| Criminaliteit in het land van Waas 1700 - 1750. (Peter Catthoor). |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
De vermogensmisdrijven vormen de meest omvangrijke categorie van misdrijven die
in de eerste helft van de achttiende eeuw in het Waasland werden gepleegd. Samen
zijn ze goed voor 41% van alle gepleegde misdrijven.
In totaal werden er 145 vermogensdelicten opgetekend. Welke subcategorie kwam nu
het vaakst voor?
|
Aard van het
misdrijf |
1700-09 |
1710-19 |
1720-29 |
1730-39 |
1740-50 |
TOTAAL |
|
Diefstal |
27 |
17 |
39 |
20 |
18 |
121 |
|
Heling |
|
1 |
2 |
6 |
1 |
10 |
|
Roof |
1 |
|
4 |
2 |
2 |
9 |
|
Bedrog |
2 |
|
1 |
2 |
|
5 |
|
TOTAAL |
30 |
18 |
46 |
30 |
21 |
145 |
Diefstal steekt er
duidelijk met kop en schouders bovenuit. In 121 onderzochte zaken, op een totaal
van 145, ging het om één of andere vorm van diefstal. Dit is liefst 83% van het
totaal.
Grafiek: Aandeel van de verschillende vermogensdelicten

Keren we even terug naar het belangrijkste
vermogensdelict, namelijk diefstal, dan zien we dat 1/3 van alle diefstallen
gepleegd is in het decennium 1720- 1729. Ook het decennium 1700- 1709 kent met
27 gevallen een groot aandeel (22,3%).
Bij eerder gevoerde studies over de criminaliteit in (een deel van) het Waasland
bleek eveneens dat het aandeel van de vermogensdelicten er in vergelijking met
andere vormen van misdaad sterk bovenuit stak.[1]
Het loont ook de moeite de bekomen resultaten en cijfers even te vergelijken met
gegevens van buiten het Waasland.
In het achttiende eeuwse Antwerpen kwamen vermogensdelicten, bij een
vergelijking van de verschillende misdaadvormen, slechts op de tweede plaats met
een aandeel van 37%.[2]
Gewone diefstallen haalden er ook wel de bovenhand (68%). F. Vanhemelryck haalt
aan dat niet vermogensdelicten, maar wel geweldmisdrijven de meest voorkomende
misdaden waren in vroegere tijden.[3]
De oorzaken van vermogensdelicten zijn erg verscheiden. Naast vele individuele
intenties en motieven spelen enkele factoren mee die door de historici vaak als
verklaring worden ingeroepen. Naast geldzucht gaat het vooral om armoede en
honger.
Het was duidelijk dat economische variabelen de misdaad beïnvloedden, maar de
connectie tussen beiden bleek niet altijd even simplistisch als eerst werd
gedacht.
Honger werd als een grote criminogene factor beschouwd.[6]
Misdaden tegen het vermogen stegen gevoelig tijdens perioden van
voedselschaarste en hongersnood. Honger was toen een grote drijfveer om tot
diefstal over te gaan.
1. DIEFSTAL
Onder diefstal wordt verstaan het opzettelijk, wederechtelijk heimelijke
wegnemen van één aan een ander toebehorende zaak, met het doel zich die toe te
eigenen.[7]
Diefstallen kunnen op verschillende wijzen in categorieën gerangschikt worden:
volgens de waarde van het gestolen goed, volgens de plaats en het tijdstip
waarop ze plaatsvonden en volgens de wijze waarop ze gepleegd werden.
In onderstaande tabel werd rekening gehouden met de plaats waaruit iets werd
gestolen. Ook met de wijze waarop een diefstal is gepleegd werd rekening
gehouden. Hiertoe werd een onderscheid gemaakt tussen diefstal met braak en
diefstal zonder braak. Omdat alle diefstallen met braak in een huis
plaatsvonden, werd deze rubriek
|
|
1700-09 |
1710-19 |
1720-29 |
1730-39 |
1740-50 |
TOTAAL |
|
Huisdiefstal door middel van braak |
8 |
2 |
10 |
7 |
3 |
30 |
|
Diefstal zonder braak
-Huis
-Stal
-Schuur
-Graanzolder |
8
1
1
|
3
3 |
10
1
1 |
5
2 |
2
7
1 |
28
13
3
1 |
|
Diefstal uit brouwerij |
|
1 |
|
|
|
1 |
|
Diefstal uit winkel, kraam |
1 |
3 |
1 |
2 |
1 |
8 |
|
Diefstal uit herberg |
1 |
2 |
4 |
|
1 |
8 |
|
Diefstal uit hof, weide, veld |
1 |
1 |
3 |
2 |
2 |
9 |
|
Kerkbraak |
1 |
|
6 |
|
1 |
8 |
|
Onbekend |
5 |
2 |
3 |
2 |
|
12 |
|
TOTAAL |
27 |
17 |
31 |
20 |
18 |
121 |
1.1 DIEFSTAL MET BRAAK
Hierbij ging het in alle gevallen om inbraak in een huis, zodat deze categorie
in bovenstaande tabel vermeld staat als ‘huisdiefstal met braak’.
