Latijnse epigrafische poëzie uit de republiek. Repertorium, vertaling en studie. (Wouter Keuleers)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

2. REPERTORIUM

 

2.1 TITULI SEPULCRALES

 

Elogia Scipionum

 

Vervolg

 

CIL I², 1217                                                                            VI: 30105; CLE: 68

Tertia?


[---]avie pulchre d[--]len[---], |                                  1

[---]te hoc voluit monumento am[---] |

[--- r]ogavi ut faceret monumentum m[ihi] |,

[---i]mpetraví id ab eo, laudo benevolen[tiam], |

[---]ni heic animo du‹o ut› essemus sití. |                    5

parí coniugio, uirtute, summa industria |

uixsí et fortunam, quoad uixí, tolí. |

Tertia quom essem, me prímam speraví fore. ||
 

Quom quod sperarem eciem me retinere potesse, |

spe amissa voluit me Fortuna heic retine(ri), |         10

quoniam me Fortuna iníqua non sívit fruí, |

nihil timeo nec confído : moriundum scio. |

[v]ívam quam ornare studui, ornavi mortua(m) |

 

(í = I-longa in lapide)  1 IAVIE  Mommsen   :   IAVIF Nissen   :   AVIEF Bormann                DECE[S]UM Mommsen   :      DE[…]  Nissen  :  D[…] Nicolai        2 [---]STE  Mommsen   :   [ ---]TE Nissen [---]E Nicolai 5.  duo ut  Bücheler (vide infra) , Mommsen   :   DVQVI  lapis   :   DVQVT Nissen          9.  sperarem eciem me lapis  :   speraram  mecum Hauptius   :   equidem  Bücheler :   diem  Hirschfeld :   sp]eciem  Bang                                                    


…schoon..mijn heengaan(?)...
…wenste hij…met dit monument…
…ik heb hem gevraagd voor mij(?) dit monument op te richten..,
…ik heb het van hem gekregen - ik prijs zijn goedheid -
…in ziel…zodat wij beiden hier samen kunnen begraven liggen.
Ik leefde in een harmonisch huwelijk, deugdzaam, volkomen toewijding
en zolang ik leefde heb ik mijn lot gedragen.

Hoewel ik Tertia was, heb ik gehoopt de eerste te zijn.


Hoewel ik stellig bleef hopen dat ik haar (?) kon behouden,
wilde Fortuna dat ik hier achterbleef, nadat de hoop was vervlogen.
En aangezien dat wrede lot me niet heeft toegestaan van het leven te genieten,
heb ik geen vrees en koester ik geen verwachting: ik weet dat ik moet sterven.
Toen ze in leven was heb ik me er op toegelegd haar te eerbiedigen, en na haar
dood heb ik haar ook geëerbiedigd.

 

 

Monument: Rome, in het St.-Paulus klooster. Groot marmeren tablet met oude letters. Bovenaan aan de zijkanten en onderaan afgebrokkeld. Een spatie scheidt vers 9-13 van de voorgaande verzen. Scheidingspunten tussen de letters. De regels zijn beurtelings twee letters naar rechts ingeschoven, zoals bij een elegisch distichon.

Datering:   na  65a door het gebruik van marmer. Ander dateringsgegevens (het gebruik van I-longa,  de aspiratie in pulchre) zijn dus minder relevant. De vorm potesse (r.10) is Oudlatijn,[367] maar moet hier een bewust archaïsme zijn. De paleografie schijnt de inscriptie nog in de Republiek te plaatsen (litteris vetustis).

Taalkundig-inhoudelijk: In CLE gerangschikt onder jambische senarii, maar het metrum vertoont afwijkingen en fouten. Over de eerste vijf verzen kan, gezien de lacunes, weinig met zekerheid gezeg worden, behalve dat ze metrische sequenties vertonen. R.8 is een jambische senarius met elisie van quom en essem; vers 9 is een hexameter indien sperarem geëlideerd wordt met eciem, waarbij de E van eciem verlengd wordt door de consonantwaarde van de daaropvolgende I.[368] Hierdoor is men verplicht eciem als vulgarisme voor equidem
(< ecidem)
[369] te zien, maar de metriek verklaart misschien de afwijkende schrijfwijze. R.10 is eveneens een hexameter met een weinig elegante elisie van spe amissa. De overige verzen vertonen kenmerken van jambische poëzie, maar met fouten tegen het metrum.

De spatie tussen vers 8 en 9 weerspiegelt ook een inhoudelijke pauze: in vers 1 t.e.m. 8 worden de gedachten van de gestorven vrouw verwoord, vanaf vers 9 is het de beurt aan de overblijvende echtgenoot. Het geheel is in slechte staat en de leesbare resten van het origineel  geven een gewrongen indruk. Bücheler ziet op verschillende plaatsen ontleningen aan andere voorbeelden. Zijn aanvulingen:

 

Funusque orn]avit pulchre d[ecessum do]len[s, |/ hones]te hoc voluit monumento am[bustam tegi.|/ et quod r]ogavi ut faceret monumentum m[ihi |,/sic i]mpetraví id ab eo, laudo benevolen[tiam],|/ commu]ni heic animo du‹o ut› essemus sití.|


Een schone begrafenis heeft hij me gegeven, in smart om mijn heengaan. 

Hij wenste dat ik, na verast te zijn, eervol door dit monument zou bedekt worden.  En dat wat ik hem gevraagd heb, dat hij voor mij een monument zou optrekken, Dat heb ik ook van hem gekregen - ik prijs zijn minzaamheid –

Zodat wij beiden hier samen kunnen begraven liggen,  in ziel verenigd.

Deze aanvullingen maken geen aanspraak op correctheid maar proberen eerder de algehele strekking van de tekst te volgen.

r.8: Tertia quom essem: 'hoewel ik Tertia was', of:  'Hoewel ik de derde was' Het laatste is minder waarschijnlijk. Ze zou dan zijn derde vrouw zijn.

Me primam speravi fore: Tertia en Prima werden beiden gebruikt als cognomen, maar hier vormen ze een woordspeling. Hoopte ze de eerste (en belangrijkste ) te zijn voor haar echtgenoot, of hoopte ze de eerste te zijn om te sterven? De laatste mogelijkheid sluit beter aan bij de context en de jammerklacht van haar man voor haar verscheiden.

r.10: eciem: vermoedelijk equidem (cf. supra). Het is verleidelijk om eciem te veranderen in eam, maar de steen is hier duidelijk  Vergeet niet dat de dichter potesse schrijft voor posse, zodat we ook voor eciem beter aannemen dat dit de bedoeling van de dichter was. Demoeilijkheid is hier retinere, dat dan met een verzwegen object geconstrueerd wordt. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, het object moet blijken uit de voorgaande verzen en uit vivam en mortuam in r.13. Bovendien heeft  sivit frui ook geen instrumentalisaanvulling.

potesse: alternatieve vorm van posse

Haar wens om als eerste te sterven en zijn repliek, waarin hij laat verstaan dat hij gehoopt had haar nog wat te kunnen behouden, en verder nog, dat hij weet dat ook hij moet sterven, laat uitschijnen dat deze mensen al vergevorderd waren in hun leven.

