| Latijnse epigrafische poëzie uit de republiek. Repertorium, vertaling en studie. (Wouter Keuleers) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
2. REPERTORIUM
CIL I2, 364 XI: 3078; ILLRP: 1922-add; CLE: 2; ILS: 3083add
Lucius Latrius, zoon van Kaeso; Gaius Salvena, zoon van Volta
Voorzijde:
Iovei, Iunonei, Minervai | Falesce, quei in Sardinia sunt, |
1
donum dederunt. Magistreis |
L. Latrius K. f., C. Salve[e]na Voltai f. | coiraveront.
Achterkant:
Gonlegium quod est aciptum aetatei age<n>d[ai]
opiparum a[d] viitam quolundam festosque dies,
5
quei soveis aastutieis opidque Volgani
gondecorant sai[pi]sume comvivia loidosque,
ququei huc dederu[nt i]nperatoribus summeis,
utei sesed lubent[es be]ne iovent optantis.
Aan Jupiter, Juno en Minerva
gaven de Falisci, die op Sardinië verblijven een geschenk.
Hun functionarissen
Lucius Latrius, zoon van Kaeso en Gaius Salvena, zoon van Volta
hielden toezicht (op de uitvoering).
Een heerlijk genootschap dat
begroet wordt om z’n tijd te korten,
om het leven en om feestelijke dagen op te vrolijken,
die met hun eigen vindingrijkheid en met Vulcanus’ hulp
wel vaker banketten en spelen verfraaien,
(met name) de koks, schonken dit aan de opperste heersers,
opdat die hen graag en goed zouden helpen wanneer ze iets wensen.
of:
…opdat die zouden verkiezen hen graag en goed te helpen.
Monument:
gevonden in Falerii Novi[626]
(nu Cività Castellana). Bronzen plaat van ca
2 mm dik. Rechthoekig van vorm, ongeveer 8,7 cm x 28,2 cm. Het plaatje is
langs beide kanten beschreven. Er is een ligatuur van NT in sunt (r.1).
Paleografie, graveertechniek en de taal tonen aan dat beide inscripties uit ongeveer dezelfde tijd stammen en vermoedelijk van de hand van dezelfde graveur zijn.[627] Opmerkelijk is dat op de hoeken en in het midden tegen de onder- en bovenrand, nagelgaten zijn aangebracht. Het plaatje, dat langs beide zijden beschreven was, was ergens op vastgespijkerd. Bijgevolg kon de inscriptie maar langs een kant gelezen worden.
Iovei springt een beetje naar binnen waardoor er plaats was voor een nagelgat. Daaruit heeft men opgemaakt dat men bij de schikking van de prozatekst er rekening mee hield dat de plaat achteraf zou vastgespijkerd worden. De voor de hand liggende conclusie was dat de prozazijde de zichtzijde was.[628] Daar zijn evenwel de volgende tegenargumenten voor te bedenken:
- utei (r.9) in de metrische inscriptie springt ook een beetje naar binnen om plaats te maken voor een nagelgat en de tekst is zo gezet dat er rekening wordt gehouden met de positie van de andere gaten. Dit wijst er veeleer op dat de gaten al in het plaatje zaten voor beide teksten werden aangebracht.[629]
- Er zijn nog andere inscripties op bronzen plaatjes gevonden met doorlopende tekst op de voor- en de achterkant, waar ook nagelgaten in zaten. De precieze toedracht ervan is nog niet bevredigend verklaard.
Enkele hypotheses: Er bestonden voorgeperforeerde standaardplaatjes die het atelier in voorraad hield. De meeste van deze tabulae dedicatoriae dienden om ergens op te bevestigen en steenkappersateliers hadden soms ook andere standaardmonumenten in voorraad. Waarom zouden ze niet een paar geperforeerde bronzen platen in voorraad houden? De gaten kunnen trouwens ook gediend hebben om de plaat te fixeren tijdens het bewerken.
Andere mogelijkheid: een deel van de inscriptie was enkel voor de goden bestemd en mocht niet door de mensen gelezen worden. Of de inscriptie hing aan een kettinkje en kon langs beide zijden gelezen worden.[630]
Het meest voor de hand ligende is evenwel uit te gaan van een gerecupereerd tablet (brons was duur). Afgaand op de tekst Falesce quei in Sardinia sunt…was het plaatje bevestigd aan een wijgeschenk, dat in Sardinië stond. Het plaatje werd echter gevonden in Falerii Novi op het vasteland, de plaats klopt dus niet. Misschien moeten we denken aan enkele Falisci, die in een college of beroepsvereniging (magistreis veronderstelt dat het om een vereniging gaat) op Sardinië zaten en een geschenk aan Jupiter, Juno en Minerva hadden gewijd.[631] Het plaatje moet nadien in Falerii Novi terechtgekomen zijn (misschien was het mee teruggekomen met een van de leden van dit college) en werd dan opnieuw gebruikt door het koksgenootschap.
We kunnen ook denken aan een genootschap van Falisci dat op Sardinië verbleef. Bij een bezoek aan hun vaderstad hebben ze van de gelegenheid gebruik gemaakt om een wijgeschenk aan de goden aan te bieden, en daarvoor de inscriptie van de koks gerecupereerd.
Datering: tweede helft IIA door spelling van aetate (ai is al door ae vervangen) en de klinkergeminatio in viitam en aastutieis. De spelling met Q van ququei en quolundam waarbij Q de klankwaarde / k / krijgt in plaats van / kw / is voor het eerst geattesteerd rond 125a en verder is een ligatuur van NT niet bekend voor 150a. [632]
Taalkundig-inhoudelijk: In klassiek Latijn:
Collegium quod est acceptum
aetati agendae, |/ opiparum ad vitam colendam festosque dies,|/
qui suis argutiis opeque Vulcani |/ condecorant saepissime convivia ludosque,
|/coqui hoc dederunt imperatoribus summis |/ut sese libentes bene iuvent
optantes[633]
Metrum: saturnius, zichtbaar in de poëtische woordkeuze, de alliteraties en assonanties (gonlegium quod…aciptum aetatei agendai…soveis aastuteis…veitam quolundam…etc) en het samenvallen van de syntactische geleding met de caesura in r.6, r.7 en r.8.
