. Mogelijk waren ze conservi of waren hun ouders lid van hetzelfde begrafeniscollege.
Verder is er nog de man met de zeldzame, Egyptisch klinkende naam Lemiso (1325), die blijkbaar een plichtsbewuste indruk wou nalaten met zijn grafschrift. Hij heeft trouw gewerkt tot zijn laatste snik. Zijn grafschrift kan natuurlijk ook anders opgevat worden; als een wrange, pessimistische beoordeling van zijn slavenbestaan.[770] Hij kan zelf voor de inscriptie hebben gezorgd, al dan niet met de medewerking van een begrafeniscollege, of het carmen kwam van zijn vrienden of van zijn meester.
Bij Prima is het vermoeden groot dat ze een slavin van Pompeia was. In haar grafschrift klinkt de teleurstelling door over het bedrieglijke lot dat haar blijkbaar niet veel gegund heeft en het carmen verkondigt aan de bezoekers van haar graf een uitgesproken voorkeur voor de hedonistische levenswijze van de Epicuristen. In deze inscriptie krijgen we iets te zien van de onderlinge solidariteit tussen slaven: haar medeslaven hebben haar de laatste eer bewezen en haar monument bekostigd.
In (3449h) tenslotte, is een slavenmeisje (filiola) bij haar geboorte samen met haar moeder Salviola overleden. Ook haar moeder was verna. Haar meester was misschien ook haar vader, het grafschrift geeft hierover geen zekerheid. Dit carmen verwoordt het gemis dat gevoeld wordt bij het overlijden van een dierbare.
Een trap hoger op de sociale ladder staan de vrijgelaten slaven. Zij vormen na de ingenui de grootste groep die een carmen krijgt.
10 vrijgelatenen hebben een individuele inscriptie gekregen of voor zichzelf laten maken. A. Granius Stabilo (1210) en C. Atilius Euhodus (1212) hebben elk een grafschrift aan zichzelf opgedragen. De juridische slotformule van Euhodus' titulus verleent wel aan aantal andere vrijgelatenen (conliberti?) de toestemming om zich ook in het graf te laten plaatsen, maar er wordt niemand met name genoemd. Misschien is hij wel de enige die in het graf opgeborgen ligt. Ook hier toont de laatste wilsuiting het bestaan aan van een zekere mate van solidariteit tussen ex-slaven. Manlia Gnome (1218) heeft een graf met bijbehorende inscriptie voor zich alleen en ook Atinius Nicephorus (1251) heeft zichzelf nog tijdens zijn leven een grafmonument aangeschaft. Deze mensen waren allen vrijgelaten slaven die zelf voor hun grafmonument hebben gezorgd en ze laten deze zelfstandigheid met een zekere fierheid doorklinken in hun grafschriften.
Carfinia (1270) en M. Statius Chilo (2138) waren vrijgelatenen die elk in een individueel grafschrift herdacht werden, maar bij hen is het minder duidelijk wie daarvoor heeft gezorgd. Mogelijk lag het initiatief bij henzelf.
Eucharis (1214), een vrijgelaten slavin, heeft een van de bekendste carmina uit de Latijnse epigrafie gekregen. Het gedicht gaf uiting aan het verdriet van haar vader en was verder een weergave van de belangrijkste feiten uit haar leven.
Het jongetje Optatus (1223a) was als slaaf geboren en is mogelijk pas bij zijn dood vrijgelaten. Zijn ouders hebben hem begraven en hij heeft een eigen carmen gekregen. Het monument deelt hij mogelijk met een andere slaaf, die niet veel ouder is geworden dan hijzelf. Of dit carmen op een aparte steen stond of samen met de inscriptie voor Amaruntus (cf. supra) deel uitmaakte van een enkel monument, is moeilijk te achterhalen daar het carmen slechts in de mss. van de humanistische auteurs is overgeleverd. Maar zelfs al was het een gezamenlijk monument voor twee overledenen, toch kregen ze elk hun eigen carmen.
Tenslotte zijn er nog Plotia Prune (2273) en G. Quinctius Protymus (1547, cf. supra). Zij hebben allebei een carmen gekregen dat aan elk van hen individueel was opgedragen. In deze inscripties was het de genegenheid van de vroegere meesters die zijn uitdrukking kreeg. Plotia Prune genoot volgens haar grafschrift de waardering van haar patroni, van haar vader en van haar man. Protymus' grafschrift was een huldeblijk vanwege zijn patronus.
