| Crossculturele ervaringen bij jongeren. Onderzoek naar de betekenis van en de impact op communicatiepatronen, mediagebruik en andere sociale handelingen. (Hanne Van Bosstraeten) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Vandaag de dag klinken termen als de globaliserende wereld, internationale organisaties en wereldsolidariteit ons meer dan bekend in de oren. Of er inderdaad meer bruggen tussen landen en continenten worden gebouwd, laat deze verhandeling in het midden. Het bieden de lezer van dit werk ook niet de zoveelste uiteenzetting over migratiepatronen of adoptieprocessen. We zullen het daarentegen hebben over een fenomeen dat op het eerste zicht veel tijdelijker is van aard, maar dat voor de betrokkenen levenslang kan nazinderen in hun levens en hen vaak nieuwe levensplannen of toekomstmogelijkheden aanbiedt. Het is ook een fenomeen dat de laatste jaren sterk lijkt op te komen. Steeds meer jongeren lijken de uitdaging te willen aangaan om op eigen initiatief een soort van crossculturele brug te bouwen met een andere gemeenschap. Ze willen een land en de bijhorende cultuur van binnen uit leren kennen, te midden van de plaatselijke bevolking. Enkele organisaties bieden georganiseerde verblijven aan in gastgezinnen en mogelijkheden tot vrijwilligerswerk, met verblijfsperiodes van zes weken tot één jaar. Steeds meer jongeren kiezen er ook voor hun stage of een deel van hun opleiding te volgen in het buitenland. Of ze nu gewoon een fijn sabbatjaar willen hebben of meer willen doen voor de gemeenschap waarin ze terecht komen in de vorm van vrijwilligerswerk, ze komen onvermijdelijk in contact met culturele verschillen. Het zijn deze culturele verschillen die mensen kunnen doen nadenken over dingen die ze hun hele leven lang automatisch voor waar hebben aangenomen. Dat andere culturen heel wat dagdagelijkse dingen op een andere manier aanpakken, lijkt voor velen tegenwoordig evident. Een echt besef daarvan kan echter pas optreden wanneer men plots gedropt wordt in zo een geheel andere aanpak van het leven. Daar sta je dan alleen met je eigen taal, gewoontes en wereldbeeld, te midden van mensen die het leven misschien op een andere manier bekijken, het dagdagelijkse op een andere manier invullen of op een verschillende manier met elkaar lijken om te gaan. Langzaamaan leer je begrijpen en de verschillen interpreteren. Vragen als ‘in hoeverre moet ik me aanpassen aan deze verschillende manier van leven om een aangenaam en zinvol verblijf te hebben?’ of ‘wat neem ik mee naar huis van de dingen die ik hier geleerd heb?’ zullen dan onvermijdelijk - bewust of onbewust - oprijzen. Hoe jongeren deze crossculturele aanpassingsprocessen aanpakken, welke betekenis hun verblijf in een andere cultuur heeft in hun verdere leven en welke mogelijkheden hun ervaringen bieden voor de samenleving waarin ze terecht komen, vormt het onderwerp van deze verhandeling.
In een eerste deel zullen we nadenken over wat crossculturele ervaringen typeert, welke aanpassingsprocessen een rol spelen en welke uitdagingen en mogelijkheden een verblijf in een andere cultuur met zich meebrengt. Vanuit het interculturele denkkader belichten we enkele inzichten en theorieën over de verschillen tussen culturen, over aanpassingsprocessen bij het oversteken van die culturen en over het bouwen en onderhouden van bruggen tussen de eigen omgeving en de gastgemeenschap. In een tweede deel zullen we via een uiteenzetting van de evolutie in de communicatiewetenschappelijke mediatheorieën komen tot een theoretisch kader voor menselijke actie. Dit eerste deel zal immers duidelijk maken dat mensen in crossculturele contexten voor enkele zeer specifieke problemen kunnen komen te staan die opgelost moeten worden door middel van interne en externe actie. Situaties, gebeurtenissen en problemen kunnen aanleiding geven tot mentale gedachtenstromen, dit zijn interne acties die meestal onopgemerkt blijven voor de sociale omgeving. Anderzijds kunnen zij ook rechtstreeks of onrechtstreeks aanleiding geven tot sociale acties of gemotiveerde activiteiten die zichtbaar zijn of kunnen zijn voor de sociale omgeving. De manier waarop ze die actie, waarvan mediagebruik een belangrijk deel zal uitmaken, vorm geven, vormt het onderwerp van het tweede theoretische luik van deze verhandeling. In een derde deel gaan we na welke betekenis jongeren geven aan hun crossculturele ervaringen, welke problemen ze ondervinden en welke sociale acties ze daardoor zullen ondernemen, waarbij extra aandacht zal uitgaan naar mediagebruik als één van de mogelijke sociale acties.
Deel 1: Aanpassingsprocessen tijdens crossculturele ervaringen
1.1. Crossculturele ervaringen in het perspectief van interculturele communicatie
Als we onze wereld vergelijken met die van pakweg 25 jaar geleden, is er heel wat veranderd. Technische, economische en sociale veranderingen hebben onze manier van leven grondig gewijzigd. De uitbreiding van transport- en communicatiemiddelen hebben de wereld doen inkrimpen tot wat Marshall McLuhan in de jaren ’60 voorspelde onder de noemer ‘global village’. Migratie- en communicatiepatronen zijn drastisch veranderd waardoor landen aan de andere kant van de wereld nu als het ware onze buren zijn geworden. Door de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid is interculturele communicatie onvermijdelijk en zelfs levensbelangrijk geworden. De toegenomen interculturele communicatie brengt echter ook steeds duidelijker de moeilijkheden aan de oppervlakte van communicatie tussen mensen uit verschillende culturen. Door hun verschillende socialisatie steunen zij immers op een ander arsenaal van kennis, overtuigingen, waarden, attitudes, sociale rollen, geloof, wereldbeelden, tijdsindelingen, ruimterelaties, sociale hiërarchieën en communicatiepatronen. Daar waar mensen binnen een cultuur een gedeeld kennisarsenaal kunnen veronderstellen, moet in een interculturele situatie steeds onderhandeld worden over de betekenis van heel wat aspecten van de interactiesituatie (Korhonen, 1997, p. 2; Samovar et al, 1998, pp. 3-9).
De redenen voor die communicatiemoeilijkheden zijn voor ons vaak moeilijk te achterhalen omdat ze net deel uitmaken van onze socialisatie van wat juist en gepast is in onze cultuur. Binnen het interculturele denkkader wordt de menselijke realiteit beschouwd als een sociale constructie. Elke mens is lid van een culturele groep die op een eigen manier tegemoet komt aan de menselijke noden en betekenis geeft aan het leven. Zonder deze noodzakelijke invulling van het alledaagse bestaan, zou het menselijk leven enorm verwarrend zijn. Elke cultuur is dus een sociale uitvinding met haar eigen logica en geldigheid. Confrontaties met andere culturen kunnen onze morele overtuigingen over wat goed en kwaad is in vraag stellen (Paige, 1993, p. 3). De fysische en psychologische afstand van de vertrouwde omgeving doen vreemdelingen ontwaken uit veronderstellingen die ze steeds automatisch voor waar aannamen. Daardoor kunnen ze in een fase van existentiële alertheid en culturele relativiteit belanden. Goede en slechte aspecten van beide culturen worden overwogen, vergeleken en als bouwstenen voor een nieuwe, eventueel tijdelijke culturele identiteit gebruikt. Crossculturele ervaringen bieden dan ook de mogelijkheid om opnieuw te leren en te groeien en om een dieper begrip aan te kweken, niet alleen van de mensen en hun cultuur in de gastomgeving, maar ook van onszelf als culturele wezens (Kim, 2001, pp. 4-9).
Interculturele contacten kunnen geclassificeerd worden in twee brede categorieën. Enerzijds vinden interculturele ontmoetingen plaats tussen landgenoten van een cultureel divers land, zoals de contacten met immigranten en vluchtelingen. Anderzijds kan iemand ook van één maatschappij naar een andere reizen met een bepaald, tijdelijk doel voor ogen. Naast toeristen rekenen we ook sojourners tot deze laatste categorie. Sojourners zijn mensen die naar een andere cultuur reizen voor een intensief en uitgebreid verblijf in een andere cultuur dan degene waarin ze gesocialiseerd werden. Ze hebben echter in tegenstelling tot migranten wel de intentie terug te keren naar hun moederland wanneer het doel van hun verblijf bereikt is (Ward, Bochner & Furnham, 2000, pp. 5-6; Jandt, 2004, p.319). Deze verhandeling beschouwt in de eerste plaats de ervaringen van sojourners. Vele invalshoeken zijn echter ook bruikbaar om aanpassingsprocessen van migranten en vluchtelingen te beschouwen.
1.2. Acculturatie, cultuurschok en reacculturatie tijdens crossculturele ervaringen
Pas sinds de vroege jaren ’50 van vorige eeuw zijn onderzoekers in het veld van de interculturele communicatie beginnen spreken over ‘culture shock’. Voordien werd gewoon gesproken over ‘heimwee’, hoewel men al kon aanvoelen dat het fenomeen veel breder was dan het louter missen van vrienden en familie. Door het te identificeren als ‘culture shock’ kreeg een fenomeen dat al zo oud is als de mensheid plots een wetenschappelijke invalshoek. Het duurde nog twintig jaar vooraleer het fenomeen van de ‘reverse culture shock’ of ‘reentry shock’ werd ontdekt. Clyde Austin (1986) stelt in Cross-Cultural Re-entry: A Book of Readings dat de onthulling van deze twee concepten twee van de grootste mijlpalen zijn in het veld van de interculturele studies. Het is dankzij Oberg dat de term culture shock bekend raakte in de wetenschappelijke wereld. In 1960 omschreef hij de cultuurschok als ‘An occupational disease precipitated by the anxiety that results from losing all familiar signs and symbols of social intercourse’. In Obergs woorden lijkt cultuurschok wel één of andere ziekte waarvan het individu maar beter gespaard blijft, wil hij geen stigma van onbekwaamheid opgekleefd krijgen. Adler (1975, pp. 13-14) geeft een iets minder klinische benadering van het concept cultuurschok:
Primarily a set of emotional reactions to the loss of perceptual reinforcements from one’s own culture, to new cultural stimuli which have little of no meaning, and to the misunderstanding of new and diverse experiences. It may encompass feelings of helplessness; irritability; and fears of being cheated, contaminated, injured, or disregarded.
De term cultuurschok is wat in onbruik geraakt door het beeld van ziekte en abnormaliteit die de term oproept. Cultuurschok zou echter als een normale ervaring tijdens het crossculturele leerproces moeten beschouwd worden, een ervaring die bovendien de mogelijkheid tot persoonlijke verrijking in zich draagt. Of men nu als sojourner of immigrant een gastcultuur binnenkomt, de meest waarschijnlijke respons is een cultuurschok. Tenzij men uiterst goed is voorbereid op het functioneren in de andere cultuur, zullen door het wegvallen van de vertrouwde leefomgeving en interactiepatronen, vele alledaagse situaties immers zeer stressvol zijn (Jandt, 2004, p.320). Door de mentaliteitswijziging in de opvatting over de cultuurschok -van een ziektebeeld naar een groeimogelijkheid- verkiezen vele auteurs tegenwoordig de term acculturatiestress boven de term cultuurschok (Adler, 1975, p.14).
Deze acculturatiestress vloeit voort uit het psychosociale aanpassingsproces aan de nieuwe cultuur. Het individu wordt immers geconfronteerd met andere sociaal gedeelde attitudes en gewoontes die mogelijk om een aanpassing van de eigen opvattingen vragen. Dat aanpassingsproces gaat soms gepaard met sterke emoties en psychologische stress (Rohrlich & Martin, 1991, p. 176). De uiteenlopende manieren waarop individuen hiermee omgaan duidt Kim (2001, p. 3) aan als copingstijlen. Ze verwijst hiermee naar de verschillende psychologische antwoorden op crossculturele uitdagingen. Kim omschrijft crossculturele aanpassing als ‘the dynamic process by which individuals, upon relocating to new unfamiliar, or changed cultural environments, establish (of re-establish) and maintain relatively stable, reciprocal, and functional relationships with those environments.’
