Latijnse epigrafische poëzie uit de republiek. Repertorium, vertaling en studie. (Wouter Keuleers)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

2. REPERTORIUM

 

2.1 TITULI SEPULCRALES

 

Elogia Scipionum

 

Vervolg

 

CIL I², 1217                                                                            VI: 30105; CLE: 68

Tertia?


[---]avie pulchre d[--]len[---], |                                  1

[---]te hoc voluit monumento am[---] |

[--- r]ogavi ut faceret monumentum m[ihi] |,

[---i]mpetraví id ab eo, laudo benevolen[tiam], |

[---]ni heic animo du‹o ut› essemus sití. |                    5

parí coniugio, uirtute, summa industria |

uixsí et fortunam, quoad uixí, tolí. |

Tertia quom essem, me prímam speraví fore. ||
 

Quom quod sperarem eciem me retinere potesse, |

spe amissa voluit me Fortuna heic retine(ri), |         10

quoniam me Fortuna iníqua non sívit fruí, |

nihil timeo nec confído : moriundum scio. |

[v]ívam quam ornare studui, ornavi mortua(m) |

 

(í = I-longa in lapide)  1 IAVIE  Mommsen   :   IAVIF Nissen   :   AVIEF Bormann                DECE[S]UM Mommsen   :      DE[…]  Nissen  :  D[…] Nicolai        2 [---]STE  Mommsen   :   [ ---]TE Nissen [---]E Nicolai 5.  duo ut  Bücheler (vide infra) , Mommsen   :   DVQVI  lapis   :   DVQVT Nissen          9.  sperarem eciem me lapis  :   speraram  mecum Hauptius   :   equidem  Bücheler :   diem  Hirschfeld :   sp]eciem  Bang                                                    


…schoon..mijn heengaan(?)...
…wenste hij…met dit monument…
…ik heb hem gevraagd voor mij(?) dit monument op te richten..,
…ik heb het van hem gekregen - ik prijs zijn goedheid -
…in ziel…zodat wij beiden hier samen kunnen begraven liggen.
Ik leefde in een harmonisch huwelijk, deugdzaam, volkomen toewijding
en zolang ik leefde heb ik mijn lot gedragen.

Hoewel ik Tertia was, heb ik gehoopt de eerste te zijn.


Hoewel ik stellig bleef hopen dat ik haar (?) kon behouden,
wilde Fortuna dat ik hier achterbleef, nadat de hoop was vervlogen.
En aangezien dat wrede lot me niet heeft toegestaan van het leven te genieten,
heb ik geen vrees en koester ik geen verwachting: ik weet dat ik moet sterven.
Toen ze in leven was heb ik me er op toegelegd haar te eerbiedigen, en na haar
dood heb ik haar ook geëerbiedigd.

 

 

Monument: Rome, in het St.-Paulus klooster. Groot marmeren tablet met oude letters. Bovenaan aan de zijkanten en onderaan afgebrokkeld. Een spatie scheidt vers 9-13 van de voorgaande verzen. Scheidingspunten tussen de letters. De regels zijn beurtelings twee letters naar rechts ingeschoven, zoals bij een elegisch distichon.

Datering:   na  65a door het gebruik van marmer. Ander dateringsgegevens (het gebruik van I-longa,  de aspiratie in pulchre) zijn dus minder relevant. De vorm potesse (r.10) is Oudlatijn,[367] maar moet hier een bewust archaïsme zijn. De paleografie schijnt de inscriptie nog in de Republiek te plaatsen (litteris vetustis).

Taalkundig-inhoudelijk: In CLE gerangschikt onder jambische senarii, maar het metrum vertoont afwijkingen en fouten. Over de eerste vijf verzen kan, gezien de lacunes, weinig met zekerheid gezeg worden, behalve dat ze metrische sequenties vertonen. R.8 is een jambische senarius met elisie van quom en essem; vers 9 is een hexameter indien sperarem geëlideerd wordt met eciem, waarbij de E van eciem verlengd wordt door de consonantwaarde van de daaropvolgende I.[368] Hierdoor is men verplicht eciem als vulgarisme voor equidem
(< ecidem)
[369] te zien, maar de metriek verklaart misschien de afwijkende schrijfwijze. R.10 is eveneens een hexameter met een weinig elegante elisie van spe amissa. De overige verzen vertonen kenmerken van jambische poëzie, maar met fouten tegen het metrum.

De spatie tussen vers 8 en 9 weerspiegelt ook een inhoudelijke pauze: in vers 1 t.e.m. 8 worden de gedachten van de gestorven vrouw verwoord, vanaf vers 9 is het de beurt aan de overblijvende echtgenoot. Het geheel is in slechte staat en de leesbare resten van het origineel  geven een gewrongen indruk. Bücheler ziet op verschillende plaatsen ontleningen aan andere voorbeelden. Zijn aanvulingen:

 

Funusque orn]avit pulchre d[ecessum do]len[s, |/ hones]te hoc voluit monumento am[bustam tegi.|/ et quod r]ogavi ut faceret monumentum m[ihi |,/sic i]mpetraví id ab eo, laudo benevolen[tiam],|/ commu]ni heic animo du‹o ut› essemus sití.|


Een schone begrafenis heeft hij me gegeven, in smart om mijn heengaan. 

Hij wenste dat ik, na verast te zijn, eervol door dit monument zou bedekt worden.  En dat wat ik hem gevraagd heb, dat hij voor mij een monument zou optrekken, Dat heb ik ook van hem gekregen - ik prijs zijn minzaamheid –

Zodat wij beiden hier samen kunnen begraven liggen,  in ziel verenigd.

Deze aanvullingen maken geen aanspraak op correctheid maar proberen eerder de algehele strekking van de tekst te volgen.

r.8: Tertia quom essem: 'hoewel ik Tertia was', of:  'Hoewel ik de derde was' Het laatste is minder waarschijnlijk. Ze zou dan zijn derde vrouw zijn.

Me primam speravi fore: Tertia en Prima werden beiden gebruikt als cognomen, maar hier vormen ze een woordspeling. Hoopte ze de eerste (en belangrijkste ) te zijn voor haar echtgenoot, of hoopte ze de eerste te zijn om te sterven? De laatste mogelijkheid sluit beter aan bij de context en de jammerklacht van haar man voor haar verscheiden.

r.10: eciem: vermoedelijk equidem (cf. supra). Het is verleidelijk om eciem te veranderen in eam, maar de steen is hier duidelijk  Vergeet niet dat de dichter potesse schrijft voor posse, zodat we ook voor eciem beter aannemen dat dit de bedoeling van de dichter was. Demoeilijkheid is hier retinere, dat dan met een verzwegen object geconstrueerd wordt. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, het object moet blijken uit de voorgaande verzen en uit vivam en mortuam in r.13. Bovendien heeft  sivit frui ook geen instrumentalisaanvulling.

potesse: alternatieve vorm van posse

Haar wens om als eerste te sterven en zijn repliek, waarin hij laat verstaan dat hij gehoopt had haar nog wat te kunnen behouden, en verder nog, dat hij weet dat ook hij moet sterven, laat uitschijnen dat deze mensen al vergevorderd waren in hun leven.

Statuut en milieu: incertus zonder gentilicium. De opdrachtgever is haar man (uitgedrukt in r.3/4, de lezing van r.1/2 is onzeker), waarvoor we evenmin een aanknopingspunt hebben. Tertia kan een praenomen zijn, in de aristocratie werd het wel vaker voor vrouwen gebruikt, maar later in de Republiek werd Tertia ook als cognomen gebruikt in alle sociale rangen.[370] Anderzijds was Fortuna wel een plebejische godin.[371]

Literatuur:   Diehl (1964) 683   ׀׀  Stowasser (1903)  265.   ׀׀   Bücheler (1965) I, 400

 

 

CIL I², 1218                                                                  VI: 21975; ILLRP: 982; CLE: 67

Manlia Gnome, Vrijgelatene van Titus

 

Manlia T.l. Gnome. |                                                            1
Haec est, quae vixsit semper | natura proba.
Clientes habui | multos. Locum hoc unum optí|nui mihi,
itaque quoad aetatem volui | exsegi meam.

Nemine unquam | debui. Vixsi quom fide. |                             5
Ossa dedi terrae, corpus Volchano dedi|di

ego, ut suprema mortis man|data edidi.

 

7.  ego :  eco  lapis

 

Manlia Gnome, de vrijgelatene van Titus is overleden.
Hier ligt zij, die steeds met een rechtschapen karakter heeft geleefd.
Ik heb veel beschermelingen gehad. Dit ene plekje heb ik me verworven,
en zo heb ik mijn leven doorgebracht, zolang ik wou.
Nooit heb ik bij iemand in het krijt gestaan. Ik heb met vertrouwen geleefd.
Mijn gebeente heb ik aan de aarde toevertrouwd, mijn lichaam aan Vulcanus prijsgegeven,
om de laatste bevelen van de dood uit te voeren.

 

Monument en vindplaats: Rome. Tablet uit Travertin, in 1878 gevonden bij de Ponte Mammolo. Veel ligaturen: 2 vixsit: S met E; semper: M met E en P op R gesuperponeerd (semepr); 3. clientes: N met T ; 4. quoad: A met D, aetatem: A met E en T met E;  6. terrae: A met E.  In r.6 heeft de steenkapper zich blijkbaar vergist met het verseinde van r.7: de D van dedidi is boven de E aangebracht en de eerste I heeft een staartje onderaan. Bovendien is hij vergeten de laatste lettergreep te schrappen. De inscriptie vertoont verder nog veel onregelmatigheden in lettergrootte en de grotere I in optinui (3) is eerder een uitschuiver van de steenkapper,  niet noodzakelijk een I-longa, metrisch is deze I immers kort.

Datering: IA op basis van orthografie en het gebruik van Travertin. Solin dateert periode Sulla – Caesar.[372]

Taalkundig-inhoudelijk:  jambische senarii in  r.2, r.4, en r.7. In r.2 staat een voet te veel, het weglaten van cliëntes zou hier ook een senarius geven. Hetzelfde geldt voor r.6: zonder ossa staat hier een senarius. R.5 bevat een paar spondeeën, maar geeft geen herkenbaar metrum.  Maar het gaat wel om een metrische tekst.[373]

r.1: : theta nigra, om aan te geven dat de persoon dood is. Wordt meestal verklaard als een afkorting van o(bitus) of o(biit). Dit teken komt bijna alleen voor op grafschriften uit Rome in IA en IP, en uitsluitend in milieu van slaven en liberti die bijna altijd een Griekse naam dragen.[374]

r.3: Cliëntes habui multos: dit is het enige carmen epigraphicum waarin een liberta laat uitschijnen dat ze cliëntes heeft, mogelijk zelfs de enige inscriptie. Het woord cliens zou natuurlijk ook in de betekenis van "vriend" kunnen gebruikt zijn, maar deze betekenis wordt niet voor de periode van Augustus gevonden. In combinatie met nemine umquam debui zou men kunnen denken dat het om een zakenvrouw gaat.[375]

Locum: neutrum pro masculino.

Manlia Gnome geeft de indruk dat ze een zelfbewuste vrouw is die weet wat ze wil: geen verwijzing naar ouders maar wel een zekere fierheid over het feit dat ze veel cliëntes had. Het initiatief voor de aanschaf van het graf lag bij haar zelf. Een zekere trots  klinkt ook door in nemine umquam debui, en aetatem exsegi quoad volui, uitspraken die moeten duidelijk maken dat ze zelf stevig de touwtjes in handen hield. Een geëmancipeerde dame dus.

Statuut en milieu: zekere vrijgelatene, aangegeven door de libertinatie.

Opdrachtgever: zijzelf (r.3: …optinui mihi…)

Literatuur:  Diehl (1964) 682   ׀׀   Kruschwitz (2001) 51-54

 

 

CIL I², 1219                                                                       VI: 24563; ILLRP: 983;CLE: 185  ;ILS: 7976

Prima Pompeia, Slavin (oudste dochter ?) van Pompeius; Salvius en Heros

 

Prímae | Pompeíae | ossua heic. |
Fortuna spondet multa | multís, praestat nemini
Víve in dies | et horas; nam proprium est nihil.
|
Salvius et Heros dant.

 

(í pro I-longa)   4. Heros   :   Eros  priores

 

Hier ligt het gebeente van Prima Pompeia.
Fortuna belooft veel aan zoveel mensen, maar ze komt haar beloften aan niemand na.
Leef van dag tot dag en van uur tot uur, want niets is blijvend.
Opgedragen door Salvius en Heros

 

Monument en vindplaats: marmeren tablet, Rome, bij de Porta Pinciana. Nu in het museum van Villa Albani. Praescriptum en postscriptum zijn in veel grotere letters gebeiteld dan het eigenlijke grafepigram.

Datering: mogelijk vroeg IA, maar de datering is omstreden. Volgens Warmington (1940) eind IIA, maar hij plaatst daar terecht een vraagteken bij. De Rosalia vermoedt eind IIA begin IA, Solin plaatst deze inscriptie in de periode Caesar - Sulla.[376] Morfologisch  noch orthografisch zijn er duidelijke aanknopingspunten. Paleografisch: het gebruik van de I-longa (Prímae, Pompeíae, multís, víve) sluit een datering vóór 110a vrijwel zeker uit. Als de informatie van CIL (tabula marmorea) juist is en daadwerkelijk op marmer slaat, kan als terminus post quem ca 65a aangehouden worden, aangezien deze inscriptie uit Rome zelf komt. Kruschwitz vermoedt zelfs vroege Keizertijd omdat het een inscriptie van slaven voor een slavin is.[377]

Taalkundig-inhoudelijk:

r.2: Ossua meerv. voor een niet geattesteerd *ossu, een nevenvorm van os, ossis.[378] Het woord duikt voor het eerst op in Pacuvius en wordt tot in de Keizertijd gevonden in inscripties.    

Fortuna: bedoeld wordt hier de godin van het lot met zijn grillig en onvoorspelbaar verloop, een Romeinse tegenhanger van de Griekse Tyche.[379]             

r.3: Proprium < proprius: blijvend, voortdurend, zeker (Wolters) …quod ut illi proprium ac perpetuum sit, optare (Cic. Pomp. 48). Volgens Courtney heeft het woord een juridische connotatie.

r.4: Dant: dare is in inscripties een standaardwoord voor 'opdragen'[380]

Inhoudelijk: een eenvoudige, maar duidelijke boodschap: geniet van het leven, want het is maar kort en alleen de dood is zeker. De Epicurische ondertoon vond men vooral op inscripties van slaven en mensen van een eenvoudige komaf.[381]

Metrisch: prae- en postscriptum zijn niet metrisch, r.3 is een jambische senarius, r.2 is hypermetrisch: het vers telt 7 voeten. Mommsen ging uit van een correct archetype (uit de literatuur?) waarin een fout was geslopen bij de transmissie naar een epigrafisch medium. Zijn voorstel was om Fortuna door Fors te vervangen.[382] Courtney gaat zelfs verder en spreekt van foutief gebruik van een voorbeeldenboek. Metrisch kan het vers in orde gebracht worden door multa te verwijderen en de dittografie aan de onachtzaamheid van de steenkapper toe te schrijven. Ook Massaro veronderstelt een populaire uitspraak die verminkt in een inscriptie is terecht gekomen.[383]

Statuut en milieu: Waarschijnlijk een slavin. Primae Pompeiae = Primae Pompeiae (servae): Prima, slavin van Pompeia[384]. Het gebruik van de genitief zonder aanduiding van filiatie of libertinatie was gereserveerd voor slaven. Prima is hier een cognomen.[385] Primus was als naam ontstaan onder invloed van de Griekse onomastiek () en was voooral populair als slavennaam. ook de vrouwelijke tegenhanger Prima is in redelijke aantallen in epigrafische bronnen gevonden. Het was bovendien het enige rangtelwoord dat onder de libertinae een belangrijke verspreiding kende.[386] Voor Ingenuae was de naam eerder zeldzaam: men gaf de voorkeur aan Maior of Maxima.[387] Ook de duidelijke slavenafkomst van de dedicanten wijst in de richting van een slavin.

Dedicanten: Salvius en Heros, mogelijk conservi. Slaven, ze vermelden enkel hun cognomen. Salvius is een Osko-Umbrische naam die in Rome vooral als slavennaam gebruikt werd.[388] De Griekse oorsprong van de naam Heros is al een duidelijke aanwijzing van een slavenmilieu.

Literatuur:   Warmington (1940) 14 n° 39   ׀׀   Ernout (1967)  n° 143   ׀׀   Diehl (1964) 630   ׀׀   De Rosalia (1972) n° 46   ׀׀   Courtney (1995)  n° 21   ׀׀   Solin  (1972)  184 n 3.   ׀׀   Kruschwitz  (2000) 243-247   ׀׀   Massaro (1992)  20 nt. 25   ׀׀   Purdie (1935) 3

 

CIL I2, 1220                                                                   VI: 33087; ILLRP: 3652; CLE:1563

Quintus Pompeius Sosus, vrijgelatene van Bithynicus;
Satrienia Salvia, vrijgelatene van Publius.
Studium en Acme,vrijgelatenen

 

Q.Pompeius Bíthynici l. Sosus, | Sa[t]riena P.l. Salvia                                  1
uxsor frug(i), | opsequentes et concordes
Esquileis ab aqua | conclusa fecer(unt) sib[ei] et sueis et digneis.
|
Dum suppeditat vita inter nos annos LX viximus concordes, |
morte obita ut monument[[o]]um haberemus, fecimus vivi.| Studium        
5
et Acme l(ibertae), ut una conderemus, conditivom | cubiculum
fecerunt.
| Hoc mon(umentum) hered(em) | non sequetur.

 

Quintus Pompeius Sosus, vrijgelatene van Bithynicus;
Satrienia Salvia, vrijgelatene van Publius, zijn ingetogen vrouw,
hebben dit uit eigen beweging en in goede verstandhouding gemaakt,
Op de Esquilinus, weg van van het reservoir,
voor zichzelf en voor hun familieleden die het waard zijn.
Zolang het leven toestroomde, hebben we met elkaar 60 jaar  geleefd, eensgezind.
Om een gedenkteken te hebben na door de dood te zijn geveld,
hebben we het laten maken toen we nog in leven waren.

De vrijgelatenen Studium en Acme hebben hun laatste rustplaats laten maken,
opdat we hen samen met ons zouden begraven.
Dit monument zal niet overgaan op een erfgenaam.

 

Monument: Rome, tussen de Mons Oppius en de Mons Cispius in de buurt van de Thermen van Trajanus. Marmeren gedenksteen geplaatst op een graf van peperin (lapis albanus), dat naast het grafmonument van de Statilii stond. Het tablet was in 12 stukken gebroken; gedeeltes hiervan werden teruggevonden in de bodem, de andere fragmenten waren ingewerkt in de muren van het hogergelegen columbarium. Wordt nu bewaard in de Galleria di congiunzione van de Capitolijnse musea.

Datering:  periode van Caesar. Sosus werd vrijgelaten door  Pompeius. Pompeius was in 74a legaat in Bithynië om dit gebied te reorganiseren en in te richten als Romeinse provincie. Daarvoor kreeg hij het cognomen Bithynicus.[389]

Taalkundig-inhoudelijk: door Bücheler in de CLE opgenomen omdat het een opeenvolging is van jamben en trocheeën, maar dit is geen metrisch carmen.

r.3: aqua conclusa: enige attestatie. Ongetwijfeld was het een voorraadbekken van een van de aquaducten.[390]

Suis: leden van de familie of die zij als familie beschouwen: et geeft hier een nadere bepaling van suis: …voor hun familieleden, of liever voor hen die het waard zijn. cf OLD s.v. et (3): or rather

r.4: suppeditat: intransitief. Gaffiot s.v;: être en abondance, en quantité suffisante sous la main = rijkelijk voorhanden zijn = toestromen.

r.5: Studium moet de naam van een vrijgelaten vrouw zijn, waardoor ook het meerv. fecerunt verklaard wordt.[391]

Statuut en milieu: Gemengd graf van een liberti echtpaar en hun liberti vrienden (filiatie en expliciete vermelding), misschien hun conliberti. Opdrachtgevers zijn het echtpaar.

Literatuur:   Lanciani (1880) 31   ׀׀   Diehl (1964) 648add   ׀׀  

 

 

CIL I² 1221                                                  VI: 9499; ILLRP: 793; CLE: 959; ILS: 7472

Lucius Aurelius Hermia, vrijgelatene van Lucius, slager op de Viminalis;
Aurelia Philematio, zijn vrouw en medevrijgelatene.

 

Linkerkant:

 

[L.Au]relius L.l. | [H]ermia | [la]nius de colle | Viminale |                           1

[H]a
̣̣ec quae me faato | praecessit corpore | casto |
[c]oniunxs una meo | praedita amans | animo,|
[fi]do fída viro veixsi[t] | studio parili, qum |
nulla in avaritie | cessit ab officio |                                                              
5
A]urelia L.l. |

 

Rechterkant:

 

Aurelia L.l. | Philematio |

Víva Philematium sum | Aurelia nominitata, |
casta, pudens, volgei | nescia, feida viro. |
Vir conleibertus fuit | eidem, quo careo | eheu, |                                         
10
ree fuit ee vero plus | superaque parens. |
Septem me naatam | annorum gremio | ipse recepit;
XXXX | annos nata necis poti|  or. |
Ille meó officio | adsiduo florebat ad omnís |

 

5: avaritie  lapis   :   amaritie  Schrader, Hauptius, Warmington (1940)

 

Lucius Aurelius Hermia, vrijgelatene van Lucius, slager op de Viminalis
Deze vrouw die me in de dood is voorgegaan, zuiver van lichaam, mijn enige echtgenote, die van mij hield en mijn hart bezat,
heeft loyaal geleefd voor haar trouwe echtgenoot, even groot was hun gehechtheid aan elkaar.
Nooit heeft zij in harde tijden verzaakt aan haar plicht.

Aurelia Philematio, vrijgelatene van Lucius.
Tijdens mijn leven werd ik Aurelia Philematium genoemd, een eerbare en eenvoudige vrouw, onbesproken, trouw aan mijn man.
Mijn man was mijn medevrijgelatene, die ik mis, ach
In werkelijkheid was hij nog meer dan een vader voor mij.
Ik was zeven jaar oud toen hij mij onder zijn hoede nam.
Nu, 40 jaar oud, ben ik in de greep van de dood.
Dankzij mijn niet aflatende zorg gedijde hij in alles.

 

Monument en vindplaats: Rome, Via Nomentana, gevonden in 1592 (1593?). Nu in het British Museum. Tablet uit travertin (58 x 100 cm), waarvan de linkerkant is afgebrokkeld. De twee tekstvlakken zijn gescheiden door een reliëf, dat een man en een vrouw voorstelt,de vrouw kust de hand van de man. Scheidingspunten tussen de woorden. In r.13 staat or (< potior) op de volgende regel, door een sigmavormig scheidingsteken afgezonderd van het volgende vers. Deze tekst is opgesteld aan de hand van een goede foto van het British Museum. De verdwenen passages zijn aangevuld met de lezingen van Sirmondius (ms. Paris Lat. 1419; 458) en Donius (ms. Vaticanus 7113 f. 91) zoals ze opgenomen zijn in CIL I².

Datering: verschillende argumenten voor de datering zijn voorgesteld. Vessberg dateert tussen 100a en 75a op basis van stijlkenmerken in de portretten en de drapering op het relief, met verwijzingen naar gelijkaardige stijlkenmerken op bepaalde munten uit dezelfde periode.[392] De orthografie is door de klinkergeminatio (faato, ree… ee, naatam) duidelijk beïnvloed door Accius en bevestigt deze datering.

Taalkundig-inhoudelijk:  regelmatig elegisch distichon. In r.13 moet XXXX voluit als quadraginta gelezen worden, met elisie van de daaropvolgend A in annos.

 

r.2: faato: het fatum is een hogere macht die absolute zeggenschap heeft over een mensenleven en zijn stervensdag nog tijdens zijn leven bepaalt. Het duikt veel op in metrische grafschriften en wordt vaak gebruikt als synoniem voor de dood.[393]

r.9: volgei nescia: onbekend bij het volk, dus: onbesproken.

r.10: quo careo, eheu: hier spreekt de overleden vrouw over haar echtgenoot, die dan nog in leven is. De vrouw is de man wel voorgegaan in zijn lot (de dood), maar ze zegt toch dat ze hem mist. Hier fungeert het carmen als de stem uit het graf.[394]

Milieu: Ze zijn Beiden vrijgelatenen met gentilicium. Na door dezelfde meester te zijn vrijgelaten, zijn ze getrouwd. Ze hebben hun geluk beproefd als kleine ambachtslieden die het, te oordelen aan het monument, niet slecht gedaan hebben. Het monument is door de man aan zijn dode vrouw opgedragen, maar het moest hun beider graf worden. Het laatste vers drukt in feite zijn waardering voor haar het beste uit: dank zij haar steun zijn z'n ondernemingen een succes geworden.

