Latijnse epigrafische poëzie uit de republiek. Repertorium, vertaling en studie. (Wouter Keuleers)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

2. REPERTORIUM

 

2.1 TITULI SEPULCRALES

 

Elogia Scipionum

 

Het graf is ontdekt in het begin van de 16de eeuw, in vergetelheid geraakt en herontdekt in 1780. Tussen 1926 en 1929 werd het gerestaureerd. Bij de opgravingen zijn in een aantal sarcofagen nog stoffelijke resten van de overledenen teruggevonden. Plaats: op de Via Appia aan de Porta Capena, op 300 m. van de later gebouwde muur van Aurelianus.

De Cornelii hebben lang vastgehouden aan de gewoonte om hun overledenen te begraven, toen crematie al lang ingeburgerd was in Rome. Sulla was de eerste Cornelius die zich liet cremeren.[126] Vandaar ook de nood aan een ruim bemeten familiegraf. De grafkelder werd kort na de aanleg van de Via Appia (312a) gebouwd, waarschijnlijk door Barbatus zelf of misschien door zijn zoon. In eerste instantie bestond het uit een onderaards gewelf, waarin ca 32 of 33 loculi (begraafplaatsen) zijn gevonden. Later is aan de zijkant nog een crypte toegevoegd, waar 6 of 7 mensen konden worden begraven. Deze aanbouw moet rond 130a zijn uitgevoerd. De oorspronkelijke gevel was naar de via Appia gericht en uitgehakt uit de plaatselijke tufrots en met eenvoudige sierelementen en schilderwerk opgesmukt. In een later stadium is er ook een siergevel gebouwd. Deze siergevel was naar het noorden gericht, naar Rome en keek niet uit op de Via Appia zelf, maar op een zijweggetje dat de Via Appia met de Via Latina verbond. Enkel het onderste deel ervan is redelijk goed bewaard. Drie bogen geven toegang tot de verschillende vertrekken van het graf: de middenste is de ingang tot de centrale crypte, de rechtse tot de later bijgebouwde crypte, de linkse tot een ronde erker die niet als begraafplaats diende. Verder weten we uit een beschrijving van Livius[127] dat 'er drie standbeelden stonden, van twee ervan werd gezegd dat ze van Publius en Lucius Scipio waren. Het derde was van de dichter Quintus Ennius.'[128]

De keuze voor deze plaats was geen toeval maar had een politieke betekenis en reflec-teerde de verwachtingen van Romeinse expansie naar het zuiden.[129]  Hier waren de familiegraven van de invloedrijkste families,[130] maar alleen het graf van de Scipiones is teruggevonden. Scipio Africanus, de beroemdste telg uit deze tak van de Cornelii, lag niet in het familiegraf, maar in zijn eigen mausoleum in Liternum.[131]

De gens Cornelia was een van de oudste en meest verspreide clans van Rome en in de Republiek ongetwijfeld de invloedrijkste. Ze kan bogen op een reeks illustere figuren die een belangrijk aandeel in de geschiedenis van Rome hebben gehad. Al vroeg hebben ze zich opgesplitst in meerdere families en voerden ze als teken daarvan een erfelijk cognomen. Zo krijgen we achtereenvolgens de Cossi, de Scipiones, de Rufini, de Lentuli, de Dolabellae, de Blasiones, de Cethegi en de Merulae. De eerste Scipio die in deze crypte werd geplaatst was L. Cornelius Scipio Barbatus, die als stamvader geldt van deze tak van de familie. In de ongeveer 33 loculi van het hoofdgebouw zijn de restanten van 16 sarcofagen teruggevonden waarvan 7 met een inscriptie. In het bijgebouw lagen de resten van drie sarcofagen, waarvan twee met een inscriptie. Van 5 teruggevonden inscripties zijn de referenten ook nog bekend uit andere bronnen, de andere doden zijn niet identificeerbaar. 5 inscripties waren metrisch. Een 6de, sterk fragmentarische inscriptie vertoont sporen van een metrische opbouw, maar is moeilijk te identificeren. Naar schatting heeft slechts een kwart van het oorspronkelijk aantal inscripties de tand des tijds overleefd.[132]

 

Hieronder volgt een beknopt overzicht van de stamboom van de familie. De leden van de familie die een geversificeerd grafschrift hebben gekregen, zijn vetgedrukt. Voor de uitgebreide genealogische tabel van de familie, zie Coarelli (1972) 106 fig. R en RE s.v. Cornelius n° 323. Dit zijn de concordanties:

 

CIL I²  6/7       =   Coarelli       A         = RE s.v. Cornelius     n° 343

                        8/9                                  B                                                n° 323 

                        10                                     C                                               n° 331

                        11                                     D                                               n° 326

                        14 (fragment)               K                                                n° 317

15                                    H                                                n° 347

 

Daar de Scipiones een beperkte reeks van Praenomina gebruikten en niet allemaal een tweede cognomen of een agnomen droegen, zullen ze voor gemak van werken in deze bespreking regelmatig met de CIL nummering aangeduid worden.

 

 

Algemene literatuur:   Flower (1996) 160-184   ׀׀   Van Sickle ( 1987) 41-55  ׀׀   Van Sickle (1988) 143-156   ׀׀   Courtney (1995) 216-220   ׀׀   Till (1970) 276-286   ׀׀   Till (1984) 316-369   ׀׀   Coarelli (1973) 36-107

 

 

CIL I2 6/7                                                                      ILLRP: 3092;  CLE: 7;  ILS: 1add

Lucius Cornelius Scipio Barbatus, zoon van Gnaius

 

L. Cornelio(s) Cn. f. Scipio                                          1
                                                             
®---¯-
Cornelius Lucius Scipio Barbatus 
Gnaiuod patre | prognatus, fortis vir sapiensque -
quoius forma virtutei parisuma | fuit,-                     
5
consol, censor, aidilis quei fuit apud vos.-
Taurasia, Cisauna | Samnio cepit,-
subigit omne Loucana opsidesque abdoucit.

 

1. L. Cornelio   Piranesi  saec. 18 qui vidit     2. ®---¯-   fere omnes   :   ] eso[  Hülsen   8. Loucana   Coarelli   :   Loucanam   nonnulli priores


Lucius Cornelius Scipio, zoon van Gnaius
….
Lucius Cornelius Scipio Barbatus - uit zijn vader Gnaius
voortgekomen - Een dapper en wijs man,

van wie de verschijning helemaal in overeenstemming was met zijn flinkheid,
en die bij jullie consul, censor en aediel was,
veroverde Taurasia, Cisauna en Samnium;
Hij onderwierp geheel Lucanië en bracht Gijzelaars mee

 

 

Monument:   Op de grote sarcofaag van Barbatus, de enige sarcofaag die intact is teruggevonden. De sarcofaag was uitgehakt uit een monoliet van peperin in de vorm van een altaar en is versierd met Ionische voluten, trigliefen en rozetten. Hij bezette een prominente plaats in het familiegraf: dwars op de hoofdingang aan het einde van de corridor. Het was de enige sarcofaag die voorzien was van sierelementen. Bij de ontdekking lagen er de stoffelijke resten van een man in, waarschijnlijk van Barbatus.

