Decurio adlectus decreto decurionum. De decuriones adlecti: uitverkorenen of alledaagse decuriones? Geadlecteerde decurionen in de lokale gemeenschappen van Italië en de westelijke provincies tijdens het Principaat. (Francisca Declerck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

2. Het theoretische luik

 

2.1 De ordo decurionum

 

a) Het municipale leven in het Romeinse Rijk

 

1.1.  Inleiding

 

Gezien het feit dat de vorm van adlectio die we hier bestuderen zich situeert op het lokale niveau van het Romeinse Rijk, lijkt het wel opportuun om over dit municipale leven enkele inleidende opmerkingen te maken, om zo het kader te kunnen scheppen waarbinnen deze vorm van adlectio geplaatst moet worden.

 

Dit lokale leven speelde zich af binnen de honderden gemeenten die verspreid waren over heel het grondgebied van het Romeinse Imperium, zowel binnen als buiten Italië. Dergelijke gemeenten vormden voor heel veel mensen het sociale referentiekader: zij maakten op de eerste plaats deel uit van hun gemeente, eerder dan van een groter, alles overkoepelend geheel. Vandaar ook dat het belangrijk is om – zoals verder nog aan bod zal komen – bij het bestuderen van het sociaal profiel van een groep een onderscheid te maken tussen mensen die uitstegen boven dit municipale kader en zij die – weliswaar misschien binnen de top ervan – de gemeente niet of nauwelijks verlieten, wat voor de meeste mensen het geval was: hun omgeving bleef beperkt tot hun eigen gemeente.

 

Dit zien van de gemeente als belangrijkste levenskader, komt ook voort uit de ruime autonomie waarover deze gemeenten beschikten, uit de geringe bemoeienissen vanwege het centrale bestuur. Behalve een aantal elementaire zaken (zoals de militaire organisatie bijvoorbeeld) werd alles aan de gemeente overgelaten: elke gemeente beschikte over een eigen bestuur – zelf gekozen – dat de touwtjes binnen de gemeente in handen had en dat met eigen middelen realiseerde. Zo ging er binnen de gemeente een elite ontstaan die sociopolitiek de macht in handen had, en die zich concentreerde rond de gemeenteraad, de ordo decurionum. Deze groep, die ver verheven stond boven de grote massa van het plebs, monopoliseerde de ambten binnen de gemeente en genoot van speciale voorrechten (zoals voorbehouden plaatsen bij de spelen). Ze werd gekenmerkt door financiële welvaart (voornamelijk gebaseerd op grondbezit) en een voorname afkomst.

 

Wat het institutionele luik van zo’n gemeente betreft, op het eerste zicht lijkt dat heel erg te verschillen van gemeente tot gemeente[8]. Zo zijn er verschillende titels en benamingen voor magistraten en voor de gemeenteraad, verschillen in functies en organisatie van bijvoorbeeld de gemeenteraad. Maar al bij al bestaat er een zeker institutioneel systeem dat telkens terugkeert, zowel binnen als buiten Italië: je kunt stellen dat in een Romeinse gemeente de macht gedeeld werd door 3 groepen: de gemeenteraad, de magistraten en de volksvergadering, de 3 zuilen van het politieke leven in heel de klassieke wereld[9]. Zeker voor wat Italië en het westen betreft, was er een grote uniformiteit op institutioneel vlak (in elk geval vanaf de Vroege Keizertijd)[10]. In Griekenland en het oosten zien we meer nog het doorleven van oude tradities, die soms het aannemen van Romeinse instellingen belemmeren.

 

In feite zou men het Romeinse Rijk het best kunnen vergelijken met een lappendeken, één van gemeenten dan, die allemaal zichzelf bestuurden en daartoe eigen gewoonten en een politieke organisatie hadden, die allemaal verschilden van elkaar, maar die allemaal een zelfde politieke vorm deelden[11].

 

Vooraleer we deze politieke organisatie van naderbij bekijken, willen we nog even kort – in heel grote lijnen – de evolutie van de municipale instellingen in Italië en de provincies schetsen[12]. Voor de municipale instellingen in Italië van voor de Bondgenotenoorlog is nauwelijks iets geweten door het ontbreken van bronnen, of liever door het ontbreken van informatie hierover in de literaire bronnen waarover we nu beschikken. Men kan veronderstellen dat de grote steden vóór 338 ac al over een senaat beschikten, en een jaarlijkse magistraat die de macht van de koning had overgenomen. Na 338 ac kwam een evolutie op gang waarbij dit systeem zich ontwikkelde. Maar eigenlijk is het pas vanaf de Bondgenotenoorlog dat we via de bronnen een beter beeld hebben van de municipale evolutie. Het is namelijk vanaf dat moment dat we een aantal municipale wetten zien opduiken, die tonen dat Rome wel degelijk bezig was met uniformisering op municipaal vlak[13]. Het is trouwens ook in deze periode dat dit nieuwe municipale systeem  -zoals beschreven en geregulariseerd door deze municipale wetten –   begon door te werken in de provincies. Vooral in de eerste en tweede eeuw van het Principaat worden de gemeenten binnen Italië en de westelijke provincies gekenmerkt door een grote bloei. Deze gemeenten beschikten vaak over een grote welvaart en werden geregeerd door de ordo decurionum en de magistraten, die veel aanzien genoten binnen hun gemeente. Maar stilaan, vanaf Diocletianus tot de vijfde eeuw pc, bemerken we –volgens de traditionele visie althans- een achteruitgang van het municipale leven, en keizerlijke decreten zouden belet hebben dat decuriones – of curiales – poogden het lokale niveau te ontvluchten, omdat bijvoorbeeld het lidmaatschap van de gemeenteraad hoe langer hoe meer een last geworden was, waarbij zij nog meer dan vroeger hun eigen geld moesten investeren wegens de benarde financiële situatie van hun gemeente[14]. Hoewel, die idee van een algemene achteruitgang van het municipale leven – gepaard gaande met een verlies van autonomie van de gemeente en een verminderende aantrekkingskracht van ambten op lokaal vlak – moet wel wat gerelativeerd worden, de idee daaromtrent is in elk geval de laatste jaren wel wat gewijzigd is[15].

 

1.2 De bronnen voor de studie van het municipale leven

 

De bronnen die bij de studie van het municipale leven worden gebruikt, kunnen onderverdeeld worden in drie categorieën. Eerst en vooral zijn er de diverse municipale wetten die dateren uit de eerste eeuw voor en de eerste eeuw na het begin van onze tijdrekening. Dergelijke teksten tonen ons vooral de ideale zijde van dit leven, van de municipale organisatie, namelijk hoe het zou moeten zijn. Deze bronnen zijn dan ook normerende teksten. Vervolgens zijn er de inscripties, die vooral een licht werpen op de reële organisatie van het municipale leven. Beide bronnentypes –zowel de municipale wetteksten als de inscripties die ons inlichten over het reilen en zeilen binnen de gemeente- moeten op het municipale vlak gesitueerd worden, worden daar geproduceerd, dit in tegenstelling tot een derde categorie van bronnen die ons kan helpen bij de studie van de gemeenten in het Romeinse Rijk.  Dat zijn de literaire en juridische bronnen, en hierin nemen de Digesten een belangrijke plaats in. Deze laatste groep –vooral dan de juridische teksten en dan zeker die Digesten- leveren ons vooral informatie over de vraag hoe de organisatie van het municipale leven er zou moeten uitgezien hebben, net zoals de municipale wetten. Het verschil met deze laatsten is dat de literaire en juridische teksten buiten het lokale leven tot stand gekomen zijn en ons eigenlijk maar occasioneel over de problematiek van de gemeenten inlichten.