Statuut en milieu: incertus zonder gentilicium. De opdrachtgever is haar man (uitgedrukt in r.3/4, de lezing van r.1/2 is onzeker), waarvoor we evenmin een aanknopingspunt hebben. Tertia kan een praenomen zijn, in de aristocratie werd het wel vaker voor vrouwen gebruikt, maar later in de Republiek werd Tertia ook als cognomen gebruikt in alle sociale rangen.[370] Anderzijds was Fortuna wel een plebejische godin.[371]

Literatuur:   Diehl (1964) 683   ׀׀  Stowasser (1903)  265.   ׀׀   Bücheler (1965) I, 400

 

 

CIL I², 1218                                                                  VI: 21975; ILLRP: 982; CLE: 67

Manlia Gnome, Vrijgelatene van Titus

 

Manlia T.l. Gnome. |                                                            1
Haec est, quae vixsit semper | natura proba.
Clientes habui | multos. Locum hoc unum optí|nui mihi,
itaque quoad aetatem volui | exsegi meam.

Nemine unquam | debui. Vixsi quom fide. |                             5
Ossa dedi terrae, corpus Volchano dedi|di

ego, ut suprema mortis man|data edidi.

 

7.  ego :  eco  lapis

 

Manlia Gnome, de vrijgelatene van Titus is overleden.
Hier ligt zij, die steeds met een rechtschapen karakter heeft geleefd.
Ik heb veel beschermelingen gehad. Dit ene plekje heb ik me verworven,
en zo heb ik mijn leven doorgebracht, zolang ik wou.
Nooit heb ik bij iemand in het krijt gestaan. Ik heb met vertrouwen geleefd.
Mijn gebeente heb ik aan de aarde toevertrouwd, mijn lichaam aan Vulcanus prijsgegeven,
om de laatste bevelen van de dood uit te voeren.

 

Monument en vindplaats: Rome. Tablet uit Travertin, in 1878 gevonden bij de Ponte Mammolo. Veel ligaturen: 2 vixsit: S met E; semper: M met E en P op R gesuperponeerd (semepr); 3. clientes: N met T ; 4. quoad: A met D, aetatem: A met E en T met E;  6. terrae: A met E.  In r.6 heeft de steenkapper zich blijkbaar vergist met het verseinde van r.7: de D van dedidi is boven de E aangebracht en de eerste I heeft een staartje onderaan. Bovendien is hij vergeten de laatste lettergreep te schrappen. De inscriptie vertoont verder nog veel onregelmatigheden in lettergrootte en de grotere I in optinui (3) is eerder een uitschuiver van de steenkapper,  niet noodzakelijk een I-longa, metrisch is deze I immers kort.

Datering: IA op basis van orthografie en het gebruik van Travertin. Solin dateert periode Sulla – Caesar.[372]

Taalkundig-inhoudelijk:  jambische senarii in  r.2, r.4, en r.7. In r.2 staat een voet te veel, het weglaten van cliëntes zou hier ook een senarius geven. Hetzelfde geldt voor r.6: zonder ossa staat hier een senarius. R.5 bevat een paar spondeeën, maar geeft geen herkenbaar metrum.  Maar het gaat wel om een metrische tekst.[373]

r.1: : theta nigra, om aan te geven dat de persoon dood is. Wordt meestal verklaard als een afkorting van o(bitus) of o(biit). Dit teken komt bijna alleen voor op grafschriften uit Rome in IA en IP, en uitsluitend in milieu van slaven en liberti die bijna altijd een Griekse naam dragen.[374]

r.3: Cliëntes habui multos: dit is het enige carmen epigraphicum waarin een liberta laat uitschijnen dat ze cliëntes heeft, mogelijk zelfs de enige inscriptie. Het woord cliens zou natuurlijk ook in de betekenis van "vriend" kunnen gebruikt zijn, maar deze betekenis wordt niet voor de periode van Augustus gevonden. In combinatie met nemine umquam debui zou men kunnen denken dat het om een zakenvrouw gaat.[375]

Locum: neutrum pro masculino.

Manlia Gnome geeft de indruk dat ze een zelfbewuste vrouw is die weet wat ze wil: geen verwijzing naar ouders maar wel een zekere fierheid over het feit dat ze veel cliëntes had. Het initiatief voor de aanschaf van het graf lag bij haar zelf. Een zekere trots  klinkt ook door in nemine umquam debui, en aetatem exsegi quoad volui, uitspraken die moeten duidelijk maken dat ze zelf stevig de touwtjes in handen hield. Een geëmancipeerde dame dus.

Statuut en milieu: zekere vrijgelatene, aangegeven door de libertinatie.

Opdrachtgever: zijzelf (r.3: …optinui mihi…)

Literatuur:  Diehl (1964) 682   ׀׀   Kruschwitz (2001) 51-54

 

 

CIL I², 1219                                                                       VI: 24563; ILLRP: 983;CLE: 185  ;ILS: 7976

Prima Pompeia, Slavin (oudste dochter ?) van Pompeius; Salvius en Heros

 

Prímae | Pompeíae | ossua heic. |
Fortuna spondet multa | multís, praestat nemini
Víve in dies | et horas; nam proprium est nihil.
|
Salvius et Heros dant.

 

(í pro I-longa)   4. Heros   :   Eros  priores

 

Hier ligt het gebeente van Prima Pompeia.
Fortuna belooft veel aan zoveel mensen, maar ze komt haar beloften aan niemand na.
Leef van dag tot dag en van uur tot uur, want niets is blijvend.
Opgedragen door Salvius en Heros

 

Monument en vindplaats: marmeren tablet, Rome, bij de Porta Pinciana. Nu in het museum van Villa Albani. Praescriptum en postscriptum zijn in veel grotere letters gebeiteld dan het eigenlijke grafepigram.

Datering: mogelijk vroeg IA, maar de datering is omstreden. Volgens Warmington (1940) eind IIA, maar hij plaatst daar terecht een vraagteken bij. De Rosalia vermoedt eind IIA begin IA, Solin plaatst deze inscriptie in de periode Caesar - Sulla.[376] Morfologisch  noch orthografisch zijn er duidelijke aanknopingspunten. Paleografisch: het gebruik van de I-longa (Prímae, Pompeíae, multís, víve) sluit een datering vóór 110a vrijwel zeker uit. Als de informatie van CIL (tabula marmorea) juist is en daadwerkelijk op marmer slaat, kan als terminus post quem ca 65a aangehouden worden, aangezien deze inscriptie uit Rome zelf komt. Kruschwitz vermoedt zelfs vroege Keizertijd omdat het een inscriptie van slaven voor een slavin is.[377]

Taalkundig-inhoudelijk:

r.2: Ossua meerv. voor een niet geattesteerd *ossu, een nevenvorm van os, ossis.[378] Het woord duikt voor het eerst op in Pacuvius en wordt tot in de Keizertijd gevonden in inscripties.    

