| Decurio adlectus decreto decurionum. De decuriones adlecti: uitverkorenen of alledaagse decuriones? Geadlecteerde decurionen in de lokale gemeenschappen van Italië en de westelijke provincies tijdens het Principaat. (Francisca Declerck) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
3. Het praktische luik: de epigrafisch geattesteerde decuriones adlecti
Na op de voorbije bladzijden een beeld te hebben geschetst van de ordo decurionum binnen de gemeenten van het Romeinse Rijk (vooral dan in Italië en het westen), en stil te hebben gestaan bij de diverse meningen die de onderzoekers (al dan niet) delen over de decuriones adlecti, en ook te hebben gekeken wat we via juridische en literaire bronnen (we mogen er van uitgaan dat deze teksten op de eerste plaats de normatieve situatie weergeven) terugvinden over deze aparte categorie van decuriones, moeten we ons nu wenden tot de reële decuriones adlecti, om zo ook de werkelijke situatie te kunnen detecteren.
Zoals reeds gezegd zijn we 97 epigrafisch geattesteerde decuriones adlecti op het spoor gekomen. In dit tweede deel van deze verhandeling zullen we aandacht besteden aan die 97 individuen, en zien wat zij ons –via de inscripties- leren over zowel de institutionele als de sociaal-economische achtergrond van de adlectio, om deze elementen dan in een laatste deel, in het besluit van deze verhandeling, te kunnen koppelen aan de bevindingen uit ons (eerder theoretisch gerichte) eerste deel. Klopt de communis opinio die aangehangen wordt omtrent adlectio in de ordo decurionum wel met het beeld dat door het epigrafische materiaal wordt opgehangen? Bestaat er eigenlijk wel zoiets als “de decurio adlectus”, of moet elk geval eigenlijk apart bekeken worden? …
3.1 Prosopografische behandeling van de epigrafisch geattesteerde decuriones adlecti
Wij hebben er voor geopteerd om in navolging van studies zoals die van een Pflaum omtrent de iudices van Africa, een Demougin omtrent de iudices van Italië of een Burnand omtrent die van Gallia[1], eerst een prosopografische behandeling te maken van alle geattesteerde decuriones adlecti, om daarna deze personen als groep te gaan beschouwen en de resultaten van dit onderzoek weer te geven omtrent de institutionele en sociaal-economische ascpecten van de adlectio in ordinem decurionum. Deze prosopografische behandeling is noodzakelijk omdat hierin een aantal zaken zullen aangehaald en opgeklaard worden (bijvoorbeeld over de volgorde van de ambten, of de geografische en sociale herkomst van een bepaald persoon) die later nog aan bod zullen komen, maar dan meer in het algemeen, over heel de groep van de decuriones adlecti.
Maar in dit eerste deel behandelen we dus alle epigrafisch geattesteerde decuriones adlecti[2]. Dit doen we per klasse[3], en bij elke figuur wordt even stilgestaan, wordt zover mogelijk iets gezegd over zijn afkomst en familiale relaties (voor zover dit relevant is), zijn sociaal-economische achtergrond, en eventuele anomalieën of merkwaardigheden in hun carrière. Dit doen we om dan in een later stadium conclusies te kunnen trekken over bijvoorbeeld de sociale mobiliteit van de decuriones adlecti, de doorsnee leeftijd van een decurio adlectus, de carrière,…. Telkens wordt ook het nummer van de inscriptie die over deze persoon handelt, vermeld, om zo ook de inscriptie te kunnen opzoeken in de catalogus.
1. DE ORDO SENATORIUS
Misschien is het een aanwijzing omtrent de status van de decuriones adlecti, maar in elk geval behoort geen enkele van de geattesteerde individuen tot de ordo senatorius.
2. DE ORDO EQUESTER
2.1 De functionele equites
P1. M. Acilius [M.f. P]riscus (I.24) Ostia- tweede helft eerste eeuw
Deze functionele eques, die de militiae equestres doorlopen heeft (als praefectus cohortis, als tribunus cohortis in Dalmatia en als tribunus militum van het elfde legioen Claudiae Piae Fidelis in Germania Superior[4]) behoorde tot één van de meest vooraanstaande families in Ostia. Echter, op rijksniveau is hij -in tegenstelling tot op lokaal niveau- nooit ver geraakt[5]. Op lokaal niveau is M. Acilius Priscus zoals gezegd dus wel van aanzienlijk belang geweest[6]. Hij heeft de hele cursus honorum te Ostia[7] doorlopen, na geadlecteerd te zijn in de ordo decurionum[8]: hij werd dus quaestor aerari[9] en dat zelfs op vraag van, of liever gekozen door de decuriones[10]. Dit is eigenlijk best merkwaardig: niet alleen schenken de decuriones hem het decurionaat via adlectio[11], ze kennen hem ook een ambt toe (los van die adlectio weliswaar), via een stemming die hierover gehouden is in de raad zelf. In elk geval kan het hier door het opnemen van het quaestoraat dus al niet gaan om iemand die op het eind van zijn leven als eerbewijs, omwille van diensten ten aanzien van de gemeente, toegelaten is tot de ordo decurionum door middel van adlectio en geen enkel ambt meer ambieert, zoals het bij sommige decuriones adlecti wel het geval lijkt te zijn. We moeten er natuurlijk wel rekening mee houden dat Ostia, waar haast alle gekende decuriones geadlecteerd zijn[12], een uitzonderlijk geval is.
Voor de rest van de carrière van de man is er enige twijfel[13]. Zeker is in elk geval dat M. Acilius Priscus twee keer praefectus is geweest, of plaatsvervangend magistraat, wellicht voor een lid van de keizerlijk familie, maar wie precies is niet direct geweten[14]. Er is echter twijfel over de volgende regel van de inscriptie: IIvir aedil(is) II [quinq]uennal(is). Normaal gezien is men namelijk eerst aedilis en dan pas duumvir[15]. Meiggs[16] gaat er dan ook van uit dat de steenkapper twee woorden omgewisseld heeft. M. Acilius Priscus zou dan aedilis geweest zijn en vervolgens twee maal duumvir (waarvan één keer met censoriale bevoegdheden). De man is ook drie jaar op rij praefectus van het collegium fabrum te Ostia geweest, en heeft de twee belangrijkste religieuze posten van de gemeente bekleed: hij was namelijk flamen Romae et Augusti, en was in die hoedanigheid verantwoordelijk voor deze cultus die vanaf de Vroege Keizertijd reeds werd beoefend te Ostia[17]? Dit ambt was voorbehouden aan mensen met een groot prestige, die reeds een rijkgevulde carrière achter de rug hadden[18]. Een nog duidelijker aanwijzing voor het belang van deze Acilius in de Ostiaanse context is het feit dat hij pontifex Volcani is geweest. Vulcanus was dé godheid in Ostia en zijn cultus was dan ook ontzettend belangrijk. Diegene die pontifex Volcani werd – net als het flaminaat van Romae et Augusti een benoeming voor het leven – had de top bereikt binnen de gemeente van Ostia (Meiggs stelt dat het zowat te vergelijken is met de positie van de pontifex maximus te Rome[19]).
