| Decurio adlectus decreto decurionum. De decuriones adlecti: uitverkorenen of alledaagse decuriones? Geadlecteerde decurionen in de lokale gemeenschappen van Italië en de westelijke provincies tijdens het Principaat. (Francisca Declerck) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
3. Het praktische luik: de epigrafisch geattesteerde decuriones adlecti
3.6 Het sociaal-economische aspect van de adlectio: de achtergrond van de geattesteerde decuriones adlecti
Waar wij in het vorige onderdeel het epigrafische bronnenmateriaal onderzocht hebben op aanwijzingen omtrent het institutionele kader van de adlectio als opnamemiddel in de ordo decurionum en de procedure van de adlectio, zouden wij in dit deel vooral aandacht willen hebben voor het sociale en economische kader waarbinnen de adlectio plaatsvond. Het is zo dat de geadlecteerden als lid van de gemeenteraad sowieso lid werden (als ze het al niet waren) van de honestiores, de elite binnen de gemeente. Maar binnen die groep stond niet iedereen op hetzelfde niveau; wij zouden willen achterhalen tot welk niveau onze adlecti behoorden. Hoe was het gesteld met hun financiële toestand (daartoe focussen wij op hun evergetisme), en hoe zat het met hun positie en aanzien binnen de gemeente? Om dat te weten te komen richten wij ons op de eerbewijzen die de decuriones adlecti vanwege de gemeente ontvangen hebben (bijvoorbeeld het krijgen van een funus publicus op kosten van de gemeente), omdat die toch al een kleine indicatie zijn voor het aanzien dat iemand genoot. Darnaast zullen wij ook specifiek kijken naar de familiale situatie van de decuriones adlecti: in welke mate behoren zij tot die families die het binnen de gemeente voor het zeggen hadden, en hoe lang behoren zij daar al toe, is er bij de adlecti soms sprake van sociale promotie of intergenerationele mobiliteit? Maar vooraleer dat te doen moeten we toch nog even aandacht besteden aan een speciale categorie binnen de decuriones adlecti, namelijk die gemeenteraadsleden die reeds op zeer jonge leeftijd in de ordo decurionum zijn opgenomen.
a) De leeftijd van de geattesteerde decuriones adlecti: kinderen als decurio adlectus
Iets waar al vaak op gealludeerd is, maar wat nog nooit echt in detail is uitgewerkt, is het feit dat behoorlijk wat van de geattesteerde decuriones adlecti jong, sommige zelfs heel jong waren op het moment van hun opname in de ordo decurionum[544]. 12 decuriones adlecti zijn namelijk zeker op jonge leeftijd tot de gemeenteraad toegelaten, waarvan slechts één uit de provincies[545]. Van vijf van hen kennen we de precieze leeftijd op het moment van de adlectio: P47 was 17 jaar oud, P14 was er 8 en P69 nauwelijks 6; P39 was nog jonger: op vierjarige leeftijd maakte hij reeds deel uit van de ordo decurionum. In de provincies vinden we P54 terug, die – samen met het sacerdotaat en het aedilitaat – het decurionaat heeft verkregen toen hij 14 jaar oud was. De andere zeven vermelden niet hun leeftijd op het moment van de adlectio maar we kunnen toch uit de inscriptie afleiden dat ze nog jong waren op het moment van hun opname. P59 werd als infans geadlecteerd, P36 stierf op achttienjarige leeftijd, P33 werd 21 jaar oud, P60 nauwelijks 13. P50 heeft maar 5 jaar geleefd, P53 en P79 respectievelijk 17 en 24 jaar. Die waren voor die tijd al allemaal decurio adlectus en moesten dus voor de wettelijk toegelaten leeftijd in de ordo decurionum zijn opgenomen. Maar wat was die wettelijk toegelaten leeftijd? Waar die in de Republiek nog dertig was, was die in het principaat reeds gezakt tot 25: dat was de aetas minima om één van de lagere magistraturen aan te vatten en zodoende ook opgenomen te worden in de ordo decurionum[546]. Alle adlecti die we zonet hebben opgenoemd, zijn voor die leeftijd geadlecteerd en voldeden om die reden al niet aan één van de voorwaarden om decurio te worden. De adlectio zou in deze context dan ook kunnen slaan op het feit dat mensen (jongeren) die anders (nog) niet in de ordo zouden mogen opgenomen worden, nu wel als gemeenteraadslid geadlecteerd worden.
In hoeverre hebben deze mensen nu een carrière uitgebouwd na hun adlectio? In hoeverre was het de bedoeling een carrière uit te bouwen, maar is dat verhinderd door een vroegtijdige dood? Van één persoon weten we welhaast zeker dat hij voorbestemd was om een mooie municipale carrière uit te bouwen, en dat is P33. Deze decurio adlectus – die nauwelijks 21 jaar is geworden – was op het moment van zijn overlijden flamen designatus van de cultus van Vespasianus, een ambt typisch voor mensen die nog aan het begin van hun carrière stonden. Maar die verdere carrière is er bij deze man omwille van zijn overlijden nooit gekomen. Ook P79 zou wellicht daartoe gekomen zijn, ware het niet dat hij ook op vierentwintigjarige leeftijd overleden is. Na zijn adlectio in ordinem decurionum is hij duumvir geworden[547] (het is niet zeker of hij daartoe de andere ambten van de cursus honorum heeft doorlopen), waarna hem nog het quinquennaliaat stond te wachten, wat hij niet heeft bereikt, misschien door zijn overlijden. Er is ook nog P14 die na zijn adlectio in ordinem decurionum eventueel nog aedilis zal geweest zijn, maar verder geen ambten heeft uitgeoefend, wat wellicht opnieuw te wijten is aan een vroegtijdig overlijden. We beschikken ook nog over één speciaal voorbeeld, namelijk P39 die bijzonder vroeg in de ordo decurionum is opgenomen, namelijk op vierjarige leeftijd. Daarna heeft hij zich niet verder op het uitbouwen van een carrière op municipaal vlak toegelegd, maar is ruiter geworden in het Romeinse leger. Misschien was het wel de bedoeling dat deze jongeman na zijn legerdienst opnieuw naar zijn geboorteplaats zou terugkeren, als decurio zou zetelen en vanuit die positie een carrière zou uitbouwen. Maar opnieuw is het zo dat dit scenario niet kon uitgevoerd worden doordat P39 stierf (sneuvelde?)[548].