Fortuna: bedoeld wordt hier de godin van het lot met zijn grillig en onvoorspelbaar verloop, een Romeinse tegenhanger van de Griekse Tyche.[379]             

r.3: Proprium < proprius: blijvend, voortdurend, zeker (Wolters) …quod ut illi proprium ac perpetuum sit, optare (Cic. Pomp. 48). Volgens Courtney heeft het woord een juridische connotatie.

r.4: Dant: dare is in inscripties een standaardwoord voor 'opdragen'[380]

Inhoudelijk: een eenvoudige, maar duidelijke boodschap: geniet van het leven, want het is maar kort en alleen de dood is zeker. De Epicurische ondertoon vond men vooral op inscripties van slaven en mensen van een eenvoudige komaf.[381]

Metrisch: prae- en postscriptum zijn niet metrisch, r.3 is een jambische senarius, r.2 is hypermetrisch: het vers telt 7 voeten. Mommsen ging uit van een correct archetype (uit de literatuur?) waarin een fout was geslopen bij de transmissie naar een epigrafisch medium. Zijn voorstel was om Fortuna door Fors te vervangen.[382] Courtney gaat zelfs verder en spreekt van foutief gebruik van een voorbeeldenboek. Metrisch kan het vers in orde gebracht worden door multa te verwijderen en de dittografie aan de onachtzaamheid van de steenkapper toe te schrijven. Ook Massaro veronderstelt een populaire uitspraak die verminkt in een inscriptie is terecht gekomen.[383]

Statuut en milieu: Waarschijnlijk een slavin. Primae Pompeiae = Primae Pompeiae (servae): Prima, slavin van Pompeia[384]. Het gebruik van de genitief zonder aanduiding van filiatie of libertinatie was gereserveerd voor slaven. Prima is hier een cognomen.[385] Primus was als naam ontstaan onder invloed van de Griekse onomastiek () en was voooral populair als slavennaam. ook de vrouwelijke tegenhanger Prima is in redelijke aantallen in epigrafische bronnen gevonden. Het was bovendien het enige rangtelwoord dat onder de libertinae een belangrijke verspreiding kende.[386] Voor Ingenuae was de naam eerder zeldzaam: men gaf de voorkeur aan Maior of Maxima.[387] Ook de duidelijke slavenafkomst van de dedicanten wijst in de richting van een slavin.

Dedicanten: Salvius en Heros, mogelijk conservi. Slaven, ze vermelden enkel hun cognomen. Salvius is een Osko-Umbrische naam die in Rome vooral als slavennaam gebruikt werd.[388] De Griekse oorsprong van de naam Heros is al een duidelijke aanwijzing van een slavenmilieu.

Literatuur:   Warmington (1940) 14 n° 39   ׀׀   Ernout (1967)  n° 143   ׀׀   Diehl (1964) 630   ׀׀   De Rosalia (1972) n° 46   ׀׀   Courtney (1995)  n° 21   ׀׀   Solin  (1972)  184 n 3.   ׀׀   Kruschwitz  (2000) 243-247   ׀׀   Massaro (1992)  20 nt. 25   ׀׀   Purdie (1935) 3

 

CIL I2, 1220                                                                   VI: 33087; ILLRP: 3652; CLE:1563

Quintus Pompeius Sosus, vrijgelatene van Bithynicus;
Satrienia Salvia, vrijgelatene van Publius.
Studium en Acme,vrijgelatenen

 

Q.Pompeius Bíthynici l. Sosus, | Sa[t]riena P.l. Salvia                                  1
uxsor frug(i), | opsequentes et concordes
Esquileis ab aqua | conclusa fecer(unt) sib[ei] et sueis et digneis.
|
Dum suppeditat vita inter nos annos LX viximus concordes, |
morte obita ut monument[[o]]um haberemus, fecimus vivi.| Studium        
5
et Acme l(ibertae), ut una conderemus, conditivom | cubiculum
fecerunt.
| Hoc mon(umentum) hered(em) | non sequetur.

 

Quintus Pompeius Sosus, vrijgelatene van Bithynicus;
Satrienia Salvia, vrijgelatene van Publius, zijn ingetogen vrouw,
hebben dit uit eigen beweging en in goede verstandhouding gemaakt,
Op de Esquilinus, weg van van het reservoir,
voor zichzelf en voor hun familieleden die het waard zijn.
Zolang het leven toestroomde, hebben we met elkaar 60 jaar  geleefd, eensgezind.
Om een gedenkteken te hebben na door de dood te zijn geveld,
hebben we het laten maken toen we nog in leven waren.

De vrijgelatenen Studium en Acme hebben hun laatste rustplaats laten maken,
opdat we hen samen met ons zouden begraven.
Dit monument zal niet overgaan op een erfgenaam.

 

Monument: Rome, tussen de Mons Oppius en de Mons Cispius in de buurt van de Thermen van Trajanus. Marmeren gedenksteen geplaatst op een graf van peperin (lapis albanus), dat naast het grafmonument van de Statilii stond. Het tablet was in 12 stukken gebroken; gedeeltes hiervan werden teruggevonden in de bodem, de andere fragmenten waren ingewerkt in de muren van het hogergelegen columbarium. Wordt nu bewaard in de Galleria di congiunzione van de Capitolijnse musea.

Datering:  periode van Caesar. Sosus werd vrijgelaten door  Pompeius. Pompeius was in 74a legaat in Bithynië om dit gebied te reorganiseren en in te richten als Romeinse provincie. Daarvoor kreeg hij het cognomen Bithynicus.[389]

Taalkundig-inhoudelijk: door Bücheler in de CLE opgenomen omdat het een opeenvolging is van jamben en trocheeën, maar dit is geen metrisch carmen.

r.3: aqua conclusa: enige attestatie. Ongetwijfeld was het een voorraadbekken van een van de aquaducten.[390]

Suis: leden van de familie of die zij als familie beschouwen: et geeft hier een nadere bepaling van suis: …voor hun familieleden, of liever voor hen die het waard zijn. cf OLD s.v. et (3): or rather

r.4: suppeditat: intransitief. Gaffiot s.v;: être en abondance, en quantité suffisante sous la main = rijkelijk voorhanden zijn = toestromen.

r.5: Studium moet de naam van een vrijgelaten vrouw zijn, waardoor ook het meerv. fecerunt verklaard wordt.[391]

Statuut en milieu: Gemengd graf van een liberti echtpaar en hun liberti vrienden (filiatie en expliciete vermelding), misschien hun conliberti. Opdrachtgevers zijn het echtpaar.