Misschien nog een kort woordje over de Acilii. In elk geval waren zij, naast de Egrilii, de Lucilii Gamalae, de Paetinii, de Naevii, de Fabii en ook de Sergii en de Tuccii, één van die families die de macht hadden in de havenstad nabij Rome[20]. Binnen deze elite was de familie van de Acilii wellicht niet de top[21], maar ze hadden toch veel prestige en slaagden er –bijvoorbeeld via deze M. Acilius Priscus – toch in de belangrijkste functies binnen de gemeente te bekleden, vooral dan vanaf de periode waarin te Rome de Flaviërs de macht hadden gegrepen. Later is de familie er zelfs in geslaagd op te klimmen tot het senatoriale niveau[22]: M. Acilius A.f. Priscus Egrilius Plarianus[23], de stiefzoon van “onze” M. Acilius Priscus, slaagde er in een mooie carrière uit te bouwen op lokaal én centraal niveau[24].
P2. C. Aelius P.f. Cl. Quir. Domitianus Gaurus (I.41) Puteoli- 2e helft tweede eeuw
De carrière van deze functionele eques –die door de keizer het equis publicus was gegeven- kunnen we in vier sectoren opdelen. Zo was er zijn carrière in het leger: als praefectus cohortis van het derde chort en tribunus legionis van het twaalfde legioen (beide in Cappadocia[25]) en wellicht ook als praefectus fabrum heeft hij toch een mooie carrière in het leger kunnen uitbouwen. Daarnaast had hij ook een administratieve carrière, als scriba aedilium curulium en scriba librario quaestorio trium decuriarum, wat hem toch ook wat aanzien bezorgde[26]. Het religieuze aspect van zijn carrière omvatte het ambt van sacerdos bij de Laurentes Lavinates, een preisterschap voorbehouden aan ridders[27] en calator[28]. Op politiek vlak oefende hij in zijn gemeente alleen het decurionaat uit, dat hij van de decuriones gekregen had via een decreet. Het feit dat hij dit decurionaat verkreeg met vrijstelling van alle minder leuke kanten van het decurionaat (munera) bewijst dat hij toch heel wat aanzien moet genoten hebben. Mouritsen stelt dat deze persoon van vrijgelaten komaf is en dat verklaart volgens hem waarom deze persoon geen andere ambten van de cursus honorum heeft uitgeoefend, dat hij een “lowly position within the elite” bekleedde[29]. Dat lijkt ons toch niet volledig juist te zijn: zijn militaire carrière, zijn activiteiten als scriba en bijvoorbeeld het priesterschap van de Laurentes Lavinates zullen hem – als lid van de ordo equester – heel wat aanzien hebben bezorgd. Dat bewijst ook de vrijstelling van de munera.
P3. [A. Egri]lius Af An Apron Vot. Rufus (I.23) Ostia- 1e eeuw
Deze figuur is net als P1 flamen Romae et Augusti geworden, wat toch al een indicatie is voor zijn aanzien binnen de gemeente[30]. En net als P1 is ook hij grotendeels actief geweest binnen zijn eigen gemeente. Alleen het militaire tribunaat van het vijfde legioen bracht hem even op rijksniveau. Binnen zijn gemeenten, Ostia, was deze man achtereenvolgens[31] decurio adlectus, aedilis, quaestor en uiteindelijk zelfs twee maal duumvir en nog eens quinquennalis. Ook hij heeft dus op municipaal vlak een aanzienlijke carrière uitgebouwd en een overeenkomstige status verworven. De Egrilii waren trouwens een belangrijke familie binnen Ostia, en wellicht was deze A. Egrilius Rufus zelfs de eerste van zijn gens die het tot ridder gebracht heeft[32].
De familie was wel al veel langer aanwezig aan de top van het publieke en sociaal-economische leven in Ostia: al onder Augustus bekleedden leden van dit gens belangrijke posten in de gemeente[33]. Toch duurde het wellicht nog tot “onze” A. Egrilius Rufus vooraleer de familie zich echt in de topelite van Ostia nestelt[34], en het is diezelfde A. Egrilius Rufus die, ondanks het feit dat hijzelf nooit boven het municipale niveau is uitgestegen, de basis gelegd zou hebben voor de “senatoriale” toekomst van zijn gens, door zijn huwelijk met Plaria Vera[35], die uit een geslacht komt dat al vele consuls geleverd had. Hun nakomelingen slagen er namelijk wel in door te dringen tot op rijksniveau[36]. Eén van hen zal trouwens geadopteerd worden door P1, en neemt de naam M. Acilius Af Vot Priscus Egrilius Plarianus aan[37]. De reden van deze adoptie zou niet economisch gekleurd zijn- zoals bijvoorbeeld wel het geval zal zijn in de familie van de Lucilii Gamalae (die verder nog aan bod zullen komen)- maar valt eerder te verklaren door een zucht naar prestige. De Egrilii waren een rijke familie, die haar fortuin grotendeels gemaakt hadden in de handel[38]. De oude gens van de Acilii waren wellicht niet verbonden aan die sector. Door nu door middel van deze adoptie beide families te linken zal het sociaal prestige van de Egrilii verhogen. Eigenlijk kunnen we zelfs stellen dat deze Egrilli één van de enige families is die, onder meer via een dergelijke familiale politiek, in de Vroege Keizertijd er zal in slagen opgenomen te worden in de politieke elite van Ostia en zelfs de rijkselite of minstens de senatoriale klasse[39]. Dat gebeurt door toedoen van onze decurio adlectus maar wel na zijn tijd.
2.2 De honoraire equites
P4. M. Allius Men. Ru[fus] (I.34) Abellinum- ttv Augustus
M. Allius Rufus behoort tot de tribus Menenia. Dit wil zeggen dat hij naar Abellinum, dat behoort tot de tribus Galeria, is gemigreerd, vermoedelijk vanuit Nuceria of Pompeii[40]. Op de inscriptie wordt expliciet vermeld dat hij een Romeins ridder is. Dit feit blijkt ook uit de functie van tribunus militum a populo die hij heeft bekleed.
Bij zijn carrière kunnen echter wel een aantal kanttekeningen geplaatst worden. Op de inscriptie worden achtereenvolgens de functies van praefectus fabrum, censor, quaestor, tribunus militum a populo, de titel van Romeins ridder en als laatste de adlectio in de ordo van Abellinum met de rang van gewezen duumvir vermeld. Nicolet heeft in zijn artikel over de tribunus militum a populo ook deze figuur behandeld[41]. Hij is ervan overtuigd dat men de inscriptie anders moet lezen dan voorheen is gebeurd. Vooreerst neemt hij aan dat de functies in chronologische volgorde op de inscriptie verschijnen. Hij zegt dit niet expliciet, maar uit zijn argumentatie blijkt toch duidelijk dat hij uitgaat van een chronologische volgorde. Nicolet geeft aan dat de lezing quaestor niet mogelijk is, omdat M. Allius Rufus geadlecteerd is door de decuriones van Abellinum in de ordo en voordien dus geen municipale functies kan hebben uitgeoefend. Dus moet men ook de lezing van censor laten vallen. In plaats daarvan stelt Nicolet voor om praefectus fabrum consulis, tribunus militum a populo te lezen.