 

Wat die municipale wetteksten betreft: momenteel zijn er vier verschillende teksten beschikbaar bij het onderzoek naar de Romeinse municipale instellingen. De wetten van Salpensa en Malaca, twee teksten afkomstig uit Flavische municipia, zijn reeds het langst bekend[16]. De Lex Coloniae Genetivae -beter bekend misschien als de Lex Coloniae Genetivae- het municipale charter van de colonia van Urso, werd gedeeltelijk teruggevonden in 1870, en ook nog een deel in 1874. Daarbovenop zijn nog twaalf kleinere fragmenten gevonden in 1925. In totaal bezitten we nu één derde van de tekst. De colonia waartoe de wet behoorde werd gesticht in 45 ac[17],  het charter zelf dateert van 44ac, hoewel de overgeleverde versie eigenlijk een Flavische kopie is[18]. Een vierde wet is de Tabula Heracleensis, ook bekend als de Lex Iulia Municipalis, die ontdekt is in de loop van de achttiende eeuw nabij Heraclea[19]. In tegenstelling tot het teruggevonden charter uit Urso is deze tekst van toepassing op alle Italiaanse steden en gemeenten. De tekst dateert vermoedelijk uit dezelfde periode als haar tegenhanger uit Urso.

 

De laatste wet die van belang is voor de studie van het municipale leven, is de recent teruggevonden Lex Irnitana. Door een toeval werd  in Spanje in het jaar 1981 een nieuwe of liever tot dan toe onbekende Romeinse stad ontdekt, en één van de teruggevonden items was deze wet[20]. De ontdekking van deze “Lex Irnitana” is van onschatbare waarde gebleken voor de theorieën over en  het onderzoek naar bepaalde aspecten van het municipale leven, onder meer het benoemen van nieuwe decuriones. En door het feit dat passages van deze wet overeenstemmen met passages uit de charters van Salpensa en Malaca groeide het besef dat er een soort modeltekst(en) moet(en) hebben bestaan. Die werd door gemeenten overgenomen en kon -indien de omstandigheden dit vereisten- aan de plaatselijke politieke en sociale toestand worden aangepast[21].

 

Naast deze meest gekende wetten bestaan nog een aantal fragmenten van municipale wetten uit andere steden, zoals Basilipo, Ostippo, een onbekende stad bij Sevetha die ons bekend is door het Fragmenta Villonensia (opnieuw uit Spanje) en een fragmentaire wet van Lauriacum (in Noricum)[22].

 

Deze municipale wetten zijn belangrijk voor onze kennis van de inhoud, bevoegdheden en belang van de municipale magistraturen en instellingen. Voor kennis over de mensen achter de magistraten en in extensu de municipale elite zijn we aangewezen op de duizenden inscripties die voor of door deze mensen zijn opgericht. In deze opschriften vinden we informatie terug over hun eventuele carrière, economische situatie en sociale positie, over hun familie, hun eventuele evergetische activiteiten, ….. Deze inscripties vormen een ware goudmijn aan informatie voor onderzoekers, op voorwaarde dat men de aan het werken met inscripties verbonden problemen te boven komt. Vooreerst zijn deze bronnen niet centraal uitgegeven, en het vertrekpunt voor elk onderzoek op basis van inscripties, het Corpus Inscriptionum Latinarum, is minstens 100 jaar oud. “Recent” ontdekte inscripties moeten gezocht worden in een veelheid van publicaties en tijdschriften, waarvan de Annéé Epigraphique de belangrijkste is. De kwaliteit van dergelijke publicaties kan wel enorm verschillen[23]. Tegenwoordig zijn er ook diverse initiatieven om on-line databanken op te richten. Deze zijn zeker toe te juichen, maar vooraleer het gros van de inscripties volledig on-line beschikbaar zal zijn, zullen nog heel wat jaren voorbijgegaan zijn. Bovendien geven deze databanken geen contextuele informatie zoals bijvoorbeeld datering of uitleg omtrent het monument waar het opschrift bij hoort. En daarbij komt nog het probleem dat bij het werken met zoekopdrachten vaak valse resultaten of elektronische ruis de bevindingen gaan vertekenen: het resultaat is dat men alsnog de papieren tegenhangers moet raadplegen om bijvoorbeeld eventuele contextuele informatie te vinden.

 

Een tweede probleem verbonden aan inscripties draait rond het oplossen van de gebruikte afkortingen en de verschillende interpretaties die aan één en dezelfde inscriptie gegeven kunnen worden. Het oplossen van inscripties is om die reden vaak niet eenvoudig. Een afkorting kan vaak op verschillende manieren aangevuld worden, en de uitgever moet dan een keuze maken die past binnen de context van de inscriptie[24]. Fragmentair bewaarde inscripties verergeren dit probleem alleen maar. Omzichtigheid is dan ook geboden.

 

Als laatste zijn er de literaire en juridische[25] bronnen, en in die laatste categorie vormen -zoals we reeds hebben aangegeven- de Digesten de belangrijkste groep. Men moet er wel rekening mee houden dat deze het resultaat zijn van een zesde-eeuwse compilatie. Bovendien gaat het om juridische teksten, en die hebben vaak veel meer oog voor de uitzonderingen dan voor de gangbare praktijken, want daar zijn geen problemen aan verbonden. Komt daar nog bij dat deze teksten vaak het voorwerp geweest zijn van interpretaties en -pollaties [26]. Voorzichtigheid is dus geboden bij het gebruik van de Digesten als bron. Daarnaast zijn er nog de “echte” literaire bronnen: die kunnen als bijkomende bron gebruikt worden maar moeten eveneens met omzichtigheid gehanteerd worden. Literaire bronnen zijn en blijven immers literair, en besteden vaak niet veel aandacht aan het municipale niveau.

 

 

1.3  Het institutionele kader van de gemeenten

 

In deze paragraaf willen we even de drie groepen die de macht onder elkaar verdeelden binnen de gemeente onder de loep nemen, vermits later – bij het bespreken van de personen uit de inscripties in het kader van de prosopografische behandeling en meer bepaald bij het bekijken van de functies die ze uitgeoefend hebben – veel van de hieronder besproken functies nog aan bod zullen komen.