In feite hebben we drie verschillende inscripties: een dipinto in rode verf op het deksel van de sarcofaag (r.1), een rasura, en de eigenlijke inscriptie. Een deel van het dipinto is vergaan, maar was bij de ontdekking nog leesbaar. Hülsen (CIL VI 31588) heeft in de rasura nog eso (van c]eso[r ?) kunnen lezen, maar dat is in geen enkele latere lezing bevestigd. Vóór het woord Cornelius (r.2) zijn nog duidelijk de sporen van een scheidingsstreepje zichtbaar, zoals die ook verder in de inscriptie worden gebruikt om de verschillende saturnii uit elkaar te houden. Het woord Cornelius staat veel verder naar rechts dan de overige regels. Op foto[133] is te zien dat de rasura zorgvuldig boven de letters van het elogium is weggehaald en dat het elogium zelf volledig op het intacte deel van het sarofaagfront staat. Als de rasura van voor het eigenlijke elogium dateert, heeft men het vrijgekomen vlak niet gerecupereerd. De andere mogelijkheid is dat de rasura pas later is gemaakt. Dit verklaart het scheidingsstreepje en het feit dat de eerste versregel zover naar rechts staat. Verder kan over de rasura niets met zekerheid gezegd worden.[134] De sarcofaag wordt nu bewaard in de Vaticaanse musea. Hij wordt gedateerd rond 270a[135] of misschien iets later.

 

Datering:  In de discussie over de datering van de scipiones-inscripties speelt de relatie-ve chronologie tussen 6/7 en 8/9 een even grote rol als de absolute datering. Daarom worden  ze hieronder samen behandeld. De gangbare overtuigingen zijn recent in vraag gesteld, zodat het me aangewezen lijkt een overzicht te geven van de voornaamste argumenten.

Als absolute terminus post quem wordt 270a aangenomen voor 6/7. Rond deze tijd vermoedt men het overlijden van Scipio Barbatus. Voor de dood van zijn zoon (8/9) gaat men uit van 240a-230a. Deze jaartallen gelden als absolute termini voor hun sarcofaag en de bijbehorende tituli. Ritschl was de eerste die veronderstelde dat de tekst van 6/7 van latere datum was dan de tekst van 8/9. Hij baseerde zich daarvoor vooral op orthografische en fonologische kenmerken en op een mogelijke verklaring voor de rasura: oorspronkelijk moet er alleen een naam en een eventueel cursus honorum voor Barbatus hebben gestaan, maar omdat zijn zoon een geversifieerd elogium had gekregen, vond men dat een dergelijk elogium ook toekwam aan de stamvader van de familie en heeft men de oorspronkelijke inscriptie vervangen. Vandaar, volgens Ritschl, de rasura.

Wölfflin heeft het idee verder uitgewerkt en kwam na vergelijkend onderzoek van in-houdelijke, fonologishe, orthografishe en paleografische kenmerken tot de conclusie dat er een grote tijdsdecallage zat tussen en de eigenlijke inscriptie en het dipinto. Hij kwam tot de volgende dateringen: bij 6/7 rond 270a voor het dipinto; voor de naamgeving en het cursus honorum rond 200a en voor  het eigenlijke elogium rond 190a.  Bij 8/9 dateerde hij het elogium eveneens rond 200a.[136] Het idee van van een 'omgekeerde' relatieve datering (i.e. een zoon krijgt elogium vóór zijn vader) is door latere onderzoekers grotendeels geaccepteerd,[137] al verschillen zij soms van mening over details of een mogelijke verklaring.[138]

De eigenlijke termini. 270a werd voorgesteld als mogelijk tijdstip voor het overlijden van Scipio Barbatus. We weten met zekerheid dat hij consul was in 298a. Van het jaar waarin hij censor was zijn we minder zeker, maar 280a is het meest aangewezen, omdat voor andere mogelijke jaren andere namen voorkomen in de fasti.[139] Als hij rond zijn 45ste consul is geweest (de normale leeftijd voor het consulaat) en 75 jaar een normale ouderdom was, kunnen we voor het jaar van zijn overlijden inderdaad rond 270a aannemen.[140] Dit sluit aan bij de bevindingen van Coarelli, die het type sarcofaag en het gebruikte materiaal op kunsthistorische gronden in die periode dateert.[141]

Voor een terminus ante quem  geven de paleografie en de fonologie/orthografie jaartallen tussen 150a  en 170a aan.

- De hoekige L en de vierkante, open  komen na 150a niet meer voor. Er mag uitgegaan worden van 170a omdat de paleografie niet jonger kán zijn dan die van de elogia voor Scipio 10 en 11 en van deze inscripties wordt de oudste tussen 180a en 160a gedateerd.[142] 

- De O vóór een L (in consol) wordt na 150a als U geschreven en vanaf dan vinden we in inscripties nog uitsluitend consul.

Andere taalverschijnselen kunnen wel van latere datum zijn. De U voor een korte O zoals in Gnaiuod verdwijnt rond 200a, maar hier is een  archaïserende tendens niet uit te sluiten.[143] AI voor AE  (aediles) wordt teruggevonden tot 120a, de thematische ablatief op D (Gnaiuod) tot 125a, de uitgevallen eind-M (Loucana, Taurasia, Cisauna, Samnio) tot 130a. Het ontbreken van de consonantgeminatio (parisuma) kan voorkomen tot 100a. Concluderend: als absolute termini hebben we 270a en 170a voor de inscriptie van Scipio Barbatus.

Voor Scipio 8/9, de zoon van Barbatus wordt een overlijden rond 230a gepostuleerd, vertrekkend van een consulaat in 259a en een gemiddelde leeftijd van 75 jaar.[144] Ook hier moet de bovengrens voor de datering van de inscriptie tussen 170a en 150a liggen waarbij weer het paleografisch criterium voor de hoekige L en de vierkante P wordt aangenomen. Andere aanwijzingen: O voor korte U (oino, ploirume) komt na 150 alleen nog voor in Archaïserende teksten,  DU voor B  (duono-rum) wordt verondersteld na 150 niet meer voor te komen. Hetzelfde geldt voor O vóór een  L die door U wordt vervangen (consul).  samenvattend: ook hier hebben we dus sterk uit elkaar liggende termini met 230a als ondergrens en 170a als bovengrens.

De relatieve datering van 6/7 ten opzichte van 8/9. We nemen aan dat 8/9 niet lang na de dood van de zoon van Barbatus is aangebracht, daar er geen elementen zijn die erop wijzen dat de inscriptie pas veel later is aangebracht. Maar de inscriptie voor Barbatus toont diverse taalkundige vormen die een later stadium in de ontwikkeling van het Latijn laten vermoeden.

- De spelling met U voor korte O  in de uitgangen van de tweede verbuiging: Cornelius Lucius…Barbatus…prognatus…quoius in  6/7  tegenover Cornelios  …honc…oino…viro… Luciom…filios in 8/9 is van een duidelijk latere datum.

- Lucius voor *Loucios reflecteert een stadium waarin de monoftongering al een feit is, terwijl in de tijd van de dood van Barbatus de U nog als tweeklank werd uitgesproken.[145] Deze spelling wordt echter niet aangehouden in Loucana(m) en abdoucit, wat een reden is om een archaïserende strekking te veronderstellen.

- Ook de consequent aangehouden I in cepitsubigit…abdoucit reflecteren een jonger stadium dan fuet…hic/hec…cepit/dedet  in 8/9 waar de aarzeling tussen twee schrijfwijzen op verwarring wijst en aangeeft dat de monoftongering nog niet helemaal rond was.

- Paleografisch: Coarelli concludeert na grondige vergelijking van beide schriften een decallage van 30 tot 50 jaar tussen beide inscripties, waarbij 6/7 de jongste moet zijn.