Naast deze groep vrijgelatenen zijn er ook een aantal inscripties die bij een collectief graf stonden. Meerdere van deze graven vermelden verschillende statuten, maar over het algemeen is de liberti-achtergrond gemakkelijk terug te vinden.
Het graf van L. Maecius Philotimus (1209) is zo'n voorbeeld van een collectief graf. De eigenaar Philotimus is waarschijnlijk een vrijgelatene. Dat moet in de eerste plaats blijken uit zijn Grieks cognomen, want er is geen filiatie of libertinatie aangegeven. Zijn vrouw is zeker een vrijgelatene. In dit graf ligt ook zijn dochter, die wel ingenua is. De twee andere personen zijn een peregrinus en een ander vrijgelatene met het gentilicium Maecius. Hun precieze relatie met Philotimus wordt op de steen niet uitgedrukt. Dit is tevens het enige monument waarin een peregrinus ligt opgeborgen.
Het graf van P. Larcius Nicia (1570) is bedoeld voor zijn familie in de strikte zin van het woord: hijzelf, zijn vrouw en zijn kinderen. Ook de vrouw van zijn zoon werd er begraven. Nicia en zijn vrouw dragen nog een libertinatio, hun kinderen niet meer. Hun schoondochter was hun vroegere slavin. Ze kon kennelijk op veel waardering rekenen, want ze werd vrijgelaten om met de zoon des huizes te kunnen huwen. De eigenlijke titulus is een huldeblijk voor haar alleen.
In het graf van Philoxsenus (1822) liggen drie conliberti samen met een liberta van een andere meester. Zij was misschien de vrouw van een van hen. Hier is de inscriptie niet gepersonaliseerd en doet ze dienst voor elk van de vier overledenen.
D. Octavius Modiarus (1349) is een vrijgelatene. Het graf was voor hemzelf, voor zijn zoon en voor Pontia. Pontia was zijn schoondochter of zijn vrouw. Zijn eigen slavenachtergrond wordt aangegeven door zijn libertinatie, terwijl zijn zoon de filiatie voert, en als bijkomend teken van burgerrecht ook een tribus vermeldt. Pontia's statuut is niet vermeld, maar het carmen is voor haar bedoeld. Het is een kleine laudatio, bijna een formule voor haar kwaliteiten als matrona.
Naast deze families zijn er ook echtparen van conliberti. L. Aurelius Hermia (1221) heeft een grafschrift aan zijn overleden vrouw opgedragen. Het carmen geeft uitdrukking aan hun huwelijksgeluk en spreekt de liefde van deze mensen voor elkaar uit. Het geheel wordt versierd door een sculptuur waarop een vrouw de hand van haar man kust, als teken van dankbaarheid. Het graf is voor allebei, maar het carmen is in de eerste plaats aan de vrouw opgedragen.
Op het graf van C. Numitorius Asclepiades (1347) en zijn vrouw staat eveneens een kleine ode aan hun huwelijksgeluk in een vers gegoten. Asclepiades vermeldt geen libertinatie, maar zijn Grieks cognomen zegt genoeg. Zijn vrouw is zeker een liberta.
Clodia Athenais heeft een geversificeerde laudatio opgedragen aan haar conlibertus P. Clodius Felix (cf. supra). Of hun onderlinge relatie meer was dan die van alleen maar conliberti, is niet duidelijk.
In een aantal grafschriften is het statuut van de overledene onzeker, maar op grond van andere inhoudelijke elementen mag men wel vermoeden dat de band met de slavernij nog aanwezig was.
Helvia Prima (1732) behoort door haar cognomen tot deze categorie, het Griekse cognomen van haar man is een bijkomende aanwijzing
Naast deze carmina, die opgedragen zijn aan mensen die een duidelijke slavenachtergrond hebben, is er ook een redelijk aantal carmina van ingenui teruggevonden, waarin de band met de slavernij minder uitgesproken is, maar hier en daar toch kan worden vermoed.
C. Sergius (708) was ingenuus, zoals zijn vader, maar in het Grieks cognomen van zijn vader schemert het libertimilieu nog door. Zijn grafschrift staat bij een cenotaphium en was misschien een erzats voor zijn stoffelijk overschot, dat ergens anders begraven was.