 

1.      De volksvergadering

 

Het element dat het minst doorwoog bij de politiek op municipaal niveau was de volksvergadering (of de verzamelde burgers van de stad)[27]. In theorie kwam alle macht aan hen toe, vermits zij verantwoordelijk waren voor het verkiezen van de magistraten en de priesters (via een systeem waarbij zij onderverdeeld waren in curiae). Indirect waren ze ook verantwoordelijk voor de verkiezing van de decuriones, aangezien in principe alle ex-magistraten deel gingen uitmaken van de ordo decurionum[28]. De verkiezingsstrijd, en de pogingen om het volk te overtuigen, konden soms heel ver gaan, getuige daarvan de verkiezingspropaganda die teruggevonden is in Pompeii. Maar de volksvergadering gaat toch stilaan haar reële macht verliezen ten voordele van de gemeenteraad en de magistraten. Zo wordt in Ostia vanaf het eind van de eerste eeuw pc. de macht om magistraten aan te duiden getransfereerd naar de ordo decurionum[29]. Het volk kon wel nog sporadisch tussenkomen om iemand een eerbewijs te geven (postulante populo), maar de uiteindelijke beslissing of toestemming kwam van de ordo[30].

 

2.      De gemeenteraad

 

Gezien het feit dat de decuriones adlecti waarschijnlijk kunnen beschouwd worden als decuriones die op een bijzondere manier zijn aangeduid, of om een bijzondere reden (omdat ze bijvoorbeeld niet aan de voorwaarden voldeden om decurio te kunnen worden) lijkt het ons beter om de gemeenteraad in een afzonderlijk hoofdstuk te behandelen.

 

3.      De magistraten

 

Magistraten werden – zoals reeds hoger vermeld – door de volksvergadering (en later door de decuriones) telkens voor één jaar verkozen. Om verkiesbaar te zijn, moest men zijn kandidatuur indienen[31]. Daartoe moest men aan een aantal voorwaarden voldoen[32]. Men diende vrijgeboren te zijn, het burgerrecht van de betrokken gemeente te bezitten en bemiddeld te zijn. Verder mocht men nooit betrapt zijn op irrespectabel gedrag of veroordeeld zijn voor de rechtbank of een oneerbaar beroep uitoefenen. Een bijkomende voorwaarde is de leeftijd: zij die een magistratuur wilden uitoefenen, moesten minimum 30 jaar oud zijn[33]. Deze minimumleeftijd werd later verlaagd tot 25 jaar: in Irni was de minimumleeftijd in elk geval al vijfentwintig geworden[34].

 

Daarbovenop moest men tussen het uitoefenen van twee (dezelfde – dan spreekt men van iteratio- of verschillende) ambten een bepaalde tussenperiode in acht nemen, waarin men rekenschap moest afleggen van zijn daden in zijn ambtstermijn[35]. Bovendien verwachtte men van magistraten (die overigens geen loon kregen voor hun werk, ze werkten onbezoldigd) dat ze een summa honoraria betaalden wanneer ze verkozen werden. Verder werd van hen verwacht dat ze aan evergetisme zouden doen[36], soms werden in de grondwet van de gemeente als een aantal zaken vastgelegd omtrent uitgaven uit eigen zak van de magistraten[37]. Hoeveel die summa honoraria bedroeg, kan niet met zekerheid gezegd worden, bovendien was er waarschijnlijk ook geen uniform bedrag[38], maar wel staat vast dat mensen die appliceerden voor een magistratuur, bereid moesten zijn een deel van hun rijkdom te delen met de bevolking. Daar stond wel wat tegenover: zo kregen magistraten van een gemeente met een Latijns statuut (Ius Latium Maior) door het uitoefenen van hun ambt – samen met hun familie – het Romeinse burgerrecht, en tijdens hun ambt mochten magistraten een aantal waardigheidstekenen gebruiken: bijvoorbeeld de toga praetexta, of de lictores met fasces, als lijfwachten[39].

 

Tot slot kunnen we nog even de verschillende magistraturen behandelen[40]. Men moet er wel rekening mee houden dat dit slechts een algemeen overzicht is. Sommige gemeenten kunnen omwille van uiteenlopende redenen van de hier geschetste realiteit afwijken, en dat soms alleen in titulatuur, maar soms ook in het toekennen van functies aan de verschillende magistraten[41].

 

Het ambt van quaestor was geen standaardambt dat in alle gemeenten bestond[42], en had betrekking op de financiën van de gemeente. Vandaar dat we vaak de titel quaestor aerarii terug vinden of quaestor pecuniae publicae. Deze magistraten – die afhankelijk waren van de duumvir of quattuorvir – stonden in voor de inkomsten en de uitgaven van de stad. Hun functie is dan ook min of meer te vergelijken met die van hun naamgenoten uit Rome. Maar zoals gezegd, niet alle gemeenten hadden dit ambt en niet iedere magistraat hoefde dit ambt uit te oefenen, het was met andere woorden niet overal een vast onderdeel van de cursus honorum[43].

 

Een ambtenaar die wel overal terug te vinden is, is de aedilis, nauw verwant met de Romeinse variant. In het algemeen kan men stellen dat zij verantwoordelijk waren voor het markttoezicht, maten en gewichten, en voor het leveren van diensten vanwege de gemeente, bijvoorbeeld voor de watertoevoer. Ook openbare werken (bijvoorbeeld het optrekken van openbare gebouwen) stonden onder hun toezicht[44].

 

Tot slot zijn er natuurlijk de hoogste magistraten[45], die – afhankelijk van de gemeente[46] - quattuorviri[47] of duumviri iure dicundo genoemd worden (hoewel buiten de titulatuur weinig verschil bestaat tussen beiden)[48]. Het zijn overigens deze twee magistraten die– net als de consules te Rome – gebruikt worden om het jaar aan te duiden: zij zijn dus de eponieme magistraten. Van alle magistraten hadden ze trouwens ook het hoogste prestige, onder meer doordat zij altijd vergezeld waren van lictores. Hun voornaamste functies bestonden uit het samenroepen en voorzitten van de gemeenteraad en de volksvergadering, en daarnaast waren zij ook verantwoordelijk voor de rechtspraak. Daarenboven moesten ze ervoor zorgen dat de beslissingen van de gemeenteraad werden uitgevoerd. Zij waren ook de eindverantwoordelijken voor het beheer van de gemeentelijke financiën. Deze persoon had dan ook een belangrijke functie binnen de gemeente en vermits het zo’n belangrijk ambt was, moest steeds één van de twee magistraten in de gemeente aanwezig zijn. Was dit niet het geval dan moest een plaatsvervanger worden aangeduid: de praefectus iure dicundo[49], die – tijdelijk – over dezelfde macht beschikte als de duumvir[50].

