| Decurio adlectus decreto decurionum. De decuriones adlecti: uitverkorenen of alledaagse decuriones? Geadlecteerde decurionen in de lokale gemeenschappen van Italië en de westelijke provincies tijdens het Principaat. (Francisca Declerck) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
3. Het praktische luik: de epigrafisch geattesteerde decuriones adlecti
3.5 Het institutionele aspect van de adlectio in ordinem decurionum
a) De formulering van de adlectio: een onderzoek naar het epigrafische bronnenmateriaal en een uitdieping van de diverse knelpunten
We zijn nu al een hele tijd bezig over de decuriones adlecti, hebben al opgezocht in woordenboeken en naslagwerken wat de precieze betekenis van adlectio zou kunnen zijn en hebben een status quaestionis opgesteld van de diverse meningen omtrent adlectio in ordinem decurionum. Maar nog geen enkele keer hebben we de decuriones adlecti “zelf aan het woord gelaten”, dat wil zeggen gekeken hoe zijzelf op de inscriptie hun adlectio verwoorden. Om een voorbeeld te geven: wij hebben het nu al de hele tijd over “decuriones adlecti” maar is dat ook de term die op de steen zelf wordt gebruikt, door de tijdgenoten, of gebruiken zij ook of meestal andere bewoordingen? Of nog: we hebben in de status quaestionis al even de kwestie van de gratuïteit aangehaald en tijdens de prosopografische behandeling is duidelijk geworden dat een aantal decuriones adlecti gratis, zonder het betalen van een summa honoraria, in de ordo decurionum zijn binnengetreden. Hoeveel waren dat er ten opzichte van het totaal van de adlecti en wat zou de reden van die gratuïteit kunnen zijn: had die wel iets te maken met de adlectio? Een ander probleem dat al een aantal keer aangehaald is tijdens de prosopografische benadering en dat nu nadere uitdieping vraagt, is dat van de adlectio als de bekleding met een ambt: gaat het werkelijk om het ambt of om de rang van die ambtenaar in de ordo decurionum? Een aspect dat ook te maken heeft met de “formulering” of dat liever ook veel op inscripties verschijnt in het kader van de adlectio in ordinem decurionum zal in deze paragraaf niet aan bod komen, namelijk die decuriones die erbij vermelden dat ze op (vaak zeer) jonge leeftijd in de ordo decurionum zijn geadlecteerd. Deze personen en dit aspect van de adlectio, namelijk de leeftijd van de geattesteerde personen komen aan bod als we het sociaal-economische aspect van de adlectio in ordinem decurionum bespreken.
1.1. Gemeenteraadslid, magistraat of ex-magistraat?
Hoe wordt de adlectio op de steen vermeld? In Italië blijkt de overgrote meerderheid (61 van de 75 geattesteerde decuriones adlecti) gewoon als decurio adlectus opgenomen[313], tien van de 75 vermelden erbij dat ze door die adlectio een rang in de ordo decurionum toegewezen hebben gekregen: één heeft de rang van een lage ex-magistraat gekregen, namelijk de rang van aedilis (P71), drie zijn geadlecteerd als duumviralicius (P4, P23, P51) en maar liefst zes personen kregen de rang van ex-quinquennalis, de hoogste rang binnen de lokale cursus honorum! P10, P21, P22, P78, P87 en P97 zijn allecti inter quinquennalicii. Aan dat hoge aantal is het album van Canusium, met zijn vier quinquennalicii die geadlecteerd zijn, natuurlijk niet vreemd[314]. Vier Italiaanse decuriones adlecti stellen ons voor problemen: twee aediles adlecti uit Ostia (P32, P74), een quinquennalis adlectus (P34) en allectus quattuorvir quinquennalis (P19), omdat zij in plaats van een rang in de ordo decurionum het ambt zelf zouden hebben verkregen.
In de westelijke provincies leverde het doorzoeken van de diverse bloemlezingen van inscripties ons 17 gewoon als decurio geadlecteerde personen op[315] (op 23 geattesteerde individuen), en drie decuriones adlecti die binnen de gemeenteraad een bepaalde rang zijn toegekend: één persoon als quinquennalicius (P62) en twee als aedilicius (P91, P96). Eveneens drie personen zouden door de adlectio een bepaald ambt gekregen hebben: twee zijn allectus inter quinquennales (P94) of quinquennalis adlectus (P42), één is duumvir adlectus (P65).
Binnen de groep van de adlecti kunnen we dus drie categorieën onderscheiden: zij die door de adlectio het decurionaat hebben verworven, die we dus kunnen beschouwen als “de” decuriones adlecti, vormen de grootste groep: 81,33% in Italië en 74% in de provincies. Daarnaast zijn er nog diegenen waarbij de adlectio blijkbaar ervoor zorgde dat zij een rang binnen de ordo decurionum toegewezen kregen (Italië: 13,33%, provincies: 13%) en tot slot ook diegenen die door de adlectio een bepaalde magistratuur zouden hebben kunnen uitoefenen (in Italië zijn dat er 5, 33% van de geattesteerde decuriones adlecti, in de westelijke provincies 13%). Waar die eerste groep ons – althans voor wat betreft hun door de adlectio verkregen rang – voor weinig of geen problemen stelt, kunnen we dat voor de andere twee groepen niet zeggen. Die vereisen dat we hen wat meer in detail gaan bekijken.