Literatuur:  Warmington (1940) 22   ׀׀   Diehl (1964) 584   ׀׀   Imagines 303   ׀׀   De Rosalia (1972) n° 54   ׀׀   Misch  (1949) 232   ׀׀   Vessberg  (1941) 180 –183 (afb. 14-2 en 15-1)   ׀׀   De Rosalia (1972) n° 54   ׀׀   Lindsay (1897) 91-92   ׀׀   Massaro M. (1992) 41-44   ׀׀   Bücheler (1965) I, 400-401

 

 

CIL I²: 1222                                                                                  VI: 6051; CLE:  969

Nymphe

 

Sei quis havet nostro conferre dolore,                                   1
adsit nec parveis flere quead lachrymis.
quam coluit dulcí gavísus amore puella(m)
hic] lo[cat] infelix, unica quei fuerat
[---] fatorum tempora Numphe.                                 
5
[---erept]a domu cara sueis tegitur,
[---]us et eo laudata figura
[---]c est paruos et ossa cinis.

 

  2. flere quead  Bücheler :   flereque ad  lapis    3. í pro I-longa (dulcí gavísus)

 

Als iemand zich geroepen voelt in mijn verdriet te delen,
laat hem welkom zijn en zijn tranen de vrije loop laten.
De dochter, die hij vreugdevol en met een innige genegenheid heeft
                                                                         grootgebracht,
heeft een ongelukkige vader hier begraven, de enige dochter die hij had,
…de uren van haar lot ... Nymphe…,
…nu is zij, die dierbaar was voor haar familie… weggerukt (?) van haar thuis en
                                                begraven.
…en daarom een veelgeprezen verschijning,
... is ze … een nietig hoopje as en gebeente.

(alternatieve vertaling in de inhoudelijke bespreking)

 

Monument: Gevonden in Rome in een colombarium nabij de Porta Praenestina. Marmeren tablet met zeer kleine letters, gebarsten. Links is de onderste hoek afgebroken. Wordt nu bewaard in het Museo Nazionale.

Datering: Periode van Cicero en Caesar. Marmer (tabula marmorea) sluit een datering vóór 65a vrijwel zeker uit. Het gebruik van de Griekse letter Y (lachrymis) werd pas laat in de Republiek ingevoerd. De verwarring in de spelling (cf. supra.) laat vermoeden dat we in een overgangsperiode zitten, nog niet lang na de invoering van de Y, in de laatste decennia van de Republiek. Dat wordt ook inhoudelijk bevestigd door laudata figura: aan het einde van de Republiek en in de vroege  Keizertijd onderging ook het ideaalbeeld van de vrouw een paar wijzigingen: het huiselijk, vlijtig en zedig vrouwtje dat thuis wol zat te spinnen (frugi, casta, pudens, domiseda, lanificia etc.) kreeg nu ook meer wereldse trekken; schoonheid en een goed figuur konden ook op waardering rekenen [395]

Taalkundig-inhoudelijk: Een elegisch distichon is herkenbaar, maar in het eerste vers ontbreekt een voet. (Bücheler stelt nostro proprium conferre voor om er een hexameter van te maken). R.2 en 3 respecteren het normale metrische schema en ook de bewaarde restanten van de rest van de inscriptie volgen het metrum.  De andere  aanvullingen zijn eveneens van Bücheler. R.4 hic] lo[cat] is een normale wending,  en r.6 erept]a past in de gebruikte thematiek. De overige aanvullingen zijn minder verantwoord, maar volgen wel de algehele strekking:

Dum contracta sinunt] fatorum tempora Numphe. / nunc erept]a domu cara sueis tegitur, / omne decus uolt]us et eo laudata figura / umbra leuis nun]c est paruos et ossa cinis.
Zolang de beknotte uren van haar lot het gedoogden. Nu is zij, die dierbaar was voor haar familie, weggerrukt van haar thuis en begraven. Een en al schoonheid en daardoor een veelgeprezen verschijning, is ze nu een vluchtige schim, een nietig hoopje as en gebeente.

r.1: havet = avet (aveo: OLD 1: to be eager or anxious, desire, long, yearn).    

dolore = dativus [396] ; Wolters conferre alcui rei: bijdragen in iets, ter vergelijking samenbrengen.

Nostro: beleefdheidsmeerv. dat verwijst naar de infelix in r.4    

r.2: quead: Imperat. / conj. met uitgang op d.[397] Nec…quead is een thmesis van nequeo.

adsit nec parveis flere quead lachrymis: letterlijk: 'laat hem er dan bij zijn en niet in staat zijn te weinig tranen te vergieten.'

De eerste twee verzen zijn een variatie op het gangbare aanspreking van de voorbijganger en het verzoek om mee te rouwen bij het graf van de dode.[398]

r.3: dulci: wordt in grafschriften meestal gebruikt voor goeie vrienden, intimi en geliefden, soms met een erotische inhoud.[399]

puellam: in inscripties verwijst puellam naar meisjes onder de 10 jaar of naar pasgehuwde vrouwen.[400]

r4: infelix: de dedicant, het moet om haar vader of haar kersverse echtgenoot gaan.

quei: dativus[401] possesoris. Dit geeft ons geen uitsluitsel over de identiteit van de infelix: het kan om haar vader gaan, en puella unica quei fuerat is te verstaan als enige dochter. Maar ook haar echtgenoot kan zo zijn verdriet uitgedrukt hebben:  unica quei fuerat moet dan niet begrepen worden als 'mijn enige echtgenote,' maar wel als een compliment voor zijn overleden vrouw: 'de enige vrouw die voor mij belang had.'

r.5: Numphe: kan een eigennaam zijn maar kan ook staan voor een Latijnse transcriptie van : bruid, pasgehuwde vrouw. Opmerkelijk is de verwarring in schrijfwijze met u in Numphe, waar de normale spelling Nymphe zou zijn, en in Lachrymis waar de normale spelling lacrima / lachrima of lacruma / lachruma is.

De moeilijkheid met de gebruikte terminologie is dat niet kan uitgemaakt worden of hier een vader zijn jonge dochter begraven heeft, of een man zijn kersverse bruid. De vertaling kan net zo goed luiden:

 

Zijn jonge vrouw, die hij vreugdevol en met een innige genegenheid heeft aanbeden,
Heeft een ongelukkige man  hier begraven, de enige vrouw die voor hem belang had,
een jonge bruid…de uren van haar lot ...

 

En zelfs hier kan Nymphe nog als naam gebruikt zijn.

Laudata figura is eerder iets dat van een geliefde echtgenote gezegd wordt dan van een dochter die nog geen 10 jaar oud is. Misschien toch een jonge bruid? Dit grafschrift is bijzonder omdat het eerder de bedoeling heeft het verdriet van de dedicant uit te drukken dan de herinnering aan de overledene te bewaren.[402]

Statuut en milieu: incerta zonder gentilicium.

Opdrachtgever: de infelix uit de inscriptie: haar vader of haar echtgenoot. De vraag is hoe we de afwezigheid van zijn naam moeten opvatten: stond de naam ergens anders op geschreven?  Of had de vermelding van een naam met eventuele verwijzing naar status minder belang dan de oprechte uiting van verdriet en wanhoop? De meer verfijnde variaties op de gangbare themata, de regelmaat in het metrum, de thmesis in r.2 en de archaïserende spelling van lachrymis verraden een zekere literaire verfijning.

Literatuur:  Warmington t 28 n° 62   ׀׀   Diehl (1964) 684   ׀׀   Massaro M. (1992) 46-47

 

 

I² 1223                                                                                        VI: 23551; CLE: 970

[---]lius Optatus, vrijgelatene van Publius en Clodia

Amarantus. Slaaf?

 

[---] lius P. et Clodia‹e› l. Optatus | vixit annos VI M VII|                             1

 

Hic me] florentem mei combussere parentes.|
uixi d]um licuit superís acceptior unus,|
quoi nemo po]tuit uerbo maledícere acerbo.|
[---]ad superos quos pietas cogi [---]|                                                                                5
[---]modeste nunc vos quon[---].|
[---]tís dicite Optate sit [tibi terra levis]|

[---]o annorum nondum|
[---c]um ad mortem matris [de gremio rapior].|
[---]Manibus carus fui, vivos cari[ssimus illi,|
                                                                               10
adverseis quae me sustulit o[minibus.|
desine iam frustra, mea mater, [desine fletu|
te miseram totos exagitare die[s.|
namque dolor talis non nunc tibi [contigit uni,|
haec eadem et magneis regibus [acciderunt.|
                                                                               15
Clara Amaranto[---]|
av[---]|

 

(í = I-longa in lapide)


…lius Optatus, vrijgelatene van Publius en Clodia, heeft zes jaar en zeven maanden geleefd.

Hier hebben mijn ouders me in de bloei van mijn leven verast.
Ik heb geleefd zolang het me gegund was, meer dan geliefd bij de mensen op  aarde,
ik, over wie niemand een kwaad woord kon spreken.
[403]
… voor de hemelgoden die de toewijding dwingt (?) …
… eenvoudig… nu jullie…
… zeggen jullie dan: we hopen dat de aarde zacht voor je is, Optatus

…nog geen acht (?) jaar oud…
Toen ik uit mijn moeders schoot naar de dood wordt weggerukt.
Ik was dierbaar voor mijn afgestorven familieleden, en toen ik nog leefde bijzonder dierbaar voor haar

die me onder kwade voortekens heeft grootgebracht.

Laat, moeder, laat het geween dat nu vruchteloos is, achterwege
laat het om je ellende alle dagen opnieuw op te rakelen.
Want een dergelijke pijn raakt niet aleen jou,
dezelfde ellende overvalt ook grote koningen.

Clara…voor Amarantus...

 

Monument: Rome, aan de Porta Pincania. Roodmarmeren steen met zeer kleine, maar fraaie letters (litteris minutissimis sed elegantibus). Verloren gegaan, de tekst is gereconstrueerd naar Giorgius (sched. Casanat XVI uit 1736) voor r.1 - r.8; Amadutius (= Marini, codex Vaticanus 9127 f. 231 en anecd. 2  p. 481 uit 1773) na een autopsie. De lacunes zaten toen al op de steen.

Meer dan waarschijnlijk hebben we hier te maken met twee verschillende inscripties of een inscriptie voor twee verschillende personen.: de spatie na Optate is al een aanwijzing in die richting. De vocatief Optate gevolgd door sit veronderstelt een formule zoals sit tibi terra levis, die gewoonlijk pas aan het einde van een inscriptie wordt gevonden. Indien r.8 met octo kan worden aangevuld,[404] hebben we bovendien met twee verschillende leeftijden te maken. De scheiding tussen de twee carmina is in de mss. enkel weergegeven bij Amadutius.

Datering: periode van Cicero op basis van gelijkenissen met CLE 971, waarop ook de aanvulllingen gebaseerd zijn. Het betreft hier een grafschrift voor Arbuscula, een mimespeelster uit de tijd van Cicero.

Taalkundig-inhoudelijk: het praescript is niet metrisch; r.2, 3 en 4 zijn hexameters, maar de volgende drie regels zijn te lacunair om een metrische indeling te kunnen onderscheiden. Als we in r.7 de aanvulling sit [tibi terra levis] accepteren, pleit dit ook voor een metrische opbouw van deze regel, gezien deze formule in prozainscripties bijna altijd wordt afgekort.  r.8 (een tweede praescript?), 9, 10 en 11 zijn eveneens te lacunair of te onnauwkeurig overgeleverd om tot een metrische of niet-metrische opbouw te kunnen besluiten. R.12, 13, 14 en 15 zijn elegische disticha. Het postscriptum is niet metrisch.

In r. 2, 3 en 4 berusten de aanvullingen op een identieke lezing van CLE 971 dat van veel latere datum is (en wel is overgeleverd.)[405]

r.2: combussere < comburo, alternatiefvorm perf. 3 mrv.

r.3: acceptior: comparativus pro superlativo, nog versterkt door unus

superis: betekent hier niet de hemelbewoners of de goden. In juxtapositie met de doden betekent het de levenden, de mensen op aarde en dit jongetje spreekt vanuit het graf. (Zie Gaffiot s.v. superus 2: qui est en haut par rapport aux enfers, qui occupe la région supérieure  = la terre…d' ou superi , ceux d'en haut, les hommes, le monde.)

r.10: Manibus: de zielen van de overleden verwanten. Hij bedoelt waarschijnlijk zijn familieleden die voor hem gestorven zijn. Zij hielden veel van hem toen ze nog in leven waren.

illi…sustulit: zijn moeder die hem heeft opgevoed. Sustuli (Wolters s.v. tollo): "van de grond opnemen en als zijn kind erkennen", in meer algemene betekenis: "opvoeden". Dit gebeurde normaal door de vader, mogelijk is dit een kind uit een onwettig verbintenis (cf. infra). Warmingtons vertaling lijkt hier onwaarschijnlijk =…very dear to the godess who made away with me.

r 11: ominibus < omen, -inis: voorteken ( niet < omnis, -is, -e). Adverseis ominibus: abl. abs.

Statuut en milieu: Optatus is zekere vrijgelatene.  [---]lius moet oorspronkelijk een gentilicium geweest zijn. Dit was de gebruikelijke woordvolgorde en aangezien het praescript niet metrisch is, was er geen reden om van deze volgorde af te wijken. Bovendien is er ruimte genoeg op de steen voor een praenomen (afgekort) en een gentilicium. Optatus is een normaal Romeins cognomen.[406] Zijn praenomen zal hoogstwaarschijnlijk Publius geweest zijn, hetzelfde als dat van zijn patronus.

Amarantus is een Grieks cognomen en wijst waarschijnlijk op een slaaf, gezien hij in de eerste plaats met zijn cognomen wordt vernoemd.[407] Maar door de Lacune op de steen is niet duidelijk of er nog namen volgden, hoewel het cognomen bijna altijd de laatste plaats inneemt.[408] Haec eadem et magneis regibus [acciderunt]: kan als contrast opgevat worden met een reële eenvoudige afkomst van het milieu van Amarantus. (d.i. als we deze lezing of de algemene strekking van deze lezing aanvaarden),[409] maar dit is een zwak argument om tot humiliores te besluiten. Een betere indicatie zijn de namen: Amarantus is een Grieks cognomen[410] en griekse cognomina wijzen vaak een slavenmilieu aan. Clara, de naam van zijn moeder, is een cogomen dat veel gebruikt werd in slavenmilieus[411] en het vermoeden van een slavenstatuut of slavenachtergrond meer grond  geeft.

Opdrachtgevers: zijn moeder Clara. De inscriptie is de uiting van haar verdriet en haar naam is aangegeven in het postscriptum. Bij Optatus zijn de ouders de opdrachtgevers. (…combussere parentes…). Gezien Optatus een vrijgelatene was, moet zijn moeder op het moment van de geboorte een slavin geweest zijn, anders had hij een filiatie met haar gentilicium (of dat van zijn vader) gekregen. Mogelijk is Optatus pas bij zijn dood vrijgelaten en is zijn moeder nog steeds een slavin. In het andere geval is ze pas na zijn geboorte vrijgelaten.[412] Over zijn vader is de onduidelijkheid nog groter: aangezien met slaven geen conubium bestond en kinderen uit een onwettige relatie het statuut van hun moeder volgen, valt uit de inscriptie niet af te lijden of hij ingenuus, libertus of servus is. 

Literatuur:  Warmington (1940) 30 n°65   ׀׀   Massaro M. (1992) 44-46

 

 

CIL I² 1251                                                                     VI: 12668; ILLRP: 948; CLE: 139

Publius Atinius Niceporus, vrijgelatene van Publius & Publius

 

P.Atíníus P, P.l. | Nicepor(us) |
monumentum | me vívo aedific | aví et in meo| / (?) monumento

 

(í   :  I-longa) 

 

Van Publius Atinius Nicephorus, vrijgelatene van Publius en Publius.
Ik heb dit monument nog tijdens mijn leven voor mij laten oprichten
en in mijn monument …
 

Monument en vindplaats: travertin. Grote oude letters. Rome, Nu in de Vatikaanse musea.

Datering: Literis magnis et antiquis (CIL). De I-longa en de aspiratie in de naam geven als terminus post quem het einde van IIA, het gebruik van de trianomina bij een vrijgelatene wijst op een periode vanaf Sulla of later.

Taalkundig-inhoudelijk: regelmatige jambische septenarius als we de tekst nemen zoals hij er  staat, [413] ofschoon hij een onvolledig indruk geeft². De steen zelf lijkt  intact zodat we de mogelijkheid van een volledig vers moeten aannemen. Andere mogelijkheden: de rest stond op een andere steen, die niet is teruggevonden. Of de steenkapper heeft de inscriptie niet afgemaakt. Het is ook mogelijk dat de steen, voor hij gevonden werd, mooi is doorgezaagd of gekliefd met de bedoeling hem voor iets anders te gebruiken.

Als we aanvaarden dat een stuk van de steen is verloren gegaan, hebben we een regelmatige jambische senarius tot meo. Monumento kan dan het begin zijn van een volgende jambische senarius met een anapest als eerste voet. Ik acht dit het meest waarschijnlijk: een zeugma met een absoluut gebruik van aedifico lijkt hier uitgesloten: wat zou daarvan de betekenis moeten zijn? Ook de verklaring dat situs sum (dat metri causa achterwege is gelaten) moet bijgedacht worden, lijkt me weinig waarschijnlijk.

Er rest ons dus een tekst die duidelijk onvolledig is. Zelfs al gaat men er van uit dat het atelier hier gestopt is (misschien kon de klant niet alles in een keer betalen toen hij nog vivus was, en was hij al dood voor hij een volgende aflossing op tafel kon leggen), dan nog moet men toegeven dat hier een onvolledig carmen staat.[414]

Verder staat hier niet veel meer dan een geijkte formule, misschien een tweede: de aanvulling van Bücheler lijkt inhoudelijk goed houdbaar.

Statuut en milieu: Vrijgelatene van twee personen.[415] Vermits Nicephorus slechts één gentilicium opgeeft, zijn beide Publii van de gens Atinius. De twee belangrijkste mogelijkheden: vader en zoon heten Publius, of de Publii Atinii zijn broers.

Atinius is als gentilicium een nevenvorm van Attius , afgeleid van Attus, een zeer oude Italische naam.[416] De gens Attia was een Plebejisch geslacht, van oorsprong uit Aricia. Na de 2de Punische oorlog hebben enkelen de Praetuur bereikt, maar geen consulaat. De naam wordt tot in de Keizertijd aangetroffen bij humiliores en verder nog in de muncipia.[417] Er zijn geen Publii Antinii van betekenis overgeleverd in  de bronnen.

Nicephor is in Rome een veel voorkomend cognomen.[418] Hij is zelf de opdrachtgever van zijn grafschrift. me vivo aedificavi…)

Literatuur: PMLE tab. XCII D (afb.)   ׀׀   Massaro (1992) 33  

 

 

CIL I², 1259                           VI: 37806; ILLRP: 802; CLE: 1867app; DES: 7480

Quintus Brutius, zoon van Publius van de tribus Quirina;

Brutia Rufa, vrijgelatene van Quintus.

 

Q.Brutius | P.f. Quir(ina) v(ivus) | mercator bova(rius) | de Campo, heic | cuba(t).
Frugi, |castu(s), amabili(s) | om{i}nibus. |
Brutia Q.l. Rufa | pia patrono, | dum vixsit, | placuit

 

1. v(ivus)   Dessau, Massaro  :  v(ivit)   Degrassi, Warmington       bova(rius)  :  forsitan Bova(rio)  Degrassi
 

Quintus Brutius, zoon van Publius van de tribus Quirina,
tijdens zijn leven een veekoopman van de Campus Martius, ligt hier.
Een degelijk man, achtenswaardig, beminnelijk voor iedereen.
Brutia Rufia, vrijgelatene van Quintus.
heeft vroom haar patronus tevreden gesteld zolang hij in leven was.

 

Monument en vindplaats: Rome stad, gevonden in een colombarium op de Via Salaria, links van de Carmelitessenkerk. Cippus uit travertin. Het monument was in slechte staat toen het gevonden werd, al in de Oudheid had iemand de steen gebruikt om een trap te herstellen.

Datering: Periode van Sulla of later. Het ontbreken van een cognomen bij Quintus Brutius (ingenuus) en enkele oudere orthografische varianten (heic (1) voor hic en vixsit (3)voor vixit) plaatsen deze inscriptie voor het begin van het Principaat. Het cognomen Rufa bij een liberta, die bovendien het gentilicium van haar vroegere meester voert, geeft ons een terminus post quem rond de periode van Sulla. Het opgravingsverslag vermeld oudere letters zonder verdere specificatie.[419] Een meer afgebakende datering is op basis van de bestaande gegevens niet mogelijk.

Taalkundig-inhoudelijk:  metrum: de metrische intentie is niet echt uitgesproken. De regel  frugi, |castu(s), amabili(s) | om{i}nibus kan gescandeerd worden als een dactylische tetrameter,[420] maar dit is mischien eerder toeval. Op de steen loopt de tekst gewoon door zonder enige aanduiding voor een mogelijk vers. Tevens moeten we dan uitgaan van een verbeterde versie: als we ominibus aanhouden, hebben we een lettergreep te veel in de laatste voet. Ander argument dat tegen metrische bedoeling van deze inscriptie spreekt, is een gebrek aan symetrie: de laudatio voor Brutia is in proza (pia patrono, dum vixit, placuit). De tetrameter staat daar dan een beetje verloren tussenin. Voor Massaro is het metrisch karakter evenwel houdbaar: het formaat van de steen liet geen betere schikking van de tekst toe en volgens hem is er een duidelijke scheiding tussen het praescriptum (dat eindigt met heic cubat) en de kleine laudatio.

Dit grafschrift laat nog op enkele andere plaatsen ruimte voor twijfel.

v(ivus) moet volgens de normale epigrafische conventies betekenen vivus fecit (heeft dit nog tijdens zijn leven gemaakt)  en wordt o.a. zo door Warmington en Degrassi uitgelegd.[421] Dit zorgt echter voor een inhoudelijke inconsistentie: uit het masculinum castu(s) kunnen we opmaken dat de lofuiting voor hem bedoeld is, en komt ze logischerwijze eerder van de vrouw dan van hemzelf. In dat geval heeft zij de steen laten optrekken en kan v(ivus) niet vivus fecit betekenen. Het onderwerp van vixsit is dan waarschijnlijk Q. Brutius.

Het valt natuurlijk niet uit te sluiten dat Q. Brutius zelf zijn goede eigenschappen wou exposeren en dat hij tevens Brutia Rufa op de steen wou plaatsen. In dat geval kan v(ivus) wel als v(ivus fecit) geïnterpreteerd worden, als we een andere interpunctie hanteren: een punt na …Campo en een nieuwe zin vanaf heic…. De liberta is misschien wel voor haar patronus overleden en het onderwerp van vixsit is dan veeleer Brutia Rufa.

r1: mercator bova(rius) | de campo: een veekoopman van de Campus Martius.[422] Misschien beter: mercator Bova(rio) | de Campo: een koopman van Campus Boarius. De Campus Boarius is waarschijnlijk een andere naam voor het Forum Boarium. Het Forum Boarium, oorspronkelijk de veemarkt van Rome, groeide later uit tot een drukbevolkte en dichtbebouwde wijk en een verkeersknooppunt.[423] Als bovarius als beroep moet verstaan worden, stond Q. Brutius mee in voor de vleesbevoorrading van Rome.[424]

r2: om{i}nibus voor omnibus. Het alternatief hominibus is wel houdbaar voor de betekenis van het vers (“beminnelijk voor de mensen”),[425] maar geeft metrisch problemen.

Al deze bezwaren in aanmerking genomen, kan het gedicht dus ook als volgt vertaald worden:
Q. Brutius, zoon van Publius, een koopman van het Forum Boarium, heeft dit tijdens zijn leven gemaakt. Hier ligt hij, een degelijk man, achtenswaardig en beminnelijk voor de mensen. Brutia Rufa, vrijgelatene van Quintus, heeft vroom haar patronus tevreden gesteld, zolang zij in leven was.