 

Er is nog één – belangrijke – functie van de hoogste magistraten die we tot nu toe onvermeld lieten, maar die belangrijk is vermits ze betrekking heeft op de gemeenteraad, meer bepaald op het aanduiden van nieuwe leden daarvoor. Om de vijf jaar namelijk waren de hoogste magistraten verantwoordelijk voor het opstellen van een album decurionum, een lijst waarop alle op dat moment zetelende decuriones werden vermeld in een strikt hiërarchische volgorde en waarbij het best wel eens mogelijk zou kunnen zijn dat de hoogste magistraten op dit moment ook nieuwe leden aanduidden voor de gemeenteraad. Het zou kunnen dat de hoogste magistraten ook de census moesten organiseren, wat wil zeggen dat ze lijst moesten opstellen waarop alle burgers van de gemeente én hun vermogen vermeld stonden. In elk geval zorgde een vijfjaarlijkse organisatie voor een hoge mate van efficiëntie, en verleende het een enorm prestige aan de duumviri of quattuorviri van dat jaar, die zich dan ook met een speciale titel lieten onderscheiden: zij zijn “censoria potestate quinquennalis[51]. Omdat het zo’n belangrijk ambt met zo’n hoog prestige was, is het dan ook logisch dat alleen de topelite van de gemeente hiervoor in aanmerking kwam.

 

4.      Besluit

 

Zo is op een heel algemene manier het bestuursniveau van de gemeente behandeld, hoewel er natuurlijk rekening mee moet worden gehouden dat elke gemeente wel zijn eigen tradities en gewoontes had, en elke gemeente zijn eigen klemtonen legde. Maar over het algemeen kunnen we stellen dat het volk zijn macht steeds zag slinken in het Principaat ten voordele van de magistraten en de gemeenteraad (die nauw met elkaar verwant waren: alle magistraten gingen op een bepaald moment in hun carrière deel uitmaken van de ordo decurionum) ,en dat dan vooral de gemeenteraad de besturende macht in de gemeente vormde[52], terwijl de magistraten vooral belast waren met het uitvoeren van de beslissingen van de gemeenteraad. Maar, hoe invloedrijk de gemeenteraad ook was, het waren toch de magistraten die de uitvoerende macht, de juridische en financiële macht bezaten[53]. Maar eigenlijk vormen de magistraten en de decuriones – die eenzelfde afkomst hebben – samen de heersende klasse binnen de gemeente[54]. Tot slot nog één opmerking. Naast de hierboven opgenoemde seculiere ambten bestond een openbare carrière meestal ook nog uit een aantal religieuze functies zoals vanaf de keizertijd het flaminaat – de hoogste religieuze functie binnen een gemeente en eigenlijk ook algemeen het meest prestigieuze ambt dat binnen de municipale context te bereiken viel en de climax was van een municipale carrière – het pontificaat of het auguraat[55].

 

b) samenstelling, werking en functies van de ordo decurionum

 

1.1. Inleiding

 

Vermits decuriones adlecti – althans volgens een soort algemene consensus-  een speciale categorie decuriones zijn, maar niet echt duidelijk is waarin die uitzonderlijkheid gelegen is, is het volgens ons wel relevant om eerst uitvoerig de ordo decurionum van de doorsnee Romeinse gemeente te bespreken, maar dan niet zozeer haar functies of werking als beslissingsorgaan binnen de gemeente (hoewel dat omwille van de volledigheid ook wel aan bod zal komen) maar dan vooral de manier waarop iemand lid kan worden van de ordo decurionum (sommigen denken namelijk dat decuriones adlecti personen zijn die op een bijzondere manier zijn aangeduid[56]), het aantal decuriones dat zetelde in de gemeenteraad (het zou ook kunnen dat decuriones adlecti mensen zijn die supranumerair benoemd zijn), wie nu precies decurio kon worden en aan welke voorwaarden die persoon moest voldoen (misschien zijn decuriones adlecti wel gewoon figuren die om de één of andere reden normaal gezien niet in aanmerking kwamen voor het decurionaat), de onderlinge hiërarchie binnen de ordo decurionum ( er zijn namelijk aedilicii adlecti, quinquennalicii,…[57]) en alles wat daarmee verband hield; kortom: alles wat te maken heeft met de samenstelling van de ordo decurionum.

 

1.2 De evolutie van de ordo decurionum vanaf de vroegste tijden tot het “verval”

 

Gemeenteraden moeten al heel vroeg bestaan hebben in de Italische gemeenten, en als we Livius mogen geloven, waren die soms zelfs zeer groot[58]. Maar hoe ze precies waren georganiseerd is niet geweten. Het is waarschijnlijk zo dat een aantal senaten georganiseerd waren naar het voorbeeld van de Senaat in Rome[59], maar om een algemeen beeld te kunnen ophangen, beschikken we over te weinig informatie. Wellicht was er trouwens geen echte uniformiteit tussen de gemeenteraden van de verschillende gemeenten[60]. Die raden waren op dit moment overigens consultatieve organen die de koning of de jaarlijks aangeduide magistraat moesten bijstaan[61]. In elk geval, de vroege gemeenteraden zijn niet te vergelijken met de ordo decurionum zoals we die kennen vanaf de eerste eeuw ac, doorheen het principaat en zoals hij ook beschreven staat in de lokale wetten die we kennen[62]. Toen was de gemeenteraad uitgegroeid tot een orgaan met een uniforme organisatie in heel Italië en de westelijke Provincies, een orgaan ook dat bijna alle zaken van het municipale leven bestreek[63] en dat bijna alles regelde inzake het interne leven van de gemeente[64].

 

Ons interesseert voornamelijk de gemeenteraad zoals we die kunnen opmerken vanaf het einde van de Republiek. Die gemeenteraad binnen een Romeinse gemeente heeft als benaming de ordo decurionum, en de leden noemen zichzelf decuriones[65], een term die letterlijk “hoofd van een decuria of een groep van tien man” betekent, en die gebruikt wordt om dienaren van de keizer aan te duiden, of gehanteerd wordt binnen een college[66]. Meestal wordt deze term echter gebruikt om de leden van de gemeenteraad aan te duiden[67]. Maar hoewel dit de algemene term is, vinden we vaak andere namen terug: in sommige steden heeft men het over “senatores” (die lid zijn van de senatum), of “conscripti”, of “centumviri”[68]. Dus verschillende benamingen zijn mogelijk. In de laatste eeuwen van het Romeinse Keizerrijk wordt over het algemeen “curia” gebruikt om de ordo[69] aan te duiden; de leden heten dan “curiales”.

 

In de periode die ons aanbelangt, vanaf de vroege keizertijd dus, kunnen we de ordo decurionum zien opduiken zoals we die best kennen uit de diverse bronnen waarover we beschikken. Er is meer uniformiteit wat de algemene organisatie van het municipale bestuur binnen de diverse gemeenten (ook buiten Italië[70]) betreft[71]. Bovendien zien we de ordo decurionum binnen deze municipale organisatie ook aan macht winnen, ten nadele van de volksvergadering of comitia, die aan belang inboet. Deze evolutie[72], waarbij de comitia louter de iure nog enig belang heeft, zet zich reeds in vanaf de eerste eeuw, en is mede veroorzaakt door een aantal factoren, onder meer de idee die bij de stedelijke elite groeit om alleen te heersen en het plebs uit te schakelen, en daarnaast ook nog de groeiende desinteresse van het populus ten aanzien van de municipale verkiezingen[73]. Dit alles heeft als resultaat dat de ordo decurionum stilaan het centrale orgaan van de gemeente wordt, vooral ook nadat uiteindelijk de aanduiding van magistraten ook aan hen wordt toegewezen, waarbij ze de magistraten uit eigen rangen mogen halen, een evolutie waar we verder nog zullen op ingaan. Dus de ordo is stilaan tot het besturende orgaan van de gemeente geëvolueerd, is nu veel meer dan het louter adviserende orgaan uit de beginfase[74]: de ordo decurionum is het orgaan geworden dat het beleid in de gemeente bepaalt en het werk van de uitvoerende macht controleert[75]