Diefstal met braak was volgens de oude Germaanse volkenrechten een delict met
verzwarende omstandigheden dat streng diende te worden gestraft.[9] Dat is in latere tijden zo
gebleven.
Diefstal met braak was een misdaad die enige voorbereiding vergde. De dieven
moesten er tevoren zeker van zijn dat er niemand thuis was en dat ze tijdens hun
actie niet door een wacht van de ronde werden verrast. Ook wisten ze veelal van
tevoren hoe ze best en op de meest snelle manier een bepaald huis konden
binnendringen en weer verlaten. Diefstallen met braak werden zodoende meestal
gepleegd door meer ervaren en soms zelfs professionele dieven.
Voorbeeld ter illustratie: op 23 oktober 1728 stonden twee mannen, namelijk
Ferdinand Philippe De Wilde en François Botterman, voor het Leenhof terecht
wegens het plegen van een reeks inbraken in het Waasland. Op 9 juli 1727 tussen
acht en negen uur ’s morgens hadden ze het zoldervenster van Antonius Van Laere
opengebroken en waren ze langsdaar diens woning binnengedrongen. Ze braken een
koffer open waaruit ze kledij en geld meenamen. In de nacht van 7 op 8 mei 1727
hadden ze een raam geforceerd en drongen zo de woning van Jacobus Poortermans
binnen. De buit bedroeg allerhande stoffen en kledij. Deze werd naar Gent
gevoerd waar ze werd doorverkocht. De opbrengst werd door beide dieven gedeeld.
Het Leenhof toonde zich erg streng voor beide mannen. Ze werden veroordeeld tot
de dood door ophanging.[10]
Voorbeeld ter illustratie: op 24 maart 1730 brak de 35 jarige Cornelis Rombaut
uit Sijsseghem met een ploegkouter een gat in de muur in de woning van Jan De
Kerschaver uit Daknam. Langs dit gat drong hij de woning binnen. De buit bedroeg
twee slaaplakens, twee wollen saergen, één paar hoofdkussens, varkenscider en 5
ponden grootten geld. Via een opengebroken raam werd er ook ingebroken bij Joos
Bracke. De dief kwam er met een geseling en twintig jaar verbanning vanaf.[11]
Het kwam vaak voor dat de dieven er een onderlinge taak op nahielden. Terwijl
één of meerdere mannen bezig waren met inbreken werd één persoon op wacht gezet
om bij eventueel gevaar zijn compagnons te kunnen waarschuwen.
Voorbeeld ter illustratie: Adriaen Aerens uit Lieser en Jan Christiaens
waren tijdens hun zwerftocht in Sint- Gillis beland. Zij besloten in de
hoeve van landman François Varrewijck in te breken. Terwijl A. A. zich met de
eigenlijke inbraak bezighield, vatte J. C. post aan de ingang van het hof om zo
de wacht te kunnen houden.[12]
Dergelijke “professionals” hielden het niet enkel bij inbraken in hoeven of
huizen. Ze hielden zich meestal ook nog met andere soorten diefstal bezig.
Voorbeeld ter illustratie: naast twee inbraken diende Gillis Van Eetvelde zich
voor het gerecht te verantwoorden voor twee straatovervallen die hij op de weg
tussen Lokeren en Zele had gepleegd.[13]
1.2. DIEFSTAL ZONDER BRAAK
In totaal werden 46 zaken onder deze noemer geklasseerd. 28 maal ging het om
diefstallen die in een huis werden gepleegd. 16 maal werd er uit een schuur of
een stal gestolen. In 1 geval ging het om diefstal uit een graanzolder en
eenmaal om diefstal uit een brouwerij.