Dit proces van aanpassing aan een andere cultuur is nodig omdat het individu gesocialiseerd is binnen de eigen, de primaire cultuur. Binnen de eigen cultuur start van bij de geboorte van de mens een cultureel leerproces, enculturatie genoemd dat het hele menselijke leven verdergaat. Door deze socialisering binnen de geboortecultuur leert het individu hoe zich gepast te gedragen binnen zijn eigen gemeenschap en ervaart het de normen en gebruiken van zijn omgeving als vanzelfsprekend en normaal. Andere manieren van betekenis geven aan het leven komen als vreemd over en vragen dus een culturele aanpassing van het individu (Damen, 1987, p. 367). Acculturatie is dus de aanpassing aan een vreemde cultuur door een individu wiens socialisatie gebeurde in een andere cultuur. Daarbij zal het individu sommige, maar zeker niet alle aspecten van die andere cultuur internaliseren (Rohrlich & Martin, 1991, p. 176; Kim, 2001, p. 31). Wanneer het individu, gedwongen of uit vrije wil, in die mate een secundaire cultuur, taal en gedrag overneemt dat hij de primaire cultuur en taal als het ware van zich afschuift, spreken we van assimilatie (Kim, 2001, p.31; Hoopes, 1979, p.20).
Door acculturatie aan de gastcultuur neemt het individu dus bepaalde aspecten van die andere cultuur over. Wanneer deze nieuwe aspecten niet compatibel zijn met de eigen culturele gewoontes, treedt er noodzakelijk een soort van afleren van de eigen culturele aspecten op. Bij terugkeer naar het eigen land zal er dan ook een proces van reïntegratie aan de primaire cultuur optreden. Dit proces van heraanpassen aan de cultuur wordt in de antropologie aangeduid met de term reacculturation en wordt in andere disciplines die het fenomeen onderzoeken meestal aangeduid met reentry (Martin & Harrell, 1996, p. 307). Het terugkeren naar huis wordt meestal gekenmerkt door twee unieke kenmerken: Ten eerste heeft de terugkerende sojourner vaak een geïdealiseerd beeld van zijn ‘thuis’. Ten tweede verwacht hij of zij een vertrouwdheid met de eigen cultuur, waarbij uitgegaan wordt van het idee dat noch de thuishaven, noch de sojourner veranderd zijn sinds deze laatste vertrokken is. Deze combinatie zorgt vaak voor geschonden verwachtingen, een zekere vervreemding, en wederzijds onbegrip tussen de thuiskomers en hun familie en vrienden (La Brack, 1993, pp. 253-254).
1.3. Aspecten van culturele aanpassing
De omschrijvingen hierboven lieten al uitschijnen dat culturele aanpassing geen enkelvoudig gegeven is dat onder één enkele noemer kan omschreven worden. Kim (2001, pp. 48-49) onderscheidt drie dimensies in processen van culturele aanpassing. Eerst en vooral wijst ze op de (1) communicatieve of sociale competentie die individuen nodig hebben om zich te integreren in de hen omringende realiteit en die realiteit als het ware te incorporeren. Om adequaat te kunnen functioneren in de gemeenschap moet het individu in staat zijn om de eigen handelingen te organiseren in harmonie met de gemeenschap en de handelingen van de leden van die gemeenschap. Dit afstemmen op de gemeenschap gebeurt via het communiceren van gedeelde kennisinhouden, gepaste affectieve reacties en sociaal aanvaarde handelingen. Deze competentie kan dan ook afgeleid worden uit de (2) functionaliteit, effectiviteit en geschiktheid van de handelingen van het individu. Wanneer een individu communicatieve symbolen en betekenissen internaliseert die min of meer overeenkomen met die van een gegeven culturele gemeenschap, dan is het individu functioneel verbonden met die gemeenschap. De ontwikkeling van communicatieve competentie en functionele aangepastheid hangt nauw samen met (3) het psychologisch welzijn van het individu. Het gebruik van cultureel gesanctioneerde communicatiepatronen zorgt ervoor dat mensen zich gaan gedragen als individuen die door zichzelf en door anderen als normale of gezonde mensen ervaren worden. Het psychologisch welzijn van het individu komt dan ook onder druk te staan, wanneer hij of zij voortdurend communicatieve symbolen verkeerd interpreteert of wanneer ongewild sociaal gesanctioneerde handelingen uitgevoerd worden. Wanneer individuen deze culturele patronen wel succesvol opnemen, ontwikkelen ze een culturele identiteit. De geïnternaliseerde patronen worden dan dé frames van waaruit de wereld wordt geïnterpreteerd en zullen sterke emotionele en protectionistische reacties uitlokken wanneer ze in vraag worden gesteld.
Dit proces van enculturatie gebeurt bij het begin van ons leven, maar moet in zekere zin en tot op zekere hoogte opnieuw doorlopen worden wanneer een individu een nieuwe cultuur binnenkomt. Bij onze onderzoeksgroep van crossculturele sojourners is het van belang de ongelijke machtsverhouding in acht te nemen. Al of niet geïnstitutionaliseerde rechten, plichten, territoriale eisen en rolverwachtingen veroorzaken een belangrijk machtsverschil. De gastcultuur is namelijk dominant en bepaalt het dagelijkse reilen en zeilen, waardoor de culturele aanpassing essentieel van één kant, die van de sojourner, moet komen (Kim, 2001, pp. 54-55; Ward et al., 2000, p.6; Jandt, 2004, p.319).
Ward (1998, pp. 278-279) stelt dat een duidelijk onderscheid moet gemaakt worden tussen de twee dimensies van acculturatie; psychologische en socioculturele aanpassing. Psychologische aanpassingsprocessen hebben te maken met mentaal welzijn en de emotionele tevredenheid. Het theoretische kader van omgaan met onzekerheid en inconsistenties en de U- en W-curves (zie 1.5.1) zal zich vooral op deze dimensie toespitsen. Socioculturele aanpassing duidt op de vaardigheid te passen in en te communiceren met de gastomgeving. In het antropologische kader dat mee de modellen van cultureel leergedrag inspireerde komt vooral deze dimensie naar voor. Ward zal, vanuit zijn ergernis over het feit dat beide dimensies te vaak verward worden, ze in één model integreren waardoor het verschil duidelijker wordt.
We kunnen ook een onderscheid maken tussen acculturatie als een toestand of als een proces. Als een toestand wordt de mate van acculturatie bepaald en gemeten in relatie met cultuurspecifieke cognitieve, affectieve en gedragseigenschappen. Vooral theorieën van culturele en sociale identificatie meten aanpassing op deze manier; cross-sectioneel, op één enkel moment in de tijd en in correlatie met relevante voorspellende variabelen en gevolgen. De bredere context en mogelijke veranderingen worden pas echt mee in rekening gebracht, wanneer acculturatie als proces beschouwd wordt (Ward, 1996, p.124; Ward, Bochner & Furnham, 2001, pp. 32-33). Aangezien het onderwerp van deze verhandeling, het tijdelijke crossculturele verblijf –inclusief de voorbereidings- en de terugkeerfase- , intrinsiek het karakter van een proces in zich draagt, zullen we ons beperken tot theorieën die acculturatie als proces beschouwen. Wanneer we acculturatie als proces beschouwen, vormt een longitudinaal onderzoeksdesign wellicht de meest gepaste onderzoeksmethode. Gezien dit in het licht van deze verhandeling onmogelijk is, zullen we kiezen voor respondenten die zich in de reentryfase van het acculturatieproces bevinden. Bij hen kunnen we immers vragen naar hun ervaringen voor, tijdens en na hun crosscultureel verblijf.
1.3.1. Reentry in het licht van het gehele acculturatieproces
Terugkeren naar huis na een crosscultureel verblijf zou kunnen gezien worden als een terugkeren naar het oude vertrouwde dat een tijdje geleden werd achtergelaten. Onderzoek naar het reentryfenomeen wijst echter uit dat problemen en vragen bij terugkeer even ingrijpend en verwarrend kunnen zijn als de cultuurschok zelf. Voor sommigen is ‘thuis’ dan voor een tijdje even verschillend en vreemd als een ander land. De ervaring in het gastland zorgt er immers vaak voor dat de sojourner is gaan beseffen dat een deel van zijn angsten en opvattingen over het gastland en inzichten in verschillende culturen en het leven in het algemeen, naïef en ongegrond waren. Hierin schuilt echter ook wel het gevaar dat nieuwe stereotypen enkele oude stereotypen vervangen. Hierbij kan zelfs de neiging ontstaan de gastcultuur en het bijhorende gedrag te gaan verdedigen en de eigen landgenoten meer in vakjes te gaan onderverdelen en negatiever te stereotyperen dan voorheen. Zo kan het zijn dat de sojourner verkeerde veronderstellingen en verwachtingen opbouwt over de eigen cultuur. Bij terugkeer wordt dan een gelijkaardige ‘shock’ ervaren als bij de eerdere introductie in de gastcultuur. Zo bekeken kunnen de aanvankelijke cultuurschok en de reentry-schok tot op grote hoogte vergeleken worden. Andere aspecten die vergelijkbaar zijn in deze twee ‘schokken’ zijn onder meer de rol van taal en paralinguïstiek in communicatie met de gastcultuur en doorheen het leerproces, het belang van kennis van de geschiedenis en algemene achtergrond van het gastland, de vele sociale rollen die iemand kunnen worden opgelegd en veranderingen in normen en waardenbesef (La Brack, 1993, pp. 245-258). Beide fenomenen zijn processen van aanpassing aan en integratie in een ander cultureel systeem, van leren en herleren van een cultuur. Deze processen worden steeds gekenmerkt door een gevoel van verlies van wat men gewoon was. In beide fases vinden we bovendien zeer individuele stijlen van omgaan met zo’n acculturatiestress (Martin, 1984, pp. 122-123).
Reentry mag dan ook niet als een geïsoleerd fenomeen beschouwd worden, maar moet bekeken worden in de context van het hele crossculturele leerproces van de interculturele ervaring. Dit proces begint nog voor men vertrekt naar de gastcultuur en eindigt niet bij terugkeer. Martin (1986, p.3) wijst op de noodzaak aan een herziening van het karakter van de reentry-ervaring: niet als een proces dat in voorbepaalde stadia gaat, maar eerder als een proces dat van binnenuit afgebakend wordt, dat kan starten tijdens, of zelfs nog voor het verblijf en het hele leven verder kan gaan. Zij benadrukt dan ook dat de context van de reentry -het hele verblijf, inclusief de voorbereiding- in rekening moet gebracht worden worden.
1.4. Theoretische inbedding: een antropologische, psychologische en sociologische kijk op crossculturele aanpassing
De theoretische invalshoeken die onder deze titel aan bod komen, zijn afkomstig uit een brede waaier van disciplines zoals antropologie, psychologie, sociologie en de linguïstiek. Ze belichten ieder bepaalde aspecten van de culturele aanpassingsprocessen en geven ieder op hun manier een beter begrip van het eigen karakter en de diepgang van de culturele aanpassingsprocessen. Deze theorieën vormen de aanzet om te komen tot de acculturatiemodellen die later zullen worden uiteen gezet.
1.4.1. Antropologisch kader: culturele verschillen
Door het proces van primaire socialisatie in een cultuur, krijgt een persoon al vanaf een vroeg stadium van zijn of haar leven een set van kernwaarden mee, die hij/zij gaat beschouwen als een weerspiegeling van de realiteit en dus als absoluut waar. Deze primaire kernwaarden zijn sterk resistent ten aanzien van verandering. Verschillende culturen leveren een idiosyncratische primaire socialisatie. Het resultaat zijn geloofssystemen die niet universeel gedeeld worden en waarden die lijnrecht tegenover elkaar kunnen staan, maar toch ondersteund worden door een grote groep mensen. Vandaar dat wanneer leden van zulke groepen met elkaar in contact komen, er duidelijk een potentieel conflict in de situatie schuilt (Ward, Bochner & Furnham, 2001, p.10).