 

Over hoe de ordo decurionum verder evolueerde, bestaan er twee (behoorlijk tegenstrijdige) visies. De eerste – nu voorbijgestreefde – visie heeft een erg negatieve kijk op de verdere geschiedenis van de gemeenteraden[76]. Hoewel de ordo decurionum ook in de tweede eeuw        – volgens hun idee – nog steeds een belangrijke instelling bleef op municipaal vlak, zien we toch al een aantal veranderingen opduiken, die in de komende eeuwen nog aan kracht gaan winnen en vooral door keizer Diocletianus[77] ook de iure zullen worden vastgelegd. Hoe langer hoe meer zouden namelijk de welgestelde lieden uit de gemeente, de possessores[78],  verplicht worden lid te worden van de ordo decurionum -of de curia, zoals de nieuwe naam luidt (de decuriones worden vanaf nu ook wel curiales genoemd)- en een mandaat op zich te nemen. Bovendien werden de belastingen[79] stilaan alleen nog van de honestiores, of de decuriones en de andere possessores, geëist. Het resultaat is dat heel wat welgestelde inwoners van de gemeenten op allerhande mogelijke manieren zouden geprobeerd hebben onder deze plicht uit te komen (via omkoping, vlucht uit de gemeente, dienst nemen in het leger,…). Wat dan weer een reactie oproept van de overheid die via dwangmaatregelen poogt om de curiales te verplichten hun taak toch te vervullen: het decurionaat wordt bijvoorbeeld erfelijk gemaakt[80].

 

Uiteindelijk zou dan volgens de traditionele visie in de Late Keizertijd (eigenlijk vanaf het einde van de tweede eeuw)[81] de gemeenteraad verworden zijn tot een apparaat dat volledig ten dienste is komen te staan van het centrale niveau, dat onder meer tot doel heeft om belastingen te kunnen vergaren, en vooral, dat voor de betrokkenen het decurionaat meer een munus dan een honor zou geworden zijn, en dat men daardoor veel moeite zou doen om eraan te ontsnappen[82]. De vijfde eeuw zou een dieptepunt geweest zijn in heel deze evolutie, want op dat moment konden –of liever: moesten- criminelen als straf het decurionaat op zich nemen[83]!

 

Maar zoals gezegd heeft het misschien allemaal zo’n vaart niet gelopen. De laatste jaren –vooral dan sinds het verschijnen van het magistrale werk van Jacques[84]- is er een zekere twijfel gerezen of men de evolutie in de late keizertijd wel zo negatief moet afschilderen, als men deze periode werkelijk moet zien als een periode van verval, onder meer op municipaal vlak[85]. Aan die nieuwe, minder negatieve kijk op de evolutie op municipaal vlak in deze periode is ook een nieuwe idee over de ordo decurionum en de magistraturen gekoppeld[86]. Zo weerlegt Curchin[87] de idee als zou het decurionaat en het uitoefenen van een mandaat op gemeentelijk vlak een ondraaglijke last geworden zijn tegen het einde van de tweede eeuw, een munus eerder dan een honor[88]. Neen, integendeel, ook in deze periode blijft het decurionaat een privilège[89] en blijft de ordo decurionum een belangrijke instantie. Het is wel zo dat –vooral dan in Africa, maar ook in andere gebieden- binnen de ordo een groep zal opkomen die de macht gaat grijpen en een oligarchisch bewind zal uitoefenen in de gemeentes. Deze groep, die de ordo in handen gaat nemen en het lokale bestuur zal controleren, krijgt de naam van principales[90].

 

1.3. De institutionele kenmerken van de ordo decurionum

 

1.      BEVOEGDHEDEN VAN DE ORDO DECURIONUM

 

a) De bevoegdheden van de gemeenteraad

De ordo decurionum was het municipale orgaan dat het beleid bepaalde: alle zaken die te maken hadden met bestuur en administratie van de gemeente vielen onder hun bevoegdheid. Dit is terug te vinden in de Lex Coloniae Genetivae, waar men kan lezen dat de diverse municipale magistraten verplicht zijn de decreten van de ordo decurionum na te leven. Wanneer zij dit niet doen, kunnen ze met een boete van 10.000 HS bestraft worden[91]. Daarenboven was het ook de ordo die de uitvoerende macht van de gemeente – de magistraten – controleerde, en via decreten zaken besliste waarvan de uitvoering werd overgelaten aan diezelfde magistraten[92]. De magistraten waren wel verplicht om daarover dan verslag uit te brengen en rekenschap af te leggen over hun gevoerde beleid ten overstaan van de gemeenteraad[93]. Ook iedere persoon die een officiële opdracht had uitgevoerd was verplicht dit te doen, zij het dat de termijn waarin dit moest gebeuren kon verschillen[94].

 

De voornaamste zaken waarvoor de ordo decurionum aldus bevoegd was, waren de openbare werken en de financiën van de gemeente[95]: daarvan zijn talloze voorbeelden terug te vinden in de municipale wetten die we bezitten. In het algemeen kan men stellen dat het initiatief om met gemeentegeld gebouwen op te trekken berustte bij de ordo decurionum[96]. Zo bijvoorbeeld waren het de decuriones die beslisten of een huis al dan niet mocht worden afgebroken (het toezicht op het naleven van hun beslissing kwam dan toe aan de bevoegde magistraten, in dit geval de aediles)[97]. Ook het traject van wegen en waterwegen kon enkel door de ordo decurionum worden vastgelegd, weliswaar op voorstel van de duumviri[98]. De decuriones stonden verder ook in voor het verzamelen van de belastingen[99] en waren verantwoordelijk voor hetgeen gebeurde met het geld van hun gemeente[100].

 

Andere bevoegdheden van de ordo decurionum zijn te situeren in de religieuze sfeer. In een bepaling van de Lex Coloniae Genetivae kunnen we lezen dat beslissingen betreffende de lokale cultus als eerste op de agenda van de gemeenteraad geplaatst moesten worden vooraleer andere gelegenheden werden behandeld[101]. De ordo decurionum bepaalde zo bijvoorbeeld welke dagen geschikt waren om een festival te organiseren[102]. Ook hadden ze een zekere verantwoordelijkheid bij het handhaven van de openbare orde. De ordo decurionum van Urso kon bijvoorbeeld in geval van invallen of opstand de bewoners (cives én incolae) onder de wapens roepen en de aldus gevormde stedelijke militie onder het bevel van een duumvir of een door hem aangeduid persoon plaatsen[103]. De vraag is evenwel hoe lang deze bepalingen golden in de latere periodes, wanneer de Pax Romana alom heerste[104].