Twee andere decuriones adlecti die op jonge leeftijd in de ordo decurionum zijn opgenomen, zijn er wel in geslaagd een heel mooie carrière uit te bouwen nin hun gemeente: P59 in Ostia en P54 in Septimia Vaga. Beide hebben een heel mooie carrière uitgebouwd, ondanks hert feit dat die weinig traditioneel begonnen is. P54 was decurio adlectus en heeft op veertienjarige leeftijd het aedilitaat verkregen, samen met het religieuze ambt van sacerdos[549] om later praefectus iure dicundo, duumvir, duumvir quinquennalis en zelfs flamen perpetuus (het hoogst geachte en om die reden niet voor iedereen beschikbare ambt binnen een Afrikaanse gemeente) te worden. Jammer genoeg weten we van die laatste ambten niet of deze persoon gewacht heeft deze te bekleden tot hij daarvoor de juiste leeftijd had, of daar ook al vroeger aan begonnen is. Ook voor P59, decurio adlectus als infans en lid van de belangrijke familie van de Lucilii Gamalae, en net als P54 na het bekleden van een mooie carrière opgeklommen tot de hoogste municipale functie binnen de gemeente op bestuurlijk (praefectus Luci Caesaris Augusti fil. censoriae potestate) en religieus (pontifex sacris Volcanis) vlak, geldt dezelfde opmerking. Maar wat er ook van zij, of ze nu voor het bekleden van ambten gewacht hebben tot de minimumleeftijd of niet[550], het is zo dat deze mensen door op vroege leeftijd in de ordo opgenomen te zijn toch al een voorsprong hadden (zeker P59 uit Ostia, waar iedereen eerst in de ordo decurionum werd opgenomen alvorens een magistratuur uit te oefenen) op diegenen die pas later (meestal door het bekleden van een ambt) de ordo decurionum binnentraden, al was het maar dat dit decurionaat op jonge leeftijd hen prestige gaf dat ze in de “strijd” om ambten best konden gebruiken. De adlectio op jonge leeftijd moet op die manier een carrièreversnellend effect gehad hebben.
De andere decuriones adlecti die op jonge tot zelfs zeer jonge leeftijd in de ordo decurionum opgenomen zijn, zijn geen carrière gestart, maar opnieuw was het zo dat dit eerder aan een onverwachte gebeurtenis te wijten was dan aan onkunde[551]. Immers, waarom zou men anders deze jongeren opnemen anders dan omdat zij (of hun familie) aanzienlijke mensen zijn, die veel verdiensten hebben ten aanzien van hun gemeente of door hun aanwezigheid de ordo decurionum verrijken. Dat blijkt inderdaad zo te zijn wanneer we de sociaal-economische achtergrond van een aantal van deze jongeren bekijken. P59 en P14 tot twee van de belangrijkste families in de gemeente (respectievelijk de Lucilii Gamalae in Ostia en de Lucretii Valentes in Pompeii) met een lange (evergetische[552]) traditie. Ook P60 maakte deel uit van deze Pompeiaanse familie. De ordo decurionum hoopte wellicht door jonge leden van gevestigde families op te nemen de familie daardoor zo geëerd zou zijn[553] dat er nieuwe evergetische activiteiten zouden volgen en bovendien waren ze verzekerd van het feit dat een nieuwe generatie van de familie in de gemeente actief zal blijven. P69 was niet van een – sociaal gezien – erg hoog geachte familie, de Popidii, een in Pompeii behoorlijk gekende familie van vrijgelaten komaf. Ook de vader van 69 is een vrijgelatene en kan om die reden zelf niet in de ordo zetelen, maar liet – in naam van zijn zoon – dergelijke evergetische activiteiten verrichten dat de ordo decurionum omwille van die verdiensten zijn zoon heeft opgenomen in de ordo en zo de familie naar een hoger niveau tilde. Nog een laatste voorbeeld misschien: P36 moet ook een belangrijk figuur geweest zijn, of uit een belangrijke familie want bij zijn vroegtijdige dood kreeg hij een heel mooie begrafenis vanwege de gemeente, en zijn vader betaalde de kosten integraal terug. Het mag dus duidelijk zijn dat de jonge decuriones adlecti meestal uit respectabele families kwamen waarvan al veel mensen tot in de ordo decurionum zijn toegetreden en waarbij die opname fungeert als een eerbewijs voor de familie en als carrièreversneller[554], of uit vrijgelaten families met een zekere rijkdom om de familie op een hoger niveau te tillen. Ook in dat geval is de adlectio van een infans een eerbewijs aan de familie. Niets wijst er op dat er andere redenen zouden zijn om jonge decuriones op te nemen. Het zou natuurlijk kunnen dat men deze mensen opneemt als aanvulling van de ordo decurionum[555] maar zoals gezegd zijn daar weinig aanwijzingen voor. Bovendien – als men inderdaad krap zat aan decuriones – moeten er toch nog andere kandidaten zijn geweest dan kinderen van 6 jaar oud.
Misschien is het wel zo dat diverse redenen meespeelden bij de adlectio van deze jongeren in de ordo decurionum. Het bijkomend prestige voor zowel de ordo als de decurio en zijn familie zullen meegespeeld hebben[556], het eerbetoon aan ’s mans familie ook, maar eventueel kan toch ook een tekort aan andere kandidaten hebben meegespeeld. Misschien was het in het geval van opname van zonen ook wel zo dat de idee meespeelde dat hoe jonger de persoon in kwestie is opgenomen, hoe sneller hij de gewoonten en de mentaliteit van de elite over zou nemen, en wellicht speelt ook de idee van carrièreversnelling een rol[557].