EX-MAGISTRATEN
Ten eerste is er de groep van die adlecti die door de adlectio een bepaalde rang binnen de ordo decurionum krijgen[316]. Er bestaan nu niet direct grote onzekerheden omtrent deze groep, niet zoals bij diegenen die adlectus zijn en daarbij een ambt vermelden, maar er zijn toch verschillende mogelijkheden bij deze vorm van adlectio, en we zouden willen achterhalen wat van toepassing was op onze decuriones. Het kan namelijk zo zijn dat iemand nog geen decurio is, het wordt door adlectio en al onmiddellijk een bepaalde rang toegewezen krijgt. Maar het is eveneens mogelijk dat iemand wel al lid is van de ordo decurionum maar om de één of andere reden een hogere rang krijgt toegewezen, dat hij promoveert binnen de gemeenteraad zelf. Ook omtrent de reden van deze vorm van adlectio kunnen diverse mogelijke scenario’s bedacht worden. Zo kan het zijn dat een jong beloftevol iemand die aan zijn carrière wou beginnen een duwtje in de rug werd gegeven, door hem vooraleer hij ook maar één ambt had uitgeoefend in de ordo decurionum op te nemen én bovendien hem ook nog meteen de rang van een lage magistraat (bijvoorbeeld de rang van ex-aedilis of aedilicius) te schenken, om hem zo delen van zijn carrière te laten overslaan (hij kon zich als ex-aedilis namelijk rechtstreeks kandidaat stellen voor de volgende ambten in de cursus honorum). Of het kon gebeuren dat een verdienstelijk iemand die nooit carrière had gemaakt in de gemeente, omdat hij bijvoorbeeld op het moment dat de meeste mensen aan hun carrière begonnen (nog) niet aan de voorwaarden voldeed om het tot magistraat te schoppen, of omdat hij telkens af te rekenen had met sterkere kandidaten en ook daarbuiten (misschien via een lectio senatus ter vervanging van een overleden decurio) geen kans zag in de gemeenteraad te komen, op latere leeftijd dan toch nog de rang van ex-magistraat kreeg bij opname in de ordo decurionum (een opname die een eerbewijs was voor deze persoon en een erkenning). Het kon ook zijn dat deze man misschien als lid was van de ordo decurionum maar bijvoorbeeld nooit het ambt van duumvir had kunnen bekleden, en dat hij –als bewijs van erkentelijkheid- uiteindelijk toch die rang binnen de ordo decurionum krijgt. Of het kan gaan om iemand die buiten zijn gemeente een mooie carrière had uitgebouwd en van buitenaf zijn gemeente gesteund had zonder er zelf de magistraturen te hebben uitgeoefend, die dan (naar het einde van zijn carrière toe misschien) als blijk van genegenheid van zijn gemeente (en in de hoop dat er voor hen nog iets aan vast hangt, naast het prestige zich te kunnen beroepen op de aanwezigheid van een aanzienlijk man in de gemeenteraad) als ex-magistraat (liefst één van de hogere magistraturen natuurlijk) in de ordo wordt geadlecteerd.
Dat laatste lijkt heel erg het geval te zijn geweest voor tenminste één van de allecti inter quinquennalicii die op het album van Canusium voorkomen met name P10, eques en patronus van Canusium. Maar omdat we van deze man voor de rest nauwelijks iets weten (zijn verdere carrière, eventuele ambten op rijksniveau,…) kunnen we niet met zekerheid stellen dat zijn adlectio in de rang van quinquennalicius verlopen is zoals en om die reden die hoger beschreven staat. Wat de andere allecti uit Canusium betreft –allen leden van de municipale bourgeoisie[317]- betreft, daar weten we nog minder van. We vermoeden –zeker voor P21 en P22, die beiden behoorden tot gevestigde Canusiaanse families[318]- dat die wellicht wel een carrière zullen uitgeoefend hebben, maar dat op het moment dat zij zo ver waren dat ze het quinquennalitaat konden uitoefenen, op sterkere kandidaten botsten en genoegen moesten nemen met de rang van ex-quinquennalis, wat toch nog altijd niet zo hoog werd geacht als het daadwerkelijk uitoefenen van het ambt, getuige daarvan de hiërarchische rangschikking op het album. Nu, die van Canusium maken ons misschien niet zoveel wijzer, maar hoe zit het met onze andere voorbeelden?
Uit Italië en de westelijke provincies beschikken we over drie voorbeelden waarin adlectio gebruikt wordt om de carrière van iemand te versnellen door hem een bepaalde rang in de ordo decurionum te geven. Een incertus uit Carthago (P96) werd namelijk aedilicius adlectus om daarna nog een mooie carrière uit te bouwen als praefectus iure dicundo, duumvir en zelfs curator rei publicae. Gezien zijn nadien nog uitgeoefende carrière mogen we toch durven stellen dat deze persoon door adlectio in de ordo decurionum is binnengetreden en de rang van aedilicius heeft gekregen (van wie,) om zo zijn carrière te versnellen, door een stap in de cursus honorum over te kunnen slaan. Dat is ook zo bij P71, de enige aedilicius adlectus en zelfs de enige persoon uit Ostia[319] die via adlectio of in combinatie daarmee de rang van een ex-magistraat heeft gekregen[320]. Nu, dat versnellen van de carrière mag je voor deze man wel letterlijk nemen: als aedilicius is hij in hetzelfde jaar quaestor geworden om het jaar daarop al de titel van duumvir designatus te voeren. Een laatste wiens carrière door het principe van adlectio in de groep van ex-magistraten, hier de duumviralicii, is versneld, is P4[321]. Deze man die als decurio geadlecteerd is met de rang van duumviralicius en op zijn steen als onderdeel van zijn municipale carrière ook nog het quaestoraat en het censoraat vermeldt, heeft waarschijnlijk na zijn quaestoraat het decurionaat op zich genomen, maar heeft –op datzelfde moment of enige tijd later- de rang van duumviralicius erbij gekregen, om zo dat ambt zelf te kunnen overslaan en onmiddellijk censor te worden[322]. Dus bij drie van de dertien geadlecteerde ex-magistraten kunnen we de adlectio zien als een carrièreversneller.
