Criminaliteit in het land van Waas 1700 - 1750. (Peter Catthoor).

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 2: De misdrijven

 

HOOFDSTUK 3: VERMOGENSDELICTEN

 

 A. OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE VERMOGENSDELICTEN

 

De vermogensmisdrijven vormen de meest omvangrijke categorie van misdrijven die in de eerste helft van de achttiende eeuw in het Waasland werden gepleegd. Samen zijn ze goed voor 41% van alle gepleegde misdrijven. De vermogensmisdrijven zijn hier in vier subcategorieën onderverdeeld. Het gaat om diefstal, heling, roof en bedrog.

In totaal werden er 145 vermogensdelicten opgetekend. Welke subcategorie kwam nu het vaakst voor?

 

 Tabel: Indeling en aandeel van de verschillende vermogensmisdrijven in het Land    van Waas

Aard van het misdrijf

1700-09

1710-19

1720-29

1730-39

1740-50

TOTAAL

 

  Diefstal

 

      27

 

      17

 

      39

 

      20

 

      18

 

      121

 

  Heling

 

 

       1

 

       2

 

       6

 

        1

 

        10

 

  Roof

 

       1

 

 

       4

 

       2

 

        2

 

          9

 

  Bedrog

 

       2

 

 

       1

 

       2

 

 

          5

 

  TOTAAL

 

      30

 

      18

 

      46

 

      30

 

      21

 

      145

Diefstal steekt er duidelijk met kop en schouders bovenuit. In 121 onderzochte zaken, op een totaal van 145, ging het om één of andere vorm van diefstal. Dit is liefst 83% van het totaal. Heling komt op de tweede plaats met een totaal van 10 gevallen (6,9%) gevolgd door roof (9 gevallen en een aandeel van 6,2%). Het minst gepleegde vermogensdelict vormt bedrog met een aantal van 5 gevallen (3,9%).
 Grafiek: Aandeel van de verschillende vermogensdelicten

Keren we even terug naar het belangrijkste vermogensdelict, namelijk diefstal, dan zien we dat 1/3 van alle diefstallen gepleegd is in het decennium 1720- 1729. Ook het decennium 1700- 1709 kent met 27 gevallen een groot aandeel (22,3%). Het minst aantal diefstallen vinden we in de jaren ’10 en de jaren ’40 (samen 29% van alle zaken). In elk decennium vormt diefstal wel altijd ruimschoots het grootste vermogensdelict.De andere vermogensdelicten kennen een vrij gelijk verloop over de verscheidene decennia heen. Wel opmerkelijk om te vermelden is het groot aantal gevallen van heling in de jaren ’30 in vergelijking met de andere decennia (6 van de 10).
Bij eerder gevoerde studies over de criminaliteit in (een deel van) het Waasland bleek eveneens dat het aandeel van de vermogensdelicten er in vergelijking met andere vormen van misdaad sterk bovenuit stak.[1]
Het loont ook de moeite de bekomen resultaten en cijfers even te vergelijken met gegevens van buiten het Waasland.
In het achttiende eeuwse Antwerpen kwamen vermogensdelicten, bij een vergelijking van de verschillende misdaadvormen, slechts op de tweede plaats met een aandeel van 37%.[2] Gewone diefstallen haalden er ook wel de bovenhand (68%). F. Vanhemelryck haalt aan dat niet vermogensdelicten, maar wel geweldmisdrijven de meest voorkomende misdaden waren in vroegere tijden.[3] In Engeland bleek dit dan weer absoluut niet het geval. Het waren vooral vermogensdelicten die daar welig tierden, hoewel er in de achttiende eeuw een daling inzette.[4] Zo uitzonderlijk ten opzichte van andere gebieden zal de toestand in het Waasland dan wel niet geweest zijn.
De oorzaken van vermogensdelicten zijn erg verscheiden. Naast vele individuele intenties en motieven spelen enkele factoren mee die door de historici vaak als verklaring worden ingeroepen. Naast geldzucht gaat het vooral om armoede en honger. Historici hebben gepoogd een correlatie te vinden tussen vermogensmisdrijven en de schommelende economische situatie.[5] Men ging het aantal delicten tegen het vermogen vergelijken met de stand van een aantal economische variabelen zoals bijvoorbeeld de graanprijzen. Vergelijkend onderzoek bracht voor verschillende regio’ s telkens andere resultaten met zich mee.
Het was duidelijk dat economische variabelen de misdaad beïnvloedden, maar de connectie tussen beiden bleek niet altijd even simplistisch als eerst werd gedacht.
Honger werd als een grote criminogene factor beschouwd.[6] Misdaden tegen het vermogen stegen gevoelig tijdens perioden van voedselschaarste en hongersnood. Honger was toen een grote drijfveer om tot diefstal over te gaan. In de jaren ’40, een periode van crisis en voedselschaarste in het Waasland, bleef het aantal vermogensdelicten echter beperkt. Wel was er een lichte stijging van graandiefstal waar te nemen ten opzichte van de vorige decennia. Maar ondanks dat kan men stellen dat honger in het Waasland niet zo’ n grote rol lijkt gespeeld te hebben om tot het plegen van diefstallen over te gaan. Wat de redenen en motieven waren voor die vele andere diefstallen  is wegens een te gebrekkige informatie in de bronnen veelal niet te achterhalen. Aangenomen mag worden dat armoede, gebrek aan bepaalde materiële standaardgoederen zoals kledij en geldzucht een bepalende rol hebben gespeeld.