Statuut en milieu: Gemengd graf. Quintus Brutius is zeker ingenuus, Brutia Rufia zijn vrijgelatene. Wie de eigenlijke opdrachtgever van de inscriptie was, blijft onzeker, maar mijn inziens moet in de eerste plaats aan worden Brutia Rufa gedacht. Mogelijk is ze vrijgelaten bij zijn dood, of al vroeger informeel vrijgelaten,[426] en de inscriptie was dan het “officiele” document dat deze vrijlating en haar statuut bevestigt tegenover de gemeenschap.[427] Misschien heeft hij haar om deze inscriptie verzocht als wederdienst. Treggiari denkt  dat hij met haar in concibunaat leefde.[428]

Literatuur:   Warmington (1940) 32 n°68   ׀׀   Gatti (1902)  54   ׀׀   Diehl (1964) 689add   ׀׀    Massaro (1992) 33
 

 

CIL I³, 1270                                                                  VI: 14397; ILLRP: 980; CLE: 364

Carfinia [M.?], vrijgelatene van Marcus.

 

Carfínia M.l. M[- - -] | víxit an(nos) XX,[---] |
Iucunda sueis, | gratissima amíceis, | [o]mnibus officiosa | fuit.

 

(ípro I-longa )  1. XX[---] lapis   :   XX [V ?]  Bücheler:  XX   Degrassi

 

Carfinia M [---], vrijgelatene van Marcus, werd 20 jaar oud.
Ze was innemend voor haar verwanten, en een en al minzaamheid voor haar vrienden en attent voor iedereen.

 

Monument en vindplaats: Rome. Marmeren stèle, nu in de Capitolijnse musea

Datering: Marmer geeft ons een terminus post quem rond 65a. De klankgroep EI wordt hier correct gebruikt en geeft bijgevolg geen sluitend dateringscriterium. Het pakket attributen dat aan de vrouw wordt toegeschreven, pleit eerder voor een datering op het einde van de Republiek of zelfs aan het  begin van de Keizertijd.

Taalkundig-inhoudelijk: anapestische octonarius,[429] een metrum van de scenische metriek.

Iucundus: OLD  '(of persons) delightful to be with, congenial': sympathiek.

Officiosa: OLD  'Always ready to fulfil the obligations due to a friend, superior etc., dutiful, attentive, solicitous or sim.'; het substantief officium slaat normaal op wederzijdse dienstbaarheid tussen gelijken, maar wordt ook gebruikt voor eerbiedig en gedienstig gedrag van een persoon tegenover iemand met hogere sociale status.[430] Ook hier merken we weer een accentverschuiving op in de eigenschappen, waarover een goede vrouw moet beschikken. Een charmante verschijning kan op bijval rekenen.[431]

Statuut en milieu: vrijgelatene. geen gegevens van een mogelijke dedicant. Carfinia is afgeleid van een gentilicium Carfinius, waarover in de bronnen weinig is terug te vinden. Haar cognomen is niet meer leesbaar.

Merk op dat ze haar leeftijd vermeldt. De beschadigingen op de steen laten echter geen exacte lezing toe.

Literatuur:  Warmington (1940) 32 n° 69   ׀׀   Massaro (1992) 28

 

 

CIL I³ 1283                                                                     VI: 15735; ILLRP: 964; CLE: 210

Publius Clodius Felix en Clodia Athenais, vrijgelatenen van Pulcher.

 

P.Clodi Pulchri | l.
Felicis /(?) | semper qui fuit | dulcis sueis.
|
V(iva) Clodia Pulc(hri) l. Athenais.

 

Van Publius Clodius Felix, vrijgelatene van Clodius Pulcher,
die steeds beminnelijk was voor zijn vrienden.
Vanwege Clodia Athenais - nog in leven - een vrijgelatene van Clodius Pulcher.

 

Monument en vindplaats:  marmeren tablet, oorspronkelijk uit Rome, maar later door Mommsen gezien in een privéwoning in Sena Gallica (nu Sennigallia). Niet bekend waar de inscriptie zich nu bevindt.

Datering: late Republiek, periode van Caesar en Cicero. De patronus van deze beide vrijgelatenen kan geïdentificeerd worden met P. Clodius Pulcher, die praetor en auguur is geweest (onbekend in welk jaar).[432] De clodii (Claudii) hebben in Rome generatie na generatie in het centrum van de macht verkeerd. De vader van deze  P. Clodius Pulcher was de volkstribuun van 58a,[433] gezworen vijand van Cicero en Milo en door deze laatste in 52a vermoord. Clodia, zijn zus was een bekende society figuur en wordt vaak geïdentificeerd met Lesbia, de grote liefde van de Catullus.

Taalkundig-inhoudelijk:   regelmatige jambische senarius, vanaf Felicis. Massaro’ s voorstel is om de bovenste en onderste regel met de naamgeving als proza te beschouwen en het elogium (semper qui fuit dulcis sueis) dat er tussen staat te scanderen als een jambische quaternarius met jambenkorting van fuit.[434] Waar men ook de voorkeur aan geeft, het elogium is regelmatig metrisch opgebouwd.

Statuut en milieu Twee vrijgelatenen van dezelfde meester. De vrouw, een conliberta,  is de opdrachtgeefster van het gedenkteken (naam in de nom. en vermelding viva). Er is geen verdere, onderlinge relatie tussen hen beiden aangegeven.

Literatuur:  Wiseman  (1970)  210  ׀׀  Massaro (1992) 28

 

 

CIL I2 1297                                                                     ILLRP: 918; CLE: 213app ; ILS: 7998

Cupiennia Tertulla, dochter van Lucius

 

Ultuma | suorum | Cupieinnia | L. f. Tertulla | fuueit,
quius | heic | rel{l}iquiae | suprema | manent.

 

Cupiennia Tertulla, dochter van Lucius,
van wie de overblijfselen hier als asse blijven,
was de laatste van haar familie.

 

Monument en vindplaats: Rome, nabij de porta Pinciana. In XVIIIP opgetekend maar nu niet meer voorhanden. Het beentje van de E in Cupiennia is een beetje naar boven uitgeschoven, wat laat vermoeden dat de steenkapper aanvankelijk Cupeinnia heeft geschreven, maar naderhand geprobeerd heeft zijn fout te verbeteren met een soort ligatuur.

Datering: De Rosalia (1972) n° 45: einde IIA zonder verantwoording. Vermoedelijk op basis van orthografie.

Taalkundig-inhoudelijk: dit is geen metrische inscriptie.

Ultuma = ultima          

fuueit: dubbele u om aan te duiden dat het om de vokaal /ū/ en niet om de consonant /w/ gaat.

Quius: overgangsstadium van qoius naar cuius relliquiae. de dubbele L is een fout van de steenkapper.

Suprema manent: vatbaar voor interpretatie. Gaffiot s.v. Suprema, -orm (subst; onz. mrv.) 1: de laatste ogenblikken;  2: de laatste eerbewijzen, begrafenis; 3: de resten van het gecremeerde lichaam.

Het kan dus betekenen: suprema munera expectant: 'van wie de overblijfselen hier op de laatste eerbewijzen wachten.'[435] Warmington volgt deze interpretatie, maar normaal heeft ze de laatste eerbewijzen al gekregen bij haar begrafenis.

Ook mogelijk: 'van wie de overblijfselen hier (voor altijd) als asse blijven,' waarmee de auteur bedoelt dat deze grafsteen als enige aandenken aan haar blijft.

Statuut en milieu: Ingenua (filiatie). Er is geen opdrachtgever vermeld. Misschien was ze dat zelf, daar ze blijkbaar geen familie meer had, of misschien een begrafeniscollege waar ze lid van was.

Literatuur:  Warmington (1940) 16 n° 40   ׀׀    Ernout (1967)  n° 144   ׀׀   Diehl (1964) 615   ׀׀   De Rosalia (1972) n° 45   11   Wolff (2000) 82   

 

 

CIL I², 1319                                                         VI: 9583; ILLRP: 798 ; CLE:274app ; ILS: 8341

Gaius Hostius Pamphilus, vrijgelatene van Gaius, een geneesheer;
Nelpia Hymnis, vrijgelatene van Marcus

 

 

C. Hostius C. l. Pamphilus | medicus hoc monumentum | emit sibí et
Nelpiae M.l. Hymnini| et líberteis et líbertabus omnibus | postereisque eorum. |
Haec est domus aeterna, hic est  | fundus,
heis sunt horti, hoc | est monumentum nostrum.
|
In fronte p(edes) XIII, in agrum p(edes) XXIIII.

 

 

Caius Hostius Pamphilus, vrijgelatene van Caius, een  geneesheer heeft dit monument aangekocht voor zichzelf en voor  Nelpia Hymnis, vrijgelatene van Marcus, en voor alle vrijgelaten mannen en vrouwen en voor hun nakomelingen.
Dit is ons eeuwige verblijf, dit is onze begraafplaats
dit zijn onze tuinen, dit is ons graf.
13 voet breed, 24 voet diep

 

Monument: Rome, tablet uit travertin. Wordt bewaard in de Capitolijnse Musea, Galleria di Congiunzione.

Datering: Niet voor IA door de aspiratie in Pamphilus. De opgave van de maten van het graf zijn al meer een kenmerk van de late Republiek of het begin van de Augusteïsche periode.[436]

Taalkundig-inhoudelijk: ritmisch proza, geen metrisch carmen.[437]

Statuut en milieu:   Zeker vrijgelatene (libertinatio). Griekse cognomina (Pamphilus en Hymnis). Het moest een gemengd graf worden voor ander vrijgelatenen en voor hun kinderen.
Opdrachtgever: Gaius Hostius Pamphilus zelf.

Literatuur: Warmington (1940) 43   ׀׀  Diehl (1964) 694   ׀׀   Massaro  (1992) 37 nt. 45

 

 

CIL I², 1325                                                                  VI: 6049; ILLRP: 932 ; CLE: 1851app

Lemiso

 

Heic situs sum Lemiso, | quem numquam nisi mors | feinivit labore

 

Hier lig ik, Lemiso, ik die slechts door de dood van mijn ellende werd verlost.

 

Monument en vindplaats: Rome, gevonden in een Columbarium nabij de Porta Praenestina. Letters in slechte staat (litteris malis).

Datering: geen sluitende gegevens. EI wordt gebruikt tot in de Keizertijd. De formule heic situs sum komt al voor op de inscriptie voor Protogenes (I2: 1861), die in de eerste helft van IIA wordt geplaatst.

Taalkundig-inhoudelijk: metrum: trocheïsche octonarius.[438] Dit metrum werd in de vroege komedie gebruikt voor de cantica.[439] Het opschrift kan opgevat worden als een lofprijzing: hij was vlijtig tot op het laatste ogenblik. Dit zou zijn meester of zijn vrienden kunnen aanwijzen als opdrachtgevers. Als hij het zelf liet oprichten, is het veeleer pessimistisch: het slavenbestaan is een ellende (labore).

numquam: in de betekenis van non minder gebruikelijk dan nihil (umquam), maar zowel in Plautus (Amph. 426)  als in Vergilius (Aen. 2, 670) geattesteerd.

feinivit (met abl. sep. labore): geïsoleerd voorbeeld van finio in de betekenis van iemand bevrijden van iets (OLD s.v. finio). Deze interpretatie van OLD zou eerder de pessimistische ondertoon moeten benadrukken, maar OLD heeft het opgenomen als enige voorbeeld.

Statuut en milieu Vermoedelijk slaaf, want hij vermeldt enkel zijn cognomen. De naam Lemiso komt nergens anders voor.[440] Geen dedicanten vermeld. Misschien hijzelf, misschien andere leden van een begrafenisgilde waar hij bij aangesloten kon zijn, misschien zijn meester. Opmerking: het gebruik van een zeldzaam metrum, waarvan men niet verwacht dat iemand van bescheiden afkomst ermee vertrouwd was; de literaire dimensie van de ontkenning en het gebruik van een woord (finio) in een minder courante betekenis impliceren dat de dichter van dit grafschrift een zekere literaire aanleg of opleiding moet hebben gehad.

Literatuur:  Warmington (1940) 36 n° 78   ׀׀    Diehl (1964) 633   ׀׀   Massaro (1992) 27

 

 

CIL I², 1332                                                         VI: 21696; ILLRP: 928; CLE: 16app; ILS: 7967

Titus Luscius Parnaces, vrijgelatene van Titus;
Luscia Montana, vrijgelatene van Titus;
Titus Attius Auctus, vrijgelatene van Gaia;
Titus Luscius Corumbus, vrijgelatene van Gaia.

 

T. Luscio T. l. Parnaceni, | Lusciae T. l. Montanae |
T. Attius (Gaiae) l. Auctus coiugi, | T. Luscius (Gaiae) l. Corumbus

Patr|onae pro meriteis dant, ubei | eorum ossa quiescant.

           

Op de achterzijde:

 

C. Laeli Philotae.

 

2. (Gaiae)  =  in lapide

 

Aan Titus Lucius Pharnaces, vrijgelatene van Titus;
aan Luscia Montana, vrijgelatene van Titus;
Titus Attius Auctus, vrijgelatene van Attia, aan zijn vrouw;
Titus Luscius Corumbus, vrijgelatene van Luscia.
Aan zijn patrona schenken ze dit voor haar verdiensten, (een plaats) waar hun gebeente in vrede mag rusten.

 

Van Gaius Laelius Philota.

 

Monument: Rome, niet meer voorhanden. Opgesteld aan de hand van een transcriptie van  Oderici.

Datering:  liberti met trianomina en hetzelfde praenomen en gentilicium als hun meester: periode van Sulla maar niet veel later, Parnaces wordt nog zonder spirant geschreven.

Taalkundig-inhoudelijk:  niet echt metrisch. De praesentia dant en quiescant verraadden volgens Bücheler  een uitgezochte stijl, reden waarom hij dacht dat het een saturnius kon zijn. Volgens Massaro uitgezocht proza, of een choriambische dimeter gevolgd door een adoneus[441] zoals in Plaut. Cas 645, maar dat lijkt me vergezocht. Het metrisch karakter is ook door Kruschwitz afgewezen.[442]

Statuut en milieu: collectief graf van 4 vrijgelatenen. Titus Luscius  Parnaces en Luscia Montana zijn vrijgelatenen (conliberti) van een zekere Titus Luscius. Hun verdere onderlinge relatie is niet aangegeven, maar dit zijn een paar mogelijkheden: zij was zijn natuurlijke dochter of hij was haar natuurlijke zoon, ze waren broer en zus, of na hun vrijlating zijn ze gewoon in elkaars buurt blijven hangen, of  ze waren echtgenoten.

Titus Luscius Corumbus is op zijn beurt een vrijgelatene van deze Luscia Montana.

Titus Attius Auctus werd vrijgelaten door Attia en heeft het praenomen van haar vader overgenomen.  Deze Attia kan de vrouw geweest zijn van de Titus Luscius, die Titus Luscius Parnaces en Luscia Montana heeft vrijgelaten. De coniunx van Titus Attius Auctus kan normaal niet dezelfde zijn als de patrona van Titus Luscius Corumbus (Luscia Montana), want het gaat om  een geschenk aan meerdere personen (eorum ossa). Maar dat is dan wel vreemd: de patrona wordt met name genoemd en de coniunx niet. Ik vermoed dat met eorum alle vermelde personen bedoeld worden en dat Luscia Montana zowel coniunx voor de ene als patrona voor de andere is. Deze interpretatie van eorum verklaart meteen ook de aanwezigheid van Titus Luscius Parnaces in dit grafschrift. Wie Gaius Laelius Philota is, is onduidelijk. Mogelijk gaat het om een gerecupereerde steen en werd de achterzijde voor een andere inscriptie gebruikt.

Literatuur: Warmington (1940) 50 n°107   ׀׀   Diehl (1964) 617   ׀׀   Massaro (1992) 34

 

 

CIL I2: 1347                                                                   VI: 23137; CLE: 15app; ILS: 8400

Gaius Numitorius Asklepiades,
Mummia Zosima, vrijgelatene van Lucius

 

C. Numitorius  |Asclepiades |Mummia L. l.| Zosima |
heis sunt duo | concordes, |/(?)
famaque bona | exsituq(e) honest(o).
| Felixs

 

Gaius Numitorius Asklepiades en Mummia Zosima, vrijgelatene van Lucius.
Dit zijn twee eensgezinde mensen, met een goede naam en waardig in hun heengaan.
Gelukkig…

 

Monument: Rome, Villa Pamphilia op een begraafplaats. Fragment van een kleine sarcofaag, gevonden tussen tussen fragmenten van sculpturen die in slechte staat verkeerden.

Datering:. De Z in Zosima wijst op het einde van de Republiek, mogelijk begin Keizertijd, en de paleografie schijnt dit te bevestigen (Litteris aevi recentioris). Warmington dateert in IA, maar zonder verantwoording.

Taalkundig-inhoudelijk: misschien saturnius,[443]  r.2 is in dit geval een halfvers, r.3 kan een volledige saturnius zijn als men felixs door felices vervangt (…twee eensgezinde mensen, gelukkig, met een…). Behoudt men felixs, dan kunnen r.2 en r.3 samen als jambische septenarius gescandeerd worden.[444]

Felixs kan op twee manieren geïnterpreteerd worden: ofwel wordt bedoeld felices: gelukkig (omdat ze waardig zijn begraven) ofwel is het een cognomen Felix. In dat geval moet het de naam van de dedicant zijn, maar dan ontbreekt een werkwoord.

Statuut en milieu: de man is waarschijnlijk een vrijgelatene: hij draagt een cognomen in een periode waarin ingenui normaal geen cognomen dragen. Bovendien is het een Grieks cognomen. Mummia Zosima is een zekere vrijgelatene (libertinatio).[445] Concordes verraadt dat ze als man en vrouw samenleefden, al dan niet in iustum matrimonium. De Numitorii behoorden tot een van de oudste plebejische geslachten van Rome, maar hun aantal is al vroeg in de Republiek sterk afgenomen.[446]

Wie de opdrachtgever is, blijft onduidelijk.

Literatuur: Warmington (1940) 46 n° 98   ׀׀   Diehl (1964) 650   ׀׀   Massaro (1992) 31

 

 

CIL I², 1349                                                        VI: 23297; ILLRP: 943; CLE: 15app ; ILS: 8395

Decimus Octavius Modiarius, vrijgelatene van Decimus;
Decimus Octavius, zoon van Decimus van de tribus Collina,
Pontia, zijn vrouw

 

D.Octavi(us) D.l. Modiari(us), | D.Octavi(us) D.f. Col(lina), | Pontia uxsor, |
fruge, bona, pudica, | ave.

 

Decimus Octavius Modiarius, vrijgelatene van Decimus;
Decimus Octavius, zoon van Decimus, van de Tribus Collina;
Zijn vrouw Pontia. Rechtschapen, braaf, eerbaar. Gegroet.

 

Monument: Rome, op de Via Ostiensi bij de derde mijlpaal. Tablet uit travertin, zeer oude letters.

Datering: Solin dateert periode Sulla - Caesar, maar zonder verantwoording. De tribusaanwijzing met drie letters kan de datering van Solin bevestigen. De onomastiek geeft een periode aan die tussen 100a en 30a kan liggen: vader is vrijgelatene en draagt een cognomen, zijn zoon is vrijgeboren en draagt geen cognomen.

Taalkundig-inhoudelijk: metrum: trocheïsche akatalectische quaternarius.[447]

Statuut en milieu: familiegraf voor drie personen. De vader is een zekere libertus want hij geeft zijn libertinatie. Zijn zoon is vrijgeboren en geeft zijn filiatie. De vrouw, vermoedelijk van de zoon, is een incerta met gentilicium. We merken hier hetzelfde verschijnsel als bij de Sergii in CIL I²  708: vader heeft een slavenafkomst en draagt een cognomen, de zoon is vrijgeboren, en draagt geen cognomen meer. Het cognomen Modiarus is afgeleid van een gentilicium. [448]

Als de theorie over het belang van de volgorde van de namen op de steen voor de statusaanduiding klopt, dan zien we hier dat de pater familias, ook al is hij een libertus, voorrang heeft op zijn zoon die ingenuus is.[449]

Deze inscriptie is een illustratie van het feit dat nieuwe burgers (vrijgelatenen en kinderen van vrijgelatenen) vooral in de stedelijke tribus werden teruggevonden (Collina was een van de vier stedelijke tribus, cf supra CIL I²  2274).[450] Ze bevestigt tevens de conclusies van Duff: een vrijgelatene vermeldde geen tribusopgave, dat was voorbehouden aan vrijgeborenen.[451] De vader, die vrijgelatene is, geeft geen tribus op. Zijn zoon, die vrijgeborene is, vermeldt wel zijn tribus.

Dit is een familiegraf. Er wordt geen opdrachtgever vernoemd, maar bona en pudica geven aan dat de mini laudatio hier voor een vrouw bedoeld is. Deze inscriptie is dus van D. Octavius junior ter ere van zijn vrouw. Gezien de vrouw onder de potestas van haar echtgenoot viel, was de zorg voor een gepaste inscriptie in de eerste plaats zijn verantwoordelijkheid (en niet die van zijn vader). [452]

Literatuur:  PMLE tab. XCII E (afb.) ׀׀   Diehl (1912) tab. 22 C 12   ׀׀   Massaro (1992) 32

 

 

CIL I² 2997                                                                            VI: 30157; CLE: 975

Anoniem

 

[S]ei properas, i, no[n ten]e[o]; sein otium habes, sta;         1
   perl[ege---]um
Cor[---]is i(u)veni
   com[---]ans


sed [---] nibus o [---]                                                               
5
quo [---] tur
et qu [--- pr]ofecto
  corpore consumpt[o] uiua anima deus sum.

 

 

Als je haast hebt, ga dan, ik (zal) je niet ophouden; maar als je wat tijd hebt, blijf  dan even staan.
…

….Maar …
Nu m’n lichaam verteerd is, ben ik een god met een levende ziel.

 

Monument:   Rome. Gevonden in een abdij nabij de Tre Fontana, aan de Porta St.-Pauli, in de oudheid de Aquae Salviae.[453] Deze plaats ligt nog binnen de stadsmuur langs de Via Ostiensis, aan de voet van de Aventijn. Vijf fragmenten van een tablet uit travertin. De stukken met de eerste vier verzen zijn later teruggevonden. Het binnenste van het tablet  was  gebruikt om deurposten te maken en kon niet meer gerecupereerd worden. Dit carmen bestond waarschijnlijk uit acht verzen, maar de exacte leemte tussen boven en onderkant kan, wegens het ontbreken van de andere brokstukken, niet correct ingeschat worden.

Datering:  late Republiek. Letters bijna uit de Augusteïsche periode, maar de uitgevallen eind-S in deus sum laten een datering na Lucretius niet toe.[454] Volgens Ferrua[455] niet lang na Lucretius wegens de formules habes sta en deus sum.

Taalkundig-inhoudelijk:  erg fragmentarisch, maar het eerste vers is een correcte hexameter, het laatste is duidelijk een pentameter. Op de in elkaar gepuzzelde fragmenten kan men zien dat de beginwoorden van elke tweede regel een weinig naar links inspringen, wat de reguliere schikking voor een elegisch distichon is.

r.1: Sei properas, i, no...: Variant op Hospes, resiste…en andere gelijkaardige formuleringen.[456] Deze dode was zo hoffelijk om aan de voorbijganger eerst te vragen of hij wel tijd had om zijn grafschrift te lezen. De aanvulling non teneo is metrisch correct en inhoudelijk zeer goed verdedigbaar. Ook de aanvulling aan het begin van het 2de vers stemt overeen met andere, gelijkaardige formules.

