Criminaliteit in het land van Waas. (Peter Catthoor).

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel 2: De misdrijven

 

HOOFDSTUK 2: GEWELDDELICTEN

 

A. OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE GEWELDDELICTEN

 

De gewelddelicten zijn in volgende categorieën opgedeeld: moord, zelfmoord, doodslag en fysiek geweld.

 Tabel: Indeling van de gewelddelicten in het Land van Waas

Soort gewelddelict

 

1700-1709

1710-1719

1720-1729

1730-1739

1740-1750

TOTAAL

 

Moord

 

7

 

 

 

  2

 

1

 

1

 

1

 

  12

 

Zelfmoord

 

2

 

2

 

1

 

 

 

5

 

Doodslag

 

1

 

7

 

5

 

2

 

 

  15

 

Fysiek geweld

 

4

 

7

 

8

 

  11

 

5

 

  35

TOTAAL

 

  14

 

  18

 

  15

 

  14

 

6

 

  67

Bij het overzicht van alle gewelddelicten zien we dat fysiek geweld de grootste plaats inneemt (52%). Fysiek geweld kan nog in een paar subcategorieën onderverdeeld worden, (daarover later meer). Op de tweede plaats komt doodslag (22%) gevolgd door moord (18%). Tussen beide delicten is het niet altijd even makkelijk om een onderscheid te maken. Er waren daarnaast nog vijf gevallen van zelfmoord.

Opvallend is dat de meeste moorden werden gepleegd in de periode 1700- 1709, een periode van hevig oorlogsgeweld. Doodslag kende zijn zwaartepunt in de periode 1710- 1729, met 80% van het totaal aantal gevallen in die periode. Het aantal gevallen van fysiek geweld liepen ongeveer gelijk, maar in beide oorlogsperiodes (1700- 1709 en 1740- 1750) was er toch een opvallende vermindering van het aantal zaken in de bronnen waar te nemen.

In deze oorlogsperiodes vonden 25% van alle misdaden plaats, de overige 75% speelden zich af in vredestijd.

In sommige gevallen was er in de bronnen een discrepantie waar te nemen tussen een gepleegd misdrijf en de behandeling van de zaak voor het leenhof waardoor de strafmaat pas een jaar of zelfs enkele jaren later werd uitgesproken. Hiermee is in dit overzicht rekening gehouden. We hebben gekeken naar het jaar waarin de misdaad werd gepleegd en die informatie in het gegevensbestand verwerkt.

Voorbeeld ter illustratie: op 1 maart 1719 was het in de herberg van Ignatius Van Havere, gelegen te Sint- Gillis, tot een drinkpartij gekomen tussen Cornelis Vermunten, Jan Weyn en nog een paar andere personen. De aanleiding tot de ruzie is onbekend maar bij het naar huis gaan kwam het tot een hevige vechtpartij tussen Cornelis Vermunten en Jan Weyn die hevige stokslagen diende te incasseren en aan de gevolgen daarvan op 5 maart overleed.

Cornelis Vermunten sloeg op de vlucht maar kon enige weken later gevat worden. Toch vond zijn proces pas vier jaar later plaats, namelijk in de maand januari van het jaar 1723.[1]

 

Bekijken we de opdeling van de misdrijven per periode, dan zien we dat er een vrij evenwichtig verloop bestaat tussen de verscheidene decennia. De uitzondering hierop wordt gevormd door de periode 1740- 1750. Toen werden slechts 6 gewelddelicten geregistreerd wat gelijk staat aan 9% van het totale aantal. Een verklaring hiervoor kan men zoeken in de woelige tijdsomstandigheden. Maar de periode 1700- 1709 was minstens even woelig en de gerechtelijke desoriëntatie was nog veel groter (cf. de kroniek van François- Joseph de Castro) en toch kent deze periode een hoog aantal misdrijven.

F. Vanhemelryck meent een andere verklaring voor dit verschijnsel te hebben. In periodes van economische depressie, gepaard gaande met voedselschaarste en hongersnood en sterk oplopende prijzen (cf. het Waasland in de periode 1740- 1750),

zal vooral de vermogenscriminaliteit welig tieren. Het omgekeerde geldt voorgeweldcriminaliteit.

