| Decurio adlectus decreto decurionum. De decuriones adlecti: uitverkorenen of alledaagse decuriones? Geadlecteerde decurionen in de lokale gemeenschappen van Italië en de westelijke provincies tijdens het Principaat. (Francisca Declerck) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
2. Het theoretische luik
a) De precieze betekenis van de term
Als inleiding tot een status quaestionis van de meningen over adlectio tot op de dag van vandaag kunnen we eerst eens kijken wat deze term letterlijk wil zeggen, wat de precieze betekenis van deze term is. De Oxford Classical Dictionary[305] vertaalt de term adlegere[306] naar het Engels als “to elect, recruit (to or into a body)”, maar geeft niet direct aan welk “lichaam” dat dan kan zijn en wie de benoeming of de verkiezing doet[307]. Een tweede – afgeleide – betekenis is het benoemen van iemand voor een bepaalde taak of ambt of “to select (for a particular duty), appoint (to an office)”[308]. Dus de Classical Dictionary zegt eigenlijk alleen dat adlectio een manier van toewijzing tot een vereniging of een ambt is. Voor meer informatie moeten we ons wenden tot de meer omvangrijke en uitspittende naslagwerken, zoals de Dizionario Epigrafico van De Ruggiero of de Thesaurus Linguae Latinae[309] bijvoorbeeld. Die behandelen meestal heel gedetailleerd, met massa’s voorbeelden, het fenomeen van de adlectio op alle vlakken.
Zo is er dus de Thesaurus Lingae Latinae. Net als het woordenboek ziet dit naslagwerk adlectio als een manier om nieuwe leden op te nemen in een vereniging: “In usu est de variis corporibus, quibus nova adduntur membra”[310], waarbij die vereniging zowel de Romeinse Senaat kan zijn of een privé-college of nog wat anders. De auteur onderscheidt meer bepaald tien “groepen” die adlectio gebruikten om nieuwe leden op te nemen: om te beginnen de Senaat van Rome, de gemeenteraden en gemeentes zelf (voor nieuwe burgers), de quinque decuriae, privécolleges en priestercolleges[311]. Verder verkrijgt iemand door adlectio toegang tot een aantal militaire ambten, een aantal ambten aan het hof en een aantal verenigingen op provinciaal niveau[312]. Bovendien kan men door adlectio een aantal ridderlijke eretekens (denk aan het equus publicus) verkrijgen.
Adlectio – of allectio – betekent volgens De Ruggiero letterlijk “een actie of handeling waardoor men iemand de toestemming geeft om deel te gaan uitmaken van een groep”[313], waarbij die groep een politieke, publieke, religieuze, militaire of privé-vereniging kan zijn en waarbij de achterliggende idee- wat we in de Oxford Classical Dictionary niet terugvonden maar wel deels in de Thesaurus Linguae Latinae- die is van aanvulling of vervollediging. Die idee vinden we overigens ook impliciet terug in een citaat van een tijdgenoot, een opmerking die ook aangehaald wordt door de Thesaurus: “adlecti dicebantur apud Romanos qui propter inopiam ex equestri ordine in senatorum sunt numero adsumpti”[314]. Daarnaast kan het gebeuren dat adlectio wordt gebruikt om aan te duiden dat iemand bekleed wordt met één of ander ambt, maar dat komt veel minder voor, meestal slaat de term op de opname in een groep. Dus hier vinden we al veel meer uitleg omtrent de kring: het kan een “politieke groep” zijn (bijvoorbeeld de senaat in Rome), of een religieuze vereniging (een college bijvoorbeeld),…. Bovendien maakt De Ruggiero nog een tweede onderscheid, naast het soort groep: de opname in de groep kan ofwel gebeuren door iemand die de macht vertegenwoordigt (een magistraat of zelfs de keizer zelf) ofwel door de groep zelf, bijvoorbeeld door de ordo decurionum. In het eerste geval is er sprake van een benoeming, in het tweede geval van een verkiezing of cooptatio. We zouden de eerste kunnen zien als een vorm van exogene adlectio, de tweede dan als endogene adlectio. Dus waar het gebruikte woordenboek alleen verwees naar het kiezen (elect, admit or recruit), breidt De Ruggiero deze definitie uit.
Uiteindelijk onderscheidt hij vijf soorten adlectio. Ten eerste is er de adlectio op centraal niveau, in de Romeinse Senaat. Iemand kan hierin worden opgenomen, maar de adlectio kan ook slaan op een promotie binnen de Senaat. Ten tweede is er de adlectio op municipaal vlak, zowel adlectio in het burgerkorps van de gemeente als adlectio in de ordo decurionum (die twee zaken kun ook op hetzelfde moment gebeuren). Naast deze twee relatief veel voorkomende vormen van adlectio is er nog een derde groep, waartoe we alle vormen van adlectio die door de keizer gebeuren en die toegang geven tot bepaalde klassen en ambten (als bijvoorbeeld de ordo senatorius of de quinque decuriae) kunnen rekenen. Ook benoemingen door de keizer aan het hof of het leger kunnen we hierbij rekenen[315]. Een vierde vorm van adlectio is een taak van de ordo decurionum en behelst het bekleden van mensen met bepaalde priesterambten, het opnemen bij de Seviri Augustales,…[316]. Tot slot onderscheidt De Ruggiero ook nog die adlectiones die plaats vinden binnen colleges (bijvoorbeeld een adlectio inter iuvenes of ad Fratres Arvales).
Schmidt, in de Realencyclopedie[317], maakt net als De Ruggiero een onderscheid tussen adlectio als bekleding met een werkelijk ambt (wat slechts zelden voorkomt) en als opname in een politieke, openbare, militaire, religieuze of private vereniging. Ondanks het feit dat hij ietwat andere categorieën maakt dan De Ruggiero, kunnen we stellen dat beide auteurs in grote lijnen overeenkomen over de precieze betekenis van de term adlectio, als opname in een vereniging. De Ruggiero is alleen nog wat gedetailleerder en zoomt wat dieper in op de persoon die de adlectio doet (een machtsvertegenwoordiger benoemt, een groep kiest of coöpteert) en heeft duidelijker onderscheiden categorieën[318].
Adlectio – of opname in een groep of vereniging – komt dus op verschillende niveaus voor, namelijk zowel privé als openbaar, zowel op municipaal als op centraal (rijks-)niveau, en dat er een onderliggende betekenis van aanvulling of toevoeging (om aan het vereiste aantal leden te komen) aan vast hangt. Misschien is het wel even nuttig om – zoals Varro reeds gedaan heeft voor de termen adlegere en sublegere[319] – nog eens de met adlegere verwante termen (die onder meer ook worden gebruikt om een opname in de ordo decurionum of de Romeinse Senaat te beschrijven) te bezien en te kijken of daaruit nog specifieker de betekenis van adlectio kan worden afgeleid. Daarvoor moeten we beginnen met het qua betekenis heel ruime legere. We zullen het hierbij wel enkel hebben over de voor ons onderzoek relevante betekenissen[320]. Hierbij vinden we vier licht verschillende betekenissen (van algemeen tot bijzonder). De algemene betekenis is die van kiezen, selecteren en uitkiezen (wat eigenlijk nauw verwant is met adlegere). Specifieker kan het gaan over het herzien van het lidmaatschap van een bepaald lichaam, bijvoorbeeld in de titel dictator senatus legendi causa. Een volgende betekenis is die van het toewijzen van een plaatsje in bijvoorbeeld de Senaat[321]. Legere kan tenslotte ook nog slaan op het rekruteren van mensen (als soldaat).