Bij Posilla Senenia (1837) is de band met de slavernij nog duidelijker: haar moeder geeft haar libertinatie op en bovendien blijkt Posilla zelf een onwettig kind te zijn. Posilla was dan misschien wel ingenua, toch moet ze tot de laagste klassen behoord hebben.[771]
De slavenachtergrond van sommige ingenui is soms nog zichtbaar in het carmen. Rancia's vader (1215, cf. supra) was de vrijgelatene van de vader van Rancia's kinderen.
Voor Claudia (1211) ligt de zaak moeilijker. Het vermoeden dat haar vader een libertus was berust op een interpretatie van de tekst (een interpretatie die voor discussie vatbaar is), en op het aanvaarden van een cognomen dat mogelijk geen cognomen was. Ze is zelf ingenua. Men heeft trouwens meermaals gedacht dat Claudia lid was van het patriciaat.
C. Caninius Labeo (1216) is zeker een ingenuus, maar zijn graf is een collectief graf, waar ook zijn zoon ligt, samen met twee slaven die door hem waren vrijgelaten. Voor deze mensen was de genegenheid voor hun slaven sterk genoeg om ze op te nemen in het familiegraf en er bovendien in een carmen uitdrukking aan te geven. Het eigenlijke carmen was door zijn zoon aan hem opgedragen.
Dubbelzinnig zijn de kleine laudatio's voor Q. Brutius (1259) en Brutia Rufa. Brutius was zeker een ingenuus en Brutia was zeker zijn vrijgelatene. Het blijft onduidelijk wie hier de opdrachtgever was van het carmen (dat aan hem is opgedragen).
Bij andere ingenui is er niets dat kan wijzen op een band met een slavenmilieu. C. Turpidius (1924) was ingenuus en ook zijn vader voert een filiatie. De context van het gedicht laat verder niets uitschijnen over een het milieu van deze mensen.
C. Taracius (1603) is als jongeman gestorven. Hij was 20. Het carmen drukt het verdriet van zijn moeder uit voor het wrede lot en voor de niet waargemaakte belofte die besloten lag in het leven van haar zoon. Ook L. Aufidius (1798) wordt door zijn moeder beweend. Ze beklaagt zich over de omkering van de normale gang van zaken. C. Licinius Torax is jong gestorven en wordt door zijn ouders, en vooral door zijn moeder, herdacht. Deze mensen waren allemaal ingenui.
C. Utius (1761) was ook een ingenuus. Hij is oud geworden. Hier is het carmen een kleine laudatio voor de rechtschapenheid van de man.
Nog een ingenua was Manlia Sabina (1836), die ook met een zekere tevredenheid terugblikt op haar huwelijk en haar leven. L. Sulpicius (2274), een andere ingenuus, was volgens de laudatio die zijn graf siert, een geliefd persoon.
Van Andere mensen is de sociale achtergrond nog onzekerder en zij geven helemaal geen gegevens over hun juridisch statuut.
M. Caicilius (1202) geeft nog een aankopingspunt. hij heeft een gentilicium en is dus een vrij persoon. Maar of hij die vrijheid van bij zijn geboorte heeft, of pas later heeft verworven, kan niet echt uit de inscriptie worden opgemaakt. Massaro vermoede dat M. Caicilius iemand uit de hogere kringen was door de laconieke toon waarop hij de voorbijganger begroette. Een betere indicatie wordt gegeven door de plaats van het graf aan het begin van de Via Appia. Op deze plaats stonden de graven van aanzienlijke personen.
Salvia (2161) is een incerta, daar haar naam zowel praenomen, gentilicium of cognomen kan zijn. Een cognomen met verwijzing naar een slavenmilieu is hier het meest waarschijnlijke, temeer daar de dedicant een vrijgelatene is. Zijn relatie met Salvia is niet uitgedrukt: was ze een slavinnetje, was ze zijn dochter of was ze zijn vrouw?
Bij andere mensen ontbreken aanknopingspunten volledig. Tertia (1217) en haar echtgenoot geven weinig prijs over hun achtergrond. Numphe (1222) verraadt door haar naam een mogelijke afkomst uit een slaven- of libertimilieu. Maar haar naam alleen is hier een zwak argument, want het woord kon ook 'jonge bruid' betekenen.