I : imperat. 2 enklv.  < eo (gaan)

r;8: Corpore consumpto…Vertaling van Sanders: '[---] Mijn lichaam is verteerd, mijn ziel is levend: god ben ik.' Het bereiken van de goddelijke status dient zich hier aan als een evidentie na de dood en moet de beloning vormen voor de toewijding die de dode tijdens zijn leven heeft aan de dag gelegd.[457] Het geloof dat de zielen van de doden naar de hemel of naar de sterren stegen en in het gezelschap der goden werden opgenomen, geraakte verspreid door de doctrines van de stoïcijnen en is veel geattesteerd, zowel in Griekse als in Latijnse sepulcralia.[458] De overtuiging wordt door Cicero treffend weergegeven:  Tu vero enitere et sic habeto, non esse te mortalem, sed corpus hoc; nec enim tu is es, quem forma ista declarat, sed mens cuiusque is est quisque, non ea figura, quae digito demonstrari potest. Deum te igitur scito esse…[459] Doe werkelijk je best en houd dit voor ogen: jij bent niet sterfelijk, maar dit lichaam is het; want jij bent niet wat dit uiterlijk van je laat zien; maar ieder's geest is ieder zelf, niet dat figuur dat je met een vinger kan aanwijzen. Weet dan dat je een god bent…

Statuut en milieu:  incertus. Onbekend persoon, geen naam of statuut aangegeven. De laatste zin weerspiegelt een trend die zich in de late Republiek begon af te tekenen: filosofische overtuigingen die uitgingen van een leven na de dood, of het leven hier zagen als een soort voorbereiding op iets grootser in een mogelijk hiernamaals (o.a. Neoplatonisme, Neopythagorisme en vooral Stoïcisme).[460] Deze denkbeelden vonden vooral gehoor bij de hogere klassen, de humiliores zochten hun heil eerder in de berustende of hedonistische houding van het Epicurisme.[461] Ook de schaarse resten van het carmen wijzen op een dichter die over beschaving beschikte: het metrum is correct, de beginformule is origineel uitgewerkt en de woorden sein en profecto verlenen het carmen iets van een archaïsche glans.

Wie de opdrachtgever was, valt hier niet meer te achterhalen.

 

Literatuur:  Purdie (1935) 23   ׀׀   Massaro (1992) 45-46  

 

 

CIL I2, 1547                                                                       X: 5282; ILLRP: 565 ;  CLE: 12

Gaius Quinctius Protymus
Gaius Quinctius Valgus

 

[Heic est situs Q]ueinctius Gaius Protymus |
[--- su]mma qum laude probatus, |
[--- ing]enium declarat pietatis alum|nus. |
[Gaius Queinc]tius Valgus patronus.

 

1. Q]einctius    Mommsen qui vidit :   -]ueinctus  Fiorelli  qui vidit          Protymus  Mommsen   :   Protimus   Fiorelli
2. 
[--- su]mma    Mommsen   -]nma  Fiorelli   3.  [--- ing]enium  Mommsen    :  -]nium  Fiorelli

 

Hier ligt Quintius Gaius Protymus,
… met de allerhoogste lof betuigd,
…van zijn aard van plichtsbetrachting getuigt hij als pleegzoon.
Quintus Valgus, zijn patroon.

 

Monument: gevonden in St.-Elia bij Casinum[462] (Montecasino, Latium), maar het is niet bekend waar de inscriptie zich nu bevindt. Oude letters (litteris antiquis). Ligaturen: mu in r.1 Protymus; ma in [su]mma en at in r.2 probatus, at in r.3 pietatis. De laatste lettergreep nus van alumnus in r.3 staat na patronus op de volgende regel, hiervan gescheiden door een soort omgekeerd sigmavormig teken. Het verschil tussen C en G is erg klein, maar voldoende om ze van elkaar te onderscheiden.

Datering: periode van Cicero. Van Gaius Quinctius Valgus zijn nog andere inscripties bekend, (cf. infra) waaruit blijkt dat hij actief was in de plaatselijke politiek in Pompei ten tijde van Sulla en Cicero. De Y in Protymus maakt een datering vóór 60a - 55a weinig waarschijnlijk.

Taalkundig-inhoudelijk: commatica. Het metrum is problematisch. Bücheler nam r.1 als saturnisch aan op grond van inversie van de volgorde van de naamgeving en dacht daarbij aan een gelijkaardige volgorde in CIL I2: 6/7 (Cornelius Lucius, cf. supra).[463] R. 2 en r.3 eindigen op dactyli en noch de voorgaande lettergrepen, noch de grootte van de lacunes staan de vorming van reguliere hexameters in de weg.[464] Of moeten we hier eerder denken aan dactylische commatica? Tevens dient hierbij opgemerkt dat saturnische eindkola ook kunnen uitgaan op dactyli. Een poëtische bedoeling van de tekst in zijn geheel kan men ook vermoeden doordat alle regels eindigen op us en door de tangconstructie: een elogium van twee regels, voorafgegaan en gevolgd door namen. Verder is de omgekeerde volgorde in de onomastiek zeker een argument, want in de laatste naam wordt de normale volgorde aangehouden. Waarom zou men dan in het praescriptum hiervan afwijken als daar geen gegronde reden (i.e. de metriek) voor was? De staat van de inscriptie laat jammer genoeg geen zekere identificatie van het metrum toe.

Statuut en milieu: overledene: G. Q. Protymus: zekere vrijgelatene van G. Q. Valgus (patronus), wier praenomen en gentilicium hij heeft overgenomen. Protymus is zijn vroegere slavennaam die hij nu als cognomen voert.[465] Het is een Griekse naam die vooral voorkomt  bij slaven en vrijgelatenen.[466] Alumnus wordt soms bijna als synoniem voor cliens gebruikt.[467] Dedicant: G. Q. Valgus, zijn vroegere meester (cf. supra). Gaius Quinctius Valgus ( valgus = de krombenige) is een ingenuus. Zijn filiatie is hier niet aangegeven, maar hij wordt ook nog vernoemd in 2 bouwinscripties uit Pompeji[468] en in een bouwinscriptie uit Aeclanum (Samnium).[469] Ook Cicero heeft het over hem.[470] Hij behoorde waarschijnlijk niet tot de Romeinse patriciërsfamilie van de Quinctii.[471] Oorspronkelijk moet hij van Hirpinia afkomstig geweest zijn. Na de bondgenotenoorlog treedt hij op als patronus municipii in Aeclanum. Ten tijde van Sulla was hij een belangrijk figuur in de politiek van Pompeji, waar hij door Sulla samen met M. Porcius tot duumvir was aangesteld. Waarschijnlijk bekleedde hij in 70a een tweede keer dit ambt, ditmaal verkozen als duovir quinquennales, alweer samen met M. Porcius. Onder impuls van beide duumviri werden in Pompeji het amphitheater en het kleine theater gebouwd, dat ze voor een groot deel zelf bekostigden.[472] Dit was het tweede stenen theater in Pompeji, terwijl in Rome zelfs het eerste nog niet gebouwd was. (Op de muur van dit kleine theater werd trouwens het graffito CIL I², 2540, cf. infra, aangetroffen.)

Literatuur:  Fiorelli (1878)   ׀׀   Warmington (1940) 26 n°58   ׀׀   Diehl (1964) 611   ׀׀   CSE 174-180   ׀׀   Castrén (1975) 89-91; 212

 

 

CIL I², 1570                                                                       X: 6011; ILLRP: 977; CLE: 56

Publius Larcius Nicia, vrijgelatene van Publius;
Saufeia Thalea, vrijgelatene van Aulus;
Lucius Larcius Rufus, zoon van Publius;
Publius Larcius Brocchus, zoon van Publius
Larcia Horaea, vrijgelatene van Publius en Gaia.

 

 

P.Larcius P.l. | Neicia, || Saufeia A.l.| Thalea, ||                     1
L. Larcius P.f. | Rúfus, || P. Larcius P.f. | Brocchus, ||
Larcia P. (Gaiae) l. | Horaea
 

Bonéis probáta invéisa sum á nulla probá. |
Fui parens dominéis senibus, huic autem opsequens
. |
           5
Ita, leíbertáte illei me, hic me decoraat stolá. |                                                       
Á púpulá annos  veiginti optinui domum |
omnem. Supremus fécit iúdicium diés, |
mors animam éripuit, non veitae órnátum apstulit |.

L.Eprius Chilo, viat(o)r tr(ibunorum) pl(ebis),                10
[E]pria Cpi[- - -].                                                       
                                              

 

1.  Saufeia A. l. Thalea   :   (Gaiae) l. Thalea  Bononius   Larcia P. (Gaiae) l. Horeae   :    A.(Gaiae) L  Iucundus f. 163   sed   P. (Gaiae) LI    in f. 208   6.   me hic me   Iucundus f. 208,  Bononius   :   me hic  Iucundus f.163,   Pontianus    decoraat Mommsen   :   decorat  Iucundus   :   decora[r]at  Bornamm, Meyer

 

Publius Larcius Nicia, vrijgelatene van Publius
Saufeia Thalea, vrijgelatene van Aulus
Lucius Larcius Rufus, zoon van Publius
Publius Larcius Brocchus, zoon van Publius
Larcia Horaea, vrijgelatene van Publius en Gaia

Door rechtschapen mensen werd ik gewaardeerd, door geen enkele eerbare
vrouw werd me een kwaad hart toegedragen.

Ik was gehoorzaam aan mijn bejaarde meesters, maar meer nog was ik voor hem hier een volgzame (echtgenote).

En zo gaven zij me de vrijheid, hij heeft mij met een stola geëerd.
Vanaf mijn prille meisjesjaren heb ik 20 jaar lang het hele huis geleid.
Mijn laatste dag heeft (over mij) een oordeel geveld.
De dood heeft mijn levensadem weggerukt, maar heeft niet de schoonheid van mijn leven weggenomen.

Lucius Eprius Chilo, bode van de volkstribunen.

Epria CPI (?)

 

Monument: gevonden in Minturnae[473] bij de veerpont over de Liris in Latium. Verloren gegaan, dit is een reconstructie van de tekst naar Pontanus (ed.1, 1481, f. 9;  ed. 2, 1538, p. 72 met een beschrijving van de steen); Iucundus (cod. Ver. f. 163 en f. 208) en Bononius (cod. Ottob. f. 34; cod. Traiect. f. 128).

Datering: periode van Caesar wegens veelvuldig gebruik van de apex, de consequente  spelling van de geaspireerden in de Griekse namen en de spelling van huic.[474]

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii.

r.5: parens: niet van het subst. parens,- entis maar van  het werkw pareo (zich laten leiden door): volgzaam.

r.6: Decoraat stola: 'hij is met me getrouwd.' De stola was het geëigende kledingstuk van de Romeinse matrona's. Brocchus is dus met haar getrouwd. Decoraat kan opgevat worden als een historisch praesens of als een gesyncopeerd perfectum, maar de lezing is omstreden.[475]

illei: haar schoonouders en vroegere meesters.

Huic, hic: Brocchus, haar echtgenoot.

Statuut en milieu: het eigenlijke grafschrift is voor Horaea, vrijgelatene van Publius Larcius Nicia en zijn Vrouw Saufeia, die zelf liberti waren (libertinatio). Zij hadden twee zonen, Lucius en Publius, allebei ingenui (de filiatie is aangegeven), en dus na de vrijlating van hun ouders geboren. Larcia Horea was oorspronkelijk hun slavin, maar werd vrijgelaten en is daarna met hun zoon Brocchus getrouwd (Brocchus lijkt de logische kandidaat, want Horaea's naam staat naast de zijne). Ze is misschien vrijgelaten om met hem te kunnen trouwen, maar kan ook al vroeger vrijgelaten zijn want het vers spreekt in zeer lovende termen over haar. Over een mogelijke echtgenote van hun andere zoon, Lucius Larcius Rufus wordt niets vermeld.

Neicia moet een orthografische variant van Nicia zijn[476]

De oorspronkelijke begunstigde was dus Horaea en aan haar is het grafschrift opgedragen. De opdrachtgevers zijn niet als zodanig vermeld, maar uit de tekst kan men opmaken dat het haar schoonouders en haar echtgenoot waren (door de uitdrukking van hun waardering in r.5/6.) Het graf moest later een familiegraf worden, ook de andere zoon Lucius Rufus is opgenomen.

Wie Lucius Eprius Chilo en Epria zijn weten we niet, maar dit moet het praescriptum van een volgende inscriptie geweest zijn (de inscriptie is enkel uit de mss. overgeleverd).

Literatuur: Warmington (1940) 52 n° 108  ׀׀   Diehl (1964) 644   ׀׀   Wolff (2000) 56, 68   ׀׀   Purdie (1935) 83   ׀׀   Plessis (1905) n° 34

 

 

I² 1572                                                                             X: 5019; ILLRP: 968; CLE: 181

Anoniem.

 

Alei in Venerieis [---] | mihei contra ri[---]

 

Anderen…in een…van Venus
Mij daarentegen….

 

Monument:  gevonden nabij Venafrum[477] (Campanië) in de St.-Donatuskerk, verloren gegaan of verblijfplaats onbekend. Zeer oude letters (litteris antiquissimis[478])

Datering:  niet echt dateerbaar. De aspiratie laat wel na 110a vermoeden.

Taalkundig-inhoudelijk: te fragmentarisch om decisieve conclusies over een eventueel metrum aan te verbinden. Beide passages kunnen het begin van een jambische senarius zijn: drie jamben in de eerste regel, twee jamben in de tweede. Voor jamben is dit te weinig om tot een senarius te besluiten. 

Op basis hiervan vult Bücheler aan:

Alei in Venerieis [rebus vitam conterunt,] |/mihei contra ri[te partam Venerem mors rapit].

Anderen verspillen hun leven aan een onkuise liefde, Maar de ware liefde daarentegen,die mij terecht was toebedeeld, rukt de dood van mij weg.

Venerieis = veneriis (< venerius, een jongere vorm van venereus): zinnelijk, wellustig. Er is een verhelderende passage in Apuleus over de twee kanten van de liefde. Venus wordt afgeschilderd als een tweelinggodin: de ene laag bij de gronds (earum alteram vulgariam), een godin van de wellust die de mensen tot slaven maakt; de andere hemels (alteram vero caelitem), die de mensen verheft.[479]

Statuut en milieu: onbekend persoon of statuut, geen spoor van een opdrachtgever.

Literatuur:  PMLE tab. LIX J (afb.)   ׀׀   Warmington (1940) 32 n°66   ׀׀   Diehl (1964)  628   ׀׀   Bücheler (1965) I  398  

 

 

CIL I², 1596                                                           x: 4255; ILLRP: 938; CLE: 16app ; ILS: 7999

Publius Octavius Philomusus, vrijgelatene van Aulus.

 

P.Octavi A.l. Philom[usi] | ossa heic sita sunt.|
Deis inferum parentum | sacrum. Ni violato.
In agro pedes XV, in via | pedes XV. | Philargurus l. et socius.
 

Hier rust het gebeente van Publius Octavius Philomusus, vrijgelatene van Aulus.
Gewijd aan de schimmen van de overleden ouders.
Breng het geen schade toe.
15 voet diep, 15 voet breed.
Philargurus, vrijgelatene en zijn vennoot.
 

Monument en vindplaats:  cippus uit peperin, gevonden in Napels of Capua.[480] Nu in het Museo Nazionale. Veel ligaturen: nt in suntnf in inferum; nt en um in parentum.

Datering: volgens Bücheler (maar zonder verantwoording) een tijdgenoot van Eurysaces. Paleografisch: litteris vetustis volgens Mommsen, zonder verdere specificatie. De geaspireerde Ph in Philomusus en Philargurus plaatst de inscriptie in IA. De opgave van de maten van het graf zijn al meer een kenmerk van de late Republiek of Augusteïsche periode.[481]

Taalkundig-inhoudelijk:  niet metrisch. Een saturnius in r.2 werd vermoed door de achteraanplaatsing van sacrum, maar dit is nog geen argument om een metrische opbouw te veronderstellen. Ook dacht men aanwijzingen te zien in de lay-out: elke tweede regel schuift een paar regels naar binnen. Maar dat is ook gedaan in het praescriptum en het postscriptum (die zeker  niet-metrisch zijn).

Statuut en milieu: de overledene is Philomusus, een zekere vrijgelatene. Ook  Philargurus is een vrijgelatene; beiden voeren ze de libertinatio. Socius kwalificeert Philargurus ten opzichte van Philomusus en staat door voegwoord et op gelijke hoogte met l(ibertus), eerder dan dat et een tweede persoon, die niet met name genoemd wordt, verbindt met Philargurus  (Philargurus de vrijgelatene, samen met zijn vennoot). Philargurus was de dedicant.

Literatuur:  PMLE tab. LXXVI  H (afb.)   ׀׀   Warmington (1940) 44 n° 95   ׀׀   Diehl (1964) 675   ׀׀   CSE 210-211

 

 

CIL I², 1603                                                                      X: 4362; ILLRP: 984; CLE: 362

Gnaius Taracius, zoon van Gnaius.

 

Cn. Tara || cius Cn. f. | vixit a(nnos) XX. Ossa eius hic sita sunt. |     1
Eheu, heu Taracei, ut acerbo es deditus fato.
Non aevo | exsacto vitai es traditus morti.
Sed cum te decuit florer[e] aetate | iu(v)enta,
Ínterieisti et liquisti in maeroribus matrem.                                   
5

 

2.  fato   :   fáto (apex)  priores     4. florer[e] Bücheler :   floreri  Mommsen  :   florerẹ   Ritschl

 

Gnaius Taracius, zoon van Gnaius, leefde 20 jaar. Hier ligt zijn gebeente.
Ach, Taracius, hoe bitter het lot waaraan je werd prijsgegeven.
je levensduur nog niet ten einde gebracht, werd je  aan de dood prijsgegeven.
Maar toen het je toekwam ten volle van je jeugdige leeftijd te genieten,
kwam je om en liet je moeder achter in smart.

 

 

Monument en vindplaats: Capua,[482] marmeren stèle, met een borstbeeld van een jongen. In aetate (r.4) ligatuur van te. Na elk vers volgt een spatie, elk nieuw vers begint met een letter die iets groter is dan de andere.

Datering: Bücheler dateert in de periode van Lucretius op basis van de apex over fato (Warmington dateert 85a –45a zonder verantwoording). Nochtans werd deze apex niet opgenomen in  de lezingen van CIL I2 en X.

Taalkundig-inhoudelijk:  Dactylische hexameters. 2. Taracei: geen anapest, maar molossus. 3. Vitai es (2) elisie tot vitai’s.

Statuut en milieu: zekere vrijgeborene. opdrachtgever: waarschijnlijk  zijn moeder, de laatste regel wijst in die richting. Haar statuut is ambigua: aangezien het kind een filiatie draagt, moet ze bij zijn geboorte vrij geweest zijn.

Literatuur: PMLE tab. LXXVII  J (afb.)   ׀׀   Warmington (1940) 22 n° 52   ׀׀   Diehl (1964) 603   ׀׀   Massaro (1992) 51

 

 

CIL I², 1684                                                         x: 388; ILLRP: 799 ; CLE:15app ; ILS: 791

Lucius Manneius, zoon (of vrijgelatene) van Quintus, een geneesheer,
Maxsuma Sadria.

 

 

L.Manneius Q. medic(us) | veivos fecit fÀsei d? | Men‹e›kr?tjv Djmj|tr°ou Trallianèv |
fusikèv o¸nodçtjv zòn po°jsen |
Maxsuma Sadria S(puri) f. |
bona, proba, frugei, salve
.

 

Men‹e›kr?tjv : MFNEKRATJS lapis

 

Lucius Manneius, vrijgelatene (?) van Quintus, een geneesheer heeft dit tijdens zijn leven laten maken.
Oorspronkelijke was zijn naam Menekrates, zoon van Demetrios uit Thrales,
een geneesheer-wijntherapeut. Hij liet dit  tijdens zijn leven maken.
Maxsuma Sadria, dochter van Spurius,
een goede, degelijke, zuinige vrouw, gegroet.

 

Monument:  Pertosa[483] in Lucania, op het platteland tussen Atina en Volceios. Tweetalige inscriptie op een kalkstenen tablet (58 x 80 x11 cm) met vierkante scheidingspunten tussen de letters. Nu vastgemaakt aan de muur van een huis in Massavetere.

Datering:  late Republiek op inhoudelijke gronden: Asclepiades Prusiensis was de stichter van een geneeskundige sekte, die het toedienen van wijn tot therapie had verheven. Hij kende  zijn  grootste populariteit in het tijdperk van Pompeius Magnus[484] en werkte toen ook aan het hof van Mithridates. Pompeius werd vanaf 81a Magnus genoemd en Mithridates pleegde in 63a zelfmoord. Dat geeft voor deze inscriptie een terminus post quem die tussen  deze beide data moet liggen. Veel later is echter niet waarschijnlijk, dit soort sektes waren modeverschijnselen en in de geneeskunde moest men regelmatig met iets nieuws beginnen om succes te hebben.[485] Tel hier nog een aantal jaren bij die L. Manneius met het uitoefenen van zijn vak heeft dooorgebracht alvorens te sterven, en we moeten al in de 2de helft van IA zitten. De orthografie (veivos, Maxsuma, frugei) wijst een vroegere periode aan, maar dit kunnen archaïsmen zijn.

Taalkundig-inhoudelijk: bona, proba, frugei, salve: niet metrisch. Dit elogium was door Bücheler al naar de voetnoten bij saturnii verwezen als een mogelijk vervormd vers of een stuk van een Saturnius. Dit elogium heeft maar 8 lettergrepen en een normaal aantal voor saturnii is 13 terwijl 11 een minimum schijnt te zijn. Ook het bestaan van een halfvers is twijfelachtig: in de literair overgeleverde saturnii komt het niet voor, en van de enkele voorbeelden die men vroeger in de epigrafie had, is ondertussen het metrisch karakter weerlegd.[486] Een veelgebruikt formularium (voor gelijkaardige formules zie 1221-9; 1259 en 1349) is geen garantie voor een vers, een vers is in de eerste plaats metrisch. Niettemin bevat deze inscriptie een paar interssante sociaal-geschiedkundige aspecten, die de moeite waard zijn om er even op in te gaan.

: Tralles was een stad in Carië, aan de kust in het Zuidoosten van Klein-Azië  (Nu Aydyn in Turkije). Waarschijnlijk was er een medische school, want een stuk of 8 artsen uit Tralles hebben de geschiedenisboeken gehaald.[487]

: Naamgeving waaruit een dubbele herkomst valt op te maken, is veel geattesteerd bij geneesheren. (in geval van vrijlating of adoptie vaak met een Grieks cognomen). In Rome was er een groot gebrek aan deze intellegentsia en veel geneesheren uit het oosten, vooral Grieken en Joden kwamen hun geluk beproeven. Ze moesten Grieks kennen, want alle vakliteratuur van betekenis was in het Grieks. Daarom liet men ook zijn Griekse herkomst niet onvermeld: een Griekse naam was voor de patiënt synoniem met een zekere vakbekwaamheid en voor de arts een garantie voor een cliënteel.[488]

: slaat op de volgelingen van Asklepiades Prusiensis die vooral in de geneeskrachtige werking van wijn geloofde (cf. supra, datering)

Bona, Proba, Frugei, Salve: waarschijnlijk waren ze getrouwd of leefden ze in concubinaat. De relatie tussen beiden mag duidelijk blijken uit deze woorden: dit was een standaardformularium voor een goede echtegenote.

Statuut en milieu:  incertus met gentilicium. Het gentilicium Manneius is slechts drie keer geattesteerd in de Republiek [489]

We hebben drie mogelijkheden: een peregrinus die burgerrecht gekregen heeft, een geadopteerde Griek of een vrijgelaten slaaf.

Lucius Manneius Q: het eerste probleem is de interpretatie van de Q: (de tribu) Q(uirina) of Q(uinti)? Geen enkele editor heeft hier een tribusaanduiding in overweging genomen. Het is ook minder waarschijnlijk, na de bondgenotenoorlog werd de tribus bijna altijd met de drie letters van een uniform afkortingssysteem geschreven, en dat zou hier Qui zijn. Er was daarvoor nog voldoende plaats op de steen, ook al kwam dat neer op een iets andere schikking. Bovendien was Pertosa met de omliggende streken ingedeeld bij de tribus Pomptina.[490] Een tribusopgave zou er op neerkomen dat L. Manneius een peregrinus was, die door toedoen van een zekere Manneius (van de tribus Quirina),[491] burgerrecht gekregen had. Q. is dus waarschijnlijk geen tribusopgave.

Rest voor Q. dan de mogelijkheid Q(uinti) voor Q(uinti filius) of Q(uinti libertus). Zijn statuut is onzeker: naar Griekse gewoonte werd geen f of l toegevoegd na de naam van zijn patronus of adoptiefvader.[492] Quintus Manneius kan dus zowel zijn vader als zijn meester geweest zijn.