Een laatste vraag die omtrent deze minderjarige decuriones adlecti nog moet beantwoord worden, is de vraag naar het karakter van hun lidmaatschap en -daar nauw mee verbonden- ook de vraag naar het verband met de praetextati die we kennen vanop het album van Canusium. Die praetextati van Canusium waren in elk geval geen volwaardige leden van de ordo decurionum. Ze waren opgenomen op het album en in de gemeenteraad als een soort potentiële reserve, als toekomstige decuriones[558]. Toch beschikten ze al over een aantal privileges van de decuriones en mochten ze, als een voorbereiding op hun latere rol, de vergaderingen van de ordo decurionum bijwonen[559]. De praetextati waren allemaal jonger dan 25, vaak verbonden aan de belangrijkste families van de stad, en beantwoorden aan de in de Digesten vastgelegde wettelijke minimumleeftijd waarop men decurio mocht worden: ze zijn jonger dan vijfentwintig en nog geen decurio[560]. De Digesten laten overigens de mogelijkheid dat iemand vroeger decurio zou worden, open maar stellen dat deze persoon dan wel de sportulae mocht ontvangen bij uitdelingen maar niet mocht stemmen[561].
Natuurlijk blijven deze Digesten wetten en men kan zich altijd afvragen in hoeverre deze in de dagdagelijkse realiteit zijn nagevolgd. De groep van de minderjarige geattesteerde decuriones adlecti toont op het eerste zicht niet echt veel gelijkenis met deze regels. Niet alleen zijn personen onder de toegelaten leeftijd in de ordo decurionum binnen getreden, sommigen van hen hebben zelfs magistraturen bekleed op jongere leeftijd, waardoor het moeilijk vol te houden is dat deze personen geen volwaardige decuriones zouden zijn. Het lijkt op het eerste zicht bizar dat een kind van vier jaar als gemeenteraadslid zetelt en wellicht was het ook zo dat zij niet op alle vergaderingen aanwezig waren, vanzelfsprekend op deze jonge leeftijd het woord niet namen en niet stemden. Maar het feit dat een deel van hen op zijn minst duidelijk voorbestemd is om of inderdaad erin geslaagd is een carrière uit te bouwen, wijst er toch op dat zij niet zomaar als meelopers werden geadlecteerd en geacht werden uit te groeien tot volwaardige decuriones. In elk geval was het zo dat deze kinderen als volwassenen werden beschouwd[562].
Wat is dan hun band met de praetextati van Canusium, die op een soort wachtlijst lijken te staan? Met deze praetextati lijkt de groep van minderjarige decuriones gemeen te hebben dat zij onder de toegelaten leeftijd zijn opgenomen, maar waar de praetextati toch moeten wachten tot zij 25 waren om daadwerkelijk in de ordo decurionum van Canusium te kunnen zetelen als volwaardig decurio en op die manier voldeden aan de wetten die in de Digesten zijn vastgelegd, schijnen de minderjarige decuriones adlecti (toch zeker zij die op jonge leeftijd reeds magistraturen hebben bekleed) ons toch –voor zover mogelijk was voor kinderen- volwaardige leden van de ordo decurionum te zijn. Of misschien was het zo dat ze niet mochten meestemmen maar in tegenstelling tot de praetextati wel al het woord konden nemen voor ze de leeftijd van vijfentwintig hadden bereikt[563].
b) De evergetische activiteiten van onze decuriones adlecti: in hoeverre waren zij weldoeners voor hun gemeente?[564]
Bij het onderzoek naar evergetisme en evergetische activiteiten wordt altijd een onderscheid gemaakt tussen een aantal soorten evergetisme. Het belangrijkste onderscheid dat men maakt is dat tussen het evergetisme ob honorem en ob liberalitatem. Eerst en vooral is er het evergetisme ob liberalitatem, waaronder men het vrije[565] evergetisme en het funeraire evergetisme kan onderbrengen. De schenker geeft iets uit vrije wil, zonder daarbij enig doel voor ogen te hebben. Daarnaast bestaat ook nog het evergetisme ob honorem, waaronder men bijvoorbeeld het evergetisme van municipale magistraten met als de voornaamste drijfveer het verwerven van ambten kan catalogiseren. Men schenkt in dit geval ofwel naar aanleiding van het verwerven van ambten ofwel om ambten te verkrijgen[566]. Het is hier nu niet de plaats om verder door te gaan over de diverse soorten evergetisme en de verschillende redenen waarom bepaalde leden van de Romeinse samenleving overgingen tot schenkingen ten gunste van de gemeenschap. Wij zullen hier in de eerste plaats het evergetisme van de decuriones adlecti bespreken, namelijk wat ze gaven en –misschien nog belangrijker- waarom ze iets gaven. Het is hierbij interessant om te onderzoeken of er bij sommige decuriones adlecti een verband bestaat tussen het evergetisme en hun adlectio in een ordo decurionum.
We beschikken over informatie betreffende de evergetische activiteiten van 17 decuriones adlecti uit Italië (of ongeveer zo’n 22,67 % van alle Italiaanse adlecti) en van 7 uit de westelijke provincies (wat overeenstemt met 30,43 % van alle provinciale adlecti). Samen stonden deze in voor respectievelijk 44 en 11 onderscheiden giften. Deze evergeten behoren allen tot de gewone municipale elite, op vijf na die honoraire equites zijn en één vrijgelatene[567].
De begunstigde van de giften is bijna altijd de volledige municipale gemeenschap. Het gebeurt uiterst zelden dat bijvoorbeeld enkel een college kon genieten van zo’n evergetische daad: slechts één adlectus heeft ooit een schenking gedaan aan een college. P56 schonk in de eerste helft van 2de eeuw pc namelijk een standbeeld van Traianus aan het college van de Augustales[568].
Wanneer we nagaan wat door de adlecti het meest gegeven werd (zoals is uitgewerkt in tabel 3.27), moeten we vaststellen dat consumptiegoederen (bijvoorbeeld een uitdeling van crustulum en mulsum) verreweg het populairst waren, aangezien 41,82 % van de geattesteerde giften tot deze categorie behoren. Op de tweede plaats staan de religieuze infrastructuurwerken die 27,27 % van de geattesteerde giften uitmaken. De meer wereldlijke infrastructuurwerken staan met 21,82 % van de giften op de derde plaats. Het blijkt tenslotte dat er slechts weinig onbepaalde giften zijn, nauwelijks 9,09 % van alle geattesteerde giften.