Diefstal uit een huis of uit een stal kwam dus het meest voor. Dit soort
diefstallen waren heel wat minder moeilijk te plegen en er kwam geen of heel wat
minder voorbereiding bij kijken. Deftige sloten ontbraken meestal en veel
bewoners lieten hun deuren open als ze weggingen. Ook hadden veel ramen geen
echte vensters zodat het ontvreemden van goederen voor zowat iedereen mogelijk
was. Bij gebrek aan moderne alarmsystemen konden vele mensen op niks anders dan
op de goodwill en de eerlijkheid van hun medemens rekenen. Bij heel wat personen
kreeg het vertrouwen in de mensheid in die dagen een serieuze knauw.
Voorbeeld ter illustratie: Jan Van Vossel en zijn vrouw Barbara D’Olieslaeger
trokken op 11 juli 1723 naar het huis van landman Jan Van Hecke te Waasmunster.
De bewoners waren naar de kermis van Belsele getrokken en zodoende was er
niemand thuis. Het diefachtige koppel trok de woning binnen en stal er een hele
hoop kledij.[14]
Voorbeeld ter illustratie: de 25 jarige Jenneken Cappaerts woonde als dienstmeid
ten huize van Michiel Jangels. Toen haar meester op een avond niet thuis was zag
ze haar kans schoon. Ze trok naar de zolder en stal er 14 pond varkensvlees,
lakens en een hemd. De buit ging ze dan verstoppen in de nabijgelegen schuur van
Joos Van Herwege.[15]
Voorbeeld ter illustratie: de 26 jarige Severina Boudewijns, afkomstig uit
Vlissingen, kwam in Sint- Niklaas langs het huis van schoenmaker Jan Vernimmen.
Toen ze merkte dat er niemand thuis was, ging ze binnen en stal er een stuk stof
van 39 ellen.
Hetzelfde gebeurde bij de woning van Geeraerd Verbust.
Bij de strafmaat werd rekening gehouden met het feit dat ze zwanger was; zo
ontliep S. B. de geseling. Wel werd ze voor 10 jaar uit het Waasland verbannen.[16]
1.3. DIEFSTAL UIT WINKEL EN HERBERG
Het aantal winkeldiefstallen zal in werkelijkheid wel veel hoger gelegen hebben
dan de acht gevallen die hier staan opgetekend. Enkel daders die betrapt werden,
kwamen in de dossiers voor. Daarnaast is er het feit dat een winkelier, telkens
er een goed van betrekkelijk kleine waarde was ontvreemd, veelal besloot geen
klacht neer te leggen in de wetenschap dat dit in dergelijke gevallen toch
weinig of niets zou uithalen.
Voorbeeld ter illustratie: Jean Joseph Richard, een 19 jarige wever uit Bergen,
pleegde een diefstal in een winkel te Lokeren. De buit bedroeg lijnwaad.[17]
Voorbeeld ter illustratie: de 30 jarige vagebond Jan Mirssens had een diefstal
gepleegd in de winkel van Linda Wegenmael uit Melsele. De buit bedroeg een stuk
zijde stof en geld.[18]
Voorbeeld ter illustratie: op 9 april 1733 werden er voor het Leenhof twee
gelijkaardige gevallen van diefstal behandeld. Op 6 oktober 1632, tijdens de
marktdag te Sint- Niklaas, stal Jenno Van Der Heyden een flanellen laken uit het
kraam van Judocus Wittock. Twee maanden later, op 6 december, gebeurde er iets
gelijkaardigs op de markt. Toen stal de 26 jarige Sarah Karels een wit gebleekt
lijnwaad van 19 ellen en 3/ 4 uit het kraam van Judocus Loir.
Ook in herbergen werd regelmatig gestolen. Het
kon zowel gaan om goederen van klanten die in de herberg verbleven als om
goederen van de herbergier zelf.