Er is nog een andere reden om de anterioriteit van 8/9 ten opzichte van 6/7 aan te nemen. De eerste Griekse invloeden in Rome laten zich gevoelen rond 300a – 280a, in 272a komen de eerste Griekse slaven in Rome aan. Vanaf 263a knoopt Rome vriendschapsbanden aan met Hieroon II en onderhoudt het goede relaties met Syracuse. De eerste literatuur verschijnt in Rome met de komst van Livius Andronicus en zijn vertaling van de Odyssea in het Latijn (in saturnii) resulteerde in de eerste literaire opvoering in Rome. Dat moet in 240a geweest zijn.[146] Deze vroege literatuur heeft mogelijk de trend gezet die de Scipiones hebben overgenomen voor hun grafmonumenten.

Samenvattend:

- De sarcofaag van Barbatus: ± 270a

- Sarcofaag en inscriptie voor barbatus' zoon: 240a – 230a

- Dipinto en elogium voor Barbatus: 200a tot 170a

Dit was communis opinio tot 1987, toen heeft Wachter alle aanwijzingen voor een latere datering van 6/7 ten opzichte van 8/9 grondig herzien en de algemeen aanvaarde datering verworpen.[147] Zijn eigen argumenten komen ongeveer hier op neer: 1) orthografische, fonologische en morfologische eigenaardigheden kunnen niet echt veel bewijzen, want er bestaat bijna geen vergelijkingsmateriaal dat dateert van vóór 220a en een aantal aangehaalde argumenten (o.a. de I in de superlatief en het bestaan van de G in 6/7) zijn irrelevant daar ze in 8/9 niet voorkomen;   2) de conclusies van Coarelli inzake de paleografie zijn onjuist;   3) er is geen reden om niet te veronderstellen dat het elogium van Barbatus kort na zijn dood is aangebracht;  4) men mag geen rekening houden met intertekstuele en inhoudelijke elementen.

Maar Wachters argumentering vertoont ook zwakke punten: 1) er is inderdaad weinig vergelijkingsmateriaal dat een objectieve datering van bepaalde taalkundige kenmerken vóór 220a mogelijk maakt, maar dit gaat voorbij aan het eenvoudige feit dat 6/7 een taalkundig later stadium reflecteert dan 8/9. Bovendien berusten een aantal van Wachters argumenten zelf op gissingen en hypotheses (de invoering van de G, monoftongering van OU naar U); of zijn ze eerder uitzondering dan regel (uitgang 2de verbuiging op US, of de aarzeling in de monoftongering van EI naar E of I; [148]    2) voor het verwerpen van Coarelli' s datering van de paleografie is de ultieme verklaring dat in 6/7 een jonge steenkapper (van een jaar of 20) aan het werk is geweest, terwijl de inscriptie van 8/9 door een oudere man (van een jaar of 60) is uitgevoerd;[149]   3) voor het later aanbrengen van een elogium op 6/7 zijn plausibele verklaringen aangevoerd, o.a. door Wölfflin, Coarelli en zelfs Ritschl;  4) intertekstuele en inhoudelijke argumenten kan men niet zondermeer opzijschuiven.

Ongewoon is ook dat Wachter de dood van Barbatus tussen 260a-250a moet plaatsen om deze in zijn datering te laten inpassen en daarvoor moet uitgaan van een consulaat op 35 jaar. Bovendien schijnt Wachter het verschil in schrijfwijze van Cn. met C op het dipinto en Gnaiuod met G in de inscriptie niet op te merken en hiervoor is de verklaring van Coarelli wel bevredigend.[150] Een paar eigenaardigheden worden door Wachter ook geduid als pseudo-archaïsmen, maar hierin zou ik nu juist het verlangen zien om een jongere inscriptie als ouder te camoufleren.

Na alle argumenten te hebben afgewogen, denk ik dat de traditionele datering nog steeds standhoudt.

Taalkundig-inhoudelijk: Oudlatijn: klankleer, morfologie en grammticale bijzonderheden zijn uitvoerig behandeld (Ernout, Pisani, De Rosalia, Lindsay, Hamp etc.) en hoeven hier verder geen verklaring meer. In klassiek Latijn luidt de tekst:

Cornelius Lucius Scipio Barbatus, / Gnaeo patre prognatus fortis vir sapiensque, / cuius forma virtuti parissima fuit, / consul, censor, aedilis qui fuit apud vos, / Taurasiam, Cisaunam, Samnium cepit, / subigit omnem Lucanam obsidesque abducit.[151]

Metriek: Saturnii.[152]

4. Gnaiuod patre prognatus: een andere manier om de filiatie aan te geven. Barbatus' vader ligt echter niet in het familiegraf. Merk op dat de naam met een G gespeld wordt, maar in het dipinto met een C.

fortis vir sapiensque: een aantal onderzoekers ziet hier Griekse invloeden (dit zou kunnen pleiten voor de latere datering daar men voor Griekse invloeden uitgaat van een beginperiode rond Livus Andronicus): het normale formularium luidde: fortis ac strenuus. Sapiens wordt verklaard als een vertaling van  of .[153] Het begrip duidt op een praktische wijsheid van een leider in vredestijd.[154]

5.forma…virtutei: de discussie heeft zich toegespitst op de vraag of hierin de invloed van de Griekse adelsethiek ( en virtus als een vertaling van ) kan gezien worden.[155]

parisuma: nog geen consonantgeminatio. Parissuma is een superlatief van par en weinig geattesteerd. De spelling met I in tegenstelling tot de spelling met U van optumo in 8/9 is een argument voor een latere datering.

apud vos: word soms opgevat als het aanspreken van een bezoeker of een voorbijganger, wat er op neer zou komen dat de dichter van het elogium bekend was met Griekse voorbeelden. Het aanspreken van de voorbijganger stamt uit de Griekse epigrafische praxis.[156] Maar er is een inhoudelijk en formeel verschil tussen de aanspreking van de voorbijganger (hospes, naar Gr. ) en apud vos. Bovendien rijst dan de vraag wie met apud vos wordt aangesproken, want het graf was waarschijnlijk niet toegankelijk voor het publiek.[157]

7. Taurasia, Cisauna, Taurasia wordt alleen vernoemd in Livius 40, 38 (3) en in Stephanus Byzantius' Ethnica 607, 18. Cisauna is onbekend.[158]

Samnio: verschillende mogelijkheden: 1) Samnio: ablatief loci zonder voorzetsel (hij veroverde Taurasia en Cisauna in Samnium) of  ablatief separativus zonder voorzetsel (hij veroverde Taurasia en Cisauna vanuit Samnium); of 2) Samnio:  datief incommodi (hij veroverde Taurasia en Cisauna op Samnium); 3) Samnio(m): in plaats van de klassieke accusatief Samnium.

De accusatief is de meer voor de hand liggende keuze: voor de ablatief zou men eerder de schrijfwijze Samniod verwachten (vergl. met Gnaiuod, maar er zijn meerder incon-sequenties in de de orthografie). Met de acc. krijgen we een plastische manier om te zeggen: “hij veroverde Taurasia en Cisauna, (ja geheel) Samnium.” Bovendien heeft de dichter al een voorkeur voor asyndetische verbinding laten blijken in consol, censor, aidilis (r.6).

Opsidesque abdoucit: Niet echt een militaire verdienste. Gijzelaars uitwisselen of eisen was de gebruikelijke manier om een vredesverdrag te bezegelen. Volgens Livus werden de gijzelaars vrijwillig overgedragen (cf. infra). Eigenlijk staat hier: ik heb vrede gesloten  met Lucania. Volgens Kruschwitz niet echt de moeite waard om in een elogium te vermelden.[159]

Prosopografie: Scipio Barbatus geldt als de stamvader van deze tak van de Cornelii, en als de initiatiefnemer voor het familiegraf.  Zijn vader Gnaius, over wie nagenoeg niets bekend is, ligt hier niet begraven. De belangrijkste bronnen voor Scipio Barbatus zijn dit grafschrift en Livius.[160] Hij was consul in 298a en vermoedelijk censor in 280. Het is niet bekend wanneer hij  het aedilitaat hield, waarover in het elogium gesproken wordt.