Sublegere is qua betekenis heel nauw verwant aan het moederwoord legere. Twee betekenissen zijn niet direct relevant in deze context[322], de derde is echter wel interessant voor ons: benoemen, met als onderliggende betekenis dat het moet gebeuren ter vervanging van iemand anders. In die betekenis staat het volledig los van adlegere, dat eerder verwijst naar het kiezen, toelaten of recruteren in een lichaam (of eventueel een ambt of een bepaalde taak), waar meer de notie van toevoeging, aanvulling zonder daarvoor de idee van vervanging aan verbonden zit.
Andere nauw verwante woorden zijn bijvoorbeeld elegere en cooptare. Elegere betekent op zijn beurt “to select, to choose, pick out persons or things”[323] (alles is qua betekenis eigenlijk heel nauw verwant aan elkaar, zoals je ziet aan de diverse vertalingen uit één en hetzelfde woordenboek). Cooptare[324] verwijst dan weer naar het kiezen als collega voor een bepaalde functie, als lid van een college of iets in die aard, door de leden van dat college, door de collega’s zelf, kortom: het coöpteren. In een iets lossere betekenis kan het ook gebruikt worden simpelweg als kiezen of verkiezen. De laatste nauw verwante term is nominare[325], dat eveneens een groot aantal betekenissen heeft en waarvan slechts één in dit geval van toepassing en belang is, namelijk benoemen voor een functie of benoemen als kandidaat.
Het mag duidelijk zijn dat al de hier opgesomde woorden qua betekenis heel dicht bij elkaar aanleunen. Toch zijn er telkens subtiele betekenisverschillen op te merken. Legere en elegere bijvoorbeeld kunnen algemeen gebruikt worden, sublegere alleen als het gaat om een verkiezing of aanduiding in plaats van iemand anders en allegere verwijst dan meer naar de idee van toewijzing aan bepaalde vereniging ter aanvulling. Cooptare gebeurt door de vereniging (waarin het nieuwe lid zal worden opgenomen) zelf, dus hier ligt de klemtoon op de handelende instantie (Het zou natuurlijk best wel eens kunnen dat in het geval van de adlectio in ordinem decurionum het soms ook de decuriones zelf zijn die het heft in handen nemen, dus dan zou adlegere wel heel dicht bij cooptare aanleunen). Nominare tenslotte wijst toch eerder op het benoemen in een bepaalde functie, eerder dan het lid maken van een vereniging;
b) Adlectio op niet-municipaal vlak
1.1.Inleiding
In deze verhandeling richt onze aandacht zich op de adlectio op municipaal vlak, meer bepaald op de adlectio in de ordo decurionum van een gemeente. Maar vooraleer het daarover te hebben, lijkt het ons toch relevant wat dieper in te gaan op een aantal andere vormen van adlectio. Hierbij gebruiken we vooral De Ruggiero als leidraad, omdat hij naar onze mening het meest omvattende en tevens meest duidelijke beeld van een adlectio ophangt, waar de anderen een aantal vormen van dit fenomeen opnoemen, maar waar ze niet de indruk geven volledig te zijn en er samenhang ontbreekt.
Als men de adlectio op niet-municipaal vlak bestudeert, komt men terecht bij de volgende categorieën[326]: de adlectio in de Senaat, de adlectio in diverse ambten- functies en eerbewijzen[327] (eventueel benoemd door de keizer) en ook de adlectio op collegiaal vlak. Daarnaast kan men eigenlijk nog een vorm van adlectio tot deze groep rekenen, namelijk die adlectio waardoor iemand tot de Augustalen of een bepaalde religieuze functie gaat behoren, benoemd door de ordo decurionum. In zekere zin is het wel zo dat men die laatste vorm wel tot de municipale adlectio zou kunnen rekenen, het gaat tenslotte om een benoeming tot de ordo decurionum, maar het kan bijvoorbeeld zijn dat iemand geadlecteerd wordt tot de sacerdotales provinciae, wat dan alweer het municipale vlak overstijgt. Daarom hebben wij er voor gekozen dit onder te brengen bij de niet-municipale adlectio. Bovendien is het een vorm van adlectio die slechts heel zelden voorkomt, en is er voor de rest niet zo veel over geweten. Het meest voorkomende geval binnen deze categorie is de adlectio tot de Seviri Augustales[328].
Een andere eerder zeldzame vorm van adlectio is de opname in een college. Ook bij deze vorm zou men eventueel nog kunnen discussiëren of hij niet tot de municipale adlectio zou mogen gerekend worden (veel colleges moeten immers binnen het municipale kader gesitueerd worden). Maar wij menen van niet: deze adlectio gaat namelijk niet uit van een autoriteit zoals bijvoorbeeld de gemeentelijke overheid, maar behoort volledig tot de privésfeer. Misschien is colleges in deze context overigens niet volledig de juiste term, omdat er meer onder moet verstaan worden dan hetgeen ressorteert onder de Latijnse term collegium. Naast de adlectio in zo’n collegium[329], bestaat ook de adlectio in een tribus [330] of bij de Fratres Arvales[331].
Een volgende categorie binnen de niet-municipale adlectio zijn zoals gezegd de benoemingen door de keizer. Zo kan de keizer iemand via adlectio een bepaalde functie geven aan het hof, of in het leger, zoals reeds een aantal maal opgemerkt is. Of hij kan iemand deel laten uitmaken van de quinque decurias[332], of hem adlecteren inter comites[333]. Belangrijker is dat de keizer via adlectio ook iemand kan opnemen in de ordo senatorius[334] of equester[335]. De keizer kon ook binnen de Senaat adlecteren inter patricios[336].
Een laatste categorie tenslotte van niet-muncipale adlectio, is zonder twijfel de meest belangrijke: het gaat dan over de opname in de Romeinse Senaat. Omdat die Senaat van Rome eigenlijk nauw verwant is met de gemeenteraden, die voor een deel gemodelleerd zijn naar die grote centrale instantie, zouden wij in een volgende paragraaf wat meer aandacht willen besteden aan die Senaat en meer bepaald aan de adlectio in senatum als vergelijkingpunt voor de adlectio in ordinem decurionum. Echter, waar rond die laatste vorm van adlectio nog heel wat twijfels bestaan, is de adlectio in de Senaat van Rome vrij goed gekend. Het enige punt van discussie is de reden van de adlectio, wat hier op het einde van deze volgende paragraaf aan bod komt.
1.2 De adlectio in de Romeinse Senaat
Vooraleer het precieze mechanisme van de adlectio in de Senaat te behandelen, is het misschien goed om eerst eens aandacht te besteden aan de traditionele manier van intrede in de senaat. Bij het begin van de eerste eeuw voor Christus kwam iemand in de senaat terecht door het bekleden van het ambt van quaestor[337]. Omdat er zo elk jaar twaalf nieuwe senatoren hun intrede deden in de Senaat, slaagde men er min of meer in om het aantal leden –op dat moment driehonderd- op peil te houden[338]. Maar wellicht was het wel zo dat men niet altijd aan die driehonderd senatoren kwam. Dan kwamen de censores in actie.