: geeft zijn statuut vóór zijn vrijlating of adoptie aan: het duidt aan dat zijn oorspronkelijke naam Menekrates was en en dat hij de zoon was van Demetrios[493].

Men heeft aangenomen dat het om een adoptie ging, ervan uitgaand dat het ethnikon hem aanwijst als een vrij inwoner van Tralles. In dat geval moet men de inscriptie zo begrijpen: Menekrates was bij de Grieken de zoon van Demetrios en afkomstig van Tralles; bij de Romeinen werd hij door adoptie Lucius Manneius, zoon van Quintus.[494]

Maar Cagnat,[495] Mommsen, Bang en Solin[496] geloven dat het om een vrijgelatene gaat. Het ethnikon Trallianos is geen bewijs voor een vrijgeborene want er zijn genoeg voorbeelden waarin slaven en ingenui hun geboortestad vermelden. Tevens zou men bij een adoptie een gentilicium uit de betere kringen verwachten en dat is hier niet het geval.[497]

Zowel adoptie als vrijlating gaan goed samen met het beroep. Er waren bijna geen Romeinse artsen, artsen waren slaven, hetzij gevangennomen artsen, hetzij slaven die van hun meester een artsenopleiding moesten volgen. Verder waren het vaak peregrini, vooral van Griekse afkomst, die soms geadopteerd werden.[498]

Maxsuma Sadria S(puri) f: de filiatie Spurii was typisch voor onwettige kinderen. Zij waren de kinderen van een vrouw die niet in een iustum matrimonium leefde maar die wel vrij was bij hun geboorte. Deze kinderen volgden het statuut van hun moeder en waren vrijgeborenen.[499]  Volgens Solin moet zij een inwijkelinge zijn omdat de verzachting van tr (Sadria) in het Oskisch niet voorkomt.[500]

: afkomst werd vermeld indien dit van belang was: in Tralles was een gereputeerde medische school.

Opdrachtgever: hijzelf

Literatuur:  PMLE tab. LXXII C (afb.)   ׀׀   IG XIV, 885  ׀׀  IGR I, 473  ׀׀  SEG 31 n°  885  ׀׀   CIL I2(4t) t. 64 fig. 1  (foto)  ׀׀  Diehl (1964) 662  ׀׀  I . I., 1,3, n° 108 (+ foto)  ׀׀  Solin (1981) 35-36

 

 

CIL I², 1702                                                                                     IX: 604; CLE: 57

[---]us, zoon van Lucius, een heraut

 

[---ho]s‹p›e‹s› sei legis, ne vituperes. |                                             1
[---]us L. f. praeco |
[---]os aeternum hoc sibei, |
[---]m esse, quod natura trad[idit, |
[---]t rebus cu‹m› ameiceis sueis.
|                                                     5
[---] vivos utarus. Vale.

 

Als je …leest, voorbijganger, krenk hem dan niet.
[---] us, zoon van Lucius, een heraut,
… deze eeuwige… voor zichzelf ...
… zijn, dat de natuur aanreikt.
… die zaken ... samen met zijn vrienden.
Maak ook jij zo …zolang je in leven(?)bent.
vaarwel.

Monument:  Venusia,[501] Apulië, de geboortestreek van Horatius. Gevonden aan een bron voor de stadspoort. Moeilijk leesbaar, de letters waren door het water afgesleten. De onderlijnde letters zijn aangevuld aan de hand van de transcriptie van Pontanus (codex Chigianus I, VI 203 f.45'), de andere lacunes zaten toen al op de steen.

Datering: volgens Bücheler niet na Cicero wegens de priscae vocales, waarmee hij de orthografie in sei, sibei, ameiceis sueis vivos en utarus moet bedoelen.

Taalkundig-inhoudelijk: te fragmentarisch overgeleverd, maar het kan een  een jambische senarius geweest zijn. De andere lacunes zijn door Bücheler in die zin aangevuld.

Hoc nomen ho]s‹p›e‹s› sei legis, ne vituperes. |/ [---]us L. f. praeco |/ domicilium fecit viv]os aeternum hoc sibei, |/ ratus hospitiu]m esse, quod natura trad[idit, |/ fructusque recte es]t rebus cu‹m› ameiceis sueis. |/ sic tu tueis fac] vivos utarus. Vale.

Als je deze naam leest, voorbijganger, krenk hem dan niet. [---] us, zoon van Lucius, een heraut, heeft toen hij nog in leven was, deze eeuwige verblijfplaats voor zichzelf laten bouwen. In de mening dat het een toevluchtsoord is dat de natuur aanreikt. En samen met zijn vrienden heeft hij goed van zijn weelde genoten. Maak ook jij zo gebruik van je bezittingen zolang je in leven bent. Vaarwel.

De boodschap is: geniet samen met je vrienden van je bezittingen, maar vergeet niet om een graf te voorzien.

r.6. vivos = vivus.

utarus: Oudlatijn voor utaris of utare (imperat. praes. pass.)[502]

Zie ook CIL I², 1214 voor domus aeterna.

Statuut en milieu: zeker ingenuus, de filiatie was nog leesbaar. Een heraut van beroep, hij behoorde dus tot de apparitores, de lagere ambtenaren die de magistraten bijstonden in hun taak. (cf.supra CIL I², 1210, A. Granius Stabilio)

Opdrachtgever: hijzelf (fecit hoc sibi moet de betekenis geweest zijn, ook al berust fecit op een aanvulling)

Literatuur: PMLE tab. LXXX  a (afb.)  ׀׀   Warmington (1940) 26 n° 59   ׀׀   Diehl (1964) 645   

 

 

CIL I²: 1732                                                                                                                    IX: 1837; ILLRP: 985; CLE: 960

Helvia Prima, echtgenote van Cadmus Scrateius

 

Tu qui secura spatiarus mente, viator,                      1
et nostri voltus derigis inferieis,
si quaeris quae sim, cinis en et tosta favilla,
ante obitus tristeis Helvia Prima fui.
Coniuge sum Cadmo fructa Scrateío                        
5
concordesque pari víximus ingenio.                                                                        
Nunc data sum Diti longum mansura per aevum,
deducta et fatali igne et aqua Stygia.

 

Jij die met een gerust hart rondkuiert, reiziger
en je blik naar mijn dodenoffers wendt.
Mocht je je afvragen wie ik ben, dit hoopje asse en hete sintels,
voor mijn droevig einde was ik Helvia Prima.
Als echtgenoot kreeg ik Cadmus Scrateius.
en we leefden in eendracht en waren eensgezind.
Nu ben ik aan Dis overgeleverd, ik die lange tijd bij hem ga verblijven,
weggeleid door het fatale vuur en het Stygische water.

 

Monument: Gevonden in Beneventum,[503] tussen de stenen die gebruikt werden om de kerk van S. M. Gratia te bouwen. Oude letters. Nu in museum van Napels. Ligatuur van um in aevum, r.6

Datering: Bücheler heeft dit carmen in de periode Caesar gedateerd op basis van stijlkenmerken die aan Catullus herinneren (r.8: elisie van fatali igne in de cesuur van de pentameter). Volgens Plessis uit IP en pas na Augustus, [504] vooral op basis  van reminiscenties aan Propertius. I, 21 en 22, Ovidius en Lygdamus.[505] Popova heeft, eveneens op basis van vermeende ontleningen, dit carmen nog later geplaatst, volgens haar einde IP en zelfs begin IIP, omdat dan pas de echo's van de elegische dichters beginnen door te klinken in de funeraire epigrafie[506] Het volledigste onderzoek naar ontleningen is gedaan door Alfonsi: hij treedt Bücheler bij voor de datering (periode Caesar) en spreekt van het begin van het genre.[507] Voor de ontleningen valt hij ook terug op Griekse voorbeelden en fragmenten van onbekende neoterici. Ook Massaro heeft dit carmen blijkbaar in de Republiek geplaatst[508] en valt voor een paar ontleningen terug op vroegere Griekse voorbeelden. Een datering in de Republiek schijnt ook beter samen te gaan met de paleografie. (Litteris antiquis et certis, facsimile in PMLE)

Taalkundig-inhoudelijk: elegisch distichon. In r.5 ontbreekt een voet, vermoedelijk door het gebruik van de eigennamen. De toevoeging van Dilecto fructa of caro tum zou het vers metrisch correct maken.

 

r.1: Spatiarus is een oudlatijnse nevenvorm van spatiaris of spatiare (< spatior: op en neer wandelen) die enkel op inscripties voorkomt.[509]

Tu qui…viator is een breed uitgesmeerde aanspreking van de voorbijganger.

r.3: Si qaeris quae sim wordt aangewezen als ontlening aan Propertius, maar kan al teruggaan op de Griekse funeraire praxis van IVA: . Een gelijkaardig geval is Aqua Stygia, dat voor het eerst geattesteerd is in Vergilius (Aen 6, 374), maar hier waarschijnlijk teruggaat op van Homerus (IL 8, 369 en Od. 10, 514).[510]

R.7 longum mansura per aevum: ook gebruikt in Ov, Met V, 227 en Append. Verg. Culex 38.

Opmerkelijk is ook in r.8 de elisie van fatali igne in de caesuur van de pentameter. Dit komt veel voor in Griekse epigrammen. Ook Catullus gebruikt deze techniek  een aantal keer.[511]

Statuut en milieu: beiden zijn incerti met gentilicium. Scrateius = Scratius, niet bekend bij Schulze (althans niet in de indices). Haar cognomen Prima wijst op een achtergrond in een slaven- of libertimilieu.[512] Zijn cognomen is Grieks en heeft een mythologische conotatie ( was de broer van Europa), waarschijnlijk heeft hij ook een achtergrond in een slaven of liberti-milieu.

Opdrachtgever: het carmen is opgedragen aan Helvia Prima. De opdrachtgever was waarschijnlijk haar echtgenoot, of anders zijzelf.

Literatuur:  PMLE tab. LXXIX b (afb.)   ׀׀   Warmington (1940) 52 n° 110   ׀׀   Ernout (1967) n°  98   ׀׀   Diehl (1964) 608   ׀׀   Alfonsi  (1965)  60-65   ׀׀   Popova (1968) 57-66   ׀׀     Plessis (1905) n° 38   ׀׀   Massaro (1992) 47-48

 

 

CIL I², 3196                                                            IX: 1733; CLE: 60 

Aemilia, liberta?

 

[---]                                                         1
Leiber[t---]
patrono bene me[renti---]
deducta sum Ae[mili--- ]         
in qua domo nil [---]                           
5
patronus hoc m[---]
leibertae Aemilia [---]
quod uiserent m[---]
et [---]

 

7. Aemilia   :   Aemiliae  Ver.

 

…
Vrijgelatene…
…voor mijn beschermheer … welverdiend…
…ben ik weggebracht…Aemilia(?)
…het huis waarin ik niets…

…mijn beschermheer…dit…

…voor de vrijgelatene(?)…Aemilia

…dat ze bezoeken…

…en…

 

Monument:   Beneventum,[513] nu in het museum van Benevento. Kalkstenen tablet, bovenaan en rechts afgebroken. Driehoekige scheidingspunten tussen de woorden.

Datering:  Niet dateerbaar.

Taalkundig-inhoudelijk:  Elke aanhef zou het begin van een jambische senarii kunnen zijn, maar de verdwenen gedeelten zijn te groot om zekerheid te hebben over een metrische bedoeling.
Mogelijke aanvullingen: r4: in quo domo nil dolui (“het huis waarin ik geen leed heb gekend”) of nil nisi voluptatem tuli ( “Het huis waarin niets moest, behalve plezier”) r.5: Patronus hoc monumentum nunc fecit mihi (Nu heeft mijn beschermheer dit monument voor mij gemaakt)

Statuut en milieu: Een vrijgelatene en haar vroeger meester. Hij is ambiguus, want hij moest vrij zijn om een slavin te bezitten. Wie de dedicant is en wie de begunstigde, is niet duidelijk.

 

 

CIL I², 1761                                                                                   IX: 2975; ILLRP: 978; CLE: 70

Gaius Utius, zoon  van Gaius

 

C(aius) Útius C(ai) f(ilius) leto | occidit. |
Honestam vitam vixsit | pius et splendidus, |
ut sibi quisque exoptet | se honeste vivere. |
Arn(iensi) a(nnos) n(atus) LXX.

 

4. Arn   Dressel (CIL IX)   :   Árn (apex)  Caraba

 

Gaius Utius, zoon van Gaius is door de dood verloren gegaan.
Hij heeft een eerbaar leven geleid als een plichtsbewust en waardig man,
zoals ieder voor zichzelf mag verlangen eerbaar te leven
Tribus Arnensis. 70 jaar oud.

 

Monument en vindplaats: Gevonden in de buurt van  Atessa[514] (huidige naam), de streek rond Iuvanum, in de Oudheid territorium van de Frentani. Zeer goede letters. Ligatuur van am in vitam (r.2). Het elogium staat in kleinere letters tussen het praescriptum en het postscriptum en de tekst is regelmatig over het epigrafisch veld verdeeld, met gelijke open vlakken aan linker- en rechterkant.

Datering: Republiek omdat een cognomen ontbreekt.[515] Indien de apex over de U van Utius echt is en geen fout op de steen, kunnen we deze inscriptie al zeker in IA aanhouden. Er is tevens een lezing van Arn(iensi) met apex. maar de lezing van de apex is hier onzeker. (Ze heeft ook weinig zin gezien de lettergreep al lang is door positie en dit teksgedeelte bovendien niet metrisch is.) De reguliere tribusaanduiding wijst verder een datering na 90a  aan. De Frentani, die in de bondgentenoorlog mee tegen Rome gerevolteerd hadden, werden pas na de oorlog bij de tribus Arnensis ingeschreven.[516]

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii in r.2-3. Het praescriptum met uitgewerkte afkortingen kan ook een senarius zijn indien men Caius en Utius als dactylen neemt, en er van uitgaat dat de S van Utius geen invloed heeft voor de lengte van deze lettergreep (komt meer voor in de republikeinse inscripties), en Cai als monosyllabisch scandeert.[517]  Het kan toeval zijn: de naamgeving is op de normale manier en in grotere letters uitgewerkt. Bovendien verwacht men in een metrisch praescriptum volledig uitgeschreven namen. Het eigenlijke vers zou dan neerkomen op de formule leto occidit. Anderzijds staat de tribusaanduiding niet op de plaats waar men die normaal verwacht, en in een vers krijgt ook de apex over de U van Utius zin.

Statuut en milieu: zekere ingenuus door filiatie. Hij is 70 jaar oud geworden. Voor de tribus Arnensis cf. supra onder datering.

Er is geen dedicant opgegeven. mogelijk was hij dat zelf, of was hij lid van een begrafeniscollege dat na zijn dood voor zijn begrafenis heeft gezorgd.

Literatuur:  Diehl (1964) 697  ׀׀   Kruschwitz (2001) 56-58  ׀׀  Massaro (1992) 19 nt 22

 

CIL I²: 1776                                                                      IX: 3128; ILLRP: 975; CLE: 184

Anoniem. Grafschrift?

 

[Ho]mines ego moneo niquei diffidat [sibi].

 

Mensen, ik geef (jullie) de raad dat niemand gebrek aan zelvertrouwen moet hebben.

 

Monument en vindplaats: Sulmo,[518] (Sulmona) op de openbare weg nabij St.-Maria Pietraluna of St. Gaietanus. Nu in het Museo Civico. Kalkstenen tablet (60 x 100 x 18) waarop een herder met een kudde staan afgebeeld, een kar met een wagenmenner en een vrouw.[519] Oude letters. De aanvulling [sibi], die op de steen zelf staat, is later toegevoegd, wellicht niet meer in de Oudheid.[520]

Datering:  Volgens Degrassi einde van de Republiek,[521] maar zonder verantwoording. Als dit een grafschrift is, wijst de mentaliteit ook het einde van de Republiek aan (cf. infra). Het lettertype is nog geen mooie monumentale letter zoals we die kennen uit de Keizertijd.

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii, maar met een voet teveel. Een mogelijke oplossing is de twee eerste lettergrepen van diffidat als kort te scanderen. Deze ingreep is in de eerste lettergreep weinig problematisch, [522] maar wel ongewoon in de tweede lettergreep, omdat daar het natuurlijk accent valt.[523] We mogen echter niet vergeten dat Sibi pas later is toegevoegd en waarschijnlijk niet meer in de oudheid. Een monosyllabisch woord zou hier perfect zijn. Mommsen stelde (een monosyllabisch) suis voor: …dat niemand z'n eigen volk moet wantrouwen.

Letterlijk: Mensen, ik waarschuw ervoor dat niemand zichzelf moet wantrouwen.

Homines: kan ook acc. meerv. van moneo zijn: ik raad de mensen aan geen gebrek …

Diffido:  OLD: a) to lack confidence (in a satisfactory outcome), despair;  b) + dat: to have no trust in, to lack confidence in;  c) + acc. to expect not to; to have no confidence that Cf. Plaut. Rudens 82: valete ut hostes vestri diffidant sibi. (hou jullie goed, zodat jullie vijanden geen zelfvertrouwen zouden hebben.)

Nique (ni - quei): is een negatie (< ne-i cf. ).[524] quei voor qui, enclitische vorm van aliquis. Qui wordt soms als substantief gebruikt in plaats van het klassieke quis.[525]

Statuut en milieu: incertus. Het is zelfs niet zeker dat hier een grafschrift voor ons ligt, maar de goede raad van het carmen, gekoppeld aan de afbeelding hebben waarschijnlijk de bedoeling een belangrijk biografisch aspect van de opdrachtgever in de verf te zetten. In dat geval gaat achter de boodschap een zekere mate van opschepperij schuil: "kijk eens naar mij, ik heb het goed gedaan, maar ik heb er hard voor gewerkt". Iets dergelijks treffen we wel vaker aan in de sepulcralia aan het einde van de Republiek, denk bv. maar aan het graf van Eurysaces. Het illustreert dat deze man naar de normen van zijn milieu is opgeklommen en zich niet schaamt om de bron van zijn vooruitgang te tonen.

Geen opdrachtgever vermeld, maar ongetwijfeld sibi, helemaal in overeenstemming met de boodschap.

Literatuur:  Imagines 336   ׀׀   Diehl (1964) 629   ׀׀   Rostovtzeff (1957) plate III   ׀׀    Bianchi Bandinelli, Giuliano (1973) 338 en afb. 395  

 

 

CIL I2, 3230                                                                                            CLE: 17app

C. Annaeus

 

Pes pros ecuf incubat | casnar oisa aetate | C(avis) Anaes solois des forte | faber

 

Interpretatie van Vetter, Bücheler en Bottiglioni:

 

Pius probus hic incubat , senex usa aetate C Annaeus omnibus dives fortunae faber.


Pius probus hic incubat:   pedes paucos incubat  Bücheler

 

Hier ligt een toegewijd en achtbaar man, de grijsaard Gaius Annaeus, na zijn levenstijd te hebben verbruikt. In alles de fortuinlijke architect van zijn geluk.

 

Monument: gevonden in en graf in huidige Pentima, in de oudheid Corfinium[526] in het gebied van de Paeligni. Zuilbasis uit kalksteen ( 28 x 56 x 54), wordt bewaard in museum van Corfinium.

Datering: Eerste helft IA op basis van het lettertype.[527]

Taalkundig-inhoudelijk:   handig om te weten: dit is geen Latijn, maar Osko-Umbrisch. Saturnius volgens Bücheler: Pes prós ecúf incubát – cásnar oisa aetáte / Gavís Anáes sólois – dés fórte fáber.  Zander hanteert een volledig andere scansie: Pés pros écuf íncubát – cásnar óisa aetáte …sólois dés forté fabér zonder de naam te scanderen. De metrische argumenten om hier een carmen in te zien zijn dus moeilijk te verifiëren, temeer daar men een Latijns metrum, dat op zich al problematisch is, probeert terug te vinden in een andere taal.[528] De enige andere aanwijzingen voor een poëtische opbouw zijn de alliteraties pes pros en forte faber. Ik heb het niet opgenomen in de milieustudie omdat het geen Latijn is en eigenlijk niet thuishoort in een repertorium over Latijnse poëzie. Bovendien is het metrum onzeker.

Oisa aetate: oisa is de Osko-Umbrische vorm van usa (< utor). Opmerkelijk is in dit geval dat het participium perfectum van een deponent werkwoord hier een passieve betekenis heeft.

Omnibus: Abl. limitat. bij dives. Dativus iudicantis kan ook: volgens allen de fortuinlijke architect van zijn geluk.

Fortunae faber: cf. Pseudo Sall. De ord. rep. 1, 1, 2: …in carminibus Appius ait fabrum esse suae quemque fortunae.[529] (in zijn liederen zij Appius dat eenieder de architect van zijn eigen geluk is). Suae quisque fortunae faber is een spreekwoord dat uit de Sententiae van Appius Claudius Caecus komt. Dit was een verzameling spreekwoorden in saturnii uit het begin van IIIA (!) die in Cicero's tijd nog populair waren.[530]

Statuut en milieu: incertus met gentilicium

Literatuur:       CIL I 2(4) tab. 80 fig 3 (afb.)   ׀׀ Fiorelli (1879) 224   ׀׀   Vetter (1953)  n° 214   ׀׀   Bottiglioni 1954)  n° 123   ׀׀   Pisani  (1964) n° 48      ׀׀    Campanile (1967)  127    ׀׀   Bücheler (1965) II, 395-396   ׀׀   Zander (1890) 76

 

 

CIL I²: 1798                                                                     IX; 3321; ILLRP: 967;  CLE: 167

Lucius Aufidius Plautus, zoon van Lucius

 

L .Aufidio L. f. | Plauto. |
Quot par parenti fue[r]|at faceret filius, |
mors i{n}matura fec[it] | mater faceret filio.

 

Voor Lucius Aufidius Plautus, zoon van Lucius.
Wat een zoon normaal voor zijn moeder had moeten doen,
moest een moeder nu voor haar zoon doen, gedwongen door een voortijdige dood.

 

Monument en vindplaats:  Superaequum[531] in een privéwoning. Oude letters.

Datering: ILLRP: IA zonder verantwoording. Gebruik van cognomen bij een ingenuus kan wijzen op een periode na 55a

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii met veel alliteraties: fuerat faceret filius; mors inmatura…mater en fecit faceret filio. Verschillende varianten van deze formule zijn op veel grafmonumenten teruggevonden.[532]

Quot = quod. van de aangehaalde voorbeelden (zie voetnoot), heeft alleen dit carmen en CLE 170 de spelling quot                       

Statuut en milieu: zekere ingenuus want hij draagt de filiatie. De opdrachtgever is zijn moeder. Zij is ambigua: gezien haar kind vrijgeboren is, moet ze zelf ook vrij geweest zijn op het moment van zijn geboorte.

 

 

CIL I² 1822                                                                                               CLE: 72

Philoxsenus, Philocratea, Philocalus en Philadelpus: vrijgelatenen

 

[---]lleius L.l. Philoxsenus                                           1
[---]O et M.l. Philocratea
[---]leius L. et (Gaiae) l. Philocalus
[---]leius L.l. Philadelpus

---]u ullius vixsi quom fide                                         5
---]runt, vítam laudarunt meam.
---]nestam aeternam deveni domu[m].

 

3. (Gaiae)  =  in lapide  5. Sine lite et quest]u  Bücheler :   [procul met]u  Barnabi , Bormann

 

…leius Philoxenus, vrijgelatene van Lucius;
Philocratea, vrijgelatene van Marcus en …
Philocalus, vrijgelatene van …leius en van Gaiae
…leius Philadelpus, vrijgelatene van Lucius


… van gelijk wie heb ik als een betrouwbaar mens geleefd.

… hebben, hebben mijn leven geloofd.
…eerbaar… ben ik aangekomen bij mijn eeuwige verblijfplaats

 

Monument: Alba Fucens[533] (Massa d’ Albe), Latijnse stad van de Marsi. Tablet uit lokale kalksteen van 80 x 100 cm, gevonden in het vroegere klooster van de Barnabiti. De linkerkant is afgebroken. Hederae distinguentes na Philoxsenus (r.1) en tussen ullius en vixsi (r.5).

Datering:  mogelijk tussen 100a en 75a. De spelling met spirant is al vrij algemeen doorgevoerd, maar werd vergeten bij de tweede P van Philadelpus. De spelling met XS in vixsi en quom voor cum wijzen ook in die richting, maar het kunnen pseudo-archaïsmen zijn.