Bij de Romeinen was koken aanvankelijk een huishoudelijke bezigheid, die vooral aan slaven werd toevertrouwd, maar professionele koks werden populair na de oorlog tegen Antiochus (186a) toen oosterse luxeproducten Rome binnenstroomden en de Romeinen ook copieuze en extravagante maaltijden leerden waarderen. Al snel begonnen koks hun diensten op de markt aan te bieden, want veel huishoudens namen hen niet permanent in dienst, maar huurden ze enkel in als gelegenheidspersoneel.[634] Plautus schildert hen vaak af als een stelletje snoevers en bluffers, en in deze inscriptie laten ze zich inderdaad van die kant kennen.[635]
r.4: Gonlegium. Er is niets bekend over een college van koks in Falerii Novi of in Sardinie, maar er bestond wel een collegium van coques atriensis Fortunae Primigeniae in Praeneste, misschien zijn ze daarmee vergelijkbaar.[636] Ze waren regelmatig nodig voor de cultus en voor de offerplechtigheden in de tempels, evenwel zonder zelf priesters te zijn.[637]
r.8: inperatoribus summeis: de goden aan wie de inscriptie werd gewijd. Men neemt meestal aan dat het om het drietal gaat dat in de proza inscriptie wordt opgesomd (Iuppiter, Iuno en Minerva), maar alleen bij Iuppiter is het epitheton Imperator geattesteerd.[638]
Statuut en milieu: Incerti. Er wordt meestal wel aangenomen dat de magistri L. Latrius en C. Salvena uit de proza-inscriptie de voorzitters waren van het koksgenootschap, maar dat is niet zeker. De leden van het college zelf waren warschijnlijk ingenui of liberti, maar er zijn ook gevallen bekend van slaven die lid waren van een college.[639] De namen die Plautus aan zijn koks geeft en die in vroege inscripties opgetekend zijn, wijzen dikwijls op slaven of liberti.[640]
Literatuur: Lindsay (1897) 67-69 ׀׀ Till (1984) 313 ׀׀ Linderski (1995) 362-365 || Courtney (1995) n°2 ׀׀ CSE n°8 ׀׀ Wachter (1987) 442-447
I2, 626 ILLRP: 1222 ; CLE: 3 ; ILS: 20
Lucius Mummius, zoon van Lucius, Consul
L. Mummi(us) L. .f. co(n)s(ul).
1
Duct(u), | auspicio imperioque | eius Achaia
capt(a) Corinto | deleto Romam redieit | triumphans.
Ob hasce | res bene gestas quod | in bello
voverat,| hanc aedem et signu(m) | Herculis Victoris |
5
imperator dedicat.
Lucius Mummius, zoon van
Lucius, consul.
Nadat onder zijn leiding, zijn auspiciën en op zijn bevel
Achaia veroverd was en Korinthe verwoest, keerde hij in triomf terug naar Rome.
Omwille van deze ondernemingen, die goed zijn afgelopen, en omdat hij het in de
oorlog beloofd had,
wijdt hij – imperator - deze tempel en dit beeld aan Hercules Victor in.
Monument:
Rome. Travertin tablet 56 x 60 cm, letters 4 à 5 cm, maar op sommige plaatsen
tot 8,5 cm. Gevonden op de Mons Caelius in 1786. Dit was waarschijnlijk niet de
oorspronkelijk standplaats. Men weet niet op welk monument deze inscriptie
bevestigd was, maar de twee heiligdommen voor Hercules Victor die genoemd worden
in Macrobius (Sat 3, 6, 10) bevonden zich ergens anders.[641]
Ongetwijfeld waren er nog andere cultusplaatsen voor Hercules Victor. De kleine
afmetingen van de steen suggereren dat deze inscriptie niet op een tempel stond,
maar bij een minder belangrijk heiligdom of altaar hoorde.[642]
Datering: Kort na 145a, na de triomftocht van Mummius in Rome. Men denkt aan 142a, het jaar waarin hij censor was. Dit vermoeden is gebaseerd op een passage uit Plutarchus.[643] Bovendien mochten enkel magistraten een heiligdom inwijden; Mummius was magistraat in 146a (cos) en 142a (cens). In dat geval staat in het cursus honorum van de inscriptie niet vermeldt dat hij censor is, maar de inscriptie kon al een tijd voor de eigenlijke wijding gemaakt en geplaatst zijn.
Taalkundig-inhoudelijk: De tekst is niet metrisch,[644] maar wegens het historisch belang van deze inscriptie vind ik dat hier toch een beetje achtergrondinformatie bijhoort.
r.4: Ob hasce res = ob has res
r.5: Quod kan redegevend zijn (omdat hij het in de oorlog gezworen had) als men uitgaat van een asyndeton; of quod kan een relativum zijn, dat hier kataforisch verwijst naar hanc eadem (...omwille van deze ondernemingen, goed afgelopen, huldigt hij - imperator - deze tempel en dit beeld van Hercules Victor in, wat hij in de oorlog beloofd had.)
De schrijfwijze van Achaia en triumphans zijn de vroegste attestaties van spelling met spiranten in het Latijn. Merk tevens op dat deze spelling niet consequent wordt aangehouden in Corinto. Een mogelijke verklaring voor dit verschijnsel kan zijn dat we daadwerkelijk aan het begin van de spelling met spiranten staan; de verwarring wijst dan op een overgangsperiode. Ook werd de mogelijkheid overwogen dat deze inscriptie een latere reconstructie was van een verloren gegaan origineel, waarin de steenkapper de spelling gemoderniseerd heeft, maar dit niet consequent heeft doorgevoerd. Dit is door Gordon na een autopsie afgewezen, vooral op basis van paleografische en epigrafische argumenten.[645]
Prosopografie: De Mummii waren plebejers die weinig betekend hebben in de magistratuur en in het openbare leven. L. Mummius geldt als hun belangrijkste vertegenwoordiger. Hij was tevens een homo novus, de eerste van zijn gens die het tot consul had gebracht. Hij was praetor in 153a, consul in 146a (samen met Gn. Cornelius Lentulus) en censor in 142a (samen met P. Cornelius Scipio Aemilianus). Tijdens zijn consulaat kreeg hij het bevel over de oorlog tegen de Achaeische bond. Hij behaalde eerst een gemakkelijke overwinning op Diaeus, waarop hij onverhoed Corinthe aanviel. De stad werd, op bevel van de senaat, met de grond gelijkgemaakt, de inwoners werden uitgemoord of als slaven verkocht en alle kunstschatten werden geroofd en naar Italië verscheept.[646] Ondanks deze gruweldaad ging hij door voor een bekwaam en vooral gematigd en rechtvaardig bestuurder, die veel respect betoonde voor de lokale godheden en culten. In 145a, na zijn terugkeer naar Rome, werd hem een militaire triomftocht verleend. Hij kreeg toen ook het cognomen ex virtute Achaicus. L. Mummius was de allereerste plebejer die deze eer te beurt viel.
Literatuur: Purdie (1935) 143-144 ׀׀ Lindsay (1897) 71-73 ׀׀ Tanner (1961) 225 ׀׀ Till (1984) 312 ׀׀ Gordon (1983) n° 11 ׀׀ Bücheler (1965) I, 395 ׀׀ RE s.v. Mummius 7a en Band XVI k 1195-1206
CIL I2, 632 ILLRP: 1492 ; CLE: 248 ; ILS: 3410
Lucius Munius
Sancte,
1
de
decuma, Victor, tibei Lucius Munius donum
moribus antiqueis pro usura hoc dare sese
visum animo suo perfecit, tua pace rogans te,
cogendei dissolvendei tu ut facilia faxseis,
5
perficias. Decumam ut faciat verae rationis,
proque hoc atque alieis donís des digna merenti.
1. Munius lapis:
Mummius nonulli priores 2. pro usura
lapis: promiserat Bücheler, Mommsen 7.
donís cum I-longa
Goddelijke Victor!
Dit, wat hem in zijn hart goed leek, om een geschenk uit het tiende deel
volgens de oude gebruiken als rente aan U af te staan,
heeft Lucius Munius volbracht, en hij vraagt U, met Uw welnemen,
om hem het invorderen of uitbetalen van geld gemakkelijk te maken.
Zorg ervoor dat hij het tiende deel in de correcte verhouding afstaat,
En geef hem, die dat waard is, hiervoor en voor andere giften waardige
beloningen.