De gebeurtenissen zoals ze verhaald worden door Livius stemmen niet overeen met de weergave ervan in dit elogium. Volgens Livius verzocht een delegatie van Lucaniers de Romeinen om hulp tegen een nakende inval van de Samnieten. De Lucaniërs kwamen daarbij uit eigen beweging met gijzelaars aanzetten. De Romeinen en de Lucaniërs komen tot een verdrag, en  daarop vertrekt L.Scipio (Barbatus) op veldtocht naar Etrurië (waar al problemen waren met de Etrusken). Zijn medeconsul Gn. Fulvius vertrekt naar Samnium. Beiden behaalden een overwinning, maar L.Scipio pas na zware verliezen en na dat de Etrusken er 's nachts heimelijk  vandoor waren gegaan.[161] In de daaropvolgende jaren speelt Scipio Barbatus geen belangrijke rol meer in de oorlogen tegen de Samnieten. Ook zijn overwinning in Etrurië zal niet zo gewichtig geweest zijn: de fasti Triumphales kennen enkel een triomftocht toe aan Gn. Fulvius Maxumus Centumalus de Samnitibus Etrusceisque.

Hoe moet men nu de discrepantie in de bronnen beoordelen? Een aantal historici gaat uit van de feiten zoals ze in de inscriptie vermeld zijn en doen Livius' versie af als een ongecontroleerde overname van andere bronnen, die zelf niet precies wisten hoe de vork in de steel zat of die Fulvius bevoordeelden ten nadele van Barbatus.[162] Tegen Livius' interpretatie pleit dat de triomf voor Fulvius was toegekend de Samnitibus Etrusceisque. Volgens Livius vocht hij in Samnium en kreeg hij daarvoor de triomftocht.

Het andere uiterste gaat uit van een verdraaiing van de feiten op de inscriptie: Barbatus' krijgsdaden waren niet veel zaaks en bovendien werden ze nog overschaduwd door de triomf van Fulvius. De inscriptie, die in deze optiek generaties na zijn dood moet gemaakt zijn,  had dan als bedoeling het blazoen van Barbatus op te poetsen en de stamvader van de familie een heroïsche carrière te geven.[163]

Literatuur:   Purdie  (1935) 56-58.   ׀׀   Lindsay (1897)  41-43    ׀׀   Plessis (1905) n° 1  ׀׀   Tanner (1961) 218-219   ׀׀   Kruschwitz (1998) 273-285   ׀׀   CSE 32-57   ׀׀  Gordon  (1983)  n° 5  ׀׀   Bücheler (1965)I, 380 en afb. 4   ׀׀   Wachter (1987) 300-342   ׀׀   RE  s.v. Cornelius  n° 343   ׀׀   Courtney (1995) n° 10

 

 

CIL I2, (8), 9                                                               ILLRP: 3102 ; CLE: 6; ILS: 3

Lucius (?) Cornelius Scipio, zoon van Lucius

 

[Lucius] Cornelio(s) L.  f.  Scipio | aidiles, cosol, cesor.                     1

Honc oino ploirume cosentiont R[omae]
duonoro optumo fuise viro
Luciom Scipione. Filios Barbati
consol, censor, aidilis hic fuet a[pud vos].                                       
5
Hec cepit Corsica Aleriaque urbe,
dedet Tempestatebus aide mereto[d].

 

1. R[omae] Courtney, Radke :   R[omane]  sive  R[omani]   :   nonnulli ceteri    2. viro  fere omnes   :   viro Cor[nelio]  Kruschwitz ex im. phot. sed non exstat in imagines Coarelli.

 

Lucius Cornelius Scipio, zoon van Lucius. Aediel, Consul, Censor.
Deze man, daarover zijn  de meesten het eens, was in Rome
de grootste van alle vooraanstaande mannen.
(Deze) Lucius Scipio. Hij was de zoon van Barbatus.
Hij was consul, censor en aediel bij jullie.
Deze man heeft Corsica ingenomen  en de stad Aleria.
Hij heeft terecht een tempel aan de weergodinnen geschonken.

 

Monument: ingegrift op de sarcofaag van de overledene. De eigenlijke sarcofaag  was een monoliet van peperin (Lapis Albanus) van 62 cm x 124 cm x 8;5 cm. De gemiddelde lettergrootte is 5 cm. De plaat is aan de hoeken onderaan beschadigd en rechts van het midden loopt een verticale barst. De steen is verder nog beschadigd bovenaan bij het woord ploirume en links aan de zijkant bij het woord hec, maar de tekst is over het algemeen goed leesbaar. De tekst begint  een 10-tal cm van de linkerkant, en loopt aan de rechterkant tot aan de rand. De kist stond opgesteld tegen de linkse muur van de hoofdgang, in de buurt van de kist van Barbatus.[164] Het praescriptum (r.1) was uitgevoerd in dipinto en stond in grotere letters (12 à 16 cm) op het deksel van de sarcofaag.

Datering:  240a-230a. voor de discussie zie CIL I², 6/7

Taalkundig-inhoudelijk: voor de archaïsche vormen: zelfde opmerking als voor 6/7.

In klassiek Latijn:

L. Cornelius L. f. Scipio aedilis consul censor …

hunc unum plurimi consentiunt Romae / bonorum optimum fuisse virum / Lucium Scipionem filius barbati / consul, censor, aedilis hic fuit apud vos: / hic cepit Corsicam Aleriamque urbem / dedit Tempestatibus aedem merito.[165]

Algemeen aanvaard als saturnii.[166] Volgens Van Sickle is de opbouw van dit elogium en van het voorgaande een teken van Hellenistische invloeden  in Rome. De verdeling in telkens  twee verzen die een inhoudelijk geheel weergeven (laudatio, naam en cursus honorum, res gestae) beantwoorden aan de vorm van Griekse elogia, die telkens uit in 3 x 2 coupletten (disticha) bestaan. Een parrallel is te vinden in het werk van Livius Andronicus, die de Odyssea bij zijn vertaling naar het Latijn ook in Saturnii heeft uitgewerkt.[167]

2. Honc oino… Volgens Cicero moet een vergelijkbare inscriptie op het graf van Atilius Calatinus gestaan hebben: Quanta (auctoritas) in A. Atilio Calatino! In quem illud elogium: "unum cum plurimae consentiunt gentes. / populi primarium fuisse virum" Notum est id totum carmen incisum in sepulcro.[168]  (Hoeveel gezag had A. Atilius Calatinus, voor wie het beroemde elogium was: "De meest gentes[169] zijn het met elkaar eens dat hij de aanzienlijkste man van zijn volk was" Dat hele carmen, dat op zijn tombe staat ingegrift, is bekend.). Dezelfde fraseologie is ook terug te vinden in Liv. 29, 14 (8) over de aanstelling van Scipio Nasica om de Mater Matuta in Rome te ontvangen: P. Scipionem Cn. filium eius qui in Hispnia ceciderat, aduluscentem nondum quaestorium, iudicaverunt in tota civitate virum bonorum optimum esse. (de senatoren waren van oordeel dat P. Scipio, de zoon van Cn. die in Spanje gesneuveld was, een jongeman die nog geen quaestor was geweest, in de hele staat de de beste van de aanzienlijke mannen was). Het naast elkaar bestaan van verschillende inscripties met ongeveer hetzelfde formularium wordt gezien als een bewijs voor het bestaan van een geest van competitie tussen de verschillende families.[170] Het toont ook aan dat de consensus van de meerderheid (= de senaat in Livius' verhaal) nodig was om als de grootste van de aanzienlijken beschouwd te worden. 