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii. Er zijn voldoende eindvoeten overgebleven om een senarius te herkennen. Bücheler vult aan:

Sine lite et quest]u ullius vixsi quom fide / Qui bene cogno]runt, vítam laudarunt meam. / Post vitam ho]nestam aeternam deveni domu[m].

Zonder onenigheid (?)en zonder grief van gelijk wie heb ik als een betrouwbaar mens geleefd. / Zij die me goed gekend hebben, hebben mijn leven geloofd. / Na een fatsoenlijk leven ben ik aangekomen bij mijn eeuwige verblijfplaats.

r.5: vixsi quom fide, hetzelfde verseinde hebben we al ontmoet in CIL I²,  1218.

r.6: cognorunt is een aanvulling van Bücheler naar voorbeeld van CLE 64.[534]

Dit is een niet-geïndividualiseerde inscriptie. De laudatio is onpersoonlijk en kan voor elk van de 4 overledenen dienst doen. Dit toont aan dat men niet afkerig was van formules en niet-gepersonaliseerde inscripties. Vixsi quom fide werd trouwens al in een ander carmen aangetroffen, waar niet erg veel originaliteit van uitging (CIL I², 1218). Een waarschuwing is hier wel op zijn plaats: het vers is onvolledig en er is geen garantie dat de aanvullingen ook werkelijk zo op de steen stonden. In r.8 lijkt de aanvulling wel goed samen te gaan met de inhoud en de toon van dit carmen.

Aeternam …domu[m] komt ook voor in CIL I², 1214, 1215 en 1930

Statuut en milieu: [---]O : op de transcriptie van Barnabi staan de resten van een letter: de rechterhelft van de letter O, een D of een omgekeerde G. Daar O geen genitiefuitgang is en het daaropvolgende et M. l. duidelijk maakt dat hier een eerste manumissor moet staan, is een eventuele O de - eerder zeldzame -  afkorting voor Olus (= Aulus).[535]  Zoals de tekst op de transcriptie staat, zou er ook een D van Decimus kunnen staan. De omgekeerde G van Gaiae behoort paleografisch eveneens tot de mogelijkheden,[536] maar dit zou dan afwijken van de gebruikelijke volgorde,[537] die in de daaropvolgende naam wel is aangehouden. Gewoonlijk wordt een man vóór een vrouw vermeld op de steen. Q (van Quintus) is uitgesloten, het beentje van de Q zou nog zichtbaar zijn.

Colllectief graf voor 4 zekere liberti, de libertinatio is nog duidelijk leesbaar. Philoxsenus, Philocalus en Philadelpus zijn door dezelfe meester vrijgelaten: hun gentilicia hebben hetzelfde einde, en ze zijn alle drie door een Lucius vrijgelaten. Philocratea dankt haar vrijheid aan twee manumissores Marcus en Aulus/Decimus/Gaia. Misschien was ze – al dan niet wettig – gehuwd met een van de drie conliberti, of zaten ze samen in een begrafeniscollege.

Er zijn geen opdrachtgevers opgegeven.

Literatuur:   Diehl (1964) 698   ׀׀   Barnabei (1888) 531

 

 

CIL I2, 1836                                                                            IX: 4922; CLE: 62

Manlia Sabina, dochter van Lucius

 

Manlia L. f. Sabi[na] |                                                                  1
Parentem amavi, qua mihi fuit | parens,
virum parenti proxum[o colui loco.] |
Ita casta veitae constitit rat|[io meae]. 
Valebis hospes, veive, tibi iam m[ors uenit.]                        
5

 

Manlia Sabina, dochter van Lucius.
Ik hield van hem als van een vader, in de mate dat hij voor mij een vader was.
En als echtgenoot vereerde ik hem op de plaats naast mijn vader.
En zo is dan de balans van mijn leven onbezoedeld.
Vaarwel, vreemdeling, geniet van het leven. Voor jou komt de dood er ook al aan        

Monument: Trebula Mutuesca, territorium van de Sabijnen, ten noordoosten van Rome, nu Monteleone.[538]  Verloren gegaan, de tekst is enkel bekend uit de transcriptie van Hieronymus Amatus, codices Vaticani  9734 en 9775.

Datering: mogelijk einde IIa, begin IA.  De U voor I in de superlatief (proxumo) begint  te verdwijnen, maar dit is erg onzeker. De EI in  Veitam en veive is een oudere taalvorm die vanaf Sulla gewoonlijk vervangen wordt door I-longa. De spelling is hier ingegeven uit metrische overwegingen: men wou duidelijk maken dat hier een lange klank stond.

Taalkundig-inhoudelijk:  jambische senarii. De aanvullingen volgen de tekst van CLE en zijn gegeven exempli gratia. De laatste aanvulling tibi iam mors venit lijkt wel zeer aanvaardbaar.

r.2: qua: men verwacht qui, maar wellicht heeft men hier voor het adverbium gekozen om een opeenvolging van I-klanken te vermijden (…amavi, qui mihi fuit…)

r.4: casta: OLD s.v. castus n° 2: free from vice, upright, moral

r.5: Valebis: het futurum pro imperativo staat hier in iuxtapositie met het praesens veive.

Statuut en milieu:  zekere ingenua uit de gens Manlia.  Dit was een patriciërsgeslacht, van Etruskische oorsprong. Ze hebben sterk aan hun naam vastgehouden, en er zijn weinig gevallen bekend van plebejische Manlii. (clientes, uitgestoten patriciërs, liberti).[539] De kans dat dit een dame is uit de patricische familie is echter klein: ze draagt een cognomen en de uitdrukking van affectio maritalis in een grafschrift hoort in dat geval niet bij haar stand.[540]

Sabi(?) is geen tribusopgave voor Sabatina: de afkorting klopt niet[541] en Trebula Mutuesca was ingedeeld bij de tribus Sergia. Sabinus had oorspronkelijk een etnisch-geografische betekenis, en heeft die hier misschien behouden, want Trebula Mutuesca lag op het grondgebied van de Sabini. Het was een van de meest verspreide cognomina.[542]  Het is niet bekend als erfelijk cognomen bij de patricische gens Manlia,[543] en moet dus hier als een gewoon cognomen beschouwd worden. Dat maakt de kans kleiner dat deze dame uit de hogere stand komt. 

 

De dedicant is waarschijnlijk haar man: het carmen zet vooral haar liefde voor hem in de verf. Ze kan zich natuurlijk ook zelf als goede echtgenote hebben laten portretteren. Het statuut van haar man is niet opgegeven. In een wettig huwelijk zou hij waarschijnlijk een ingenuus geweest zijn, huwelijken tussen ingenuae en liberti werden op algemene afkeur onthaald.[544]

Literatuur:  Warmington (1940) 30 n°63   ׀׀   Diehl (1964) 663   ׀׀   Massaro (1992) 19  nt 23

 

 

CIL I², 1837                                                                  IX: 4933; ILLRP: 971; CLE: 54

Posilla Senenia, dochter van Quarta; Quarta Seneia, vrijgelatene van Gaius

 

Posilla Senenia Quart(ae) f., Quarta Senenia C.l. |                                                    1
Hospes, resiste et pa[rite]r scriptum perlig[e], |
matrem non licitum ess[e uni]ca gnata fruei, |
quam nei esset credo nesci[o qui] inveidit deus. |
Eam, quoniam haud licitum [est v]eivam a matre ornarie[r], |                              
5
post mortem hoc feci‹t› aiq[uo]m, extremo tempore |
decoravít eam monumento, quam deilexserat.

 

1 Quart(ae)  f.  Bücheler:    Quart(i)  f. Degrassi Kajava:   QUART  I   Ritschl   5.  feci‹t›:   feci lapis

 

Posilla Senenia, dochter van Quarta; Quarta Senenia, vrijgelatene van Gaius.
Vreemdeling, sta even stil en lees dan ook eens door wat hier geschreven staat,
dat het een moeder niet gegund was aan haar enige dochter vreugde te beleven.
Een of andere god, geloof ik, gunde haar niet dat ze leefde.
En omdat het haar in haar leven helemaal niet gegund was door haar moeder te worden opgemaakt,
heeft zij dat na haar dood gedaan, in haar laatste ogenblikken, zoals billijk was.
Ze heeft haar, die ze liefhad met een monument vereerd.

 

Monument en vindplaats: grondgebied van Trebula Mutuesca,[545] het vroegere territorium van de Sabijnen (nu Monteleone di Spoleto). Vier stenen tabletten, die in elkaar passen. Bovenaan versierd met twee stierenhoofden aan elke rand, in het midden twee vogels die zich met druiven voeden, tussen de stierenkoppen en de vogels twee bustes. Het gedeelte onderaan rechts is aan de linkerkant beschadigd, vandaar de aanvullingen.

Datering: Periode van Sulla:[546] vanaf Cicero wordt het perfectum licitum esse niet meer gebruikt (wel het praesens licet).

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii.

Veel archaïsmen: fruei, nei, inveidit, veivam, ornarier,  deilexserat, aiquom.

r.5: ornarier:  archaïserende vorm voor de infin. pass. [547]

r.6: aiquom = aequum est, het is passend (Gaffiot s.v. aequus 5).

Statuut en milieu: Posilla was zeker ingenua (filiatie). Posilla kan praenomen zijn, maar is hier ongetwijfeld als cognomen gebruikt (Posilla is een diminutief van pusa: klein meisje).[548] Als unica gnata had ze geen behoefte aan een distinctief praenomen. De dedicant, haar moeder, was een vrijgelatene. Quarta kan een cognomen of een praenomen zijn.[549]

De moeilijkheid ligt in de filiatie: indien Quart(ae) f. de juiste aanvulling is, was Posilla een buitenechtelijk kind van deze liberta en is ze zeker na de vrijlating van haar moeder geboren.

Het bijzondere aan deze mogelijkheid ligt in het feit dat de filiatie zelden met de naam van de moeder werd aangegeven. In dat geval ging het om onwettige kinderen,[550] en daarvoor was de filiatie  Spuri filius/a gebruikelijk.[551]

Als Quart(i) de juiste interpretatie is, wat ik betwijfel,[552] hebben we te maken met een ongewoon praenomen voor een man, of met een filiatie door cognomen: beide gevallen zijn uitzonderlijk.[553]

Literatuur: PMLE tab. LXXIX  Aa-d (afb.)   ׀׀   Warmington (1940) 20, n° 23   ׀׀   Diehl (1964)   602   ׀׀   Ritschl F. (1878) 746-49   ׀׀   Wolff (2000)  136   ׀׀    Kajava (1994) 60, 64

 

 

CIL I², 1861                                                 IX: 4463; ILLRP: 804; CLE:361; ILS: 5221

Protogenes, slaaf van Cloelius. Een mimespeler.

 

Protogenes Cloul(i) | suavei(s) heicei situst | mimus,
plouruma que | fecit populo soueis | gaudia nuges.

 

Hier ligt Protogenes van Cloelius, een charmante mimespeler.
Die de mensen met zijn grappenmakerij veel plezier schonk.

 

Monument:  in de buurt van Amiternum,[554] gebied van de Sabijnen. Nu in het museum van l'Aquila. Kalkstenen tablet  van 29 x 57 x 12 cm, dat was ingemetst in een kerkmuur. Eerder slordig uitgehakt, onregelmatige lettergrootte en schikking. Scheidingspunten of lijntjes tussen de woorden.

Datering: 1ste helft van IIA. Op paleografische gronden:[555] de vorm van de gebruikte letters wijst op de oudheid van deze inscriptie: P met open onderkant en de L, tweemaal met een recht beentje, tweemaal met een naar boven gerichte hasta, laten een datering voor de helft van IIA doorschijnen. Courtney vermoedt kort na de introductie van de hexameter door Ennius.[556]

Taalkundig-inhoudelijk:   het tweede vers is een hexameter,  het eerste waarschijnlijk ook, of toch minstens een poging om een hexameter te produceren. De laatste lettergreep van situst moet dan wel kort gescandeerd worden, en soueis als monosyllabe. Door het vroege voorkomen van een hexameter in de funeraire epigrafische poëzie en enkele anomaliën in de prosodie heeft men andere voorstellen voor de scansie gedaan: hinkjamben[557] of Saturnii.[558] Over de aard van het metrum bestaat misschien wel discussie, maar algemeen aanvaardt men hier een metrische tekst.

Interpretatie in klassiek Latijn:[559] Protogenes Cloeli servus hic situs est suavis mimus qui populo suis nugis plurima fecit gaudia [560]

Statuut en milieu: de genitief van Clouli wijst op een slaaf: van Cloulius.  Dit is een van de vroegste attestaties van mimespelers in Rome. De aanwezigheid van een Griekse naam is een argument voor de stelling dat metrische grafschriften door Grieken en hellenofiele Romeinen in Rome geïntroduceerd werden. Voorzichtigheid is wel geboden; volgens Solin, wijst een Griekse naam niet zozeer op een Griekse afkomst, maar wel op een slavenachtergrond van de betrokkene.[561] Het was de meester die besliste welke naam zijn slaaf droeg. Protogenes moet alleszins Latijn gesproken hebben, want mimespelen waren deels gesproken sketches, zonder veel literaire verfijning.[562] 

Opdrachtgever: niet vermeld. Mogelijk Protogenes zelf.

Literatuur:   PMLE tab. XLIX  g (afb.)   ׀׀   CIL I2(4)  t.96 fig.2 (afb.)   Warmington (1940) 10   ׀׀   De Rosalia (1972) n° 34   ׀׀   Ernout (1967) n° 134   ׀׀   Courtney (1995) 16   ׀׀      Granarolo J. (1971) 209-210  ׀׀   Wachter (1987) 416-419  ׀׀   Stowasser (1903) 268-269  ׀׀   Wolff (2000) 60-61, 84   ׀׀   Gentili B. (1990) 131-141  ׀׀   Plessis (1905) n° 11   ׀׀   Massaro (1992) 53-54 nt 70   ׀׀   Bücheler (1965) I, 405   ׀׀  CSE 108-114

 

 

CIL I²: 1924                                                                  IX: 5557; ILLRP: 974; CLE: 69

Gaius Turpidius, zoon van Publius van de Tribus Horatia;
Gaius Turpidius severus, zoon van Gaius.

 

C.Turpidi(us) P. f. Hor(atia). |                                                 1
[C.Tu]rpidius C. f. Severus.  F(ilius) v(ixit) a(nnos) XVI. |
[Par]entibus praesidium, amíceis gaudium |
[po]llicita pueri virtus indigne occidit, |
quoius fatum acerbum populus indigne tulit |                     
5
magnoque fletu funus prosecutus est.

 

2. Severus  F(ilius):   Severus f(ecit) Meyer

 

 

Gaius Turpidius, zoon van Publius van de Tribus Horatia;
Gaius Turpidius Severus, zoon van Gaius.
De zoon leefde 16 jaar.
Een steun voor zijn ouders, een vreugde voor zijn vrienden.
Op smadelijke wijze stierf het veelbelovende talent van de jongen.
Zijn bitter lot verdroegen de mensen met verontwaardiging.
en met een diepe droefenis volgden ze de begrafenis.

 

Monument en vindplaats: Urbs Salvia, (nu Fiastra).[563]

Datering: vermoedelijk uit IA.[564]  De juist afgekorte tribusaanduiding laat na 90a vermoeden, maar verder is de inscriptie moeilijk dateerbaar. De í in amiceis is niet noodzakelijk een echte I-longa: verschillende andere letters zijn ook groter dan de anderen. Misschien tegen het einde van de republiek: de vader heeft nog geen cognomen (hij is wel ingenuus), maar zijn zoon wel. Mogelijk zitten we hier in de periode waarin ingenui cognomina beginnen te dragen.

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii.

Statuut en milieu: ingenuus. Opdrachtgever: zijn vader die ook ingenuus is

Literatuur:  Diehl (1964) 685   ׀׀   Kruschwitz (2001) 55-56

 

 

CIL I², 1930                                                                                ILLRP: 972; CLE: 117

Anoniem

 


[H]ospes reseiste et aspice aet[ernam] | domu(m).
Pro mereitis statuit | coiux coiugei e[t sibei].

 

Vreemdeling, houd halt en kijk naar het eeuwige verblijf,
Een man heeft  het opgericht voor zijn echtgenote, voor haar verdiensten
en voor zichzelf.

 

Monument en vindplaats: Gevonden te Gallignano (Ancona),  cippus uit lokale kalksteen (55 x 44 x 25 cm)[565] die aan beide kanten afgebrokkeld is. Nu in het museum van Ancona. Boven de inscriptie is een reliëf van een vrouwenbuste en van een wolmand te zien, met de volgende letters:

boven de buste: [- - - ]ma ca|[---]us coli

op de wolmand: l[---]

Degrassi vult aan: [- - - ]ma ca|[lath]us coli  en:  l[ana]

Datering:  IA volgens Degrassi (Imagines) zonder verantwoording. Op kunsthistorische gronden behoort de Augusteïsche periode al tot de mogelijkheden, maar het lettertype schijnt nog in de Republiek thuis te horen.[566]

Taalkundig-inhoudelijk: regelmatige jambische senarii.

Mogelijk bestond de tekst boven de buste ook uit jamben: colus komt meer voor in de epigrafische carmina. Mereor daarentegen is zeldzaam en wordt nergens anders gebruikt om de goede kwaliteiten van een echtgenote te beschrijven. Misschien was de verdwenen tekst een nadere beschrijving van haar mereitis.[567]

R.2: aet[ernam] | domu(m): cf. CIL I²,  1214  r.21 aeterna domu en CIL I², 1822 r.7: aeternam domum; waarschijnlijk ook in CIL I², 1215 r.19/20: [domus] aeterna, maar dit berust op een aanvulling.

Statuut en milieu incerti zonder gentilicia. Van een man voor zijn vrouw en voor zichzelf.

Literatuur: Ciavarini (1893) 28   ׀׀   Imagines 331   ׀׀   Warmington (1940) 38 n° 83   ׀׀   Diehl (1964) 667   ׀׀  Wolff (2000) 58    ׀׀  Kruschwitz (2001) 59-61 

 

 

CIL I², 2135                                                           XI: 690; ILLRP: 946; CLE: 386E ; ILS: 7958

Truttedia (Appia), vrijgelatene van Publius Truttedius Amphio

 

Truttedia híc | cubat
P.Truttedi | Amphionis lib., | nomine servíle Appia. |
Patronus emit sibi et | illae et sueis.
In f(ronte) p(edes XIV, | in ag(ro) p(edes) XIIII.

 

Hier rust Truttedia, vrijgelatene van Publius Truttedus Amphio;
haar slavennaam was Appia.
Haar meester heeft het voor zichzelf, voor haar en voor zijn verwanten gekocht.
14 voet breed, 14 voet diep.

 

Monument en vindplaats: Claterna in Gallia Cisalpina,[568] nu Modenese. Cippus Gevonden in een kerk nabij een begraafplaats. Ligatuur van TE in Truttedia en Truttedi

Datering: IA: Amphionis met geschreven aspiratie, de vermelding van de maten van het graf kan de late republiek aanwijzen.

Taalkundig-inhoudelijk: de metrische intentie is twijfelachtig: r.1 en  r.2 bestaan uit jambische voeten, r.3 is een onvolledige senarius, de toevoeging van et zou een complete senarius geven[569] (emit et sibi et illae). Volgens mij eerder toevallig, nergens uit het Carmen blijkt een overdreven bekommernis voor vormelementen. Het lijkt me sterk dat een Romein, die een metrische tekst wou maken, niet zelf de voorgestelde aanvulling met et als metrisch zou aangevoeld hebben. Illae is bovendien een foutieve vorm voor illi (datief).[570]

Statuut en milieu:  gemengd graf. De opdrachtgever is Publius Truttedius Amphio, die geen statuut aangeeft (incertus met gentilicium), maar zijn Grieks cognomen kan wel een voormalig slavenbestaan verraden. Het graf heeft hij opgedragen aan zijn vrijgelatene Truttedia, en aan zichzelf. Op het graf is ook nog haar vroegere status expliciet vermeld (nomine servile).

Sueis kan staan voor zijn verwanten of voor hun beider verwanten.

Literatuur:    Diehl (1964) 636add ׀׀    Solin (1971) 82

 

 

CIL I², 2138                                                            V: 4111; ILLRP: 976; CLE:119; ILS: 8122

Marcus Statius Chilo, vrijgelatene van Marcus

 

M.Statius | M. l. Chilo | híc. |
Heus tu, viator las|se, qu(i) me praete|reis, |
cum diu ambula|reis, tamen hoc | veniundum est tibi.
|

In f(ronte) p(edes) X , in ag(ro) | p(edes) X.

 

Marcus Statius Chilo, vrijgelatene van Marcus ligt hier.
Hé jij daar, vermoeide reiziger, jij die me voorbijloopt,
Al wandel je nog lang rond, toch zul je eens naar hier moeten komen.
10 voet breed, 10 voet diep

 

Monument en vindplaats: Cremona, Mantua[571] bij de Porta Margherita. Kalkstenen stèle van 100 x 72 x 18 cm. Nu in Milaan, in de reserves het Castello Sforzesco.

Datering: Sulla of later, want hij draagt het praenomen van zijn vroegere meester. Volgens Warmington vroeg in IA, maar zonder verantwoording. De paleografie hoort wel thuis in die periode.[572] De opgave van de maten van het graf kunnen de late Republiek aanwijzen.

Taalkundig-inhoudelijk:  jambische senarii. Synaloefe van ambulareis met diu, dat monosyllabisch wordt gescandeerd na verharding van I tot J.

Cf. Seneca:[573] peregrinatio est vita, cum multum ambulaveris (diuque), redeundum est tamen; en op een graf in Narbonensis (CLE 83,4): invitus venio, veniundum est tamen. De tekst is een voorbeeld van een uitnodiging om te berusten in het onvermijdelijke van de dood.

Statuut en milieu:  Vrijgelatene. Er is  geen opdrachtgever vermeld, waarschijnlijk was hij dat zelf: de waarschuwing aan de toevallige voorbijganger wordt door hem uitgesproken.

Literatuur:  Warmington (1940) 16 n° 41   ׀׀   Diehl (1964) 620   ׀׀   Purdie (1935) 40   ׀׀   Massaro M. (1992) 26 nt 34   ׀׀   Kruschwitz  (2002)² 47-48

 

 

CIL I², 2139                                                                                ILLRP: 966; CLE: 152

Anoniem

 

Mater monumentum fecit | maerens fílio,
ex quo nihil | unquam doluit, nise cum is non fuit.

 

Een bedroefde moeder heeft dit monument opgericht voor haar zoon,
Om wie ze nooit verdriet heeft gekend, behalve nu hij niet meer is.

 

Monument en vindplaats:  inscriptie op een voetstuk waarop mogelijk een altaar heeft gestaan. Oude letters, diep ingesneden. Versieringen rechts van de tekst. Aanvankelijk in de kathedraal van Cremonae, later in het huis van de kannunik. Nu in de reserves van het  Castello Sforzesco. Beschreven door Mommsen, maar nu beschadigd.

Datering: niet dateerbaar.

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii. Oud eenvoudig vers, dat aanvankelijk gebruikt werd voor een overleden echtgenoot, maar later ook voor kinderen en andere familieleden.[574] Het was een populair thema, gelijkaardige verzen vindt men o. a. in CLE 153, 154, 155, 161, en 162.

Statuut en milieu:  incertus zonder gentilicium. Opdrachtgever: zijn moeder, eveneens incerta zonder gentilicium.

Literatuur: Diehl (1964) 699   ׀׀   Purdie (1935) 67   ׀׀  Massaro (1992) 21

 

 

CIL I² 2161                                                                                     V: 6808; CLE: 63

Salvia, graf eigendom van Gaius Pagurius Gelos, vrijgelatene van Gaius

 

C. Paguri C. l. Gelotes                                                               1
Hospes resiste et tumulum hunc excelsum aspic(e),
quo continentur ossa parvae aetatulae.
sepulta heic sita sum, verna quoius aetatula.
gravitatem officio et lanificio praestitei.                              
5
queror fortunae cas{s}um tam iniquom et graue[m.]
nomen si quaeras, exoriatur Saluiae.
ualebis hospes, opto ut seis felicior.