Daarnaast zijn er drie anderen (P23, P87, P95) waarvan duidelijk is dat de adlectio beschouwd moet worden als een troostprijs, zo onder meer P87. Deze man heeft de volledige cursus honorum doorlopen in zijn gemeente, tot en met het quattuorviraat, dat hij zelfs drie maal heeft bezet. Vreemd genoeg is hij geen quinquennalis geworden[323]. Het enige dat hem daarvan weerhouden kan hebben, zijn sterkere tegenkandidaten. Door de ordo decurionum is hij –die door zijn ambten reeds wel in de ordo was opgenomen- dan maar geadlecteerd als quinquennalicius, met de ietwat ongebruikelijke toevoeging dat het voor eeuwig was, of in perpetuum. Meestal wordt deze term niet gebruikt voor het decurionaat, dat sowieso voor het leven was. Misschien is deze titel wel toegekend aan deze persoon als troostprijs voor het mislopen van het hoogste ambt van de gemeente[324].
Naast deze zes mensen en de vier van Canusium zijn er nog drie geadlecteerde ex-magistraten waar we niet zo goed weg mee kunnen, waar niet zo duidelijk is wat de reden is voor deze vorm van adlectio. Zo is er P62, die op zijn inscriptie vermeldt dat hij adlectus inter quinquennalicios was en flamen perpetuus, wat zou betekenen dat hij onmiddellijk de hoogste rang (quinquennalicius) en het hoogste religieuze (en eigenlijk zowat de hoogste functie die op municipaal vlak te vinden was) ambt (flamen perpetuus) van de gemeente zou bekleed hebben. Het zou nu natuurlijk wel kunnen dat hij voor deze twee nog andere ambten heeft uitgeoefend maar alleen de meest prestigieuze vermeldt, waaruit volgt dat hij dus al voor de adlectio al in de ordo decurionum opgenomen was. P51 was dat in elk geval niet want hij is adlectus in ordinem en inter duumvirales geworden op hetzelfde moment. De reden voor deze adlectio is hier wel niet meteen duidelijk hoewel het best zou kunnen dat deze man heel geliefd was bij de inwoners van de gemeente[325] en daarom tot duumviralicius is geadlecteerd. Voor de rest kennen we jammer genoeg de carrière van deze man niet. Een laatste twijfelgeval is P91, een man waarvan op de steen duidelijk zijn opname in de ordo decurionum en zijn adlectio tot aedilicius van elkaar gescheiden zijn: deze twee gebeurtenissen hadden overigens ook niet op hetzelfde moment, maar wel met een jaar tussen, plaats. Wat de reden is voor die latere adlectio komt niet duidelijk naar voren uit de inscriptie. Maar wat er ook van zij, het mag via de diverse voorbeelden duidelijk zijn dat aan de basis van adlectio in de rang van ex-magistraat (al dan niet in combinatie met de opname in de ordo decurionum) diverse zaken ten grondslag kunnen liggen: het kan bijvoorbeeld als carrièreversneller of als troostprijs, en van beide mogelijkheden vinden we op de inscripties en in de groep van de decuriones adlecti voorbeelden terug.
MAGISTRATEN OF EX-MAGISTRATEN?
Komen we nu bij een ietwat onduidelijke categorie van adlecti, namelijk zij die een bepaald ambt zouden verkregen hebben door adlectio en waarvan we in onze onderzoeksgroep over zeven voorbeelden beschikken[326]. Twee aediles, drie quinquennales, één duumvir en één quattuorvir quinquennalis zijn ons bekend[327]. Zoals reeds een aantal keer aangehaald in het kader van de prosopografische behandeling van de diverse individuen is het nooit echt duidelik geworden, is er nog steeds twijfel over de vraag of het in deze gevallen daadwerkelijk om de bekleding met een ambt dan wel om een opname in de ordo decurionum met de rang van ex-magistraat ging. De onderzoekers blijven verwikkeld in discussies omtrent dit thema. Zo bijvoorbeeld omtrent de twee aediles adlecti uit Ostia (P32, P74): waar Meiggs ervan overtuigd is dat het in dit geval om de bekleding met dit ambt gaat, stelt Mouritsen dat het hier wel degelijk om twee aedilicii gaat, maar beiden kunnen weinig overtuigende argumenten bovenhalen[328]. Maar misschien vinden we in de inscripties wel iets terug dat de één of andere stelling aannemelijker kan laten lijken.
Eerst kunnen we ter herhaling nog even enkele naslagwerken hanteren om te weten welke mening zij er over deze gevallen van adlectio op nahouden. De Oxford Classical Dictionary[329] om te beginnen meent dat adlegere wel degelijk kan gebruikt worden om de bekleding met een ambt aan te duiden. Maar dit komt wel maar een zeldzame keer voor: op de eerste plaats verwijst deze term naar de opname in een groep of vereniging. Ook drie andere naslagwerken (de Thesaurus Linguae latinae, de Realencyclopedie en de Dizionario Epigrafico) maken geen melding van de mogelijkheid om via adlectio met een municipaal ambt bekleed te worden. Meer zelfs, een aantal van de mensen die op hun inscriptie vermelden dat ze geadlecteerd zijn in een bepaald ambt, worden in de naslagwerken gewoon opgenomen als voorbeelden van decuriones adlecti, als mensen die in de ordo zijn opgenomen door adlectio[330].