Cultuur voorziet mensen dus van gedeelde perceptiekaders en ervaringsomgevingen om de werkelijkheid te vatten en betekenis te geven. Op die manier kunnen mensen makkelijker samenleven omdat ze een gelijkaardige interpretatie geven aan de werkelijkheid. We kunnen ons nu afvragen in hoeverre en waarin die perceptiekaders verschillen tussen bepaalde culturen. Maatschappijen kunnen in principe op een soort van continuüm geplaatst worden afhankelijk van hun afstand tot elkaar op het vlak van culturele syndromen. Dit zijn patronen van attitudes, overtuigingen, normen en gedragingen. De culturele afstandshypothese voorspelt dat des te groter de afstand is tussen de deelnemers aan interculturele contactsituaties, des te meer problemen zij zullen ondervinden bij dit contact (Ward, Bochner & Furnham, 2001, p. 9-10). We zullen nu enkele belangrijke en invloedrijke culturele syndromen aan bod brengen om een dieper inzicht te bieden in de manier waarop culturen verschillen.
1.4.1.1. Toenaderingsgedrag
Toenaderingsgedrag kunnen we omschrijven als die handelingen die warmte, nabijheid en communicatieve bereidheid communiceren. Culturen verschillen in de mate waarin hun leden toenadering, nabijheid en zintuiglijk contact zoeken. Culturen die meer dan gemiddeld interpersoonlijke toenadering vertonen, onder meer door verhoogd zintuiglijk contact, worden door Andersen (1999, pp. 83-84) contact culturen genoemd. In deze culturen gaan mensen bijvoorbeeld dichter bij elkaar staan, raken ze elkaar meer aan en zijn expressiever dan mensen in noncontact culturen. Mensen uit noncontact culturen voelen zich daarentegen beter bij een grotere afstand, niet te veel lichamelijk contact en minder nonverbale expressie. Onderzoek wijst uit dat Indonesië, de Arabische en Noord-Afrikaanse landen, de Mediterrane landen, het Midden Oosten, Oost-Europa en zowat heel Zuid-Amerika tot de contact culturen kunnen gerekend worden. Het grootste deel van Noord-Europa, Angelsaksisch Amerika en bijna elk Aziatisch land herbergen culturen die gesteld zijn op meer afstand. Oceanië houdt de middenweg.
1.4.1.2. Individualisme versus collectivisme
Hofstede bepaalde na onderzoek bij 100 000 werkers in multinationale organisaties in 40 verschillende landen vier waardendimensies waarop culturen kunnen verschillen. Eén van de meest fundamentele dimensies is de mate waarin de diepe waarden en normen van een samenleving individualisme of collectivisme benadrukken. Hoewel elke cultuur individualistische en collectivistische aspecten heeft, gaat een individualistische cultuur hoofdzakelijk uit van het individu als belangrijkste eenheid, terwijl een collectivistische cultuur vooral de groep als eenheid waardeert. Individualistische culturen hechten veel belang aan individuele ontwikkeling, persoonlijke ruimte, privacy, vrijheid en democratie. Mensen in deze culturen uiten makkelijk hun persoonlijke emoties, vertrouwen op individuele oordelen en streven vooral naar persoonlijke ontplooiing. Collectivistische culturen waarderen contact, verbondenheid, samenhorigheid en plichtsbewustheid. Zij verwachten dat de groep zorg draagt voor haar leden. Ze onderdrukken vaker persoonlijke emoties, maar vertonen meer nonverbaal gedrag dat de groep ten goede komt en het samenhorigheidsgevoel bevordert. België behoort volgens het onderzoek van Hofstede in 1982 samen met onder meer de VS, Australië, Groot-Brittannië, Canada, Nederland, Italië en Denemarken tot de tien meest individualistische landen. Venezuela, Colombia, Pakistan, Peru, Taiwan, Singapore, Chili en Hongkong komen als de meest collectivistische landen uit het onderzoek (Andersen, 1999, pp. 87-89; Samovar et al. 1998, p. 66-69).
1.4.1.3. Vermijden van onzekerheid
Aan de basis van deze tweede dimensie van Hofstede ligt het feit dat de toekomst onvoorspelbaar is. Sommige culturen houden niet van dubbelzinnigheid en onzekerheid. Mensen uit deze culturen geloven dat ze door vast te houden aan bepaalde regels en overtuigingen en door zo weinig mogelijk risico’s te nemen de onzekerheid van het leven kunnen reduceren. Zij worden ook gekenmerkt door een hoger niveau van angst en stress. Voorbeelden van onzekerheid vermijdende landen zijn volgens Hofstede Portugal, Griekenland, Peru, België en Japan. Deze maatschappijen worden gekenmerkt door veel reguleringen, rigide planningen, rituelen en ceremonies die een zekere structuur in het leven brengen.
Landen die makkelijker de onzekerheid van het leven aanvaarden en zich minder bedreigd voelen door afwijkingen van de regels en de planningen zijn bijvoorbeeld Zweden, Denemarken, Ierland, Noorwegen, VS, Finland, Nederland en Hong Kong. Hier vinden we minder appreciatie voor hiërarchie en regulering, meer zin voor initiatief en flexibiliteit en een meer ontspannen manier van leven (Andersen, 1999, p. 97; Samovar et al., 1998, pp. 69-71).
1.4.1.4. Afstand tot en aanvaarding van macht
De Power Distance Index (PDI) van Hofstede duidt op de mate waarin een ongelijke verdeling van macht, prestige en rijkdom aanvaard wordt. Culturen met een hoge score op de PDI –onder meer India, Brazilië, Singapore, Mexico en de Filippijnen- geloven dat macht en autoriteit eigen zijn aan de menselijke natuur. Zij leren van kleins af aan dat mensen niet gelijk zijn, maar dat iedereen zijn eigen rechtmatige plaats heeft in de wereld. Sociale hiërarchie is geïnstitutionaliseerd in het dagelijkse leven en opvallend aanwezig in interactiesituaties. In landen met een lage score op Hofstede’s PDI heerst de overtuiging dat ongelijkheid geminimaliseerd moet worden. Mensen willen het gevoel hebben dicht bij de macht te staan en er zelf toegang tot te hebben. In essentie zijn mensen gelijk, superieuren en ondergeschikten trachten dan ook samen te werken op basis van gelijkwaardigheid.
De machtigen houden rekening met de machtelozen zodat ze in harmonie kunnen samenleven. Voorbeelden van landen met een lage PDI-score zijn Oostenrijk, Israël, Denemarken, Zweden, Finland en Zwitserland (Andersen, 1999, pp.94-96; Samovar et al., 1998, p. 71).
1.4.1.5. Mannelijkheid versus vrouwelijkheid
De laatste van Hofstede’s waardendimensies wijst op het feit dat een groot deel van ons idee over mannelijkheid en vrouwelijkheid cultureel bepaald is. In de meeste culturen worden mannen gesocialiseerd in zogezegde mannenrollen die macht en dominantie benadrukken. Vrouwen worden vaak gesocialiseerd in traditionele vrouwenrollen die eigenschappen als zorgzaamheid en empathie benadrukken. De genderoriëntatie van een cultuur wijst dan op de mate waarin aspecten van mannelijkheid of vrouwelijkheid in een cultuur aanwezig zijn. Culturen waarin de dominante waarden geassocieerd worden met ambitie, gedifferentieerde sekserollen, prestatie, competitie en geldgewin zijn mannelijke samenlevingen. Voorbeelden zijn Japan, Oostenrijk, Italië, Mexico, Ierland en de Fillipijnen. Culturen die vrouwelijkheid waarderen, benadrukken zorgende en medelevende waarden en gedragingen. De sekserollen zijn minder rigide, aangezien ze ervan uit gaan dat mannen niet assertief hoeven te zijn en dat ze ook voedende rollen op zich kunnen nemen. Mensen zijn belangrijk en men heeft oog voor de minderbedeelde medemens. Voorbeelden van vrouwelijke culturen zijn Zweden, Noorwegen, Nederland, Denemarken, Joegoslavië en Finland (Andersen, 1999, pp. 91-93; Samovar et al., 1998, pp.71-72).
1.4.1.6. Hoge context versus lage context
De laatste culturele dimensie die we wensen te behandelen wijst op de mate waarin de betekenis van een interactiesituatie ofwel volgt uit de setting en de situationele context ofwel volgt uit de gesproken woorden die worden uitgewisseld. Cultuur bepaalt waaraan we aandacht besteden en waarmee we het meest betekenis communiceren. Volgens Hall is een hoge context (HC) boodschap ‘one in which most of the information is either in the physical context or internalized in the person, while very little is in the coded, explicit, transmitted parts of the message’. In een lage context (LC) boodschap wordt het merendeel van de informatie doorgegeven via een expliciete communicatieve code (Andersen, 1999, p. 99).
In HC culturen worden interactiesituaties automatisch voorzien van een veronderstelde, gedeelde context die steunt op gedeelde ervaringen. Mensen zijn zich bewuster van de betekenis van hun omgeving en van de boodschappen die daaruit voortvloeien. Betekenis wordt veel meer gecommuniceerd doorheen gebaren, het gebruik van ruimte, stilte en zelfs status, dan via woorden. De meest extreme HC culturen zijn vooral Aziatische landen als China, Japan, Zuid-Korea en Taiwan. In LC culturen steunen mensen minder op gedeelde ervaringen, waardoor ze nood hebben aan genoeg achtergrondinformatie telkens ze met iemand communiceren. Verbale boodschappen bevatten dan ook de meeste informatie. Mensen van LC culturen zijn vaak minder vaardig in het nonverbaal uitdrukken en opmerken van betekenissen. De meest extreme LC culturen zijn onder meer Duitsland, Zwitserland, VS, Zweden, Noorwegen, Finland en Canada (Andersen, 1999, pp. 99-100 Samovar et al., 1998, pp. 79-81).
1.4.1.7. Verbale en nonverbale communicatie
Zoals blijkt uit het voorgaande komen de verschillen in bovenstaande culturele dimensies vooral tot uiting in aspecten van verbale en nonverbale communicatie. Elke link tussen bovenstaande culturele dimensies en specifieke culturele gebruiken van verbale en nonverbale communicatie uiteenzetten, valt buiten het bestek van deze verhandeling. Met enige verbeelding kan de lezer zelf enkele linken leggen tussen bovenstaande culturele dimensies en de hieronder uiteengezette culturele verschillen in verbale en nonverbale communicatie.
Het meest opvallende verschil tussen landen en culturen is wellicht de taal. Dit verschil is ons inziens ook het makkelijkst te overbruggen, door het aanleren van de taal van het gastland. Een voldoende kennis van de grammatica en het vocabularium moet de taalgebruiker in staat stellen verstaanbare zinnen op te bouwen. Moeilijker om aan te leren is de verbale communicatiestijl waarmee een cultuur neigt te communiceren. Deze communicatiepatronen worden immers meestal niet uitgedrukt in concrete regels en moeten dus proefondervindelijk, met vallen en opstaan geleerd worden. Gudykunst & Ting-Toomey (1988, pp.100-113) onderscheiden vier stilistische dimensies van verbale communicatie. (1) De direct-indirecte dimensie verwijst naar de mate waarin interactiepartners hun ware bedoelingen verbergen tijdens de expliciete verbale communicatie. Directe sprekers gebruiken verbale boodschappen die de ware intenties, wensen, noden en verlangens van de spreker communiceren. Een indirecte stijl bestaat eerder uit boodschappen die de ware bedoelingen van de spreker camoufleren, er als het ware doekjes om winden. (2) Mensen kunnen ten tweede ook een uitgebreide, een exacte of een onderdrukte communicatiestijl gebruiken. Bij de uitgebreide stijl wordt vooral een rijke en expressieve taal gebruikt. Bij de exacte stijl gaan de interactiepartners er van uit dat men in een verbale interactie niet meer of minder verbale informatie moet geven dan nodig. Een onderdrukte communicatiestijl maakt dan weer vooral gebruik van understatements, pauze en stiltes. (3) De persoonlijke verbale stijl is een stijl die het individu centraal stelt en stilistische middelen gebruikt om het gevoel van de ik-identiteit te bevorderen. De contextuele stijl is daarentegen een stijl die de rol van de context centraal stelt en linguïstische stijlfiguren gebruikt om die rol te benadrukken. (4) Ten slotte onderscheiden Gudykunst & Ting-Toomey ook de instrumentele en de affectieve verbale stijl. De instrumentele stijl is georiënteerd op de zender en het doel dat deze voor ogen heeft. De affectieve stijl legt de nadruk op het communicatieproces zelf en op het effect bij de ontvanger. De instrumentele stijl gebruikt vooral het digitale niveau van de taal, terwijl de affectieve stijl vooral via het analoge niveau van de taal communiceert.