Wanneer we inderdaad uit zouden gaan van een chronologische volgorde, moeten we inderdaad toegeven dat censor niet mogelijk is, aangezien deze normaal hoger in rang is dan de IIvir. We kunnen dus, als we Nicolet volgen, inderdaad met een praefectus fabrum consulis te maken hebben. Zijn stelling dat voor een adlectio echter geen andere municipale ambten vervuld kunnen worden, kan echter niet volgehouden worden. We beschikken immers over een aantal voorbeelden van decuriones adlecti die voor hun adlectio reeds municipale magistraturen hebben bekleed. Noodzakelijkerwijs behoorden zij dan reeds tot de ordo, maar werden ze door hun adlectio in werkelijkheid in rang verhoogd in plaats van dat ze in de ordo werden opgenomen als nieuw lid. Een voorbeeld van een dergelijke situatie is te vinden bij P23 uit Brixia (X).[42] Hij was eerst quaestor, waarna hij door adlectio opgenomen werd in de ordo met de rang van gewezen IIvir: adlectus inter IIviralicios. Een tweede voorbeeld vinden we bij P95 uit Mediolanum (XI), waarvan vermeld wordt dat hij zowel IIIIvir iure dicundo als quinquennalis adlectus was van Mediolanum[43].
Garnsey behoudt dan ook de lezing van censor, gevolgd door quaestor. Hij geeft wel aan dat de functies niet in de volgorde zijn uitgeoefend zoals ze op de steen zijn aangebracht. Volgens hem moet het ambt van quaestor gevolgd zijn op diens adlectio, ofwel ging ze er aan vooraf, maar bracht ze geen opname in de ordo met zich mee. Garnsey geeft aan dat in andere inscripties van Abellinum het quaestoraat het ambt van aedilis volgt[44] en in een andere eraan vooraf gaat[45]. Dit wil zeggen dat de functies in omgekeerde chronologische volgorde gegeven kunnen zijn. M. Allius Rufus was met andere woorden eerst in de ordo opgenomen met de rang van gewezen IIvir, waarna hij de ambten van tribunus militum a populo, quaestor en censor heeft uitgeoefend. Als laatste was hij praefectus fabrum.
Nicolet maakte bij zijn bespreking van deze figuur nog een opmerking over de adlectio. M. Allius is adlectus gratis, dit wil zeggen dat hij geen summa honoraria hoefde te betalen. Op de inscriptie staat nu het volgende: “ordinem adiit petiitque ut decreto quoque voluntatem esse ascrib[erent]”. Dit wil zeggen dat M. Allius de ordo gehoorzaamde (adiit), maar dat hij tevens vroeg aan het dekreet toe te voegen dat het volgens zijn wil was. Daar wringt volgens Nicolet het schoentje. Het klinkt inderdaad raar dat hij wou dat in het dekreet werd opgenomen dat alles was zoals hij het wilde. Volgens Nicolet ontbreekt hier een negatie. Dit wil zeggen dat M. Allius adlectus gratis was, maar het gratis aspect van de adlectio niet wenste. Hij was bereid om de summa honoraria te betalen en wilde dit ook kenbaar maken op de inscriptie [46].
P5. P. Aufidius P.f. Quirina Fortis (I.2) Ostia en Hippo Regius-tweede eeuw
Deze honoraire equites of minstens zijn familie is vermoedelijk afkomstig van Hippo Regius, waar hij trouwens ook decurio adlectus was. Het voornaamste argument is het feit dat hij tot de tribus Quirina behoorde, terwijl Ostia deel uitmaakte van de tribus Voturia. Bovendien is Quirina de meest verspreide tribus in Afrika en wel degelijk ook in Hipporegius[47]. We kennen deze persoon uit twee inscripties, maar slechts in één, namelijk de oudste, staat hij vermeld als decurio adlectus[48]. In de tweede inscriptie is hij bijvoorbeeld ook al quaestor aerarii V, terwijl in de eerste hij dat nog maar vier keer had uitgeoefend. Na zijn adlectio in de ordo decurionum van Ostia vermeldt P. Aufudius Fortis onmiddellijk zijn duumviraat, gevolgd door zijn ambtstermijnen als quaestor. Normaal oefende men het quaestoraat uit tussen het aedilitaat en het duumviraat, maar naar de tweede helft van de tweede eeuw toe stijgt het belang van dit financiële ambt, naarmate de welvaart van Ostia vermindert, en wordt het vaak na het duumviraat pas bekleed[49]. De handelsgeest van Aufidius – hij was actief in de graanhandel – verklaart wellicht zijn vele ambtstermijnen als quaestor[50]. Daarnaast was hij ook patronus van Ostia, een eer die hij vermoedelijk te danken had aan zijn invloed buiten de muren van deze stad[51]. Ook bij het verenigingsleven van de havenstad was hij erg betrokken, als quinquennalis perpetuus of voorzitter van het corpus mercatorum frumentariorum en als patronus van de verenigingen mensorum frumentariorum et urinatorum. Bovenop deze functies was hij ook praefectus fabrum, wat hem kwalificeert als ridder. Zijn adlectio in de ordo decurionum van Hipporegius – een belangrijk centrum voor de graanhandel in Africa – heeft hij wellicht te danken aan zijn zakenrelaties met – en afkomst uit? – deze stad[52]. In Ostia deed deze man ook aan evergetisme: hij heeft bijvoorbeeld in 146pc twee zilveren standbeelden aan de stad geschonken, en naar aanleiding van deinhuldiging daarvan heeft hij drie dagen lang spelen laten organiseren[53].
P6. C. Caelius C.f. St. Bassaeus Donatus (I.55) Beneventum-niet gedateerd
Deze inscriptie is opgericht door de ouders van deze Caelius, net zoals ze voor zijn broer P7 hebben gedaan. De carrières van beide broers lopen trouwens opmerkelijk simultaan: beide zijn ridders (equites romanes) en hebben het lokale vlak niet verlaten. En allebei hebben ze op municipaal vlak dezelfde ambten uitgeoefend, want ze vermelden alle twee namelijk na de adlectio in ordinem decurionum alleen nog het hoogste ambt van hun gemeente, namelijk praetor Ceriali iure dicundo quinquennalis. Maar wellicht hebben zij ook de andere ambten van de cursus honorum te Beneventum doorlopen, dat lijkt toch aannemelijk: ze zullen toch niet direct het hoogste ambt van de gemeente bekleed hebben. Het zal zo zijn dat ze alleen de meest prestigieuze zaken op de steen hebben opgenomen, namelijk dat praetoraat en het feit dat ze ridder waren (waardoor ze veel aanzien genoten en ze ook behoorlijk rijk moeten zijn beweest, want ze moesten voldoen aan de census). Blijkbaar was de adlectio in de ordo decurionum toch zeker in Beneventum iets om fier op te zijn.