Literatuur:   Lanciani (1880) 31   ׀׀   Diehl (1964) 648add   ׀׀  

 

 

CIL I² 1221                                                  VI: 9499; ILLRP: 793; CLE: 959; ILS: 7472

Lucius Aurelius Hermia, vrijgelatene van Lucius, slager op de Viminalis;
Aurelia Philematio, zijn vrouw en medevrijgelatene.

 

Linkerkant:

 

[L.Au]relius L.l. | [H]ermia | [la]nius de colle | Viminale |                           1

[H]a
̣̣ec quae me faato | praecessit corpore | casto |
[c]oniunxs una meo | praedita amans | animo,|
[fi]do fída viro veixsi[t] | studio parili, qum |
nulla in avaritie | cessit ab officio |                                                              
5
A]urelia L.l. |

 

Rechterkant:

 

Aurelia L.l. | Philematio |

Víva Philematium sum | Aurelia nominitata, |
casta, pudens, volgei | nescia, feida viro. |
Vir conleibertus fuit | eidem, quo careo | eheu, |                                         
10
ree fuit ee vero plus | superaque parens. |
Septem me naatam | annorum gremio | ipse recepit;
XXXX | annos nata necis poti|  or. |
Ille meó officio | adsiduo florebat ad omnís |

 

5: avaritie  lapis   :   amaritie  Schrader, Hauptius, Warmington (1940)

 

Lucius Aurelius Hermia, vrijgelatene van Lucius, slager op de Viminalis
Deze vrouw die me in de dood is voorgegaan, zuiver van lichaam, mijn enige echtgenote, die van mij hield en mijn hart bezat,
heeft loyaal geleefd voor haar trouwe echtgenoot, even groot was hun gehechtheid aan elkaar.
Nooit heeft zij in harde tijden verzaakt aan haar plicht.

Aurelia Philematio, vrijgelatene van Lucius.
Tijdens mijn leven werd ik Aurelia Philematium genoemd, een eerbare en eenvoudige vrouw, onbesproken, trouw aan mijn man.
Mijn man was mijn medevrijgelatene, die ik mis, ach
In werkelijkheid was hij nog meer dan een vader voor mij.
Ik was zeven jaar oud toen hij mij onder zijn hoede nam.
Nu, 40 jaar oud, ben ik in de greep van de dood.
Dankzij mijn niet aflatende zorg gedijde hij in alles.

 

Monument en vindplaats: Rome, Via Nomentana, gevonden in 1592 (1593?). Nu in het British Museum. Tablet uit travertin (58 x 100 cm), waarvan de linkerkant is afgebrokkeld. De twee tekstvlakken zijn gescheiden door een reliëf, dat een man en een vrouw voorstelt,de vrouw kust de hand van de man. Scheidingspunten tussen de woorden. In r.13 staat or (< potior) op de volgende regel, door een sigmavormig scheidingsteken afgezonderd van het volgende vers. Deze tekst is opgesteld aan de hand van een goede foto van het British Museum. De verdwenen passages zijn aangevuld met de lezingen van Sirmondius (ms. Paris Lat. 1419; 458) en Donius (ms. Vaticanus 7113 f. 91) zoals ze opgenomen zijn in CIL I².

Datering: verschillende argumenten voor de datering zijn voorgesteld. Vessberg dateert tussen 100a en 75a op basis van stijlkenmerken in de portretten en de drapering op het relief, met verwijzingen naar gelijkaardige stijlkenmerken op bepaalde munten uit dezelfde periode.[392] De orthografie is door de klinkergeminatio (faato, ree… ee, naatam) duidelijk beïnvloed door Accius en bevestigt deze datering.

Taalkundig-inhoudelijk:  regelmatig elegisch distichon. In r.13 moet XXXX voluit als quadraginta gelezen worden, met elisie van de daaropvolgend A in annos.

 

r.2: faato: het fatum is een hogere macht die absolute zeggenschap heeft over een mensenleven en zijn stervensdag nog tijdens zijn leven bepaalt. Het duikt veel op in metrische grafschriften en wordt vaak gebruikt als synoniem voor de dood.[393]

r.9: volgei nescia: onbekend bij het volk, dus: onbesproken.

r.10: quo careo, eheu: hier spreekt de overleden vrouw over haar echtgenoot, die dan nog in leven is. De vrouw is de man wel voorgegaan in zijn lot (de dood), maar ze zegt toch dat ze hem mist. Hier fungeert het carmen als de stem uit het graf.[394]

Milieu: Ze zijn Beiden vrijgelatenen met gentilicium. Na door dezelfde meester te zijn vrijgelaten, zijn ze getrouwd. Ze hebben hun geluk beproefd als kleine ambachtslieden die het, te oordelen aan het monument, niet slecht gedaan hebben. Het monument is door de man aan zijn dode vrouw opgedragen, maar het moest hun beider graf worden. Het laatste vers drukt in feite zijn waardering voor haar het beste uit: dank zij haar steun zijn z'n ondernemingen een succes geworden.

Literatuur:  Warmington (1940) 22   ׀׀   Diehl (1964) 584   ׀׀   Imagines 303   ׀׀   De Rosalia (1972) n° 54   ׀׀   Misch  (1949) 232   ׀׀   Vessberg  (1941) 180 –183 (afb. 14-2 en 15-1)   ׀׀   De Rosalia (1972) n° 54   ׀׀   Lindsay (1897) 91-92   ׀׀   Massaro M. (1992) 41-44   ׀׀   Bücheler (1965) I, 400-401

 

 

CIL I²: 1222                                                                                  VI: 6051; CLE:  969

Nymphe

 

Sei quis havet nostro conferre dolore,                                   1
adsit nec parveis flere quead lachrymis.
quam coluit dulcí gavísus amore puella(m)
hic] lo[cat] infelix, unica quei fuerat
[---] fatorum tempora Numphe.                                 
5
[---erept]a domu cara sueis tegitur,
[---]us et eo laudata figura
[---]c est paruos et ossa cinis.

 

  2. flere quead  Bücheler :   flereque ad  lapis    3. í pro I-longa (dulcí gavísus)

 

Als iemand zich geroepen voelt in mijn verdriet te delen,
laat hem welkom zijn en zijn tranen de vrije loop laten.
De dochter, die hij vreugdevol en met een innige genegenheid heeft
                                                                         grootgebracht,
heeft een ongelukkige vader hier begraven, de enige dochter die hij had,
…de uren van haar lot ... Nymphe…,
…nu is zij, die dierbaar was voor haar familie… weggerukt (?) van haar thuis en
                                                begraven.
…en daarom een veelgeprezen verschijning,
... is ze … een nietig hoopje as en gebeente.

(alternatieve vertaling in de inhoudelijke bespreking)

 

Monument: Gevonden in Rome in een colombarium nabij de Porta Praenestina. Marmeren tablet met zeer kleine letters, gebarsten. Links is de onderste hoek afgebroken. Wordt nu bewaard in het Museo Nazionale.