Misschien nog belangrijkere -en echter ook moeilijker aan te leren- culturele verschillen vinden we op het niveau van de nonverbale communicatie. Een heel groot deel van wat we bewust of onbewust aan onze medemensen communiceren gebeurt immers nonverbaal en wordt doorheen culturele socialisatie aangeleerd. Voor het gebruik bestaan echter meestal geen expliciet uitgedrukte regels. Mensen internaliseren gedurende de vroege fasen van hun leven deze impliciete normen zodat ze op een quasi automatische manier hun nonverbaal gedrag gaan reguleren. Een opsomming van de domeinen waarop mensen kunnen verschillen in de manier waarop ze nonverbaal betekenissen communiceren, maakt duidelijk dat dit aanleren van nonverbale communicatiepatronen een langdurig, maar belangrijk aspect is van het culturele leerproces. Allereerst kunnen mensen verschillen in hun fysiek voorkomen. Niet alleen huidskleur, grootte, en lichaamsbouw maar ook kleding en attributen brengen ons iets bij over de persoon die we zien. Onder de noemer kinesics vallen alle communicerende lichaamsbewegingen zoals gezichtsuitdrukkingen en gebaren. Oculesics omvatten dan weer alle oogbewegingen die informatie kunnen uitwisselen. Proxemics verwijzen naar het gebruik van de ruimte. De manier waarop mensen ruimte als hun territorium beschouwen en hierover communiceren met anderen, maar ook de bevolkingsdichtheid, de drukte op openbare plaatsen en het gebruik van persoonlijke ruimte en interpersoonlijke afstand tijdens interacties zijn hier voorbeelden van. Ook wat het gebruik van tijd betreft, chronemics, kunnen culturen verschillen. Hall (1984) maakte een onderscheid tussen monochrone culturen en polychrone culturen. In monochrone culturen proberen mensen zich te houden aan de tijdsplanningen die ze opstellen en slechts één ding tegelijk te doen. Polychrone culturen hebben in vergelijking met de monochrone culturen weinig aandacht voor rigide schema’s en hebben een voorkeur voor informele interactiesituaties. Zij stellen mensen en de context van het moment centraal in hun activiteiten en kunnen zich met verschillende dingen tegelijk bezig houden. Ten slotte verschillen mensen ook in de hoeveelheid en de aard van aanraking die ze wensen te hebben of wensen te vermijden. Deze verschillen vallen onder de noemer haptics (Andersen, 1999, pp. 31-46, 76-80).
1.4.1.8. Besluit
Met dit alles wordt het duidelijk dat des te groter de verschillen in de bovenstaande culturele dimensies en in de patronen van verbale en nonverbale communicatie, des te moeilijker het zal zijn voor een vreemdeling om de betekenis en het gebruik van de communicatiepatronen te achterhalen en te gebruiken. Wil men als een normaal functionerend persoon in de samenleving ervaren worden dan zal het echter nodig zijn zoveel mogelijk van deze cultureel bepaalde patronen te kennen en eventueel te gebruiken.
Ten slotte willen we nog enkele belangrijke bedenkingen meegeven bij deze culturele verschillen. Onderzoekers zoals Hofstede hebben getracht culturen in te delen op enkele, weliswaar zeer belangrijke, maar veel te rigide culturele dimensies. Maatschappijen zijn, zeker in onze globaliserende wereld, vaak helemaal niet meer zo homogeen qua samenstelling. Eerst en vooral zorgen toenemende migratiestromen voor steeds meer diversiteit, wat leidt tot multiculturele samenlevingen waarin het moeilijk wordt deze culturele patronen te onderzoeken. Bovendien kunnen door culturele veranderingen ook grote verschillen ontstaan tussen verschillende groepen binnen een cultuur. Generatiekloven tussen jongeren en ouderen situeren zich niet zelden op het vlak van de waarden die hierboven aangeduid werden als culturele dimensies. Zo zoeken jongeren vaak meer toenadering, durven ze meer risico’s te nemen en hebben ze meer de neiging naar machtsgelijkheid te streven. Ook mannen- en vrouwenrollen kunnen in grote mate variëren tussen de verschillende bevolkingsgroepen van een cultuur. Naast leeftijd kunnen ook andere demografische kenmerken zoals klasse of opleiding belangrijke verschillen op deze waardendimensies veroorzaken. Dat Hofstede zijn onderzoek uitvoerde bij werknemers van multinationale bedrijven, bij wie we een grote consistentie op het vlak van demografische variabelen kunnen verwachten, kan dus als een fundamenteel geldigheidsprobleem beschouwd worden. Tot slot kunnen we ook nog opmerken dat het postmoderne individu steeds minder zijn doen en laten laat bepalen door zulke culturele bepalingen. In postmoderne samenlevingen lijkt het individu losser te staan van de culturele gemeenschap waarin deze culturele dimensies gesitueerd moeten worden. Op dit aspect zullen we later nog terugkomen.
Onder meer vanuit deze kritiek, zullen we deze culturele dimensies niet als richtlijnen beschouwen voor het bepalen van het verschil tussen onze cultuur en de gastcultuur van de sojourners in ons onderzoek in deel 3. We zullen hen dan ook niet vragen of ze deze specifieke culturele verschillen hebben opgemerkt in hun gastland. Eerder zullen we deze culturele dimensies gebruiken om de door de respondenten spontaan opgemerkte culturele verschillen te duiden.
1.4.2. Psychologische kader: Omgaan met verandering, angst, onzekerheid en cognitieve dissonantie
Eerst en vooral kunnen we opmerken dat acculturatie opmerkelijke gelijkenissen vertoont met de spanningen en angsten die we ervaren wanneer verandering de stabiliteit van ons leven bedreigt. Bennet (1977, pp. 215-217) pleit er dan ook voor om een cultuurschok te zien als een subcategorie van overgangservaringen, die allemaal een zeker verlies en angst voor veranderingen inhouden. Andere overgangservaringen zijn bijvoorbeeld afstuderen en aan het werk gaan, scheidingen en sterfte van een vriend of nauwe verwant. De zorgen, desoriëntatie en de nood aan aanpassing die deze veranderingen met zich meebrengen hebben vaak een choquerend karakter. Een cultuurschok is dus een overgangsschok met een crossculturele context. Het is deze crossculturele context die we in dit deel verder gaan bestuderen vanuit een psychologische invalshoek.
1.4.2.1. Het reduceren van onzekerheid
Dankzij cultureel bepaalde gedragsnormen en interactieregels kunnen mensen verwachtingen stellen omtrent het gedrag van anderen. Onze leefwereld wordt anderzijds toch gekenmerkt door een voortdurende onzekerheid. Wat in de toekomst gebeuren zal, kan immers nooit voor honderd procent zeker geweten zijn. Volgens de zogenaamde Uncertainty Reduction Theory trachten mensen te anticiperen op de wijze waarop anderen zich zullen gedragen om een stukje van deze bedreigende onzekerheid weg te nemen. Wanneer we geconfronteerd worden met mensen uit andere culturen, die hun gedrag laten leiden door andere interactieregels en normen, is het echter moeilijk om de juiste voorspellingen te maken en informatie over wat men kan verwachten te verzamelen. Als men niet begrijpt wat de informatie betekent, is het moeilijk deze te gebruiken om onzekerheid te reduceren (Samovar, Porter & Stefani, 1998, p. 249). Aanvankelijk zullen de meeste mensen de interactiesituaties trachten te interpreteren en te voorspellen aan de hand van hun eigen cultureel bepaalde interactieregels. Wanneer ze echter herhaaldelijk geconfronteerd worden met schendingen van hun verwachtingen, komt het besef dat de omgeving helemaal niet zo voorspelbaar is als verwacht. We kunnen ons nu afvragen hoe mensen die in een vreemde cultuur terecht komen, omgaan met deze geschonden verwachtingen en de toegenomen onzekerheid in alledaagse situaties.
De Nonverbal Expectancy Theory stelt dat schendingen van verwachtingspatronen een significante impact kunnen hebben op de communicatie. Gewoonlijk wordt afwijkend of onverwacht verbaal en non-verbaal gedrag negatief ervaren, hoewel sommige schendingen ook aangename verrassingen kunnen zijn. (Burgoon & Walther, 1990, p. 132). In de lijn hiervan wijzen we op de zogenaamde Similarity- Attraction –hypothese die stelt dat mensen meer geneigd zijn de aanwezigheid te verkiezen van mensen met wie ze belangrijke karakteristieken delen zoals interesses, waarden, religie, groepslidmaatschap, vaardigheden, fysieke kenmerken, leeftijd, taal, etc. (Ward, Bochner & Furnham, 2001, p. 8). Gezien de culturele bepaaldheid van communicatieve regels en normen, wordt interculturele communicatie meestal gekenmerkt door een overvloed aan schendingen van dergelijke verwachtingspatronen. Bovendien gebeurt intercultureel contact noodzakelijk tussen mensen die minstens op sommige van deze karakteristieken verschillen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat interculturele interactie aanvankelijk als negatief of afschrikwekkend ervaren wordt. Op zoek gaan naar mensen die in hetzelfde schuitje zitten, of gewoon mensen met eenzelfde culturele achtergrond, lijkt logisch in de lijn van deze theorieën en hypotheses.
1.4.2.2. Omgaan met geschonden verwachtingen en cognitieve dissonantie
Eens geconfronteerd met enkele schendingen van verwachtingen omtrent interactiepatronen, zal het individu te maken krijgen met onzekerheid en angst. Dit zijn belangrijke factoren voor het begrijpen van effectieve interculturele communicatie en crossculturele aanpassing. Vreemdelingen zijn onzeker over de attitudes, gevoelens, overtuigingen, waarden en gedragingen van de gastheer/-vrouw. Ondanks het feit dat ze vele van de belangrijke interactienormen niet kennen of begrijpen, moeten ze toch trachten in te schatten welke van de alternatieve antwoordpatronen de gastheer/-vrouw wil gebruiken en waarom, om zodoende hun onzekerheid te verminderen. Bovendien zijn ze ook nog onzeker en angstig over wat gaat gebeuren als ze zelf communiceren. Een voldoende hoog angst- en onzekerheidsniveau zet de vreemdelingen aan oplettend te communiceren met inwoners van het gastland om zo verklaringen voor hun gedragingen te vinden en juiste voorspellingen te kunnen maken. Wanneer het angstniveau echter te hoog is zodat face-to-face interactie met de inwoners te veel stress veroorzaakt om een effectieve leerervaring mogelijk te maken, kunnen media een voorlopige oplossing bieden. Zij kunnen immers een veilige ruimte bieden waarin de vreemdeling -zonder angst voor het maken van fouten- tot op zekere hoogte kan leren over de gastcultuur (Gudykunst, 1998, pp. 227-250).
Dit aspect van de media zal in het tweede deel uitgebreider aan bod komen onder de noemer ‘op zoek naar consistentie of variatie?’. Hier geven we slechts een korte schets van de cognitieve dissonantie theorie waaruit zowel Donohew & Tipton (zie 2.4.2) als Martin (1993, pp. 304-305) inspiratie putten. De overheersende stelling in deze theorieën is dat mensen streven naar interne consistentie. Martin ziet culturele aanpassing dan ook als het streven van het individu naar interne consistentie bij het omgaan met conflicterende culturele systemen. Wanneer individuen in contact komen met nieuwe manieren van denken en handelen hebben ze keuze uit drie mogelijke antwoordpatronen om cognitieve dissonantie te vermijden: (1) de nieuwe stimuli van waarden, attitudes en denkpatronen verwerpen als ongeldig of onaanvaardbaar, (2) de eigen denk- en gedragspatronen aanpassen aan de nieuwe stimuli, of (3) de nieuwe stimuli negeren (Gullahorn & Gullahorn, 1963, p. 37).