3. viro: wordt gewoonlijk als viro(m), gen. meerv. bij duonorum verklaard (> klass. bonorum virorum), maar een acc. enkelv. met honc oino(m) is stilistisch verkieslijk omdat zo de zin beter afgebakend is en omdat viro dan goed aansluit bij Luciom scipionem. (Zie ook het hogervermeld Livius-citaat: virum bonorum optimum). In duonorum optumo ziet men vaak een Grieks stijlfiguur zoals miserorum miserumus, [171] maar men kan bonus beter lezen als als subst. in de betekenis van" aanzienlijk man, iemand uit de nobilitas of van de optimates" (OLD s.v. bonus 6: "men of substance and social standing").[172]

a[pud vos]: cf. supra CIL I², 6/7  p. 32 nt 161 en p. 42

aide(m) Tempestatebus: opgericht uit dank voor de behouden terugkeer uit de storm. (cf. infra). Vermeld in de Fasti Antiates.[173] Op de gebeurtenis wordt ook een allusie gemaakt in Ov. Fast 6, 193: Tu quoque, Tempestas, meritam delubra fatemur,/ Cum paene est Corsis obruta classis aquis. (Jij ook, Tempestas, we geven toe dat je het heiligdom verdiend hebt, toen onze vloot in de wateren van Corsica bijna overweldigd werd.) Het tempeltje moet ook in de buurt van de Porta Capena gestaan hebben, maar er is geen exacte locatie bekend.

Prosopografie: Deze Lucius Cornelius was de zoon van Barbatus en zijn inscriptie geldt als de oudste inscriptie in het hypogeum en als het oudste carmen epigraphicum tout court. Hij was consul in 259a, het jaar nadien censor.[174] Het jaar van zijn aedilitaat is niet bekend. Hij ondernam met de - dan jonge - Romeinse vloot een expeditie tegen Corsica, nam Aleria in en slaagde er in de Carthagers te verdrijven. Een expeditie tegen Olbia in Sardinië liep mis omdat de vloot in noodweer terechtkwam. Omdat ze de storm overleefden heeft hij later het tempeltje aan de weergodinnen geschonken.  Hij heeft ook een triomf de Poenis et Sardinia et Corsica gekregen (fasti Triumphales), maar dat wordt hier, vreemd genoeg, niet vermeld.

 

Literatuur:  Purdie (1935) 57-58   ׀׀   Lindsay (1897) 39-41   ׀׀   Plessis (1905) n° 2   ׀׀   Tanner (1961) 216-218   ׀׀   Bücheler (1965) I, 380   ׀׀   Hamp (1993)   ׀׀   Wachter (1987) 300-342  ׀׀   RE  s.v. Cornelius  n° 323   ׀׀   Courtney (1995) n° 9

 

 

CIL I2, 10                                                                              ILLRP: 3112-add ;CLE: 8; ILS: 4

Publius Cornelius Scipio, zoon van Publius

 

Quei apice insigne Dial[is fl]aminis gesistei |                      1
mors perfec[it] tua ut essent omnia | brevia,
honos, fama, virtusque | gloria atque ingenuim.
Quibus sei | in longa licuiset tibe utier vita, |
facile facteis superases gloriam | maiorum.              
5
Qua re lubens te in gremiu, | Scipio, recipit
terra, Publi, | prognatum Publio, Corneli.


Jij, die de priestermuts, het kenteken van de Jupiterpriesters, hebt gedragen.
De dood heeft ervoor gezorgd dat voor jou alles kort van duur was:
je eer, je goede naam, je moed, je roem en je talent.
Ware het je gegund geweest daarmee van een lang leven te genieten,
moeiteloos had je dan door je daden de roem van je voorvaderen kunnen
overtreffen.

Omwille daarvan, Scipio Publius Cornelius, telg van Publius
ontvangt de aarde je graag in haar schoot.

 

Monument:  Twee sarcofaagplaten uit peperin van Gabina (lapis Gabinus / lastre di pietra gabina). De inscriptie begint, op het eerste vers na, iets voor de helft van de linkerplaat. De rechterplaat is bovenaan in de hoeken afgebrokkeld. Met uitzondering van de eerste regel komen de verseinden niet met de regeleinden overeen. De letters geven een regelmatige, vrij verzorgde indruk, maar zijn op de linkerhelft groter dan op de rechterhelft (4 cm. tegen 3,5 à 3 cm.), in feite lopen de letters een beetje spits toe naar de rechterkant. Er waren sporen van rode verf en hulplijntjes.

De eerste regel is misschien later toegevoegd.[175] De letters zijn veel kleiner (2 cm.) en de versregel staat veel meer naar links. Bovendien hebben de andere scipiones in hun elogia maar 6 verzen gekregen en hier staan er 7. Op foto ziet de paleografie er ongeveer hetzelfde uit, hoewel de schets van Coarelli kleine verschillen toont in Q, P en G.[176] Volgens Kruschwitz  zijn ze door dezelfde steenkapper gemaakt en was het uitspringen naar links een normale epigrafische praktijk. Noch fonologie noch orthografie geven indicaties voor een latere datering.[177]

Toch even  het volgende opmerken: zonder het eerste vers zou de opmaak er evenwichtiger uitzien en zou er ongeveer evenveel vrije ruimte onder als boven het elogium overblijven, terwijl nu juist de hulplijntjes aangeven dat hier gestreefd is naar een zekere symmetrie. Volgens Kruschwitz  is er door het eerste vers ook een grammaticaal probleem, omdat in dit geval een tibi als antecedent voor de volgende relatiefzin[178] moet bijgedacht worden, hoewel ik niet goed inzie waar hier de moeilijkheid ligt. Nog een opmerking: verzen 2 – 7 zijn doorlopend na elkaar geschreven (6 verzen op 8 regels). Daartegenover staat dat vers 1 in kleinere letters is geschreven, naar links uitspringt, en volledig op één lijn staat, net alsof de steenkapper moeite had om het vers in een te kleine ruimte te laten passen. Dit pleit volgens mij voor een toevoeging achteraf, maar niet noodzakelijk veel later.

Datering: Rond 170a. Het type sarcofaag (uit verschillende platen) en de gebruikte steen kan op kunsthistorische gronden in de buurt van 170a - 160a geplaatst worden.[179] De paleografie is duidelijk van een later stadium dan die van 6/7 en 8/9, maar stamt min of meer uit dezelfde periode als de paleografie van 11. Vooral de vorm van de rechthoekige L duidt daar op, maar ook de vormen van E, F, Q, R en S zijn een aanwijzing.[180]

Orthografisch: de consonantgeminatio in essent en terra komt vanaf 174a voor.  Het niet consequent aanhouden van deze geminatio in  licuis(s)et, superas(s)es en ges(s)istei, wijst op een overgangsperiode. Aangezien het gebruik door Ennius ingevoerd werd (of sterk gepropageerd werd) en Ennius, als intieme vriend van de Scipiones, invloed moet gehad hebben op de taal in hun elogia,[181] vermoed ik dat we niet ver verwijderd zijn van 174a, het beginstadium van dit verschijnsel. De uitgevallen eind-M in apice(m) dateert zeker van vóór 130a.