 

Ook in de rechtspraak en bij juridische aangelegenheden had de ordo decurionum haar rol. Wanneer bijvoorbeeld een persoon inging tegen een decreet van de ordo decurionum en daarvoor beboet werd door de magistraten, kon hij bij de ordo decurionum in beroep gaan[105]. Ook fungeerde de ordo decurionum bij bijvoorbeeld manumissio als een consultatief orgaan voor de duumviri[106]. Voor afwijkingen van de algemene regel diende de ordo decurionum zijn instemming te verlenen[107].

 

De ordo decurionum had eveneens bevoegdheden die in de diplomatieke sfeer zijn te situeren. Zo was het verlenen van een patronaat aan personen die de stad op een hoger niveau konden vertegenwoordigen en van buitenuit konden bevoordelen, hun taak[108]. Het samenstellen en uitsturen van gezantschappen werd eveneens door de ordo decurionum geregeld[109]. Ook het toekennen van eerbewijzen (zoals onder meer de erezitplaatsen in het theater[110]) viel onder hun bevoegdheid.

 

Over al deze gevallen namen zij met de volledige raad  (er was wel een interne hiërarchie in de ordo decurionum) beslissingen en vaardigden decreta uit. Hoe dat nu precies in zijn werk ging, behandelen we kort in de volgende paragraaf. 

 

b) De rechten en de plichten van een decurio

Maar eerst moeten we nog even aandacht besteden aan de rechten en plichten van de decuriones: welke waren hun voorrechten, en wat moesten ze ervoor over hebben om decurio te kunnen zijn? De positie van decurio van een gemeente bracht logischerwijs een aantal voorrechten en privileges maar ook een aantal verplichtingen met zich mee. Ten eerste de voorrechten: de privileges die de decuriones genoten, kunnen gedeeltelijk gevat worden in de term ornamenta decurionata, voorrechten die tevens aan niet-decuriones verleend kunnen worden. We zullen het in het kader van de vergelijking tussen de decuriones adlecti en de personen die deze ornamenta hebben ontvangen uitgebreid over de inhoud van de daaronder vallende privileges van de decuriones hebben en zullen dan ook in het kader van deze uiteenzetting slechts een opsomming geven met een beperkte uitleg betreffende de inhoud van de ornamenta en andere privileges. De diverse verplichtingen van de decuriones komen daarentegen uitgebreider aan bod.

 

Een eerste voorrecht van de decuriones bestond in het recht een eretitel te dragen. Deze kon variëren: vir splendidissimus, vir sanctissimus, vir amplissimus, vir honestissimus [111]. Verder beschikten de decuriones over het recht om bij spelen (gladiatorenspelen, venationes en ludi scaenicos of toneelspelen) op voor hen gereserveerde plaatsen te zitten, en niemand anders mocht daar gaan plaats nemen, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van de ordo decurionum. In de verschillende municipale wetten die bewaard zijn, kunnen we heel wat informatie betreffende voorbehouden plaatsen voor de decuriones terugvinden[112]. Ten derde hadden de decuriones net zoals de Romeinse Senatoren het recht bijzondere kleren te dragen. Zo droegen ze vermoedelijk de laticlavius of de brede purperen zoom aan hun kledij[113]. Tenslotte zijn er nog de reeds genoemde ornamenta van de decuriones. De inhoud hiervan is echter nog steeds onduidelijk en de mogelijkheid bestaat dat de hiervoor opgesomde privileges eveneens zouden behoren tot de ornamenta[114].

 

De decuriones beschikten daarnaast over een groot aantal juridische voorrechten. Zo konden ze bijvoorbeeld niet ter dood gebracht worden, tenzij in uitzonderlijke gevallen, zoals oudermoord.[115] Verder konden de decuriones niet veroordeeld worden tot bepaalde straffen, zoals mijnarbeid (ad metallam), verbranding, veroordeling tot de wilde dieren (ad bestias) en andere straffen die beneden hun waardigheid geacht werden, zoals daar zijn: kruisiging, tuchtiging en foltering. Zij behoorden immers tot de honestiores en die werden op een andere manier behandeld en bestraft dan het gewone volk dat werd aangeduid met de term tenuiores.[116] Voor decuriones uit gemeenten met het ius Latii maius kwam daar nog bij dat ze ook over het voorrecht beschikten het volwaardige Romeinse burgerrecht te ontvangen, voor zichzelf en voor hun nakomelingen[117].

 

Daarbovenop bestaan er voor de decuriones ook nog wat bijkomende voordelen. Zo werden zij bij uitdelingen meestal bevoordeeld en kregen ze een groter part dan de rest van de bevolking[118]. We weten bijvoorbeeld ook dat de decuriones van Venafrum het recht hadden om gratis gebruik te maken van het water dat per aquaduct werd aangevoerd, terwijl de gewone, of liever ambtloze burgers -die niet tot de (municipale) elite behoorden- hiervoor dienden te betalen[119].

 

Toch was het niet allemaal rozengeur en maneschijn en bracht de positie van decurio ook heel wat verplichtingen met zich mee. Vanzelfsprekend is een eerste verplichting het deelnemen aan de beraadslagingen van de gemeenteraad[120]. Het is echter allesbehalve duidelijk of een ongemotiveerde afwezigheid werd gesanctioneerd. En er bestaan voor het nemen van beslissingen bijvoorbeeld voorschriften betreffende het minimum aantal aanwezige decuriones. Op basis van deze bepalingen kan men dus afleiden dat de decuriones niet allemaal elke vergadering bijwoonden.

 

Een tweede verplichting – die we ook zullen aantreffen bij de voorwaarden om het decurionaat te kunnen verwerven- is het bezit van een huis in de woonkern van de gemeente, een voorschrift dat we terugvinden in bepalingen van het municipale charter van Urso en Tarente. In Tarente bijvoorbeeld wordt voorgeschreven dat een decurio een aedificium moet bezitten, binnen de grenzen van de woonkern, bedekt door ten minste 1.500 tegulae, dus toch al met een behoorlijke oppervlakte. En er wordt een boete van 5.000 HS vooropgesteld wanneer deze regel niet gevolgd zou worden[121]. De Lex Coloniae Genetivae schrijft voor dat een nieuwbakken decurio (en impliciet ook de kandidaat-magistraten) een huis moet bezitten in de stadskern of ten hoogste 1.000 passus van de stadskern. Wanneer hij in de eerste vijf jaar na zijn aanstelling geen huis in de stadskern heeft aangekocht, kan de nieuwe decurio zelfs uit de ordo decurionum gezet worden. Dezelfde regeling geldt trouwens ook voor bijvoorbeeld de augures en de pontifices[122].