P7. C. Caelius C.f. St. Bassaeus Procilius Faustinus (I.56) Beneventum-niet gedateerd
Voor deze decurio adlectus geldt eigenlijk hetzelfde als voor zijn broer die hierboven behandeld wordt. We kunnen dan ook naar dat item verwijzen.
P8. C. Domitius L.f. Pal. Fabius Hermogenes (I.5; I.20) Ostia-na Hadrianus
Deze Romeinse ridder heeft ons twee inscripties nagelaten die nagenoeg dezelfde informatie bevatten. Beiden beginnen de opsomming van de carrière met de vermelding dat hij een lid van de ordo equester was[54]. Beide inscripties vermelden vervolgens de functie van scriba, de belangrijkste onder de apparitores[55]. Diens vader was L. Fabius Sp. f. Eutyches[56], die eerst lictor was en dan scriba cerarius en librarius van de stad Ostia. Hij werd uiteindelijk quinquennalis van het collegium fabrorum tignuariorum. Bovendien slaagde hij er in zijn zoon te lanceren voor een politieke carrière, iets wat hij zelf niet kon. Zijn zoon werd namelijk geadopteerd door ene C. Domitius, zoals blijkt uit zijn naam, en dit zal zijn carrière zeker ten goede zijn gekomen. Hij werd dan ook decurio adlectus en aedilis en bekleedde de functie van flamen divi Hadriani[57]. Hij overleed echter tijdens zijn ambtstermijn als aedilis en werd postuum geëerd met een publieke begrafenis en een ruiterstandbeeld, dat op het forum werd opgezet[58]. Ook verkreeg zijn vader de belofte dat er geen praefectus zou worden aangeduid om zijn zoon voor de rest van de ambtstermijn te vervangen. Die vader, L. Fabius Sp. F. Eutyches heeft dan nog 50 000 HS geschonken aan de stad met als uitdrukkelijke opdracht dat elk jaar een uitdeling moest worden georganiseerd ter herdenking van zijn zoon. Dit is een aanwijzing voor de rijkdom van vader die zijn geld had verdiend in de bouwsector[59] en – te vroeg overleden – zoon. Die zoon had ook zij verdiensten als evergeet: als flamen had hij – als eerste en enige – schouwspelen georganiseerd en betaald uit eigen zak.
P9. C. Fabius Longi f. Agrippa (I.4) Ostia-niet gedateerd
Deze decurio is afkomstig uit een familie met een militaire traditie. Zowel zijn vader als zijn grootvader waren namelijk primipilares[60]. C. Fabius Agrippa heeft echter gekozen voor een municipale carrière, die hij startte met de functie van praetor sacris Volcani faciundis[61]. Hij werd vervolgens in de ordo opgenomen en oefende achtereenvolgens de functies aedilis en duumvir, dus hij heeft na zijn adlectio in de ordo decurionum nog een mooie carrière uitgeoefend, zonder weliswaar de topambten te bekleden.
P10. C. Galbius Soterianus (I.53) Canusium-eerste helft derde eeuw
Over deze C. Galbius Soterianus is eigenlijk, naast zijn verschijnen op het album van Canusium als adlectus inter quinquennalicios en patronus uit de stand van de equites, niets geweten. Uit dat albumi, dat een momentopname van de ordo decurionum biedt, kunnen we ook niet direct informatie halen omtrent de rest van mans carrière, zijn sociale en economische positie. Hoewel, onrechtstreeks kunnen we – wat die laatste twee aspecten betreft – dat wel. Het feit dat C. Galbius patronus is van de gemeente wijst er toch op dat hij heel wat aanzien genoot: het patronaat is zowat de hoogste honor die in een gemeente kan bereikt worden[62]. En hij zal als patronus én lid van de ordo equester (daarvoor moest men minimum 400 000 HS bezitten) toch ook niet bepaald onbemiddeld zijn geweest. Maar aan de andere kant is hij – die wel degelijk uit Canusium zelf afkomstig is[63] – de enige van zijn familie die op het album terug te vinden is. In tegenstelling tot twee andere adlecti op het album P21 en P22 behoorde hij dus niet tot één van de grote gentes van Canusium. En in tegenstelling tot de meeste andere patroni van de ordo equester[64] behoorde hij niet tot de quinquennalicii en heeft hij dus niet de hele cursus honorum van Canusium doorlopen, maar is hij allectus inter quinquennalicios. De vraag is nu: heeft hij eigenlijk wel de andere ambten van de cursus honorum doorlopen? Wellicht niet, wellicht is hij iemand die om de één of andere reden geen carrière had uitgebouwd maar wel heel rijk was, en de gemeente in zijn rijkdom had laten meedelen, waardoor ze hem op latere leeftijd niet alleen het patronaat schonken, maar hem ook een zitje in de gemeenteraad gaven, en dat meteen koppelden aan de rang van de hoogste ex-magistraat. Ofwel, en dat is voor een eques misschien waarschijnlijker, is het een autochtoon die geen carrière in Canusium had opgebouwd, maar misschien wel daarbuiten[65] en later, als eerbewijs, in zijn geboortestad het patronaat (ook omwille van zijn invloed en contacten op hoger niveau) en het decurionaat (met de rang van quinquenallicius) aangeboden kreeg.
P11. C. Iulius Gal. Lepidus (I.79) Aeso-tweede – derde eeuw
Deze veteraan uit het leger, die oorspronkelijk afkomstig was uit Iesso, is na een lange carrière in dat leger uiteindelijk in Barcino opgenomen in numerum decurionum of is dus decurio geworden, en op de steen wordt daar expliciet bij vermeld dat het de ordo decurionum van Barcino zelf was die daartoe het initiatief heeft genomen (ab ordine Barcinonensium). Verdere ambten op municipaal vlak heeft deze primipilares niet meer uitgeoefend. In het leger daarentegen heeft hij toch wel een mooi parcours doorlopen: hij is vijf keer centurio geweest[66] en heeft zijn militaire carrière afgesloten met het ambt van primuspilus[67]. Als primipilares of oud-primuspilus heeft hij ervoor gekozen op municipaal vlak actief te blijven en niet verder carrière te maken op rijksniveau.