Een andere inscriptie, ongetwijfeld een grafschrift in elegische disticha (2997) is maar zeer fragmentarisch overgeleverd en de naam van de overledene staat niet op de bewaarde fragmenten. Aanwijzingen ontbreken dus volledig, behalve dat de overgeleverde tekst een stoïcijnse overtuiging weerspiegelt.
Er zijn ook nog enkele anonieme grafschriften. Het gaat telkens om eenvoudige verzen. Een daarvan (1930) is door een man opgedragen aan zijn vrouw. Hun namen stonden waarschijnlijk op de verdwenen brokstukken. Een ander carmen is de jammerklacht van een moeder voor haar overleden zoon (2139). We weten niet hoe zij heette, evenmin kennen we de naam van haar zoon. Van een filiatie of libertinatie, of enige andere aanwijzing ontbreekt elk spoor. Tenslotte is er nog het grafreliëf van een veehoeder (1776) dat in Sulmo is gevonden. Hij was trots op wat hij door hard werken had bereikt. Op dit reliëf staat evenmin een naam of een aanwijzing voor een juridisch statuut.
In de sepulcralia zijn dus alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd, maar de inbreng van de nobiles en van het patriciaat is beperkt tot de familie van de Scipiones en tot C. Quinctius Valgus.
Naast de sepulcralia hebben we verder enkele tituli sacri en de ere-inscriptie van Tuditanus.
C. Sempronius Tuditanus was van senatoriële rang en een plebejer. Natuurlijk was hij ingenuus. In de politiek was hij een bondgenoot van Scipio Aemilanus. De ere-inscriptie voor Tuditanus is een openbare inscriptie.[772]
De Vertulei waren ingenui, in de teruggevonden wij-inscripties zijn zij de enigen die hun statuut in de inscriptie vermelden. Het waren handelaars en de inscriptie was een privé-initiatief. De godheid is Hercules en de aanleiding om de inscriptie op te richten was de inlossing van een belofte die hun vader had afgelegd. Tevens was de inscriptie een verzoek om succes in zaken. Dit is de oudste overgeleverde wij-inscriptie in verzen die teruggevonden is.
De inscriptie van L. Munius is van dezelfde aard als de vorige. Een particuliere inscriptie voor Hercules Victor als dank voor het behaalde succes in zaken en het verzoek om dit succes in de toekomst te laten voortduren. L. Munius is een ambiguus.
Iets jonger of even oud als het wijgeschenk van de Vertulei is de inscriptie van het koksgilde. Hier zijn nog minder aanwijzingen voor het statuut van de oprichters. Deze inscriptie - een privé-inscriptie - is door een gemeenschappelijk initiatief tot stand gekomen en we weten zelfs niet hoeveel leden het gezelschap telde. Het carmen kan niet met zekerheid gekoppeld worden aan de namen die op de voorzijde van het bronzen plaatje - op de proza inscriptie - vermeld waren. Bovendien konden de leden van een beroepsgilde ingenui, liberti of zelfs slaven zijn. Net zoals bij de inscriptie van de Vertulei is dit een privé-inscriptie. Het carmen was een verzoek aan de goden (inperatoribus summeis) om hulp bij hun professionele activiteiten. De gevraagde hulp is niet zo gespecificeerd als in de voorgaande inscriptie en kan net zo goed opgevat worden als een vraag om ambachtelijke kundigheid dan als een verzoek om zakelijk succes.
3.5 Opdrachtgever en begunstigde: het juridisch statuut
Wie krijgt een geversificeerd grafschrift?
Om uit de bovenstaande gegevens wetmatigheden te kunnen afleiden, is het noodzakelijk om alle gegevens overzichtelijk in kaart te brengen.
Voor de sepulcralia geeft onderstaande tabel een overzicht van de juridische statuten van de begunstigden. Wanneer het een collectief graf is en de titulus niet duidelijk een specifiek persoon als begunstigde aanwijst, is de inscriptie in de tabel opgenomen met het statuut van de eerst gernoemde. Volgens de geldende conventies was hij de belangrijkste persoon.[773] Indien het statuut van andere vermelde personen hiervan verschilt, wordt de inscriptie in de betreffende rij tussen haakjes herhaald, maar niet meer meegeteld bij de totalen. De vetgedrukte nrs. zijn inscripties uit Rome. Details zijn opgenomen in tabel 3 in de Appendix.
