Congo 1955-1960: De aanloop naar de onafhankelijkheid. Een analyse van de berichtgeving in drie Vlaamse kranten: De Standaard, Vooruit, Het Laatste Nieuws. (Isabelle Ferrand)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

VI. KWALITATIEVE ANALYSE

 

1. DE KONINKLIJKE REIS NAAR CONGO: 15 MEI TOT 22 JUNI 1955

 

 

1.1 Historiek

 

De idee van een koninklijke reis ontstond drie jaar voordien. Op 1 juli 1952 werd het Boudewijnstadion plechtig ingehuldigd. Daarnaast herdacht men zoals gewoonlijk de proclamatie van de stichting van Congo Vrijstaat. Gouverneur-generaal Pétillon had voor die gelegenheid de koning vervangen. Een jaar later drongen een aantal vooraanstaande kolonialen aan op de komst van de vorst. Vanaf het voorjaar van 1954 kreeg het idee van een koninklijke reis eindelijk vorm. De koning begon zich te verdiepen in de koloniale materie en in Congo begon men te gissen naar een datum. Uiteindelijk vertrok de koning op 15 mei 1955, in het heetst van de schoolstrijd. Koning Boudewijn was vergezeld van enkele personen uit zijn hofhouding, twee ministers (Buisseret en Spinoy) en niet minder dan 71 journalisten uit binnen- en buitenland.[271] 

            Vóór de koning de reis aanvatte, was hij op de hoogte van de sociale wantoestanden in de kolonie. Het hof onderhield immers goede contacten met een aantal belangrijke koloniale experten, die “hun” waarheid moesten vertellen. Ook Pétillon wees tijdens de reis op de slechte verhoudingen tussen blanken en zwarten.[272]

            Zowel de sociale als de politieke problemen verdwenen voor vier weken op de achtergrond, want de reis was een ongehoord succes. Er heerste “een overmoedige en feestelijke sfeer waarin Kongo optrad als het exotische en avontuurlijke land uit de oude missie-almanakken, een “wild” natuurland dat de blanke koning als een vereerd opperhoofd onthaalde op tamtamgeroffel en kleurrijke dansen.”[273] De Bwana Kitoko[274] maakte per vliegtuig, boot, trein en auto een enorme rondreis en bezocht de belangrijkste plaatsen van de kolonie, inclusief Rwanda en Burundi. Overal werd hij enthousiast onthaald. Het beeld van geestdriftige blanken en zwarten werd vier weken lang in geuren en kleuren in alle kranten beschreven.

            De koning was na zijn terugkeer wel bewust dat de banden tussen blank en zwart moesten bestendigd worden. Een koninklijk besluit van 18 oktober 1955 richtte het “Fonds du roi” op om de woonomstandigheden van de autochtone bevolking in Congo en Rwanda-Burundi te verbeteren. De financiering gebeurde door het budget van Belgisch Congo. Het programma bleek te groot om operationeel te zijn.[275] Veranderingen kwamen niet en het racisme nam daarentegen toe. Het oorspronkelijk enthousiasme van de Kongolezen sloeg dan ook om in een diepe ontgoocheling.

 

1.2 Analyse

 

1.2.1    Inleiding

 

Bij de historiek vermeldden we al dat de koloniale reis in het middelpunt van de journalistieke belangstelling stond. Het uitbundig onthaal van de koning door blanken en zwarten zullen we niet verder uitdiepen, daar de resultaten voorspelbaar en niet erg relevant zijn voor ons verder onderzoek. Onze bedoeling ligt erin een beeld te vormen over het koloniale leven buiten de triomfantelijke reis. We concentreren ons  rond vier kernonderwerpen, die de sociale, politieke en economische toestand in Kongo min of meer weergeven.

            Het eerste is de sociale verhoudingen tussen kolonialen en het moederland, kolonialen en inlanders, kolonialen onderling en zwarten onderling. Verder worden de schoolstrijd en de toenmalige situatie en toekomstvisie onder de loep genomen. Tenslotte kijken we naar het beeld dat de respectieve journalisten voor ogen hebben over Congo en de Congolezen.

            De journalisten die de reportages verzorgen zijn Louis de Lentdecker voor De Standaard, Ferdinand De Smet voor Vooruit en L. Schalckens voor Het Laatste Nieuws.

 

1.2.2    Sociale verhoudingen

 

Dat de eensgezindheid in de kolonie ver te zoeken was, merkten zelfs de meest behoudsgezinde journalisten. Na de tweede wereldoorlog was de kloof tussen blank en zwart, kolonialen en moederland, enz. sterk toegenomen. Zelfs de triomfantelijke reis kon de sociale verschillen niet verbergen.