Voorbeeld ter illustratie: de 32 jarige
Cornelis De Witte stal op dezelfde dag uit twee verschillende herbergen. In de
herberg van Jan Baptist dronk hij eerst een hoeveelheid brandewijn zonder te
betalen om daarna de blauwe mantel van Adriaen Van Goshem te stelen. Een paar
uur daarna vereerde hij herberg ‘De Bonte Proye’ met een bezoek. Hij stal er
maar liefst vier graanzakken die toebehoorden aan Gillis Van De Velde uit Temse.[20]
Voorbeeld ter illustratie: Janbaptista d’ Ardin
kwam van Gent en was op weg naar Antwerpen. Ter hoogte van Daknam kwam hij
Christoffel Hafela tegen. Beide mannen
besloten de nacht door te brengen in herberg ‘ De Fonteyne’. Ze sliepen
zelfs op dezelfde kamer. Toen C. H. sliep zag J. A. zijn kans schoon en beroofde
hem van zijn geld (gouden en zilveren munten) en kleren.[21]
Voorbeeld ter illustratie: Catharina Dobbeleir
kwam op 4 februari 1722 aan te Lokeren en verbleef er in de herberg van Simon
Val. Vroeg in de ochtend vertrok ze zonder te betalen na uit één van de kamers
kledij en textiel te hebben gestolen. De daaropvolgende week werd dit scenario
nog tweemaal herhaald, zowel in de herberg van Judocus Zamas
te Sinaai als in herberg
‘Themsche’.[22]
1.4.
DIEFSTAL UIT HOF, WEIDE EN VELD
Negen gevallen zijn in de gerechtelijke bronnen
terug te vinden. Nochtans moet het ook niet ontzaggelijk veel moeite hebben
gekost om tot dergelijke diefstallen over te gaan. Het betrof hier open ruimten
met veelal geen of een gebrekkige afspanning of omdrading.
Voorbeeld ter illustratie: Pieter De Witte, een
22 jarige wever, stal op 25 mei 1711 het paard van land- en timmerman Jan
Anijschouril uit de weide. Het ging om een bruin paard van vier jaar oud met een
witte vlek op het hoofd. P. D. W. is ermee naar Lokeren gereden waar hij het
voor 100 gulden doorverkocht aan herbergier Jacobus Fermont. P. D. W. eindigde
omwille van deze daad aan de galg.[23]
Voorbeeld ter illustratie: Jan Frans Van Visel
klom op 21 september 1728 om elf uur ’s avonds met een ladder in de boomgaard
van Joannes Coppens waar hij een bepaalde hoeveelheid peren plukte en ermee
vandoor ging. Als straf moest J. F. V. V. op zijn blote knieën om vergiffenis
bidden.[24]
Voorbeeld ter illustratie: Judocus Anthunis,
tavernier in de ‘De Groene Herder’ te Lokeren stal in 1725 al eens de koe van
Pieter Lieon uit de weide en verkocht ze te Gent. Toen kwam hij er nog met een
serieuze geldboete vanaf.
1.5.
KERKBRAAK
Kerkbraak was een misdrijf dat een bijzondere
weerzin opwekte. Het werd gezien als “ ’t execraebelste van alle dieften”.[26] In een sterk
godsdienstige gemeenschap (zoals de Zuidelijke Nederlanden waren) was het
logisch dat een schending van de heilige en gewijde plaatsen en de ontvreemding
van cultusvoorwerpen als vreselijke en wraakroepende daden werden beschouwd.
Daders werden meestal dan ook erg streng bestraft.
Strenge ordonnanties en afschrikwekkende
straffen konden echter het aantal kerkdiefstallen niet beperken. Op 2 juni 1741
moest het centrale gezag in de Oostenrijkse Nederlanden vaststellen dat de
“grauwelijcke schelmstukken” sterk vermeerderd waren aangezien op achttien
maanden tijd meer dan twintig kerken beroofd waren.
In het Waasland vonden de meeste kerkbraken
plaats in de jaren ’20 (6 van de 8 gevallen). Het waren vooral de kerken van
kleinere en meer afgelegen dorpen die het slachtoffer van dieven werden. Toch
werden soms ook kerken in grotere steden geviseerd, waarschijnlijk omdat daar
een meer waardevolle buit kon worden gevonden.
Voorbeeld ter illustratie: een berucht kraker
van kerken was de 23 jarige metselaar Pieter Emmanuel Vereycken uit Boom. Hij
pleegde liefst acht kerkbraken zowel in, maar vooral buiten het Waasland.
Daarnaast brak hij regelmatig in in huizen van pastoors. Onder meer volgende
kerken werden door hem beroofd: Asse, Merchtem, Opwijk, Lebbeke, Bornem, Appels,
Puurs en Sint- Niklaas. In die laatste kerk stal hij een zilveren kroon van het
Onze Lieve Vrouwbeeld en de rest van het zilverwerk.
Voorbeeld ter illustratie: Susanne Vandembremt,
haar man Joos De Wolf en Gillis Segers pleegden verscheidene kerkdiefstallen in
en buiten het Waasland. Onder andere de kerken van Schellebelle, Moerzeke, Sint-
Latem, Appels, Audegem, Moerbeke, Sinaai, Verrebroek, Vrasene en Waasmunster
kwamen aan de beurt. Ook in Dendermonde en Brabant waren ze aan de slag.