Coarelli, die geen moeite heeft om in de overledene de zoon van Scipio Africanus te her-kennen, dateert ook nog op historische gronden vóór 162a.[182]

Taalkundig-inhoudelijk: In klassiek Latijn:[183]

Qui apicem, insigne Dialis flaminis gessisti, / Mors perfecit tua ut essent omnia brevia, / honos, fama virtusque, gloria atque ingenium; / quibus si in longa licuisset tibi uti vita, / facile factis superasses gloriam maiorum. / Quare lubens te in gremium, scipio, recipit / terra, Publi, prognatum Publio, Corneli

Algemeen aanvaard als Saturnii.[184] De stijl en opbouw wijkt hier af van de vorige elogia: het carmen adresseert de dode, niet een bezoeker, en krijgt meer een troostend karakter. Tegelijkertijd draagt het bij tot de dramatische spanning. Bovendien heeft hij 7 verzen gekregen, de andere Scipiones maar 6.

1. Dialis Flaminis: een eventueel latere toevoeging van de het eerste vers schrijft men toe aan het ingrijpen van Scipio Aemilianus, die geprobeerd heeft de familie een nieuw elan te geven. De toevoeging zou deze Scipio een – weliswaar weinig belangrijk – cursus honorum geven. Als flamen dialis had hij toegang tot de senaat en kreeg hij het ius imaginum: het recht op een dodenmasker.[185]

2. ut essent omnia brevia…sei in longa …utier vita: laat doorschemeren dat deze Scipio (te) jong gestorven is. ingenium bevestigt dit: het woord komt weinig voor in de epigrafie, maar verwijst dan steeds naar mensen die te jong gestorven zijn. Men gebruikt het voor een talent, dat niet nader gespecifieerd wordt.[186]

4. utier: infin. pass.[187]

6. in gremium: naar voorbeeld van tevens in overeenstemming met de gewoonte van de Cornelii om hun doden te begraven in plaats van te verbranden.[188]

7. Het bewaren van de naam voor de laatste verzen en het verdelen van de onomastische elementen over verschillende verzen, wordt ook zo gedaan in Hellenistische grafepigrammen.[189]

Prosopografie:  De identiteit van de betrokkene en de reden voor de - mogelijk - latere toevoeging van het eerste vers zijn hier open vragen.

Volgens de traditionele visie is de dode die hier begraven ligt, de zoon was van Scipio Africanus. Over de zoon van Africanus weten we dat hij auguur was in 180a en dat hij Scipio Aemilianus (Africanus minor, Numantinus) geadopteerd heeft in 168a. Hij moet ook nog enkele jaren daarna in leven zijn geweest, aangezien Livius geen gewag maakt van zijn dood en de lacunes in Livius' werk pas later beginnen.[190] Het objectieve gegeven om tot deze identificatie te komen is zijn naam en zijn filiatie: de andere bekende Publii P. filii zijn Scipio Africanus en Scipio Aemilianus, die hier niet begraven liggen. Verder schrijven de bronnen hem ook nog een zwakke gezondheid toe, die hem niet toeliet een normaal cursus honorum op te bouwen[191] en in deze inscriptie wordt alleen een priesterschap vermeld (flamen dialis).[192] Een zwakke gezondheid zou ook passen bij de vroegtijdige dood, waarop in dit carmen gezinspeeld wordt.

Er zijn ook tegenargumenten voor deze identificatie: hij was auguur en daarover wordt niets in de inscriptie gezegd,[193] maar misschien wordt daarop gezinspeeld met honos. Bovendien was een combinatie van twee priesterschappen, hoewel niet uitgesloten, ongewoon en auguren werden, net als flamines voor het leven gekozen. Verder moet Publius Africani f. om historische redenen geboren zijn tussen 215a en 210a[194] en zou hij bij zijn veronderstelde dood in 162a dus minstens 48 jaar geweest zijn. Niet direct een leeftijd die strookt met het korte leven dat in het elogium wordt gesuggereeerd.

Rond de identiteit van deze Scipio zijn dan ook verschillende hypotheses geformuleerd. Het zou een kleinzoon van Scipio Africanus kunnen zijn en zijn vroegtijdige dood zou zijn vader ertoe gebracht hebben om Scipio Aemilianus te adopteren.[195]

Als we vertrekken van het feit dat dit familiegraf bestemd was voor de nakomelingen van Barbatus, bestaat de mogelijkheid dat we te maken hebben met een nakomeling van P. Cornelius Scipio Asina (kleinzoon van Barbatus, kozijn van Africanus) waarover in de bronnen met geen woord gerept wordt.[196] Nog een andere hypothese veronderstelt dat Africanus' eerste zoon als jong kind gestorven was, en dat hij kort na 204a, na zijn missie in Hispania een derde zoon kreeg, die het vrijgekomen praenomen Publius opnieuw moest dragen (Africanus' tweede zoon, geboren tussen 214a en 210a, heette Lucius).[197]

Een van de argumenten die Moir tegen de traditionele visie (de zoon van Africanus) aanvoert is dat, zo kort na de dood van Africanus, niemand het in zijn hoofd zou durven halen om zijn roem naar de kroon te steken door te zeggen: facile facteis superases gloriam  maiorum. Volgens mij bewijst dit juist het tegendeel: dit carmen, in tegenstelling tot de twee voorgaande, ademt een erg intimistische sfeer uit en is gericht tot de dode zelf, niet tot de bezoeker van het graf. De bedoeling van de tekst is onmiskenbaar: de dode troost bieden en inspelen op het gevoel voor drama van de bezoeker. En waarmee zou men een nakomeling van Africanus beter kunnen troosten dan  door te zeggen dat hii met gemak zijn vader had kunnen evenaren? Bovendien was het in de aristocratie imperatief dat men zich bij een overlijden excuseerde voor de niet waargemaakte verwachtingen. Een individu moest niet alleen roem voor zichzelf vergaren, maar voor zijn hele gens.[198]

Vreemd blijft wel dat Livius helemaal niets vermeldt over een zo'n ongewone gebeurtenis bij een van de beroemdste figuren uit de Romeinse oudheid maar dat kan liggen aan de lacunes in de bronnen of in Livius' eigen bronnen.

Literatuur: Purdie (1935) 58   ׀׀   Lindsay (1897) 43-44   ׀׀   Plessis (1905) n° 3   ׀׀   Tanner (1961) 219   ׀׀    Kruschwitz (1999) 261-262   ׀׀   Bandelli G. (1975) 84-99   ׀׀   Bücheler (1965) I, 381   ׀׀   Moir (1986)   ׀׀   Moir (1988)   ׀׀   Tatum (1988)   ׀׀   RE  s.v. Cornelius  n° 331   ׀׀   Courtney (1995) n° 11

 

 

CIL I2, 11                                                                              ILLRP: 3122-add ;CLE: 9; ILS: 7

Lucius Cornelius Scipio, zoon van Gnaius, kleinzoon van Gnaius

 

L. Cornelius Cn. f. Cn. n. Scipio.                                 1
Magna sapientia | multasque virtutes
aetate quom parva | posidet hoc saxsum.
Quoiei vita defecit, non | honos honore,
is hic situs, quei nunquam | victus est virtutei.        
5
Annos gnatus (viginti) is | l[oc]eis mandatus.
Ne quairatis honore | quei minus sit mand
atus.

 

Lucius Cornelius Scipio, zoon van Gnaius, kleinzoon van Gnaius
Grote wijsheid en veel kwaliteiten,

evenals een jeugdige leeftijd, herbergt deze steen.
De levenstijd ontbrak hem voor eerbewijzen, maar niet de waardigheid.
Hier ligt hij, die in moed nooit overtroffen is.
Twintig jaar oud, aan deze plaats toevertrouwd,
opdat jullie niet zouden vragen waarom hem minder ambten zijn toegezegd.