Wanneer we een gedetailleerder onderscheid maken tussen de soorten giften, merken we dat schenkingen van religieuze aard veruit het meest gegeven werden. De familie der Lucilii Gamalae spant daarbij echt wel de kroon. P58 bouwde niet minder dan 5 tempels, voor Volcanis, Venus, Fortuna, Ceres en Spes. P59 herstelde de tempels van Castor en Pollux, van de pater Tiberina en van Venus. Bij deze personen gaat het over dus telkens over het optrekken of herstellen van gebouwen. Bij andere schenkers blijkt dat er meer sprake is van iets bescheidener giften, meestal in de vorm van standbeelden en altaren. P34 bijvoorbeeld schenkt een standbeeld van de Genius van de gemeente en trekt daar zes pond zilver voor uit. P5 schenkt ook twee zilveren standbeelden. De vrijgelatene P92 en zijn zoon P37 schenken samen een altaar. Tenslotte is er ook nog P 49 die in de eerste helft van de derde eeuw pc een tempel en een standbeeld heeft opgericht voor de Genius van zijn stad, Rusuccuru.
Op de tweede plaats staan dan drie verschillende soorten giften: de wereldlijke infrastructuurgiften ten bate van de gemeenschap, de ludi en munera en de uitdelingen –opnieuw ten bate van de gemeenschap- met elk een aandeel van 16,98 %. Ten eerste heb je daar dus de giften die verband houden met de wereldlijke –gemeentelijke- infrastructuur. Een voorbeeld daarvan uit de westelijke provincies is P94, die als geschenk aan zijn gemeente een porticus liet bouwen met een prijskaartje van 12.000 HS. P42 liet een kunstmatig meer aanleggen. In Italië zijn opnieuw de Lucilii Gamalae uit Ostia vertegenwoordigd. P58 vermeldt op zijn inscriptie namelijk drie verschillende giften die tot deze categorie gerekend kunnen worden, waaronder bijvoorbeeld de bestrating van een weg. P59 zorgde voor de herstelling van drie profane gebouwen. En in Veii herstelde P31 “maar” een standbeeld.
Tabel 3.27 : Evergetische activiteiten vanwege de decuriones adlecti in Italië en de westelijke provincies[569]
|
Soort gift |
Aantal |
% |
Soort gift |
Aantal |
% |
|
Infrastructuur |
12 |
21,82 |
1.1 |
9 |
16,36 |
|
|
|
|
1.2 |
1 |
1,82 |
|
|
|
|
1.3 |
|
|
|
|
|
|
1.4 |
2 |
3,64 |
|
Consumptie-goederen |
23 |
41,82 |
2.1 |
10 |
18,18 |
|
|
|
|
2.2.1 |
9 |
16,36 |
|
|
|
|
2.2.2 |
|
|
|
|
|
|
2.3.1 |
4 |
7,27 |
|
|
|
|
2.3.2 |
|
|
|
|
|
|
2.4 |
|
|
|
Onbepaald |
5 |
9,09 |
3. |
5 |
9,09 |
|
Religieuze infrastructuur |
15 |
27,27 |
4.1 |
15 |
27,27 |
|
|
|
|
4.2 |
|
|
|
Totaal |
55 |
100,00 |
Totaal |
55 |
100,00 |
Ook diverse soorten ludi en munera zijn geattesteerd als gift van adlecti-evergeten. Zo bijvoorbeeld toneelspelen: P8 bijvoorbeeld organiseerde dergelijke spelen naar aanleiding van het feit dat hij het flaminaat had verkregen. Of gladiatorenspelen: die komen verreweg het meest voor. Opnieuw P58 organiseerde ludi, P14 organiseerde gladiatorengevechten en venationes: “cum patre gladiatorum XXXV paria c[um ---] legitima venatione dedit”. Ook P20 organiseerde een venatio. De andere Lucilius Gamala, P59, organiseerde tevens een munus gladiatorum en P87 stond in voor de organisatie van een “spectaculum V [paribus]”. P5, ook uit Ostia, fungeerde als organisator van een driedaagse van spelen, ter ere van de inhuldiging van twee standbeelden die hij had laten optrekken. In de westelijke provincies zijn er ook twee adlecti geattesteerd die donaties hebben gedaan aan hun gemeente in de vorm van dergelijke spektakels en die we dus ook tot deze categorie kunnen rekenen: P45 organiseerde ludi scaenici en P 81 werd geëerd “ob praecipiam eius in edendis spectaculis liberalitatem”.
Verder zijn er nog de uitdelingen van voedsel en geld. In de provincies kennen we daar maar één voorbeeld van: P62 schonk aan zijn gemeente 50.000 HS en de intrest daarvan moest elk jaar voor een uitdeling worden aangewend. De enige begunstigden van deze gift waren echter de decuriones, dus alleen de elite van de gemeenschap kon meegenieten. In Italië komen al iets meer dergelijke uitdelingen voor. P34 bijvoorbeeld gaf bij de inhuldiging van een inscriptie 20 HS aan elke mannelijke inwoner van de stad en organiseerde daarnaast ook een maaltijd. En bij een andere gelegenheid, namelijk naar aanleiding van de inhuldiging van een beeld dat hij aan de stad schonk, organiseerde hij een gelduitdeling waarbij hij aan de patroni en de decuriones van de stad elk 100 HS gaf en aan de gemeentedienaars elk 50 HS. Het gewone volk kreeg sportulae en een maaltijd voorgeschoteld. Ook P51 organiseerde bij de inhuldiging van een inscriptie een uitdeling voor de decuriones, die elk 20 HS kregen. P58 organiseerde dan weer op drie verschillende gelegenheden prandia en een epulum, terwijl P87 aan het volk crustrum et mulsum et spor[tulas] schonk.