Volgens F. Vanhemelryck is dit als volgt te verklaren.[2] In de eerste plaats wees hij op de verzwakking van het menselijke gestel tijdens perioden van hongersnood. Een daling van de koopkracht voor voedsel had immers een verslechtering van de algemene voedingstoestand tot gevolg. Hij concludeerde eruit dat men mocht veronderstellen dat tijdens dergelijke perioden van voedselschaarste, door een gebrek aan calorieën, de veerkracht en de kracht ontbrak om tot uitputtende handtastelijkheden over te gaan.

Daarbij mag men aannemen dat in perioden van economische moeilijkheden ook het alcoholverbruik gevoelig daalde. Door graangebrek werd er immers veel minder gebrouwen dan in normale tijden. De criminogene werking van alcohol liep dan ook terug. De veel geringere contacten tussen de herbergbezoekers verminderde als vanzelf de gelegenheid tot agressieve daden uit dronkenschap en dus zo ook mede de geweldcriminaliteit.

 

Voor de periode 1740- 1750 zien we inderdaad een opmerkelijk verschil tussen het aantal gewelddelicten (6) en vermogensdelicten (21). Dit was echter ook zo in het

decennium 1720- 1729 (15 ten opzichte van 46). In alle periodes worden er trouwens opmerkelijk meer vermogensdelicten gepleegd dan gewelddelicten.

 

1. MOORD

 

Moord was en is nog altijd een zware misdaad. Het werd beschouwd als het zwaarste en meest verwerpelijke vergrijp tegen de persoon.[3]

De meeste moorden werden in de periode 1700- 1709 gepleegd. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone moorden en kindermoorden.

 

 1.1. MOORD, ROOFMOORD

 

Acht misdaden kunnen onder deze categorie worden ondergebracht. Motieven ontbreken echter in de bronnen, waardoor het veelal een raadsel blijft waarom een bepaalde persoon aan zijn einde is gekomen of waarom de dader(s) tot die daad overging.

 

Voorbeeld ter illustratie: in het jaar 1712 vermoordde Frans Robbens zijn stiefvader in diens woning nadat hij er ’s avonds was binnengedrongen.[4]

 

Voorbeeld ter illustratie: de 63 jarige Fannie Poinoix uit Waasmunster had haar man Pieter De Langhe vergiftigd. Dit vergif had ze gekocht te Lokeren in de winkel van Joanna Audenaerde onder het mom dat het moest dienen om muizen in haar huis te verdelgen. Thuis mengde ze het gif in de pap van haar man die spoedig pijn en hevige darmkrampen kreeg. De vrouw ging de chirurgijn halen maar die kon slechts het overlijden van Pieter De Langhe vaststellen. De chirurgijn sneed echter het lijk open en vond zo de sporen van het gif terug.

De oude vrouw werd geradbraakt met een ijzeren staaf door middel van twee slagen op iedere arm en een slag op het hart. Daarna werd haar hals afgesneden en haar hoofd

op een ijzeren pin gezet.[5]

 

1.2. KINDERMOORD

 

Onder kindermoord verstaat men hier de doodslag op een kind, tijdens of kort na de geboorte. Dit gebeurde meestal door de moeder zelf. Kindermoord werd beschouwd als een afschuwelijk misdrijf, omdat men door de doding van een ongedoopt kind de ziel deed verloren gaan.[6]

De repressie en bestraffing van jonge vrouwen die hun kind hadden gedood was erg streng. In de meeste gevallen was de doodstraf het gevolg. Zo heeft deze strenge vervolging in Engeland aan meer (jonge) vrouwen het leven gekost dan de traditionele heksenvervolgingen deden.[7]

 

Voorbeeld ter illustratie: de 23 jarige Josijne Van Strijdonck woonde in Bazel als dienstmeid bij Joos Vermeulen. Ze was zwanger geraakt en beviel in alle stilte van een zoon. Ze doodde echter direct haar kind door het te slaan met haar knie. Haar meester vond het babylijkje terug achter het huis waarna het door een chirurgijn werd onderzocht. De jonge vrouw stierf door ophanging aan de galg en haar dood lichaam werd op een rad gelegd en tentoon gespreid als schandelijk voorbeeld.[8]