 

Monument: monolithische sarcofaag uit peperin (lapis Gabinus), de sarcofaag stond opgesteld tegenover de sarcofaag van 8/9, de zoon van Barbatus. Op verschillende plaatsen gebarsten en afgebrokkeld. Lettergrootte 4 à 4,5 cm. Tekst opgesteld aan de hand van de transcriptie van Coarelli.[199]

Datering:  rond 170a op basis van de paleografie.[200] Orthografisch: nog geen consonantgeminatio in possidet maar wel in annos, tevens al AE voor AI in aetate, maar nog niet in quairitis. de inscriptie zit dus blijkbaar in een overgangsperiode.

Taalkundig-inhoudelijk: Klassiek Latijn:[201]

L. Cornelius Cn. F. Cn. N(epos) Scipio

Magnam sapientam multasque virtutes / aetate cum parva possidet hoc saxum. / Cui vita defecit,  non honos honore, / is hic situs, qui numquam victus est virtute. / Annos natus viginti is (iis?) locis mandatus. / ne quaeratis honorem qui minus sit mandatus.

Algemeen aanvaard als saturnii.[202]

2. sapientia…virtutes: virtus wordt in alle elogia van de Scipiones als kwaliteit vermeldt en moet zeker deel uitmaken van hun adelsethiek. Sapientia wordt ook nog gebezigd in het elogium van Barbatus.

4. defecit …honore: honore wordt soms gelezen als acc. honore(m) bij transitief deficio,[203] (zijn leven, maar niet zijn waardigheid ontzegden hem eerbewijzen) maar hier staat waarschijnlijk een abl. limitationis. Uitgesloten is een acc. Graecus, want die wordt in het Latijn pas in de klassieke periode gebruikt.[204]

honos… honore …honore: woordenspel met verschillende nuances voor honos (=honor). Eerst worden de morele kwaliteiten bedoeld waarover een man moet beschikken. Daarna is het de glans die afstraalt van de eerbewijzen die hij krijgt, als hij over die kwaliteiten beschikt. Die eerbewijzen krijgen een concrete vorm in het laatste honore: de ambten en de magistratuur die hem normaal moesten toegekend worden. Hierin schuilt ook de pointe: het gedicht is een excuus voor het ontbreken van deze Scipio in de galerij der groten van zijn voorouders. Niettemin beschikte hij over alle nodige kwaliteiten. 

7. Ne quairatis: een rechtstreekse aanspreking van de bezoekers van het graf. Net als apud vos in 6/7 en 8/9 een meervoudsvorm, waarmee een collectief wordt geadresseerd. Apud vos is in 6/7 en 8/9 het klankbord dat Barbatus en zijn zoon gebruiken om over hun cursus honorum en hun res gestae op te snijden. Hier wordt het collectief geadresseerd om de overledene te excuseren voor het ontbreken van een cursus honorum en res gestae. Dat colectief moet hier de familie zijn, of misschien de burgerij. Het individu wint niet alleen voor zichzelf roem, maar voor zijn hele gens. Bij gebrek daaraan wordt een verklaring verwacht: bij de aristocratie waren excuses voor niet waargemaakte verwachtingen imperatief.[205] In tegenstelling tot het voorgaande elogium, dat door de aanspreking van de dode een dramatische spanning kreeg en van een zekere gevoeligheid getuigde, moet hier dus geen overdreven gevoeligheid achter gezocht worden.

Honoreminus kan als een bevestiging gezien worden voor een identificatie met de zoon van Hispallus: het klinkt als een verontschuldiging jegens zijn broer (cf. supra), die wel op een uitgebreid cursus honorum kon bogen.

Prosopografie: Ook hier is geen zekerheid over de identiteit van de overledene, maar meestal schrijft men deze inscriptie toe aan de zoon van Hispallus en Paulla Cornelia, die tevens de broer was van Hispanus (op basis van de filiatie). Het zou ook om een kleinzoon van Hispallus en een zoon van Hispanus kunnen gaan, maar chronologisch is dit minder waarschijnlijk.

Literatuur: Purdie (1935) 59   ׀׀   Lindsay (1897) 76-78   ׀׀   Plessis (1905) n° 4   ׀׀   Ritschl F. (1878) 734   ׀׀   Tanner (1961) 219   ׀׀   Bücheler (1965) I, 381   ׀׀   RE  s.v. Cornelius  n° 326   ׀׀   Courtney (1995) n° 11

 

 

I2, 14                                                                                  ILLRP: 3152 ;CLE: 10app; ILS: 9

Scipio?

 

[ -  -  -]is |
[--- Sc]ipionem |
[--- qu]o adveixei.

 

o . adveixei lapis (puncto separante)   :   [---qu]oad veixei  sive [---qu]o ad veixei   plerique

 

 

…Scipio…waarmee ik mijn leven heb doorgebracht.

 

 

Monument: dit is gevonden in het later aangebouwde hypogeum van het familiegraf van de Scipiones. Fragment van een sarcofaagplaat uit tufsteen (lapis tophaceus). De schikking van de letters op de steen was ongeveer zoals weergegeven in de transcriptie hierboven. Lettergrootte:  4,5 cm. De plaat stond naast de sarcofaag van Scipio Hispanus (CIL I²  15).

Datering: laatste decenia van IIA op basis van de paleografie, maar vooral omdat de oorspronkelijke sarcofaag geplaatst is nà de sarcofaag van Scipio Hispanus, waarvan de sterfdatum rond 130a wordt geschat.[206]

Taalkundig-inhoudelijk:  fragmentarisch, maar toch zijn er goede aanwijzingen voor een metrum. Ritschl vermoedde al een metrische opbouw. Eventuele kenmerken die daar op kunnen wijzen: de tekst is verticaal niet uitgelijnd aan de rechterkant en voor elke nieuwe zin (vers ?) is men een nieuwe regel begonnen. Belangrijkste aanwijzing: deze inscriptie is opgesteld in de 1ste persoon (zie CIL I², 15). Bovendien bewijst de accusatief Scipionem dat hier iets meer heeft gestaan dan een eenvoudig grafschrift.[207] Tenslotte wordt Advivio wel meer aangetroffen in de epigrafische poëzie.

Een probleem is adveixei, dat, behalve hier, alleen in de late oudheid voorkomt (althans volgens Mommsen). Vandaar de emendatie quo]ad veixei. Maar de scheidingspunt tussen quo en ad staat zeker op de steen en adveixei is aan elkaar geschreven, zodat we een vroege attestatie van advivio wel moeten aannemen. TLL (advivio: vivere cum) geeft een 12 tal voorbeelden uit de epigrafie, waaronder 5 carmina (dit wil zeggen, met CLE nummering).

Prosopografie: In de epigrafie wordt advivio gebruikt voor het samenleven onder echtgenoten. Dit zou betekenen dat de begraven persoon een vrouw is, vooropgesteld dat Scipionem object is van adveixei.[208]

Indien we toch uitgaan van quoad veixei, moet het gaan om een persoon, die jong gestorven is. Hiervoor komt o. a. in aanmerking de zoon van Hispanus, die praetor was in 109a en kort nadien gestorven is. Een andere mogelijkheid is een niet bekende zoon van P. Cornelius Scipio, quaestor 167a, die gestorven moet zijn voor hij een verdere carriere had kunnen opbouwen.[209]

Literatuur:   RE  s.v. Cornelius  n° 317 k 1427  ׀׀   CSE 159-161   ׀׀   Coarelli (1973)

 

 

CIL I2, 15                                                                           ILLRP: 3162-add; CLE: 958; ILS: 6

Gnaius Cornelius Scipio Hispanus, Zoon van Gnaius

 

Cn. Cornelius Cn.f. Scipio Hispanus, | pr(ae-                         1
tor), aid(ilis) cur(ulis), q(uaestor), tr(ibunus)
mil(itum) (bis), (decem)vir sl(itibus) iudik(andis), |
(decem)vir sacr(is) fac(iundis).|
Virtutes generis mieis moribus accumulavi,                         5
progeniem genui, facta patris petiei.
Maiorum optenui laudem ut sibei me esse creatum
laetentur; stirpem nobilitavit honor.