Elke vijf jaar moest door twee censores een lectio senatus gehouden worden, waarbij die twee censoren een album senatorium moesten opstellen, net zoals op municipaal vlak om de zoveel jaar een album decurionum vereist was. Het opstellen daarvan was aan strikte regels[339] gebonden en kwam er in feite op neer dat alle senatoren die nog leefden, werden opgenomen en de nieuwe ex-quaestoren eraan werden toegevoegd, zodat zij de nieuwe leden van de Senaat werden[340] . Als men ,nadat dit gebeurd was, nog niet aan het officiële ledenaantal zat, kon het gebeuren dat de censores een aantal extra senatoren aanduidden, meestal rijke ridders die (nog[341]) geen magistratuur hadden bekleed. Zij kregen de naam pedarii[342] mee.
Het voornaamste middel om in de Senaat binnen te raken was dus het bekleden van het ambt van quaestor, en dat bleef lange tijd zo, ook tijdens de woelige periode van de regering van Sulla en later Caesar. Sulla had weliswaar het ledenaantal opgekrikt tot zeshonderd en in de hoedanigheid van censor zelf veel van mijn medestanders tot de Senaat toegelaten, maar na zijn aftreden werd de quaestuur opnieuw hét intredemiddel[343]. Ook Caesar verhoogde op zijn beurt het aantal senatoren, tot negenhonderd[344], en plaatste veel van zijn eigen volgelingen in de Senaat[345]. Na Caesar echter brak een burgeroorlog uit, die opnieuw gevolgen had voor de Senaat: alle partijen beloonden hun trouwe partizanen met een zitje in de Senaat, wiens ledenaantal stilaan de duizend overschreed.
Dat was de situatie toen Augustus aan de macht kwam[346]. Hij stelde zich tot doel het ledenaantal opnieuw te doen dalen. Daartoe heeft hij drie keer een lectio senatus onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren[347]. Zo slaagde hij erin het aantal senatoren terug te voeren tot zeshonderd, overigens niet zonder slag of stoot van die senatoren[348]. Eens dit aantal bereikt, werd gewoon verder gedaan: de weg om in de Senaat te komen was het verkozen worden als quaestor[349]. Echter, Augustus zorgt er voor dat senatoren vanaf dat moment ook nog aan een andere voorwaarde moeten voldoen om senator te kunnen worden en blijven: senators moeten beschikken over minimum 1 000 000HS[350]. Het is dan ook onder zijn bewind dat we een echte klasse zich zien beginnen ontwikkelen, en dat de term ordo senatorius een bredere betekenis krijgt dan louter de vergadering van de senatoren: ook de zonen van de senatoren, die nog geen deel uitmaken van de Senaat, worden nu gezien als lid van die ordo[351]. Het zijn op de eerste plaats die zonen die stilaan de ambten die toegang geven tot de Senaat op zich gaan nemen, er kan stilaan gesproken worden van een erfelijkheid van een zitje in de Senaat[352]. In deze periode blijft de bekleding van ambten nog steeds de manier om zich toegang te verschaffen tot de Senaat, ook voor de zonen van senatoren.
Stilaan komen een aantal nieuwe manieren op waardoor iemand –een homo novus bijvoorbeeld- zichzelf een senaatszetel kan geven. Deze evolutie zien we zich gelijktijdig voltrekken met de opkomst van twee duidelijk gescheiden ordines, de ordo senatorius en de ordo equester[353]. De Senaat rekruteerde zijn leden uit de ordo senatorius, maar onder Claudius komt er toch een duidelijk vernieuwing inde methode van toegang tot de Senaat[354]. Toen hij aan de macht kwam, was het aantal senatoren schrikwekkend laag, ver beneden de zeshonderd[355]. De keizer moest dan ook dringend ingrijpen, via zijn censoria potestate, en dat deed hij[356]. Talloze homines novi kwamen in de Senaat terecht, ten dele via het schenken van de latus clavus, ten dele via adlectio.
Dat nieuwe procédé komt echter pas ten volle in gebruik onder Vespasianus. Van dan af komen de zonen uit de ordo senatorius in de Senaat terecht zoals ze het altijd al gedaan hebben, namelijk via het bekleden van een ambt, terwijl mensen die daar niet toe behoorden via adlectio in de Senaat konden komen[357]. Tot ongeveer de derde eeuw blijft dit een vaak gebruikt middel om mensen de toegang tot de Senaat te verschaffen, van dan af zien we het geleidelijker zeldzaam worden[358]. In de Late Keizertijd, een periode die hier buiten beschouwing wordt gelaten, zien we de term, en de procedure wel weer opduiken.
We hebben nu al een aantal maal verwezen naar die adlectio als middel om in de Romeinse Senaat binnen te treden, maar hoe ging dat nu precies in zijn werk, wat was die adlectio nu precies? Volgens de Dizionario Epigrafico[359] is dit een benoeming tot senator of een promotie binnen de Senaat, gedaan door de keizer. Op het moment dat het album wordt opgemaakt, en dus eventueel nieuwe senatoren kunnen opgenomen worden, kan de keizer iemand (een gunsteling?) opnemen in de Senaat zonder dat die daarvoor reeds een ambt heeft moeten uitoefenen. Niet alleen komt zo’n nieuweling in de Senaat terecht, bovendien krijgt hij ook onmiddellijk een bepaalde rang toegewezen[360]. Het kan ook gebeuren dat iemand die reeds lid was van de Senaat, een hogere rang krijgt toegewezen, ook in dit geval spreekt men van adlectio. Meestal gebeurt dergelijke procedure door de keizer[361], maar die adlectio kan ook uitgaan van de Senaat zelf[362], hoewel dit eigenlijk zeldzaam is. Door zo’n benoeming, waardoor de persoon in kwestie dus ook steeds een bepaalde rang krijgt, krijgt de nieuwbakken senator alle politieke rechten en eerbewijzen die aan zijn nieuwe rang verbonden zijn[363].
De meeste mensen die van zo’n adlectio -die eigenlijk een promotie inhield- konden genieten, waren –volgens Chastagnol[364]- mensen die reeds op het municipale of zelfs op het centrale niveau (in functies die voorbehouden waren voor ridders) al een carrière hadden uitgebouwd, en bijgevolg pas op latere leeftijd in de Senaat kwamen, in elk geval waren ze ouder bij hun moment van intrede dan diegenen die op een “normale” manier in de Senaat waren ingetreden. Volgens Chastagnol is het dan ook logisch te veronderstellen dat die mensen de adlectio kregen als beloning voor bewezen diensten, anders zouden ze toch reeds vroeger gepromoveerd zijn door middel van het verkrijgen van de latus clavus. Eigenlijk beschouwt Chastagnol de adlectio in de Senaat dan ook als een soort tweede kans voor zij die op jonge leeftijd om de een of andere reden de latus clavus niet hadden gekregen. Toch was het een minder groot geschenk dan die latus clavus, want de begunstigden daarvan verkeerden in de mogelijkheid om –doordat ze op jonge leeftijd intraden in de Senaat- nog een mooie carriére uit te bouwen, wat voor de adlecti niet meer weggelegd was[365].