 

Het ‘dark number’ bij dit soort misdaad was echter zeer groot. Weinig daders werden of konden gevat worden.[9] Daarbij komt dat het veelal moeilijk uit te maken of te bewijzen was of het kind daadwerkelijk was vermoord. In Amsterdam poogde men dit na te gaan door middel van de longproef: bij de lijkschouwing legde men de longen van het pasgeboren kind in water. Als de longen zonken betekende het dat de baby had geleefd na de geboorte. Reeds in de achttiende eeuw werd deze methode aangevochten en rond 1900 werd ze als helemaal onbetrouwbaar afgedaan.[10] Men ging er zelfs toe over de lijkjes terug op te graven zodat bij geval van twijfel de chirurgijn een volledig onderzoek kon toepassen. Dit gebeurde onder andere in 1706.

De 25 jarige Catharina Van Broeckhoven uit Vrasene was zwanger geraakt van soldaat Jacobus Van Zembergen. Op 14 augustus was zij zonder hulp bevallen van een dochterdie een half uur na de geboorte zou gestorven zijn. Omdat de schepenen sterke vermoedens hadden dat de vrouw haar kind zelf had gedood, gaven ze bevel om het terug op te graven om onderzoek te doen.[11]

Wat zette in de loop der tijden zoveel (vooral jonge) moeders aan tot deze verschrikkelijke daad? Men kan denken aan economische redenen, zoals armoede en de onmogelijkheid voor het kind te kunnen zorgen. Men stelt vast dat er een duidelijk verband bestond tussen een verhoging van de brood- of huurprijzen en het aantal te vinden gelegde kinderen en het aantal kindermoorden.[12] Bij dienstmeiden was er de schrik hun betrekking te verliezen.

In vele van dergelijke gevallen was de moeder zwanger geraakt van een man met wie ze niet getrouwd was. Het kon gaan om soldaten die alweer verder waren getrokken zonder misschien te beseffen wat ze hadden achter gelaten, jongens uit de eigen regio of nog anderen. In sommige gevallen was de vader gewoon onbekend.

Volgens de wetgeving was elk kind dat buiten een huwelijk werd geboren een onwettig kind of bastaard. De geboorte van een onwettig kind werd beschouwd als de grootste oneer. Vandaar dat vrouwen die in dergelijk geval verkeerden hun zwangerschap zolang mogelijk poogden geheim te houden, de bevalling veelalalleen en met de grootste risico’ s uitvoerden en daarna uit wanhoop dan uiteindelijk tot kindermoord overgingen.[13]

 

Voorbeeld ter illustratie: Elisabeth Clairebaut, een 20 jarige dienstmeid had seksuele contacten gehad buiten haar huwelijk en was zwanger geraakt. Midden februari beviel ze zonder hulp. Haar kind, dat volgens haar verhaal reeds dood was, had ze in een gracht geworpen. Twee maanden later werd het rottende lichaampje gevonden en door twee chirurgijns onderzocht. Als straf werd ze op het schavot gegeseld en uit Vlaanderen verbannen.[14]

   

2. ZELFMOORD

 

Zelfmoord was een handeling die noch in het Romeinse noch in het Germaanse recht beteugeld werd. Het was onder invloed van het Christendom dat dit zou veranderen en de visie van de Kerk zou de rechtsregels inzake zelfmoord verder bepalen. Men had de overtuiging dat de mens geen meester was van zijn eigen leven.

Sinds de middeleeuwen werd zelfmoord zeer streng bestraft en in de loop van de Nieuwe Tijden zou dit zo blijven. Het werd als een zwaarder misdrijf beschouwd dan moord omdat de zelfmoordenaar niet alleen het lichaam, maar ook de ziel doodde.[15] Daarom werden aan de overledene de kerkelijke geboden en een begraving in gewijde aarde ontzegd. Integendeel zelfs, meestal werd de betrokkene, als men niet kon bewijzen dat hij waanzinnig was, op onverbiddelijke wijze behandeld en wachtte hem een schandelijke straf. Het levenloze lichaam van de zelfmoordenaar werd aan de beul uitgeleverd en blootgesteld aan het misprijzen van het publiek. Het was slechts uitzonderlijk dat familieleden van de overledene na lang aandringen van de gerechtsofficier toelating tot begraving bekwamen.