1. DIEFSTAL

 

Onder diefstal wordt verstaan het opzettelijk, wederechtelijk heimelijke wegnemen van één aan een ander toebehorende zaak, met het doel zich die toe te eigenen.[7] Typisch kenmerk was het geheime en stiekeme karakter van de daad. Van oudsher werd diefstal aanzien als een schandelijk misdrijf dat iemand eerloos maakte.[8]

Diefstallen kunnen op verschillende wijzen in categorieën gerangschikt worden: volgens de waarde van het gestolen goed, volgens de plaats en het tijdstip waarop ze plaatsvonden en volgens de wijze waarop ze gepleegd werden.

In onderstaande tabel werd rekening gehouden met de plaats waaruit iets werd gestolen. Ook met de wijze waarop een diefstal is gepleegd werd rekening gehouden. Hiertoe werd een onderscheid gemaakt tussen diefstal met braak en diefstal zonder braak. Omdat alle diefstallen met braak in een huis plaatsvonden, werd deze rubriek ‘ huisdiefstal door middel van braak’ genoemd. Een diefstal werd als een diefstal met braak beschouwd  als dit expliciet in de gerechtelijke bronnen vermeld staat. Hiermee doelen we op beschrijvingen als “de deur werd geforceerd“ of  “er werd binnengebroken langs een opengebroken kelderraam”. Indien in het dossier dergelijke beschrijvingen niet voorkwamen, werd het delict als een diefstal zonder braak geklasseerd.

  Tabel: Overzicht van de verschillende soorten diefstal           

 

1700-09

1710-19

1720-29

1730-39

1740-50

TOTAAL

Huisdiefstal door middel van braak

       8

       2

      10

       7

       3

       30

Diefstal zonder braak

     

      -Huis

      -Stal

      -Schuur

      -Graanzolder    

 

 

       8

 

       1

       1

                   

 

 

       3

       3

 

 

 

      10

        1

        1

 

 

       5

       2

 

 

       2

       7

       1

 

 

       28

       13

         3

         1

Diefstal uit brouwerij

 

       1

 

 

 

         1

Diefstal uit winkel, kraam

       1

       3

       1

       2

       1

         8

Diefstal uit herberg

       1

       2

       4

 

       1

         8

Diefstal uit hof, weide, veld

       1

       1

       3

        2

       2

         9

Kerkbraak

       1

 

       6

 

       1

         8

Onbekend

       5

       2

       3

       2

 

       12

TOTAAL

     27

     17

      31

      20

      18

      121

 

1.1 DIEFSTAL MET BRAAK

 

Hierbij ging het in alle gevallen om inbraak in een huis, zodat deze categorie in bovenstaande tabel vermeld staat als ‘huisdiefstal met braak’.

Diefstal met braak was volgens de oude Germaanse volkenrechten een delict met verzwarende omstandigheden dat streng diende te worden gestraft.[9] Dat is in latere tijden zo gebleven.