Monument: Reate[647] (nu Rieti). Convex blok uit lokale kalksteen. Regelmatige, verzorgde letters met scheidingspunten tussen de woorden. De ronde steen laat uitschijnen dat het oorspronkelijke monument de omheining van een put is geweest. De steen werd gevonden in XVP, is verloren gegaan in XVIIP en dook opnieuw op aan het begin van deze eeuw. Er zijn een aantal beschrijvingen van humanistische auteurs, waaruit blijkt dat de oorspronkelijke steen aan de zijkanten versierd was met sculpturen, maar deze zijn later afgezaagd. Het blok is gevonden langs de Via Salaria, evenwel kan dit niet de oorspronkelijke standplaats geweest zijn. Men weet niet waar de inscriptie voordien stond, maar het moet in de buurt van Reate geweest zijn. Nu in het Museo Civico del Capoluogo Sabino, Rieti.
Datering: Courtney dateert in de eerste helft van IA door de I-longa in donis. De inscriptie moet zeker voor de tweede helft van IA gemaakt zijn, te oordelen aan de korte scansie van de eindlettergrepen van Lucius Munius, die normaal door positie lang zijn.[648] Giglioli dateert vroeger: laatste kwart van IIA op grond van de paleografie en de archaïsche spelling van Faxseis.[649] Ook enkele eigenaardigheden in de prosodie zouden teruggrijpen naar de archaïsche poëzie: hiatus van usura en hoc, monosyllabisch suo en tua, lange I in facilia. [650] Vermoedelijk zitten we hier op het einde van IIA of begin van IA. Veel vroeger wordt door de I-longa in donis onwaarschijnlijk.
Taalkundig-inhoudelijk: deze tekst is gebaseerd op de lezing van Giglioli.[651] Dit is geen titulus Mummianus, zoals CIL I², 626.[652] De naam Munius is duidelijk leesbaar en de wijding heeft onmiskenbaar een privaat (mercantiel) karakter, maar geen militair of politiek.
Metrum: dactylische hexameter met onregegelmatigheden in de prosodie. Dit is mogelijk de vroegste wij-inscriptie in hexameters in Rome.
decuma = decima; faxeis = facias.
De eerste drie regels gaan gebukt onder een moeilijke woordvolgorde en vragen eigenlijk om een verklarende relativum quod bij hoc. De betekenis moet dan ongeveer als volgt zijn: Lucius Munius hoc, quod visum animo suo tibi sese dare donum de decuma pro usura moribus antiquis, perfecit.[653] De Latijnse woordvolgorde is moeilijk te handhaven in het Nederlands.
r.2: Victor: door de oudere editoren nog als nominatief bij Lucius Mumius gelezen, is waarschijnlijk vocatief enkelv. en epitheton van Hercules (Victor). In deze inscriptie is het de enige naam die naar een godheid kan verwijzen. De vocatief moet hier een variant zijn voor de meer gebruikelijke datief of genitief.[654] Een andere verwijzing naar Hercules is het gebruik om een 10de deel te schenken (decimam facere, zie de inscriptie van de Vertulei CIL I², 1531, en van Lucius Aufidius, CIL I², 1805). Bovendien blijkt uit de beschrijvingen van de humanistische auteurs dat de bijbehorende sculpturen een afbeelding van Hercules en 8 Muzen uitbeeldden.[655]
r.3: usura: rente, interest.
r.4: Visum est (< videor): het leek hem goed, hij heeft besloten.[656]
r.5 cogendei, dissolvendei: vroegste attestatie van de genitief van het gerundivum ter vervanging van de infinitief, een constructie die vooral Tacitus kan smaken.[657]
Statuut en milieu: incertus met gentilicium. Het ontbreken van een cognomen wijst eerder op een ingenuus dan op een Libertus, maar met de voorgestelde datering zit deze inscriptie in een overgangsperiode, waarin cognomina opduiken bij liberti en verdwijnen bij ingenui. Dit is dus te vroeg om iets uit het ontbreken van een cognomen af te leiden voor het statuut van L. Munius. L. Munius was een handelaar.[658] De betoonde pëteit is hier een duidelijke illustratie van de Romeinse do ut des-mentaliteit, zoals we die ook zullen terugvinden in de wij-inscriptie van de Vertulei.
Literatuur: Purdie (1935) 143-144 ׀׀ Lindsay (1897) 71-72 ׀׀ Stowasser (1903) 260-262 ׀׀ Massaro (1992) 55 ׀׀ Bücheler (1965) I, 405-407 ׀׀ Giglioli (1950) ׀׀ Riposati (1950)
CIL I2, 1531 X: 5708; ILLRP: 1362 ; CLE: 4; LS: 3411
Marcus en Publius Vertuleius, zonen van Gaius
M.,
P. Vertuleieis | C. f(ilii).
1
Quod re sua d[if]eidens asper | afleicta
parens timens | heic vovit, voto hoc | solut[o]
[de]cuma facta | poloucta leibereis luben|tes
donu(m) danunt | Hercolei maxsume | mereto.
5
Semol te | orant se voti crebo | condemnes.
2. asper Mommsen qui dixit nihil plus in lapide fuisse: asper‹e› priores 4. luben|tes Solin, qui vidit: lubetes Mommsen: lubentes priores
Marcus en Publius Vertuleius,
zonen van Gaius.
Wat hun teneergeslagen, verbitterde en bedrukte vader hier beloofd heeft,
nadat zijn vermogen gehavend was, dat hebben zijn kinderen volbracht.
Zij overhandigen graag en meer dan verdiend een geschenk aan Hercules, na een
tiende deel voor de godheid opzij te hebben gelegd en de offerplechtigheid te
hebben volbracht.
Tegelijk ook smeken ze U om hen vaak tot het inlossen van een belofte te
dwingen.
Monument: Kalkstenen altaar[659] 64 x 49,5 x 36 cm, er loopt een horizontale breuk door de bovenste helft en het epigrafisch veld is sterk afgesleten. Gevonden net buiten Sora[660] in Latium, ten oosten van Rome aan de voet van de Casto aan de Liris. De inscriptie wordt nu bewaard op de binnenplaats van het Instituto tecnico-commerciale per geometri Baronio.
Datering: Op basis van orthografie wordt algemeen rond 150a aangenomen: Het volledig ontbreken van dubbele medeklinkers wijst op een datering in deze periode. De algehele orthografie geeft een datering vóór 135a aan: nog geen “Acciaanse” klinkergeminatio; de lange Ī wordt correct als EI gespeld maar in voti (6) krijgen we al een spelling met eigenlijke I. Dit fenomeen doet zijn intrede rond de helft van IIA . Uitvallen van de eind-m (donu, indien dit geen fout van de steenkapper was) wordt na 130a zeldzaam. De paleografie schijnt de bevindingen van de orthografie te bevestigen.
Taalkundig-inhoudelijk:
In klassiek Latijn:
M(arcus), P(ublius) Vertuleii C(ai) filii
Quod re sua diffidens asper afflicta / parens timens hic vovit, voto hoc soluto
/ decima facta pollucta liberi libentes / donum dant Herculi maxime merito /
simul te orant, se voti crebro condemnes.