 

Voorbeeld ter illustratie: in de maand maart van het jaar 1706 had wagenmaker Geerard Michiels uit Elversele zich opgehangen op zijn zolder. Omwille van “desen enorme ende schroomelijck delict” werd zijn dood lichaam als straf op een openbare plaats opgehangen zodat iedereen het zou kunnen bekijken. Voorts werden alle goederen, erven en castijlen van de overledene ten profijte van sijne Majesteit geconfisceerd.[16]

 

Voorbeeld ter illustratie: in de sententies is een prachtig voorbeeld teruggevonden van een rekening die door de schepenen was opgesteld. In deze brief werden de kosten verhaald, nodig om het dode lichaam van Catharina Van Kets (die zich had opgehangen) alsnog te kunnen vonnissen. Na tentoonstelling aan het volk werd het lichaam op het kerkhof in ongewijde aarde begraven.[17]

 

Deze visie op zelfmoord zou pas in de loop van de achttiende eeuw wijzigen wanneer de Verlichting geleidelijk aan een duidelijk merkbare stempel op het denken ging drukken.[18] Vooral Montesquieu en Cesare Beccaria, de wereldbefaamde jurist, zouden dit probleem aankaarten. Beccaria achtte zelfmoord een vergrijp tegenover God die het na de dood zou bestraffen in plaats van een misdrijf tegenover de mensen. Op 12 oktober 1782 eiste de Verlichte vorst Jozef II om de postume bestraffing van zelfmoordenaars af te schaffen.

Voor de negentiende en twintigste eeuw zijn er voor het verschijnsel zelfmoord uitvoerige gegevens bekend. Wegens het gebrek aan bronnen is dit niet het geval voor het Ancien Régime. Toch bestaat er voor de achttiende eeuw een studie over het fenomeen. Het betreft de studie van L. Haeberli: “Le suicide à Genève au 18e siècle.”[19]

In dit werk komt de auteur tot de conclusie dat de curve van zelfmoorden in de 18e eeuw een verwantschap vertoont met die van echtscheidingen en met periodes van langdurige economische inzinkingen en politieke crisissen.

Om deze stelling daadwerkelijk voor het Waasland te gaan toetsen is er te weinig informatie beschikbaar en zijn er te weinig gevallen van zelfmoord in de bronnen terug te vinden.

 

Over een periode van vijftig jaar zijn we op vijf gevallen van zelfmoord gestoten.

Twee gevallen in de periode 1700- 1709, twee in de periode 1710- 1719 en één geval in de periode 1720- 1729. Voor de periode 1730- 1750 zijn geen gevallen van zelfmoord bekend.

In alle gevallen beroofde men zich van het leven door ophanging. Vier keer ging het om een man, één keer betrof het een vrouw.

 

Voorbeeld ter illustratie: Frans Van Malle, een schoenlapper uit Elversele had zich met een strop verhangen aan de tak van zijn appelboom. Zijn lichaam werd op een slede versleept en in een ‘micke’ gehangen.[20]

 

Voorbeeld ter illustratie: Bartolomeus Boel uit Tielrode had zich opgehangen en als straf werd zijn dood lichaam op een openbare plaats gehangen waar iedereen het zou kunnen verafschuwen.[21]

 

Dat niet alle zelfmoordpogingen even succesvol waren bewijst onderstaand geval.

De 32 jarige Hans Joris Ruyters zag het blijkbaar niet meer zitten en besloot zijn kousenband te gebruiken om zo een strop te maken die hij dan vastmaakte aan de ijzeren kolom van het venster van zijn gevangenis. Een andere gevangene merkte echter wat er gaande was en verwittigde de cipier. Chirurgijn Jacques De Smet werd erbij gehaald. Hij opende de mond van Hans en goot er azijn in. Er kwam schuim en slijm uit. Als straf werd Hans Joris Ruyters op het schavot gegeseld en daarna 25 jaar uit Vlaanderen verbannen.[22]

   

3. DOODSLAG

Onder doodslag verstond men het veroorzaken van lichaamskwetsuren die de dood tot gevolg hadden.[23] Het onderscheid met moord was niet altijd even makkelijk te maken.