Diefstal met braak was een misdaad die enige voorbereiding vergde. De dieven moesten er tevoren zeker van zijn dat er niemand thuis was en dat ze tijdens hun actie niet door een wacht van de ronde werden verrast. Ook wisten ze veelal van tevoren hoe ze best en op de meest snelle manier een bepaald huis konden binnendringen en weer verlaten. Diefstallen met braak werden zodoende meestal gepleegd door meer ervaren en soms zelfs professionele dieven.

 

Voorbeeld ter illustratie: op 23 oktober 1728 stonden twee mannen, namelijk Ferdinand Philippe De Wilde en François Botterman, voor het Leenhof terecht wegens het plegen van een reeks inbraken in het Waasland. Op 9 juli 1727 tussen acht en negen uur ’s morgens hadden ze het zoldervenster van Antonius Van Laere opengebroken en waren ze langsdaar diens woning binnengedrongen. Ze braken een koffer open waaruit ze kledij en geld meenamen. In de nacht van 7 op 8 mei 1727 hadden ze een raam geforceerd en drongen zo de woning van Jacobus Poortermans binnen. De buit bedroeg allerhande stoffen en kledij. Deze werd naar Gent gevoerd waar ze werd doorverkocht. De opbrengst werd door beide dieven gedeeld.

Het Leenhof toonde zich erg streng voor beide mannen. Ze werden veroordeeld tot de dood door ophanging.[10]

 

Voorbeeld ter illustratie: op 24 maart 1730 brak de 35 jarige Cornelis Rombaut uit Sijsseghem met een ploegkouter een gat in de muur in de woning van Jan De Kerschaver uit Daknam. Langs dit gat drong hij de woning binnen. De buit bedroeg twee slaaplakens, twee wollen saergen, één paar hoofdkussens, varkenscider en 5 ponden grootten geld. Via een opengebroken raam werd er ook ingebroken bij Joos Bracke. De dief kwam er met een geseling en twintig jaar verbanning vanaf.[11]

 

Het kwam vaak voor dat de dieven er een onderlinge taak op nahielden. Terwijl één of meerdere mannen bezig waren met inbreken werd één persoon op wacht gezet om bij eventueel gevaar zijn compagnons te kunnen waarschuwen.

 

Voorbeeld ter illustratie: Adriaen Aerens uit Lieser en Jan Christiaens  waren tijdens hun zwerftocht in Sint- Gillis beland. Zij besloten in de hoeve van landman François Varrewijck in te breken. Terwijl A. A. zich met de eigenlijke inbraak bezighield, vatte J. C. post aan de ingang van het hof om zo de wacht te kunnen houden.[12]

 

Dergelijke “professionals” hielden het niet enkel bij inbraken in hoeven of huizen. Ze hielden zich meestal ook nog met andere soorten diefstal bezig.

 

Voorbeeld ter illustratie: naast twee inbraken diende Gillis Van Eetvelde zich voor het gerecht te verantwoorden voor twee straatovervallen die hij op de weg tussen Lokeren en Zele had gepleegd.[13]

 

1.2. DIEFSTAL ZONDER BRAAK

 

In totaal werden 46 zaken onder deze noemer geklasseerd. 28 maal ging het om diefstallen die in een huis werden gepleegd. 16 maal werd er uit een schuur of een stal gestolen. In 1 geval ging het om diefstal uit een graanzolder en eenmaal om diefstal uit een brouwerij.

Diefstal uit een huis of uit een stal kwam dus het meest voor. Dit soort diefstallen waren heel wat minder moeilijk te plegen en er kwam geen of heel wat minder voorbereiding bij kijken. Deftige sloten ontbraken meestal en veel bewoners lieten hun deuren open als ze weggingen. Ook hadden veel ramen geen echte vensters zodat het ontvreemden van goederen voor zowat iedereen mogelijk was. Bij gebrek aan moderne alarmsystemen konden vele mensen op niks anders dan op de goodwill en de eerlijkheid van hun medemens rekenen. Bij heel wat personen kreeg het vertrouwen in de mensheid in die dagen een serieuze knauw.