Bennet (1977, p. 49) beschouwt de cultuurschok dan als een defensiemechanisme, een reactie op cognitieve inconsistentie die ontstaat wanneer het individu de nieuwe omgeving probeert te interpreteren met behulp van referentiekaders uit de eigen cultuur. Wanneer de inconsistentie wordt opgelost door een vasthouden aan de eigen vertrouwde zienswijzen –en dus door het verwerpen of negeren van de nieuwe stimuli- resulteert dit in een cultuurschok als blijkt dat effectieve interactie uitblijft. Wanneer zienswijzen worden aangepast om beter in de culturele omgeving te passen, resulteert dit in culturele aanpassing.
Het is interessant het voorgaande door te trekken naar de terugkeerfase van de crossculturele sojourner. Wellicht in tegenstelling tot bij het vertrek, verwacht de sojouner immers zich thuis te voelen in zijn oude vertrouwde omgeving. Als die thuisomgeving anders is dan men zich had voorgesteld of als vrienden en familieleden anders reageren dan verwacht, kan dit leiden tot negatieve gevoelens naar de eigen omgeving en meer algemeen, naar de eigen cultuur toe (Martin, 1993, pp. 305-308). Van belang voor een makkelijke terugkeer zijn dus juiste verwachtingen over het thuisfront om cognitieve dissonantie te voorkomen.
1.4.2.3. Crossculturele aanpassingspatronen
Om hun psychologisch welzijn veilig te stellen, zullen sojouners die geconfronteerd worden met cognitief dissonante crossculturele ervaringen, een antwoord moeten vinden op de stress en affectieve verwarring die deze eventueel met zich meebrengen. De manier waarop het individu dit doet hangt af van persoonlijke karakteristieken, maar ook van kenmerken van de situatie en van de gastcultuur in het algemeen. Al deze kenmerken kunnen de aanpassing aan het nieuwe culturele milieu vergemakkelijken of verhinderen (Ward, Bochner & Furnham, 2001, pp.31-32). Op macroniveau zijn enkele eigenschappen van de eigen samenleving en van de gastomgeving van belang zoals onder meer sociale en politieke factoren, demografische eigenschappen zoals etnische samenstelling, mate van cultureel pluralisme en aanvaarding van etnische en culturele ‘out-groepen’. Op het microniveau zijn persoonlijkheid, culturele kennis, communicatieve vaardigheden en de neiging tot- en manier van aanpassen van belang.
Sommige onderzoekers hebben getracht typische aanpassingspatronen te onderscheiden, om zo types te identificeren gaande van mensen die makkelijk aanpassen tot mensen die veel aanpassingsmoeilijkheden ondervinden. Sommige sojourners blijven handelen alsof ze in eigen land zijn. Brislin (1981, pp. 277-279) duidt hun omgangsstijl aan als niet-aanvaarding. Verder zijn er sojourners die de antwoorden aanleren en overnemen die de leden van de gastcultuur als het meest gepast beschouwen, hetgeen door Brislin substitutie genoemd wordt. Toevoeging verwijst naar een meer selectief gebruik van de nieuw aangeleerde kennis en interactiepatronen. Deze individuen beoordelen in elke situatie afzonderlijk welk gedrag gepast is om uiteindelijk te beslissen of ze zullen handelen zoals ze thuis zouden doen of zoals men in het gastland doet. Zij maken bijvoorbeeld het onderscheid tussen eigen landgenoten en inwoners van het gastland. Bij synthese combineert de sojourner elementen uit de verschillende antwoordpatronen in één handeling. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het individu eervoorschriften tracht te respecteren, zonder daarin zo ver te gaan dat deze handelingen het ons typerende zelfrespect aantasten.
1.4.3. Sociologisch kader: sociale categorisering via lidmaatschapsgroepen en postmoderne individualiteit
1.4.3.1. Het menselijke streven naar affectie en sociale erkenning
Naast culturele verschillen, die via een cultureel leerproces overbrugd kunnen worden en het psychologische welzijn van de sojourner, dat afhankelijk is van de manier waarop hij/zij omgaat met de cognitieve dissonantie die deze verschillen veroorzaken, moeten we ook rekening houden met een sociologische factor om de volledige draagwijdte van crossculturele ervaringen te begrijpen. Mensen zijn immers lid van verschillende maatschappelijke groepen. Dit kan gaan van statusgroepen tot jeugdverenigingen en studentenorganisaties en van kerkelijke parochies tot beroepsverenigingen. Lidmaatschap van zulke groepen voorziet het individu in één van de menselijke basisnoden, namelijk die van interactie met en aanvaarding door andere mensen.
Brislin (1981, pp. 110-112) onderscheidt twee soorten groepen. Een lidmaatschapsgroep is een verzameling van individuen die op frequente basis via face to face interactie met elkaar communiceren. Ze engageren zich in activiteiten en interacties vanuit wederzijdse interesse of belangen. Leden gedragen zich volgens welgedefinieerde normen rond wat gepast en ongepast is, geven om elkaar en worden verondersteld voor mekaar op te komen in moeilijkheden. Groepen kunnen bovendien de alternatieven beperken die een individu in overweging neemt op beslissingsmomenten. De motivatie om deel uit te maken van een lidmaatschapsgroep ligt in het ontvangen van affectie en vriendschap, het verlangen naar prestige en zelfvertrouwen, het wegvluchten uit sociale isolatie. Een referentiegroep kan omschreven worden als een groep die het individu waardeert. Dit kan een lidmaatschapsgroep zijn of een ruimere groep. Hoe groter de compatibiliteit tussen de persoonlijke waarden van het individu en de waargenomen waarden van de groep, hoe groter de kans dat het individu de groep als referentiegroep zal beschouwen. Vele sojourners reizen alleen naar het buitenland. Ver weg van vrienden en familie, voelen ze de drang om enerzijds lid te worden van nieuwe groepen in het gastland om hun sociale isolatie te doorbreken en hun nood aan affectie, vriendschap en zelfvertrouwen in te vullen. Anderzijds zullen ze de banden met de achtergelaten groepen willen onderhouden.
1.4.3.2. De theorie van het sociaal kapitaal
Als centraal idee in zijn theorie over sociaal kapitaal stelt Putnam (2000, pp. 18-19, 20) dat sociale netwerken een onvervangbare waarde hebben. Mensen die in sociale netwerken ingebed zijn, halen vaak veel voordelen uit de wederzijdse betrouwbaarheid en de norm van wederkerigheid die uit hun lidmaatschap voorvloeit. In een goed werkend sociaal netwerk moet iemand geen materiële beloning verwachten om iets te doen voor een ander. Als lid van dat sociale netwerk kan het individu immers verwachten dat de bevoordeelde persoon of een willekeurige andere ook wel eens iets voordeligs voor hem of haar zal doen. Dit proces van impliciete wederzijdse verplichtingen noemt men algemene reciprociteit. Het lijkt bevorderd te worden door frequente interactie tussen een groep van mensen.
Putnam schreef zijn Bowling Alone: the collapse and revival of the American community vooral uit bezorgdheid over de achteruitgang van het sociale kapitaal in onze samenlevingen. Een goed werkende maatschappij heeft immers nood aan burgerlijk engagement en daaraan kan sociaal kapitaal een niet onbelangrijke bijdrage leveren. Voor ons van groter belang is het individuele voordeel dat mensen halen uit deze sociale netwerken. De jongeren in ons onderzoek maken immers de beslissing zich voor een periode los te rukken uit hun vertrouwde sociale omgeving en naar een samenleving te trekken waarin ze aanvankelijk geen familiale of vriendschappelijke banden hebben om op terug te vallen. Vriendschapsfilosoof C.S. Fischer merkt op dat: ‘Social networks are important in all our lives, often for finding jobs, more often for finding a helping hand, companionship, or a shoulder to cry on’ (Putnam, 2000, p.20). We kunnen dan ook nagaan bij wie sojourners terecht kunnen als ze nood hebben aan gezelschap, een luisterend oor, een troostende schouder en voor zowat alle hulp in het dagelijkse leven. Gezien het belang van sociale netwerken, kunnen we verwachten dat zij zullen trachten in hun gastland ook zulke voordelige sociale banden op te bouwen.
Sociaal kapitaal kan op verschillende manieren mensen verenigen. Wanneer het sociale kapitaal in een groep naar binnen toe gericht is, lijkt dit het ontstaan van homogene sociale groepen en een sterk gevoel van trouw en verbondenheid op te wekken tussen de exclusieve leden van de groep. Het nadeel van dit ‘bonding social capital’ –zoals Putnam deze vorm van sociaal kapitaal noemt- is dat ze ons opsluit in onze eigen beschermende bolster en een sterke afkeer kan teweeg brengen voor alles wat niet tot de eigen groep en haar identiteit behoort. Putnam spreekt van ‘bridging social capital’ wanneer de sociale banden van de groep naar buiten gericht zijn en mensen over verschillende sociale kloven heen kunnen verbinden. Zo kan deze vorm van sociaal kapitaal de norm van algemene wederkerigheid opwekken tussen mensen met heel verschillende identiteiten. Deze kloven en bruggen in het sociale kapitaal vormen voor ons een interessant aspect van de crossculturele ervaring. Sojourners komen onvermijdelijk in aanraking met zulke sociale kloven (Putnam, 2000, pp.22-23). Hoe en in welke mate gaan jongeren trachten de bruggen met vrienden en familie thuis te onderhouden? Hoe en in welke mate slagen ze erin als buitenstaander nieuwe sociale banden op te bouwen en een plaats te vinden in een gemeenschap met reeds sterk ontwikkelde sociale netwerken? Zijn de nieuw opgebouwde sociale banden belangrijk genoeg om te onderhouden na terugkeer en om bruggen met het gastland te blijven voorzien in het verdere leven van de sojourner?
1.4.3.3. Het laatmoderne gefragmenteerde individu: zwevend tussen conformiteit en uniciteit
Het sociologisch onderzoekskader lijkt vooral aandacht te schenken aan collectieve vormen van identiteit. Referentiegroepen, conformiteit, rollen, sociale netwerken, ingroup en outgroup zijn begrippen die reeds aan bod kwamen. Zij wijzen allen op vormen van sociale, culturele of nationale identiteit. Alleen in het psychologische kader in paragraaf 1.4.3. vonden we reeds een notie van de identiteitsprocessen die zich afspelen binnen het individu. Daarom willen we in deze paragraaf focussen op het feit dat elk individu ook zijn eigen persoonlijke identiteit met zich meedraagt, met een eigen verleden, gedachten, plannen en dromen. Dit denken over het individu en zijn/haar identiteit zal ook een soort van synthese vormen van de dingen die in de verschillende theoretische kaders naar voren kwamen.
De centrale structuren en processen die het moderne individu van een vast ankerpunt in de sociale realiteit en een bijhorend betekenisgevend kader voorzagen, lijken in onze huidige samenleving in verval. De oude stabiele groepsidentiteiten gebaseerd op gender, klasse, etniciteit en nationaliteit verbrokkelen. In de plaats komt een gefragmenteerd cultureel landschap waarin een éénduidige identiteit quasi onmogelijk is geworden. Hall (1992) spreekt van een ‘crisis of identity’. Doorheen de geschiedenis van het denken over het individu en zijn identiteit kunnen we een evolutie waarnemen. Vroege denkers als Descartes zagen het individu als een verlicht subject. Het verlichte individu wordt beschouwd als een inhoudelijke eenheid die rationeel en autonoom kan handelen. Door de complexere interdependentie van de moderne maatschappij en haar structuren, veranderde de verhouding van het individu tot de maatschappij en werd ook het denken over het individu complexer. Men zag in dat een individu niet louter autonoom kan handelen of zijn leven van betekenis kan voorzien. De identiteit van het sociologisch gedachte individu wordt dan ook gevormd in relatie met significante anderen. Overeenkomstig de inzichten van het symbolisch interactionisme, staat de mens voortdurend in interactie met zijn omgeving. Waarden, betekenissen en symbolen ontstaan in de sociale omgeving van het individu. Op die manier krijgt dit sociologisch individu een collectieve vorm van identiteit. In de late moderniteit wijzigt echter de aard van de sociale veranderingen. Door de constante, elkaar in steeds sneller tempo opvolgende veranderingen, vindt er een transformatie plaats van tijd en ruimte. De globalisering van onze samenleving zorgt voor het ontstaan van een wereldwijde verbondenheid. Mede door de toegenomen transport- en telecommunicatiemogelijkheden worden sociale relaties uit hun lokale interactiecontext gerukt en heropgebouwd zonder welbepaalde tijd- of plaatscriteria. De wereld van de late moderniteit lijkt door elkaar geschud en wordt gekenmerkt door interne verschillen, sociale breuken en tegenstellingen. Het gevolg is dat het postmoderne individu geconfronteerd wordt met een oneindig aantal mogelijke subjectposities. De identiteit die het individu vroeger van een duidelijke sociologische kern voorzag lijkt uiteen te vallen in verschillende, niet permanente en soms contradictorische deelidentiteiten. Ernesto Laclau (1990) ziet dit gefragmenteerde individu als een ‘dislocated structure’: ‘one whose centre is displaced and not replaced by another but by a plurality of power centres’ (Hall, 1992, pp. 274-278).