Voorbeeld ter illustratie: de 43 jarige Jan
Segrijn uit Bornem was op 15 oktober 1740 op de grote markt van Mechelen
gegeseld en gebrandmerkt wegens diefstallen en roofovervallen. Ook liep hij een
levenslange verbanning uit de provincie Mechelen op.
2. HELING
Onder heling verstaat men het verkopen van
gestolen goederen. Diefstal en heling zijn
twee begrippen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Het Waasland vormde als grensgebied een
gunstige uitvalsbasis voor helers. Eenmaal over de grenzen heen bevond men zich
in een andere jurisdictie en was men in principe veilig. Ten zuiden en ten
westen lagen het Land van Dendermonde en de kasselrij Oudburg. Het Waasland was
ook een belangrijk doorvoergebied naar Antwerpen.[30]
Van daaruit was er een verdere doorvoer en verdeling van handelsgoederen naar
onder andere de Verenigde Provinciën.
Voorbeeld ter illustratie: in de nacht van
zaterdag 22 op zondag 23 april 1741 drongen Joris Maes en Judenis Van
Pottelberghe langs het kelderraam de kelder van brouwer Jan Frans De Bock uit
Sinaai binnen en stalen er voedsel (boter, varkensvlees,…) en drank. De dag
daarop (zondag dus) reeds poogden de dieven de gestolen goederen in Sinaai aan
de man te brengen. De brouwer had tijdens de hoogmis uiteraard het verhaal van
de diefstal aan zijn dorpsgenoten verteld en algauw werden de goederen als de
zijne herkend. Vier mannen verwittigden meteen de meier van Sinaai die samen met
enkele wachten van de ronde de twee dieven inrekende.[31]
Voorbeeld ter illustratie: Judict Johaussere en
Jan François Gordijn, twee oudere vagebonden, kwamen op 5 september 1727 te
Temse aan. Ze klopten aan bij weduwe Lauretia Felix en maakten haar wijs dat ze
geesten konden verdrijven. De goedgelovige vrouw liet hen binnen en zo zagen
beide bedriegers hun kans schoon de vrouw te beroven. Met de buit, 28 pond en
gouden sieraden op zak trokken ze naar herberg ‘Den Coninck van Spagnien’. Daar
werden ze echter door de ronde opgepakt, juist toen ze op het punt stonden om
met de schuit naar Antwerpen te vluchten.[32]
Voorbeeld ter illustratie: de 26 jarige Anne
Marie De Groote werkte als dienstmeid bij Marie Van Hese. Toen deze laatste op 5
januari 1735 naar de markt was, besloot de dienstmeid haar slag te slaan. Ze
roofde zich in het huis een opmerkelijke buit bij elkaar (textiel, kledij,
trouwring, een zilveren ring,…) en trok ermee naar Antwerpen. Daar verkocht ze
de ring en trok zo verder naar Middelburg waar ze de rest van de buit ten gelde
maakte. Het leverde haar 50 schellingen en 8 ponden grote Hollands geld op.[33]
Voorbeeld ter illustratie: Lieven Koetsier was
schaapwachter in Moerbeke bij landman Pieter De Gughtenaere. Van de afwezigheid
van zijn meester en diens vrouw profiteerde hij om twee schapen en een lam te
stelen uit de kudde van zijn baas. Deze dieren verkocht hij aan de schaapwachter
van Philippe De Blieck, een landman en herder uit Vrasene.[34]
Voorbeeld ter illustratiejarige Pieter
Wagenhuyze uit Kallo was op 22 augustus 1729 in Hulst wegens diefstal gegeseld,
gebrandmerkt en door de Staten- Generaal van de Verenigde Nederlanden uit de
provincie Vlaanderen verbannen. Toch dook hij een paar jaar later in Tielrode op
waar hij een inbraak pleegde in het huis van Beirnaert Van Steenputte. Met de
buit, bestaande uit geld en kledij, trok hij naar Belsele waar hij de kledij
prompt doorverkocht aan Emile Harenman.[35]
Soms wou de dief de gestolen waar voor eigen
gebruik behouden. Om toch van de bewijslast af te komen liet hij de goederen dan
bewerken.