 

Voorbeeld ter illustratie: Jan Van Vossel en zijn vrouw Barbara D’Olieslaeger trokken op 11 juli 1723 naar het huis van landman Jan Van Hecke te Waasmunster. De bewoners waren naar de kermis van Belsele getrokken en zodoende was er niemand thuis. Het diefachtige koppel trok de woning binnen en stal er een hele hoop kledij.[14]

 

Voorbeeld ter illustratie: de 25 jarige Jenneken Cappaerts woonde als dienstmeid ten huize van Michiel Jangels. Toen haar meester op een avond niet thuis was zag ze haar kans schoon. Ze trok naar de zolder en stal er 14 pond varkensvlees, lakens en een hemd. De buit ging ze dan verstoppen in de nabijgelegen schuur van Joos Van Herwege.[15]

 

Voorbeeld ter illustratie: de 26 jarige Severina Boudewijns, afkomstig uit Vlissingen, kwam in Sint- Niklaas langs het huis van schoenmaker Jan Vernimmen. Toen ze merkte dat er niemand thuis was, ging ze binnen en stal er een stuk stof van 39 ellen.

Hetzelfde gebeurde bij de woning van Geeraerd Verbust.

Bij de strafmaat werd rekening gehouden met het feit dat ze zwanger was; zo ontliep S. B. de geseling. Wel werd ze voor 10 jaar uit het Waasland verbannen.[16]

 

1.3. DIEFSTAL UIT WINKEL EN HERBERG

Het aantal winkeldiefstallen zal in werkelijkheid wel veel hoger gelegen hebben dan de acht gevallen die hier staan opgetekend. Enkel daders die betrapt werden, kwamen in de dossiers voor. Daarnaast is er het feit dat een winkelier, telkens er een goed van betrekkelijk kleine waarde was ontvreemd, veelal besloot geen klacht neer te leggen in de wetenschap dat dit in dergelijke gevallen toch weinig of niets zou uithalen.

 

Voorbeeld ter illustratie: Jean Joseph Richard, een 19 jarige wever uit Bergen, pleegde een diefstal in een winkel te Lokeren. De buit bedroeg lijnwaad.[17]

 

Voorbeeld ter illustratie: de 30 jarige vagebond Jan Mirssens had een diefstal gepleegd in de winkel van Linda Wegenmael uit Melsele. De buit bedroeg een stuk zijde stof en geld.[18]

 

Voorbeeld ter illustratie: op 9 april 1733 werden er voor het Leenhof twee gelijkaardige gevallen van diefstal behandeld. Op 6 oktober 1632, tijdens de marktdag te Sint- Niklaas, stal Jenno Van Der Heyden een flanellen laken uit het kraam van Judocus Wittock. Twee maanden later, op 6 december, gebeurde er iets gelijkaardigs op de markt. Toen stal de 26 jarige Sarah Karels een wit gebleekt lijnwaad van 19 ellen en 3/ 4 uit het kraam van Judocus Loir. Beide vrouwen werden telkens door de wacht van Sint- Niklaas aan kwartier “ ’t Vossekot” opgepakt.[19]

Ook in herbergen werd regelmatig gestolen. Het kon zowel gaan om goederen van klanten die in de herberg verbleven als om goederen van de herbergier zelf. Dat ook in herbergen diefstallen werden gepleegd is overigens helemaal niet verwonderlijk. Herbergen waren vaak drukbezochte plaatsen waar heel wat mensen van divers pluimage samenkwamen. Daartussen vond men ook allerhande rabauwen  die begerig hun blik lieten vallen op de kledij en de goederen van handelaars en andere mensen op doorreis. Een diefstal in een herberg plegen was trouwens ook niet zo moeilijk. De uitbaters waren meestal in de gelagzaal en dan kon men via de achterdeur makkelijk op de kamers geraken. Herbergen hadden soms ook de kwalijke reputatie samenscholingsoorden en hoofdkwartieren te zijn van dieven en rabauwen van waaruit ze samen op rooftocht gingen. De gestolen goederen werden dan vaak in de herberg samengebracht om van daaruit stelselmatig verkocht te worden. Het waren vooral de meer afgelegen herbergen die ervoor werden uitgekozen.