In het Waasland zijn voor de onderzochte periode 15 gevallen van doodslag gevonden. De meeste vonden plaats in de periode 1710- 1729 (80% van het totale aantal).

Was dit een gewelddadige periode of is het louter toeval?

Als men de gerechtelijke onderzoeken bestudeert kan men een duidelijk onderscheid maken tussen gevallen waarin sprake is van onvrijwillige doodslag en gevallen die meer neigen naar vormen van vrijwillige doodslag. Bij deze laatste gevallen was het niet altijd even makkelijk om ze niet met moord te verwarren. De gerechtelijke dossiers boden zelf een antwoord op dit probleem door duidelijk aan te geven of een zaak al dan niet als moord werd geklasseerd. Beschouwden de schepenen de gepleegde misdaad als een moord, dan werd dit altijd expliciet in hun verslag gemeld. De overige gevallen werden dan als doodslag beschouwd.

Tabel: Overzicht van de gehanteerde wapens

Soort wapen

1700-09

1710-19

1720-29

1730-39

1740-50

TOTAAL

mes

  2

  2

  1

  1

 

  6

stok

 

  1

  3

 

 

  4

stoel

 

  1

 

 

 

  1

fusique

 

  1

 

 

 

  1

pikhaak

 

 

  1

 

 

  1

steen

 

 

 

  1

 

  1

 handen en voeten

 

 

  1

 

 

  1

TOTAAL

  2

  5

  6

  2

 

15

 

In slechts 1 geval werd een persoon gedood door enkel gebruik te maken van handen en voeten. In alle andere gevallen hanteerde men wapens of allerlei voorwerpen om te slaan, te werpen of te steken. De noodlottige afloop van vele gevechten en twisten was dus in belangrijke mate te danken aan de gewoonte om wapens te dragen. Het is zo dat de meeste mensen uit het Ancien Régime een wapen op zak hadden; opvallend is dat zelfs de meest berooide bedelaars vaak voorzien waren van een mes. Uit onderzoek blijkt dat blanke wapens, het statussymbool van het mannelijke geslacht, vaak aangewende instrumenten waren ter voltrekking van de doodslag.[24]

Dit blijkt ook in het Waasland het geval geweest te zijn. In iets meer dan 1/3 van de gevallen werd een mes als wapen gehanteerd.Een ander vaak gehanteerd wapen was de stok.

 

Voorbeeld ter illustratie: op 18 mei 1721 omstreeks tien uur in de avond zaten Pieter Soetens en Pieter Van Hassel in de herberg van Marie Lemmens toen Andries Van Steene en Jan De Wree binnenkwamen. Er ontstond een fikse ruzie en Pieter Soetens werd door Andries Van Steene met een mes doodgestoken.[25]

 

Voorbeeld ter illustratie: ter hoogte van de herberg van Jan Ruys ontstond een handgemeen tussen Jan en Jacobus Colpaert. Tijdens dat gevecht werd een mes getrokken en Jacobus Colpaert zeeg bloedend op straat neer. Hij overleed enkele uren later.[26]

 

Voorbeeld ter illustratie: Jan Say, de schaapwachter van Jacobus De Brouwer, werd op een dag door Jan Tolleneir beschuldigd van diefstal van een hond. Het kwam tussen beiden tot een vechtpartij en J. T. moest bloedend gaan lopen. Hij verwittigde zijn meesters Pieter en Judocus De Sweemer die al gauw ter plaatse kwamen en J. S. enkele klappen gaven met hun stok. Toen J. S. al op de grond lag kwam ook nog Jan De Sweemer ter plaatse. Deze gaf J. S. met zijn stok nog een paar hevige klappen op zijn hoofd. Toen gingen ze weg, J. S. hevig bloedend achterlatend. Hij overleed drie dagen later.[27]

 

In sommige gevallen werd de chirurg erbij gehaald om te achterhalen of een persoon wel degelijk aan de toegebrachte slagen en verwondingen was overleden en geen natuurlijke dood was gestorven. Dit was uiteraard erg belangrijk bij de bepaling van de strafmaat van de dader.