We hebben ook nog voorbeelden van andere soorten giften, maar die zijn slechts van ondergeschikt belang geweest. Slechts op 2 gelegenheden betaalden adlecti de kosten voor een eerbewijs aan hun mede-decuriones terug. P 20 bijvoorbeeld betaalde een deel van een monument dat op vraag van het volk voor hem werd opgericht uit eigen zak. En P19 betaalde een voor hem opgericht standbeeld terug. Ook schenkingen van sociaal-caritatieve aard zijn eerder zeldzaam bij onze geattesteerde decuriones adlecti. P58 schonk zijn stad wel 15.000 HS voor de oorlog tegen Sextius Pompeius, maar dat is dan ook de enige dergelijke gift die is geattesteerd in Italië. In de westelijke provincies tenslotte zijn 2 adlecti (met name P42 en P45) geattesteerd die een som geld gaven boven op hun (verplichte) summa honoraria. P94 schonk aan zijn gemeente een hoeveelheid graan.
Als laatste moeten we nog even wijzen op de onbepaalde giften. Welgeteld 5 adlecti worden in behoorlijk vage termen geëerd voor hun evergetisme: P19, P31, P46, P65 en P85. We kunnen niet achterhalen wat ze dan ook precies gedaan hebben voor hun gemeente en wat de aanleiding daarvoor was.
Als we nu dus kijken naar de kostprijs van een aantal giften, kunnen we zien dat de adlecti niet onbemiddeld moeten geweest zijn. De Lucilii Gamalae (P58 en P59) spannen bij dit alles wel de kroon. P58 heeft maar liefst dertien afzonderlijke giften op zijn naam staan, waaronder een schenking van niet minder dan 15.000 HS! Bovendien stond hij in voor de bouw van ten minste 5 verschillende tempels. Zelfs als het dan nog kleine gebouwen zouden zijn geweest, moet deze uitgave toch aanzienlijk zijn geweest en zwaar gewogen hebben op het fortuin van de man. Zijn jonger familielid, P59, is veel bescheidener in zijn giften. Hij bouwt niet veel nieuwe gebouwen bijvoorbeeld, maar laat ze op zijn kosten herstellen. Toch vermeldt hij op zijn inscriptie nog altijd acht duidelijk afgescheiden giften. Dit betekent dan ook dat deze 2 adlecti samen 21 van de 53 geattesteerde giften voor hun rekening hebben genomen!
Ook voor andere adlecti kan worden vastgesteld dat ze over een behoorlijk fortuin moeten beschikt hebben. P34 organiseerde bijvoorbeeld een uitdeling waarbij hij aan de decuriones en de patroni van zijn stad elk 100 HS gaf. Indien we aannemen dat de ordo decurionum gemiddeld honderd leden telde[570], moet dit hem dus minstens 10.000 HS gekost hebben! Bovendien gaf hij aan de gemeentedienaars nog eens elk 50 HS. Zelfs als deze groep met slechts een beperkt aantal was, moet ook dit behoorlijk wat geld gekost hebben. P51 gaf bij een uitdeling veel minder aan de decuriones, namelijk slechts 20 HS per persoon, maar toch moet dit hem, opnieuw uitgaande van een ordo van honderd personen, 2.000 HS hebben gekost. En voor P94 vinden we geattesteerd dat hij 12.000 HS betaalde voor een porticus die hij had laten optrekken ten voordele van zijn gemeente.
Bij een aantal adlecti is er een duidelijke link te leggen tussen hun evergetisme en hun adlectio[571]. P34 gaf naar aanleiding van zijn adlectio in ordinem quinquennalium een standbeeld dat de Genius van de gemeente moest voorstellen en dat was vervaardigd uit 6 pond zilver, en dan nog met een bronzen basis. P42 schonk zijn gemeente, Turris Libisonis een kunstmatig aangelegd meer en daarbovenop 35.000 HS naar aanleiding van zijn adlectio. P45 organiseerde ludi scaenices of toneelspelen, naar aanleiding van een onbekende honor of ambt. Bij de opsomming van ambten op de steen start deze man echter met zijn adlectio om te vervolgen met zijn aedilitaat en de andere functies die hij heeft bekleed. Het organiseren van de vermelde toneelspelen was volgens deze inscriptie blijkbaar de eerste evergetische activiteit van deze man. Later, voor zijn aedilitaat, gaf hij een extra som boven op zijn summa honoraria. De tweede plaats van het aedilitaat in beide opsommingen (die van de ambten en die van de evergetische activiteiten) kan erop wijzen dat zijn georganiseerde toneelspelen naar aanleiding van zijn adlectio in ordinem decurionum gehouden zijn. Tot slot is er nog P62, die 50.000 HS schonk boven op zijn summa honoraria.
Bij een aantal andere adlecti is de link tussen evergetisme en adlectio zelfs nog duidelijker. Hun adlectio was namelijk het gevolg van hun evergetisme, dus we hebben hier dan te doen met een evergetische activiteit ob honorem, met de (impliciete) bedoeling een ambt te verwerven. P46 bijvoorbeeld werd omwille van zijn munificentia -er wordt wel niet gepreciseerd wat deze inhield- gratis in de ordo decurionum opgenomen. En P69 bouwde de tempel van Isis op en kreeg daarvoor reeds gratis het decurionaat op zesjarige leeftijd, hoewel de drijvende kracht achter de restauratie zijn vrijgelaten vader was.
We kunnen dus besluiten met te zeggen dat de adlecti –of toch minstens een deel van hen- geen onbemiddelde mensen moeten zijn geweest. Hun evergetisme is echter toch niet van een dergelijke opvallende aard, dat we zouden moeten besluiten dat van hen, als adlecti, meer werd verwacht op vlak van evergetisme dan van de “gewone” decuriones, ook al zijn zij dan klaarblijkelijk op een andere manier in de ordo decurionum opgenomen. Overigens, onze 2 belangrijkste evergeten, de 2 Lucilii Gamalae, komen uit Ostia, waar de adlectio een haast alledaags verschijnsel was. Als besluit kunnen we dan ook zeggen dat het in elk geval niet zo was (of de inscripties laten het toch zo uitschijnen) dat alle adlecti evergetische activiteiten moesten bedrijven om hun opname in de ordo decurionum te vergoeilijken.
c) Met dank aan verdienstelijke personen: eerbewijzen ten gunste van decuriones adlecti
Net als aan andere verdienstelijke personen werden ook aan de decuriones adlecti (of aan sommigen onder hen dan toch) allerlei vormen van eerbetoon toegekend. Dit eerbetoon aan verdienstelijke personen was een essentiële taak van het gemeentebestuur en meer in het bijzonder de ordo decurionum en nam bovendien een centrale plaats in in het sociale leven van de gemeentelijke samenleving[572]. Het eerbetoon kon hierbij diverse vormen aannemen en de vindingrijkheid van de gemeenteraad blijkt groot te zijn geweest, te oordelen naar de diverse geattesteerde voorbeelden en de verschillende bestaande vormen van een dergelijk eerbetoon.