Ook Hijmans (2003, pp.114-117) ziet in dat identiteit van het huidige individu een begrip is dat op verschillende manieren kan benaderd worden en dat al deze benaderingen een deeltje van de waarheid weergeven. Met haar Dynamisch Identiteitsmodel –hierna voorgesteld als het DIM en schematisch weergegeven in bijlage 1.1. - wil zij vanuit een metatheoretische benadering een overkoepelend perspectief bieden waarin het veelzijdige karakter van de identiteit van het laat moderne individu tot zijn recht komt. Ook zij vertrekt vanuit het symbolisch interactionistische standpunt dat een mens verschillende, situationeel bepaalde deelidentiteiten heeft. Identiteit kan gaan over het ervaren van een unieke persoonlijkheid die ondanks de fragmentatie van onze moderne levenswijze in balans is (psychologisch); of over in- en uitsluitingsprocessen, zoals ze vooral door maatschappelijke minderheden aangevoeld worden (sociologisch); of over de strijd naar culturele eigenheid en nationale eenheid (antropologisch). Deze voorbeelden maken duidelijk dat identiteit enerzijds een streven is naar contrast, door het benadrukken van de eigenheid van het individu of de groep ten opzichte van anderen. Anderzijds is het ook een poging tot het aanbrengen van eenheid tussen de verschillende leden van de groep of in het individu zelf tussen zijn of haar verschillende deelidentiteiten. Elk individu leeft bovendien ook in een spanningsverhouding, namelijk die van het individu als uniek persoon of het individu als lid van verschillende sociale verbanden.
Het werd reeds duidelijk bij de uiteenzetting van de theorie van het sociaal kapitaal van Putnam dat het individu zich als lid van een sociale groep veilig en thuis voelt en het gevoel heeft dat zijn/haar leven zin en betekenis heeft. Elke sociale groep heeft een ontstaans- en ervaringsgeschiedenis, een traditie die eigen is aan de groep en waarmee de leden zich emotioneel verbonden voelen. Het is door dit bijzondere groepsgevoel dat de leden in de betrokken groepssituaties zullen denken en handelen volgens de dynamiek van de groep, wat Hijmans (2003, pp. 116-120) in haar DIM conformiteit noemt (zie bijlage 1.1). Anderzijds zal de groep ook haar plaats en identiteit willen bepalen ten opzichte van de andere maatschappelijke groepen die als verschillend ervaren worden (distinctie). Op die manier plaatst identiteit mensen en groepen tegenover elkaar, doordat sommige individuen als wel behorend tot en anderen als uitgesloten van de groep beschouwd worden. Daar waar het individu vroeger voornamelijk de claims voelde van één belangrijke lidmaatschapsgroep, moet het individu nu als lid van verschillende sociale groepen de claims in zichzelf proberen samen te brengen tot een authentiek verhaal. Ieder mens doet dit op een unieke manier en draagt bovendien ook zelf een unieke ervaringsgeschiedenis met zich mee (uniciteit). Net zoals een groep nood heeft aan een historisch gegroeid groepsgevoel om haar leden in een sociaal netwerk te binden, heeft het individu ook nood aan een binding met zichzelf. Ondanks de voortdurende identiteitswissels en uiteenlopende groepslidmaatschappen zal ieder mens in zich toch een gevoel willen meedragen van dezelfde te blijven doorheen de tijd en doorheen verschillende situaties. Dit aspect van continuïteit is belangrijk opdat het gefragmenteerde individu toch een geïntegreerd mens blijft en krijgt dan ook een sterke affectieve lading toebedeeld.
Dit DIM van Hijmans (2003, pp. 120-121) maakt dus duidelijk dat het proces van identiteitsconstructie niet tot stand kan komen zonder anderen, maar ook niet zonder innerlijke reflectie. Identiteit is immers een dynamisch samenspel van sociale en psychologische krachten. Enerzijds moeten we rekening houden met een sociale of uitwendige kracht die invloed uitoefent omdat het individu lid is van verschillende groepen, die hem/haar van een belangrijk deel van de identiteit en van bepaalde denk- en actieclaims voorzien. Anderzijds is het dankzij de psychologische kracht van de innerlijke reflectie dat het individu de verschillende claims en dynamische identiteitskenmerken weet te integreren en een unieke persoonlijkheid kan opbouwen. Voor ons is dit inzicht in het dynamische en meervoudige karakter van de postmoderne identiteit van belang omdat onze onderzoeksgroep een typevoorbeeld lijkt van het postmoderne individu; de mobiele mens die het aandurft zijn identiteitsbepalende groepen achter te laten, culturele grenzen over te steken en de wijde wereld in te trekken. Op die manier zullen sociale banden noodzakelijk grenzen van tijd en ruimte moeten overschrijden. Het bij elkaar brengen van claims van zulke, in tijd en ruimte ver uit elkaar gelegen groepen, in een unieke geïntegreerde identiteit lijkt een proces dat bij sojourners van nog groter belang is dan bij de gemiddelde medemens.
1.5. Onderzoekmodellen voor crossculturele aanpassingsprocessen
Nu we een antropologische, psychologische en sociologische achtergrond hebben voor culturele verschillen en aanpassingsprocessen, kunnen we overgaan tot enkele meer concrete onderzoeksmodellen. Sinds de ‘ontdekking’ van het fenomeen van de cultuurschok in de jaren ’50 hebben heel wat onderzoekers modellen voorgesteld om het crossculturele aanpassingsproces te onderzoeken. Deze modellen dragen duidelijk sporen van de hierboven uiteengezette theoretische kaders. De U- en W-curves en de stadiumtheorie van Adler zijn voornamelijk methodologische vertalingen van wat aan bod is gekomen in het psychologische kader. Mensen worden geconfronteerd met veranderingen in hun culturele omgeving die verwarring en stress kunnen veroorzaken, waardoor diepe dalen maar ook hoge toppen het aanpassingsproces kenmerken. Adler legt op zijn beurt de nadruk op de potentiële persoonlijke groei die in het ervaren van deze psychologische moeilijkheden schuilt. Later gaan we kort in op het perspectief van het cultureel leergedrag, dat vooral geïnspireerd is door een antropologisch kader. Tot slot belichten we het crossculturele aanpassingsproces vanuit een communicatief geïnspireerd model.
1.5.1. U- en W- curves
In 1955 formuleerde Lysgaard als eerste de inmiddels universeel verspreide U-curve. Deze curve –te vinden in bijlage 1.2- was volgens hem een weergave van de pieken en dalen in het psychologisch welzijn van de sojourner. In dit model begint het crossculturele aanpassingsproces met een hoog honeymoon-stadium, waarin vooral gevoelens van euforie, enthousiasme, opgewondenheid en tevredenheid ervaren worden. De nieuwe cultuur en de overvloed aan nieuwe prikkels is als een doos vol verrassingen. Dit stadium wordt echter gevolgd door een dieptepunt, de zogenaamde ‘culture shock’, waarin de echte confrontatie met de nieuwe cultuur plaatsvindt. De sojourner ervaart dat niet alle culturele verschillen eenvoudig te overbruggen zijn en dat de gastcultuur ook zijn negatieve aspecten heeft. Lichte vijandigheid en frustratie steken de kop op omwille van het ervaren onvermogen om problemen op te lossen op de vertrouwde manier. Hierna volgt een periode van recuperatie waarin de sojourner zich begint aan te passen. Lachen om de eigen fouten tegen sommige culturele regels of voorschriften en het aanvaarden van nieuwe uitdagingen wordt evident. In dit stadium wordt de sojourner zich meer bewust van de verschillen en gaat ermee experimenteren. De verbondenheid met de gastcultuur groeit en er is hoop op een betere aanpassing. Uiteindelijk begint de sojourner zich thuis te voelen en is hij in staat efficiënt om te gaan met dagelijkse problemen.
Gullahorn & Gullahorn breidden deze U- curve in 1963 uit met de reverse culture shock tot een W-curve (zie bijlage 1.3). Bij thuiskomst is er opnieuw een hoog stadium waarin alles geïdealiseerd wordt. De returnee is blij om het weerzien van vrienden en familieleden en geniet van het gevoel van thuiskomen in de oude vertrouwde omgeving. Dit kan al snel omslaan in een periode van desillusie, verwarring en vervreemding, wanneer men ontdekt dat men niet meer dezelfde persoon is als wanneer men vertrok. De sojourner zou immers toch in zijn eigen cultuur moeten passen, maar doet dat niet. Uiteindelijk volgt een geleidelijk emotioneel heropleven via een nieuw aanpassingsproces. [1]
De eerste 30 jaar bekleedde het U-curve model -later de W-curve- een centrale positie in theorie en onderzoek naar crossculturele overgang en aanpassing. De populariteit van dit model leeft voort tot op de dag van vandaag. Ward (1998, pp. 278-279) wijst echter op twee grote tekorten van dit model. Eerst en vooral zijn de meeste studies cross-sectioneel in plaats van longitudinaal, terwijl dit laatste toch duidelijk meer gepast is om de aanpassing van sojourners over lange tijd te bestuderen. Ten tweede heerst er een grote conceptuele verwarring over de definitie van de concepten van culturele aanpassing en over hoe deze adequaat gemeten kunnen worden. Cognitieve en gedragsaspecten worden zonder duidelijk onderscheid onderzocht, wat resulteert in contrasterende aanpassingpatronen. Naast Ward hebben nog heel wat andere onderzoekers de accuraatheid van dit model in twijfel getrokken.[2]
Op deze modellen is veel kritiek gekomen, vooral op het gebrek aan aandacht voor potentiële persoonlijk groei als een belangrijk gevolg van een crossculturele ervaring. Nog steeds wordt in deze modellen de cultuurschok gezien als een soort van ziektestadium waar de sojourner door moet. Wat we zelf het meeste missen in dit model is een plaats voor persoonlijke interpretatie. Deze modellen zijn zeer normatief door te stellen dat elke sojourner op één of andere manier door een dal moet om dan weer op een normaal niveau te kunnen functioneren. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de betekenis die het individu geeft aan dit overgangsproces. We kunnen ons afvragen of het ondergedompeld worden in een vreemd cultureel bad vol nieuwigheden en het ontbreken van oude vertrouwde prikkels voor sommigen niet ook een enorme positieve en motiverende ervaring kan zijn, die niet noodzakelijk een terugval vereist vooraleer men zich goed kan voelen en door kan groeien naar nieuwe hoogtes.
1.5.2. Stadiummodellen
Volgens Adler (1975, pp. 15-16) hielden de hierboven beschreven U- en W-curves geen rekening met de diepgaande en progressieve identiteitsveranderingen. Hij conceptualiseert overgangservaringen dan ook als ‘a movement from a state of low self- and cultural awareness to a state of high self- and cultural awareness.’ De vijf fasen die Adler suggereert vertonen veel gelijkenis met de U- en W-curves die door Lysgaard en Gullahorn voorgesteld werden, maar zijn niet gekoppeld aan gespecificeerde tijdsfases. Niet elk individu moet noodzakelijk de vijf fases in de weergegeven volgorde doorlopen. Iedereen heeft immers een andere ervaringsachtergrond in het omgaan met culturele verschillen.