Maar zijn daar eigenlijk aanwijzingen voor te vinden in de inscripties? Die geven ons weinige (en tegenstrijdige) informatie. De twee inscripties uit Ostia (I16 en I17) die reeds uitgebreid aan bod zijn gekomen tijdens de prosopografische behandeling leveren ons twee aediles adlecti op. De één is ook nog praetor sacris Volcanis geweest (P74); de andere (P32) vermeldt geen verdere of andere ambten. Het is nu maar de vraag of deze twee personen aediles waren of aedilicii, net als P71, wiens opname als aedilicius zoals we hoger gezien hebben een carrièreversnellend effect had. Voor P74 zou dat ook het geval kunnen zijn. Hij – die wellicht jong gestorven is – was praetor sacris Volcanis, een ambt voorbehouden aan jongeren. Het zou daar perfect mee te verzoenen zijn dat decuriones (de opname gebeurde decreto decurionum) hem zouden opgenomen hebben in de ordo en hem de rang van aedilicius zouden hebben gegeven om zijn carrière te versnellen. Hoewel het dan natuurlijk even logisch zou zijn om hem het ambt van aedilis zelf te schenken, zonder dat hij zich daarvoor moet kandidaat stellen en de verkiezingen winnen. Ook dat klinkt aannemelijk voor Ostia, een stad waar de ordo decurionum reeds vroeg de volksvergadering (waar traditioneel de magistraten werden verkozen) aan de kant had geschoven[331]. Dat zou dan wel betekenen dat deze man al decurio was (want in Ostia was men eerst decurio en dan pas magistraat) vooraleer aedilicius te zijn geweest, zonder dat onderscheid te maken op de inscriptie. Dat zou dan wel heel ongewoon zijn in Ostia, waar de meeste decuriones wel hun decurionaat vermelden[332]. Voor P32 gelden ongeveer dezelfde opmerkingen. Hoewel het maar gissingen blijven, is het toch best mogelijk dat beide individuen aedilicii zijn.
P19 is actief geweest als quattuorvir aedilicia potestate en quattuorvir iure dicundo. De volgende –logische- stap in zijn carrière zou dan die van quattuorvir quinquennalis geweest zijn, en dat is hij ook geweest, tenminste quattuorvir quinquennalis adlectus, om nadien nog pontifex van de gemeente te worden, en praefectus fabrum. Deze man was overigens ook patronus van zijn stad. Nu zou het inderdaad best mogelijk kunnen zijn dat deze man geen quinquennalis maar wel quinquennalicius is geweest (als troostprijs dan), dat hij na zijn quattuorviraat iure dicundo niet meer hoger is geraakt binnen de cursus honorum, maar wel ex senatu consulto is gepromoveerd binnen de ordo decurionum tot quinquennalicius. Dat is best mogelijk en aannemelijk (bovendien zou QUINQ eventueel ook tot quinquennalicius kunnen aangevuld). Hoewel, eigenlijk is er niets in deze inscriptie dat enige aanleiding zou geven om deze persoon als quinquennalicius te beschouwen. Alleen op basis van de andere inscripties die van een dergelijke adlectio gewag maken, zijn we tot deze mogelijkheid gekomen.
Zo geeft P34 ons meer reden tot twijfel. Deze quaestor alimentorum en curator annonae was tevens quinquennalis adlectus. Maar van deze persoon is het haast zeker dat hij een quinquennalicius was, aangezien iets verder op dezelfde inscriptie hij als adlectus in ordinem quinquennalium wordt aangeduid. Zo mag het duidelijk zijn dat deze man een quinquennalicius was. Dus hier helpt de terminologie van de tijdgenoten en opstellers van de inscripties ons te achterhalen hoe de vork in de steel zit. Diezelfde terminologie doet ons dan weer twijfelen in het geval van P42. Die man, die als functies het duumviraat en de functie van quinquennalis adlectus vermeldt, zou boven op de summa honoraria (die zowel voor het decurionaat als een magistratuur diende te worden betaald, dus waaruit we niets kunnen afleiden) ob honorem quinquennalium nog een aantal andere activiteiten en zaken hebben bekostigd. Alles hangt nu af van de betekenis van honor: in de meeste gevallen verwijst dit rechtstreeks naar het ambt (ob aedilitatem bijvoorbeeld), maar het kan natuurlijk ook zijn dat het in dit geval letterlijk vertaald moet worden als “eer, eerbewijs”: dat zou dan betekenen dat hij omwille van de eer van quinquennalicius te worden evergetische activiteiten heeft bedreven.
De andere twee adlecti die rechtstreeks het ambt zelf zouden zijn toegewezen, geven ons geen directe aanwijzingen omtrent de aard van hun adlectio. P65 zou adlectus duumvir geworden zijn, maar of dit dan een daadwerkelijk ambt als wel een rang binnen de ordo decurionum betrof, is niet meteen duidelijk. En P94, adlectus inter quinquennales, die verder op de inscriptie zijn functie als iudex in quinque decurias vermeldt[333], helpt ons in deze kwestie ook niet veel verder[334].
Het mag duidelijk zijn dat deze paar inscripties ons niet voldoende bewijsmateriaal kunnen leveren om de ene of de andere mogelijkheid volledig uit te schakelen of met zekerheid te bevestigen. Hoewel, de betekenis van de term adlegere die op de eerste plaats verwijst naar de opname in een groep, de inscriptie waarin P34 aan bod komt en die de link legt tussen een quinquennalis adlectus en een adlectus in ordinem, en de twee inscripties uit Ostia (dat wel een uitzonderingspositie bekleedde) geven ons toch wel reden om de idee als zouden deze personen adlecti in ordinem decurionum zijn, aan te hangen.
1.2 Decretum decurionum?
Een volgend vraagstuk dat eventueel aan de hand van de precieze formulering op de steen zou kunnen worden opgelost, is dat van de handelende instantie in geval van adlectio. In de westelijke provincies vermelden vijf van de 23 decuriones adlecti (iets minder dan één vijfde dus) de tussenkomst van de ordo decurionum bij de adlectio[335]. Van de Italiaanse decuriones adlecti zijn dat er 29 van de 75 of iets meer dan 38%[336]. Van die 34 decuriones adlecti (ongeveer één derde van het totaal) weten we dus dat de decuriones op de één of andere manier tussengekomen zijn bij hun aanduiding tot decurio of promotie binnen de ordo. Maar hoe verliep die tussenkomst, wat was de bevoegdheid van de decuriones? En hoe zat het dan met die andere twee derden? Kwamen de decuriones daar dan niet tussen? Wie zou dat dan wel gedaan hebben? In elk geval moet de tussenkomst door de decuriones als iets eervols worden beschouwd, anders zouden ze het toch niet hebben vermeld? Maar waarom vermelden de anderen het dan niet: was er bij hen geen tussenkomst? In elk geval kan bij die groep via de inscriptie niet afgeleid worden wie dan wel de hand zou hebben gehad in hun opname, maar misschien is het wel die instantie die ook aan de “gewone” decuriones toegang verleende (de magistraten?). Maar wat zou dan het verschil zijn met die “gewone” decuriones?