 

Gnaius Cornelius Scipio Hispanus, zoon van Gnaius.
Praetor, curulisch aediel, quaestor, tweemaal krijgstribuun,

decemvir stlitibus iudicandis, decemvir sacris faciundis.
Door mijn houding heb ik merites bij die van mijn voorvaderen opgestapeld.
Ik heb een nageslacht voortgebracht, de daden van mijn voorouders getracht te
evenaren.

Ik heb de roem van mijn voorvaderen hooggehouden, zodat ze er zich in                                                               verheugden dat ik uit hun lijn afstamde.
Mijn eigen ereambten hebbent mijn nageslacht roem gebracht.

 

Monument: sarcofaag uit vulkanische tufsteen (tuffo Dell' Aniene), met frontplaat uit Peperin. De sarcofaag stond in de later bijgebouwde annex van het familiegraf, rechts van de ingang. De plaat met de inscripties bestond uit twee delen. Het cursus honorum loopt over beide platen, het elogium staat, op een paar letters na, op de onderste helft van de linkerplaat. Lettergrootte: cursus honorum 4 à 5 cm,  elogium 2 à 2,5 cm. Goed leesbaar. Deze tekst is overgenomen uit Coarelli.[210]

Datering:  138a of iets later. In 139a was hij nog praetor, maar het consulaat schijnt hij niet bereikt te hebben. Voor de terminus ante quem  wordt algemeen 130a aangenomen. De paleografie bevestigt dat en ook het metrum wijst op een latere datum.[211]

Taalkundig-inhoudelijk:  in tegenstelling tot de andere elogia Scipionum, die in saturnii zijn opgesteld, bestaat dit grafschrift uit elegische disticha. Dit is het vroegste elegisch distichon in de Latijnse epigrafie, dat is overgeleverd.[212] Het gedicht is ook in de 1ste persoon, de dode is zelf aan het woord. Deze vernieuwingen moeten uitgegaan zijn van Scipio Aemilianus: zijn Hellenofiele instelling is bekend en hij had rond zich een kringetje van begaafde schrijvers en filosofen: Polybius, Lucilius, Laelius etc.

5. mieis voor  miis, meis; met elliptisch moribus.

(decem)vir sl(itibus) iudik(andis): college van 10 dat behoorde tot de lagere magistratuur en opgericht  (of hervormd) werd tussen 242a en 227a. Hun taak in de late Republiek bestond er in te oordelen over de liberales causa: de kwestie of iemand een vrij man was of niet.[213] Over het ontstaan en de oorspronkelijke functie van deze decemviri kan niets met zekerheid gezegd worden, maar de naam laat een bredere bevoegdheid in vroegere tijden vermoeden (college van 10 voor het oordelen in gerechtelijke geschillen), indien slis = lis.[214] Men veronderstelt dat ze identiek zijn met de iudices decemviri, die ontstaan zijn uit de eerste Secessio plebis,[215] en waarvan de bevoegdheden geregeld werden in de lex Horatia van 449a. Ten tijde van Augustus was hun functie teruggebracht tot een soort voorzitterschap over de centumviri.[216] Dit is de vroegste attestatie van het ambt.

(decem)vir sac(ris) fac(iundis): een priestercollege dat belast was met toezicht en inter-pretatie van de Sibyllijnse boeken.

8: nobilitavit: nobilitare heeft hier een vernauwde betekenis: de status van de familie als nobiles vernieuwen.[217]

De inschakeling in familiecatenatio en het belang van de gens komen hier zeer duidelijk tot uiting: generis…progeniem genui…facta patris petiei…maiorum...stirpem. Hispanus kan de vergelijking met zijn voorouders doorstaan en hij heeft voor kinderen gezorgd die dezelfde belofte inhouden.

Prosopografie: Hispanus was de zoon van Scipio Hispallus en Paulla Cornelia en een vertegenwoordiger van de 5de generatie Scipio's (vanaf Barbatus). Hij heeft meer sporen nagelaten dan alleen maar deze inscriptie.[218] Het decemviraat sacris faciundis moet na 167a gekomen zijn, want daar beginnen de lacunes in Livius. Als krijgstribuun (of als quaestor?) was hij in 149a in Carthago, waar hij de stad op aandringen van Rome moest ontwapenen. Tevens wordt hij al vroeger op Kreta gesignaleerd, want daar is een inscriptie voor hem teruggevonden, die nog geen ambten vermeld.[219] In 139a is hij praetor en verantwoordelijk voor het edict, dat de Joden en de Chaldeeërs uit Rome en Italië verbant. Hij moet kort na de praetuur gestorven zijn, want het consulaat heeft hij niet bereikt. Er is slechts één zoon van hem bekend.

Literatuur:  Purdie (1935) 59-60 ׀׀   Lindsay (1897) 78- 79   ׀׀   Plessis (1905) n° 5   ׀׀   Tanner (1961) 222-223   ׀׀   Massaro (1992) 38-40   ׀׀   Bücheler (1965) I, 382   ׀׀   RE  s.v. Cornelius  n° 347   ׀׀   Courtney (1995) n° 13

 

 

CIL I2, 708                                                  VIadd: 32991 ILLRP: 969  ;CLEC: 2add;ILS: 29add

Gaius Sergius Mena, zoon van Marcus, van de Tribus Velina

Gaius Sergius Mena, zoon van Gaius, van de Tribus Velina

 

[C(aius) S]ergius M(arci) f(ilius) |                               1
Vel(ina)  Mena, |
[C(aius) S]ergius C(ai) f(ilius) Vel(ina) |

quom Q(uinto) Caepione| proelio est occisus. |

C(aius) Sergius  |                                                          5
C(aius) Sergius  | [---]

 

2. Vel(ina)  Degrassi   :   Vel(ina tribu)  Kruschwitz    :              vel(es)  Warmington                               3.  [C(aius) S]ergius  supplevi  more  vetere qui iubet  ad cenotaphium mortuum ter vocari nomine.   : [ - S]ergius  Degrassi, Kruschwitz   :   [Lucius S]ergius  ceteri  5,6,7(?). Sergius [---] Degrassi   :   Kruschwitz: ' Num in u. 5,6  et post u. 6 ampliora perierint, nescio'  
   

Gaius Sergius Mena, zoon van Marcus van de tribus Velina.
Gaius Sergius, zoon van Gaius van de tribus Velina,
is samen met Quintus Caepio in de oorlog gesneuveld.
Gaius Sergius
Gaius Sergius
…(?)

 

Monument:  gevonden buiten Rome op ongeveer 3km van de Porta Ostiensis (nu Porta S. Paolo), in een wijngaard op de via Laurentina. Peperin (Lapis albanus) met vrij oude letters.[220] De steen is versierd met een afbeelding van de onderwereld. Nu niet meer voorhanden, maar in situ opgetekend door Hülsen (ed. CIL) anno 1898.

Datering: