| Decurio adlectus decreto decurionum. De decuriones adlecti: uitverkorenen of alledaagse decuriones? Geadlecteerde decurionen in de lokale gemeenschappen van Italië en de westelijke provincies tijdens het Principaat. (Francisca Declerck) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
3. Het praktische luik: de epigrafisch geattesteerde decuriones adlecti
3.7 De ornamenta decurionatus: is er een parallel te trekken met de adlectio in ordinem decurionum?
We zijn nu al een hele tijd bezig over de decuriones adlecti en hun uitzonderingspositie, we hebben hen al kort vergeleken met andere, “gewone” decuriones, hebben een sociaal profiel opgesteld en hun carrières bestudeerd en vergeleken…. Het zou ook interessant kunnen zijn deze groep te vergelijken (op vlak van sociaal profiel en carrière) met een andere categorie mensen op municipaal niveau, die ons ook via een relatief kleinschalig bronnenstaal bekend zijn, namelijk diegenen die de ornamenta decurionalia hebben gekregen. Wat is het sociaal profiel van diegenen die dit kregen, waarom zouden ze precies deze eretekens gekregen hebben, konden zij op municipaal vlak een carrière uitbouwen? En ook: wat is het verschil tussen zij die adlecti werden –toch ook een onderscheiding of eerbewijs- en zij die de ornamenta verwierven? Men zou deze paragraaf dan ook kunnen zien als een externe toets voor onze bevindingen over de adlecti.
a) Wat zijn de ornamenta en meer specifiek de ornamenta decurionalia?
Het is algemeen geweten dat de decuriones en de lokale magistraten allerlei uiterlijke tekenen van hun rang voerden en allerlei voorrechten genoten. Delen van deze voorrechten en rangtekens van de decuriones en de municipale magistraten konden, zoals zal blijken, bij dekreet door de decuriones aan verdienstelijke burgers worden verleend. Traditioneel wordt aangenomen dat de voornaamste reden voor een dergelijke verlening van de ornamenta het feit is dat deze personen vaak het recht of de mogelijkheid niet hadden decurio te worden of magistraturen te bekleden[623]. We bemerken hier de gelijkenis met de idee die sommigen over adlectio hebben, namelijk als zou dat gehanteerd zijn om mensen die normaal niet in de ordo decurionum konden zetelen, toch toe te laten. Voor vele vrijgelatenen zouden de ornamenta decurionalia dan ook het hoogste zijn dat zij ooit konden bereiken. Lokale magistraturen waren voorbehouden voor ingenui. De enige uitzondering hierop is gemaakt door Caesar, die toeliet dat liberti dienst deden als magistraten in zijn Spaanse stichtingen. Deze bepaling is ook opgenomen in de Lex Coloniae Genetivae[624]. Toch zijn er geen inscripties terug gevonden in Urso, waaruit zou blijken dat vrijgelatenen als magistraat hebben gediend[625]. Uit inscripties blijkt dat elders wel vrijgelatenen als magistraten werden verkozen, hoewel dit eerder uitzonderlijk gebeurde[626]. De bepaling van Caesar zou bovendien slechts gedurende korte tijd stand houden. De Lex Visellia van 24 pc. zorgde voor het verdwijnen van de bepaling[627]. De Flavische municipale wetten die in Spanje terug gevonden zijn, verboden vrijgelatenen expliciet magistraturen te bekleden[628]. Zonen van vrijgelatenen daarentegen konden al heel wat verder geraken, als ze tenminste vrijgeboren waren[629]. Anderzijds konden ornamenta ook worden verleend aan overleden personen en aan minderjarigen (dit laatste geval vertoont weer gelijkenissen met de adlectio in ordinem decurionum)[630]. Serrano Delgado echter zal pogen deze visie te veranderen, zoals we nog zullen zien. Maar eerst zullen we nagaan wat het verkrijgen van die ornamenta precies inhield.
1.1 Ornamenta decurionalia
Een eerste vraag die we ons moeten stellen is wat deze ornamenta nu eigenlijk inhielden. De decuriones en de municipale magistraten hadden verschillende tekenen en voorrechten die wezen op hun hogere status in de gemeente[631]. Deze voorrechten komen onder andere voor in de diverse municipale wetten die ons zijn overgeleverd en zijn in sommige gevallen ook epigrafisch geattesteerd. Het lijkt interessant om eerst deze passages tegenover elkaar te zetten en te bespreken.
Een eerste voorrecht was het recht op gereserveerde zitplaatsen bij gladiatorenspelen en toneelvoorstellingen. De Lex Coloniae Genetivae uit Urso bevat twee passages waarin hierover sprake is. Een eerste passage behandelt de rechten van de augures en pontifices van de gemeente Urso. De augures en de pontifices kregen hierbij onder andere het recht om de spelen te bezichtigen temidden van de decuriones[632]. De tweede passage betreffende de decuriones zelf. De wet stelt dat niemand die geen decurio of magistraat met imperium is een dergelijke gereserveerde plaats kan en mag innemen[633]. Een uitzondering wordt wel gemaakt voor diegenen die bij dekreet van de ordo decurionum het voorrecht kregen om de spelen bij te wonen temidden van de decuriones, zonder dat zij zelf decurio waren. Voor het goedkeuren van een dergelijk dekreet moest wel meer dan de helft van de decuriones van Urso aanwezig zijn bij de beslissing[634]. Dit is een eerste aanwijzing dat de voorrechten van de decuriones aan niet-decuriones verleend kunnen worden. Wanneer men toch als niet-decurio op een voor decuriones gereserveerde plaats ging zitten, kon men een boete van 5.000 HS opgelegd krijgen. Voorwaarde was wel dat men wist dat men op de verkeerde plaats zat of dat men wetens en willens een ander persoon naar deze gereserveerde plaatsen had geloodst, hoewel hij daar niet mocht gaan zitten[635]. Een andere passage in dezelfde municipale wet behandelt de plaatsen bij toneelvoorstellingen. Volgens de bewuste passage waren de plaatsen in de orchestra gereserveerd voor (1) Romeinse en lokale magistraten, (2) (gewezen) Romeinse senatoren en hun zonen, (3) praefecti fabrum van de Spaanse provincies, (4) diegenen die door de decuriones waren toegelaten, “no doubt largely themselves and their friends”[636]. Hierbij wordt een verwijzing gemaakt naar de procedure die in de hiervoor besproken passage is behandeld.
Ook de Tabulae Heracleensis vermeldt deze voor decuriones gereserveerde plaatsen. We vinden hier namelijk ook een opmerking over het verbod voor niet-magistraten en decuriones om op deze plaatsen te gaan zitten. In de Tabula Heracleensis is de boete bij overtreding wel groter dan het geval was bij de Lex Coloniae Genetivae. De boete bedraagt immers 50.000 HS[637].
Overigens, ook in andere inscripties is dit recht geattesteerd. CIL XII, 6038 behandelt de rechten van de flamines. Een daarvan wordt aangeduid als “[--- inter decuriones s]enatoresve subsellio primo spectan[di ius esto ---]”[638]. In een andere inscriptie lezen we dat C. Iulius Gelo, een vrijgelatene van Augustus, door de ordo van Veii (aangeduid met de term centumviri) wordt geëerd voor zijn diensten aan de stad. Hij kreeg hiervoor het recht om de spelen te bezichtigen samen met de Augustales, in een speciale erezetel, het bisellium[639]. Verder verkreeg hij ook het recht om bij de publieke maaltijden inter centumviros interesse, wat er op wijst dat ook bij deze gelegenheden sprake is van gereserveerde plaatsen[640]. Een ander voorbeeld vinden we bij C. Titius Chresimus. Deze organiseerde in Suessa gladiatorenspelen en verkreeg in ruil het bisellium, het recht op een waterleiding naar zijn huis en het recht om gebruik te maken van de commodis publicis ac si decurio fruetur. Hij kreeg met andere woorden dezelfde privileges als de decuriones. Het feit dat niet hij, maar zijn zoon, het decurionaat verkreeg wijst er op dat C. Titius Chresimus een vrijgelatene was, die geen magistraturen kon bekleden[641].
Ten tweede krijgen de decuriones een eretitel, namelijk vir splendidissimus, sanctissimus, amplissimus of honestissimus. Deze titels komen diverse malen voor op inscripties. Zo bijvoorbeeld in een inscriptie uit Misenum: de ordo wordt aangeduid met de term honestissimus ordo. En een inscriptie uit Sufes spreekt over de splendidissimus et felicissimus ordo. Een andere inscriptie tenslotte heeft het over ordine Perusinor(um) optimo maximaq(ue)[642]. En er bestaan nog vele andere voorbeelden[643].
Ten derde hadden de decuriones net zoals de Romeinse senatoren het recht bijzondere kleren te dragen. Zo droegen ze vermoedelijk de laticlavius of de brede purperen zoom aan hun kledij[644].
Daarnaast behoort volgens Curchin ook het voorrecht van de zonen van decuriones om de zittingen van de gemeenteraad bij te wonen vermoedelijk tot de ornamenta decurionalia. Men had in dit geval echter wel geen stemrecht[645]. In de Digesten kunnen we inderdaad lezen dat het voor minderjarigen (jonger dan 25 jaar) toegelaten was in de ordo opgenomen te worden, indien hun vader zich voor hen garant stelde. Zij kregen dan wel geen stemrecht[646]. Het blijft echter de vraag of dit wel een onderdeel van de ornamenta kan geweest zijn. Nergens kunnen we expliciet lezen dat dit inderdaad behoorde tot de ornamenta decurionalia.
Decuriones genoten echter ook nog andere voorrechten, die haast zeker niet tot de ornamenta decurionalia kunnen gerekend worden. Het is bijvoorbeeld zo dat de decuriones bij de verdelingen van sportulae meer kregen dan andere leden van de bevolking. Men hoeft niet zo lang te zoeken naar voorbeelden van deze gang van zaken[647]. Wanneer er bij giften aan discriminatie wordt gedaan, is dit veelal ten gunste van de hoogste lagen van de bevolking. Het is zo “dat de vooraanstaanden van een gemeente zowel kwantitatief als kwalitatief het meest genoten van de evergetische activiteit van “hun gelijken”[648]. Toch beschikken we over één voorbeeld waarbij de ornamentarii evenveel kregen bij een uitdeling als de decuriones. Een onbekend weldoener besteedde 6.000 HS aan de verfraaiing van de tempel van Isis en Serapis in Nemausus. Bij de inwijding vond er een uitdeling plaats, waarbij aan de decuriones Nemausium et ornamentarii elk 5 denarii werd gegeven[649]. Aangezien de ornamentarii hier als een aparte categorie worden opgesomd en dit het enige voorbeeld is van een uitdeling waarin de ornamentarii delen, lijkt het ons dat het eerder uitzonderlijk was dat ornamentarii een even groot deel kregen als de decuriones. We weten bijvoorbeeld ook dat de decuriones van Venafrum het recht hadden om gratis gebruik te maken van het water dat per aquaduct werd aangevoerd, terwijl de gewone, of liever ambtloze, burgers hiervoor dienden te betalen[650].
Verder bezaten decuriones op het vlak van de rechtspraak allerlei voordelen. Zij konden bijvoorbeeld niet ter dood gebracht worden, tenzij in uitzonderlijke gevallen, zoals oudermoord. Bij een dergelijke misdaad werd op deze regel een uitzondering gemaakt[651]. Verder konden de decuriones bepaalde straffen niet krijgen, zoals mijnarbeid (ad metallam), verbranding, veroordeling tot de wilde dieren (ad bestias) en andere straffen die beneden hun waardigheid waren zoals kruisiging, tuchtiging en foltering. Zij behoorden immers tot de honestiores en die werden op een andere manier behandeld en bestraft dan de gewone bevolking die werd aangeduid met de term tenuiores[652]. Dit voorrecht gold overigens ook uit voor de kinderen en oudersvan de decuriones[653]. Het lijkt ons echter onwaarschijnlijk dat al deze voorrechten van de ordo decurionum ook behoorden bij het pakket rechten dat men verkreeg wanneer iemand de ornamenta decurionalia werd verleend[654].
1.2 Ornamenta van municipale magistraten
Net als de decuriones beschikten ook de diverse municipale magistraten over diverse tekenen van hun waardigheid die hun vooraanstaande positie en hun macht tot uitdrukking moesten brengen. Net als bij de ornamenta decurionalia zullen we hier de diverse wetteksten en het beschikbare epigrafische materiaal naast elkaar zetten.
Een eerste voorrecht van de magistraten was dat zij de toga praetextata mochten dragen[655]. In de Lex Coloniae Genetivae wordt dit recht opgesomd samen met het recht op fakkeldragers[656]. Een andere verwijzing naar het feit dat de municipale magistraten de toga praetextata droegen, vinden we bij Livius[657]. Ook in een inscriptie uit Afrika is sprake van dit recht[658].
Net als de decuriones hadden de diverse municipale magistraten daarnaast het recht op gereserveerde plaatsen bij toneelvoorstellingen, gladiatorengevechten en andere spelen. Daarbij kregen de magistraten nog het recht op een ambtszetel, de sella curulis[659].
Als laatste punt hadden de verschillende municipale magistraten recht op verschillende bedienden[660] die diverse taken voor hen verrichtten. In de Lex Coloniae Genetivae of Lex Ursonensis worden deze bedienden opgesomd per ambt. Zo blijkt dat een duumvir recht heeft op twee lictoren (lictores), een dienaar (accensos), twee schrijvers (scribae), twee boodschappers (viatores), een klerk (librarius), een heraut (praeco), een haruspex en een fluitspeler (tibicen). De aediles dienden met iets minder personeel tevreden te zijn. In tegenstelling tot de duumviri hadden deze slechts een scriba. Verder hadden zij geen lictores, viatores of librarii. Ook kregen zij geen dienaars. Net als de duumviri konden zij dan weer wel beschikken over een praeco, een haruspex en een tibicen. Bovendien kregen zij de beschikking over 4 gemeenteslaven[661]. In de tekst staat de vermelding dat zij “cum cincto limo” zijn, met omgebonden voorschoot[662].
Maar hetgeen ons hier interesseert zijn de ornamenta decurionalia. De diverse personen die de ornamenta van municipale magistraturen hebben verkregen, zullen hier niet aan bod komen. Zij hebben vermoedelijk een ander sociaal profiel dan de personen die de ornamenta decurionalia ontvingen. Verder onderzoek moet dit uitwijzen.
b) “Consideraciones sociales acerca de los ornamenta muncicipales con especial referencia a los libertos”[663]
1.1 Inleiding
In dit stukje zullen we kort hebben over het artikel dat J.M. Serrano Delgado geschreven heeft over de municipale ornamenta, en dat een nieuwe kijk op het fenomeen gaf. Wat hem vooral interesseerde was het definiëren van de status van de personen die begiftigd zijn met deze ornamenta en hun integratie in de politieke dynamiek van de stad of van de gemeente[664]. Delgado’s definitie van en idee over de functie van de ornamenta, namelijk de eervolle toekenning van zichtbare elementen en voorrechten van decuriones en eventueel van magistraten of priesters aan diegenen die het ambt in kwestie niet bezitten of niet gekwalificeerd zijn om het uit te oefenen, stemt overeen met hetgeen we hiervoor reeds hebben uiteengezet, namelijk met de traditionele visie, maar toch heeft hij een aantal bedenkingen bij de algemene idee over ornamentarii. Maar hoewel zijn opzet goed is, maakt hij naar ons inzien de fout, om de diverse soorten municipale ornamenta die bestaan, als een homogene groep te behandelen. Hij vermengt met andere woorden de ornamenta decurionalia enerzijds met de ornamenta duoviralia en aedilicia anderzijds. Het was beter geweest dat hij een onderscheid had gemaakt aangezien beide groepen toch niet zo verwant en gelijkend zijn. Wij zullen hier in elk geval wel het onderscheid maken, maar we behandelen in het kader van onze studie van de decuriones adlecti enkel de ornamenta decurionalia.
Hoe ging Delgado nu te werk? Voor zijn onderzoek verzamelde hij aan de hand van de CIL en de Année Épigraphique 82 inscripties uit het ganse Romeinse Rijk waar ornamenta op voorkomen. Van deze inscripties gebruiken wij er echter 21 niet, om uiteenlopende redenen[665]. Toch heeft Delgado niet van al het materiaal dat beschikbaar was, gebruikt gemaakt. We hebben aan de weerhouden 61 inscripties nog 9 inscripties toegevoegd die Delgado niet vermeldde (of niet kon vermelden) en die we zelf hebben opgespoord[666].
1.2 Wie was ornamentarius?
Delgado maakt in zijn artikel een eerste onderscheid tussen ingenui en liberti aan de hand van de vermelding van een filiatio of libertinatio. Op die manier bekomt hij 39 incerti en 35 certi, waarvan 21 ingenui en 14 liberti. Hij maakt daarbij wel de opmerking dat dit aantal ingenui groter wordt, wanneer men die personen opneemt die men op een indirecte manier als een inigenuus kan beschouwen, bijvoorbeeld doordat ze melding maken van uitgeoefende magistraturen. Anderzijds kunnen ook andere personen als liberti aangemerkt worden door bijvoorbeeld de vermelding van het ius IIII liberorum. Hij komt op deze manier tot een totaal van 31 ingenui en 18 liberti. Het aantal incerti is intussen geslonken tot 25[667]. Het grote aantal ingenui , één derde van de onderzochte groep, valt inderdaad op. Dit wijst er volgens Delgado op dat de wetten omtrent ornamenta niet strikt werden toegepast en aangepast werden aan de sociale en politieke gebruiken van de stad in kwestie[668].
Deze vaststelling wordt volgens ons omwille van twee redenen op losse schroeven gezet. Ten eerste maakt hij geen onderscheid tussen het oostelijke en het westelijke deel van het Romeinse Rijk. Indien we immers enkel de inscripties uit de oostelijke provincies zouden bekijken, merken we dat er geen libertus geattesteerd is[669]. In Italië en de Westelijke provincies zijn er nu nog 18 ingenui, 18 liberti en 24 incerti. Het overwicht van de ingenui is dus verdwenen. Het feit dat in de oostelijke provincies geen liberti te vinden zijn die de ornamenta ontvingen, doet vermoeden dat er een wezenlijk verschil is tussen oost en west wat betreft het gebruik van de ornamenta. Ten tweede heeft Delgado geen onderscheid gemaakt tussen ornamenta van de decuriones en die van magistraten. Wanneer we dit nu wel doen voor Italië en de Westelijke provincies bekomen we dat 14 ingenui, 17 liberti en 24 incerti de ornamenta decurionalia verkregen, terwijl de ornamenta van een aantal municipale magistraturen verleend werden aan 4 ingenui en 1 libertus.Dus ook als we dit onderscheid maken, wordt de theorie van Delgado aan het wankelen gebracht.
1.3 Waarom was iemand ornamentarius?
Delgado komt tot een aantal vaststellingen betreffende het gebruik van de ornamenta. Uit Philippi (Macedonia) bereikten ons 7 van de 14 oostelijke inscripties waarop ornamenta zijn geattesteerd. Van deze 7 ornamentarii zijn er 6 die effectief decurio en magistraat zijn geweest[670]. Ook in Baalbek (Syria) kan dit opgemerkt worden[671]. In Italië en de westelijke provincies is dit samengaan van het verkrijgen van de ornamenta en het decurionaat (plus eventuele ambten) echter veel zeldzamer[672] Delgado merkt dit terecht op en vermoedt dan ook dat de ornamenta in Philippi mogelijk gediend hebben als een voorbereiding op een carrière, als een soort van tussenstap. Hij stelt dat deze ingenui waarschijnlijk jongeren waren uit notabele families, wiens rol op deze manier een officiële bevestiging kreeg. Hij legt hierbij de link met de praetextati, die behalve in het Album van Canusium, verder in de epigrafie onbekend zijn. Ook deze positie zou slechts een voorbereidende stap zijn en aangezien er slechts een beperkt aantal zijn, is het niet meer dan normaal dat men leden van vooraanstaande families kiest. Delgado stelt zich dan ook de vraag of de ornamenta niet als synoniem dienden, als zij niet de evenknie konden zijn geweest van de Canusiaanse titel van praetextatus. Hij merkt wel zelf op dat dit in het licht van het aantal liberti niet waarschijnlijk is.[673] Toch schijnt hij uit het oog te verliezen dat het grootste aantal ornamentarii die carrière maakt in het oosten gesitueerd moet worden. In het westen is dit eerder uitzonderlijk en zijn ook de praetextati van het Album van Canusium geattesteerd.
Uitgaande van het voorbeeld van C. Caecilius Gallus[674] van Rusicade (Numidia) die de ornamenta van de functie van quinquennalis ontving en later effectief deze functie ging bekleden, ziet Delgado nog een andere functie van de ornamenta. Delgado vermoedt dat de ornamenta ook door de ordo gebruikt werden om belangrijke stadsgenoten met belangrijke functies aan de stad te binden omwille van hun fortuin en ervaring[675]. Nu kunnen we ons de vraag stellen: waarom de ornamenta verlenen en niet de functie zelf? Er zijn immers voorbeelden te vinden van quinquennales (om bij het voorbeeld van Delgado te blijven) die vervangen werden door praefecti en hun functie dus niet zelf hebben uitgeoefend[676]. Of – om bij het onderwerp van deze verhandeling te blijven – waarom hem niet als quinquennalicius adlecteren? Het is nu wel zo dat deze Caecilius geen echt grote carrière heeft uitgebouwd op rijksniveau. Daarom misschien verkoos men hem de ornamenta geven in plaats van een ambt en/of een plaats in de ordo decurionum.
In Gallia Narbonensis kent men het gebruik om aan ingenui die decurio zijn in een andere stad, de ornamenta toe te kennen. Een voorbeeld hiervan is Nemausus. Dit gebruik stemt overeen met een passage uit de Lex Coloniae Genetivae van Urso, die zegt dat de decuriones in de stadskern moeten wonen[677]. Deze uitwisseling van ornamenta zou volgens Delgado de relaties tussen de diverse steden en stedelijke elites weerspiegelen en mobiliteit toelaten[678]. Nu is het echter zo dat men decurio in meerdere steden kan zijn en dat men in meerdere steden functies uitoefent[679]. Voor het aanhalen van de relaties tussen diverse steden en elites lijkt de verlening van de ornamenta dus niet echt nodig geweest te zijn. Bovendien geeft Delgado zelf aan dat de wettelijke bepalingen in bepaalde gevallen soms nogal los werden toegepast[680].Het is inderdaad zo dat deze praktijk in Nemausus frequent voor kwam, maar of ze algemeen was, is niet direct duidelijk.
Soms was het zo dat de verlening van de ornamenta bedoeld was om een vader te eren of te troosten. Het kwam voor dat wanneer een jonge, veelbelovende jongeman vroegtijdig overleed, hij de ornamenta van het decurionaat of van een magistratuur ontving[681]. Dit alles gebeurde in honorem patris. Deze context bij de verlening van de ornamenta kan er op wijzen dat bij de ornamenta ook de locus sepulturae, impensa funeris, laudatio publica, statua en andere eerbewijzen behoorden[682].
Tenslotte kan het ook gebeuren dat de ornamenta aan ingenui werden verleend die door hun beroepsactiviteit geen decurio konden worden. Delgado haalt het voorbeeld aan van Q. Tucinatius Eros en P. Atilius Septicianus, beide grammatici Latini, met de ornamenta van respectievelijk Verona en Comum[683]. Dit zou ook het geval zijn bij medici. De auteur geeft in dit geval het voorbeeld van M. Val. M.f. Priscus, medicus legionis, bekleed met de ornamenta van het decurionaat[684]. Maar we beschikken over een voorbeeld van een grammaticus uit Beneventum die wel degelijk volwaardig decurio was[685]. Bovendien merkt S. Breuer op dat het beroep van grammaticus niet behoorde tot de aanstootgevende beroepen die iemand van opname in de ordo decurionum uitsloten[686].
1.4 Wat met de incerti?
Pas na al de voorgaande bespiegelingen buigt Delgado zich over de andere ornamentarii waarvan hij de status niet met zekerheid kon vast stellen[687], iets wat hij toch eerder had moeten doen. Er zijn een aantal argumenten en criteria die kunnen wijzen op een slavenachtergrond. Eerst en vooral is er het feit dat heel wat ornamentarii lid zijn van het college van de Augustales. Volgens de berekeningen van Duthoy behoren slechts ongeveer 15 % van de Augustalen die in hun naam hun status aangeven, tot de groep der ingenui[688]. Deze kennis kan men dan gaan combineren met de antroponymie. Binnen de ornamentarii incerti bevinden zich een aantal mensen wiens cognomen hun serviele afkomst verraadt[689]. Anderzijds is er ook één persoon die een activiteit uitoefent die hoofdzakelijk door vrijgelatenen waargenomen wordt[690]. Bovendien kan men vermoeden dat die personen die bepaalde colleges bevoordelen bij evergetische activiteiten zelf ook vrijgelatenen zijn[691]. Tenslotte geeft Delgado aan dat wanneer een zoon effectief decurio wordt en een vader slechts de ornamenta verkreeg, dit een aanwijzing is dat de vader een vrijgelatene is[692]. Wanneer we deze criteria toepassen, zien we dat we van ten minste 10 incerti met grote zekerheid kunnen zeggen dat het liberti zijn. Voor de ornamenta decurionalia zijn er nu nog slechts 14 ingenui meer, 27 liberti en 14 incerti. In het licht van deze gegevens kan men niet zeggen dat het traditionele beeld van de ornamenta decurionalia, als zouden vooral vrijgelatenen daardoor begunstigd worden (een idee die Delgado poogde te corrigeren), manifest verkeerd is. Het is wel zo dat eveneens een behoorlijk aantal ingenui ornamenta hebben verkregen en dat de ornamenta niet uitsluitend voorbehouden waren aan vrijgelatenen. Toch hebben deze laatsten een belangrijk overwicht.
Als laatste punt in zijn artikel behandelt Delgado de sociale aanvaarding van de vrijgelaten ornamentarii. Hij heeft het hier enerzijds over Plinius’ reactie op de verlening van de ornamenta praetoria aan Pallas, een vrijgelatene van Claudius. De auteur is namelijk niet te spreken over het feit dat een vrijgelatene de ornamenta krijgt van een functie waar hij de iure van uitgesloten is. Anderzijds vermeldt Delgado de Cena Trimalchionis van Petronius. Petronius schetst in zijn werk het beeld van een extravagante vrijgelatene. In diverse passages wordt diens pronkzucht aan de kaak gesteld. Verschillende personages zoals Habinas en Trimalchio zelf misbruiken ook de ornamenta. In dit werk schetst Petronius eigenlijk een ironisch beeld van een vrijgelatene die de privileges en insignia van vrijgeborenen misbruikt. Delgado gebruikt beide passages en geeft aan dat dit misprijzen wel eens de algemene gedachte kan geweest zijn. Dit zou volgens hem het geringe aantal ornamentarii liberti kunnen verklaren[693]. Nu hebben we reeds aangetoond dat er bij de verlening van de ornamenta decurionalia geen sprake is van een schaarste van liberti, eerder van een overwicht. Enkel in de oostelijke provincies komen geen vrijgelatenen voor die de ornamenta verkregen. Ook verkregen slechts weinig liberti uit het westen de ornamenta van een magistratuur. Bovendien spreekt Plinius over de Romeinse Senaat en is Plinius zelf een gevestigd lid van die Senaat. Hij verdedigt de privileges van zijn eigen stand en kan dus niet als een objectief warnemer gezien worden. Petronius schrijft daarentegen wel over de situatie op het municipale niveau. Maar het genre van zijn werk moet de lezer enige reserves doen innemen ten opzichte van de betrouwbaarheid. Het gaat hier immers over een satire, geschreven voor de elite, die zich amuseert ten koste van een andere groep, met een lager sociaal aanzien, namelijk de rijke vrijgelatenen. Het valt te betwijfelen of een dergelijk extravagant figuur als Trimalchio in werkelijkheid bestaan kan hebben. Satire is steeds overdreven. Misbruik van ornamenta kan natuurlijk wel bestaan hebben, en de aangehaalde voorbeelden zouden – in overdreven amte weliswaar – toch een bestaand gevoel kunnen weergeven.
Als besluit omtrent het artikel van Delgado over de municipale ornamenta kunnen we stellen dat het interessante en originele hypothesen bevat, maar gehypothekeerd wordt door de fout van Delgado om de ornamenta decurionalia en de ornamenta van de diverse municipale magistraturen samen te behandelen. Automatisch verkrijgt hij hierdoor een vertekend beeld dat hem naar een aantal veronderstellingen leidt die achteraf bezien onjuist waren.
c) Het sociaal profiel van de geattesteerde personen, en hun eventuele carrière op municipaal niveau.
1.1. Inleiding: het bepalen van de status en de problemen daaromtrent
Vooraleer we kunnen overgaan tot de bepaling van de status en de bespreking van het sociaal profiel van de personen die de ornamenta decurionalia hebben ontvangen, moeten we aangeven welke criteria we gebruikt hebben om de status van de verschillende individuen vast te leggen. We hebben ons hierbij gehouden aan de hierboven besproken criteria die reeds door Delgado gegeven werden.
Een eerste zaak waarop we gelet hebben bij de bepaling van de status is de aanwezigheid van een filiatio of een libertinatio[694]. Voor Italië vermelden 7 vrijgelatenen een libertinatio. Zes van hen zijn keizerlijke vrijgelatenen. Slechts 2 ingenui vermelden een filiatio[695]. In de westelijke provinciën vinden we eveneens 7 vrijgelatenen die een libertinatio vermelden. We vinden er ook 5 vrijgeborenen die hun filiatio vermelden[696]. Wanneer iemand geen filiatio of libertinatio vermeldt en wanneer zijn zoon of dochter, die eveneens op de inscriptie voorkomt, dit wel doet, hebben we vermoedelijk met een vrijgelatene te maken[697]. Ook wanneer de zoon municipale functies vermeldt, terwijl de vader dit niet doet, kunnen we te maken hebben met een vrijgelatene[698].
Een ander element dat kan wijzen op de status van vrijgelatene is het cognomen. Wanneer we te maken hebben met een Grieks cognomen is de kans groot dat we met een vrijgelatene te doen hebben[699]. Dit kunnen we combineren met een tweede element, zijnde de vermelding van het seviraat. Slechts 15 % van de gekende seviri zou vrijgeboren zijn[700]. Wanneer één persoon in zich deze beide elementen combineert, is de kans groot dat het gaat om een vrijgelatene[701].
Wanneer het beroep vermeld wordt, kan ook dit aanwijzingen geven betreffende de status van de persoon in kwestie. Een voorbeeld hiervan vinden we in Italië, waar P. Falerius Trophimus vermeldt dat hij venator is. Het lijkt er dan ook op dat deze een vrijgelatene is[702]. Een andere aanwijzing voor een status van vrijgelatene is de vermelding van het ius IIII liberi datum ab …[703] Wanneer iemand een municipale magistratuur vermeldt, is het zeker dat hij geen vrijgelatene is[704].
1.2 Het sociaal profiel van de ornamentarii
In de tabel hieronder geven we een overzicht van het sociaal profiel van de personen die bekleed zijn met de ornamenta van het decurionaat. Dit keer hebben we hierbij nog geen onderscheid gemaakt tussen Italië en de westelijke provincies. We willen namelijk eerst de algemene lijn vaststellen en naderhand nagaan of dit klopt voor zowel Italië als de westelijke provincies.
Er zijn in totaal 67 ornamentarii terug te vinden (die opgenomen zijn in tabel 3.28), waarvan bij 21 (ongeveer een derde van de ganse groep) de status niet met zekerheid achterhaald kan worden, hoofdzakelijk omdat het gaat over fragmentaire inscripties of omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn over de vraag of we al dan niet met een vrijgelatene of vrijgeborene te doen hebben. Toch valt dadelijk op dat net niet de helft (31 op 67) van de geattesteerde ornamentarii vrijgelaten is. Van deze groep behoort ongeveer een vierde (7 op 31) tot de groep van keizerlijke vrijgelatenen. De rest zijn gewone vrijgelatenen. De andere sociale groepen spelen slechts een beperkte rol. Ongeveer 20 % (13 op 67) behoort tot de gewone municipale elite en slechts uitzonderlijk is er een Romeins ridder geattesteerd die de ornamenta van het decurionaat verkreeg. Deze behoren allen tot de groep van honoraire equites die het municipaal niveau niet verlieten. Wanneer we de incerti even negeren wordt het overwicht van de vrijgelatenen op de twee andere sociale groepen alleen maar scherper.
Tabel 3.28 : Sociaal profiel van de personen bekleed met de ornamenta decurionalia
|
Status |
Aantal |
% 1[705] |
% 2[706] |
Status |
Aantal |
% 1 |
% 2 |
|
3 |
2 |
4,35 |
2,99 |
3.2 |
2 |
4,35 |
2,99 |
|
4 |
13 |
28,26 |
19,40 |
4.0 |
6 |
13,04 |
8,96 |
|
|
|
|
|
4.2 |
7 |
15,22 |
10,45 |
|
5 |
31 |
67,39 |
46,27 |
5.1 |
7 |
15,22 |
10,45 |
|
|
|
|
|
5.2 |
24 |
52,17 |
35,82 |
|
Totaal 1 |
46 |
100,00 |
68,66 |
Totaal 1 |
46 |
100,00 |
68,66 |
|
0 |
21 |
|
31,34 |
0 |
21 |
|
31,34 |
|
Totaal 2 |
67 |
|
100,00 |
Totaal 2 |
67 |
|
100,00 |
Het is bovendien heel opvallend dat geen enkele van de geattesteerde ornamentarii er is in geslaagd om op een of andere manier het municipale niveau te overstijgen. Dit is zeker een aanwijzing dat de personen aan wie de ornamenta werden verleend, in plaats van het decurionaat zelf, niet genoeg middelen en prestige bezaten om meer te verwerven dan deze ornamenta. Het feit dat een groot aantal van hen vrijgelaten is, is een andere aanwijzing.
Wanneer we nu het onderscheid maken tussen Italië en de provincies, zien we dat de ornamentarii ongeveer gelijk verdeeld zijn over deze twee gebieden. 32 ornamentarii komen voor in Italië en 35 in de provincies. Er lijken echter wel een aantal verschillen te zijn in het sociaal profiel van de Italiaanse ornamentarii enerzijds en de provinciale ornamentarii anderzijds.
In Italië (tabel 3.29) vinden we namelijk 33 inscripties met daarop 32 personen die aangeven dat zij de ornamenta decurionalia hebben gekregen. Wanneer we deze volgens status uitzetten in een tabel valt onmiddellijk het grote aantal vrijgelatenen op. Het overwicht is hier echter meer uitgesproken dan we daarnet voor de grote groep konden vaststellen. Wanneer we de incerti niet mee rekenen is zelfs net geen 80 % van de Italiaanse ornamentarii ooit slaaf geweest! Ook is het zo dat er geen ridders zijn aan wie de ornamenta zijn verleend.
Tabel 3.29: Sociaal profiel van de personen bekleed met de ornamenta decurionalia (Italië)