Voorbeeld ter illustratie: de 32 jarige Cornelis De Witte stal op dezelfde dag uit twee verschillende herbergen. In de herberg van Jan Baptist dronk hij eerst een hoeveelheid brandewijn zonder te betalen om daarna de blauwe mantel van Adriaen Van Goshem te stelen. Een paar uur daarna vereerde hij herberg ‘De Bonte Proye’ met een bezoek. Hij stal er maar liefst vier graanzakken die toebehoorden aan Gillis Van De Velde uit Temse.[20]

Voorbeeld ter illustratie: Janbaptista d’ Ardin kwam van Gent en was op weg naar Antwerpen. Ter hoogte van Daknam kwam hij Christoffel Hafela tegen. Beide mannen  besloten de nacht door te brengen in herberg ‘ De Fonteyne’. Ze sliepen zelfs op dezelfde kamer. Toen C. H. sliep zag J. A. zijn kans schoon en beroofde hem van zijn geld (gouden en zilveren munten) en kleren.[21]

Voorbeeld ter illustratie: Catharina Dobbeleir kwam op 4 februari 1722 aan te Lokeren en verbleef er in de herberg van Simon Val. Vroeg in de ochtend vertrok ze zonder te betalen na uit één van de kamers kledij en textiel te hebben gestolen. De daaropvolgende week werd dit scenario nog tweemaal herhaald, zowel in de herberg van Judocus Zamas  te Sinaai  als in herberg ‘Themsche’.[22]

1.4. DIEFSTAL UIT HOF, WEIDE EN VELD

Negen gevallen zijn in de gerechtelijke bronnen terug te vinden. Nochtans moet het ook niet ontzaggelijk veel moeite hebben gekost om tot dergelijke diefstallen over te gaan. Het betrof hier open ruimten met veelal geen of een gebrekkige afspanning of omdrading. De goederen die in dergelijke gevallen werden ontvreemd bestonden voornamelijk uit gewassen (graan, vlas,…) en dieren. Vooral op de diefstal van dieren stonden strenge straffen.

Voorbeeld ter illustratie: Pieter De Witte, een 22 jarige wever, stal op 25 mei 1711 het paard van land- en timmerman Jan Anijschouril uit de weide. Het ging om een bruin paard van vier jaar oud met een witte vlek op het hoofd. P. D. W. is ermee naar Lokeren gereden waar hij het voor 100 gulden doorverkocht aan herbergier Jacobus Fermont. P. D. W. eindigde omwille van deze daad aan de galg.[23]

Voorbeeld ter illustratie: Jan Frans Van Visel klom op 21 september 1728 om elf uur ’s avonds met een ladder in de boomgaard van Joannes Coppens waar hij een bepaalde hoeveelheid peren plukte en ermee vandoor ging. Als straf moest J. F. V. V. op zijn blote knieën om vergiffenis bidden.[24]

Voorbeeld ter illustratie: Judocus Anthunis, tavernier in de ‘De Groene Herder’ te Lokeren stal in 1725 al eens de koe van Pieter Lieon uit de weide en verkocht ze te Gent. Toen kwam hij er nog met een serieuze geldboete vanaf. Op 19 mei 1732 stal hij een zwarte merrie uit de polder van Suydorpe. Deze diefstal leidde tot zijn doodvonnis op 9 april 1733.[25]

1.5. KERKBRAAK

Kerkbraak was een misdrijf dat een bijzondere weerzin opwekte. Het werd gezien als “ ’t execraebelste van alle dieften”.[26] In een sterk godsdienstige gemeenschap (zoals de Zuidelijke Nederlanden waren) was het logisch dat een schending van de heilige en gewijde plaatsen en de ontvreemding van cultusvoorwerpen als vreselijke en wraakroepende daden werden beschouwd. Daders werden meestal dan ook erg streng bestraft.

Strenge ordonnanties en afschrikwekkende straffen konden echter het aantal kerkdiefstallen niet beperken. Op 2 juni 1741 moest het centrale gezag in de Oostenrijkse Nederlanden vaststellen dat de “grauwelijcke schelmstukken” sterk vermeerderd waren aangezien op achttien maanden tijd meer dan twintig kerken beroofd waren.

In het Waasland vonden de meeste kerkbraken plaats in de jaren ’20 (6 van de 8 gevallen). Het waren vooral de kerken van kleinere en meer afgelegen dorpen die het slachtoffer van dieven werden. Toch werden soms ook kerken in grotere steden geviseerd, waarschijnlijk omdat daar een meer waardevolle buit kon worden gevonden.