Waar Chastagnol echter denkt dat die adlectio op de eerste plaats moet gezien worden als een vorm van beloning, is Houston[366] een andere mening toegedaan. Hij heeft alle adlecti van één keizer, met name Vespasianus onderzocht, vooral dan met het oog op het achterhalen van het waarom van die adlectio. Het is namelijk zo dat daaromtrent, net als rond de adlectio op municipaal vlak, nogal wat onenigheid bestaat. Was het om provincialen te kunnen opnemen, medestanders te belonen voor bewezen diensten of was het louter om de Senaat aan te vullen? Houston heeft geprobeerd een antwoord op die vraag te vinden door de carrières van die adlecti onder de loep te nemen. Wat bleek? Eigenlijk was die carrière niet echt opmerkelijk verschillend van die van de doorsnee senator. Een adlectus werd bijvoorbeeld niet vroeger of later consul dan een andere senator, zij werden niet meer of minder bevoordeeld dan andere groepen binnen de Senaat[367]. Ook wat hun afkomst betreft, waren zij geen bijzondere groep, hoewel er wel een behoorlijk aantal van die adlecti van provinciale afkomst waren. Dat laatste zou te verklaren kunnen zijn door het feit dat Vespasianus vooral zijn eigen medestanders beloonde via zo’n adlectio, maar dat klopt niet helemaal met de feiten[368]. Houston gaat er dan ook van uit dat niet kan gesteld worden dat beloning de (enige) drijfveer was achter adlectio, dat het eerder zo is dat alle adlectiones apart moeten bekeken worden, omdat de keizer dit ook zo –geval per geval- deed, om zo de Senaat aan te vullen[369].
In elk geval was het zeker zo dat adlectio in de tijd van Vespasianus een methode was om de Senaat “bij te vullen” (die idee is feitelijk inherent al aanwezig in de term adlegere) tot het officiële ledenaantal bereikt was, buiten de magistraten die elk jaar automatisch na hun ambt de Senaat kwamen vervoegen (eventueel na voorafgaandelijke toekenning van de latus clavus). Oorspronkelijk kon zo’n procedure enkel tijdens een census, vanaf Domitianus[370] echter het hele jaar door. Zo kon de keizer via die adlectio mannen naar eigen keuze in de Senaat doen binnentreden, soms bij wijze van beloning of als tweede kans, zoals Chastagnol stelt, maar niet altijd, soms was de adlectio gewoon een middel om de Senaat tot een bevredigend aantal leden te brengen, zoals we ook terug vinden in de reeds aangehaalde uitspraak: adlecti dicebantur quod apud Romanos qui propter inopiam ex equestri ordine in senatorum sunt numero adsumpti.
c) de adlectio op municipaal vlak buiten de ordo decurionum
Naast de adlectio in de ordo decurionum, die we in een volgende paragraaf uitgebreid zullen behandelen, kunnen we op het municipale vlak nog een andere vorm van adlectio onderscheiden, namelijk de adlectio in de burgergemeenschap of het verkrijgen van het burgerrecht van een gemeente. Traditioneel verkreeg men dat burgerrecht door nativitas, manumissio of adoptio[371], maar het kon dus ook via adlectio.
In dat laatste geval kon het de comitia of de volksvergadering van de gemeente zijn die besliste je op te nemen in het burgerkorps, of het kon ook een gunst zijn die je door de keizer werd toegekend. Beide gevallen waren echter behoorlijk zeldzaam[372]. Meestal gebeurde deze vorm van adlectio door de gemeenteraad of ordo decurionum[373]. Die konden iemand opnemen in de gemeenschap of hem municeps maken op directe of indirecte wijze. Ze konden een vreemdeling rechtstreeks benoemen tot officieel burger van hun gemeente door hem te verkiezen tot municeps[374], of ze konden het onrechtstreeks doen door hem decurio van hun gemeente te maken. Dan impliceert de term decurio adlectus eigenlijk ook dat die decurio door zijn adlectio tevens municeps van de gemeente geworden is[375]. Dit geval geldt vanzelfsprekend alleen maar als iemand decurio allectus wordt in een andere dan zijn eigen gemeente[376]. Overigens, als een decurio geadlecteerd wordt in zijn eigen gemeente, kan dit een beslissing zijn van een magistraat (meestal de quiquennalis); als hij het daarentegen wil worden in een “vreemde” gemeente, moet de hele gemeenteraad van die gemeente daarmee akkoord gaan en de adlectio uitvoeren[377]!
d) de adlectio in de ordo decurionum
Eindelijk zijn we aangekomen bij het eigenlijke onderwerp van deze verhandeling, namelijk de adlectio in de ordo decurionum. We zullen eerst nog eens zien wat we hierover terugvinden in de grote naslagwerken, om dan een status quaestionis proberen op te stellen rond de verschillende meningen die omtrent deze vorm van adlectio de ronde doen.
1.1 De naslagwerken
Om te beginnen slaan we er eerst even twee van de belangrijkste naslagwerken op na, namelijk opnieuw de Dizionario Epigrafico en de Pauly-Wissowa, om te zien wat zij specifiek te zeggen hebben over een adlectio in ordo decurionum. Zoals reeds aangehaald is er een verschil tussen de adlectio van iemand in zijn eigen gemeente, en in een andere gemeente. Wanneer dat laatste geval zich voordoet[378], verkrijgt de begunstigde niet alleen het decurionaat, maar wordt hij door de adlectio ook opgenomen in de gemeenschap zelf, wordt hij municeps. In dat geval, wanneer het decurionaat en het burgerrecht samen worden verleend, is het alleen de gemeenteraad of de ordo decurionum zelf die de adlectio kan voltrekken[379].
In het andere geval, wanneer de nieuwe decurio reeds het burgerrecht heeft, kan de adlectio –althans volgens deze naslagwerken- door drie bevoegde instanties worden voltrokken: door de hoogste magistraat van de gemeente, door de ordo decurionum of door een rijksmagistraat[380]. Dat laatste[381] is eerder een uitzonderingsgeval. In de Republiek kwam het een aantal keer voor dat een magistraat rei publicae constituendae iemand met het decurionaat begunstigde, maar al bij al was dit heel uitzonderlijk. Meestal was het zo dat de adlectio de taak was van de hoogste magistraat(en) binnen de gemeente zelf[382]. Die kon mensen opnemen of adlecteren naar aanleiding van een lectio ordinis of lectio senatus[383]. Als bewijs hiervoor wordt vaak verwezen naar de procedure in de Senaat van Rome[384], en naar twee teksten uit de oudheid zelf: het Album van Canusium en de Tabula Heracleensis. Een laatste –minder voorkomende- manier om tot decurio geadlecteerd te worden, is door verkiezing door de decuriones zelf, door de ordo decurionum[385]. Behalve in Ostia, waar dit een veel voorkomend fenomeen is, dat zeker nader onderzoek verdient, kwam dit volgens De Ruggiero voor de rest alleen op uitzonderlijke momenten voor, maar meer uitleg geeft hij daaromtrent niet.
Op welke manier, dit is: door wie de adlectio ook gebeurt, er zijn steeds twee mogelijkheden: de adlectus kan gewoon decurio worden, of hij kan de rang van een ex-magistraat krijgen[386]. Het kan ook gebeuren dat de adlectio zelfs niet slaat op de opname zelf in de ordo maar wel op een promotie binnen de ordo decurionum[387], van iemand die reeds decurio is, maar die nu een hogere rang dan enige magistratuur die hij ooit uitgeoefend heeft, mag gaan bekleden. Dit fenomeen merken we ook op in de Senaat van Rome, maar op municipaal vlak was het toch eerder uitzonderlijk.
De tekst van De Ruggiero roept echter heel wat vragen op: zoals hij het voorstelt lijkt het wel of alle decuriones toegang hebben gekregen tot het decurionaat via adlectio, of dat het een veel voorkomend fenomeen was, maar was dat wel het geval? Hij heeft in elk geval niet veel oog voor andere toegangsmethoden of voor het eventuele uitzonderingskarakter van de adlectio. Was adlectio wel zo veel voorkomend als De Ruggiero doet uitschijnen? Bestond er nog een andere (eventueel meer gebruikte, gewone) manier om de toegang tot het decurionaat te verkrijgen[388]? Voor de adlectio door magistraten verwijst hij naar de Tabula Heracleensis, maar die heeft het nooit specifiek over adlectio. Mag die tekst dan wel gebruikt worden? Wanneer en waarom koos men voor adlectio? Waren die adlecti gelijkgesteld aan de andere decuriones? Wat bedoelt De Ruggiero trouwens wanneer hij stelt dat “adlectio” een connotatie van aanvulling heeft: tot wat moest de ordo decurionum aangevuld worden? En als hij het heeft over het uitzonderlijke geval waarin decuriones mensen kunnen adlecteren, waar slaat dat op, welke bijzondere tijdstippen bedoelt hij?