Het kan natuurlijk ook zijn dat de vermelde tussenkomst van de decuriones slaat op een bijzonder aspect van de adlectio. Dat kunnen we even onderzoeken. Eerst voor de westelijke provincies. Daar beschikken we over drie adlecti waar de tussenkomst van de decuriones op een speciaal aspect van de adlectio zou kunnen slaan, maar de andere twee zijn gewoon decurio adlectus[337]. In Italië is dat nog duidelijker: 16 van de 29 zijn “gewone” decuriones adlecti, 13 zijn speciale gevallen[338]. Dus meer dan de helft zijn blijkbaar gewone decuriones adlecti, en bovendien is het zo dat in de speciale gevallen vaak nog niet zeker is of het decreet van de gemeenteraad dan alleen slaat op bijvoorbeeld het gratis karakter van de opname! En in het geval van P46 en P71 is het zo dat het “aparte” aspect van hun adlectio (respectievelijk de gratis opname en de opname als aedilicius) duidelijk los vermeld wordt van hun gewone adlectio die blijkbaar ook door een decreet van de decuriones is doorgevoerd. Dus het kan niet zo zijn (in elk geval niet altijd) dat het decreet van de decuriones alleen sloeg op een bijzonder aspect van de opname in de ordo en niet op de manier van opnemen, namelijk via adlectio.
Nu is de vraag: wat met diegenen die niet expliciet vermelden dat hun opname door de ordo decurionum werd geregeld? Was het dan inderdaad niet het geval of vonden zij dat gewoon niet noodzakelijk om te vermelden, in tegenstelling tot de anderen? Wij menen dat dit laatste de uitleg vormt voor het niet vermelden van de tussenkomst van de andere gemeenteraadsleden. Het is natuurlijk wel zo dat men zich dan de vraag kan stellen waarom dan specifiek de term adlegere wordt gekozen, eerder dan het dan in dit geval meer van toepassing zijnde cooptare[339]. Maar aan andere kant zou het toch evengoed zo kunnen zijn dat men de taak van de decuriones bij een adlectio zo vanzelfsprekend vond dat men dit niet vermeldde, net zoals gewone decuriones hun decurionaat niet vermelden[340]. Zonder echt harde bewijzen naar voor te kunnen brengen, menen wij dan ook dat de adlectio in het merendeel van de gevallen door de decuriones werd voltrokken. Maar dat lijkt ons niet het enige aspect te zijn of toch minstens maar een deel uit te maken van het uitzonderingskarakter dat de adlecti (behalve misschien in Ostia) zeker wel bezaten. Alleen al het feit dat deze decuriones adlecti toch redelijk vaak hun decurionaat op de steen vermelden, wijst er op dat er iets bijzonders aan de hand moet zijn geweest. Anders zou men misschien niet de moeite genomen hebben dit te vermelden, zeker niet als men voor de rest vele andere mooie ambten, tot op rijksniveau[341], heeft uitgeoefend: dan had men normaal gezien al aanzien genoeg, maar toch vermeldt men zijn decurionaat, dus moet er wel iets bijzonders mee aan de hand geweest zijn.
1.3. Decurio adlectus gratis
Eén aspect dient in deze paragraaf nog behandeld te worden, namelijk dat van de gratuïteit. Het kon namelijk gebeuren dat een decurio in de ordo decurionum werd opgenomen zonder dat hij de summa honoraria moest betalen, die anders altijd werd vereist van nieuwe decuriones. Dit was een behoorlijk grote gunst en is wellicht te verklaren door het feit dat zij die dit voorrecht genoten zich heel verdienstelijk hadden gemaakt ten opzichte van de verdienste, of liever veel evergetische activiteiten hadden georganiseerd. Het geld dat ze daaraan uitgaven, was vaak veel meer dan de som die als summa honoraria moest betaald worden, en het kon dan ook gebeuren dat men besliste dat deze personen die niet meer moesten betalen. Ook bij de decuriones adlecti vinden we dergelijke personen terug. In Italië zouden 11 decuriones adlecti gratis tot decurio geadlecteerd zijn[342], in de provincies geen enkele. Van die 11 zijn er vijf afkomstig uit het alomtegenwoordige Ostia, en opmerkelijker nog: alle geattesteerde decuriones adlecti uit Pompeii (drie in totaal: P14, P60 en P69) hebben gratis het decurionaat gekregen, dus zonder het betalen van een summa honoraria.
Zoals we reeds hebben gezien gaat Garnsey[343] er van uit dat die summa honoraria alleen moest betaald worden door adlecti, en bewijzen daarvoor vindt hij in het oosten van het Romeinse Rijk. Hij stelt namelijk dat de decuriones adlecti op een ongeoorloofde manier (namelijk in elk geval zonder een magistratuur te hebben uitgeoefend) in de ordo decurionum zouden zijn toegelaten, en om die reden moesten ze normaal gezien een summa honoraria betalen. Maar het kon eens gebeuren dat iemand om de één of andere uitzonderlijke reden gratis mocht binnentreden[344]. Nu, wij gaan mee met de auteur in die mate dat decuriones adlecti wellicht tot op zekere hoogte een uitzonderingspositie bekleed hebben, maar we vinden toch –zoals ook al aangehaald- dat Garnsey ten eerste heel het rijk te veel in zijn geheel benadert en ten tweede te gemakkelijk de kwestie van de gratuiteit en de adlectio aan elkaar koppelt. Bovendien is het zo dat de auteur de adlecti veel ruimer ziet dan wij dat gedaan hebben. Alle decuriones die ogenschijnlijk zonder het uitoefenen van een ambt in de ordo decurionum zijn binnengetreden, ziet hij als adlecti. Vandaar dat hij decuriones meerekent die niet in onze catalogus zijn opgenomen[345]. Het is maar de vraag of dat gratis karakter van de opname wel zoveel te maken had met de manier van opname? Zouden er geen andere redenen voor dat wegvallen van de summa honoraria zijn geweest[346]?