[661]
Saturnisch metrum. Op de steen zijn de verzen van elkaar gescheiden door een iets grotere tussenruimte. In de tekst zelf zitten een aantal poëtische wendingen: alliteratie in elk tweede kolon (uitgezonderd r.2, waar de alliteratie de cesuur doorbreekt) , assonantie van parens timens;…facta poloucta;…semol…orant…crebro condemnes. De syntactische geleding in de eerste drie verzen volgt de cesuur.
r.1: Vertuleieis = Vertuleii: nom. meerv. is vaker geattesteerd, het moet een soort dualis-uitgang zijn.[662]
r.2: asper werd soms beschouwd als een kapfout voor het gesyncopeeerde aspre (adv. met afleicta) of men ging uit van een weggevallen a in aspera (met re sua) maar de lezing van de steen[663] verdient de voorkeur (= adj. nom. enkelv, attributief met parens).
r.3: Heic = hic, adv: hier bij dit altaar.
r.4: Decuma facta poloucta : Hercules was de beschermheer van de handel en het reserveren (decima facta) van een tiende deel van de winst voor de godheid was een normaal gebruik. Met dit geld organiseerde men een offermaal bij zijn altaar en onder het prevelen van de gepaste gebeden werden een aantal libaties gehouden. Daarna werd de rest van spijs en drank aan de deelnemers van de plechtigheid aangeboden (decima profanare) en hield men een banket ter ere van de godheid (decima pollucere). Het gebruik is zowel uit de literatuur als uit andere inscripties bekend.[664]
r.5: Danunt = dant. deze vorm is meer geattesteerd in Plautus, Naevius en Pacuvius.
r.6: Mereto (merito): hier als adv. abl. maar kan ook dat. met Hercolei zijn: …aan Hercules, die dat beslist verdiende. Het laatste zinnetje is geen uiting van vroomheid, maar moet verstaan worden als een verzoek aan Hercules om hen vaker succes in zaken te bezorgen, waarbij Hercules uiteraard 10 % van de buit zou opstrijken. Laten we niet vergeten dat bij de Romeinen piëteit jegens de goden vooral ingegeven werd door een do ut des mentaliteit.
Statuut en milieu: Opdrachtgevers: Ingenui. Handelaars. Er is verder niets bekend over deze Vertulei.
Literatuur: Purdie (1935) 144-145 ׀׀ Lindsay (1897) 69-71 ׀׀ Tanner (1961) 224-225 ׀׀ Henzen (1847) 70-79 ׀׀ Till (1984) 313 ׀׀ Bücheler (1965) I, 144 ׀׀ Ernout (1967) n° 128
CIL I² 1805 IX: 3569; CLE: 5app
Lucius Aufidius, …van Decimus (?)
[---l]ibet
don[u---]
[---d]edit L. Aufidi(us) D.|
[---de]cuma facta |
[---]imer iterum. |
[---lte
orat, tu es |
[---] deus quei tou|
[---]pacem petit |
[---] adiouta
…met genoegen ten geschenke…
…gaf(?)Lucius Aufidius, zoon van (of vrijgelatene?)
Decimus
…nadat het tiende deel geofferd was…
…(?) opnieuw…
…verzoekt U, U bent…
…een god die (?)…
…vrede nastreeft…
…geholpen…
Mogelijke aanvullingen (Bücheler)
[ hoce ut
l]ibet don[u---d]edit L. Aufidi(us)
D.|[f---de]cuma facta | [hercol]i mer(eto) iterum.
| [simul]
te orat, tu es | [sanctus] deus, quei tou|[tam a te]
pacem petit, | [eum] adiout
…Lucius Aufidius, zoon van
Decimus…schonk dit met genoegen
…nadat het tiende deel terecht aan Hercules geofferd was…opnieuw…
…tegelijk ook vraagt hij U – U bent een heilige god –
…hij die U om een onbekommerde vrede smeekt…
…help hem…
Monument: Barzanum[665] (nu Bazzano), op het gebied van de Vestini aan de Adriatische zee. Kleine oude lettertjes (litteris antiquis minutis).
Datering: CIL dateert in de Republiek op basis van de paleografie, maar geeft er geen argumentatie bij. Verder geen aanknopingspunten.
Taalkundig-inhoudelijk: Mogelijk saturnii, maar te
fragmentarisch om een metrum in te kunnen herkennen. De enige aanwijzing
is de alliteratie pacem petit.
Deze inscriptie is herkenbaar als wij-inscriptie door decuma facta; te orat;
pacem petit en misschien ook door [---l]ibet don[u---].
Statuut en milieu: Incertus met gentilicium. De filiatie ontbreekt of stond op het afgebroken stuk.
Literatuur: Diehl (1964) 89 ׀׀ Warmington (1940) 96 n° 113 ׀׀ CSE 209-210
CIL I2, 652 V: 8270; ILLRP: 3352-add; CLE: 1859add ; CLEE 1; ILS: 8885
Gaius Sempronius Tuditanus
a
b
[---]re et Tauriscos c
[---]
1
[---]us coactos m [---]
[---]r quineis qua
[---]avit
[---]signeis consi
[---]os Tudita || nus
[---Roma]e egit triumpu
[m---]dedit Tim || auo
5
[---]ria ei restitu
[it---] reis tradi || t
(Ex imagine Von Premerstein et Reisch) 1. [---]re et Tauriscos c : [---]+e et Tauriscos + Kruschwitz qui vidit ( + significat vestigium litterae) 3. qua: qua[ter(?)] id. 5. triumpu: triumpu id. 6. restitu [it---]: restitu[ta (?) ---] id. Lectiones ceterorum in commentariis.
…en de Taurisci…
…gedwongen…
…in vijf dagen … viermaal (?)…
…tekens…Tuditanus…
…Hield hij een triomftocht in Rome (?) …droeg hij op aan Timavus…
…voor hem in ere herstelde (?)…en droeg over aan…
Monument: kalksteen uit Nabresina, waarvan twee fragmenten zijn teruggevonden in de buurt van Aquileia:[666] fragment a in Monastero bij Aquileia, fragment b in Cervignano (± 6 km. ten noorden van Aquileia). Maten: 28 x 34 x 33 cm. (fragment a) en 28 x 34 x 22,5 cm. (fragment b), letters van ± 4 cm. Scheidingspunten tussen de woorden behalve tussen ria ei en tussen reis tradi || t . Beide fragmenten zijn aan de linkerkant afgebroken, fragment b is tevens beschadigd rechts bovenaan. R. 4, 5 en 6 lopen verder om de hoek van de steen. Het bij elkaar horen van beide fragmenten kan aangetoond worden door het gebruik van dezelfde steensoort, hetzelfde lettertype en dezelfde dikte en diepte van de blokken. Men gaat uit van een grotere monoliet die in latere tijden verzaagd is en waar waarschijnlijk nog een deel onder en bovenop hoorde. Mogelijk ging het om de sokkel van een standbeeld.[667] (Het feit dat r.4, 5 en 6 op de zijkanten verderlopen toont aan dat de steen ook van opzij kon bekeken worden, zoals normaal is voor een standbeeld.)
Datering: Gaius Sempronius Tuditanus was consul in 129a en op 1 oktober van dat jaar hield hij een triomftocht de Iapidibus in Rome.[668] Het monument moet kort na zijn overwinning zijn opgesteld (129a - 127a). Noch de orthografie noch de paleografie spreken deze datering tegen (triumpum zou na 110a triumphum gespeld worden en paleografisch is de open P het meest in het oog springende kenmerk.) Een argument tegen deze datering is dat kalksteen uit Nabresina in Aquileia pas rond 50a algemeen in gebruik werd genomen.[669] Daarom moeten we rekening houden met de volgende mogelijkheden: de oorspronkelijke standplaats was niet Aquileia; het gaat om een restauratie van latere datum;[670] of het monument werd ergens anders gemaakt en is later naar Aquileia gebracht (of een kopie ervan).