We kunnen in de eerste plaats eens kijken of we een antwoord vinden op die vragen die De Ruggiero onbeantwoord laat via de vakliteratuur. Wat zeggen onderzoekers over het fenomeen van de adlecti, bestaat er over een aantal zaken een consensus,…? Kortom, laat ons omtrent de adlectio in de ordo decurionum een status quaestionis opstellen.
1.2. Status quaestionis
Deze status quaestionis, die alleen het fenomeen van de adlectio behandelt, sluit nauw aan bij en moet in combinatie gezien worden met de status quaestionis over de (reguliere) toegangsmethoden tot de ordo decurionum, die we hierboven terugvinden. Als we nu kijken naar de verklaringen die historici aanhalen voor de adlectio, blijkt ten eerste dat er uiteindelijk weinig aandacht is voor die adlectio, en ten tweede dat er onder de meeste historici wel een soort consensus bestaat, namelijk dat dit decuriones zijn die om één of andere reden op een bijzondere manier in de ordo decurionum zijn opgenomen, door de Senaat zelf en niet door de hoogste magistraten dus. We zullen eerst even een aantal onderzoekers die deze stelling verdedigen, aanhalen, om daarna daar eventueel andere –nieuwe- theorieën tegenover te plaatsen.
D. Pikhaus[389] stelt, in een artikel waarin zij de funeraire inscriptie rond “de Maaier van Mactar”[390] behandelt, dat adlectio een middel was waarmee door de ordo zelf[391] iemand in de ordo decurionum kon opgenomen worden zonder een magistratuur te hebben uitgeoefend[392], wat lange tijd de meest voorkomende manier om in te treden in de ordo decurionum is geweest, zoals we hebben gezien. Ze stelt zich echter wel de vraag wat de reden achter een dergelijke adlectio zou kunnen geweest zijn? Zou het misschien een opmerkelijke eerbetuiging kunnen zijn?
Een aantal –vooral oudere- onderzoekers stelden inderdaad heel duidelijk dat adlectio moet gezien worden als een eerbewijs voor mensen die bijzondere diensten geleverd hebben ten aanzien van de gemeente. Marquardt[393] stelt dat personen die bepaalde diensten hadden geleverd (over de aard van die diensten laat hij ons in het ongewisse) aan de gemeenschap konden opgenomen worden in de ordo decurionum van die gemeente, via adlectio. Ook Kübler[394] gaat er van uit dat adlectio op de eerste plaats als een groot eerbewijs moet gezien worden. Tot slot merkt ook Houdoy[395] op dat adlectio voorbehouden bleef aan mensen die een bijzondere gunst hadden geschonken, of de gemeente op de één of andere manier een dienst hadden bewezen. Hij wijst er echter wel op dat adlectio hoe langer hoe meer een doorsnee karakter kreeg en hoe langer hoe minder uitzonderlijk werd, en bijgevolg geen zo’n groot eerbewijs meer was[396].
Dus adlectio kan –volgens sommigen- gezien worden als een gebruik om mensen die de gemeente om de één of andere reden wilde bedanken, door hen het decurionaat te schenken. Zou er nog een andere reden kunnen zijn om iemand via adlectio toe te staan deel te gaan uitmaken van de ordo decurionum? Onder meer Houdoy[397] reikt ons inderdaad nog een andere mogelijke reden aan: adlectio bood ook een uitkomst voor die gevallen waarin mensen om een bepaalde reden niet konden toegelaten worden tot de ordo[398], omdat ze niet voldeden aan de voorwaarden die waren opgesteld voor een decurio. Houdoy zelf geeft het voorbeeld van mensen die (nog) niet oud genoeg waren om als decurio te kunnen worden, maar via adlectio toch de mogelijkheid kregen daartoe. Dit deed men bijvoorbeeld als er een tekort aan (kandidaat)decuriones, vanzelfsprekend wel van de juiste leeftijd, was; of als een vader graag wilde dat zijn zoon decurio werd en bereid was daarvoor zich persoonlijk borg te stellen[399]; het kon ook om een plaatselijk gebruik gaan.
Dus die uitzonderingsidee die blijkbaar gekoppeld is aan adlectio wordt door sommige onderzoekers verbonden aan de persoon die geadlecteerd wordt; anderen echter –zoals Kleijwegt[400]- leggen een verband met de manier waarop die persoon geadlecteerd wordt, met andere woorden: de adlectio zou dan verwijzen naar een onregelmatige manier van opname in de ordo decurionum. Wat is er nu zo anders aan de adlectio, waarin verschilt die van de gewone opname in de ordo decurionum[401]?
Zumptius is de enige die letterlijk verwijst naar het mogelijke supranumeraire karakter van adlectio. Hij op zijn beurt stelt namelijk dat er nog een andere reden was om mensen via adlectio op te nemen, namelijk volgens hem waren allecti die personen die supra numerum opgenomen werden in de ordo decurionum, dus supranumerair[402]. Hiermee komt hij tegemoet aan de oorspronkelijke betekenis van adlegere, waar de idee van aanvulling en ook (supranumeraire?) toevoeging in verborgen zit.
Oudere studies, zoals die van een Tanfani, een Marquardt of een Houdoy[403] nemen aan dat de adlectio afhing van de ordo decurionum, dat de decuriones zelf in dit geval nieuwe leden coöpteerden, terwijl normaal het zo was dat nieuwe decuriones mensen waren die een magistratuur hadden uitgeoefend en tijdens een lectio senatus door de bevoegde magistraten (de quinquennales?) in het album en bijgevolg ook in de gemeenteraad werden opgenomen. De aangehaalde bewijzen hiervoor zijn aan de ene kant de talloze inscripties waarop de adlectio wordt gekoppeld aan een decretus decurionum[404], aan de andere kant de reeds hoger ook al aangehaalde Tabula Heracleensis. Ook Sherk[405] wijst op het feit dat decuriones konden tussenkomen bij het benoemen van mede-decuriones, en tal van andere onderzoekers gaan er ook van uit dat de adlectio slaat op een benoeming door de decuriones, in tegenstelling tot de traditionele benoeming door magistraten, vaak in het kader van een lectio senatus (om de vijf jaar?)[406].
Eén van de mensen die ook deze theorie aanhangen is Langhammer[407]. Naar zijn mening konden de decuriones (of de comitia of de keizer in eigen persoon)[408] personen die volgens hen verdienden om decurio te worden (wegens bijzondere verdiensten) via adlectio opnemen in de ordo zonder daarvoor een census te moeten afwachten, dus op gelijk welk moment. Die nieuwe decuriones –die eventueel ook een rang kregen toegewezen binnen de ordo decurionum- verkregen door deze adlectio alle rechten van een “gewone” decurio, zowel op politiek vlak (stemrecht,…) als op het vlak van eerbewijzen (een plaats in het theater bijvoorbeeld). Langhammer wijst er echter op dat dergelijke adlectio niet overal in dezelfde mate voorkwam, het was afhankelijk van plaats tot plaats en bovendien werd er in de ene periode meer gebruik van gemaakt dan in de andere periode. De onderliggende idee was bovendien altijd –ook al werden deze decuriones meer dan waarschijnlijk gecoöpteerd door de andere raadsleden en niet benoemd door magistraten naar aanleiding van een lectio- dat door deze procedure de ordo decurionum werd aangevuld tot het in de gemeente geldende officiële ledenaantal, vandaar dat adlectio bijvoorbeeld voorkwam wanneer er te weinig nieuwe leden waren binnengetreden op de reguliere manier.