P12. P. Lucilius P.f. P.nep. P.pron. P.abnep. Gamala (I.25) Ostia- ttv. Augustus
Vooraleer het meer in detail over deze ridder te hebben, is het noodzakelijk eerst een aantal inleidende opmerkingen te maken over de machtige familie waartoe deze man uit Ostia behoorde[68]. Het is niet zeker of deze familie, die lange tijd het politieke schouwspel in de havenstad mee zal vormgeven, oorspronkelijk van deze stad afkomstig was. Geen enkele van de geattesteerde leden vermeldt een tribus, zodat niet geweten is of ze al dan niet tot de tribus Volturia, de tribus van Ostia, behoorden[69]. Een andere onzekerheid omtrent deze familie is haar slavenafkomst. Het cognomen Gamala is behoorlijk zeldzaam en wordt geassocieerd met een stadje, Gamala, in het noorden van Galilea. Een Romein met de naam Lucilius zou dan een slaaf verkregen hebben (door handel of oorlog[70]?) uit deze stad. Die zou dan de naam gekregen hebben van zijn geboortedorp. Bij zijn vrijlating zou hij dan zijn oude slavennaam als cognomen hebben bewaard, en zijn nakomelingen zouden aan die naam hardnekkig hebben vastgehouden. Zeker is dit echter allemaal niet[71]. Gedurende de Julisch-Claudische periode heeft de familie zich echter al diep ingegraven in het bestuur van Ostia, en worden ze beschouwd als conservatieve landeigenaars[72]. Een slavenafkomst lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk. Vandaar dat Meiggs als alternatief de hypothese aanreikt dat het vreemde cognomen afkomstig is uit Liguria of een nabijgelegen district[73]. Wellicht was het dan zo dat deze familie reeds in de republiek een mooie positie had verworven in de havenstad nabij Rome. Een laatste opmerking betreft het feit dat geen van de Lucilii Gamalae ooit Ostia verlaten hebben voor een carrière op rijksniveau: zelfs de Lucilius Gamala die onder dit nummer besproken wordt, en die behoorde tot de ordo equester, heeft het niet verder gebracht dan een incursie op rijksniveau. In tegenstelling tot de familie van de Egrilii[74] waren zij blijkbaar best tevreden met hun rol in het bestuur van het toen nog welvarende Ostia.
De inscriptie van dit lid van de belangrijke Ostiaanse familie van de Lucilii Gamalae kan toegewezen worden aan de periode van Augustus of kort nadien[75]. Ze is opgericht om deze Lucilius Gamala te eren voor een pleidooi ten voordele van zijn stad, Ostia, dat hij zou gehouden hebben in de Romeinse Senaat. Dat deze persoon niet één van de minste was, blijkt ook uit het feit dat deze eques vier keer duumvir is geweest[76]. Echter, de volgorde waarin hij zijn andere ambten vermeldt op de steen, is op zijn minst eigenaardig te noemen. Eerst vermeldt hij namelijk de functie van aedilis, vervolgens de functie van tribunus militum, en daarna pas duikt de vermelding op dat hij decurio adlectus ex decreto decurionum grateis is. Dan komen zijn vier ambtstermijnen als duumvir. Zou deze volgorde dan kunnen betekenen dat hij eerst aedilis is geweest en daarna pas opgenomen in de ordo? Waarom dan? Dit is ogenschijnlijk één van de weinige voorbeelden van een decurio adlectus die voor zijn adlectio reeds een ambt heeft uitgeoefend op municipaal vlak. Garnsey[77] heeft in zijn artikel omtrent de honorarium decurionatus gepoogd een verklaring of een alternatief te vinden voor deze volgorde van ambten. Volgens de auteur moet er ergens een fout gebeurd zijn in de volgorde: het was bijvoorbeeld al zo dat een militair ambt als tribunus militum pas na een municipale carrière werd uitgeoefend. Vandaar dat de volgorde van deze inscriptie niet lopt en dat het zo was dat de adlectio eerst kwam, dan het aedilitaat en dan pas de duumvirale ambten en het militaire tribunaat. Maar naar ons gevoel biedt deze verklaring niet direct een oplossing voor de vreemde positie van de adlectio binnen de municipale carrière van onze decurio adlectus. Dat tribunaat slaat wellicht niet op de juiste plaats, maar mag dan zomaar geconcludeerd worden dat de adlectio voor het aedilitaat moest geplaatst worden? Ook professor Birley[78], die Garnsey bijstond in de interpretatie van de inscripties, kwam niet verder dan te stellen dat er een “serious disturbance of the order of posts” kon opgemerkt worden. Mouritsen gelooft dat deze man wel degelijk eerst aedilis is geweest vooraleer door adlectio opgenomen te zijn in de ordo decurionum, wat vreemd is aangezien door het aedilitaat men normaal gezien al opgenomen was in de ordo. Wellicht moet de term adlegere -volgens Mouritsen althans- dan ook beschouwd worden als een versterking van het gratis karakter van de opname. Deze inscriptie zou dan ook dateren uit de periode dat adlectio in Ostia nog niet het standaardmiddel tot opname in de ordo decurionum was[79].
P13. M. Lucretius Quir. Peregrinus (I.78) Tarraco-tweede eeuw
Deze man die geadlecteerd was in de ordo decurionum van Tarraco, was een behoorlijk succesvol militair. Na twee opdrachten als centurio (van het eerste legioen in Germania Inferior en van het derde in Arabia) heeft hij zelfs de eerste stap van de militiae equestres vervuld, als praefectus cohortis van het vierde cohort der Lingoni (ditmaal in Britannia). Daarna echter is hij niet verder gegaan met deze militaire carrière maar is hij de municipale politiek binnengestapt, waar hij decurio adlectus geworden is.
P14. [ D.Lucretius D.f. Men. Valens] (I.33) Pompei-eerste eeuw
De Lucretii Valentes waren een belangrijke familie in de stad Pompeii[80], en een aantal leden van deze gens zijn ons bekend door een zevental (voornamelijk funeraire) inscripties die teruggevonden zijn bij een villa vlak buiten de stad[81]. Twee onder hen zijn decuriones adlecti: P60 en D. Lucretius D.f. Men. Valens [82]. Deze laatste –door de keizer in de ordo equester opgenomen- is ons bekend door een inscriptie die aan de voorgevel van een woning was bevestigd en die de evergetische activiteiten van deze man in herinnering brengt. Zo zou hij samen met zijn vader gladiatorenspelen georganiseerd hebben[83]. Na zijn dood is hij dan ook geëerd met een openbare begrafenis en diverse verenigingen[84] hebben standbeelden laten maken. Wat zijn carrière betreft, net als zijn familielid Lucretius Iustus is hij reeds op jonge leeftijd (acht jaar oud) in de ordo decurionum opgenomen en bovendien gebeurde dat zonder het betalen van de summa honoraria. Andere ambten zijn niet gekend, maar de inscriptie is net op dat punt moeilijk leesbaar, Castren meent in elk geval dat deze persoon op zijn minst nog aedilis is geweest[85].
P15. D. Lutatius D.f. Pal. Charitonianus (I.10) Ostia-vanaf de Flaviërs
Uit de inscriptie van deze ridder van vrijgelaten afkomst[86] is slechts weinig informatie af te leiden. We kunnen slechts weten dat hij ridder is en decurio adlectus.
P16. M. Nemonius M.f. Pal. Eutychianus (I.31) Puteoli-tweede eeuw
Deze decurio adlectus van vrijgelaten komaf[87], die het equus publicus verkregen had door keizer Antoninus Pius, heeft slechts een korte carrière uitgeoefend. Het feit dat zijn vader – M. Nemonius Callistus – die zelf alleen sacerdos (één van de laagste priesterfuncties op het auguraat na) was, hem overleefde, kan er op wijzen dat deze jongeman vooraleer hij nog verdere stappen in zijn carrière kon zetten, is komen te overlijden. In elk geval heeft hij wel een religieus ambt bekleed: hij was sacerdos. En na zijn adlectio in de ordo decurionum heeft hij toch nog het ambt van aedilis bekleed.