|
Statuut[774] |
inscriptie |
totaal |
|
Ingenuus (1) |
6/7; 8/9; 10; 11; 14; 15; 708; 1211;1215; 1216; 1259; 1603; 1761; 1798; 1836; 1837; 1924; 2274; 3449d; (1209); (1349); (1570) |
19 |
|
Ambiguus (2) |
1202; 1732 |
2 |
|
zekere libertus (3) |
1210; 1212; 1214; 1218; 1221;1223a; 1251; 1270; 1283; 1349;1547;1570; 1822; 2138; 2273; (1215); (1216) |
15 |
|
waarschijnlijk libertus (3') |
1209; 1347 |
2 |
|
zekere slaaf (4) |
1861; 3449h |
2 |
|
waarschijnlijk slaaf. (4') |
1213; 1219; 1223b; 1325 |
4 |
|
incertuus (5) |
1217; 1222; 2997; 1776; 1930; 2139; 2161 |
7 |
Voor de wij-inscripties heeft het weinig zin een dergelijk overzicht te geven, aangezien de begunstigde een godheid was. De enige overgeleverde ere-inscriptie was opgericht voor een ingenuus van senatoriële rang (Tuditanus). Bij het graffito en bij de sortes is het begrip begunstigde betekenisloos, hier is het beter te spreken van publiek.
Bij de sepulcralia zijn de grootste groep begunstigden de ingenui, met 19 inscripties (ca 37 %); gevolgd door de liberti met 15, mogelijk 17 inscripties. (29,5 à 33 %). Een enkele inscriptie is zeker voor een slaaf, maar in totaal kunnen er 6 geweest zijn. (tot ca 12%). Van 7 mensen valt geen statuut op te maken en van 2 anderen weten we alleen dat ze vrij waren.
In de groep van de zekere ingenui moet het beeld
genuanceerd worden.
- Een derde van deze inscripties komen uit het familiegraf van de Scipiones. Dit geeft een vertekend totaalbeeld, want ze behoorden tot één familie. In andere familiegraven is de situatie omgekeerd: meerdere personen zijn opgenomen, maar daar is telkens slechts een inscriptie aangetroffen. Deze kan opgedragen zijn aan een enkele dode, maar ook aan alle overledenen.
- Enkele mensen die bij de ingenui zijn gerangschikt, hebben nog duidelijk een achtergrond in een slavenmilieu: 1215, Rancia is de dochter van een vrijgelatene en is de eerste die in het familiegraf geplaatst wordt. 1837, Posilla Senenia is het dochtertje van een vrijgelaten vrouw en tevens een kind uit een onwettige verbintenis.
- In 708 is het de aanwezigheid van het Griekse cognomen Mena, dat laat doorschemeren dat de grootvader van de dode een slaaf is geweest; in 1211 (Claudia) kan het gaan om de dochter van een libertus. Maar in beide gevallen zijn er geen feitelijke gronden, enkel redelijke veronderstellingen.
- 1209:
hoewel Philotimus zijn eigen statuut verzwijgt (hij is waarschijnlijk libertus),
heeft hij een dochter die zeker ingenua is. Dit is tevens de enige inscriptie
die een peregrinus vermeldt.
1349: slavenachtergrond nog duidelijk aanwezig, cf. infra onder ambigui
1570: Larcia Horrea, aan wie het grafschrift is opgedragen, is een liberta. De
ingenui in dit grafschrift zijn haar man en haar schoonbroer. In dit graf liggen
ook nog haar schoonouders, die zelf liberti waren. Hier is de slavenachtergrond
nog zeer duidelijk aanwezig.
- 1216 (Labeo) is een collectief graf, waar ook 2 vrijgelatenen liggen en 1259 (Brutius) bevat ook een laudatio in proza die opgedragen is aan de vrijgelaten vrouw van de begunstigde.
- 1603 (Taracius, Capua); 1761 (C. Utius, Atessa); 1798 (L. Aufidius, Superaequum); 1836 (Manlia Sabina, Trebula); 1924 (C. Turpidius, Salvia); 3449d (Torax, Carthago Nova) zijn ingenui zonder een aanwijsbare achtergrond in een liberti- of slavenmilieu. Geen van deze inscripties is in Rome gevonden.