 

1. Gelotes cod:   Gelotis  Bücheler             2. aspice  Bücheler:   aspic cod           4: heic  Bücheler:   haec  cod
5.  praestitei  cod:   praestitit    Gruterius                7. si  Bücheler:   ei cod         exoriatur    Bücheler:   exoraturi  cod:   exaratum  Hauptius:   C. Paguri   Gruterius    8.  seis  Bücheler ,  Hauptius:  sanctis  cod:   seis  Hauptius:   sis Gruterius


 

Voorbijganger, blijf even staan en bekijk de grafheuvel die hier is opgetrokken,
waarin het gebeente ligt opgeborgen van een tenger wezen, jong in jaren.
Hier lig ik begraven, ik, van wie de leeftijd nog in zijn lente was.
Ik legde ernst in mijn taak en in het spinnen van de wol.
Ik jammer over het lot van Fortuna, dat zo oneerlijk en hardvochtig is.
Vraag je naar mijn naam, dan zal Salvia weerklinken.
Vaarwel, voorbijganger, ik hoop dat jij meer geluk hebt.

 

Monument:  uit Eporedia[575] in Gallia Cisalpina, het huidige Ivrea, waar in de oudheid een Romeinse kolonie was gevestigd in het district van de Salasi, aan de Duria. De inscriptie is verloren gegaan, de tekst is enkel bekend uit de codex Palatinus 833 (11de eeuw).

Datering:  Zeker niet vóór 100a, want dan pas werd de kolonie gesticht. Sulla of later: Gaius Pagurius draagt hetzelfde cognomen als zijn meester. De orthografie vertoont archaïsche trekken: heic, quoius, seis, mogelijk dateert deze inscriptie nog uit de eerste helft van IA. Iniquom: is hier geen argument, een O na een U in de uitgangen van de 2de verbuiging blijft zich handhaven tot in de vroege Keizertijd.[576]

Taalkundig-inhoudelijk: jambische senarii.

r.2: Parvae aetatulae: vergelijk met CIL I², 11,  L. Cornelius Scipio, waar aetate parva een concrete waarde van 20 jaar krijgt. Het gaat hier dus niet noodzakelijk om een kind.

r.3: Verna quoius aetatula: cuius aetatula verna fuit (quoius = cuius). Verna (<vernus) is hier het adjectief van ver (lente), en niet het substantief verna,- ae (in het huis geboren slaaf)

Statuut en milieu: C. Pagurius Gelos is een zekere libertus (libertinatio), zijn cognomen is Grieks (: gelach of voorwerp van gelach.).

Salvia’s statuut is incerta, de naam werd zowel als praenomen, als gentilicium en als cognomen gebruikt.[577] Een Praenomen is hier onwaarschijnlijk: er zijn weinig getuigenissen van Praenomina voor vrouwen.[578]

Salvia is tevens een veel voorkomend gentilicium.[579] Uitgaand van een gentilicium[580] kan deze Salvia de vrouw geweest zijn van C. Pagurius, maar ook zijn dochter. In dit laatste geval moet ze een onwettig kind geweest zijn, aangezien ze niet zijn gentilicium draagt.[581]

De  laatste mogelijkheid is Salvia als cognomen te beschouwen: Salvia werd veel gebruikt als cognomen, vooral in slavenmilieus.[582] Het kan dus zijn slavinnetje geweest zijn, maar ook zijn vrouw, die dan na haar vrijlating haar roepnaam als cognomen behouden heeft. 

Waarschijnlijk was het zijn vrouw: lanam facere (r.5 lanificio) is een kwaliteit die vooral voor gehuwde vrouwen werd gebruikt.[583] Een andere eigenschap die men bij gehuwde vrouwen waardeerde was domum sevare en dat wordt hier waarschijnlijk bedoeld met officio.

 

Literatuur:  Warmington (1940) 38 n° 85   ׀׀   Diehl (1964) 666

 

 

CILI² 2206                                                                                   V: 1191; CLE: 247app

Diphilus ?

 

[---]diphilus

[---]ne auaritie [---]it, ad [---] uenit. uale

 

door Bücheler aangevuld:

 

Diues si]ne auaritie [uix]it, ad [Ditem] uenit. uale

 

Hij heeft geleefd als een rijk man, zonder inhaligheid. Nu is hij naar Dis gegaan. Vaarwel.

 

Monument:  Aquileia,[584] kalkstenen tablet van 35 x 47 x 16 cm; lettergrootte 5 cm. Redelijk oude letters (litteris satis antiquis).

Datering: na 100a door aspiratie in diphilus. Verder niet dateerbaar wegens te fragmentarisch. De aanwijzingen van CIL zijn zoals steeds erg vaag.

Taalkundig-inhoudelijk:  er is te weinig overgebleven van de oorspronkelijke inscriptie om een metrische intentie te aanvaarden. De aanvullingen zijn verder te arbitrair om conclusies uit te trekken. Büchelers aanvulling zou een trocheïsche octonarius geven,[585] hijzelf zag er een septenarius in.

Dives is een woordspelling op Dis. Dis Pater was in de Romeinse religie de heerser over de onderwereld en zijn naam was afgeleid van ditis, een contrasterende vorm van dives, 'rijk'.[586] Dis Pater was rijk in die zin dat zijn onderhorigen in aantal bleven aangroeien. Zijn Griekse tegenhanger, Pluto (< ), had zijn naam om dezelfde reden gekregen.[587] Deze woordspeling geeft het gedicht een sarcastisch ondertoontje. Dit alles natuuurlijk als men het fantasietje van Bücheler aanvaardt

Statuut en milieu: Diphilus is een bestaand cognomen van Griekse oorsprong dat in de Republiek een 6-tal keer geattesteerd is bij slaven of liberti, en bij incerti. [588] 

Literatuur:   Massaro (1992) 26 nt 34

 

 

CIL I², 2273                                                                    ILLRP: 981; CLE: 410E ; ILS: 8417

Plotia, ook wel Prune (Phryne) genoemd, vrijgelatene van Lucius en Fufia

 

Plotia L. et Fufiae l.-
Prune Haec voc[i]|tatast ancilla - heic sitast.
Haec | qualis fuerit contra patronum, patro|nam, parentem, coniugem, 
monumen|tum indicat. Salve, salvos seis.

 

Plotia, vrijgelaten van Lucius en Fufia,
dit dienstmeisje dat vaak ook Phryne genoemd werd, ligt hier.
Hoe zij hier was  voor haar meester en haar meesteres, haar vader en haar man, dat toont dit gedenkteken aan. Vaarwel, het ga u goed.

 

Monument en vindplaats: Carthago Nova[589] (Cartagena, Spanje) kalkstenen tablet, gevonden in de trappen van het stadhuis van Cartagena, herkomst onbekend. Het tablet is nu in twee gebroken; het eerste deel (± 26cm x 37 cm) wordt bewaard in het Museo Arqueológico Nacional van Madrid, het andere deel in het Museo Arqueológico Municipal van Cartagena. Zeer goede, oude letters.

Datering:  Warmington (1940): mogelijk IA, zonder verantwoording; Koch[590] (1993) na de oorlog tegen Sertorius,[591] maar ook zonder verantwoording. De orthografie (Prune voor Phryne, Y nog niet ingevoerd en de spelling zonder spirant) en het schriftbeeld laten toe iets vroeger te dateren: eind IIA begin IA.

Taalkundig-inhoudelijk:  polymetra commatica: r.2 en r.4 missen beiden een voet om een complete jambische senarius te vormen, in r.3 zijn de twee eindvoeten zoals in een dactylische hexameter. De metrische elementen berusten niet op toeval, er is moeite gedaan om een welklinkende tekst te produceren. Buiten de ritmische elementen is er ook nog het trikolon haec heic haec; de assonanties in vocitatast en sitast en in patronum, patronam, parentem, coniugem, monumentum; en tot slot de alliteraties in patronum, patronam, parentem, en in salve, salvos seis.

Vocitatast en sitast: fonetische schrijfwijze voor vocitata est en  voor sita est. Heic voor klassieke hic; salvos seis voor salvus sis.

fuerit is een indirecte vraag.

Syntactisch wringt een asyndeton van vocitatast  en sitast (Plotia Phryne, vrijgelatene van Lucius en Fufia, werd zij hier genoemd; ze ligt hier), zodat we vocitatast beter als tussenwerpsel nemen met Prune als onderwerp, dat losgekoppeld wordt van de normale naamgeving.

Contra in de betekenis van erga is uitzonderlijk. (dit is de enige vermelding in OLD)
Salve is de groet van de viator aan de overledene, salvos seis is de wens van de overledene aan de viator
[592]

Salve is volgens Koch een equivalent voor de Griekse formule en zou er op kunnen wijzen dat Plotia Griekse wortels heeft, ondanks het feit dat het in deze periode al de mode was om slaven een Griekse naam te geven.[593]

Statuut en milieu: zeker vrijgelatene (libertinatio), maar ze wordt ook nog als ancilla vernoemd. Phryne was ook de bijnaam van een aantal bekende Atheense courtisanes.[594] 

De dedicant was normaal haar man, als ze een wettig huwelijk met hem had. Maar volgens de inhoudelijke logica komen ook haar patroni en haar vader in aanmerking. Haec qualis fuerat … indicat is dan te interpreteren als: hoe geliefd zij was moet deze gedenksteen aantonen, die haar meesters, haar vader en haar echtgenoot haar uit erkentelijkheid gegeven hebben. De volgorde van de namen op de steen kan beantwoorden aan een sociale rangorde in de realiteit.[595]

Literatuur:  Imagines 333a   ׀׀   Beltrán (1950) n° 78   ׀׀   Warmington (1940) 32 n° 67   ׀׀   Kruschwitz  (2002)² 48-50  (+afb.)

 

 

CIL I² 2274                                                                       II: 3504; ILLRP: 979; CLE: 363

Lucius Sulpicius, zoon van Quintus, Kleinzoon van Quintus

 

L.Sulpicius Q. f. Q. n. | Col(lina) Hic situs est |
Ille probatus iudicieis | multeis cognatis atque | propinqueis.

 

Lucius Sulpicius, zoon van Quintus; kleinzoon van Quintus, van de tribus Collina
ligt hier. Hij werd gewaardeerd in het inzicht van veel bekenden en verwanten.

 

Col(lina)   priores  :     Col(onus)  Degrassi

 

Monument en vindplaats:  Carthago Nova, Spanje. Ontdekt in een Fransiscanerklooster, vervolgens in het stadhuis, nu in het Museo Arquelógico. Tablet van 38 x 92 cm.

Datering:  na 90a door de reguliere tribusaanduiding. Waarschijnlijk nog uit de Republiek wegens de afwezigheid van een cognomen bij een ingenuus. Ook de orthografie (EI in iudicieis, multeis en propinqueis) geeft een lichte voorkeur voor deze periode, maar is niet decisief.

Het is aannemelijk dat deze inscriptie nog voor 49a, voor de deductio in colonia[596] van Carthago Nova werd gemaakt. Vanaf de deductio werd Carthago Nova ingedeeld bij de tribus Sergia, (cf. infra) maar Lucius Sulpicius is ingeschreven in de tribus Collina, een van de 4 stedelijke tribus en van oudsher vooral gereserveerd voor de bezitslozen en de nieuwe burgers (zoals vrijgelatenen en peregrini die burgerrecht verworven hadden). Deze stedelijke tribus genoten weinig aanzien en Collina nog het minst.[597] Als L. Sulpicius een nieuw aangekomen immigrant in Carthago Nova was, had hij bij zijn aankomst de keuze om zijn vroegere tribus te behouden, of zich in te schrijven in de plaatselijke tribus.[598] De vraag is waarom L. Sulpicius - die zich met zijn filiatie al drie generaties als Romein en als ingenuus profileert - de tribus Collina niet verruild heeft voor de meer prestigieuze tribus Sergia. Daarentegen zou hij zijn tribus vermeld hebben in een stad, waar al wel een conventus Romanus aanwezig was, maar die nog niet officieel tot kolonie herleid was.

Taalkundig-inhoudelijk:  Het gedeelte vanaf iudicieis is een regelmatige hexameter. Ook kan men, in navolging van Massaro, het gedeelte vanaf ille als een anapestische octonarius scanderen.[599] Dit lijkt logischer omdat de vaste formule Hic situs est dan samen met de naamgeving genomen wordt, en de laudatio in zijn geheel een aparte nadruk krijgt door het metrum.

Statuut en milieu:  zekere ingenuus. Volgens Degrassi is Col in vroegere uitgaven verkeerd uitgewerkt als een tribusvermelding (van de tribus Collina), terwijl hier vermoedelijk wordt bedoeld: col(onus), inwoner van de kolonie. [600]  Nadat Carthago Nova rond 49a tot kolonie herleid was, noemden veel burgers zichzelf coloni.[601] Degrassi beroept zich daarbij op het feit dat Carthago Nova bij de tribus Sergia was ingedeeld.

Er zijn wel gegronde bezwaren in te brengen tegen deze redenering: om te beginnen was de tribusaanduiding in de laatste eeuw van de Republiek erfelijk geworden en werd ze niet langer meer bepaald door de woonplaats van de betrokkene.[602] Lucius Sulpicius kan een immigrant (of de afstammeling van een immigrant) zijn die tot de tribus Collina behoorde. Verder heeft het bronnenmateriaal aangetoond dat in Carthago Nova, naast de twee voornaamste tribus Sergia en Galeria, niet minder dan 8 tribus vertegenwoordigd waren, waaronder de tribus Collina.[603] Bovendien wordt  colonus in de andere inscripties van Carthago Nova steeds voluit geschreven.[604] Voldoende reden om Col als de normale tribusvermelding te interpreteren.

De Sulpicii waren in oorsprong een patricische familie, die tot de gentes minores behoorden.[605] Drie van haar  leden hadden de consulaire status bereikt in Spanje tijdens de Republiek.[606] Volgens Koch moet L. Sulpicius een belangrijk figuur geweest zijn in de toenmalige Romeinse gemeenschap van Carthago Nova.[607] 

Nochtans is deze L. Sulpicius waarschijnlijk geen lid van de patricische familie, maar veeleer een nazaat van een van hun vrijgelatenen. De tribusopgave wijst in die richting, daar de grote patriciërsfamilies zelden in de stedelijke tribus worden teruggevonden.[608] Bovendien  gebruikte men in de Patricische familie bijna nooit andere praenomina dan Gaius, Quintus of Decimus.[609] Als hij een afstammeling van een vrijgelatene is, kwam hij waarschijnlijk als Italiaanse immigrant naar Carthago Nova (of zijn vader of zijn grootvader). De tribus Collina kan wijzen op een milieu van vrijgelatenen bij een van zijn voorouders.[610] Mocht het gaan om een afstammeling van een plaatselijke inwoner, dan zou hij in de lokale tribus Sergius horen.

Er is geen dedicant opgegeven, maar de inhoud van het elogium wijst zijn naaste verwanten en zijn vrienden aan. Enige voorzichtigheid is hier geboden, want niets stond hem in de weg om zichzelf in zijn elogium als een geliefd figuur voor te stellen. 

Literatuur:   Warmington (1940) 40 n° 89   ׀׀   Beltrán (1950) 425-426 n° 93   ׀׀   Imagines 332   ׀׀   Diehl (1964) 632   ׀׀   Massaro M. (1992) 28  

 

 

CIL I² 3449d                                                                                 II: 3475; CLE: 980

Gaius Licinius Torax, zoon van Gaius

 

C. Licinius C. f. Torax|                                                               1
Hospes consiste et Thoracis perlege nomen;|
inmatura iacent ossa relata mea.|
saeva parentibus eripuit Fortuna m[eis]| me
nec iuenem passast ulteriora frui.|                                       
5
nihl simile aspicias. Timeant ventura | parentes,
neu nimium matres concupiant parere.

 

3. m[eis]   Bücheler   :   mea   Beltrán

 

Vreemdeling, blijf even staan en lees de naam Thorax.
mijn onvolgroeid gebeente dat (hierheen) werd gedragen, ligt er.
Een hard lot heeft me van mijn ouders weggerukt,
en heeft me ook niet toegestaan als jongen nog van een langer leven te genieten.
Ik hoop dat u niets gelijkaardigs moet aanzien. Ouders zouden bang moeten
zijn  voor de toekomst,
en moeders zouden niet te veel moeten hunkeren om kinderen te baren.

 

Monument:  Carthago Nova, kalkstenen tablet (33 x 60 x 18 cm), kleine letters (3;5 – 2 cm), scheidingspunten tussen de woorden. Ligatuur van nt in r6: timeant en parentes. Wordt nu bewaard in het Museo Municipal van Cartagena.

Datering: volgens Koch tweede helft van IA.[611] Misschien iets vroeger: de naam wordt in het praescriptum nog zonder aspiratie geschreven.

Taalkundig-inhoudelijk: Elegisch distichon met fonetische spelling op verschillende plaatsen iuenem, passast (5), nihl (6). Let tevens op de dubbele spelling van Thorax: wel (2) en niet (1) geaspireerd.

Het carmen is een opeenstapeling van veel voorkomende motieven die veelal een tegenhanger hebben in de Griekse grafepigrammen: de aanspreking van de voorbijgangermet het verzoek om de overledene een moment aandacht te geven (Hospes consiste…perlege);[612] gejammer over een voortijdige dood en frustratie over het gemiste leven (immatura ossa; nec…ulteriora frui);[613]  De wreedheid van het lot (…eripuit Fortuna);[614] ouders die de angst om het hart slaat voor hun kinderen ( timeant ventura…) en de angst van moeders om kinderen te hebben (…nimium..concupiant …).[615].

De overdaad van gebruikte motieven hoeft geenszins geïnterpreteerd te worden als een gebrek aan oprechtheid in de uitdrukking van gevoelens: De grafsteen was onderworpen aan stringente conventies (zoals trouwens ook in deze maatschappij het geval is) en de heersende cultuur liet weinig ruimte voor originalteit of frivoliteit.

Statuut en milieu: ingenuus met dezelfde voornaam als zijn vader. De overledene is jong gestorven: immatura wordt in de carmina sepulchralia voor jonge kinderen gebruikt[616] en komt inhoudelijk neer op verdriet voor een leven dat men niet heeft kunnen leiden, de uiting van frustraties voor niet ingeloste verwachtingen. Zijn ouders waren de dedicanten: de laatste twee verzen zijn hun jammerklacht, in het bijzonder van zijn moeder. Bovendien was hij te jong om zelf voor een monument  te zorgen.

Uit literaire bronnen blijkt een algemene sociale afkeur voor overdreven rouwsentiment voor jonge kinderen in de meer elitaire middens.[617] De epigrafische bronnen laten echter een ander beeld zien voor de bescheidener milieus: er werd wel degelijk gerouwd om jonge kinderen.[618] Dit kan er op wijzen dat onze Thorax van eenvoudige komaf is. het gebruik van de Trianomina met opgave van filiatie kan wijzen op het verlangen om zich als vrijgeboren Romeins burger te profileren, een tendens die men meer waarneemt in middens van humiliores, met achtergrond in het slaven- of libertimilieu.[619] Thorax was misschien wel de eerste in zijn familie, die een volwaardige Romeinse filiatie droeg.

Thorax,[620] Grieks cognomen, (<) betekent in de klassieke periode “borstharnas, kuras”, later ook borstkas.

Literatuur: CIL I²-4 142 fig 1 (afb.)   ׀׀   Beltrán (1950) 407    ׀׀   Massaro (1992) 48-49    ׀׀   Koch (1993) 206

 

 

CIL I² 3449h                                                                                 II: 3501; CLE: 1070

Salviola

 

Fíliola[m] | amisit pa[ter heu] | materque | sequtast
ipsa | huius nomen Saluiol[ae] | fuerat

M Maesti | Lucrionis ver[na] | annor[um XXI]

 

3. Maesti   Koch  qui vidit:   Maesti   lapis (imago CIL):   Maestri Hübner qui vidit dixitque litteras crassas calco tegi, idem 
Saluiolae   et   Lucrionis verna | annorum XXI Inde  Bücheler 
 

 

Een vader heeft zijn dochterje moeten afstaan en haar moeder zelf is haar gevolgd.
Haar naam was Salviola.

In huis geboren slavin (slaaf ?) van Marcus Maestius Lucrio, 21 jaar

 

Monument en vindplaats: Carthago Nova, kalkstenen  tablet van ca 23cm x 25cm. Oude letters. Lettergrootte tussen 2,8 en 1,6 cm. De rechterhoek is afgebroken, vermoedelijk al in de 18de eeuw. De aanvullingen zijn dus onzeker, hoewel Lumiares het tablet in zijn geheel schijnt gezien te hebben.[621]

Datering: Volgens Koch uit IA, zonder verantwoording.

Taalkundig-inhoudelijk: elegisch distichon.

sequtast = vulgarisme voor sequta est, dit weerspiegelt de uitspraak.

materque…ipsa: intensiverend.

Salviol[ae]: metri causa is de verklarende genitief de voor de hand liggende oplossing.

Statuut en milieu: in deze inscriptie zijn minstens drie en mogelijk vier personen betrokken. De overledenen zijn het dochtertje en haar moeder. Salviola was de naam van de moeder, wat wordt aangegegeven door huius (hic verwijst meestal naar het laatstgenoemde). sequtast moet duidelijk maken dat moeder en dochter samen de dood zijn ingegaan, waarschijnlijk in het kraambed. Het feit dat het dochtertje geen naam heeft gekregen in de inscriptie bevestigt dit vermoeden.

Ondanks de minachting die in hogere kringen heerste voor het uiten van verdriet bij het verlies van een klein kind, kwamen begrafenissen voor babies zeker voor, zij het dan in lagere middens.[622] Salviola is zeker een slavin, dit wordt duidelijk aangegeven door verna en de naam van haar meester in de genitief. Dit is tevens een bevestiging voor de stelling dat Salvia als naam vooral bij slaven werd gevonden (cf. supra). Het dochterje is ook een zekere slavin: kinderen die niet uit een iustae nuptiae geboren werden, volgden de status van de moeder.

M. Maestius Lucrio is de meester van Salviola,[623] hij is vermoedelijk libertus. In deze periode worden cognomina vooral door liberti gebruikt. Bovendien is Lucrionis een cognomen dat men bijna uitsluitend bij slaven en liberti aantreft. De betekenis van dit Latijns cognomen wordt door Festus uitgelegd als ludicrari undique cupiens (begerig om overal winst uit te halen) maar de vele attestaties van dit cognomen bij slaven en vrijgelatenen wijzen veeleer op een betekenis 'winstgevend' en 'iemand die voordeel oplevert'.[624]

Tenslotte is er nog de vader (pater) van het kind: de narratieve logica van het grafschrift wijst hem aan als de meest voor de hand liggende dedicant, maar in plaats van zijn eigen naam op de steen te zetten, vinden we de volledige naam van salviola's meester, terwijl bij slaven gewoonlijk alleen het gentilicium van de meester in de genitief wordt opgegeven. Deze handelswijze kan ingegeven zijn door een zeker statusbewustzijn, dat ook bij slaven geconstateerd wordt, om met de naam van een bekende of gerespecteerde meester te pronken.[625] Misschien was M. Maestrius Lucrio een belangrijk figuur, maar zijn cognomen laat dat niet uitschijnen.

Het initiatief kan ook bij Maestius Lucrio gelegen hebben: in ruil voor een wederdienst, zoals bv de financiering van de inscriptie of de belofte op een vrijlating, kan hij een vermelding op de steen gevraagd hebben.

De laatste mogelijkheid wijst Maestius Lucrio aan als de vader van het kind. Dit is de meest logische verklaring voor de schijnbare anonimiteit van de vader, die toch de vermoede dedicant is.

Literatuur:   Beltrán (1950) n° 87  

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[367] LGr, 311.

[368] Zie Raven (1965) 24.

[369] Bücheler (1965) I 400.

[370] Kajava (1994) 215, verder ook 204-210.

[371] Linderski (1995) 602; Ovid. Fasti 6, 781-784. Voor Fortuna zie ook CIL I², 1219.

[372] Geciteerd door Kruschwitz (2001) 51 nt 37.

[373] Massaro (1992) 31 nt 37, maar zonder verantwoording, verder Kruschwitz (2001) 51-52.

[374] Kruschwitz (2002)² 112. Een afkorting van behoort volgens hem tot de mogelijkheden, ibid. 109.

[375] Kruschwitz (2001) 53

[376] Solin (1996) 7

[377] Kruschwitz (2000) 244. Hij zegt evenwel niet waarop hij zich hiervoor baseert. Over het statuut van de genoemde personen cf. infra.

[378] Ernout (1967)  143.

[379] Pikhaus (1978) 58; Lattimore (1962) 154-156.

[380] Massaro (1992)  20 nt 25.