De vijf fases van Adler wijzen op een progressieve diepte van de crossculturele leerervaring. De meest oppervlakkige fase duidt hij aan als een fase van contact. De nieuwe cultuur wordt nog bekeken van op het eiland van de eigen cultuur. Men is euforisch om de nieuwe ervaring en veel meer gericht op gelijkenissen dan verschillen. Het individu houdt nog niet echt rekening met de culturele verschillen omdat hij/zij nog niet goed weet hoe ermee om te gaan. Opgemerkte overeenkomsten tussen de eigen culturele gewoontes en die van de gastcultuur vormen een bevestiging van de eigen culturele status, rol en identiteit en versterken zo het eigen culturele gedrag. Tijdens de periode van desintegratie heerst er verwarring, spanning en frustratie. Verschillen worden immers steeds opvallender en de sojourner beseft dat de omgeving niet meer zo voorspelbaar is als verwacht. Dit leidt tot een groeiend gevoel van anders zijn, geïsoleerdheid, vervreemding en soms zelfs depressie. Als gevolg van de negatieve ervaringen tijdens de desintegratiefase, kan bij sommige mensen een periode van herintegratie volgen. Deze wordt gekenmerkt door een sterke afwijzing en stereotypering van de nieuwe cultuur. De sojourner kan zelfs een lichte vijandigheid koesteren tegenover datgene wat ervaren wordt, maar niet begrepen aan de hand van het vocabularium van de eigen ervaringen. Het individu wil liefst teruggrijpen naar relaties met mensen uit de eigen cultuur. Dit punt vormt echter een existentiële keuze tussen terugkeren naar de oppervlakkige gedragingen en antwoorden van de contactfase of dichter komen tot een werkelijke oplossing voor de moeilijkheden en frustraties. Wanneer gekozen wordt voor het laatste volgt wellicht een fase van autonomie. Tijdens deze fase zal het individu langzaamaan zowel de specifieke vaardigheden als een beter begrip van de gastcultuur verwerven. Het individu is in staat te overleven zonder aanwijzingen en signalen van de eigen cultuur en is dus een volledig functionerende persoon met een groeiende flexibiliteit. Tijdens de verst gevorderde fase –onafhankelijkheid- is het individu in staat culturele verschillen en gelijkenissen te accepteren en er verrijking uit te halen. Hij of zij is bereid zowel zichzelf als anderen te zien als individuele mensen, beïnvloed door cultuur en opvoeding. Het individu is in staat verdere levensovergangen door te maken door nieuwe dimensies te ontdekken en de rijkdom van de menselijke diversiteit aan te wenden voor een verdere persoonlijke groei. Adler besluit dan ook dat een crossculturele ervaring begint met een ontmoeting met de ander en eindigt met een ontmoeting met jezelf (Adler, 1975, pp. 15-18).
1.5.3. Cultureel leergedrag
De meeste individuen zijn zich nauwelijks bewust van hun culturele predisposities en van de fundamentele verschillen in deze predisposities tussen culturen onderling. Wanneer mensen hiermee geconfronteerd worden, kunnen ze de vanzelfsprekendheid van hun eigen predisposities in vraag gaan stellen. Dit in vraag stellen van wat zo eigen is aan het cultureel bepaalde individu veroorzaakt een zekere emotionele en psychologische desintegratie. Vanuit deze ervaring van conflict en verwarring kan het individu zich echter open gaan stellen voor externe invloeden en wordt het gedwongen een nieuw cultureel systeem aan te leren. Berry (1998, pp.19-20) duidt dit proces aan als culture learning, Kim (2001, pp. 49-54) heeft het gewoon over acculturation. Door dit nieuwe leren, moeten minstens sommigen van de oude culturele patronen verdwijnen -culture shedding bij Berry; deculturatie bij Kim- in die zin dat nieuwe antwoordpatronen aangeleerd worden in situaties die vroeger oude antwoorden zouden opgeroepen hebben. Zolang het gedrag van het individu ongepast is om aan de eisen van de omgeving te voldoen en er psychisch gezond en functioneel in te overleven, zal het acculturatieproces verder gaan. Om mentale, emotionele en fysieke stoornissen te vermijden is bevestiging vanuit de omgeving hierbij noodzakelijk.
Aan de basis van dit acculturatie- of hersocialisatieproces liggen de culturele syndromen die we in paragraaf 1.4.1. behandeld hebben. Mensen zijn zich niet bewust van hun positie op de continua van deze basiswaarden. Verschillen uiten zich in de eerste plaats in verbale en nonverbale communicatiepatronen -zoals taal, gebaren en openlijk sociaal rolgedrag- die relevant zijn voor het dagelijks functioneren. Het individu kan dan ook eerst en vooral pogen verbaal en nonverbaal op een cultureel aanvaardbare manier te gaan handelen. Het veranderen van basiswaarden is een zeer langzaam en moeilijk, soms zelfs onmogelijk proces (Adler, 1975, pp. 14-15). Tijdens dit leerproces laat het individu sommige van de oorspronkelijke culturele gewoontes varen, terwijl het toch sterk blijft vasthouden aan andere culturele patronen. Dit zal belangrijke gevolgen hebben voor de terugkerende sojourner. Hij zal immers sommige van de eigen culturele patronen opnieuw moeten aanleren en sommige pas aangeleerde patronen weer opgeven. Doorheen het crossculturele aanpassingsproces gaan mensen dus op zoek naar een voor hen en voor hun omgeving aanvaardbaar evenwicht in hun culturele overtuigingen. Ze combineren in zich twee culturen en halen uit beide wat voor hen het beste lijkt. Wanneer dit proces samengaat met een toenemende kennis van de eigen cultuur en de gastcultuur, ontstaat een multiculturele identiteit.
1.5.4. Geïntegreerd model van het acculturatieproces
Ward, Bochner & Furnham (2001, pp. 43-44) maakten een synthese van het psychologische perspectief van ‘stress and coping’ bij onzekerheid en inconsistenties enerzijds en het antropologische idee van ‘culture learning’ anderzijds. Dit geïntegreerd model houdt rekening met sociopolitieke, demografische, economische en culturele eigenschappen van zowel de maatschappij van oorsprong als van de gastgemeenschap. Zoals we reeds vermeldden in paragraaf 1.3. kunnen we volgens Ward (1996, p. 131) de patronen van de processen van psychologische en socioculturele aanpassing best afzonderlijk bekijken. Hij bepaalt dan ook twee verschillende hypotheses omtrent het verloop van de processen. Het patroon van socioculturele aanpassing kan weergegeven worden met een leercurve; een aanvankelijk steiler wordende, opgaande curve, op het einde afvlakkend wanneer nieuwe cultuurspecifieke vaardigheden aangeleerd zijn. De problemen die gepaard gaan met de socioculturele aanpassing zullen dan ook de omgekeerde curve volgen. Wat betreft de psychologische aanpassing baseerde Ward zijn hypothese op de U-curve van Lysgaard.
Ward en zijn collega’s testten deze hypotheses aan de hand van een longitudinaal onderzoek bij een groep studenten uit Maleisië en Singapore. De studenten werden een eerste maal bevraagd binnen de maand na hun aankomst in Nieuw-Zeeland, vervolgens opnieuw na zes en na twaalf maanden. De socioculturele aanpassingsmoeilijkheden waren inderdaad het grootst tijdens de aanvangsfasen van het verblijf, daalden sterk tijdens de eerste zes maanden en bleven licht dalen gedurende de tweede periode van zes maanden. De psychologische aanpassing bij deze studenten verliep volgens een U-curve. De richting ervan was echter niet degene die Lysgaard in 1955 suggereerde. Het psychologische welzijn van de studenten lag immers beduidend lager bij de metingen tijdens de eerste maand en na een periode van één jaar dan bij de bevraging na zes maanden. Aanvullende kwalitatieve data bevestigen dat de studenten tijdens de eerste maand over het algemeen (68%) meer negatieve gevoelens koesterden omtrent hun verblijf dan na de eerste maand. Gelijkaardige studies bij Japanse studenten die in Nieuw-Zeeland verbleven met bevragingen op andere tijdsintervallen leverden gelijkaardige resultaten op wat betreft de socioculturele leercurve. De psychologische moeilijkheden lijken over het algemeen het grootst bij het begin van het verblijf. Nadien is het verloop ervan variabel zodat een algemene conclusie moeilijk te trekken valt.
Ward (1996, pp. 131-132) vatte zijn geïntegreerde theorie van crossculturele aanpassing samen in een model, terug te vinden in bijlage 1.4. De weg van crosscultureel contact naar crossculturele aanpassing wordt gekruist door een aantal variabelen, waarvan onderzoek aantoont dat zij de processen van culturele aanpassing beïnvloeden. Op individueel vlak onderscheiden we factoren als training en ervaring, taalvaardigheid en persoonlijkheid. Crossculturele training en voorgaande crossculturele ervaring lijken de aanpassingprocessen te bevorderen en dit zowel op cognitief, als op affectief en gedragsmatig vlak. Kunnen communiceren in de taal van de inwoners van het gastland bevordert en verhoogt het aantal succesvolle communicatieve contacten, waardoor sojourners die de taal van het gastland onder de knie hebben minder socioculturele aanpassingsproblemen lijken te ondervinden. Het onderzoek naar de band tussen taalbeheersing en psychologisch welzijn levert echter minder eenduidige resultaten op. Uit de theorieën van het psychologische kader in paragraaf 1.4.2.2 bleek reeds het belang van verwachtingen. Uit onderzoek komt naar voren dat de verwachtingen naar socioculturele aanpassing meestal redelijk juist zijn. Hoewel de exacte impact van verwachtingen nog achterhaald moet worden, lijkt het aanvaardbaar te stellen dat overdreven optimistische verwachtingen leiden tot psychologische aanpassingsproblemen. Ook persoonlijkheidstrekken als autoritarisme en etnocentrisme enerzijds en extrovert en gevoelig zijn anderzijds, lijken factoren die het aanpassingsproces respectievelijk verhinderen en vergemakkelijken. Onderzoeksresultaten zijn echter niet zo duidelijk, wat Ward en andere onderzoekers ertoe bracht de ‘cultural fit’ na te gaan tussen de persoonlijkheid van de sojourner en die van zijn gastomgeving (Ward, 1998, pp. 131-135).
Daarmee zijn we aanbeland bij de factoren die de crossculturele situatie karakteriseren. We kunnen stellen dat des te ingrijpender de levensveranderingen zijn ten gevolge van het verblijf in een andere cultuur, des te heviger de psychologische aanpassingsproblemen zullen zijn. Een andere factor die het psychologische aanpassingsproces beïnvloedt is sociale ondersteuning. Hoewel dit concept op heel uiteenlopende manieren geconceptualiseerd werd, tonen de resultaten van verschillende onderzoeken aan dat sociale steun het psychologische welzijn tijdens de crossculturele aanpassing bevordert. Een hele reeks studies hebben ook het nefaste effect aangetoond van een gebrek aan sociale steun en goede sociale contacten. De meeste onderzoekers vonden dat steun van landgenoten de belangrijkste bron van psychologisch welzijn vormt, maar ook bevredigende relaties met leden van de gastcultuur kunnen een gunstig effect genereren. Waneer beide vormen van steun ondervonden worden, lijkt de psychologische aanpassing het best. Sommige onderzoeken wijzen echter ook uit dat steun van landgenoten het psychologische welzijn enorm kan verbeteren, maar tegelijk echte socioculturele aanpassing kan verhinderen. Hoewel er wat tegenstrijdige resultaten zijn wat betreft de relatie tussen contact met de leden van de gastcultuur en aanpassingsprocessen, lijkt men er over het algemeen toch van te kunnen uitgaan dat contact met leden van de gastcultuur waardevolle kansen oplevert om cultuurspecifieke vaardigheden op te doen. Mensen met meer contact zullen dus ook minder socioculturele aanpassingsproblemen ondervinden. Wat betreft de culturele afstandshypothese -des te groter de verschillen tussen de eigen cultuur en de gastcultuur, des te groter de aanpassingsproblemen (cfr 1.4.2.)- kunnen we ook onderscheid maken tussen psychologische en socioculturele aanpassing. Op psychologisch vlak komt deze hypothese op hetzelfde neer als de factor van levensveranderingen; des te groter de verschillen, des te ingrijpender de levensverandering en des te moeilijker de psychologische aanpassing. Op sociocultureel vlak kunnen we stellen dat een grotere culturele afstand het aanleren van cultuurspecifieke vaardigheden bemoeilijkt (Ward, 1998, pp. 135-138).