Voorbeeld ter illustratie: een berucht kraker van kerken was de 23 jarige metselaar Pieter Emmanuel Vereycken uit Boom. Hij pleegde liefst acht kerkbraken zowel in, maar vooral buiten het Waasland. Daarnaast brak hij regelmatig in in huizen van pastoors. Onder meer volgende kerken werden door hem beroofd: Asse, Merchtem, Opwijk, Lebbeke, Bornem, Appels, Puurs en Sint- Niklaas. In die laatste kerk stal hij een zilveren kroon van het Onze Lieve Vrouwbeeld en de rest van het zilverwerk. Hij had een bepaalde manier van werken. Meestal brak hij de glasvensters in en dring zo naar binnen. Een andere manier was met een ladder in het dakgebinte klimmen en zo via een touw naar beneden glijden. De doodstraf was een niet meer dan logisch gevolg van al zijn daden.[27]

Voorbeeld ter illustratie: Susanne Vandembremt, haar man Joos De Wolf en Gillis Segers pleegden verscheidene kerkdiefstallen in en buiten het Waasland. Onder andere de kerken van Schellebelle, Moerzeke, Sint- Latem, Appels, Audegem, Moerbeke, Sinaai, Verrebroek, Vrasene en Waasmunster kwamen aan de beurt. Ook in Dendermonde en Brabant waren ze aan de slag. S. V. werd aan de pilorijn vastgebonden en moest toekijken hoe haar man en G. S. door de koord werden geëxecuteerd. Daarna werd ze tot bloedens toe gegeseld en daarna voor 25 jaar uit Vlaanderen verbannen.[28]

Voorbeeld ter illustratie: de 43 jarige Jan Segrijn uit Bornem was op 15 oktober 1740 op de grote markt van Mechelen gegeseld en gebrandmerkt wegens diefstallen en roofovervallen. Ook liep hij een levenslange verbanning uit de provincie Mechelen op. Na zijn veroordeling was hij zich in het Waasland komen vestigen. Het duurde echter niet lang voor hij weer op het dievenpad geraakte. Naast een paar diefstallen van dieren brak hij ook tweemaal in in de kerken van Burcht en Lebbeke. Op 6 mei 1750 werd hij op de markt van Sint- Niklaas opgehangen.[29]  

2. HELING

Onder heling verstaat men het verkopen van gestolen goederen. Diefstal en heling zijn  twee begrippen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Het Waasland vormde als grensgebied een gunstige uitvalsbasis voor helers. Eenmaal over de grenzen heen bevond men zich in een andere jurisdictie en was men in principe veilig. Ten zuiden en ten westen lagen het Land van Dendermonde en de kasselrij Oudburg. Het Waasland was ook een belangrijk doorvoergebied naar Antwerpen.[30] Van daaruit was er een verdere doorvoer en verdeling van handelsgoederen naar onder andere de Verenigde Provinciën. Vele gestolen goederen bleven echter in lokale circulatie. Meestal werden ze in een nabijgelegen dorp verkocht. Er zijn zelfs een paar gevallen bekend waarbij het gestolen goed in hetzelfde dorp wordt verkocht, amper enige tijd nadat het er is gestolen. Hierbij namen de dieven en helers (in dergelijke gevallen meestal dezelfde persoon) wel grote risico’ s. Het slachtoffer kon direct na de vaststelling van de diefstal de lokale autoriteiten verwittigen en daarna winkeliers, handelaars en gewone mensen op de hoogte brengen. Die waren dan op hun hoede en hielpen mee uitkijken naar het gestolen goed. Hoewel het verkopen van gestolen goederen in hetzelfde of in een nabijgelegen dorp niet zo verstandig en logisch leek, gebeurde dit nogal vaak. Meer dan één dief of heler is op die manier tegen de lamp gelopen.

Voorbeeld ter illustratie: in de nacht van zaterdag 22 op zondag 23 april 1741 drongen Joris Maes en Judenis Van Pottelberghe langs het kelderraam de kelder van brouwer Jan Frans De Bock uit Sinaai binnen en stalen er voedsel (boter, varkensvlees,…) en drank. De dag daarop (zondag dus) reeds poogden de dieven de gestolen goederen in Sinaai aan de man te brengen. De brouwer had tijdens de hoogmis uiteraard het verhaal van de diefstal aan zijn dorpsgenoten verteld en algauw werden de goederen als de zijne herkend. Vier mannen verwittigden meteen de meier van Sinaai die samen met enkele wachten van de ronde de twee dieven inrekende.[31] In het Waasland zijn tien gevallen van heling bekend. In vergelijking met het aantal gepleegde diefstallen is dit opmerkelijk weinig. Waarschijnlijk werd er veel meer aan heling gedaan, maar was dit het gerecht niet bekend of konden ze de daders niet vatten. Het zullen vooral de gevallen zijn waarbij de goederen werden doorversluisd naar Antwerpen of naar ergens anders buiten de grenzen van het Waasland die niet bekend zijn doordat de daders met hun buit konden ontkomen waardoor het erg moeilijk werd hen ooit terug te vinden. Op de tien betrapte daders waren er drie die poogden hun waar buiten het Waasland aan de man te brengen. De bestemmingen waren respectievelijk Antwerpen, Gent en Middelburg (Zeeland).