In Rome waren de elogia Scipionum misschien de enige funeraire carmina voor "zuivere" ingenui. (zonder sporen van een liberti-achtergrond). In 1216 zijn geen aanwijsbare sporen van liberti-achtergronden bij de dode of de dedicant, maar ze hebben wel hun ex-slaven mee toegelaten in hun graf.
Ambigui:
- Voor 1202 (M. Caicilius) zijn redelijke vermoedens dat het om iemand uit de betere kringen gaat, maar er zijn geen feitelijke bewijzen.
- in 1349 is Pontia de eigenlijke begunstigde, haar statuut is niet opgegeven, maar ze had wel een gentilicium. haar man, D. Octavius is Ingenuus, maar zijn vader is libertus.
- 1732 (Helvia Prima): geen libertinatie, maar haar cognomen en dat van haar man laten vermoeden dat het om liberti gaat.
Liberti:
- In deze groep zijn alle begunstigden probleemloos aan te duiden als liberti.
- 1570 is een familiegraf waar ook ingenui in zijn opgenomen: het gaat om 1ste generatie ingenui.
- 1822 is een graf voor 4 liberti waarvan 3 conliberti.
- Voor 1215, 1216, 1259 cf. supra: ingenui
Slaven en waarschijnlijke slaven:
- Eigenlijk laat enkel 1223b (Van Clara voor Amarantus) hier een weinig ruimte voor een andere interpretatie van zijn statuut: eennamigheid bij kinderen komt niet alleen bij slaven voor.
Incerti
- Geen echte aanknopingspunten, in 1222 (Nymphe) en 2161 (Salviola) kunnen de namen wel op een slaven- of libertimilieu wijzen. 2161 is bij de ingenui de enige inscriptie die het statuut van de opdrachtgever (libertus) vermeldt.
Conclusies:
- De grootste groep wordt gevormd door de ingenui, op de voet gevolgd door liberti, maar het verschil is niet erg groot. Enkel de slaven zijn duidelijk in de minderheid. Nuanceren we dit beeld echter een beetje, en houden we rekening met een mogelijk verleden in de slavernij van de begunstigden, dan schijnen de carmina toch vooral een zaak van liberti te zijn. Veel ingenui zijn eerste generatie ingenui.
- "Zuivere" ingenui zijn in Rome beperkt tot de inscripties van de Scipiones, alle anderen hebben wel ergens een band met libertimilieus.
- Bij slaven is de groep zonder duidelijke statusvermelding groter dan de groep met statusvermelding en men mag verwachten dat enkele incerti ook slaven zijn. Ingenui en liberti geven hun statuut veel duidelijker aan.[775]
Wie waren de opdrachtgevers?
Een belangrijke graadmeter voor de studie van het milieu zijn de juridische statuten en de achtergronden van de opdrachtgevers, want onder hun impuls is de inscriptie tot stand gekomen.
Hier komt het er in de eerste plaats op aan te achterhalen in welke relatie een opdrachtgever tot de begunstigde van de inscriptie stond. En dan stuiten we op een probleem: vaak is de opdrachtgever niet opgegeven. De traditie om de dedicant met naam en filiatie / libertinatie in de inscriptie op te nemen, is in de republiek[776] in de CLE nog niet zo uitgesproken, mogelijk omdat het genre zijn kinderschoenen nog niet ontgroeid was. Bovendien kunnen we hier moeilijk spreken van een conventie zoals in de onomastiek het geval is: daar heeft de filiatie of libertinatie ook een duidelijke juridische inhoud. Welke juridische connotatie zouden we moeten plaatsen bij het feit dat een inscriptie door iemands vader of moeder of collega etc. was opgericht? en verder: met welke categorieën moeten we hier werken?
Het achterhalen van de identiteit van de opdrachtgever moet dus uit de context van de inscriptie gehaald worden. Een inscriptie die uitdrukking van verdriet of van waardering van een persoon ten opzichte van de overledene uitdrukt, is schijnbaar gemaakt in opdracht van die persoon. Een inscriptie zoals CIL I², 1223b laat in dit opzicht weinig ruimte voor twijfel:
desine iam frustra, mea mater, [desine fletu] / te miseram totos exagitare die[s…
Hier was het carmen duidelijk een uiting van verdriet van de moeder en zij was de dedicant, te meer daar het kind zelf te jong was om voor de inscriptie te zorgen.