 

Voorbeeld ter illustratie: na een gevecht waarbij Guillaume Dhollander tweemaal in elkaar werd geslagen door Jan Weyaert was eerstgenoemde overleden. De schepenen wouden weten of de opgelopen verwondingen tot zijn dood hadden geleid en ze lieten het lijk door een chirurg onderzoeken. In diens rapport stond een uitgebreide autopsiebeschrijving van de hersenen waarin stond dat deze door gewelddadige slagen blijvende letsels hadden opgelopen die tot het overlijden van G. D. hadden geleid. Het was dus een geval van doodslag.[28]

 

De hiernavolgende pogingen om een verklaring te geven voor al deze vormen van geweld in het leven van deze mensen kunnen ook worden aangehaald bij de rubrieken moord en fysiek geweld. Doch om niet telkens in herhaling te moeten vallen hebben we besloten ze bij deze rubriek te vermelden.

Het probleem van de gewelddadige maatschappij wordt door F. Vanhemelryck in zijn werken over criminaliteit besproken. Hij beschouwt de middeleeuwen en de Nieuwe Tijden als gewelddadige perioden in de Europese geschiedenis. In zijn werk denkt hij hiervoor enkele verklaringen te hebben gevonden.

De middeleeuwen en de daaropvolgende eeuwen waren tijden van hevige contrasten waarin de mensen heen en weer werden geslingerd tussen perioden van hoop en bloei en perioden van pest, oorlogen hongersnood. De geringe voorspelbaarheid van de gebeurtenissen en het feit dat men enkel zeker was van zijn eigen onzekerheid bracht met zich mee dat er intens geleefd werd en dat de hartstochten een permanent gegeven vormden in de dagelijkse omgang.[29] Het gevoelsleven van de mensen kende een impulsieve hevigheid, ze waren emotionele types met agressieve neigingen. Het minste voorval kon dan de emotionele ontbranding veroorzaken, getuige de vele, soms zelfs massale vechtpartijen.

F. Vanhemelryck onderbouwt zijn theorie met voorbeelden uit bronnenonderzoek over Brussel, Leuven, Lier, Antwerpen en Frankrijk waaruit blijkt dat moord, doodslag, en het toebrengen van slagen en verwondingen de meest voorkomende misdaadvormen waren.[30]

Zoals eerder door ons aangehaald geldt dit niet voor Engeland en ook niet voor het Waasland waar gewelddelicten slechts 19% uitmaken van het totaal aantal delicten. Of deze theorie algemeen geldend is laten we in het midden. Uit onze bronnen blijkt echter ook het vaak erg agressieve gedrag en karakter van deze mensen uit vroegere tijden. Of dat enkel kenmerkend was voor vroegere tijden is dan weer een andere bedenking. Ook in onze hedendaagse samenleving zijn er veel vormen van interne en externe agressie merkbaar; denken we bijvoorbeeld aan de toenemende verkeersagressie en het hooliganisme. Op de vraag of het aandeel van de gewelddelicten op die paar eeuwen dan zo sterk gedaald is en welke omvang zij nu binnen het geheel der misdaden innemen kunnende criminologen ons een antwoord geven.

Een andere verklarende factor voor allerlei vormen van geweld werd gevormd, en wordt nog steeds gevormd, door de invloed van de drank.

Een lofzang uit 1716, opgemaakt door een herbergier uit Amsterdam, denkt er anders over, maar overmatig drankgebruik leidde in vele gevallen tot vechtpartijen en allerlei ellende.  

 

  ‘Jenever, in den morgenstond,

Verfrischt en maakt den mensch gezond,

Verjaagt den slaap en maakt de zinnen

Bekwaam, om alles te beginnen.