Een eerste mogelijke vorm om de erkentelijkheid van de gemeente ten overstaan van een verdienstelijk persoon te tonen, is de verlening van de ornamenta, of de eretekens en rangprivileges van magistraten en decuriones aan personen die deze normaal niet mochten voeren. Deze vorm van eerbewijs zal later in deze verhandeling nog aan bod komen, wanneer we de decuriones adlecti gaan vergelijken met de personen die de ornamenta decurionalia hebben verkregen, en daarom wordt er hier niet dieper op ingegaan.
Een vorm van eerbetoon die we wel kunnen terugvinden bij de decuriones adlecti, is de oprichting van een monument, standbeeld of inscriptie gefinancierd door de gemeente. Dit werd voor de decuriones adlecti verschillende keren toegepast. Zo verkreeg P8 een ruiterstandbeeld met bijhorende inscriptie[573]. P46 verkreeg dan weer een standbeeld en bovendien het decurionaat zonder daarvoor de summa honoraria te moeten betalen ob munificentiam eius[574]. P58 verkreeg 2 standbeelden, één verguld en één uit brons: “huic statua inaurata decretum decurionum pecunia publica posita est, item ahenea decretum decurionum pecunia publica”[575], terwijl zijn familielid P59 alleen een bronzen beeld verkreeg voor bewezen diensten aan de stad[576]. En nog een ander lid van de familie van de Lucilii Gamalae, P12 (de eques in het gezelschap), kreeg een standbeeld of een inscriptie omdat hij Ostia had verdedigd in de Romeinse Senaat (op de inscriptie wordt wel niet gespecificeerd wat hij precies kreeg) [577]. P14 uit Pompeii kreeg dan weer van de ordo decurionum, naast een staatsbegrafenis, ook nog een ruiterstandbeeld[578]. P20 uit Cumae kreeg op vraag van het volk twee standbeelden die telkenmale een tweespan uitbeelden. Uit dank betaalde hij de kostprijs van één beeld terug aan de stad[579]. In Volturnum is P51 geattesteerd, die een standbeeld of alleen een opschrift kreeg van de inwoners van zijn stad (uit de tekst van de inscriptie is namelijk niet direct duidelijk waarover het gaat). Naar aanleiding van de inhuldiging van het verkregen monument organiseerde hij een uitdeling voor de decuriones[580]. Een ander voorbeeld van een decurio adlectus die vanwege zijn gemeente een eerbewijs kreeg, is P19: deze man kreeg van de ordo decurionum van zijn gemeente, Ferentinum een standbeeld met bijhorende inscriptie[581], die bovendien op het forum werd geplaatst en de reden hiertoe was –zoals op één van de inscripties van deze man wordt vermeld- zijn uitzonderlijke vrijgevigheid. Tevreden met het eerbewijs betaalde hij aan zijn milde schenkers de kostprijs van het standbeeld terug. De verlening van het eerbewijs en de daaropvolgende gebeurtenissen zijn ons overigens bekend via een andere inscriptie waarin deze persoon geattesteerd is. P87 kreeg van de ordo decurionum van Cures Sabini een standbeeld of een inscriptie. Wat het precies was, is nogal onduidelijk omdat in de inscriptie enkel sprake is van iets dat geplaatst zou zijn met pecunia publica. In elk geval organiseerde deze decurio adlectus bij de inhuldiging van het onbekende monument een uitdeling[582]. De “decuriones et populus Foroclodienses praef(ecturae) Claudiae” plaatsen voor P34 omwille van zijn verdiensten een standbeeld of een inscriptie[583]. P31 tenslotte, adlectus inter centumviros van Veii, kreeg ook een standbeeld of een inscriptie ex aere conlato (wat letterlijk wil zeggen: uit ingezameld geld), dat is bijeengebracht door de inwoners en de ordo[584].
Ook in de westelijke provincies vinden we dergelijke vormen van eerbewijs ten opzichte van decuriones adlecti terug, maar toch wel in mindere mate (hier vinden we namelijk maar vier voorbeelden tegenover twaalf in Italië). In de thuisbasis van P81 werd door de ordo Vocontior(um) ex consensu et postulatione populi een inscriptie opgericht ter ere van hem, decurio adlectus van Lugudunum, omwille van zijn vrijgevigheid bij het geven van spelen[585]. De [spl]endidissimus et [f]elicissimus ordo col(oniae) Sufetan[ae] richtte voor P62 de van hem bewaarde inscriptie op, omwille van zijn verdiensten. Diens zoon, Q. Magnius Maximus, betaalde de kosten van het oprichten terug en organiseerde een uitdeling bij de inhuldiging van het monument[586].De ordo decurionum van Septimia Vaga bepaalde dat voor P54 een standbeeld, bekostigd door de stad, opgericht zou worden. Diens oudoom, Q. Agrius Iulius Maximus Felix, heeft vervolgens de kosten van het standbeeld terugbetaald[587]. Een laatste voorbeeld vinden we terug op een zwaar beschadigde inscriptie uit Thignica: daaruit kunnen we met moeite onderscheiden dat een onbekend eerbewijs plaats op het forum ter ere van P90[588].