 

De volgende en wellicht belangrijkste verplichting voor de decurio was het betalen van een summa honoraria of een summa legitima, bij zijn intrede in de ordo decurionum. Dit bedrag varieerde  per gemeente, net zoals de minimumcensus voor het behoren tot de ordo decurionum van gemeente tot gemeente kon verschillen. In de diverse municipale wetten die zijn bewaard, zijn vreemd genoeg geen aanwijzingen te vinden voor het bestaan van deze summa honoraria, hoewel die epigrafisch wel is geattesteerd. Duncan-Jones[123] geeft bijvoorbeeld 37 voorbeelden van summae honorariae geattesteerd in Afrika. Meer bepaald voor het decurionaat onderscheidt de auteur vijf voorbeelden gaande van 400 (in Munchar), 1.600 (te Muzuc), 4.000 (in Thubursicu Numidarum) en uiteindelijk twee maal 20.000 HS (meer bepaald in Cirta en Rusicade) [124]. Een aantal decuriones adlecti hebben het decurionaat gratis gekregen, dit wil zeggen dat zij niet onderworpen werden aan de verplichting om een summa honoraria te betalen. Het gaat in deze gevallen niet om een financiële tegemoetkoming, maar wellicht eerder over een extra eerbewijs aan een persoon die zich reeds verdienstelijk heeft gemaakt voor zijn gemeente, en die eigenlijk al veel meer geld in de gemeente heeft gepompt dan het vereiste bedrag van de summa honoraria[125].

 

Tenslotte waren de decuriones ook onderworpen aan de diverse munera (verplichte prestaties of diensten ten bate van de gemeente)[126]. Zij waren verplicht tot zowel munera patrimonii[127], financiële verplichtingen, als munera personalia[128], met die uitzondering dat zij niet onderworpen waren aan de munera sordida[129], of liever munera personalia waaraan handenarbeid verbonden was. De curae[130], eveneens een onderdeel van de munera personalia, moesten zij wel vervullen, tenminste indien zij daarvoor aangeduid werden. De gespecialiseerde aard van bepaalde curae zorgde er in elk geval voor dat deze enkel door de elite konden worden uitgeoefend[131].

 

2.      WERKING VAN DE ORDO DECURIONUM[132]

 

a)      het bijeenkomen van de raad

De ordo decurionum kon pas bijeenkomen wanneer de hoogste magistraten van de gemeente de decuriones daartoe verzochten[133]. Het was dus waarschijnlijk niet zo dat ze op vaste tijdstippen vergaderden. Het bijeenkomen gebeurde in de curia, tenminste als de gemeente over een dergelijk gebouw beschikte. De zitting zelf werd ook voorgezeten door de hoogste magistraten en duurde tot alle agendapunten waren afgehandeld en afdoende besproken. Die agenda van de ordo decurionum werd voordien al, dus voor de vergadering, opgesteld door de voorzitters, die dus de hoogste magistraten van de gemeente waren: zij beslisten wat aan bod kwam tijdens de vergaderingen, maar vaak was het wel zo dat decuriones hen bepaalde zaken aanreikten in de hoop dat die besproken zouden worden. Een voorbeeld hiervan kunnen we terug vinden in Urso. In een onderdeel van de lex municipalis van deze stad kunnen we namelijk lezen dat wanneer een decurio vindt dat een financiële aangelegenheid behandeld moet worden in de gemeenteraad, de duumviri verplicht zijn dit op de agenda van de volgende vergadering te plaatsen[134].

 

Over elk agendapunt werd een besluitsontwerp of relatio voorgesteld aan de decuriones, en daarover werd dan uitvoerig gedebatteerd tijdens de zitting. In theorie mochten alle decuriones aan dat debat deelnemen, maar ze moesten wel een strikte hiërarchie in acht nemen wanneer ze het woord wilden nemen[135]. Na het debat ging men over tot een stemming[136]. Soms was het wel zo dat men vooraleer men tot een besluit kwam meerdere relationes nodig had[137]. Het voorstel werd aangenomen als een meerderheid van de aanwezige decuriones ermee akkoord ging, maar hoe groot die meerderheid moest zijn, was afhankelijk van de belangrijkheid van het onderwerp[138].

 

b)      Het uitvaardigen van decreten

 

Van zodra een voorstel was goedgekeurd, moest dit in een officiële tekst worden gegoten en werd een decreet opgesteld. Vanaf dat moment had het gestemde kracht van wet. Het opstellen van zo’n decreet gebeurde door de scriba, de secretaris, die daarbij gecontroleerd werd door minstens een deel van de gemeenteraad[139]. Eenmaal dat gebeurd, werd het decreet bewaard in het tabularium of het archief van de gemeente[140]. Eventueel kon een decreet ook publiek bekend gemaakt worden, via een inscriptie op brons of steen[141].

 

c)      De onderlinge hiërarchie binnen de ordo decurionum

 

Uit de bronnen betreffende de ordo decurionum blijkt dat niet alle decuriones gelijk waren. Er is dus wel degelijk sprake van een soort rangorde, een hiërarchie, waarin de leden van de ordo decurionum werden ingepast. Dit systeem was of lijkt in elk geval vergelijkbaar met de rangorde binnen de Romeinse Senaat. De rangorde had bovendien gevolgen voor de gang van zaken in vergaderingen en de manier van stemmen die werd toegepast[142].

 

Een eerste aanwijzing voor de rangorde vinden we in het reeds vernoemde album van Canusium, uit 223 pc[143]. In dat jaar gingen de IIviri quinquennales er namelijk  toe over om de namen van de decurionesin aere incidenda”. De namen van de decuriones zijn op deze inscriptie verdeeld over een aantal categorieën, die telkens betrekking hebben op de beklede magistraturen[144]. De lijst wordt dan ook aangevoerd door de quinquennalicii, de decuriones die quinquennalis zijn geweest. Uit het Album blijkt dat ook de namen van de twee zittende quinquennales reeds onder de quinquennalicii werden genoteerd. Het feit dat zij als laatste in de lijst van de quinquennalicii staan, kan er op wijzen dat de namen in volgorde van uitoefening op het album zijn opgenomen[145]. De volgende categorie wordt uitgemaakt door de duumviralicii, de decuriones die het gewone duumviraat hebben bekleed. De aedilicii, de decuriones die slechts aediles zijn geweest, staan dan weer een rang lager. De quaestoricii tenslotte staan van alle  decuriones die reeds magistraturen hebben bekleed het laagst. Toch vormt niet deze categorie van decuriones het onderste stratum van de ordo decurionum, maar is dat wel de categorie van de pedani, de (nog) ambtloze decuriones[146]. Deze laatste categorie wijst er overigens op dat men niet altijd magistraat hoefde te zijn vooraleer men als decurio in de ordo decurionum kon opgenomen worden.

 

Een speciale categorie op het album wordt gevormd door de adlecti inter quinquennalicii. De vier namen die onder deze hoofding op het album voorkomen zijn de namen van vier decuriones die in de ordo decurionum de rang hebben gekregen van gewezen quinquennalis, maar die deze functie nooit daadwerkelijk hebben uitgeoefend. Zij staan op het album vermeld na de eigenlijke quinquennalicii en vóór de duumviralicii. Aangezien de volgorde van voorkomen op het album de volgorde bepaalde waarin gesproken en gestemd werd, lijkt het er op dat deze vier adlecti inter quinquennalicii hoger geplaatst zijn dan de duumviralicii en zij dus in de vergaderingen eerder het woord mochten nemen dan de gewezen duumviri. Verder kunnen we opmerken dat enkel vier adlecti inter quinquennalicii op de steen staan[147]. Geen andere soorten adlecti zijn geattesteerd. We weten dat er in andere gemeenten ook adlecti inter duumviralicios en inter aedilicios hebben bestaan, naast decuriones adlecti zonder rang, de gewone decuriones adlecti[148].