Taalkundig-inhoudelijk: Deze lezing berust op de foto’s van Tamaro en Reisch. De lezing van Kruschwitz is opgenomen in het kritisch apparaat omdat ze gebaseerd is op de recentste autopsie van de steen. Andere lezingen geven hoofdzakelijk varianten voor de - meestal speculatieve - aanvullingen. Ze worden hieronder met vertaling gegeven.[671]
Inhoud. Omtrent de oorspronkelijke inhoud van deze inscriptie tasten we nagenoeg volledig in het duister, spijts de verschillende en talrijke reconstructiepogingen, die vooral berusten op speculaties. Als reden voor deze verwarring kan worden aangewezen: het gebrek aan kennis van het metrum, de onzekerheid over de precieze omvang van de lacunes, onzekerheid over het al dan niet ontbreken van een praescriptum of een postscriptum; schaarse details over de veldtocht van Tuditanus in de bronnen waarover we beschikken en verwarring met een citaat van Plinius dat gewag maakt van een inscriptie van Tuditanus.[672] Bovendien is er geen consensus over de oorspronkelijke standplaats van de inscriptie, noch over de vraag of het een elogium of een wij-inscriptie is.
Metrum: saturnius. Als zodanig herkend door Dessau en later door Bücheler. Aanwijzingen: r.4, 5 en 6 lopen verder om de hoek van het blok in plaats van op de volgend regel, dit kan een aanduiding zijn van de steenkapper dat het om een vers gaat. Woorden met met dezelfde syllabische of metrische verdeling staan ongeveer op dezelfde plaats onder elkaar (Tauriscos, coactos, consilieis, triumpum, restituit) en zijn tevens typische eindvoeten voor de beginkola van saturnii. Alliteraties (quineis qa…) en assonanties (Tauriscos, coactos; quineis, signeis). Inversie van de normale woordvolgorde in egit triumpum. De overeenstemming van de syntactische geleding met de cesuur berust op de aanvullingen en kan bijgevolg als argument niet in overweging worden genomen. Hetzelfde geldt, zij het in mindere mate voor de perifrastische weergave van het getal (ter quineis).
r.1. Tauriscos: in IIA geen volksstam in het bijzonder, maar een verzamelnaam voor Keltische volkeren van Noricum en Zuidwestpannonië (ten noorden van Aquileia). Over hun precieze woongebied of hun ethnische achtergrond bestaat echter geen consensus en ook de bronnen zijn niet eenduidig.[673]
r.3. [ter] quineis qa[ter] in alle aanvullingen. Omschrijving van getallen is niet ongewoon en al in Plautus, Lucilius en Ennius geattesteerd.[674] Het lijkt waarschijnlijk dat de abl. quineis een tijdsopgave is, [diebus ter] quineis of evt. [diebus quater] quineis is in overeenstemming met de nadruk die men legde op de snelheid van campagnes.[675]
r.5. [---Roma]e egit triumpum. Bücheler’s aanvulling die Rome als contrast plaatst tegenover de plaats van de overwinning is zeer plausibel, temeer daar de inscriptie in de buurt van de plaats van de overwinnig stond. Zelfs indien de oorspronkelijke tekst niet letterlijke met deze aanvulling in overeenstemming was, is het zeer goed mogelijk dat Rome vernoemd werd als plaats van de triomftocht.
Dedit Timavo: In de buurt van Aquileia bestond er een cultus voor Timavus, een riviergodheid, die daar een tempel had,[676] tussen Aquileia en Tergeste (Trieste). Dedit Timavo wijst eerder op een wij-inscriptie (cf. infra). De plaats zelf was de aangewezen uitvalsbasis voor een veldtocht naar Ilyrië.
r.6. Algemeen wordt aangenomen dat hier bijzonderheden over Tuditanus’ gift aan Timavus stonden en ria ei wordt door vrijwel alle auteurs als sacra patria aangevuld. In weerwil hiervan moet worden opgemerkt dat op de steen geen scheidingspunten staan tussen ria en ei (maar ook niet tussen reis en tradit) en dat hier een woord kan gestaan hebben dat uitging op …riaei, zoals bv Ardeiai, een volkstam in Illyrië. Bücheler sluit evenmin een contaminatie van twee uitgangen ae en ai zoals bv. in Aquileiaei niet uit.
Wij-inscriptie of ere-inscriptie? De precieze aard van het monument valt niet te achterhalen, en het is bijgevolg niet zeker of hier de resten staan van de sokkel van een standbeeld, van een altaar of van iets anders. (Een standbeeld zou wijzen op een ere-inscriptie, een altaar op een wij-inscriptie.)
Dedit Timavo kan duiden op een wij-inscriptie, maar veronderstelt dan een voorafgaand statuam hic of donum hoc of een andere beschrijving van het geschenk dat aan de stroomgodheid wordt gegeven, maar deze veronderstelling heeft geen feitelijke gronden. Het kan immers ook gaan om een opsomming van zijn daden, net zoals Gnaius Cornelius Scipio (CIL I², 8/9) in zijn elogium doet: dedet tempestatibus aide meretod, en dat is zeker geen wij-inscriptie.
De plaats waar de inscriptie is opgesteld spreekt eerder voor een wij-inscriptie: dit was de streek waar de cultus van Timavus werd onderhouden. Bovendien verwacht men een ere-inscriptie in deze periode in Rome, en niet in Aquileia. Het zou in dit geval gaan om de vroegste ere-inscriptie voor een levende, die in de provincies was opgesteld. Nochtans geven de bronnen aan dat dit niet onmogelijk was.[677]
Kortom, met wat uit de restanten van de inscriptie kan opgemaakt worden, is het niet mogelijk om de functie van deze inscriptie met zekerheid vast te stellen. Ik heb ze als ere-inscriptie opgenomen omwille van het feit dat ze blijkbaar vooral de bedoeling had om de daden van Tuditanus te vereeuwigen, zelfs al zou de oorspronkelijke vorm een wij-inscriptie geweest zijn.[678] De bewaarde tekstfragmenten verwijzen in de eerste plaats naar de krijgsdaden van Tuditanus. Men kan hier verder nog vermoeden dat de inscriptie ook de bedoeling had om de rol van de legaat D. Brutus Callaicus (cf. infra), die een groot aandeel had in de eigenlijke overwinning, in de schaduw te stellen.
Hieronder volgt nog een overzicht van de belangrijkste voorstellen tot aanvulling van de ontbrekende tekstgedeelten. Voor de verantwoording ervan moet ik verwijzen naar de respectieve artikels. Een beknopter overzicht is opgenomen in CSE 154 ev. en Gwyn Morgan (1973) 40 ev.
1. Bücheler
[Descende]re et Tauriscos
C[arnosque et Liburnos]
[ex montib]us coactos m[aritumas ad oras]
[diebus te]r quineis qua[ter ibei super]avit
[castreis] signeis consi[lieis prorut]os Tuditanus.
[Ita Roma]e egit triumpu[m, aedem heic] dedit Timavo;
[sacra pat]ria ei restitu[it et magist]reis tradit.