Voorbeeld ter illustratie: Judict Johaussere en Jan François Gordijn, twee oudere vagebonden, kwamen op 5 september 1727 te Temse aan. Ze klopten aan bij weduwe Lauretia Felix en maakten haar wijs dat ze geesten konden verdrijven. De goedgelovige vrouw liet hen binnen en zo zagen beide bedriegers hun kans schoon de vrouw te beroven. Met de buit, 28 pond en gouden sieraden op zak trokken ze naar herberg ‘Den Coninck van Spagnien’. Daar werden ze echter door de ronde opgepakt, juist toen ze op het punt stonden om met de schuit naar Antwerpen te vluchten.[32]

Voorbeeld ter illustratie: de 26 jarige Anne Marie De Groote werkte als dienstmeid bij Marie Van Hese. Toen deze laatste op 5 januari 1735 naar de markt was, besloot de dienstmeid haar slag te slaan. Ze roofde zich in het huis een opmerkelijke buit bij elkaar (textiel, kledij, trouwring, een zilveren ring,…) en trok ermee naar Antwerpen. Daar verkocht ze de ring en trok zo verder naar Middelburg waar ze de rest van de buit ten gelde maakte. Het leverde haar 50 schellingen en 8 ponden grote Hollands geld op.[33] De overige daders poogden hun buit dus binnen het Waasland te verzilveren.

Voorbeeld ter illustratie: Lieven Koetsier was schaapwachter in Moerbeke bij landman Pieter De Gughtenaere. Van de afwezigheid van zijn meester en diens vrouw profiteerde hij om twee schapen en een lam te stelen uit de kudde van zijn baas. Deze dieren verkocht hij aan de schaapwachter van Philippe De Blieck, een landman en herder uit Vrasene.[34]

Voorbeeld ter illustratiejarige Pieter Wagenhuyze uit Kallo was op 22 augustus 1729 in Hulst wegens diefstal gegeseld, gebrandmerkt en door de Staten- Generaal van de Verenigde Nederlanden uit de provincie Vlaanderen verbannen. Toch dook hij een paar jaar later in Tielrode op waar hij een inbraak pleegde in het huis van Beirnaert Van Steenputte. Met de buit, bestaande uit geld en kledij, trok hij naar Belsele waar hij de kledij prompt doorverkocht aan Emile Harenman.[35]

Soms wou de dief de gestolen waar voor eigen gebruik behouden. Om toch van de bewijslast af te komen liet hij de goederen dan bewerken.

Voorbeeld ter illustratie: Catharina Blommaert en haar compagnon Jacobus Geeraerts braken in in het huis van Alexander Daalman. J. G. gooidde eerst twee ruiten in en forceerde een houten balk met een ijzeren bout. Vervolgens zette hij C. B. op zijn schouders waardoor ze zich zo makkelijk naar binnen kon hijsen. Naast 6 ponden grootten stal ze ook nog een hoeveelheid Brugs lijnwaad. Met de buit trokken ze naar herberg ‘Het Wughersol’ en aan een kleermaker werd gevraagd om de stoffen te bewerken.[36]

Het kwam dus ook voor dat de dief kon worden betrapt en gevat alvorens hij erin was geslaagd de buit aan de man te brengen.

Voorbeeld ter illustratie: op 4 mei 1737 werd ingebroken bij landman Jan De Laere. De buit bedroeg lakens en allerhande kledij. De gestolen goederen werden de dag daarop teruggevonden in de boomgaard van Jan Winckens die op het punt stond ze te gaan verkopen op de markt van Sint- Niklaas.[37]

3. ROOF

Onder deze noemer zijn verscheidene vormen van misdaad te begrijpen. Wij hebben ons hier beperkt tot straatroof, zakkenrollen en struikroverij. Volgens L. T. Maes kan roof worden gedefinieerd als diefstal met geweldpleging; van roof is enkel sprake als diefstal en geweld samen werden begaan.[38]

3.1. STRAATROOF

Onder deze noemer hebben we de overvallen en de gevallen van zakkenrollen geplaatst die plaats vonden in de straatjes en steegjes van de verschillende Wase dorpen en gemeenten. Drie gevallen zijn bekend.