Wij gaan ervan uit dat de summa honoraria in Italië en de westelijke provincies niet alleen gold voor mensen die via adlectio in de ordo decurionum zijn opgenomen (zeker niet als we adlectio niet beschouwen in de “ruime” zin van het woord, in tegenstelling tot Garnsey, want dan zijn er wel degelijk voorbeelden te vinden van “gewone” decuriones die gratis zijn toegelaten). De theorie van Garnsey lijkt ons dan oook niet helemaal te kloppen. Ten eerste is het zo dat vijf van de elf gratis toegelaten decuriones adlecti (P46, P58, P12, P83 en P85) uit Ostia afkomstig zijn, een stad waar –zoals we reeds meermalen hebben aangehaald- haast alle decuriones de ordo decurionum zijn binnengeraakt zonder een ambt te hebben bekleed, en dat stemt overeen met de groep die Garnsey catalogiseert als adlecti. Adlectio (in de “ruime” zin van het woord) was hier bijgevolg eerder regel dan uitzondering. En dan nog zouden alle decuriones –omdat ze op een niet reglementaire manier de gemeenteraad zouden zijn binnengekomen- de summa honoraria zouden hebben moeten betalenn met uizondering van deze vijf? Bovendien is niet eens helemaal duidelijk waarom dan P12 en zeker P83 het niet zouden hebben moeten doen: van beiden zijn grootse evergetische daden geattesteerd. Ten tweede kunnen wij andere reden voor het gratis verkrijgen van het decurionaat aanreiken dan louter hun uitzonderingspositie als adlectus. P46, P58, P14, P85 en P69 hebben allemaal aan evergetisme gedaan, net als onrechtstreeks ook P67 en P68 die in de gemeenteraad zijn opgenomen als dank voor de evergetische activiteiten van hun (groot)vader. We mogen veronderstellen dat het bedrag dat zij aan die weldaden hebben uitgegeven hoger ligt dan de te betalen summa honoraria. Dus de reden voor de gratis opname kan te maken hebben met erkentelijkheid vanwege de gemeente jegens de betoonde vrijgevigheid. Maar er kunnen nog andere elementen meegespeeld hebben bij het gratis verlenen van het decurionaat. P12 en P58 bijvoorbeeld behoorden net als P60 en P14 tot één van de meest aanzienlijke families van de gemeente. Ook P4 was een man met “contacts and influence”[347]. We kunnen hier dan ook uit afleiden dat de eer van gratis decurio te worden ook werd gegeven vanuit de verwachting dat mensen die met deze eer bedacht werden, daar zo opgetogen over waren dat zijzelf of hun familie (in het geval van bijvoorbeeld de jong opgenomen P14 en P69) de gemeente als dank extra zouden bevoordelen (bijvoorbeeld financieel). Op die manier moet het gratis verlenen van het decurionaat ook gezien worden als een bijzondere vorm van eerbewijs aan heel verdienstelijke personen of aan mensen van wie door (familiale) banden werd verwacht dat ze voor de gemeente nog heel wat konden betekenen.
b) Welke functies hebben de decuriones adlecti uitgeoefend naast hun decurionaat?
In dit tweede punt van het hoofdstuk waarin we aandacht hebben voor het institutionele aspect van de adlectio in ordinem decurionum bestuderen we de carrière van onze adlecti: hebben die überhaupt een carrière uitgeoefend? Indien niet: zouden we dan kunnen stellen dat ze gewoon in de ordo decurionum zijn opgenomen omdat er daarbinnen een tekort dreigde? Of indien wel: was dat dan een mooie carrière (met bijvoorbeeld een incursie op rijksniveau of zelfs een aantal rijksambten? Of bleef hun carrière beperkt tot de laagste ambten van de lokale cursus honorum? Welke religieuze ambten waren voor adlecti weggelegd? Waren zij actief in colleges? Hoeveel onder hen hebben de ietwat obscure functie van praefectus fabrum uitgeoefend,…? Kortom: alles wat te maken heeft met de carrière van de decuriones adlecti komt aan bod. Later zullen we ook nog aandacht hebben voor de plaats van de adlectio binnen iemands carrière bijvoorbeeld. En, als vergelijkingspunt zullen we ook de carrière van andere gemeenteraadsleden dan de decuriones adlecti onder de loep nemen, namelijk van diegenen die expliciet op hun inscriptie laten vermelden dat ze decurio zijn geweest: hoeveel zijn er daarvan geattesteerd, welke carrière hebben zij uitgeoefend, en zijn er raakpunten met onze adlecti? Daarna zullen we pogen tot een besluit te komen omtrent het institutionele aspect van de decuriones adlecti. Maar eerst zullen we zien welke carrière adlecti hebben uitgeoefend.
1.1 De “ambtslozen”: die decuriones die geen ander ambt dan het decurionaat vermelden[348]
De provinciale decuriones adlecti hebben blijkbaar behoorlijk wat carrière gemaakt: slechts acht of één derde van deze groep heeft zich beperkt tot alleen het decurionaat[349], en dan rekenen we P11 nog mee die het decurionaat verworven heeft na een lange staat van dienst in het Romeinse leger als primuspilus. Zeker twee van hen waren behoorlijk onaanzienlijke mensen (ze blijven natuurlijk decurio dus helemaal onbeduidend kunnen ze niet geweest zijn!), namelijk P57 –die ons bekend is via een uiterst beknopte en eenvoudige inscriptie- en P26, een ex-militair. Van P61 en P65 weten we dat ze behoorlijk welgesteld moeten zijn geweest, maar toch zijn ook zij niet hoger geraakt dan een zitje in de gemeenteraad van hun gemeente (P65 wellicht wel met de rang van duumviralicius[350]). P72 zou eventueel van vrijgelaten komaf kunnen zijn, terwijl P91 als aedilicius opgenomen is in de ordo decurionum: normaal gezien zou dit een carrièreversnellend effect moeten hebben, maar deze man heeft nadien geen ambten meer uitgeoefend. Deze mensen –met uitzondering van P65 misschien die het toch een stapje hoger heeft gebracht in de ordo decurionum (al dan niet door de effectieve uitoefening van een ambt) en dat op de eerste plaats te danken heeft aan zijn geld- lijken ons al bij al toch behoorlijk onopvallende personen binnen de elite van hun respectieve gemeenten te zijn geweest en het is dan ook niet te verwonderen dat zij niet hoger geraakt zijn dan het decurionaat[351]. Het zou best wel eens kunnen dat zij- in de zin van de echte betekenis van de term adlegere- de ordo decurionum moesten aanvullen, om zo het vereiste ledenaantal te bereiken, zonder dat ze ooit de kans hebben gekregen om hogerop te komen.