Wanneer de zuiderzon omhoog,

Maakt magen zwak en levers droog,

Dan ziet men, hoe dat maag en lever

Hersteld wordt door een dronk Jenever.

Des morgens, middags, achtermiddag,

Des nachts, op zondag, werkdag, biddag,

Bij droog weer, regen, wind en stilt,

Jenever is altoos gewild.’

 

 F. Vanhemelryck spreekt in dit verband van de indirecte criminogene werking van alcohol: drank maakt van vele brave mensen onverbeterlijke vechtjassen, bezeten door vernielzucht.[31]

Vele vechtpartijen (en soms met dodelijke afloop) vonden dan ook plaats in drankgelegenheden en herbergen. Reeds in 1610 werd door de aartshertogen er in een ordonnantie over geklaagd dat er in herbergen ‘vele en menighe dootslaeghen’ bedreven werden. In het Ancien Régime waren de begrippen herberg en criminaliteit dan ook veel nauwer met elkaar verbonden dan vandaag de dag het geval is.[32]

Uit studies is gebleken dat alcoholisme in de achttiende eeuw een sociaal verschijnsel was dat ten opzichte van de vorige eeuwen steeds grotere proporties aannam. Dit was vooral te wijten aan de stijgende brandewijnconsumptie (cf. het gedicht hierboven dat aan de alcohol is gewijd). Deze drank was nu eenmaal goedkoper dan bier. Het alcoholgehalte lag toen ook hoger dan vandaag: 5° voor bier en 53° voor jenever.

Voor dit overdadig drankgebruik zijn een hele reeks verklaringsfactoren naar voor te schuiven. H. Van Der Wee ziet bier als een essentiële aanvulling op de maaltijd. Bier zorgde enerzijds voor voldoende koolhydraten en hielp anderzijds de sterk gezouten voeding op een smakelijke wijze naar binnen werken.[33] P. Clark stelt dat het alcoholverbruik vooral toenam bij stijgende voedselprijzen: men dronk meer omdat men minder kon eten.[34]

Meerdere auteurs wijzen ook op de rol die alcohol speelde om weg te raken uit de dagelijkse sleur. Drinken zorgde ervoor dat men in een roes terechtkwam waarbij men alle zorgen van zich af kon schudden. A. Cosemans tenslotte betoogt dat meerdere groepen in de maatschappij baat hadden bij een hoog alcoholverbruik (autoriteiten, de landbouw, medici,…) waardoor dit in feite van diverse zijden werd aangemoedigd in plaats van bestreden.[35] Men heeft lange tijd bij alcoholbestrijdingenkel oog gehadvoor het handhaven van de openbare orde. Pas in de negentiende eeuw zou het alcoholmisbruik vanuit medische overwegingen bestreden worden.

De overheid trachtte wel het aantalherbergen te beperken omdat ze van oordeel was dat herbergen en het daarmee gepaard gaande drankmisbruik gewelddaden en doodslag aanmoedigden.[36] Men ging er meer en meer toe over de herbergiers voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen. Als ze er niet in slaagden de rust in hun herberg te bewaren dan zouden ze daarvan de gevolgen ondervinden. In geval van doodslag kon niet alleen de herberg voor geruime tijd gesloten worden, het kon ook gebeuren dat de herbergier verbod kreeg om elders een andere herberg te openen.

Ook op de wapendracht zouden steeds strengere controles uitgevoerd worden. Sommige herbergen, bijvoorbeeld de herberg van H. Franq te Bazel, hadden op het vlak van vechtpartijen een echte reputatie opgebouwd. Men kon in een dergelijk geval dus duidelijk spreken van een criminogene omgeving.

 

Van de 15 gevallen van doodslag die in de door ons onderzochte periode in het Waasland plaatsvonden werden er 10 in een herberg gepleegd (66,7%). In twee gevallen betrof het dezelfde herberg, namelijk het ‘Kalf ‘ te Sint- Gillis.