De Taurisci, de Carni en en ook de Liburni,
gedwongen van hun bergen naar de zeekust af te dalen,
Overwon Tuditanus daar viermaal in driemaal vijf dagen,
Zijn legerkamp, zijn veldtekens en zijn krijgsplan hadden hen verpletterd.
Daarom hield hij in Rome een zegetocht en droeg hij deze tempel op aan Timavus,
herstelde hij voor hem de vaderlandse heiligdommen en droeg ze over aan
opzichters.
2. Reisch
[C. Sempronius G. f. Tuditanus imperator de manibieis]
[Iapydas---]
[ab Aquileia ad Titium flumen stadia mille]
[--- profligavit]
[---domuit Histros---]
ex itine]re et Tauriscos C[ontrivit et Carnos]
[in montib]us coactos m[- - -]
[diebus te]r quineis qua[ter hostes super]avit
[fausteis] signeis consi[lieis Semproni]os Tuditanus.
[Ita Roma]e egit triumpu[m, praidam heic] dedit Timavo;
[sacra pat]ria ei restitu[it et magist]reis tradit.
Gaius Sempronius Tuditanus, zoon van Gaius; uit de oorlogsbuit.
De Iapoden…
Vanaf Aquileia naar de rivier Titius duizend stadia
…heeft hij verslagen.
…heeft de Histri kleingekregen…
Op zijn veldtocht heeft hij ook de Taurisci en de Carni in de pan gehakt,
die in hun bergen waren teruggedreven…
In driemaal vijf dagen heeft hij de vijand viermaal overwonnen,
(hij,) Sempronius Tuditanus, onder voorspoedige voortekens en met inzicht.
Daarom hield hij een zegetocht in Rome en droeg hij deze oorlogsbuit op aan
Timavus,
herstelde hij voor hem de vaderlandse heiligdommen en droeg ze over aan
toezichters.
3. Birt
[Hoc est Gai Semproni Consulis Monumentum.]
[In Histria pugnavit, Iapudum victor]
[hos ad ma]re et Tauriscos
C[arnosque et Liburnos]
[sub Alpibus]us coactos m[aximas legiones]
[diebus te]r quineis qua[ter ibei fug]avit
[sueis] signeis consi[lieis contus]os Tuditanus.
[Ita Roma]e egit triumpu[m, ludos] dedit Timavo;
[sacra]ria ei restitu[it aes magist]reis tradit.
Dit is het monument van Gaius Sempronius Tuditanus, consul.
Hij leverde slag in Histria, de overwinnaar van de Iapyden.
Deze (heeft hij) aan de kust (verjaagd); de Taurisci, de Carni en de Liburni,
die aan de voet van de alpen waren samengedreven, een enorm leger
heeft hij, Tuditanus in driemaal vijf dagen viermaal verjaagd;
door zijn veldtekens en zijn krijgsplan overweldigd.
Hij hield een zegetocht in Rome en gaf spelen ter ere van Timavus,
herstelde voor hem zijn heiligdommen in ere en overhandigde een geldsom aan de
toezichters
4. Degrassi
[Ex itine]re et Tauriscos
C[arnosque et Liburnos]
[ex montib]us coactos m[- - -]
[diebus te]r quineis qua[ter ibei super]avit
[sueis] signeis consi[lieis prorut]os Tuditanus.
[Ita Roma]e egit triumpu[m, praedam] dedit Timavo;
[sacra pat]ria ei restitu[it et magist]reis tradit.
Op zijn mars…zowel de Taurisci als
de Carni en de liburni…
die gedwongen waren uit de bergen…
Heeft hij, Tuditanus, in driemaal vijf dagen viermaal overwonnen,
door zijn veldtekens en zijn krijgsraden overweldigd.
Hij hield een zegetocht in Rome en
schonk de buit aan Timavus,
herstelde voor hem zijn heiligdommen en droeg het over aan de toezichters.
5. Gwyn Morgan
[Ex itine]re et Tauriscos
C[arnosque et Liburnos]
[ex montib]us coactos m[aritumas ad oras
[diebus te]r quineis qua[ter fudit et fug]avit
[fausteis] signeis consi[lieis praecipu]os Tuditanus.
[Ita Roma]e egit triumpu[m, statuamque] dedit Timavo;
[sacra pat]ria ei restitu[it atque magist]reis tradit.
Zowel de Taurisci als de Carni en de Liburni,
die uit hun bergen naar de
zeekusten waren gedreven,
heeft hij op zijn mars, in driemaal vijf dagen viermaal verjaagd en op de vlucht
gedreven.
onder gunstige voortekens en met inzicht, hij, de voortreffelijke Tuditanus.
Hij hield een zegetocht in Rome en schonk een beeld aan Timavus,
herstelde voor hem zijn heiligdommen en droeg het over aan de toezichters.
Statuut en milieu: ingenuus met gentilicium. Tuditanus stapt voor het eerst de geschiedenis binnen in 146a, wanneer hij als officier aan de campagnes van L. Mummius deelneemt. Zijn politieke carriere begint hij in 145a als quaestor, waarna hij een normaal cursus honorum doorloopt. In 129a is hij samen met M.' Aquillius consul en in die hoedanigheid krijgt hij de opdracht om de bezwaren van de bondgenoten tegen de Gracchische landhervormingen te behandelen, maar hij onttrekt zich aan zijn opdracht door op krijgstocht naar Illyrië te vertrekken. Daar had hij aanvankelijk tegenslag, maar door het ingrijpen van de oorlogservaren legaat D. Brutus Callaicus, kon hij een grote overwinning op de Iapyden behalen.[679] Hij is ook bekend als redenaar,[680] als historicus en als schrijver van een aantal werken over staatsrecht.[681] Zijn gens, de Sempronia, was oorspronkelijk een patriciërsgeslacht, maar na 304a zijn het enkel nog Plebejers.[682]
Literatuur: Reisch (1908) 276-282 ׀׀ Bücheler (1908) 321-328 ׀׀ Birt (1920-1924) 306-323 ׀׀ Gwyn Morgan (1973) 29-48 ׀׀ Courtney (1995) n° 4 ׀׀ CSE 148-158 ׀׀ Tamaro (1925) 7-20 ׀׀ Warmington (1940) 132 n° 652
CIL I2: 2 ILLRP: 42; CLE: 1; ILS: 5039add
Ibi sacerdotes clusi, succincti, libellis
acceptis, carmen descindentes 1
tripodaverunt in verba haec:
E
nos Lases iuvate, / |[e ]nos Lases iuvate, / e nos Lases iuvate.
Neve lu{a}e
rue, Marma‹r›, sins in ° currere in ‹p›leores,
neve lue rue, Marmar, |[si]ns in currere in pl‹e›or‹e›s,
5
neve lue rue
Marmar, ° sers incurrere in pleo‹r›is
Satur ° ‹fu, f›ere Mars; limen |[sa]l‹i›, sta °
berber.
Satur fu, °
fere Mars; ‹l›imen sal‹i›, sta berber.
Satur fu, fere Mars; ‹l›imen sal‹i›, s‹t›a berber
|[Sem]unis alternei advocapit conctos,
10
Semunis alternei
advocapit conctos,
S‹e›munis altern‹ei› advocapit| [conct]os.
E nos Marmor
iuvato, / e nos Marmor ° iuvato, / e nos, Ma‹r›mor, iuvato.
T‹r›iumpe, t‹r›iumpe, t‹r›iumpe, trium|[pe,tr]iumpe.