In Italië is de groep “ambtslozen” veel groter, namelijk 36 of net iets minder dan de helft van de 75 decuriones adlecti[352] is niet verder geraakt dan het decurionaat. Maar binnen deze grotere groep is veel meer variatie merkbaar, kunnen verschillende categorieën onderscheiden worden.
Zo zijn daar eerst die personen waarvan mag aangenomen worden dat ze normaal gezien wel een carrière zouden uitgebouwd hebben, als daar niet een onverwacht element was opgetreden (meestal hun overlijden) of waarvan we niet weten of ze na hun decurionaat nog ambten hebben uitgeoefend omdat bijvoorbeeld de inscripties waarop ze geattesteerd zijn dateren van ergens in het begin van hun carrière[353]. Van dertien van de zesendertig ambtslozen vinden we aanwijzingen terug of mogen we redelijkerwijs verwachten dat ze in één van de hoger beschreven gevallen verkeerden: zij zouden dus normaal een carrière hebben uitgebouwd en niet in de lagere regionen van de ordo decurionum blijven steken zijn. Hoewel er natuurlijk altijd nog elementen kunnen opgetreden zijn waarvan wij geen weet hebben. Er moet dan ook met voorzichtigheid met dergelijke conclusies worden omgesprongen.
Van die dertien waren er twee afkomstig uit de havenstad Ostia, samen met zeven andere ambtslozen[354]. Een vierde van al onze ambtslozen komt dus uit de stad die ons het grootste aantal decuriones adlecti heeft opgeleverd. De ambtsloze decuriones adlecti uit Ostia moeten echter met andere ogen bekeken worden dan zij die in hetzelfde geval verkeerden in een andere stad. Want we mogen er toch van uitgaan dat in Ostia zowat alle gemeenteraadsleden werden geadlecteerd, terwijl dit in andere steden zeker niet het geval was[355]. Eigenlijk zou men kunnen zeggen –zoals al is opgemerkt in de prosopografische behandeling- dat de decuriones adlecti uit Ostia eerder verwant zijn aan de “gewone” decuriones dan aan de adlecti uit andere steden[356]. Waar het wellicht in andere gemeenten en steden zo was dat adlecti in zekere zin bijzondere mensen of liever gemeenteraadsleden waren, omdat ze op een bijzondere manier of om een bijzondere reden in de ordo waren toegelaten, was het in Ostia zo dat in principe iedereen die in andere steden het decurionaat zou hebben gekregen, voor adlectio in aanmerking kwam, zoals bijvoorbeeld deze zeven en in extensu negen ambtslozen. Zes onder hen werden als decurio geadlecteerd en hebben het niet verder geschopt: zij moeten wellicht tot de lagere elite gerekend worden[357]. Zij waren –zeker sommigen toch[358]- misschien wel rijk, maar hadden blijkbaar niet de connecties en het aanzien om vanuit hun status als decurio door te groeien tot het bekleden van een magistratuur. Een andere decurio adlectus, P32, is geadlecteerd als aedli(ciu)s, dus hij kreeg reeds de rang van één van de laagste magistraten, wat normaal –zoals we hebben gezien- een carrièrebevorderend effect zou moeten hebben, maar daar is in het geval van deze decurio van vrijgelaten komaf geen sprake van geweest: was het omwille van bijzondere verdiensten dat men deze man adlecteerde en hem een rang gaf zonder de bedoeling hem nog te laten opklimmen en waren er andere onvoorziene omstandigheden die dergelijke promotie verhinderd hebben?
Vier andere decuriones adlecti zijn op het eerste zicht ook ambtsloos, maar het zijn twijfelgevallen, het is moejijk te weten welke kant je met hen opmoet. Het gaat hier namelijk over de vier quinquennalicii uit Canusium, die toch geen onaanzienlijke figuren moeten zijn geweest[359]. Voor hun opname in de groep van de oud-quinquennales zouden ze misschien nog een ambt hebben kunnen uitoefenen, nadien niet meer, want eenmaal quinquennalicius is het moelijk nog hogere ambten te bekleden: het ambt van quinquennalis was het hoogste dat binnen een gemeente kon bereikt worden, en werd niet jaarlijks ingevuld.
De overige 12 ambtslozen vormen een bont allegaartje, dat toch deel zal hebben uitgemaakt van de lagere elite. Zo zijn er de ex-militairen P28, P29 en P48[360] die na hun legerdienst in de ordo decurionum zijn geadlecteerd. P88, P89 en P44 zijn net als P37 en P63 gewoonweg decuriones adlecti, waarover voor de rest niets bekend is en die binnen de ordo decurionum een vrij onopvallend bestaan zullen geleid hebben. P56 zou ook een decurio van die aard kunnen geweest zijn, ware het niet dat hij uit een heel rijke maar weliswaar vrijgelaten familie kwam (zelfs zijn broer was een vrijgelatene). De rijkdom van zijn familie zal waarschijnlijk aan de basis van zijn opname in de ordo decurionum gelegen hebben. P51 is geadlecteerd als oud-duumvir, blijkbaar zonder vooraf enig ambt uitgeoefend te hebben. Door op een dergelijke manier de rang van één van de hogere magistraturen te verkrijgen, hoefde hij ook geen verdere ambten meer te vervullen (alleen het quinquennalitaat zou nog een optie geweest zijn).