Met deze vorm van eerbetoon hangt de plaatsing van een monument (of dit nu een standbeeld met inscriptie of een inscriptie alleen was) op een plaats die aangeduid was door de ordo decurionum samen. Vaak wordt dit eenvoudig aangeduid met de mededeling l(ocus) d(atus) d(ecreto) d(ecurionum). In Ostia werd hieraan de mededeling p(ublice) toegevoegd. De vermelding l.d.d.d. vinden we dan ook terug op een groot aantal inscripties[589]. De plaatsing van een inscriptie (met of zonder standbeeld) op het forum, het hart van de stedelijke samenleving, was ten zeerste gegeerd. Dit werd dan ook expliciet op de steen aangebracht. Zo zijn er de twee inscripties van P8, waarop het volgende te lezen valt: “statuam equestrem cum inscriptione ob amorem et industriam in foro ponendam pecunia publica decrevit”[590]. Een standbeeld van P58 werd aangebracht “proxume tribunalis quaestori”[591]. Beide gevallen situeren zich in Ostia, maar ook daarbuiten vinden we voorbeelden: zo kreeg P19 de toestemming om de plaats te kiezen van het standbeeld dat de ordo decurionum van Ferentinum voor hem ging plaatsen op het forum: “in foro, ubi ipse vellet”[592]. Het is echter niet noodzakelijk dat de inscriptie die het voorrecht geniet op een opvallende plaats te staan, opgericht wordt door de gemeente of de ordo decurionum. Een decreet dat een dergelijk voorrecht schonk, kon ook verleend worden in het geval van de plaatsing van een inscriptie door een vriend of familielid van de persoon in kwestie. Bij drie Ostiaanse inscripties kunnen we een dergelijke situatie aantreffen. Eén van de twee inscripties voor P18 werd bijvoorbeeld opgericht door Livia Marcellina, diens grootmoeder[593], de andere door T. Tinucius Sosiphanes[594]. De inscriptie voor incertus P84 werd opgericht door diens vader, T. Rubrius Eupator[595]. Ook in andere steden vinden we dergelijke gevallen geattesteerd. L. Nivellius Epigenes en Cornelia Ianuaria uit Praeneste richtten de inscriptie op voor hun overleden zoon, P17[596]. De inscriptie voor P6 werd opgericht door zijn ouders, C. Caelius Donatus en Bassaea Ianvaria[597], net als die van zijn broer, P7[598]. Iulia Verecunda richtte dan weer een inscriptie op voor haar echtgenoot,P65[599], terwijl in de westelijke provincies de erfgenamen van P11voor hem een inscriptie oprichtten[600]. Postum[---]nior tot slot richtte de inscriptie op voor P65[601].
Ook de verlening van een officiële begrafenis, op kosten van de gemeente, is een mogelijk eerbewijs voor de decuriones en vinden we ook geattesteerd voor onze decuriones adlecti. Van de 27 Ostiaanse decuriones adlecti kregen er 4 een funus publicus. P36 kreeg een officiële begrafenis met “honores omnes et turis ponderes XX”. Diens vader, tevreden met het eerbewijs, betaalde de kosten integraal aan de gemeente terug[602]. Ook P8 kreeg een funus publicus, naast andere eerbewijzen[603]. In dezelfde positie bevinden zich ook P58[604] en P59[605]. P14, decurio adlectus van Pompeii, verkreeg een “funera et locum sepulturae”, naast een aantal andere eerbewijzen[606].
Ook het patronaat kan gezien worden als één van de eerbewijzen die door een stad aan verdienstelijke personen wordt verleend. Voorzover bekend zijn echter slechts 4 decuriones adlecti aangeduid als patronus van hun stad[607]. Op de aard en de functie van het patronaat en op deze 2 figuren zijn we in een ander onderdeel van deze uiteenzetting dieper ingegaan.
Een laatste vorm van eerbewijs door de ordo decurionum dat we nog niet behandeld hebben in deze paragraaf, is de verlening van het decurionaat, via bijvoorbeeld de adlectio in ordinem decurionum, zonder dat daarvoor een summa honoraria betaald moest worden. Ook dit wordt in een ander onderdeel behandeld en daarom gaan we er hier niet verder op in. Ook op de adlectio in de ordo decurionum als dank voor evergetische daden (wat dan de reden van het eerbewijs zou zijn) zijn we in een ander onderdeel reeds ingegaan. Maar dat zijn dus allemaal ook vormen van eerbewijs aan decuriones wegens hun verdiensten ten opzichte van de gemeente.
Men werd echter niet alleen geëerd door de ordo decurionum zelf, men kon ook geëerd door de diverse colleges die in de Romeinse gemeenten actief waren. Zo is er de inscriptie van P5, die is opgericht door het corpus mercatorum frumentariorum van Ostia, en dit voornamelijk omwille van zijn activiteiten als quinquennalis perpetuus van het college[608]. P85 kreeg zijn inscriptie van het corpus mensorum frumentariorum[609], terwijl P14 dan weer van diverse beroepsgroepen van Pompeii, naast de eerbewijzen die hij reeds van de ordo decurionum had ontvangen (onder meer een ruiterstandbeeld), een aantal statuas pedestres kreeg[610]. De inscriptie van P23 te Brixia is opgericht door de collegia fabrorum et centonariorum, maar hij heeft de kosten op zich genomen (titulo usus). P52 tenslotte ,uit Misenum, kreeg een standbeeld van het collegium propolarum[611].
P93, de enige van onze decuriones adlecti die expliciet vermeldt dat hij vrijgelaten is, heeft nog een andere, hier nog niet aan bod gekomen, vorm van eerbetoon gekregen, namelijk het voorrecht van de bisellius, met andere woorden: hij werd bisellarius. Het is echter niet helemaal duidelijk van wie hij dit gekregen heeft: van de ordo decurionum waarin hij via adlectio was opgenomen, of van één of ander college?
Als besluit kunnen we zeggen dat –en dat is eigenlijk al duidelijk geworden via ons onderzoek naar de evergetische activiteiten van de decuriones adlecti- onze adlecti wel degelijk verdienstelijke personages waren binnen de context van hun gemeente (meestal hun geboorteplaats), getuige daarvan de vele eerbewijzen die de (belangrijkste onder de) decuriones adlecti te beurt zijn gevallen. Maar opnieuw geldt dat de eerbewijzen niet van die omvang waren dat zou blijken dat de adlecti sowieso tot de belangrijkste en meest aanzienlijk inwoners van de gemeente behoorden (er zijn er onder hen natuurlijk wel, zoals onder meer P58, P59 en P12, de drie Lucilii Gamalae). Maar de hier besproken eerbewijzen geven toch aan dat (minstens een deel van) de decuriones adlecti meer dan meelopers zullen geweest zijn in de ordo decurionum en de gemeente.