Post tripodationem deinde signo dato publici introier(unt)
15
et
libellos receperunt.
4.
‹p›leores: dleores
Scheid:
‹p›leores ° neveluerue
Kruschwitz
5. pl‹e›or‹e›s: plsoris
Scheid
6.
sers incurrere
Scheid, Piva, Radke:
s‹in›s‹i›ncurrere
em.
Scheid,
Kruschwitz
pleo‹r›is: inpleoius
Scheid:
pleo‹r›is ° satur
Kruschwitz
7. ‹fu, f›ere: evrere
Scheid, Piva
|[sa]l‹i›: [sa]le
Scheid 8.
sal‹i›: sall
Scheid, Piva 9.
‹l›imen sal‹i› , s‹t›a berber:
iimen snii sia
Scheid:
limensallsta
Piva 12.
S‹e›munis altern‹ei›: simunis nltervie
Scheid:
simunis alternie
Piva
14.
T‹r›iumpe (1-2): trlumpetnumpe
Scheid
trium|[pe (4) tiium
Scheid
De priesters, daar opgesloten,[683]
met hoog opgegord kleed, reciteerden[684]
de formules na de boeken te hebben ontvangen, en voerden een tripodatio uit op
de volgende woorden:
Laren, ja sta ons bij.
(3x)
En Mars, voorkom dat ziekte en verderf de mensen (?) treft, (3x)
Wees tevreden, woeste Mars, spring over de drempel...(?) (3x)
Jullie zullen op jullie beurt alle Semones
oproepen, (3x)
Sta ons bij, Mars.
(3x)
Triomf, Triomf, Triomf, Triomf, Triomf
Na de tripodatio, toen een teken gegeven was, gingen de publieke slaven naar
binnen en namen de boeken terug in ontvangst
Monument: gevonden op 6 à 7 km van Rome, op een plaats genoemd La Magliana, bij de Porta Portuensis. Volgens de oude corpora in luco Deae Diae via Campana apud lapidem V. (…in het heilige bos van Dea Dia langs de via Campana bij de 5de mijlpaal.[685]) Dit carmen maakt deel van de acta van het college van de fratres Arvales van het jaar 218p. Deze acta waren ingegrift op een marmeren plaat die in XVIIIP werd opgegraven en in 1775 werd gepubliceerd.[686] De plaat was langs beide kanten beschreven, maar werd achteraf doormidden gezaagd, zodat voorzijde en keerzijde nu elk op een apart tablet staan. De tabletten waren op de muren van het heiligdom vastgemetst. Afmetingen: ca 77,3 x 63,1 x 1,3 cm (de oorspronkelijke dikte moet dus meer dan 2,6 cm geweest zijn, afhankelijk van de zaagdikte). Letters 8 à 9 mm, met uitschieters van 5mm en 13 mm. De gehele tekst is geschreven in scriptura continua, met slechts 8 scheidingspunten, die misschien niet allemaal correct geplaatst zijn. Op sommige plaatsen is de tekst moeilijk leesbaar. Het eigenlijke carmen staat op de oorspronkelijke voorzijde, het begint onderaan op lijn 33 en en stopt op lijn 38.
Deze tekstreconstructie berust op de transcripties van Scheid en Piva (meest recente autopsieën) en CSE (studie van een afgietsel). De verwijzingen in het kritisch apparaat zijn geen verbeteringen van de respectieve editoren, maar hun lezingen van de steen (tenzij anders aangegeven). Het feit dat de bezweringsformules telkens driemaal herhaald worden, laat toe een groot deel van de onleesbare gedeeltes met zekerheid aan te vullen. Gezien de taalvormen op een aantal plaatsen moeilijk interpreteerbaar zijn, en de woordscheiding niet altijd zeker is, zijn uitzonderlijk ook de scheidingspunten met het teken ° weergegeven.
Datering:
1) Epigrafisch: de steen bevat de notulen van het college van het jaar 218p. Dit kan opgemaakt worden uit twee consulaire dateringen, die zich op de keerzijde van de steen, op lijn 31 en lijn 38 bevinden.[687] Waarschijnlijk werden de notulen pas het volgende jaar, in 219p effectief ingegrift.[688] 218p was het eerste regeringsjaar van keizer Elagabalus. Dit carmen hoort dus strict genomen niet thuis in een repertorium van carmina epigraphica uit de republiek,[689] maar wegens het grote historische belang lijkt het mij wel gerechtvaardigd om er wat dieper op in te gaan. Sommige editoren laten ook de tekst primeren op het epigrafisch karakter.
2) Oorspronkelijke tekst: hierover lopen de meningen uiteen en de dateringsvoorstellen liggen tussen het 2de millenium voor Christus en 218p. De ingeslopen fouten en modernismen, het feit dat tekst soms moeilijk te begrijpen is, en het gebrek aan vergelijkingsmateriaal vóór IIIA bemoeilijken de datering. In feite kunnen niet meer dan een paar hypotheses geformuleerd worden. De teneur is wel dat het een oeroud Italisch lied is.
Het oudste dateringsvoorstel plaatst de tekst nog vóór het 1ste millenium voor Christus. De achterliggende redenering is dat Marmar en Lases een Sabijnse oorsprong verraden en dat het lied in zijn oertoestand nog uit de pre-Romulusfase moet dateren.[690]
Radke dateert rond IIVA / IVA. Hij ziet daarvoor aanwijzingen in de metriek, die het beginstadium van Saturnii weergeeft, en in de verklaring van een aantal taalvormen, vooral E nos, Marmar en sins/sers.
Courtney dateert op basis van Triumpe. Dit woord zou in oorsprong teruggaan op het Etruskisch of op het Grieks, maar met een Etruskische tussenfase. Daardoor kan het in Rome niet opgepikt zijn voor de Etruskische overheersing, die in de bronnen gesymboliseerd wordt door het koningschap van Tarquinius Priscus.[691]
Norden legt de termini tussen VA en Vroeg IVA, dit is de bloeitijd van de archaïsche Griekse cultuspoëzie, waarvan het carmen invloed kan ondergaan hebben. De benedengrens wordt gevormd door de slag bij de Allia (390a) en de nederlaag tegen de Galliërs, waardoor de band met de Grieken meer dan een eeuw verbroken was.[692]
Interessant is de datering van Piva, die het carmen als een fantasietje van Elagabalus ziet en tot een datering in 218p komt. Zijn argumentatie berust op de volgende punten: 1) het carmen Arvale duikt pas op in 218p en wordt voordien in geen enkele bron genoemd. Daarna wordt het nog 2 keer vermeld, maar enkel in de acta van de fratres Arvales en binnen de regeerperiode van Elagabalus. In deze periode worden de acta plots ook uitgebreider en bevatten ze meer details over de cultus. 2) Er zijn slechts 3 taalkundige vormen die op een hoge ouderdom kunnen wijzen (Lases, triumpe en conctos), maar deze taalverschijnselen waren toen ook bekend en men vindt wel vaker voorbeelden, waarin ze als bewuste archaïsmen worden gebruikt. De andere vormen die voor oeroud doorgaan, zijn niet echt afdoende verklaard en kunnen dus niet als argument aangehaald worden. Zij kunnen verzonnen zijn, of eveneens als pseudo-archaïsmen gebruikt zijn. 3) Het carmen vertoont geen bijzondere kenmerken die eigen zijn aan teksten, die een lange periode van mondelinge overlevering achter de rug hebben (vooral medeklinkeralliteratie), maar geeft veeleer de indruk van een kunstzinnig gewrocht (vooral door assonanties en klinkeralliteratie).