Verder zijn er ook nog twee vrijgelatenen: de één heel rijk en niet beschaamd over zijn afkomst (P93), de ander toch iets bescheidener (P92). Beiden voldeden als niet-ingenuus niet aan de voorwaarden om opgenomen te worden in de ordo decurionum maar zijn daar toch in geslaagd: misschien kan het feit dat dit gebeurd is via adlectio daarmee in verband gebracht worden. Overigens, waar de eerste de opname deels te danken zal hebben aan zijn rijkdom, heeft het er toch alle schijn van dat de tweede[361] misschien uit noodzaak in de ordo decurionum opgenomen is, om die aan te vullen en om zo aan het vereiste ledenaantal te komen. Hoewel zijn opname misschien ook met bijzondere verdiensten kan te maken gehad hebben: waarom zou men anders een decurio van 48 jaar oud hebben opgenomen! Blijkbaar was hij toch niet zo aanzienlijk anders zou hij vroeger in de ordo opgenomen zijn, ofwel heeft hij pas op latere leeftijd rijkdom en prestige verworven.
Het mag in elk geval duidelijk zijn dat –zeker voor wat Italië betreft- de ambtslozen een heterogene groep vormden: niet alleen zijn daar de “uitzonderingen” van Ostia of zij die wel in de wieg leken gelegd om een carrière uit te bouwen, ook heel rijke vrijgelatenen en doorsnee onopvallende burgers van de gemeente vinden er hun plaats in, mensen die aan de voorwaarden voldoen om in de ordo decurionum te mogen zetelen en mensen die daar niet aan voldoen (te jong, vrijgelaten,…),… Het lijkt er op dat er niet een standaard begunstigde voor de hier bestudeerde municipale vorm van adlectio zal bestaan hebben. Maar om te achterhalen of dat inderdaad het geval is moeten we ook aandacht besteden aan de andere helft van de decuriones adlecti, namelijk zij die wel een carrière uitbouwden.
1.2 de municipale carrière: de ambten van de cursus honorum
Een eerste vorm van carrière die de adlecti konden uitbouwen, naast een carrière op rijksniveau, is het bekleden van ambten op gemeentelijk niveau, namelijk die ambten die deel uitmaakten van de municipale cursus honorum. Het is de bedoeling in deze paragraaf te onderzoeken hoeveel adlecti een cursus honorum opstartten en hoever ze daarin zijn geraakt.
ITALIË
In Italië hebben 33 (44,00 %) van de 75 geattesteerde decuriones adlecti zeker[362] één of meerdere municipale functies uitgeoefend die thuis horen in de municipale cursus honorum. Het grootste aantal van hen behoort tot de gewone municipale elite, waartoe ook het gros van de decuriones adlecti behoren (zoals duidelijk geworden is tijdens het onderzoek naar het profiel van de decuriones adlecti)
Tabel 3.11 : Decuriones adlecti met een municipale carrière (Italië)
|
Status |
Aantal |
Aantal met municipale functies |
% I[363] |
% II[364] |
|
1 |
|
|
|
|
|
2 |
3 |
2 |
6,06 |
66,67 |
|
3 |
15 |
11 |
33,33 |
73,33 |
|
4 |
54 |
19 |
57,58 |
35,19 |
|
5 |
2 |
|
|
|
|
0 |
1 |
1 |
3,03 |
100,00 |
|
Totaal |
75 |
33 |
100,00 |
44,00 |
We zien hier via deze tabel wel dat decuriones uit beide categorieën van de equites (dus zowel de honoraire (3) als de functionele (2)) meer municipale functies gaan vermelden dan hun tegenhangers uit de gewone municipale elite. Twee van de in totaal drie functionele equites van wie bekend is dat zij decurio adlectus zijn, hebben ook een municipale carrière gekend. Dat is ook het geval bij 11 van de 15 honoraire equites. Beschikten zij over een hoger prestige of hadden ze als ridder gewoon meer kans op een municipale carrière. We zullen iets verder in dit onderdeel behandelen hoe ver zij in hun carrière vorderden. Eerst zullen we stap voor stap de diverse onderdelen van de cursus honorum belichten.
a. Quaestores
14 (42,42 %) van deze 33 adlecti vermelden het ambt van quaestor, een ambt dat eerder een munus dan een honor was en dat bovendien niet in elke colonia of municipium bestaan heeft[365]. In tabel 3.12 wordt de verdeling van de quaestores over de diverse standen getoond. Wat blijkt? Het zijn hoofdzakelijk leden van de gewone municipale elite die het ambt van quaestor gaan uitoefenen. Dit staat in sterk contrast met de situatie bij de adlecti die de functie van aedilis vermelden.
Tabel 3.12: Adlecti – quaestores in Italië
b. Aediles
Er zijn eveneens 14 adlecti (42,42 % van de decuriones adlecti die municipale functies vermelden) die laten blijken dat ze het ambt van aedilis –ook één van de lagere ambten op municipaal niveau- hebben waargenomen. In tegenstelling tot de functie van quaestor zijn er iets meer ridders die het aedilitaat gaan vermelden. Dit is te zien in de volgende tabel 3.13.
Tabel 3.13: Adlecti – aediles in Italië
c. Duumviri
Bij een iets groter aantal, 19 (57,58 % van de 33 adlecti), is de functie van duumvir of iets gelijkaardigs op de inscriptie terug te vinden. Van de adlecti die dit ambt vermelden, behoort het grootste deel dan weer tot de gewone municipale elite. De percentages zijn te vinden in de volgende tabel 3.14.
Tabel 3.14: Adlecti – duumviri in Italië