Een laatste, maar daarom niet minder belangrijk aspect omtrent de groep van de geattesteerde decuriones adlecti is de vraag naar hun herkomst, hun sociale en economische positie binnen de gemeente. Ongetwijfeld maakten onze decuriones adlecti als leden van de gemeenteraad en sommigen als magistraten deel uit van de municipale elite. Het is wel zo dat slechts weinigen – ook de meeste equites niet – hebben kunnen of willen overstijgen, maar binnen hun gemeente maakten de adlecti (ook de ambtslozen) deel uit van de toplaag of honestiores, hoewel niet ieder van hen behoorde tot de allerhoogste elite die binnen de gemeente de touwtjes stevig in handen hield[612]. Maar wellicht zullen niet alle families al even lang to die honestiores behoord hebben, het kan zijn dat een decurio adlectus bijvoorbeeld de eerste van zijn familie was die in de ordo decurionum (omdat de vader bijvoorbeeld een vrijgelatene was). Hoeveel van onze decuriones kunnen geclassificeerd worden als dergelijke homines novi? En hoeveel behoren dan weer tot de gevestigde families? Daarmee in verband staand moeten we ook aandacht hebben voor de speciale promotie die onze decuriones adlecti eventueel gekregen hebben: we beschikken bijvoorbeeld over twee vrijgelatenen (P92 en P93) die in de ordo decurionum opgenomen zijn: van beiden kunnen we zeggen dat de adlectio hen niet alleen binnen de politieke maar ook binnen een ruimere context van de gemeente heeft gepromoveerd. Waar zij vroeger (van P93 zijn we dat zeker) alleen aanzien konden verwerven door lid van de Augustales te worden, wat een surrogaat was dat hun onmogelijkheid om ambten te vervullen moest doen vergeten, werden P92 en P93 door hun opname in de ordo decurionum plots op een hoger elan binnen de gemeente geplaatst en kregen ze ongetwijfeld meer aanzien door tot de kern van de echte honestiores door te dringen, ook al hebben ze geen verdere ambten meer uitgeoefend. Deze twee vrijgelatenen bieden ons dan ook een uitzonderlijk mooi voorbeeld van sociale promotie. Zijn er nog te vinden binnen onze groep van 97 geattesteerde decuriones adlecti? En zijn er daarnaast ook voorbeelden te vinden van een andere vorm van promotie over de diverse generaties heen, met andere woorden intergenerationele mobiliteit? Of misschien is het wel zo dat onze adlecti binnen hun familie de aanzet hebben gegeven voor een dergelijke vorm van mobiliteit.
Van 50 geattesteerde decuriones adlecti[613] beschikken we over geen enkele relevante informatie betreffende hun familiale relaties en sociaal-economische achtergrond. Noch in hun inscripties, noch in andere bronnen wordt enige melding omtrent dit thema gemaakt. Nochtans zitten er enkele personen tussen die een heel mooie carrière hebben kunnen uitbouwen, sommigen zelfs buiten de gemeente[614]. Moeten wij gezien het feit dat geen andere leden van hun familie geattesteerd zijn of contextuele informatie ontbreekt, besluiten dat dit allemaal homines novi waren? Bijlange niet. Het zou wel kunnen dat een aantal van deze mensen inderdaad wel homines novi waren. Bijvoorbeeld P97, van wie Pflaum meent dat hij iemand was die niet uit een van de belangrijke families, uit de elite afkomstig zou zijn, maar die – wellicht door zijn rijkdom end e juiste connecties – vrij vlug door de elite geaccepteerd werd en dit bekroond zag met de adlectio in ordinem decurionum en een adlectio in quinque decurias[615]. Ook acht andere personen zouden eventueel de eerste van hun familie kunnen geweest zijn om in de ordo decurionum binnen te treden, hoewel ze – met uitzondering van P11 – waarschijnlijk niet het aanzien genoten van bijvoorbeeld een P97: P26, P28, P29, P65, P51, P52, P13 en P11 waren allemaal militairen die na een carrière in het leger zich vestigden in een stad en vervolgens erin slaagden zich te laten opnemen in de ordo decurionum en eventueel een carrière uit te bouwen. De meest opvallende is P11 die in het leger het gebracht heeft tot primuspilus en en na zijn afzwaaien als primipilaris op municipaal niveau (in Barcinum) opgenomen is in de gemeenteraad. Het zou best kunnen dat deze militairen uit een niet zo aanzienlijke familie kwamen en pas na hun legerdienst inde mogelijkheid verkeerden om een municipale carrière te ambieren (velen onder hen hebben nooit het decurionaat overstegen). Hoewel, er is al één uitzondering in deze groep van acht personen: P39 was reeds op heel jonge leeftijd (ter ere van zijn vader wellicht) geadlecteerd als decurio adlectus en zou wellicht na zijn legerdienst nog een aantal ambten hebben uitgeoefend in zijn gemeente, maar daarvoor is hij te vroeg overleden. Er is in elk geval nog één van de eenenvijftig personen die van lage – vrijgelaten ? – komaf zou zijn, met name P19[616]. Deze man die in Ferentinum het hoogste ambt van de cursus honorum bekleed heeft (als quattuorvir iure dicundo) geeft ons in zijn inscriptie een kleine aanwijzing omtrent het feit dat hijzelf of zijn familie gepromoveerd zou kunnen zijn. Naar aanleiding van de inhuldiging van een standbeeld ter ere van hem verstrekte hij de fondsen om elk jaar een uitdeling te kunnen organiseren waarbij ook de kinderen uit het plebs ook een kleinigheid zouden krijgen “sine distinctione libertatis”. Dit zou er misschien op kunnen wijzen dat deze man of minsten zijn familie zelf ook van slavenkomaf was. Dit is natuurlijk maar een gissing, maar van de meeste andere van de eenenvijftig die ons geen informatie verstrekken omtrent hun familie, is zelfs dat niet mogelijk. Zoals gezegd is het moeilijk te veronderstellen dat al deze personen homines novi zijn, vooral omdat we een aantal slechts kennen via erg fragmentaire of korte inscripties[617]. Daarom is het onmo