Op basis van deze observaties concludeert Piva dat het gedicht een fantasieprodukt is van Elagabalus, die in het kader van zijn religieuze hervormingen gepoogd heeft een magische invocatie van Oriëntaalse oorsprong in de Romeinse religieuze tradities te laten inpassen.[693] Hij was bij machte om dit te doen omdat hij als keizer automatisch lid werd van dit priestercollege. Punt 1 verdient zeker aandacht, maar kan ook uitgelegd worden als een poging van de fratres Arvales om, middels gedetailleerde notulen, de oeroude riten te vrijwaren van de religieuze hervormingswoede van Elagabalus. Bovendien past de inhoud niet echt bij de aspiraties van Elagabalus, die er vooral op gericht waren de cultus van de zonnegod van Emesa, Elah - Gabal, naar wie hij genoemd was, ingang te doen vinden in Rome. De taalkundige archaïsmen kunnen ook echte archaïsmen zijn en voor een aantal niet verklaarde vormen kunnen wel degelijk bruikbare hypotheses, die een vroege datering toelaten, geformuleerd worden. Een mondelinge overlevering hoeft niet gepostuleerd te worden, daar in de acta sprake is van libellis / libellos waaruit de priesters reciteerden.[694]
Taalkundig-inhoudelijk: mogelijke transcriptie naar klassiek Latijn:
1. E nos Lares, iuvate 2. Neu luem ruinam, Mars, siveris incurrere in plures. 3. Satur es, fere Mars, Limen sali, sta berber. 4. Semones alterni advocabite cunctos. 5. E nos Mars, iuvato. 6. Triumphe!
Het carmen Arvale heeft zeer veel aandacht gekregen van filologen, historici en andere geleerden en kan bogen op een zeer ruime bibliografie. Het grootste deel van het carmen wordt begrepen, slechts enkele zaken blijven tot op heden onverklaard of berusten op gissingen. De moeilijkheden bij de interpretatie liggen deels in de vermoede ouderdom van van het carmen en de mogelijk lange mondelinge overlevering, die verantwoordelijk moet zijn voor de corruptelae. Verder zijn er zeker modernismen in de tekst geslopen en moeten een aantal fouten of mogelijke fouten op conto van de opsteller, ordinator of steenkapper geschreven worden, gezien de rest van de acta ook veel taalfouten bevat.[695] Ook de uitwerking in scriptura continua heeft de interpretatie bemoeilijkt. De oorspronkelijke teksttoestand valt dus onmogelijk te achterhalen en de voorliggende omzetting naar klassiek Latijn en de bijhorende vertaling zijn soms hypothetisch en worden vooral exempla gratia gegeven. Ze reflecteren de communis opinio, maar maken zeker geen aanspraak op correctheid. De vetgedrukte tekst geeft de passages weer, waarvan de interpretatie minder zeker is en meermaals in vraag gesteld werd.
Nordens studie van het carmen, hoewel op sommige punten achterhaald, wordt algemeen als gezaghebbend beschouwd. Recent en degelijke zijn de studies van de taalvormen door Courtney en in CSE, waarop deze transcriptie en vertaling zich baseren.[696]
E nos:
geen analogie naar het Griekse
voor
,
maar E is een versterkend Partikel dat meer gebruikt wordt bij
bezweringsformules ( vergelijk met het Griekse partikel
).
Lases: pre-rhotacisme voor Lares.
Neveluerue: de woordscheiding wordt soms betwist, maar de voorgestelde transcriptie is goed houdbaar. (Neve, neu: en dat niet, en niet; luem < lues, -is: pest besmettelijke ziekte, epidemie; ruem voor ruinam is geattesteerd in de glossen.)
Marmar. Vermoedelijk vocatief voor Mars, maar de woordvorming is onduidelijk.[697]
Sins incurrere: ook hier wordt de woordscheiding soms betwist (met sin sin currere als mogelijk alternatief), maar volgens de gangbare mening moet sins als een imperatief van sino (toelaten, dulden) gelezen worden. Sers in r. 6 is vermoedelijk een fout van de steenkapper.[698]
Pleores: de mening is zeer waarschijnlijk plures, maar de woordvorming blijft onverklaard.
Fu: ongetwijfeld een imperatief van esse gebouwd op de suppletieve perfectumstam.
Fere: vocat. Voor ferus, bij Mars.
Limen sali: geen probleem in woordverklaring, maar de betekenis is minder duidelijk.
Sta berber: niet echt bevredigend verklaard, blijft hier onvertaald.
Semones: niet echt volledig verklaard, maar het moet gaan om een groepje goden die zich ontfermden over het zaad.[699] Hun naam wordt ook in verbinding gebracht met een andere, oeroude godheid van Sabijnse oorsprong: Semo Sancus Dius Fidius.[700]
Naast de onzekerheid over de precieze betekenis van de tekst, bestaat er al evenmin een consensus over het metrisch karakter. De beoordeling gaat van vroege Saturnii[701] of een voorstadium van saturnii,[702] tot niet-metrisch proza.[703]
Al vroeger is het bestaan van saturnische halfverzen in twijfel getrokken,[704] waardoor het saturnisch karakter van de invocaties van r. 3 en r. 13 niet meer houdbaar is. Bovendien zijn de vroege attestaties van saturnii te vinden in het epos, maar niet in religieuze context; noch waren deze vroege saturnii gemaakt om op te dansen.[705]
Nochtans moet de tekst een zeker ritme of metrum bevat hebben: de bronnen spreken van een carmen, en als begeleiding van een tripodatio (of begeleid door een tripodatio) moet de tekst zeker sterk ritmisch geweest zijn.[706] Het carmen Arvale wordt hier dus opgenomen als carmen met een onbekend metrum.
De fratres Arvales vormden een oud priestercollege, waarvan de cultus in de eerste plaats geassocieerd werd met de landbouw en met de vruchtbaarheid van het de akkers (Wolters: arvum: akker bouwland; arvalis fratres: akkerbroeders). De belangrijkste Godheid voor deze cultus was Dea Dia, die er zorg voor droeg dat de gewassen konden groeien. Zij wordt gerelateerd aan Ceres.[707] In mei werd ter ere van deze Dea Dia een driedaags festival georganiseeed en op de 2de dag van dit festival reciteerden de priesters in haar heiligdom het carmen Arvale terwijl ze een rituele dans opvoerden.[708]
Het carmen Arvale kan geïnterpreteerd worden als een bezweringsformule gericht aan de Lares, Mars en de Semones. De lares, de zogenaamde huisgoden, hadden in oorsprong het hele domein onder hun hoede. Zij waakten ook over de grenzen van twee naast elkaar liggend latifundia en over kruispunten. Hier wordt klaarblijkelijk beroep gedaan op hun apotropaïsche vermogens.[709]
Mars wordt aangeroepen en gesmeekt om zijn woede te temperen en geen dood en verderf te zaaien (neve luem ruem) en tevreden te zijn (satur fu). Hij wordt hier opgevoerd als Mars Ferus, de godheid van het wilde, ongecultiveerde land, voorbij de grenzen van het bebouwde land. Traditioneel is hij onverzadigbaar. Mars als landbouwgod moet een latere ontwikkeling zijn.[710]