Overigens, de auteur[409] stelt dat er nog een bijzondere categorie decuriones bestond die tot de groep van de allecti kunnen gerekend worden, namelijk de pedani[410], die we onder meer terugvinden op het album van Canusium. Volgens Langhammer zijn dat decuriones die weliswaar –net als de “echte” decuriones adlecti- voor hun intrede in de ordo decurionum geen magistratuur hebben uitgeoefend, maar – in tegenstelling tot de adlecti die we hoger gezien hebben- wel door de magistraten benoemd zijn tijdens een lectio senatus, en niet door de ordo decurionum zelf gecoöpteerd. Dus pedani beschouwt de auteur als een vorm van decuriones adlecti, maar hij ziet ze als de laagst gerangschikte groep binnen de ordo decurionum, terwijl de decuriones adlecti daarentegen in de hogere rangen van de ordo kunnen opgenomen worden.
Ook andere auteurs leggen het verband tussen de decuriones adlecti en die zogenaamde pedani, een groep die we eigenlijk ook niet zo goed kennen: de term is ons wel bekend, maar de precieze betekenis van deze groep in de ordo blijft wat onduidelijk. Zo bijvoorbeeld Mouritsen[411], die in een artikel het album van Canusium bespreekt, met de bedoeling om met dat album als vertrekpunt een aantal stellingen te kunnen poneren of bewijzen omtrent de ordo decurionum in de diverse Italische gemeenten. Nu, op dat album van Canusium figureren naast een aantal adlecti[412] eveneens een aantal pedani[413], en daaromtrent heeft Mouritsen een hypothese ontwikkeld, die wij hier kort uiteen zullen zetten[414].
Zoals gezegd komt op het album van de stad Canusium een opmerkelijk aantal decuriones voor die (nog?) geen magistratuur hebben uitgeoefend, met name de pedani[415]. Hun grote aantal is wellicht te verklaren door de grootte van de ordo decurionum van Canusium, die honderd leden telde, maar blijft een grote uitzondering als we kijken naar de rest van Italië. Mouritsen vroeg zich dan ook af wat de verklaring voor dit verschijnsel zou kunnen zijn, en hoe die groep eigenlijk moest beschouwd worden[416]. De auteur kwam tot de conclusie dat die opmerkelijk grote[417] groep non-magistraten, zoals we ze zullen noemen- eigenlijk ten eerste een heel homogene groep bleek te zijn en ten tweede een onderlaag binnen de ordo vormde, een groep die bijvoorbeeld weinig kans bleek te bezitten op promotie binnen de gemeenteraad[418]. Maar hoe zat het met non-magistraten in de rest van Italië[419]? Over het algemeen blijkt dat in de andere Italische gemeenten de groep van non-magistraten (waartoe we onder meer de adlecti kunnen rekenen volgens Mouritsen[420]) zeker zo groot niet was: Mouritsen stelt dat deze groep in een doorsnee gemeente zo’n tien procent van de ordo uitmaakte. Bovendien blijkt die groep non-magistraten, opnieuw in tegenstelling tot de pedani van Canusium, een heel heterogene groep te zijn, wat Mouritsen doet besluiten dat het verkrijgen van het decurionaat zonder voorafgaand ambt, bijvoorbeeld via adlectio een eerste stap in een roemrijke carrière kan zijn, of voor sommigen de bekroning en de grens van de sociale promotie[421]. Tot op zekere hoogte kunnen we die stelling dus betrekken op het fenomeen van de adlectio, maar het is niet duidelijk in hoeverre we dat kunnen doen, want we weten eigenlijk niet precies welke categorieën Mouritsen, naast decuriones adlecti, nog beschouwt als zijnde non-magistraten.
Een tweede auteur die de adlecti en de pedani uitgebreider behandelt en met elkaar verbindt, is Salway, opnieuw in het kader van een onderzoek naar het album van Canusium[422]. Hij volgt Mouritsen en Langhammer als hij de pedani beschouwt als een groep decuriones die niet in de Senaat is ingetreden door het uitoefenen van een ambt, maar doordat de quinquennales[423] hen aangeduid hebben om zo tot precies honderd leden te komen[424], dus ter aanvulling (wat eigenlijk ook in de term adlectio verborgen zit). Maar waar Mouritsen die pedani uit Canusium ziet als één homogene groep die onderaan de ordo decurionum te situeren valt, prefereert Salway hen te beschouwen als er erg heterogene groep[425], waar onder andere adlecti toe gerekend mogen worden. De auteur stelt dat de personen die deel uitmaken van die groep pedani eigenlijk in twee categorieën kunnen ondergebracht worden. Aan de ene kant heb je de plebejers op leeftijd die door dienst te doen in het Romeinse leger zich opgewerkt hebben en hun carrière dan uiteindelijk bekroond zien met het decurionaat (meestal in hun stad van herkomst), aan de andere kant vinden we ook een aantal jonge mensen uit de elite terug die aan alle voorwaarden om decurio te worden, voldoen, maar niet verkozen zijn voor een bepaald ambt, en voor wie het worden van pedaneus dan ook een kans is om toch in die ordo decurionum te geraken. Voor hen is de titel van pedaneus dan ook maar een eerste stap in hun carrière, daar waar het voor de eerste categorie eigenlijk een afsluiter is.
Naast de relatie tussen adlecti en pedani is een ander behandeld thema in de vakliteratuur de summa honoraria. Garnsey[426] heeft een artikel gewijd aan deze financiële bijdragen die van nieuwe decuriones verwacht of geëist werd naar aanleiding van hun intrede in de ordo decurionum. Zijn stelling is reeds aan bod gekomen, maar verdient hier nadere uitdieping, omdat Garnsey meer bepaald aan het al dan niet betalen van de summa honoraria[427] een idee over de status van de decuriones adlecti koppelt. De auteur[428] gaat er namelijk van uit dat zo’n summa honoraria pas vanaf het begin van de tweede eeuw onder impuls van bepaalde politieke en economische omstandigheden een algemeen verspreid verschijnsel is geworden, terwijl daarentegen in de periode voordien alleen decuriones die op een onregelmatige manier tot de ordo decurionum waren toegelaten, dergelijke sommen moesten betalen.
Bewijs hiervoor ziet hij in de briefwisseling van Plinius en Trajanus, in de periode dat die eerste gouverneur van Bythinia was[429]. De daarin besproken zaken gelden op de eerste plaats natuurlijk alleen voor deze oosterse provincie, maar Garnsey gelooft dat zijn stelling omtrent de summa honoraria die hij op basis van deze informatie heeft opgebouwd, kan opgaan voor het westen van het Romeinse Rijk ook. Het aantal bronnen voor die gewesten omtrent dit thema is echter veel beperkter, voor Italië bijvoorbeeld moet Garnsey steunen op vier inscripties die een decurio adlectus vermelden die “gratis” geadlecteerd is. Dat is echter een dubbelzinnige formulering, die je op verschillende manieren kunt interpreteren. Betaalden misschien alle decuriones zo’n summa honoraria, of normaal alleen de decuriones adlecti[430], behoudens enkele gevallen die het voorrecht kregen gratis binnen te mogen?