Voorbeeld ter illustratie: Catharina Blommaert
en haar compagnon Jacobus Geeraerts braken in in het huis van Alexander Daalman.
J. G. gooidde eerst twee ruiten in en forceerde een houten balk met een ijzeren
bout. Vervolgens zette hij C. B. op zijn schouders waardoor ze zich zo makkelijk
naar binnen kon hijsen. Naast 6 ponden grootten stal ze ook nog een hoeveelheid
Brugs lijnwaad. Met de buit trokken ze naar herberg ‘Het Wughersol’ en aan een
kleermaker werd gevraagd om de stoffen te bewerken.[36]
Het kwam dus ook voor dat de dief kon worden
betrapt en gevat alvorens hij erin was geslaagd de buit aan de man te brengen.
Voorbeeld ter illustratie: op 4 mei 1737 werd
ingebroken bij landman Jan De Laere. De buit bedroeg lakens en allerhande
kledij. De gestolen goederen werden de dag daarop teruggevonden in de boomgaard
van Jan Winckens die op het punt stond ze te gaan verkopen op de markt van Sint-
Niklaas.[37]
3. ROOF
Onder deze noemer zijn verscheidene vormen van
misdaad te begrijpen. Wij hebben ons hier beperkt tot straatroof, zakkenrollen
en struikroverij.
3.1.
STRAATROOF
Onder deze noemer hebben we de overvallen en de
gevallen van zakkenrollen geplaatst die plaats vonden in de straatjes en
steegjes van de verschillende Wase dorpen en gemeenten. Drie gevallen zijn
bekend.
Rustige en donkere straten en
plaatsen waren in het algemeen het uitverkoren actieterrein van deze
rovers en overvallers.
In de grote steden werd gepoogd maatregelen uit
te vaardigen tegen deze criminelen door onder andere verlichting aan te brengen.
Deze maatregelen kenden slechts beperkt succes.
Voorbeeld ter illustratie: Anthony De Block,
een 48 jarige landman uit Temse was op weg naar de jaarlijkse kermis toen hij in
een donkere steeg werd overvallen en men een paar van zijn dure zakdoeken en wat
geld meenam. Het slachtoffer werd ontboden op het kasteel van Temse om bij de
griffier zijn verhaal te doen. Een man uit Nieuwkerken was echter getuige
geweest van de overval en op basis van zijn verklaringen en beschrijvingen werd
spoedig een vreemdeling als dader opgepakt.[39]
Soms gebruikten de overvallers een list om
eerst het vertrouwen van hun toekomstig slachtoffer te winnen. Ze dronken er een
glas mee of knoopten gewoon een gesprek aan. Eens het vertrouwen gewonnen,
wachtten ze het juiste moment af om toe te slaan.
Voorbeeld ter illustratie: Marie Van
Vlierberghen werd op weg naar Sombeke door twee heren aangesproken die haar met
zoete woordjes een herberg inlokten en haar dronken voerden. Toen ze samen terug
op pad gingen, werd de vrouw ineens met geweld omver getrokken en van haar geld
beroofd.[40]
Voorbeeld ter illustratie: Jan De Roover, een
65 jarige arbeider uit Sint- Gillis trok op Allerheiligen van het jaar 1742 naar
het huis van Jacobus Groeinncx te Kieldrecht. Daar had een zekere Joannes
Anthonius Commejans drie zakken zout gekocht. J. D. R. stelde hem voor de zakken
over te kopen voor 12 schellingen. J. A. C. stemde toe en beide mannen laadden
de zakken op een ezel en trokken samen naar Meerdonk. Onderweg heeft J. D. R.
zijn medegezel echter een verraderlijke slag gegeven en hem
Er is ook één geval bekend van een mislukte
overvalpoging.
Voorbeeld ter illustratie: de 36 jarige Pieter
Van Hoije, een controleur van zijne majesteit, was op weg naar huis toen ineens
een soldaat tevoorschijn kwam, een geweer op hem richtte en hem beval zijn geld
af te geven. Enkele wandelaars kwamen echter tussenbeide zodat de overvaller het
hazenpad diende te kiezen.[42]
3.2.
STRUIKROVERIJ
Struikroof werd als een ernstig vergrijp gezien
dat met niets ontziende straffen diende te worden beteugeld. Veiligheid op de
wegen, en zeker op de grote verbindingswegen, was van vitaal belang voor de
handel zodat in de loop der tijden steeds erg streng werd opgetreden tegen deze
“straatscheynders” die de wegvrede schonden.[43]