Op het maatschappelijke niveau kunnen de geboortecultuur en de gastcultuur de aanpassingsprocessen op verschillende manieren beïnvloeden. Het is moeilijk te achterhalen of het politieke, etnische of sociale factoren zijn die het verschil bepalen in aanpassingsmoeilijkheden van verschillende groepen mensen aan eenzelfde land. Culturele afstand op zich bleek immers onvoldoende verklarend. We kunnen dus veronderstellen dat maatschappelijke karakteristieken zoals bijvoorbeeld niveau van modernisering, etnische samenstelling en politieke instituties psychologisch welzijn en socioculturele aanpassing beïnvloeden. Ten slotte lijken ook het cultureel pluralisme, de vooroordelen en patronen van discriminatie in een gastmaatschappij het psychologisch welzijn te beïnvloeden (Ward, 1998, pp. 138-139).
Uit het voorgaande blijkt reeds duidelijk dat de antwoordpatronen op deze culturele verschillen, stress en het omgaan met aanpassingsproblemen kunnen onderverdeeld worden in drie componenten. Ten eerste kunnen emoties bij crossculturele aanpassing en levensveranderingen in het algemeen hoog oplopen. Naast deze affectieve component, onderscheiden we een cognitieve component, namelijk de hoeveelheid kennis die men heeft van de gastcultuur. Ten slotte is er ook een gedragscomponent waarmee rekening gehouden moet worden, namelijk het aanleren van cultuurspecifieke vaardigheden en ander gedrag in situaties van crossculturele aanpassing. Op die manier zijn we aanbeland bij het punt waarmee we deze uiteenzetting van het geïntegreerd model van het acculturatieproces begonnen zijn; de processen van socioculturele en psychologische aanpassing (Ward, 1996, p. 129).
1.5.5. Benadering vanuit de rol van communicatie en de media
De voorgaande benaderingen leggen vooral de nadruk op intrapersoonlijke processen van culturele aanpassing en persoonlijke groei. Bij Kim (2001, pp. 46-54) vinden we echter een meer omvattende theorie, met een focus op het interpersoonlijke en de rol van communicatie. Vanuit de algemene systeemtheorie conceptualiseert Kim aanpassing als een cyclus van stress- aanpassing- groei. Stress wordt veroorzaakt doordat vreemdelingen aanvankelijk niet in hun omgeving passen. Om deze stress te verminderen zal de sojourner communiceren en in interactie treden met de omgeving. Dit communicatieve antwoord op stress leidt tot een aanpassingsproces en persoonlijke groei. Omgekeerd is het verwerven van aangepaste sociale vaardigheden noodzakelijk om gepast te communiceren in de gastomgeving. Er is dus een wederzijdse relatie tussen interactie en aanpassing; een grotere communicatieve vaardigheid leidt tot een betere aanpassing, die op haar beurt leidt tot een verhoogde interactie. Dit crossculturele aanpassingsproces omvat zowel een acculturatieproces, namelijk het aanleren van nieuwe cultuurspecifieke vaardigheden, als een deculturatieproces, het afleren van eigen culturele gewoontes en gebruiken. Deze processen zijn weergegeven in de figuur in bijlage 1.5. Een mogelijke maar niet noodzakelijke uitkomst van dit aanpassingsproces is assimilatie, een toestand waarin het individu zoveel mogelijk handelt vanuit overtuigingen en gewoontes van de gastcultuur en zijn eigen overtuigingen en gewoontes zo veel mogelijk achterwege heeft gelaten (Martin, 1993, pp. 304-308). De relatie tussen de concepten die met crossculturele aanpassing geassocieerd worden, wordt duidelijker gemaakt in bijlage 1.6.
De stress-aanpassing-groei dynamiek die Kim met deze aanpassingsprocessen associeert, gebeurt niet in een eenvoudige lineaire opwaartse beweging maar is eerder een continu cyclisch proces van terugvallen en verder groeien (zie bijlage 1.7). Dit benadrukt de essentiële band tussen stress, aanpassing en groei: geen van de drie treedt op zonder de andere twee. Het proces gaat door zolang er communicatie is met een uitdagende omgeving die een stresserende inconsistentie bij het individu veroorzaakt. De uitkomst van het proces is een opwaartse groei waarin de fluctuaties van stress en aanpassing minder en minder intens worden en leidt uiteindelijk tot de aanpassingsuitkomsten van psychologisch welzijn, een verhoogde functionaliteit in de nieuwe omgeving en intellectuele groei (Kim, 2001, pp. 54-61; Martin, 1993, p. 311).
We kunnen nu nagaan welke factoren deze dynamiek van stress-aanpassing-groei bevorderen. Van belang voor de uiteindelijke aanpassing blijken de bereidheid tot aanpassing van de sojourner en kenmerken van de gastomgeving zoals gastvrijheid naar buitenlanders toe en de algemene conformiteitdruk van de gastsamenleving. De derde en kennelijk belangrijkste factor die door Kim als bepalend aangehaald wordt, is de communicatieve activiteit van de sojourner. Naast cultuurspecifieke communicatieve competentie, interpersoonlijke communicatie met leden van de gastcultuur en de hoeveelheid blootstelling aan massacommunicatieve boodschappen van het gastland, stelt Kim dat ook interpersoonlijke contacten met leden van de eigen etnische groep –wij verkiezen te spreken over culturele groep- en blootstelling aan massacommunicatieve boodschappen uit de eigen omgeving het aanpassingsproces beïnvloeden. In het aanpassingsproces onderscheidt Kim dan uiteindelijk drie componenten, die bij ons reeds uitvoerig behandeld werden: psychologisch welzijn, functionaliteit in de gastomgeving – wat wij herhaaldelijk aanduidden als socioculturele aanpassing- en interculturele identiteit. Over het algemeen kunnen we stellen dat des te groter de aanpassingsbereidheid van de sojourner des te meer hij/zij zal communiceren met leden van de gastcultuur en des te beter hij/zij zich uiteindelijk zal kunnen aanpassen (Martin, 1993, p. 310; Kim, 2001, pp. 87-90). Kim vatte haar model samen in tien axioma’s die weergegeven worden in bijlage 1.8
Onderzoeken van onder meer Rohrlich & Martin (1991) bevestigen verschillende van Kims veronderstellingen en ook vroegere resultaten wijzen op het belang van de interactie van de sojourner met de vreemde omgeving. Uit hun onderzoek bij 248 Amerikaanse studenten die terugkeerden na één semester studeren in West-Europa, vonden Rohrlich & Martin dat des te hoger het interactieniveau met mensen van het gastland, des te meer tevreden de studenten waren om hun verblijf. Dit en andere onderzoeken suggereren echter ook dat het verband tussen communicatie en aanpassing niet noodzakelijk lineair is. Individuen met een grotere communicatieve vaardigheid kunnen aanvankelijk meer problemen ondervinden doordat zij op een intensere manier geconfronteerd worden met de nieuwe cultuur. Uiteindelijk leidt hun verhoogd interactieniveau wel tot een betere aanpassing (Rohrlich & Martin, 1991, pp. 175-178; Martin, 1993, p. 311).
Voor de noodzakelijke succesvolle communicatie moet er een flow van informatie en wederzijds begrip opgebouwd worden. Dit wederzijds begrip hangt in het geval van een crosscultureel verblijf vooral af van de mate waarin de sojourner een inzicht in en een aanvoelen van de gastcultuur heeft ontwikkeld. Daartoe moet hij/zij de culturele variabelen die de communicatiestijl beïnvloeden, trachten te vatten (Martin, 1984, pp. 121-122). Wanneer de culturele afstand te groot is, zodat het vatten van waarden, normen en interactiepatronen quasi onmogelijk is of wanneer de waarden, normen en opvattingen totaal onverenigbaar zijn met de eigen waarden en normen, kunnen we verwachten dat dit een effectieve interpersoonlijke communicatie in de weg zal staan en op die manier een culturele aanpassing zal bemoeilijken.
Dit perspectief van interculturele communicatie kan doorgetrokken worden naar de reentry. Om hun ervaringen op verschillende niveaus en verschillende momenten te begrijpen kunnen terugkerende sojourners eerst en vooral hun communicatieve ervaringen in het gastland en de impact van de culturele ervaring trachten te begrijpen. Van groot belang echter is dat ook de interpersoonlijke communicatie na terugkeer onderzocht wordt. Als gevolg van betekenissen van nieuwe symbolen en van een nieuwe interpretatie van oude symbolen zullen de interactiepatronen van de sojourner veranderd zijn. In de communicatie vlak na terugkeer zal dan ook een confrontatie plaatsvinden van oude en nieuwe interactiepatronen.
1.6. Terugkeren na een crosscultureel verblijf
Aangezien de respondenten die we in deel 3 zullen benaderen hun crosscultureel verblijf reeds achter de rug hebben, lijkt het interessant de reentryfase van het crossculturele aanpassingproces nog even verder toe te lichten. Gezien het tijdelijke karakter van het crosscultureel verblijf, volgt er immers ook een terugkeer naar de eigen cultuur. Over het algemeen kunnen we stellen dat veel van de hierboven belichte inzichten in het verblijf zelf ook grotendeels gelden voor het terugkeren naar de eigen cultuur. Individuen die sterk aangepast zijn aan hun gastcultuur zullen gedeeltelijk de culturele identiteit van hun gastland hebben overgenomen, waardoor opvattingen, waarden en interactiepatronen die de gastomgeving typeren ook voor hen als vanzelfsprekend zijn geworden. Op die manier moeten ze het proces van afleren en (opnieuw) aanleren nogmaals doorlopen. We kunnen dan ook verwachten dat individuen die minder goed aangepast waren aan hun gastland minder problemen zullen ondervinden met het opnieuw aanpassen. In dit deel willen we echter nagaan wat er specifiek is aan de terugkeerfase van een crosscultureel verblijf.
De eerste twintig jaar na de ‘ontdekking’ van de cultuurschok werd alleen aandacht besteed aan initiële crossculturele trainingen die een voorbereiding moesten vormen op een langdurig verblijf in het buitenland. Sinds de aanduiding van de ‘reverse culture shock’ groeide echter het besef dat mensen ook nood kunnen hebben aan hulpmiddelen om opnieuw optimaal te functioneren in de eigen maatschappij. Mensen die een cultuurschok en de daaropvolgende aanpassing ondergaan hebben, zijn niet meer dezelfde individuen als wanneer ze thuis vertrokken. De cultuurschok doet het individu immers beseffen dat de waarden en normen waarmee men groot gebracht is slechts één mogelijkheid vormen onder de vele anderen die niet inherent beter of slechter zijn. Bij thuiskomst treft men dan schijnbaar een hele populatie aan die deze geestesverruimende ervaring niet heeft meegemaakt (Austin, 1986, pp. xix-xxi).
Een belangrijk verschil met de cultuurschok is dat de sojourner niet verwacht dat er zich problemen zullen voordoen bij het aanpassen aan zijn eigen vertrouwde omgeving, en ook de thuisomgeving verwacht niet dat de sojourner moeilijkheden zal ondervinden met aanpassen. Zulk krediet van de kant van de omgeving is er meestal wel wanneer men zich verplaatst naar een vreemde cultuur. De vertrouwde omgeving van de sojourner kan sterk veranderd zijn tijdens zijn/haar afwezigheid en ook de sojourner zelf kan veranderd zijn door het verblijf in het buitenland. Dit aspect van verandering wordt vaak uit het oog verloren. Veel sojourners zien de confrontatie met de massa nieuwigheden in het gastland als een uitdaging om deze nieuwigheden te overbruggen en op die manier een persoonlijke groei te realiseren. Wat velen niet beseffen is dat ze daardoor een verandering kunnen doormaken die ervoor zorgt dat de terugkeer naar de eigen cultuur eigenlijk opnieuw een overgang is naar een cultuur die voor een deel onvertrouwde aspecten in zich draagt. Wanneer het individu echter een bewustzijn van deze veranderingen in zich kan meedragen, wordt ook de terugkeerervaring gekenmerkt door persoonlijke groei en intercultureel bewustzijn (Martin, 1984, pp. 122-123; Cushner & Brislin, 1996, p.52).
1.6.1. Reentry benaderd vanuit het communicatieve perspectief van Kim