[381] Lattimore (1962) 262;  Gallletier (1922) 17;  Purdie (1935) 33-35; Pikhaus (1978) 271-273.

[382] Fors (< fero) was de oorspronkelijke naam van Fortuna.

[383] Het veronderstelde bestaan van voorbeelden voor inscripties wordt hier terug opgepikt. Bücheler zag hierin een gelijkenis met een aforisme van Publilius Syrus.

[384] Solin (1972)  184  nt. 3;  Kajava  (1994) 60-61.

[385] Kajava (1994) 122;  Kajanto (1965) 291;. 30; 74-75: het was een van de meest gebruikte cognomina.

[386] Buckinx  (1972) 96.

[387] Kajava  (1994) 122.

[388] Solin (1996)  7;  Kajanto (1965) 134, 177.

[389] ILLRP ad loc.;  Scullard (1976) 107-108.

[390] Plattner, Ashby (1965) 23

[391] ILLRP ad loc. met verwijzing naar CIL  IX, 2720 : Hermeti Agri | Capitonis ser [H]ermia pa|ter et Studium mater | fe (cit) | v(ixit) a(nnos) III (Voor Hermes, slaaf van Agrius Capito. Zijn vader Hermia en zijn moeder Studium hebben het gemaakt. Hij werd  3 jaar oud). Zie ook Kajanto (1965) 365.

[392] Vessberg (1941) 180-183.

[393] Galletier (1922) 84-85.

[394] Haüsle (1980) 50-54.

[395] Plessis (1905) xlviii – xlix; Wolff (2000) 88.

[396] LGr 270-271; Warmington (1940) xxv n° 27 en xvii n° 3

[397] Warmington (1940) p xxv.

[398] Lier (1903) 467-469; Lattimore (1962) 230-235.

[399] Sigismund Nielsen (1999) 187-188.

[400] Watson (1983) 137.

[401] LGr 287 met verwijzing naar CIL I², 1224 (niet opgenomen); Bücheler (1883) 334.

[402] Massaro (1992) 47.

[403] beter dan: ik, die niemand met een bitter woord kon beschimpen.

[404] CLE ad loc.

[405] CLE 971 cum me florentem mei combussere parentes / vixi ego dum licuit superis acceptior una / quoi nemo potuit verbis maledicere acerbo.

[406] Kajanto (1965) 75, 77, 296.

[407] Volgens Solin (1971) 45  moet men bij kinderen  wel voorzichtig zijn om een slavenstatuut af te leiden uit eennamigheid: tot 20 jaar worden zij in grafinscripties vaak met één enkele naam aangeduid en geven de dedicanten, mogelijk uit solidariteit, dikwijls ook maar één naam op. Nochtans is de Griekse naam Amarantus en de naam van zijn moeder een redelijke indicatie. Zie ook Pikhaus (1978) 43 en inleiding p. 24.

[408] De mogelijkheid dat in de lacune ook een praenomen en een gentilicium  stond en dat men voor deze ongewone volgorde heeft gekozen uit metrische overwegingen, is niet onmogelijk: zie bv. CIL I², 10 : ..te in gremiu, Scipio, recipit / terra, Publi, prognatum Publio, Corneli.

[409] Deze troostformule vindt men meer in de Latijnse epigrafie en de literatuur. De Griekse pendant heeft het gewoonlijk over de Helden. Voor andere voorbeelden (ook Griekse) zie Lier (1903) 575-578.

[410] Solin (1971) 115.

[411] Kajanto (1965) 71, 72, 73; specifiek over de vrouwelijke vorm: ibid. 278.

[412] Dit is zeker mogelijk: de lex Aelia Sentia, die de minimumleeftijd voor een vrijlating op 30 jaar vastlegde (behoudens uitzonderingen zoals bv. een vrijlating bij het overlijden van de slaaf), dateert van 4p. Er waren dus geen wettelijke beperkingen voor de vrijlating van Optatus en zijn moeder.

[413] Massaro (1992) 33-34.

[414] Dat is ook de mening van Bücheler  (CLE ad loc.). Hij vult als volgt aan :…monumento nequis huic manem intulerit male. (…dat niemand er kwaadwillig de hand aan slaat), ter verbetering van Marini:…monumento poni praeter me volo neminem. (En ik wil niet dat er naast mij nog iemand anders in mijn graf wordt geplaatst).

[415] Voor de onomastiek zie  Sandys (1927) 220 voor de afkortingen  en ibid. 215 voor gebruik van dezelfde  naam.

[416] TLO² s.v.  Attius

[417] RE s.v. Atinius.

[418] Zie Solin (1971) 111.

[419] Gatti, NSA (1902) 54:…in lettere assai antiche.

[420] Massaro (1992) 33. Voor het metrisch schema, zie Raven (1965) 110 en GL  475.

[421] Voor een ander voorbeeld zie CIL I², 1684:…veivos fecit, met een gelijkaardige, beknopte laudatio.

[422] sic Warmington ad loc.

[423] PA   90 en 223.

[424] DS s.v. lanius 923.

[425] Bücheler, Warmington en Degrassi verkiezen omnibus.

[426] Er waren veel informele vrijlatingen in Rome, zie Duff (1958) 21.

[427] In de Republiek waren er geen wettelijke beperkingen voor een vrijlating, maar een vrijlating moest altijd de goedkeuring van de gemeenschap krijgen; zie Gardner  (1993) 7-12.

[428] Treggiari (1969) 211.

[429] Massaro (1992) 28. Bücheler vermoedde al een metrische opbouw van deze inscriptie (adde Haec mulier ‹voor iucunda› et hexametri decurrere incipiunt. Voor de karakteristieken van het metrum, zie Raven (1965) 119-120; GL  470.

[430] Gardner (1993) 200 nt  66.

[431] Zie ook Nymphe, CIL I², 1222.

[432] Wiseman (1970) 210, stemma en magistratuur ibid. 220.

[433] Bücheler heeft de patronus van Felix en Athenais met deze Clodius Pulcher geïdentificeerd, waarschijnlijk ten onrechte.

[434] … quaternario giambico acataletto … Massaro (1992) 28. meer bijzonderheden over dit metrum: Raven (1965) 59; GL (1997) 467-468.

[435] cf. CLE 213, 2: Pater supremis quod sacravit et frater  (…dat zijn vader en zijn broer als laatste eerbewijs hebben gewijd …)

[436] Sandys (1927) 64.

[437] Massaro (1992) 38 nt 45

[438] Massaro  (1992) 27. Door Bücheler onder commatica gerangschikt. Trocheische octonarius verwacht men hier niet omdat de cantica in dit metrum in de komedie gebruikt worden om grote opwinding weer te geven, en  de toon van dit carmen eerder bedrukt is; cf. Raven (1965) 85.

[439] Dit zijn de gezongen gedeeltes, zie  GL  468.

[440] TLO:  Nomen servile, ut videtur unice mihi notum ex inscr.

[441] Voor het metrisch schema, zie Raven (1965) 151, 154.

[442] Kruschwitz (2001) 61 nt 51.

[443] CSE 207.

[444] Massaro (1992) 31-32.

[445] RE s.v. Mummius n° 30 k 534 vermeldt haar als zekere vrijgelatene van Lucius Mummius cos 146a, of van een van zijn nazaten, maar zonder verdere verantwoording.

[446] RE s.v. Numitorius k 1404.

[447] Massaro (1992) 32. Door Bücheler onder saturnii geplaatst. voor het metrisch schema zie Raven(1965) 83.

[448] Solin H. (1996) 19.

[449] King (2000) 122.

[450] Taylor (1960) 133-149; Taylor (1966) 64-65.

[451] Duff (1958) 52, afgezwakt door Treggiari (1969) 251.  Zij volgt Taylor: een vrijgelatene schaamde zich ervoor om zijn stedelijke tribus te vermelden, maar dat is hier bij D. Octavius junior blijkbaar niet het geval.

[452] Pikhaus (1978) 111-112. Zie p. 63 nt 311

[453] Schulze (1966) 471.

[454] Massaro (1992) 46 nt 55. Purdie dateert in de augusteïsche periode (zonder verantwoording). Sanders (1960) 340 dateert in de eerste eeuw na Christus, maar zonder verantwoording.

[455] CIL I²  add ad loc.

[456] CIL I²  1212, 1930, 1210, 1211 etc.

[457] Sanders (1960) 332 en 340; Lier (1903) 597-598.

[458] Lier (1903) 598. Voor dualisme in de carmina, zie verder Pikhaus (1978) 295-300.

[459] Cic. Rep. 5, 25.

[460] Pikhaus (1978) 296-298

[461] Purdie (1935) 34-39

[462] BAR 44E3.

[463] Maar dit komt meer voor in inscripties. Zie CSE 176.

[464] Sic restituit Cholodniak: quoad veixsit, populo summa qum laude probatus, qouius id ingenium declararat pietatis alumnus

[465] Volgens Kruschwitz, CSE 179 kan het een ingeweken Griek zijn, die de bescherming van G. Q. Valgus gezocht heeft.

[466] Solin (1996) 424.

[467] CSE 179.

[468] CIL I²  1632 en 1633, beiden vermelden C(aius) Quinctius C(ai)  filius Valg(us).

[469] CIL I²  1722 met dezelfde naamgeving.

[470] Cic. Leg. Agr. 2, 3 … sed a Valgi genero esse conscriptam…  (…maar door het soort mensen als Valgus opgesteld…)

[471] Castrén (1975) 212.

[472] Castrén (1975) 51; 89-91; 212.

[473] BAR 44E3

[474] CLE ad loc. De oudere vorm was hoic, zie Plessis (1905) 164.

[475] Plessis (1905) 166 spreekt zijn voorkeur uit voor het praesens. De lange a in de uitgang komt veel voor in Plautus en de klinkergeminatio kan een bewuste keuze voor een archaïsche vorm zijn.

[476] Solin (1982) 836 vermeldt enkel Nicia.

[477] BAR 44F3.

[478] CIL I²  ad loc.

[479] Apul. Apol. 12.

[480] BAR 44F3

[481] Sandys (1927) 64

[482] BAR 44F3

[483] BAR 45B3 en 44H4.

[484] Plin. NH 26, 12 donec Asclepiades aetate Magni Pompei orandi magister nec satis in arte ea quaestuosus, ut ad alia quam forum sagacis ingenii, huc se repente convertit…(totdat, ten tijde van Pompeius Magnus, Asklepiades, een leraar in welsprekendheid,  maar een die in dat vak  niet genoeg verdiende en ook omdat hij voor andere zaken dan het forum een scherpzinnig verstand had, plotsklaps overschakelde op de geneeskunde…) zie ook RE s.v. Asklepiades n°39.

[485] RE s.v. Thessalos k 169.

[486] CSE 184 nt 866.

[487] RE s.v. Tralles k 2116.

[488] André (1987) 26.

[489] CIL I²  2125: C. Maneius Q. l. in Senae Gallicae en CIL I²  1555: C. Maneius C.l. Dor[---] in Tarracina. Zie ook RE s.v. Manneius.

[490] Taylor (1960) 111 en 161 en ibid. op Susini's kaart Italia Tributim Descripta s2 (op de achterflap van Taylor). De tribus Quirina was de tribus Van de Vestini en de Sabini (Taylor (1960) 162). L. Manneius kan natuurlijk een immigrant zijn. Hij kan zelf geëmmigreerd zijn na zijn vrijlating of adoptie; of hij kan libertus / stiefzoon zijn van een patronus / adoptiefvader  die geëmmigreerd was, en zelfs die kan afstammen van immigranten. De tribus was toen al erfelijk en niet meer door woonplaats bepaald.

[491] Peregrini namen doorgaans de tribus van de Romein die verantwoordelijk was voor hun burgerrecht. Zie Taylor (1960) 314 en 159.

[492] CIL ad loc.: Q. est pro Q.l. sive Q.f.  ex more Graeco omissam esse tituli Delii infra edendi satis demonstrant. en ILLRP ad loc. omissum more Graeco f. potius quam l.

[493] CIL ad loc. solet statum significare ante manumissionem vel adoptionem.

[494] Gummerus en Bracco in I.I.,: 3, 3, 108..

[495] IGR I, n° 473: intellege Q. libertus.   : hic vir de patre servo, Demetrio nomine natus primum Menecratus vocabatur; post libertatem L. Manneius.

[496] Solin (1981) 35-36.

[497] Solin (1981) 35-36, SEG 14 n° 885.

[498] David (1987) 33-39.

[499] Cagnat (1914) 72; Solin (1971) 40. Met de filiatie Spuri f. was men ook sociaal achteruitgesteld, deze mensen werden meestal in een stedelijk tribus ingeschreven en ze waren niet verkiesbaar voor de gemeentelijke ambten. 

[500] Solin (1981) 36.

[501] BAR 45C3.

[502] Zie LGr 307 en CIL I², 1732  waar spatiarus in de aansprekingsformule gebruikt wordt.

[503] BAR 39H3 en 44G3.

[504] Plessis (1905) 182.

[505] Lygdamus was een volgeling van Tibullus en kan niet veel later dan Tibullus gedateerd worden, hij behoorde nog tot de letterkundige kring van Messala Corvinus en zijn gedichten zijn opgenomen in het Corpus Tibullianum. Dit moet kort na 19a gepubliceerd zijn.

[506] Popova (1968) 65-66.

[507] Alfonsi (1965) 60.

[508] Massaro (1992) 47, opgenomen als epigram uit de Republiek, maar Massaro spreekt zich niet echt uit over een datering.

[509] LGr  307.

[510] Massaro (1992) 47.

[511] Plessis (1905) 184.

[512] Zie daarvoor de discussie bij Prima Pompeiae, CIL I² 1219 p. 82

[513] BAR 39H3 – 44G3

[514] BAR 44F1

[515] CLE ad loc:  Cognomine cum careat Utius liberam rem publicam videtur vidisse.

[516] Taylor (1960) 111. Zie ook de kaart van Susini op de achterflap van Taylor.

[517] Kruschwitz (2001) 51.

[518] BAR 44E1

[519] Mogelijk stelt dit tafereel de jaarlijkse trektocht van de herders en hun kudden voor, die van uit de bergen in het noorden naar de vlakten afdaalden. Deze inscriptie stond opgesteld aan het begin van de route die tot in Lucera (Apulia) in het zuiden liep.  Zie Bianchi Bandinelli, Giuliano  (1973) 338 en Rostovtzeff (1957) pl. III.

[520] In CIL worden de aanvulling recenti aetate genoemd; CLE spreekt van supplementia recentia. Zowel CIL als CLE gebruiken bovendien de diacritische tekens voor aanvullingen van beschadigde delen. (CIL: diffidat///; CLE: diffidat [sibi). Vermoedelijk heeft Mommsen dus de aanvullingen in de 18de of de 19de eeuw gedateerd.

[521] Imagines n° 336: extremae aetatis liberaerei publicae.

[522] Courtney  (1995) 25: een dubbele medeklinker kan voor de prosodie als een enkele tellen.

[523] Zie GL 452 (iambic shortening) en Halporn, Ostwald (1983) s.v. iambenkürzung (in het glossarium). Jambenkorting komt normaal niet voor in de lettergreep die het natuurlijke woordaccent draagt.

[524] Gaffiot s.v. ni

[525] GL 61.

[526] BAR  42F4 en 44E1. Corfinium was de hoofdstad van de Latini in de bondgenotenoorlog, cf. Keaveney (1987) 121.

[527] Vetter (1953) 149 en 145-146.

[528] Voor de problematiek zie CSE 211.

[529] Citaat bij Bücheler (1965) II 396, zie ook HLL 82

[530] Schanz, Hosius 40-41.

[531] BAR 42F4 en 44E1.

[532] Zie bv. CLE 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 173, 174175, 176 en 177.

[533] BAR 42E4 en 44D1

[534] CLE 64,3: qui bene cognorunt, cognitam bene existumant.

[535] Cagnat (1914) 39.

[536] Dit is de interpretatie van Bücheler in CLE.

[537] Flory (1984)  220

[538] BAR 42D4; CIL I²  ad loc. vermeldt Massacci in Sabinis. Vermoedelijk wordt een moderne eigennaam bedoeld (landgoed, klooster, gehucht?) Er is geen moderne noch een antieke plaatsnaam Massaccus, Massaccum, Massacco etc. De enige topografische naam die gelijkenissen vertoont is Massicus, een berg in Campanië.

[539] RE s.v. Manlius k 1149. maar zie bv CIL I², 1218: Manlia Gnome is zeker een vrijgelatene.

[540] Massaro (1992)  80-81 met het voorbeeld van Claudia.

[541] Cagnat (1914) 64 geeft Sab, Sabati en Sabatin.

[542] Kajanto (1965) 20, 30 en 51.

[543] RE s.v. Manlius k 1591.

[544] Duff (1958) 60-62; Treggiari (1969) 210-211

[545] BAR 42D4

[546] CLE ad loc.

[547] LGr 328.

[548] Kajava (1994) 60 en 119-120  gaat hier uit van een praenomen. Voor Posilla als praenomen zie ook  ibid. 124; Sandys (1927) 210, en Kajanto (1972) 20, 29.

[549] Salomies (1987) 111-112 en 118-119.  Kajava (1994) 64 interpreteert Quarta als praenomen.

[550] Cagnat (1914) 61, Sandys (1927) 214.

[551] Solin (1971) 40.

[552] Maar wel zo aangevuld door Degrassi en Kajava.

[553] Cagnat (1914) 61, Sandys (1927) 214.

[554] BAR 42E4.

[555] Warmington (1940) ad loc: 165a - 160a; Plessis (1905) 54 en Galletier (1922) 171: ca 160a

[556] Ennius stierf in 169a. Wachter vermoedt vooral op basis van de paleografie kort na 170a. cf. Wachter (1987) 416.

[557] Wachter (1987) 417-418.

[558] Gentili (1990), conclusies p. 133. Bespreking over de mogelijke metra bij Massaro (1992) 53-54 nt 70.  

[559] CIL I2 n°361.

[560] Stowasser (1903) 269: Protogenes Cloulii – suave ei!  heic einsitus mimust,…

[561] Solin (1971) 137 en 158.

[562] Wolff (2000) 61,  RE s.v. Mimos  k. 1744; Courtney (1995) 234, Granarolo (1971) 210,

[563] BAR 42E2.

[564] ILLRP ad loc zonder verantwoording.

[565] Maten uit Ciavarini (1893) 28 en  CIL I², ad loc. Kruschwitz (2001) 59 geeft 54  x 54  x  25 cm op.

[566] Kruschwitz (2001) 59.

[567] Kruschwitz (2001) 60.

[568] BAR 40B4.

[569] CLEE  132.

[570] GL 59.

[571] BAR 39G3

[572] Kruschwitz (2002)² 47.

[573] geciteerd in CLE.

[574] Purdie (1935) 67; Voor de thematiek zie ook Lattimore (1962) 187-191.

[575] BAR 39B3.

[576] LGr 61 en 90.

[577] Kajanto (1972) 22; Kajava (1994) 69-70; Schulze (1966) 471-472. Voor praenomina zie ook Cagnat (1914) 42.

[578] Cagnat (1914) 47; Kajanto (1972) 18; op zijn lijst met vrouwelijke praenomina in inscripties ibid. 20 komt geen Salvia voor, maar hij geeft toe dat het om een dubbelzinnige naam gaat, ibid. 22.

[579] Schulze (1966) 472.

[580] Nomen in r.7  duidt niet noodzakelijk op het gentilicium, het werd voor een naam in het algemeen gebruikt. cf. CIL I², 3449d: …Thoracis perlege nomen…; CIL I², 3449h …huius nomen Salviolae…; en mogelijk ook CIL I², 1702.

[581] In dat geval had hij geen iustum matrimonium met haar moeder. Een mogelijkheid is dat hij, toen hij nog slaaf was, in concubinaat leefde met een vrije vrouw (liberta of ingenua) en  Salvia uit deze verhouding geboren werd. Dit soort gevallen kwam voor, cf. Flory (1984) 217.

[582] Kajanto (1965) 134, 177 en Schulze (1966) 472.

[583] Massaro (1992) 111-112, voor domum servare 109-11; Wolff (2000) 127.

[584] BAR 19F4.

[585] Massaro (1992) 26 nt. 34.

[586] OLD s.v. dis (1)

[587] Larousse 211.

[588] Solin (1982) 36.

[589] BAR 27E4.

[590] Koch (1993) 205.

[591] Beëindigd in 72a met de dood van Sertorius.

[592] Kruschwitz  (2002)² 50, Beltrán (1950) 419.

[593] Koch (1993) 205.

[594] Ar. Eccl. 1101.

[595] Volgens Kruschwitz  (2002)² 50 is dat hier niet het geval

[596] Koch  (1993) 208; de exacte datum is niet bekend maar 49a is het meest aangewezen voor de stichting van de Colonia Urbs Iulia Nova Carthago.

[597] RE s.v. Collina; OCD² s.v. tribus;  DS s.v. tribus 425 en 427, cf. Cic. Milone 25, 7(cd):  Convocabat tribus, se interponebat, Collinam novam dilectu perditissimorum civium conscribebat. (hij riep de tribus samen, trad op als bemiddelaar, en schreef de nieuwe tribus Collina vol met een lichting van de meest verachtelijke burgers.) Volgens Taylor (1960) 278 was Esquilina de tribus met de laagste reputatie.

[598] Koch (1993) 227. Zie ook Taylor(1960) 21.

[599] Massaro (1992) 28. Voor metrisch schema zie Raven 119-122.

[600] CIL I² add 4 ad loc.

[601] Koch (1993) 208-209.

[602] Cagnat (1914)  61-62; Koch (1993) 227.  De nieuw aangekomenen hadden de keuze: hun vroegere tribus behouden of ingeschreven worden in de lokale tribus.

[603] Koch (1993) 227. de andere 7: Aniensis, Cornelia, Fabia, Maecia, Menenia, Quirina en Scaptia.

[604] CIL II: 5930 colon[i];  3419: coloni ; 3417: coloni ; 3414: colonei.

[605] RE s.v. Sulpicius 731.

[606] Badian  (1958) 320-321. Servius Sulpicius Galba, keizer in 68p was evenens proconsul geweest van Citerior in 60p.

[607] Koch (1993) 206 nt 72: Das aus Inschrift sprechende hohe Selbstbewuβtsein legt diesen Eindruck nahe. Dit is volgens mij niet onterecht: L. Sulpicius schijnt geen behoefte te hebben aan het etaleren van een cursus honorum,  carrière of res gestae maar is tevreden met een eenvoudige laudatio.

[608] DS s.v. tribus 428.

[609] RE s.v. Sulpicius 731.

[610] Badian (1958) 307. De tribus Collina was een  stedelijke tribus. Vrijgelatenen werden bij voorkeur in een van de 4 stedelijke tribus ingeschreven, waarvan de tribus Collina de jongste was. Zie Taylor (1960) 133-149; Taylor (1966) 64-65 en cf. supra CIL I²  1349.

[611] CIL I²:  Parti posteriori saec. I tribuit Koch   Beltrán (1950) 408: letras…bastante antiguas…

[612] Lattimore (1962) 230-232.

[613] Lier (1903) 453-455.

[614] Lattimore (1962) 154-156.

[615] Lier (1903) 463 en 466; Wolff (2000) 92; Pikhaus (1978) 124. De wanhoop die achter deze uitspraak schuilgaat, beseft men pas ten volle als men weet hoe zeer het hebben van kinderen op prijs werd gesteld.

[616] Pikhaus (1978) 46; Het motief heeft een Griekse pendant; zie Lier (1903) 453 en Lattimore (1962) 184-187.

[617] Mc William (2001) 78, Pikhaus (1978) 46.

[618] King (2000) 145.

[619] King (2000) 118-120; Oliver (2000) 12; Mc William (2001) 85.

[620] Kajanto (1965) 342 vermeldt enkel Thoracius als Latijns cognomen.

[621] Volgens  Beltrán (1950) 423. Lumiares heeft op het einde van de 18de eeuw een aantal inscripties opgetekend.

[622] King (2000) 143-145; Pikhaus (1978) 46.

[623] Men zou ook kunnen lezen: M Maesti | Lucrionis ver[nae] | annor[um XXI] : van Lucrio, in het huis geboren slaaf van M. Maestius, maar dit is, minder waarschijnlijk. Hübner heeft trouwens nog verna kunnen lezen.

[624] Kajanto (1965) 73 en 285.

[625] Flory (1984) 219.