P17. L. Nivellius L.f. Men. Priscus (I.30) Praeneste-niet gedateerd
Ook deze man zou wel eens vroeg kunnen overleden zijn: zijn ouders hebben de inscriptie –op een openbare plaats- laten oprichten voor hun geliefde zoon. En dat overlijden zou dan ook een verklaring kunnen zijn voor zijn korte carrière: hij is weliswaar haruspex geweest – een ambt voorbehouden aan mensen uit de ordo equester – en is geadlecteerd inter decuriones, maar verdere ambten zijn niet bekend.
P18. P. Nonius P.f. Pal. Livius Anterotianus (I.11; I.12) Ostia-tweede eeuw
Deze inwoner van Ostia –die de nakomeling van een vrijgelatene was[88]- heeft in zijn carrière toch behoorlijk wat ambten uitgeoefend, vooral dan religieuze, maar heeft al bij al toch geen echt grote carrière kunnen uitbouwen, wellicht wegens een vroegtijdige dood (in elk geval heeft zijn grootmoeder hem overleefd). In de ridderstand opgenomen door de keizer en door een decreet van de decuriones geadlecteerd in de gemeenteraad heeft hij te Ostia een aantal ambten vervuld die typisch zijn voor iemand die nog aan het begin van zijn carrière stond[89], namelijk het flaminaat van divus Hadrianus en het aedilitaat én het praetoraat[90] van de voor Ostia zo belangrijke cultus van Volcanus. Ook is hij salius geweest bij de Laurentes Lavinates[91] en heeft zo het municipale kader overstegen en aanzien gekregen. Verdere ambten in de cursus honorum van Ostia heeft deze man niet meer uitgeoefend, maar dat is eerder te wijten aan een vroegtijdige dood dan aan een gebrek aan prestige of onkunde, gezienhet feit dat zijn carrière zo beloftevol begon.
P19. A. Quinctilicius A.f. Pal. Priscus (I. 49; I.50) Ferentinum-niet gedateerd
Deze man uit Ferentinum heeft op municipaal niveau (hij is niet boven dit niveau uitgestegen) een heel mooie carrière uitgebouwd, met als bekroning zijn uitroeping tot patronus van de gemeente. Zijn carrière begon hij als quattuorvir aedilicia potestate, waarna hij normaal gezien in de ordo decurionum zal zijn opgenomen. Ten tweede was hij quattuorvir iure dicundo om dan door te stoten tot de hoogste functie van de gemeente, namelijk het quattuorviraat quinquenalis, dat hij verkregen had door adlectio via een besluit (senatusconsultum) van de gemeenteraad. Opnieuw is het onzeker of het hier daadwerkelijk om de functie als wel om de rang in de gemeenteraad ging! Op zijn curriculum vinden we verder nog de functie van pontifex en de ietwat onduidelijke functie van praefectus fabrum. Blijkbaar was hij ook een evergeet, want omwille van zijn eximia munificentia heeft de gemeenteraad hem een standbeeld op het forum geschonken. Dat heeft hij terugbetaald, en daarnaast nog een heleboel andere maatregelen getroffen uit dank daarvoor. Zo schonk hij de gemeente 70 000 HS, waarvan elk jaar met de intrest (4200 HS) een uitdeling moest worden georganiseerd. Alle mannelijke inwoners, gehuwde vrouwen en incolae kregen een crustulum van één pond en mulsum[92]. Daarbovenop kregen de decuriones en augustales nog een som geld. Die 70 000 HS lijken een enorm bedrag (dat is het eigenlijk ook), maar voor de inwoners kwam dat neer op een hapje en en drankje ter waarde van nauwelijks één denarius[93]. Toch moet dit een aanzienlijk en niet onbemiddeld man geweest zijn, wellicht één van de topmensen van de gemeente, anders zou hij die hoge ambten niet bekleed hebben en zou hij zeker geen patronus zijn geworden.
P20. A. Veratius A.f. Pal. Severianus (I.46) Cumae-niet gedateerd
Deze Veratius was lid van de ordo equester, maar heeft –buiten een religieuze funcite- geen ambten buiten zijn gemeente (Cumae?) vervuld, tenzij als curator rei publicae in Tegianum (in regio III). In zijn eigen gemeente is hij adlectus in ordinem decurionum geworden, aedilis en duumvir. Daar was de gemeente hem bijzonder dankbaar voor want “qui cum privilegio sacerdoti Caeninensis munitus potuisset ob honoribus et muneribus facile excusari”. Dat priesterschap als sacerdos Caeninensis –voorbehouden aan mensen uit de ordo equester- zorgde ervoor dat deze municipale notabele het municipale vlak oversteeg, zoals reeds voor een deel aangegeven in de inscriptie zelf[94]. Maar ondanks deze functie –die hem ongetwijfeld heel wat aanzien zal hebben opgeleverd- bleef Veratius een nauwe band houden met de gemeente, vervulde hij er de cursus honorum, deed er aan evergetisme,…. Bovendien was er ook nog een andere gemeente waar hij aan verbonden was, als curator rei publicae, namelijk Tegianum.
3. LEDEN VAN DE MUNICIPALE BOURGEOISIE
P21. L. Abuccius Iulianus (I.53) Canusium- eerste helft derde eeuw
L. Abuccius Iulianus is de eerste van de drie niet-ridderlijke[95] allecti inter quinquennalicios[96] die voorkomt op het album van Canusium uit 223 pc. Nu, dat album is een interessante bron maar heeft toch zijn beperkingen: eigenlijk is het album niet meer dan een momentopname van een ordo decurionum, en we zijn dan ook niet op de hoogte van de voorbije en eventueel nog volgende carrière van de vermelde personen, zo ook niet van deze L. Abuccius Iulianus, die –zoals gezegd – allectus inter quinquennalicios was op het moment van het opstellen van het album. Dergelijke adlectio mag niet onderschat worden: het ambt van quinquennalis was het belangrijkste en meest prestigieuze van de gemeente, en wie geadlecteerd werd als quinquennalicius, verkreeg dus de rang en wat van het aanzien van deze ex-magistraat (zonder dat ambt te hebben opgenomen). Deze L. Abuccius Iulianus moet dus wel een aanzienlijk man geweest zijn en dat was hij ook: hij behoorde tot één van de belangrijkste families van Canusium, de Abucii[97]. Het belang van die familie kun je ook in het album opmerken: ze zijn namelijk sterk vertegenwoordigd[98].