Minder duidelijk is het gedicht van Plotia (CIL I², 2273), hier kan de inhoud bedrieglijk zijn:
Haec qualis fuerat contra patronum, patronam, parentem, coniugem, / monumentum indicat
Volgens de inhoudelijke logica waren alle vernoemde personen opdrachtgevers. Maar als Plotia een wettig huwelijk had en onder de potestas van haar man viel, rustte de zorg voor het monument in de eerste plaats bij hem.[777] Tenslotte kan Plotia ook zelf het initiatief genomen hebben voor haar grafschrift en deze tekst gekozen of gevraagd hebben uit verlangen zichzelf als geliefde dame te profileren.
Sommige inscripties zijn zo algemeen, dat geen enkele aanwijzing van een opdrachtgever is terug te vinden. In een aantal gevallen moet de opdrachtgever de overledene zelf geweest zijn. Of hij was aangesloten bij een begrafenisgenootschap, dat in zijn opdracht de begrafenis en het monument had verzorgd.
Kunnen we tenslotte een opdrachtgever aanwijzen, dan rest nog de taak om zijn relatie met de dode te benoemen. Hiervoor zijn de categoriën gebruikt die door Saller en Shaw zijn opgesteld.[778] De relatie wordt bekeken vanuit het standpunt van de dedicant.
|
Relatie |
Inscriptie |
totaal |
|
Geen relatie aangegeven of onduidelijk; |
1202; 1270; 1259; 1325; 1347; 2997; 1761; 1776; 1822; 1861; 2274; 2138 |
12 |
|
Sibi: de dode heeft de inscriptie zelf laten maken; |
1209; 1210; 1212; 1218; 1251; (1930) |
5 |
|
Echtgenoot (al dan niet in iustum matrimonium); |
1211; 1217; 1221; 1222;1349; 1732; 1836; 2161; 1930; (1570); (3449h) |
9 |
|
Kind; |
1216 |
1 |
|
Ouder(s); |
1214; 1215; (1222); 1223a; 1223b; 1603; 1798; 1837; 1924; 2139; 3449d; 3449h |
11 |
|
Niet nader bepaalde familie; |
6/7; 8/9; 10; 11; 14; 15; 708 |
7 |
|
Patronus/a; |
(1547); 1570; 2273 |
2 |
|
Pleegouder; |
1547 |
1 |
|
Conlibertus/a en conservus/a; |
1219; 1283 |
2 |
|
Dominus/a |
1213, (3449h) |
1 |
Opmerkingen:
- Het heeft evenmin zin om een relatie na te gaan tussen dedicant en begunstigde voor de wij-inscripties en voor de ere-inscriptie; noch voor de sortes of het graffito.
- In de categorie "geen relatie aangegeven" zitten ongetwijfeld een aantal mensen die zelf het initiatief genomen hebben voor hun grafschrift. Ik denk dan vooral aan 1202 (Maarco Caicilius), 1325 (Lemiso), 1761 (anoniem), 2138 (M. Statius Chilo) en 2997 (fragment): deze inscripties zijn opgesteld in de 1ste persoon, de dode is hier zelf aan het woord. Er word ook nergens allusie gemaakt op de betrokkenheid van anderen. 1822 (Philoxsenus een anderen) gebruikt eenzelfde, niet geïndividualiseerde inscriptie voor 4 verschillende personen. Mogelijk hadden ze gemeenschappelijk een aantal nissen in een columbarium gekocht en op elkaar vertrouwd voor de begrafenis. Van 1259 (Brutius) kan niet nader bepaald worden of de dedicans de patronus ( =sibi) of zijn liberta was, en in de andere gevallen is een dedicant minder gemakkelijk aan te wijzen. Laudatio's over de dode in de 3de persoon lijken door anderen aan hem te zijn opgedragen, maar de dode kan de bedoeling gehad hebben een ideaalbeeld van zichzelf op te hangen. Of hij kan een begrafeniscollege belast hebben met de zorg voor zijn monument, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt.
- In de categorie sibi heeft de begunstigde zichzelf ondubbelzinnig aangewezen als opdrachtgever.