Rustige en donkere straten en  plaatsen waren in het algemeen het uitverkoren actieterrein van deze rovers en overvallers.

In de grote steden werd gepoogd maatregelen uit te vaardigen tegen deze criminelen door onder andere verlichting aan te brengen. Deze maatregelen kenden slechts beperkt succes.

Voorbeeld ter illustratie: Anthony De Block, een 48 jarige landman uit Temse was op weg naar de jaarlijkse kermis toen hij in een donkere steeg werd overvallen en men een paar van zijn dure zakdoeken en wat geld meenam. Het slachtoffer werd ontboden op het kasteel van Temse om bij de griffier zijn verhaal te doen. Een man uit Nieuwkerken was echter getuige geweest van de overval en op basis van zijn verklaringen en beschrijvingen werd spoedig een vreemdeling als dader opgepakt.[39]

Soms gebruikten de overvallers een list om eerst het vertrouwen van hun toekomstig slachtoffer te winnen. Ze dronken er een glas mee of knoopten gewoon een gesprek aan. Eens het vertrouwen gewonnen, wachtten ze het juiste moment af om toe te slaan.

Voorbeeld ter illustratie: Marie Van Vlierberghen werd op weg naar Sombeke door twee heren aangesproken die haar met zoete woordjes een herberg inlokten en haar dronken voerden. Toen ze samen terug op pad gingen, werd de vrouw ineens met geweld omver getrokken en van haar geld beroofd.[40]

Voorbeeld ter illustratie: Jan De Roover, een 65 jarige arbeider uit Sint- Gillis trok op Allerheiligen van het jaar 1742 naar het huis van Jacobus Groeinncx te Kieldrecht. Daar had een zekere Joannes Anthonius Commejans drie zakken zout gekocht. J. D. R. stelde hem voor de zakken over te kopen voor 12 schellingen. J. A. C. stemde toe en beide mannen laadden de zakken op een ezel en trokken samen naar Meerdonk. Onderweg heeft J. D. R. zijn medegezel echter een verraderlijke slag gegeven en hem van zijn geld beroofd. Daarna is hij met het geld en de zakken zout weggevlucht. J. A. C. is echter zijn woonplaats op het spoor gekomen en heeft de rondemeester gevraagd hem te arresteren.[41]

Er is ook één geval bekend van een mislukte overvalpoging.

Voorbeeld ter illustratie: de 36 jarige Pieter Van Hoije, een controleur van zijne majesteit, was op weg naar huis toen ineens een soldaat tevoorschijn kwam, een geweer op hem richtte en hem beval zijn geld af te geven. Enkele wandelaars kwamen echter tussenbeide zodat de overvaller het hazenpad diende te kiezen.[42]

3.2. STRUIKROVERIJ

Struikroof werd als een ernstig vergrijp gezien dat met niets ontziende straffen diende te worden beteugeld. Veiligheid op de wegen, en zeker op de grote verbindingswegen, was van vitaal belang voor de handel zodat in de loop der tijden steeds erg streng werd opgetreden tegen deze “straatscheynders” die de wegvrede schonden.[43] n de Nederlanden zou het centrale gezag zich bijna permanent met de baanschuimers gaan bezighouden.[44] Ondanks vele ordonnanties en een strenge repressie was er in de loop van de zestiende en de zeventiende eeuw een stijgende onveiligheid op de landwegen. De Raad van Vlaanderen schoof de schuld in de schoenen van de gerechtsofficieren. Door hun nalatigheid en gebrek aan plichtsbesef was het boevengespuis immers zo sterk in aantal toegenomen “dat men nauwelynghe achter ’t zelve land ghaen mach zonder gerooft of vermoort te zijne”. In de achttiende eeuw bleek de vloed van gewelddadige vermogensdelicten niet te stuiten. Maar ook de repressie ging in stijgende lijn. Reeds in het begin van de achttiende eeuw