Het antwoord op die vraag moet gezocht worden in de betekenis van het woord adlectio. Garnsey gaat er van uit dat adlecti in de ordo decurionum werden opgenomen als aanvulling, om het album opnieuw volledig te maken[431], en dat het altijd ging om mensen die voordien nog geen magistraat waren geweest[432], en die nu door de decuriones zelf in hun midden werden opgenomen (in tegenstelling tot de gewone decuriones die ook volgens Garnsey door een magistraat, bijvoorbeeld een quinquennalis, werden benoemd). De auteur stelt dat die decuriones adlecti precies omwille van die onregelmatige manier van opname een summa honoraria moesten betalen, in tegenstelling dus tot de gewone decuriones. Die laatsten waren overigens voor hun opname in de Senaat magistraat geweest, en hadden bijgevolg in die hoedanigheid al de gemeente financieel gesteund[433]. Er waren trouwens nog onregelmatigheden die konden verbonden zijn aan zo’n adlectio in de ordo decurionum, die zo’n summa honoraria verantwoordden en wellicht voor de betrokkenen ook vergoelijkten: zo zijn er een aantal voorbeelden gekend die aantonen dat jongeren die bijlange nog niet de leeftijd hadden bereikt om in de gemeenteraad te mogen zetelen, via adlectio dat toch konden doen[434]. Maar om welbepaalde redenen, bijvoorbeeld omwille van uitzonderlijke vrijgevigheid[435] jegens de gemeente kan die summa honoraria worden afgeschaft, als een bijkomende gunst, naast de adlectio. We zouden dus eigenlijk kunnen eigenlijk stellen dat het bestaan van zo’n summa honoraria voor decuriones adlecti een mooi bewijs is van de uitzonderlijke positie die dergelijke decuriones bezaten.
Tenminste, als de resultaten van Garnseys onderzoek “kloppen”. Want we moeten ons durven afvragen of de zaken die hij poneert wel gelden voor oost en west, en of überhaupt bronnen die specifiek het oosten van het rijk behandelen, kunnen gebruikt worden voor zaken uit het westen en omgekeerd. Met andere woorden: kan informatie uit de briefwisseling van Plinius en Trajanus gebruikt worden om toestanden uit het westen in te kaderen, kan een bron uit het westelijk deel van het rijk geëxtrapoleerd worden naar het oosten? Daar gaat Garnsey naar onze mening wel iets te makkelijk van uit. Daarom moeten we ook voorzichtig zijn met zijn bevindingen. Overigens, Garnsey zowel als Mouritsen zien de decuriones adlecti veel ruimer dan wij dat gedaan hebben. Wij hebben ons namelijk toegespitst op die decuriones waarvan specifiek in de inscriptie de adlectio is aangegeven, terwijl Garnsey bijvoorbeeld alle mensen die in de ordo decurionum zijn opgenomen zonder voorafgaandelijk een magistratuur te hebben bekleed, als adlecti beschouwt, ook al wordt deze term met betrekking tot deze personen nergens vermeld.
Garnsey gaat er in elk geval net zoals zovelen van uit dat decuriones adlecti decurionen zijn die gecoöpteerd zijn door de gemeenteraad, in tegenstelling tot de reguliere decurionen die –na het vervullen van een magistratuur- door de magistraten van de gemeente (vaak worden hiervoor de quinquennales als verantwoordelijk beschouwd) benoemd zijn als decurio. Door de ontdekking van de Lex Irnitana enige tijd geleden echter[436] is heel die traditionele idee omtrent de benoeming van reguliere decuriones op de helling komen te staan[437]. Het is meer dan vanzelfsprekend dat dit ook zijn weerslag zal hebben op de ideeën omtrent adlectio, maar hoe en in welke mate daar verandering in zal komen, is niet meteen duidelijk. Tot nu toe hebben sinds de ontdekking van deze gemeentewet nog maar weinig mensen zich gebogen over de adlectio.
Ons lijkt het echter dat Jacques gelijk heeft wanneer hij –overigens in een artikel dat volledig gewijd is aan de gevolgen van de kennis van deze nieuwe lex voor de opvattingen over de municipale geschiedenis[438]- stelt dat er verschillende manieren waren om toegelaten te worden tot de ordo decurionum (een ordo die trouwens in de opvatting van de auteur niet meer op vooraf geregelde tijdstippen, bijvoorbeeld om de vijf jaar, aangevuld werd met nieuwe leden, maar wel wanneer het nodig was[439]), en één van die manieren was adlectio door de ordo decurionum zelf. Deze methode vinden we overigens, in tegenstelling tot de traditionele toegangsmethode die nu echter door de Lex Irnitana wat op de helling is gezet, vaak terug op inscripties. Het feit dat die adlectio veel op inscripties wordt vermeld, kan natuurlijk ook juist geizen worden als een bewijs voor het uitzonderingskarakter van dit verschijnsel.
We kunnen dan ook stellen dat deze Lex Irnitana eigenlijk al bij al omtrent de opvatting omtrent adlectio weinig nieuws heeft aangebracht. Adlectio blijft een methode om toegelaten te worden tot de ordo decurionum, maar het is niet zo duidelijk in welke mate dit nu een veel of weinig voorkomend verschijnsel was, zeker nu onze “reguliere” toegangsmethode niet zo heel regulier blijkt te zijn, door de ontdekking van de Lex Irnitana. Ook op die vraag zoekt Jacques een antwoord te geven[440]. Hij wijst er op dat inscripties –de bron waardoor we adlectio eigenlijk vooral kennen- net als juridische teksten vooral oog hebben voor zaken met een sterk uitzonderings-karakter[441]: hieruit kan men al de voorzichte conclusie trekken dat adlectio toch wellicht geen algemeen voorkomend fenomeen was. Deze procedure moet gewoon gezien worden als één van de mogelijke –en wellicht eerder uitzonderlijke- manieren om toegelaten te worden in de ordo decurionum, als die ordo aan aanvulling toe was[442].
Wellicht was het zo dat adlectio in bepaalde gemeentes meer voorkwam dan in andere, zoals ook Langhammer opmerkte[443]. Hét voorbeeld van een stad waar adlectio in de ordo decurionum wellicht de regel was, is de havenstad Ostia[444], want bijna alle via inscripties gekende decuriones zijn decuriones adlecti. Mouritsen wijdt in zijn reeds aangehaalde artikel over Canusium behoorlijk wat aandacht aan dit uitzonderlijke verschijnsel[445]. Waar in andere steden het meestal de gewoonte was dat ex-magistraten hun intrede deden in de ordo decurionum en zo de ordo telkens aangevuld raakte[446], is hier in Ostia de relatie tussen magistratuur en decurionaat helemaal anders, omgekeerd eigenlijk. In deze stad maakte adlectio vanaf de eerste eeuw in zekere zin deel uit van de cursus honorum: niemand kon magistraat worden zonder eerst als decurio adlectus te zijn aangeduid (dat schijnt de enige manier om in de ordo decurionum binnen te raken, te zijn). We kunnen dan ook stellen dat de decuriones adlecti de groep vormden waaruit de toekomstige magistraten gekozen werden. Adlectio was de eerste stap in je municipale carrière. Bijgevolg zal in de gemeenteraad altijd een groep mensen zetelen die nog geen ambt hadden uitgeoefend[447], maar die groep is totaal niet te vergelijken met de pedani zoals we die kennen uit Canusium: in Ostia maakte deze groep ook deel uit van de municipale elite. Jacques merkt trouwens in verband met dit fenomeen op dat de decuriones adlecti van Ostia zeker geen “personnages marginaux ou des hommes nouveaux” zijn[448]. We moeten er echter wel rekening mee houden dat Ostia een uniek geval is, al was het maar om het hoge aantal decuriones adlecti.