 

Op het album van Canusium treffen we tot slot ook nog de namen aan van de zogenaamde praetextati, of “young men with the toga praetexta who were descended from decurions or other members of official families. … the praetextati who attended meetings but lacked the vote[149]. Deze hadden het recht om de decuriones aan het werk te zien. Er werd wel verwacht dat zij vervolgens in de eigenlijke ordo decurionum opgenomen zouden worden wanneer ze oud genoeg waren én er plaats voor hen was[150]: we mogen immers niet vergeten dat de grootte van de ordo decurionum bij wet voorgeschreven lijkt te zijn[151]. Blijkbaar hebben we hier dus te maken met een vorm van veredelde wachtlijst. Volgens Garnsey lijkt het er op dat deze praetextati bevoordeeld werden ten opzichte van buitenstaanders bij het toekennen van ambten, dat men liever het ambt aan een praetextatus gaf (die sowieso lid was van de municipale elite) dan aan een nieuwkomer in de ordo decurionum[152].

 

Canusium is een voorbeeld uit de praktijk en toont ons hoe een stad haar ordo decurionum vorm gaf. Maar de volgorde waarin de decuriones het woord mochten nemen en stemmen, en op het album moesten vermeld worden, is eveneens beschreven in een wetgevende tekst, met name in de Digesten. Wat blijkt? Men was in de eerste plaats verplicht om de bepalingen in de lex municipalis te volgen, maar wanneer de procedure niet zou opgenomen zijn in de lex, moest de rang van de decuriones gerespecteerd worden. Eerst en vooral moest men dan de namen opschrijven in het album van diegenen die het tot duumvir brachten. Binnen deze groep werd de oudste gewezen duumvir eerst vermeld. Vervolgens werden de namen opgetekend van diegenen die het ambt uitoefenden dat vóór de functie van duumvir kwam in de cursus honorum. Daarna werden diegenen opgenomen die een nog lager ambt hadden uitgeoefend en uiteindelijk die personen die nog geen magistratuur hadden uitgeoefend[153].  Een volgende bepaling stelt dat in het album eerst de namen opgenomen moesten worden van zij die op rijksniveau functies hadden uitgeoefend en pas dan diegenen die enkel in de gemeente carrière maakten.[154] De in de Digesten vermelde volgorde stemt grosso modo overeen met die volgorde die we konden vaststellen in het album van Canusium, hoewel er in de Digesten geen sprake meer is van quinquennales. We moeten er echter wel rekening mee houden dat de Digesten het resultaat zijn van een latere compilatie van rechtsgeleerden en dat de fragmenten aangepast kunnen zijn aan de situatie in de zesde eeuw pc[155].

 

In de Lex Coloniae Genetivae, het municipale charter van Urso, vinden we ook een bepaling die betrekking heeft op de rang van de decuriones in de gemeenteraad. In deze bepaling lezen we dat het voor een decurio mogelijk was een andere decurio te beschuldigen van onwaardigheid, volgens de bepalingen van de wet, en wanneer de beschuldiging terecht bleek dat deze onwaardige decurio dan uit de ordo verwijderd kon worden. Wanneer de decurio die de beschuldiging voor het eerst uitte dit wenste, kon hij de plaats gaan innemen van de veroordeelde decurio. Hij kon met andere woorden de rang van de veroordeelde decurio innemen en vervolgens in de gemeenteraad het woord nemen en stemmen in de plaats van de veroordeelde decurio[156]. Dit hield vermoedelijk een verhoging in rang in.

 

Ook in de recent ontdekte wet van Irni vinden we gegevens betreffende de rangorde binnen de ordo decurionum. We moeten echter toegeven dat de gegevens die we hier aantreffen verschillen van hetgeen we hierboven hebben behandeld. Er wordt, zo blijkt uit de tekst, gestemd per ordo, maar wat daarmee bedoeld wordt is niet direct duidelijk. Rangorde binnen een ordo tussen de decuriones wordt bepaald door het aantal kinderen ontstaan uit een wettelijk huwelijk. Die decurio met de meeste kinderen stemt dan eerst, gevolgd door diegenen met minder kinderen en afsluitend met de kinderloze decuriones adlecti. Wanneer twee of meer decuriones nu een zelfde plaats innemen, mogen eerst de gewezen duumviri stemmen, in de volgorde waarin ze het ambt hebben bekleed. De andere decuriones mogen daarna stemmen, in de volgorde volgens dewelke ze in de ordo decurionum zijn opgenomen.[157] Uit dit laatste blijkt dat in Irni, en bij uitbreiding in de andere Flavische municipia in Hispania, slechts 2 categorieën decuriones hebben bestaan, namelijk de decuriones die duumvir zijn geweest en de rest[158]. Dit staat dan ook in contrast met de situatie die we konden vaststellen voor Canusium. In deze gemeente zijn er in totaal zes verschillende categorieën decuriones, zeven indien men ook de praetextati tot de ordo decurionum zou rekenen, wat men meestal niet doet om zo mooi aan een getal van honderd decuriones te komen, wat lange tijd als een standaardgetal voor de ordo decurionum werd beschouwd. Lange tijd, maar nu wordt dit door een aantal onderzoekers betwist. Wat de grootte van de gemeenteraad dan wel zou kunnen zijn, zullen we nu even onder de loep nemen.

 

3.      SAMENSTELLING VAN DE ORDO DECURIONUM

 

a)      de grootte van de ordo decurionum

 

De grootte, of liever: het aantal leden van een ordo decurionum is één van die kwesties waarover de laatste jaren, zeker na het ontdekken van de Lex Irnitana, de traditionele opvattingen werden aangetast. Waar vroeger men ervan overtuigd was dat een ordo decurionum, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, -zeker in het westelijke deel van het rijk- honderd leden telde, neemt men de laatste tijd,  onder meer onder impuls van Nicols[159],aan dat er wellicht niet zoiets als een standaard aantal leden voor de ordo bestond.

 

Hoe kwam men nu tot dat getal van honderd leden, een getal dat onder meer door Marquardt en Mommsen[160] naar voor werd geschoven als het aantal leden van een doorsnee of zelfs standaard- ordo decurionum? Al deze onderzoekers gingen er niet alleen van uit dat het aantal leden van de gemeenteraad vast lag, vooraf bepaald was door de wet, maar ook dat er weliswaar niet in elke gemeente evenveel gemeenteraadsleden waren, maar dat er in de meeste gemeenten (tenzij in uitzonderlijk grote of uitzonderlijk kleine gemeenten) toch honderd decuriones waren. Duncan-Jones[161] ging zelfs zo ver te stellen dat er twee standaarden waren, met name een ordo van honderd leden en in andere gemeenten één van dertig decuriones