Het is dan ook erg jammer dat we de rest van de carrière van deze L. Abuccius Iulianus niet kennen. Heeft hij voor zijn adlectio inter quinquennalicios nog andere ambten uitgeoefend en was hij bijgevolg reeds decurio? Of is hem als nieuwbakken gemeenteraadslid onmiddellijk de rang van de hoogste magistraat van de gemeente toegekend? In dat geval zou het zo kunnen zijn dat hij opgenomen werd op het einde van zijn leven vol verdiensten ten aanzien van de gemeente, maar waarin hij geen carrière kon of wilde uitbouwen, dus dan zou de adlectio een eerbetoon zijn aan een waardevolle inwoner. Gezien de functies van zijn andere familieleden lijkt dat niet echt waarschijnlijk. En ook adlectio als middel tot carrièreversneller (het biedt namelijk de mogelijkheid om een stap in de cursus honorum over te slaan) is hier niet direct van toepassing: het quinquennalitaat was al zowat het top- en eindpunt van een municipale carrière. Jacques[99] biedt nog twee andere verklaringen voor de adlectio inter quinquennalicios. Het zou kunnen gaan om een notabele die een carrière buiten het lokale vlak heeft uitgeoefend, en als eerbewijs in zijn gemeente de hoogste rang binnen de ordo decurionum krijgt. Maar voor deze Abuccius – net als voor de andere twee niet-ridderlijke allecti[100] – zijn daar geen aanwijzingen voor. Of het zou gaan om duumviri die wel over voldoende middelen en prestige beschikten om quinquennalis te worden maar het ongeluk hadden dat er telkenmale nog meer prestigieuze kandidaten meedongen: als troostpijs – of eventueel in de tussentijd vooraleer het ambt werkelijk te bekleden[101] – werden zij toch gepromoveerd tot de hoogste rang in de ordo. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn voor Abuccius (hoewel hij natuurlijk zelf tot één van de meest prestigieuze families behoorde). Het blijven allemaal gissingen, er blijven nog heel veel vragen open rond de adlectio in Canusium (net als rond alle adlectiones op municipaal vlak).
P22. P. Aelius Victorinus (I.53) Canusium- eerste helft derde eeuw
Voor deze geadlecteerde uit Canusium gelden eigenlijk grotendeels dezelfde opmerkingen als voor de reeds behandelde P21. Ook van deze man is omtrent zijn carrière niets geweten, en ook hij behoort tot een invloedrijke familie in Canusium[102]. Op het album verschijnt hun naam vijf keer: één keer als allectus, één keer als ex-duumvir, twee keer als daadwerkelijke bekleders van het ambt van quinquennalis en één keer tussen de praetextati[103]. Deze familie was wel nog niet zo lang prominent aanwezig in de gemeente, ongeveer vanaf de tweede helft van de tweede eeuw vinden we hen geattesteerd. In de periode van het opstellen van het album van Canusium behoorde deze familie – die misschien afkomstig was van een keizerlijke vrijgelatene?[104] – in elk geval reeds economisch en sociaal gezien tot de elite van de gemeente, en twee van hen zijn zelfs opgeklommen tot de ordo equester want ze worden vermeld op het album vermeld als patroni equites Romani.
P23. C. Aemilius C.f. Fab. Proculus (I.23) Brixia-vanaf de eerste helft van de tweede eeuw
Deze C. Aemilius Proculus, die zijn inscriptie aangeboden kreeg door het collegia fabrorum et centonariorum, is de enige gekende decurio adlectus uit de streek van Brixia[105]. Hij begon –zoals de meesten – zijn municipale carrière via de vervulling van het ambt van quaestor, en zou daarna normaal gezien – als ex-magistraat – sowieso in de ordo decurionum worden opgenomen, maar in dit geval deed men er nog een schepje bovenop: hij werd opgenomen via adlectio in de gemeenteraad en kreeg bovendien meteen de rang van duumviralicius, zonder echt dat ambt vervuld te hebben. Verder ging zijn municipale carrière echter niet: buiten het flaminaat van de cultus van de vergoddelijkte Augustus heeft hij geen enkel ambt meer opgenomen. Toch moet dit een persoon met een hoog sociaal prestige geweest zijn, anders zou hem toch niet die rang van oud-duumvir toegekend zijn?[106] Misschien is dit wel iemand die omwille van zijn verdiensten ten aanzien van de gemeente geadlecteerd is, eventueel op latere leeftijd. Hoewel, dit lijkt niet echt waarschijnlijk: waarom zou hij dan eerst quaestor geweest zijn? Tenzij dat het hier natuurlijk gaat om iemand die op jonge leeftijd quaestor geworden is, maar om de één of andere reden zijn cursus honorum niet verder heeft gezet en ook niet opgenomen is in de ordo decurionum, maar later door de decuriones bij wijze van eerherstel of eerbewijs geadlecteerd is in hun midden en toch een hogere rang toegewezen heeft gekregen dan hij ooit bereikt heeft.
P.24. L. Annaeus [---] (I. 48) Volturnum-vanaf tweede helft eerste eeuw
Over deze persoon is niet veel geweten behalve dat hij geadlecteerd is in de ordo decurionum (van Volturnum). Hoe oud hij geworden is, is ook niet bekend, maar de passage “qui vixit ann[is ---]” zou kunnen laten vermoeden dat hij niet zo oud geworden is[107]. Dat zou dan misschien een verklaring kunnen bieden voor het feit dat deze persoon geen carrière heeft uitgebouwd op municipaal vlak na zijn adlectio. Het zou echter ook gewoon kunnen dat deze persoon geen carrière heeft uitgebouwd na zijn adlectio omdat hij al een zekere leeftijd had bereikt toen die eer hem te beurt viel, als dank voor bepaalde daden ten aanzien van de gemeente misschien. Of het kan natuurlijk ook altijd dat deze man in zijn gemeente niet direct hoog aangeschreven stond en gewoon ter aanvulling van de ordo decurionum is opgenomen, en tevreden was met dit zitje in de gemeenteraad en niet hoger wenste te komen.
P.25. Q. Anthracius Q.f. Velina Ingenuus (I.75) Tarraco-tweede eeuw
Met Q. Anthracius Qf Ingenuus zijn we aanbeland in Hispania Tarraconensis, meer bepaald in Tarraco. We kunnen er van uitgaan dat deze persoon zijn carrière chronologische vermeldt: na zijn adlectio in de ordo decurionum is hij aedilis geworden en hij heeft zijn carrière beëindigd als duumvir. Hij is dus heel zijn leven op het municipale vlak actief gebleven, hoewel eigenlijk niet in zijn geboortestad[108]: hij is namelijk oorspronkelijk van Majorca afkomstig[109], maar het is wel degelijk in Tarraco dat hij decurio is geweest: in ordinem Tarraconensis.
P26. [C. Appuleius Etrus]cus Speculator (I. 93) Salona-niet gedateerd
Deze ex-militair is na zijn ontslag uit het leger als decurio geadlecteerd in Salona, in Dalmatia. Meer is echter niet van deze figuur niet geweten. Verdere ambten worden niet vermeld op dit grafschrift en heeft hij waarschijnlijk ook niet uitgevoerd.
P27. Sex. Av[ienius] Sex. f. [---]ivian[us] (I. 19) Ostia- vanaf de Flaviërs
Deze figuur is net als de vorige wellicht nooit verder geraakt dan het decurionaat. Sex. Avienus [---]ivian[us] wordt op deze funeraire inscriptie alleen genoemd als decreto decurionum decurio adlectus, zoals zovele decuriones uit Ostia. Vermits zijn gens ook niet tot één van de meest toonaangevende van de stad mag worden gerekend[110], is het wellicht zo dat hij één van de decuriones was die zetelde in de ordo decurionum, maar geen ambitie had om hogerop te komen, wat in Ostia ook moeilijk was, vermits een aantal families het politieke leven stevig in hun greep hielden[111].