 

Voorbeeld ter illustratie: op een dag in de maand maart van het jaar 1711 zaten Jan Temmerman en Cornelis Malcontent in herberg ‘Kalf’ te Sint- Gillis. Omwille van een vroegere twist ontbrandde al gauw een nieuwe ruzie tussen de twee. Het was J. T. die een stoel vastgreep en die op het hoofd van C. M. sloeg die daarop roerloos ineen zakte. Chirurgijn Joannes Ranoex stelde hersenbeschadiging als de doodsoorzaak vast.

Nog geen drie maanden later was het in diezelfde herberg alweer prijs. Ditmaal werd een zekere Pieter Verlaet door Cornelis Fierens neergeschoten na een twist omwille van een geldkwestie.[37]

 

Twee gevallen van doodslag vonden plaats op de openbare weg. In één ervan was het dispuut eigenlijk al begonnen in een herberg.

 

Voorbeeld ter illustratie: op 1 maart 1719 zaten Cornelis Vermunten, Jan Weyn en nog een paar andere personen aan een tafel te drinkenten huize van brouwer en tavernier Ignatius Van Havere te Sint- Gillis zonder dat er sprake was van enige ruzie. Op weg naar huis heeft C. V. echter J. W. enkele slagen verkocht op de achterkant van diens hoofd met een grote stok. J. W. is met bloedende wonden neergevallen. Op 5 maart is hij in de woning van landman Jan Zaman overleden.[38]

 

Twee gevallen van doodslag vonden plaats op de weide. Het betrof disputen tussen schaapwachters. Eén geval van doodslag werd thuis gepleegd.

 

Voorbeeld ter illustratie: Marijn Van Doorselaer woonde als schaapwachter bij Jan Schelfaut, een landman te Sinaai. Op 9 januari 1722 kreeg hij ruzie met Simon De Witte, de schaapwachter van Joannes Verberckmoes, en dit omwille van een ‘akker’ schaapweide. M. V. D. heeft vervolgensS. D. W. met zijn sprietstock op het hoofd geslagen waardoor die“eene fracture in het cranium penetrerende tot inde herssenen” heeft opgelopen en de volgende nacht daaraan overleed.[39]

 

Dat soms de meest banale dingen aanleiding konden geven tot hevige ruzies met een fatale afloop blijkt uit onderstaand voorbeeld.

 

Voorbeeld ter illustratie: in de herberg van Cornelis Dhurter zaten Judocus Hoorickx en Phillipus Dilles te kaarten tot zeer laat in de avond. Op een bepaald moment kwam de vrouw van J. H. binnen en maakte erg misbaar. Na allerlei verwijten aan het adres van haar man gaf ze hem een klap in het aangezicht en verliet toen kwaad het drankhuis. Lieven Tarwebroodt, op dat moment eveneens aanwezig in de herberg, maakte hierop enkele schunnige opmerkingen aan het adres van J. H. Toen deze antwoordde dat een leegloper als hij zich niet met andermans zaken diende te bemoeien kwam het tussen beiden tot een hoog oplopende ruzie. Toen J. H. dan huiswaarts trok is L. T. hem achterna gegaan en heeft hem tijdens een daaropvolgende vechtpartij neergestoken.[40]

4. FYSIEK GEWELD

 

Binnen de verschillende groepen in de categorie van de gewelddelicten neemt fysiek geweld de grootste plaats in. Op een totaal van 67 gewelddelicten zijn er 35 onder de noemer ‘fysiek geweld’ te klasseren. Dit is een percentage van 52%, meer dan de helft dus.

Het aandeel van het fysiek geweld is het grootst in de jaren 1720- 1739. In het decennium 1730- 1739 neemt het 78% van alle gewelddelicten voor zijn rekening. Over de hele periode 1720- 1750 heen is fysiek geweld telkens het meest gepleegde misdrijf binnen de categorie geweldmisdrijven. Het laagste aandeel van fysiek geweld is terug te vinden in het eerste decennium van de achttiende eeuw met een aandeel van 11% (vier gevallen van fysiek geweld op 35).

 

 Tabel: Soorten fysiek geweld

Soort fysiek geweld

1700-09

1710-19

1720-29

1730-39

1740-50

TOTAAL

Fysiek geweld zonder

wapens

 

  3

 

  3

 

  4

 

  2

 

 

12

Fysiek geweld met

wapens