Uit de woordenboeken en naslagwerken zijn we te weten gekomen dat adlectio op diverse niveaus kan voorkomen, zo onder andere op municipaal niveau als opnamemiddel in de ordo decurionum. Via het doornemen van de vakliteratuur is ons daarenboven duidelijk geworden dat omtrent die municipale vorm van adlegere een aantal, niet compleet onverzoenbare ideeën en theorieën bestaan, die we in een aantal puntjes kunnen samenvatten. De adlectio zou ten eerste gebruikt kunnen worden als manier om bepaalde mensen in de ordo decurionum op te nemen die –volgens sommigen- normaal gezien niet in de ordo zouden kunnen zetelen (wegens bijvoorbeeld te jong) of –naar de mening van anderen- wegens bijzondere verdiensten op een bijzondere manier in de ordo decurionum zijn opgenomen (sommige onderzoekers houden vast aan een combinatie van deze twee aspecten). Dus de bijzonderheid kan liggen bij de persoon die geadlecteerd werd, maar kan ook slaan op de handelende of bevoegde instantie: dat zou dan de ordo decurionum zijn, wat adlegere heel nauw verwant zou laten worden aan cooptare. Ofwel zou het uitzonderlijke liggen in het tijdstip van de opname (bijvoorbeeld los van de vijfjaarlijkse lectio senatus) of de procedure (het niet tussenkomen van de quinquennales). Ofwel zou de decurio adlectus gewoon ter aanvulling, om aan het voldoende aantal leden te komen, zijn opgenomen. Aan de andere kant kan het ook dat de decuriones adlecti juist supranumerair zouden zijn opgenomen.
In een volgend luik zullen we nu aan de hand van de geattesteerde decuriones adlecti –en de informatie die we over die diverse individuen terugvinden- proberen een aantal van de zonet geschetste opvattingen te staven of juist te weerleggen. Ook is het interessant om te zien of we informatie zouden vinden over het karakter van de adlectio: waren die decuriones adlecti volwaardige leden van de ordo decurionum of is er misschien eerder een verband met de ornamentarii? Overigens, die laatste groep zal nader onder de loep worden genomen en vergeleken met onze decuriones adlecti.
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
[304] Plinius, X. 113: Honorarium decurionatus omnes, qui in quaque civitate Bithyniae decuriones fiunt, inferre debeant necne, in universum a me non potest statui. Id ergo, quod semper tutussimum est, sequendam cuiusque civitatis legem puto, sed verius eos, qui invitati fiunt decuriones, id existimo acturos, ut praestatione ceteris praeferantur.
[305] CARY M. & NOCH A.D., allego, in: CARY M. & NOCH A.D., The Oxford Classical Dictionary, I, p. 103. Wanneer we het werkwoord adlegere opzoeken in andere woordenboeken, blijkt dit vertaald te worden als “bijkiezen, door keuze in een college of kring opnemen” (MULLER F. en RENKEMA E.H., allego, in: Beknopt Latijns-Nederlands woordenboek, p. 41). Er is dus een onderliggende betekenis van aanvulling van een groep aan verbonden, maar welke die groep is (“een college of kring”), daar wordt verder geen aandacht aan besteed. Bij LEWIS C.T. & SHORT C., A latin dictionary, p. 93 vinden we als vertaling van adlegere het volgende terug: “to select for, to choose, to admit by election, to elect to or into; allectus is a member chosen into any corporation,eg those who were added to the senate from the equestrian order, on account of the small number of the senators were called adlecti, ac. to Paul. Ex Fest.”.
[306] Of liever allegere (allego, -legi, -lectum).
[307] De voorbeelden die de opstellers van het woordenboek aangeven slaan op diverse vormen van adlectio (in de Senaat, op municipaal vlak,…) en komen zowel uit de literatuur als uit de epigrafie: “ut cum … placeret … augeri sacerdotum numerum quattuor pontifices, quinque augures, de plebe omnes allegerentur” (Liv. 10.6.6); “nondum a censoribus in ordinem senatorium allectum” (V. Max. 2.2.1); Cn. Caesius Athictus (P31): ALLECTO INTER C VIR (I.61 en I.62).
[308] “(milites) in sui custodiam allegit” (Suet. Aug. 49.1).
[309] DE RUGGIERO E., Allectio, in: Dizionario epigrafico di antichità romane, I, pp. 411-422; S.n., “allego” in: Thesaurus Linguae Latinae, I, 1663-1666.
[310] S.n., “allego” in: Thesaurus Linguae Latinae, I, 1664; het woord zelf is terug te voeren op legere, en moet duidelijk onderscheiden worden van verwante begrippen zoals sublegere, want “collegae qui una lecti, et qui in eorum locum suppositi: sublecti, additi: allecti”.
[311] Een voorbeeld van zo’n adlectio in een privécollege is terug te vinden in CIL XIV, 409: deze man is onder meer gratis adlectus inter navicularios Maris Hadriatici. En in CIL VI, 1984 (de fasti van de Sodales Augustales Claud.) is ook iemand adlectus in de vereniging, door een senatusconsultum.
[312] Zo kan iemand geadlecteerd worden in de annona, dus in het leger (CIL V, 5036), of door adlectio magister epistularum worden aan het hof (CIL VII, 262), of zoals in CIL X, 7518) geadlecteerd worden in de sacerdotales provinciales van de provincie Sardinia.
[313] DE RUGGIERO E., Allectio, in: Dizionario epigrafico di antichità romane, I, pp. 411: “l’atto col quale si è ammesso a far parte di un corpo costituito nel campo cosi politico e sociale, come religioso, militare e privato.”
[314] Dit citaat zou volgens Thesaurus Linguae Latinae, I, 1664 te vinden zijn bij PAUL. FEST p. 7, maar wij hebben dit niet kunnen terugvinden.
[315] Bijvoorbeeld een adlectus a memoria, een adlectus centuria in legione,…
[316] Een interessant voorbeeld hiervan vinden we in een onuitgegeven inscriptie uit Misenum, die ons is aangereikt door professor Duthoy en die opgedragen is aan een lid van de Augustales, Q. Cominius Abascantus. Diens vrouw is ook opgenomen in het corps van de Augustalen, en dit via adlectio (…placere Augustalibus Nymphidiam Monimen in corpore nostro adlegi / eique sportulas dierum / sollemnium ac divisiones, quas viritim ac/cepimus, dari.) Dit is een bijzonder geval: normaal zouden vrouwen zelfs niet toegelaten worden tot de Augustales. Dit kan er op wijzen dat in elk geval in dit voorbeeld adlectio een manier was om personen die normaal geen kans maakten in een groep opgenomen te worden, toch toe te laten tot die groep. Het is wel de vraag of deze vrouw een volwaardig lid van de vereniging was of louter deel mocht nemen aan uitdelingen van bijvoorbeeld sportulae. In elk geval wordt dat aspect van het lidmaatschap op de steen vooral onder de aandacht gebracht en beklemtoond. Nog één opmerking: het lijkt er op dat de inlijving van dit nieuwe lid via adlec