Datering: Periode van Cicero en Caesar. Marmer (tabula marmorea) sluit een datering vóór 65a vrijwel zeker uit. Het gebruik van de Griekse letter Y (lachrymis) werd pas laat in de Republiek ingevoerd. De verwarring in de spelling (cf. supra.) laat vermoeden dat we in een overgangsperiode zitten, nog niet lang na de invoering van de Y, in de laatste decennia van de Republiek. Dat wordt ook inhoudelijk bevestigd door laudata figura: aan het einde van de Republiek en in de vroege  Keizertijd onderging ook het ideaalbeeld van de vrouw een paar wijzigingen: het huiselijk, vlijtig en zedig vrouwtje dat thuis wol zat te spinnen (frugi, casta, pudens, domiseda, lanificia etc.) kreeg nu ook meer wereldse trekken; schoonheid en een goed figuur konden ook op waardering rekenen [395]

Taalkundig-inhoudelijk: Een elegisch distichon is herkenbaar, maar in het eerste vers ontbreekt een voet. (Bücheler stelt nostro proprium conferre voor om er een hexameter van te maken). R.2 en 3 respecteren het normale metrische schema en ook de bewaarde restanten van de rest van de inscriptie volgen het metrum.  De andere  aanvullingen zijn eveneens van Bücheler. R.4 hic] lo[cat] is een normale wending,  en r.6 erept]a past in de gebruikte thematiek. De overige aanvullingen zijn minder verantwoord, maar volgen wel de algehele strekking:

Dum contracta sinunt] fatorum tempora Numphe. / nunc erept]a domu cara sueis tegitur, / omne decus uolt]us et eo laudata figura / umbra leuis nun]c est paruos et ossa cinis.
Zolang de beknotte uren van haar lot het gedoogden. Nu is zij, die dierbaar was voor haar familie, weggerrukt van haar thuis en begraven. Een en al schoonheid en daardoor een veelgeprezen verschijning, is ze nu een vluchtige schim, een nietig hoopje as en gebeente.

r.1: havet = avet (aveo: OLD 1: to be eager or anxious, desire, long, yearn).    

dolore = dativus [396] ; Wolters conferre alcui rei: bijdragen in iets, ter vergelijking samenbrengen.

Nostro: beleefdheidsmeerv. dat verwijst naar de infelix in r.4    

r.2: quead: Imperat. / conj. met uitgang op d.[397] Nec…quead is een thmesis van nequeo.

adsit nec parveis flere quead lachrymis: letterlijk: 'laat hem er dan bij zijn en niet in staat zijn te weinig tranen te vergieten.'

De eerste twee verzen zijn een variatie op het gangbare aanspreking van de voorbijganger en het verzoek om mee te rouwen bij het graf van de dode.[398]

r.3: dulci: wordt in grafschriften meestal gebruikt voor goeie vrienden, intimi en geliefden, soms met een erotische inhoud.[399]

puellam: in inscripties verwijst puellam naar meisjes onder de 10 jaar of naar pasgehuwde vrouwen.[400]

r4: infelix: de dedicant, het moet om haar vader of haar kersverse echtgenoot gaan.

quei: dativus[401] possesoris. Dit geeft ons geen uitsluitsel over de identiteit van de infelix: het kan om haar vader gaan, en puella unica quei fuerat is te verstaan als enige dochter. Maar ook haar echtgenoot kan zo zijn verdriet uitgedrukt hebben:  unica quei fuerat moet dan niet begrepen worden als 'mijn enige echtgenote,' maar wel als een compliment voor zijn overleden vrouw: 'de enige vrouw die voor mij belang had.'

r.5: Numphe: kan een eigennaam zijn maar kan ook staan voor een Latijnse transcriptie van : bruid, pasgehuwde vrouw. Opmerkelijk is de verwarring in schrijfwijze met u in Numphe, waar de normale spelling Nymphe zou zijn, en in Lachrymis waar de normale spelling lacrima / lachrima of lacruma / lachruma is.

De moeilijkheid met de gebruikte terminologie is dat niet kan uitgemaakt worden of hier een vader zijn jonge dochter begraven heeft, of een man zijn kersverse bruid. De vertaling kan net zo goed luiden:

 

Zijn jonge vrouw, die hij vreugdevol en met een innige genegenheid heeft aanbeden,
Heeft een ongelukkige man  hier begraven, de enige vrouw die voor hem belang had,
een jonge bruid…de uren van haar lot ...

 

En zelfs hier kan Nymphe nog als naam gebruikt zijn.

Laudata figura is eerder iets dat van een geliefde echtgenote gezegd wordt dan van een dochter die nog geen 10 jaar oud is. Misschien toch een jonge bruid? Dit grafschrift is bijzonder omdat het eerder de bedoeling heeft het verdriet van de dedicant uit te drukken dan de herinnering aan de overledene te bewaren.[402]

Statuut en milieu: incerta zonder gentilicium.

Opdrachtgever: de infelix uit de inscriptie: haar vader of haar echtgenoot. De vraag is hoe we de afwezigheid van zijn naam moeten opvatten: stond de naam ergens anders op geschreven?  Of had de vermelding van een naam met eventuele verwijzing naar status minder belang dan de oprechte uiting van verdriet en wanhoop? De meer verfijnde variaties op de gangbare themata, de regelmaat in het metrum, de thmesis in r.2 en de archaïserende spelling van lachrymis verraden een zekere literaire verfijning.

Literatuur:  Warmington t 28 n° 62   ׀׀   Diehl (1964) 684   ׀׀   Massaro M. (1992) 46-47

 

 

I² 1223                                                                                        VI: 23551; CLE: 970

[---]lius Optatus, vrijgelatene van Publius en Clodia

Amarantus. Slaaf?

 

[---] lius P. et Clodia‹e› l. Optatus | vixit annos VI M VII|                             1

 

Hic me] florentem mei combussere parentes.|
uixi d]um licuit superís acceptior unus,|
quoi nemo po]tuit uerbo maledícere acerbo.|
[---]ad superos quos pietas cogi [---]|                                                                                5
[---]modeste nunc vos quon[---].|
[---]tís dicite Optate sit [tibi terra levis]|

[---]o annorum nondum|
[---c]um ad mortem matris [de gremio rapior].|
[---]Manibus carus fui, vivos cari[ssimus illi,|
                                                                               10
adverseis quae me sustulit o[minibus.|
desine iam frustra, mea mater, [desine fletu|
te miseram totos exagitare die[s.|
namque dolor talis non nunc tibi [contigit uni,|
haec eadem et magneis regibus [acciderunt.|
                                                                               15
Clara Amaranto[---]|
av[---]|

 

(í = I-longa in lapide)


…lius Optatus, vrijgelatene van Publius en Clodia, heeft zes jaar en zeven maanden geleefd.

Hier hebben mijn ouders me in de bloei van mijn leven verast.
Ik heb geleefd zolang het me gegund was, meer dan geliefd bij de mensen op  aarde,
ik, over wie niemand een kwaad woord kon spreken.
[403]
… voor de hemelgoden die de toewijding dwingt (?) …
… eenvoudig… nu jullie…
… zeggen jullie dan: we hopen dat de aarde zacht voor je is, Optatus

…nog geen acht (?) jaar oud…
Toen ik uit mijn moeders schoot naar de dood wordt weggerukt.
Ik was dierbaar voor mijn afgestorven familieleden, en toen ik nog leefde bijzonder dierbaar voor haar

die me onder kwade voortekens heeft grootgebracht.

Laat, moeder, laat het geween dat nu vruchteloos is, achterwege
laat het om je ellende alle dagen opnieuw op te rakelen.
Want een dergelijke pijn raakt niet aleen jou,
dezelfde ellende overvalt ook grote koningen.

Clara…voor Amarantus...

 

Monument: Rome, aan de Porta Pincania. Roodmarmeren steen met zeer kleine, maar fraaie letters (litteris minutissimis sed elegantibus). Verloren gegaan, de tekst is gereconstrueerd naar Giorgius (sched. Casanat XVI uit 1736) voor r.1 - r.8; Amadutius (= Marini, codex Vaticanus 9127 f. 231 en anecd. 2  p. 481 uit 1773) na een autopsie. De lacunes zaten toen al op de steen.

Meer dan waarschijnlijk hebben we hier te maken met twee verschillende inscripties of een inscriptie voor twee verschillende personen.: de spatie na Optate is al een aanwijzing in die richting. De vocatief Optate gevolgd door sit veronderstelt een formule zoals sit tibi terra levis, die gewoonlijk pas aan het einde van een inscriptie wordt gevonden. Indien r.8 met octo kan worden aangevuld,[404] hebben we bovendien met twee verschillende leeftijden te maken. De scheiding tussen de twee carmina is in de mss. enkel weergegeven bij Amadutius.

Datering: periode van Cicero op basis van gelijkenissen met CLE 971, waarop ook de aanvulllingen gebaseerd zijn. Het betreft hier een grafschrift voor Arbuscula, een mimespeelster uit de tijd van Cicero.

Taalkundig-inhoudelijk: het praescript is niet metrisch; r.2, 3 en 4 zijn hexameters, maar de volgende drie regels zijn te lacunair om een metrische indeling te kunnen onderscheiden. Als we in r.7 de aanvulling sit [tibi terra levis] accepteren, pleit dit ook voor een metrische opbouw van deze regel, gezien deze formule in prozainscripties bijna altijd wordt afgekort.  r.8 (een tweede praescript?), 9, 10 en 11 zijn eveneens te lacunair of te onnauwkeurig overgeleverd om tot een metrische of niet-metrische opbouw te kunnen besluiten. R.12, 13, 14 en 15 zijn elegische disticha. Het postscriptum is niet metrisch.

In r. 2, 3 en 4 berusten de aanvullingen op een identieke lezing van CLE 971 dat van veel latere datum is (en wel is overgeleverd.)[405]

r.2: combussere < comburo, alternatiefvorm perf. 3 mrv.

r.3: acceptior: comparativus pro superlativo, nog versterkt door unus

superis: betekent hier niet de hemelbewoners of de goden. In juxtapositie met de doden betekent het de levenden, de mensen op aarde en dit jongetje spreekt vanuit het graf. (Zie Gaffiot s.v. superus 2: qui est en haut par rapport aux enfers, qui occupe la région supérieure  = la terre…d' ou superi , ceux d'en haut, les hommes, le monde.)

r.10: Manibus: de zielen van de overleden verwanten. Hij bedoelt waarschijnlijk zijn familieleden die voor hem gestorven zijn. Zij hielden veel van hem toen ze nog in leven waren.

illi…sustulit: zijn moeder die hem heeft opgevoed. Sustuli (Wolters s.v. tollo): "van de grond opnemen en als zijn kind erkennen", in meer algemene betekenis: "opvoeden". Dit gebeurde normaal door de vader, mogelijk is dit een kind uit een onwettig verbintenis (cf. infra). Warmingtons vertaling lijkt hier onwaarschijnlijk =…very dear to the godess who made away with me.

r 11: ominibus < omen, -inis: voorteken ( niet < omnis, -is, -e). Adverseis ominibus: abl. abs.

Statuut en milieu: Optatus is zekere vrijgelatene.  [---]lius moet oorspronkelijk een gentilicium geweest zijn. Dit was de gebruikelijke woordvolgorde en aangezien het praescript niet metrisch is, was er geen reden om van deze volgorde af te wijken. Bovendien is er ruimte genoeg op de steen voor een praenomen (afgekort) en een gentilicium. Optatus is een normaal Romeins cognomen.[406] Zijn praenomen zal hoogstwaarschijnlijk Publius geweest zijn, hetzelfde als dat van zijn patronus.

Amarantus is een Grieks cognomen en wijst waarschijnlijk op een slaaf, gezien hij in de eerste plaats met zijn cognomen wordt vernoemd.[407] Maar door de Lacune op de steen is niet duidelijk of er nog namen volgden, hoewel het cognomen bijna altijd de laatste plaats inneemt.[408] Haec eadem et magneis regibus [acciderunt]: kan als contrast opgevat worden met een reële eenvoudige afkomst van het milieu van Amarantus. (d.i. als we deze lezing of de algemene strekking van deze lezing aanvaarden),[409] maar dit is een zwak argument om tot humiliores te besluiten. Een betere indicatie zijn de namen: Amarantus is een Grieks cognomen[410] en griekse cognomina wijzen vaak een slavenmilieu aan. Clara, de naam van zijn moeder, is een cogomen dat veel gebruikt werd in slavenmilieus[411] en het vermoeden van een slavenstatuut of slavenachtergrond meer grond  geeft.

Opdrachtgevers: zijn moeder Clara. De inscriptie is de uiting van haar verdriet en haar naam is aangegeven in het postscriptum. Bij Optatus zijn de ouders de opdrachtgevers. (…combussere parentes…). Gezien Optatus een vrijgelatene was, moet zijn moeder op het moment van de geboorte een slavin geweest zijn, anders had hij een filiatie met haar gentilicium (of dat van zijn vader) gekregen. Mogelijk is Optatus pas bij zijn dood vrijgelaten en is zijn moeder nog steeds een slavin. In het andere geval is ze pas na zijn geboorte vrijgelaten.[412] Over zijn vader is de onduidelijkheid nog groter: aangezien met slaven geen conubium bestond en kinderen uit een onwettige relatie het statuut van hun moeder volgen, valt uit de inscriptie niet af te lijden of hij ingenuus, libertus of servus is. 

Literatuur:  Warmington (1940) 30 n°65   ׀׀   Massaro M. (1992) 44-46

 

 

CIL I² 1251                                                                     VI: 12668; ILLRP: 948; CLE: 139

Publius Atinius Niceporus, vrijgelatene van Publius & Publius

 

P.Atíníus P, P.l. | Nicepor(us) |
monumentum | me vívo aedific | aví et in meo| / (?) monumento

 

(í   :  I-longa) 

 

Van Publius Atinius Nicephorus, vrijgelatene van Publius en Publius.
Ik heb dit monument nog tijdens mijn leven voor mij laten oprichten
en in mijn monument …
 

Monument en vindplaats: travertin. Grote oude letters. Rome, Nu in de Vatikaanse musea.

Datering: Literis magnis et antiquis (CIL). De I-longa en de aspiratie in de naam geven als terminus post quem het einde van IIA, het gebruik van de trianomina bij een vrijgelatene wijst op een periode vanaf Sulla of later.

Taalkundig-inhoudelijk: regelmatige jambische septenarius als we de tekst nemen zoals hij er  staat, [413] ofschoon hij een onvolledig indruk geeft². De steen zelf lijkt  intact zodat we de mogelijkheid van een volledig vers moeten aannemen. Andere mogelijkheden: de rest stond op een andere steen, die niet is teruggevonden. Of de steenkapper heeft de inscriptie niet afgemaakt. Het is ook mogelijk dat de steen, voor hij gevonden werd, mooi is doorgezaagd of gekliefd met de bedoeling hem voor iets anders te gebruiken.

Als we aanvaarden dat een stuk van de steen is verloren gegaan, hebben we een regelmatige jambische senarius tot meo. Monumento kan dan het begin zijn van een volgende jambische senarius met een anapest als eerste voet. Ik acht dit het meest waarschijnlijk: een zeugma met een absoluut gebruik van aedifico lijkt hier uitgesloten: wat zou daarvan de betekenis moeten zijn? Ook de verklaring dat situs sum (dat metri causa achterwege is gelaten) moet bijgedacht worden, lijkt me weinig waarschijnlijk.

Er rest ons dus een tekst die duidelijk onvolledig is. Zelfs al gaat men er van uit dat het atelier hier gestopt is (misschien kon de klant niet alles in een keer betalen toen hij nog vivus was, en was hij al dood voor hij een volgende aflossing op tafel kon leggen), dan nog moet men toegeven dat hier een onvolledig carmen staat.[414]

Verder staat hier niet veel meer dan een geijkte formule, misschien een tweede: de aanvulling van Bücheler lijkt inhoudelijk goed houdbaar.

Statuut en milieu: Vrijgelatene van twee personen.[415] Vermits Nicephorus slechts één gentilicium opgeeft, zijn beide Publii van de gens Atinius. De twee belangrijkste mogelijkheden: vader en zoon heten Publius, of de Publii Atinii zijn broers.

Atinius is als gentilicium een nevenvorm van Attius , afgeleid van Attus, een zeer oude Italische naam.[416] De gens Attia was een Plebejisch geslacht, van oorsprong uit Aricia. Na de 2de Punische oorlog hebben enkelen de Praetuur bereikt, maar geen consulaat. De naam wordt tot in de Keizertijd aangetroffen bij humiliores en verder nog in de muncipia.[417] Er zijn geen Publii Antinii van betekenis overgeleverd in  de bronnen.

Nicephor is in Rome een veel voorkomend cognomen.[418] Hij is zelf de opdrachtgever van zijn grafschrift. (…me vivo aedificavi…)

Literatuur: PMLE tab. XCII D (afb.)   ׀׀   Massaro (1992) 33  

 

 

CIL I², 1259                           VI: 37806; ILLRP: 802; CLE: 1867app; DES: 7480

Quintus Brutius, zoon van Publius van de tribus Quirina;

Brutia Rufa, vrijgelatene van Quintus.

 

Q.Brutius | P.f. Quir(ina) v(ivus) | mercator bova(rius) | de Campo, heic | cuba(t).
Frugi, |castu(s), amabili(s) | om{i}nibus. |
Brutia Q.l. Rufa | pia patrono, | dum vixsit, | placuit

 

1. v(ivus)   Dessau, Massaro  :  v(ivit)   Degrassi, Warmington       bova(rius)  :  forsitan Bova(rio)  Degrassi
 

Quintus Brutius, zoon van Publius van de tribus Quirina,
tijdens zijn leven een veekoopman van de Campus Martius, ligt hier.
Een degelijk man, achtenswaardig, beminnelijk voor iedereen.
Brutia Rufia, vrijgelatene van Quintus.
heeft vroom haar patronus tevreden gesteld zolang hij in leven was.

 

Monument en vindplaats: Rome stad, gevonden in een colombarium op de Via Salaria, links van de Carmelitessenkerk. Cippus uit travertin. Het monument was in slechte staat toen het gevonden werd, al in de Oudheid had iemand de steen gebruikt om een trap te herstellen.

Datering: Periode van Sulla of later. Het ontbreken van een cognomen bij Quintus Brutius (ingenuus) en enkele oudere orthografische varianten (heic (1) voor hic en vixsit (3)voor vixit) plaatsen deze inscriptie voor het begin van het Principaat. Het cognomen Rufa bij een liberta, die bovendien het gentilicium van haar vroegere meester voert, geeft ons een terminus post quem rond de periode van Sulla. Het opgravingsverslag vermeld oudere letters zonder verdere specificatie.[419] Een meer afgebakende datering is op basis van de bestaande gegevens niet mogelijk.

Taalkundig-inhoudelijk:  metrum: de metrische intentie is niet echt uitgesproken. De regel  frugi, |castu(s), amabili(s) | om{i}nibus kan gescandeerd worden als een dactylische tetrameter,[420] maar dit is mischien eerder toeval. Op de steen loopt de tekst gewoon door zonder enige aanduiding voor een mogelijk vers. Tevens moeten we dan uitgaan van een verbeterde versie: als we ominibus aanhouden, hebben we een lettergreep te veel in de laatste voet. Ander argument dat tegen metrische bedoeling van deze inscriptie spreekt, is een gebrek aan symetrie: de laudatio voor Brutia is in proza (pia patrono, dum vixit, placuit). De tetrameter staat daar dan een beetje verloren tussenin. Voor Massaro is het metrisch karakter evenwel houdbaar: het formaat van de steen liet geen betere schikking van de tekst toe en volgens hem is er een duidelijke scheiding tussen het praescriptum (dat eindigt met heic cubat) en de kleine laudatio.

Dit grafschrift laat nog op enkele andere plaatsen ruimte voor twijfel.

v(ivus) moet volgens de normale epigrafische conventies betekenen vivus fecit (heeft dit nog tijdens zijn leven gemaakt)  en wordt o.a. zo door Warmington en Degrassi uitgelegd.[421] Dit zorgt echter voor een inhoudelijke inconsistentie: uit het masculinum castu(s) kunnen we opmaken dat de lofuiting voor hem bedoeld is, en komt ze logischerwijze eerder van de vrouw dan van hemzelf. In dat geval heeft zij de steen laten optrekken en kan v(ivus) niet vivus fecit betekenen. Het onderwerp van vixsit is dan waarschijnlijk Q. Brutius.

Het valt natuurlijk niet uit te sluiten dat Q. Brutius zelf zijn goede eigenschappen wou exposeren en dat hij tevens Brutia Rufa op de steen wou plaatsen. In dat geval kan v(ivus) wel als v(ivus fecit) geïnterpreteerd worden, als we een andere interpunctie hanteren: een punt na …Campo en een nieuwe zin vanaf heic…. De liberta is misschien wel voor haar patronus overleden en het onderwerp van vixsit is dan veeleer Brutia Rufa.

r1: mercator bova(rius) | de campo: een veekoopman van de Campus Martius.[422] Misschien beter: mercator Bova(rio) | de Campo: een koopman van Campus Boarius. De Campus Boarius is waarschijnlijk een andere naam voor het Forum Boarium. Het Forum Boarium, oorspronkelijk de veemarkt van Rome, groeide later uit tot een drukbevolkte en dichtbebouwde wijk en een verkeersknooppunt.[423] Als bovarius als beroep moet verstaan worden, stond Q. Brutius mee in voor de vleesbevoorrading van Rome.[424]

r2: om{i}nibus voor omnibus. Het alternatief hominibus is wel houdbaar voor de betekenis van het vers (“beminnelijk voor de mensen”),[425] maar geeft metrisch problemen.

Al deze bezwaren in aanmerking genomen, kan het gedicht dus ook als volgt vertaald worden:
Q. Brutius, zoon van Publius, een koopman van het Forum Boarium, heeft dit tijdens zijn leven gemaakt. Hier ligt hij, een degelijk man, achtenswaardig en beminnelijk voor de mensen. Brutia Rufa, vrijgelatene van Quintus, heeft vroom haar patronus tevreden gesteld, zolang zij in leven was.

Statuut en milieu: Gemengd graf. Quintus Brutius is zeker ingenuus, Brutia Rufia zijn vrijgelatene. Wie de eigenlijke opdrachtgever van de inscriptie was, blijft onzeker, maar mijn inziens moet in de eerste plaats aan worden Brutia Rufa gedacht. Mogelijk is ze vrijgelaten bij zijn dood, of al vroeger informeel vrijgelaten,[426] en de inscriptie was dan het “officiele” document dat deze vrijlating en haar statuut bevestigt tegenover de gemeenschap.[427] Misschien heeft hij haar om deze inscriptie verzocht als wederdienst. Treggiari denkt  dat hij met haar in concibunaat leefde.[428]

Literatuur:   Warmington (1940) 32 n°68   ׀׀   Gatti (1902)  54   ׀׀   Diehl (1964) 689add   ׀׀    Massaro (1992) 33
 

 

CIL I³, 1270                                                                  VI: 14397; ILLRP: 980; CLE: 364

Carfinia [M.?], vrijgelatene van Marcus.

 

Carfínia M.l. M[- - -] | víxit an(nos) XX,[---] |
Iucunda sueis, | gratissima amíceis, | [o]mnibus officiosa | fuit.

 

(ípro I-longa )  1. XX[---] lapis   :   XX [V ?]  Bücheler:  XX   Degrassi

 

Carfinia M [---], vrijgelatene van Marcus, werd 20 jaar oud.
Ze was innemend voor haar verwanten, en een en al minzaamheid voor haar vrienden en attent voor iedereen.

 

Monument en vindplaats: Rome. Marmeren stèle, nu in de Capitolijnse musea

Datering: Marmer geeft ons een terminus post quem rond 65a. De klankgroep EI wordt hier correct gebruikt en geeft bijgevolg geen sluitend dateringscriterium. Het pakket attributen dat aan de vrouw wordt toegeschreven, pleit eerder voor een datering op het einde van de Republiek of zelfs aan het  begin van de Keizertijd.

Taalkundig-inhoudelijk: anapestische octonarius,[429] een metrum van de scenische metriek.

Iucundus: OLD  '(of persons) delightful to be with, congenial': sympathiek.

Officiosa: OLD  'Always ready to fulfil the obligations due to a friend, superior etc., dutiful, attentive, solicitous or sim.'; het substantief officium slaat normaal op wederzijdse dienstbaarheid tussen gelijken, maar wordt ook gebruikt voor eerbiedig en gedienstig gedrag van een persoon tegenover iemand met hogere sociale status.[430] Ook hier merken we weer een accentverschuiving op in de eigenschappen, waarover een goede vrouw moet beschikken. Een charmante verschijning kan op bijval rekenen.[431]

Statuut en milieu: vrijgelatene. geen gegevens van een mogelijke dedicant. Carfinia is afgeleid van een gentilicium Carfinius, waarover in de bronnen weinig is terug te vinden. Haar cognomen is niet meer leesbaar.

Merk op dat ze haar leeftijd vermeldt. De beschadigingen op de steen laten echter geen exacte lezing toe.

Literatuur:  Warmington (1940) 32 n° 69   ׀׀   Massaro (1992) 28

 

 

CIL I³ 1283                                                                     VI: 15735; ILLRP: 964; CLE: 210

Publius Clodius Felix en Clodia Athenais, vrijgelatenen van Pulcher.

 

P.Clodi Pulchri | l.
Felicis /(?) | semper qui fuit | dulcis sueis.
|
V(iva) Clodia Pulc(hri) l. Athenais.

 

Van Publius Clodius Felix, vrijgelatene van Clodius Pulcher,
die steeds beminnelijk was voor zijn vrienden.
Vanwege Clodia Athenais - nog in leven - een vrijgelatene van Clodius Pulcher.

 

Monument en vindplaats:  marmeren tablet, oorspronkelijk uit Rome, maar later door Mommsen gezien in een privéwoning in Sena Gallica (nu Sennigallia). Niet bekend waar de inscriptie zich nu bevindt.

Datering: late Republiek, periode van Caesar en Cicero. De patronus van deze beide vrijgelatenen kan geïdentificeerd worden met P. Clodius Pulcher, die praetor en auguur is geweest (onbekend in welk jaar).[432] De clodii (Claudii) hebben in Rome generatie na generatie in het centrum van de macht verkeerd. De vader van deze  P. Clodius Pulcher was de volkstribuun van 58a,[433] gezworen vijand van Cicero en Milo en door deze laatste in 52a vermoord. Clodia, zijn zus was een bekende society figuur en wordt vaak geïdentificeerd met Lesbia, de grote liefde van de Catullus.

Taalkundig-inhoudelijk:   regelmatige jambische senarius, vanaf Felicis. Massaro’ s voorstel is om de bovenste en onderste regel met de naamgeving als proza te beschouwen en het elogium (semper qui fuit dulcis sueis) dat er tussen staat te scanderen als een jambische quaternarius met jambenkorting van fuit.