- Bij de echtgenoten zijn 1217 (Tertia), 1221 (Aurelius Hermia) en 1349 (D. Octavius) de echtgenoten probleemloos als dedicanten aan te duiden. In de andere inscripties zouden de echtgenoten opdrachtgever moeten zijn als zij een wettig huwelijk hadden, maar soms geeft de tekst andere aanwijzingen. In 1570 (collectief graf voor de Larcii) zijn in de eerste plaats de ouders aan te duiden, maar ook de echtgenoot wordt vernoemd. In 1732 en 1836 kunnen Helvia Prima en Manlia Sabina ook zelf voor hun inscripties gezorgd hebben; maar volgens de inhoudelijke logica was het hun man. In 2161 (Salvia) zou de overledene ook een kind of een slavin van de dedicant kunnen zijn. In 1211 (Claudia) kunnen ook de ouders dedicanten of medededicanten geweest zijn. In 1222 (Nymphe) is het carmen vatbaar voor meer dan een interpretatie en zou het ook om de vader van het meisje kunnen gaan.
- Alle ouders behalve 1222 (cf. supra) zijn gemakkelijk identificeerbaar als dedicanten.
- In 1547 (Prothymus) wordt de overledenen in de eerste plaats als alumnus genoemd.
- In 2273 (Plotia Phryne) worden ook nog ouders en echtgenoot vermeld, maar enkel de patroni worden met name genoemd (in de libertinatie).
- 3449h vermeld expliciet een niet nader genoemde vader als dedicant en de naam van de meester. Meester en vader kunnen dezelfde personen zijn.
Conclusies:
- De
belangrijkste groep opdrachtgevers zijn de ouders, en dit is tevens de groep
waarin de dedicanten zich het makkelijkste laten identificeren.
Het beeld kan hier nog verder verfijnd worden: 5 inscripties werden opgedragen
door de vader (1214, 1215, 1222(?), 1924, 3449h); 5 door de moeder (1223b, 1603,
1798, 1837, 2139); 2 door beide ouders (1223a, 3449h). In beide groepen zitten
zowel ingenui, liberti en servi.
Van de overleden kinderen zijn er 5 meisjes (1214, 1215, 1222(?), 1837, 3449h)
en 7 jongens (1223a, 1223b, 1603, 1798, 1924, 2139,3449d). Het verschil is hier
te klein om van een tendens te kunnen spreken, en des te meer omdat het totaal
aantal inscripties beperkt is.
Deze groep heeft ook geen uitgesproken voorkeur voor een bepaald statuut: alle
statuten zijn vertegenwoordigd. Verdriet voor een afgestorven kind wordt
blijkbaar in elke bevolkingsgroep even sterk gevoeld en een grafschrift is in de
eerste plaats een zaak voor de naaste familie.
- Na de ouders vertegenwoordigen de inscripties die geen dedicant aanduiden de grootste groep. Er is geen uitgesproken voorkeur voor een of ander statuut in deze groep.
- Omdat een deel van de niet aangegeven dedicanten ongetwijfeld in de categorie sibi thuishoort, moet deze laatste de facto als de derde grootste groep (of misschien zelfs tweede grootste) beschouwd worden. Voor de inscripties waar het duidelijk is dat de dode tevens de opdrachtgever was, is wel een tendens merkbaar: alle inscripties komen uit Rome en alle 5 zijn ze voor liberti. Enkele van deze mensen vermelden een beroep: 1209: Philotimus, argentarius; 1210 Stabilio: praeco; 1212: Euhodus: Margaritarius. Voor 1218, Manlia Gnome, werd er al op gewezen dat het om een zakenvrouw kon gaan en alleszins was ze een vrouw die grote zelfstandigheid laat blijken. Enkel 1251, Nicephorus, geeft geen inlichtingen over beroep of andere biografische gegevens: zijn titulus is slechts een eigendomsaanspraak op zijn monument. 1259, Q. Brutius, een (vee)handelaar, is opgenomen in de groep waar geen relatie is aangegeven, maar hij kan in deze categorie thuishoren, als tenminste zijn vrijgelatene niet de dedicans van de inscriptie is.
- In de categorie echtgenoot zijn alle statuten vertegenwoordigd, maar de incerti en ambigui overwegen. Er is geen uitgesproken geografische voorkeur. Wel bijzonder aan deze categorie is dat het initiatief vrijwel altijd van de maritus uitgaat.[779] Enkel 1221 (L. Aurelius Hermia en Aurelia Philematio) wijkt hier ogenschijnlijk van af: het carmen is een uiting van wederzijds