In elk geval zullen we Ostia, waar zowat alle decuriones via adlectio in de ordo decurionum schijnen te zijn binnengeraakt[112], toch niet zomaar mogen gelijkschakelen aan de andere steden en bijvoorbeeld deze man die alleen decurio adlectus is geweest in Ostia niet zomaar mogen gelijkstellen aan iemand die in dezelfde positie verkeerde in een andere gemeente. Misschien nog één opmerking omtrent de man zelf: hij heeft dan wel geen andere officiële ambten uitgeoefend in de gemeente, hij is wel quinquennalis van een college geweest, namelijk van het corpus mensorum frumentariorum. Dat wijst er dan toch weer op dat deze man in zijn gemeente, in het verenigingsleven, toch wel een zekere status genoot en zeker over voldoende financiële middelen beschikte. Als voorzitter van een dergelijke vereniging werd namelijk toch wel van die persoon verwacht dat hij bepaalde uitdelingen,… deed ten voordele van zijn leden. Vaak waren deze kopstukken van verenigingen mensen die op het politieke vlak niet in de mogelijkheid waren, door bijvoorbeeld hun afkomst, om een mooie carrière uit te bouwen, zij poogden dan aanzien te verwerven via dergelijke verenigingen[113].
P28. M. Billienius M.f. Rom. Actiacus (I.65) Ateste- ttv Augustus
Deze figuur, die nog in het elfde legioen dienst gedaan heeft[114] en zich na zijn ontslag uit dat leger in Ateste gevestigd heeft, is in die gemeente decurio adlectus geworden. Meer is er echter van deze Billienius- die leefde in de tijd van Augustus- niet geweten[115].
P29. L. Blattius Lf. Rom. Verus (I. 67) Ateste- eind eerste eeuw ac-begin eerste eeuw pc
L. Blattius Verus, die net als M. Billienius Actiacus leefde omstreeks de periode van de regering van Augustus in Ateste, en ook veteraan was van het Romeinse leger (meer bepaald van het vierde legioen, gelegerd in Macedonia), is blijkbaar alleen decurio adlectus geweest en heeft geen andere officiële funties uitgeoefend.
P30. L. Caec(ilius) Porc[ia]nus (I.76) Tarraco-eerste, tweede eeuw
Deze man, die dezelfde naam draagt als P94, een lid van de ordo equester[116], is een voorbeeld van iemand die niet in zijn geboortestad het decurionaat verworven heeft: hij zou –volgens de inscriptie- afkomstig zijn uit de provincia Africa. Na zijn adlectio in de ordo van die stad, heeft hij wellicht ook nog het aedilitaat bekleed, maar heel zeer is dat niet: de inscriptie is op dat punt niet goed te ontcijferen. Curchin stelt dat hij misschien ook nog het duumviraat in deze gemeente zou bekleed hebben, maar opnieuw is dat niet zeker. Toch was hij een aanzienlijk man in Tarraco, en was hij er succesvol. De ordo decurionum heeft hem dan ook geëerd met een standbeeld en een mooie begrafenis[117]. Dat maakt het nog meer waarschijnlijk dat hij ook het ambt van duumvir heeft uitgoefend.
P31. Cn. Caesius Athictus (I. 61; I. 62) Veii-derde eeuw
Cn. Caesius Athictus was blijkbaar enorm geliefd in zijn gemeente, Veii, want hij wordt vanuit verschillende zijden geëerd: zowel de augustales[118], als de burgers van de gemeente[119], als nog eens de gemeenteraadsleden en de seviri en de augustales en de municipes intra murani[120] hebben op verschillende ogenblikken[121] geld bijeengebracht om deze Cn. Caesius Athictus te kunnen vereren. De man heeft dan ook een mooie carrière op municipaal vlak achter de rug: na geadlecteerd te zijn in de gemeenteraad of tussen de centumviri[122] heeft deze man alle municipale functies op zich genomen (omnibus honoribus exornatus). Deze volgorde zou er kunnen op wijzen dat deze man –vermits hij niet als ex-magistraat de ordo decurionum is binnen getreden- om de één of andere reden niet in aanmerking is gekomen voor een magistratuur en het decurionaat, maar dat hij omwille van zijn verdiensten toch is opgenomen, of geadlecteerd is in de municipale raad, en zo dan toch een municipale carrière heeft kunnen opbouwen. Eén van de zaken die de gemeenteraad gunstig stemden ten opzichte van onze man, is wat beschreven staat in inscriptie I.61. Daaruit blijkt namelijk dat deze Cn. Caesius Athictus een standbeeld van een vroegere inwoner van de gemeente, uit de eerste eeuw, op de eigen kosten heeft laten restaureren en op een openbare plaats heeft laten zetten.
P32. L. Calpurnius L.f. Vot. Saturus (I.17) Ostia-late eerste eeuw
Deze decurio adlectus is een speciaal geval, en is eigenlijk niet echt een decurio adlectus, als wel een aedilis adlectus ex decreto decurionum. In dit geval gaat het klaarblijkelijk niet om een adlectio in de ordo decurionum, zelfs niet met toekenning van een bepaalde rang (bijvoorbeeld aedilicius) maar wel om iemand die ogenschijnlijk –als we letterlijk mogen nemen wat hier staat[123]- door een decreet van de decuriones het aedilitaat verkregen heeft, of liever geadlecteerd is onder de aedili. Meiggs[124] ziet dit geval dan ook als een bewijs dat naar het einde van de eerste eeuw toe de gemeenteraad hoe langer hoe meer zelf de magistraten aanduidde, en het volk aan de kant schoof. Mouritsen[125] echter heeft daar zijn twijfels bij. Volgens hem is de formule “decurionum decreto aedilis allectus” “meaningless as it stands”. Hij pleit er dan ook voor om “aedili” te interpreteren als ”aedilicio”, wat zou betekenen dat dit een gewoon voorbeeld wordt van iemand die geadlecteerd wordt in de ordo decurionum en als extra eerbewijs (?) ook nog een rang krijgt toegewezen (hoewel het in dit geval dan wel een behoorlijk lage rang betreft). Het argument dat de auteur hiervoor aanhaalt is de idee dat de opname in de ordo en het verkrijgen van een magistratuur toch twee heel verschillende zaken zijn, die niet mogen verward worden. Ook verwijst hij naar I.14 , waar een aedilicius allectus (P71) ten tonele wordt gevoerd. Wij zien wel iets in de idee van Mouritsen als zou het hier inderdaad niet gaan om adlectio als de toekenning van een ambt, hoewel zijn verklaring al zou het dus eigenlijk gaan om zoiets als een fout van een steenkapper ons toch wat te makkelijk lijkt. Bij het gebruiken van deze inscriptie als bron moet dan ook opgepast worden: onze voorkeur gaat uit naar de interpretatie van deze persoon als een aedilicius adlectus, maar voorzichtigheid is toch geboden. Nog één opmerking omtrent deze Calpurnius: het lijkt er op dat hij van vrijgelaten komaf is[126].