 

De Standaard

 

Louis de Lentdecker schenkt in een artikel[276] aandacht aan de grote kloof die bestond tussen de mensen in de kolonie en de koloniale diensten in het moederland. Hij hekelt hier vooral minister van Koloniën Buisseret en zijn ministerie. Volgens hem zijn zij de grote oorzaak hiervan.

            Het citaat, “De kolonialen zijn boos - en terecht - omdat het ministerie te Brussel alles wil leiden en organiseren, omdat de minister en zijn medewerkers hier de baas willen spelen, terwijl die er blijkbaar zeer weinig van kennen en hoegenaamd niet vertrouwd zijn met de plaatselijke toestanden.”, toont zijn sympathie voor de kolonialen. “En terecht” tussen liggende streepjes versterkt zijn opinie. Bovendien kennen de minister en zijn medewerkers er blijkbaar weinig van. Het woord “blijkbaar” impliceert dat politieke figuren in het verleden weinig terreinkennis aan de dag hebben gelegd.

            De sympathie van de journalist reikt tot in de hoogste kringen. Hij illustreert dit aan de hand van een voorbeeld, “een typisch bewijs”, waarbij zelfs de gouverneur-generaal, de hoogste instantie in de kolonie, afhankelijk is van de beslissingen van de minister van Koloniën. “De kolonialen zijn boos omdat het moederland alles wist van de koninklijke reis vóór zij van iets op de hoogte waren, omdat het moederland de hand wil leggen op de organisatie en de uitvoering van plechtigheden en ontvangsten waarvan zij het monopolie willen hebben. Die moeilijkheden vindt men terug tot in de hoogste kringen. Typisch bewijs daarvan is wel het feit dat de G-G[277] van Kongo had aangekondigd dat hij praktisch alleen zou zijn op het vliegveld om Koning Boudewijn te verwelkomen, waarna minister Buisseret onmiddellijk een nieuwe beslissing heeft getroffen, zeggende dat hijzelf te Leo zou aanwezig zijn om de Koning te begroeten.”

Zoals reeds vermeld in hoofdstuk IV, was iedereen in de kolonie afhankelijk van de beslissingen uit het machtscentrum in Brussel. Maar meestal waren de ministers van Koloniën, ook Buisseret, niet vertrouwd met de gang van zaken in Congo. Daardoor liep de samenwerking stroef. Het volgende citaat illustreert dit: “De kolonialen beschuldigen er minister Buisseret van – men noemt hem al de KK (de kleine koning) – steeds beslissingen en besluiten te treffen in het wilde zonder de kolonialen te kennen en daardoor vele dingen in het honderd te jagen.”

 

Louis de Lentdecker is getroffen door de obsessie van vele zwarten dat ze niet blank maar zwart zijn. In hun ogen maakt niet het verstand of de ontwikkeling hen minderwaardig, maar wel hun zwarte huid. Laconiek schrijft de reporter: “Moest een zeepfabrikant het gedaan krijgen publiciteit te maken met de slogan dat zijn zeep de mensen na 25 jaar een blanke huid geeft, zou hij fortuinen verdienen binnen de zes maanden.”[278] De huidskleur lag dus aan de basis voor de superioriteit van de blanke.

            Overal in Congo zijn de verhoudingen tussen blanken en zwarten zeer moeilijk. De sociale differentiatie is vooral groot in de snel expanderende hoofdstad. Dit uit zich onder meer in de ruimtelijke segregatie. Het centrum van de stad, waar hoofdzakelijk blanken vertoeven, is mooi. De inlanderswijken daarentegen zien er minder aantrekkelijk uit: “Men heeft er af te rekenen met wegen die erger zijn dan onze karrensporen in de kleinste dorpen van Vlaanderen.” Deze vergelijking illustreert de slechte toestand van de wegen in armere delen van Leopoldstad.

            In een editoriaal[279] stelt de journalist zich de vraag of de verhouding tussen blanken en zwarten in Leopoldstad onmogelijk is geworden. Zijn antwoord is nee. “Wel is de toestand er gespannen: de zwarten zijn onderling verdeeld; dagelijks worden er tientallen moorden gepleegd, waarvan de waarheid zelden aan het licht komt”. De journalist ziet in dat een eensgezindheid bij de zwarten wel eens een einde zou kunnen maken aan “het rijk van de blanken”. Hij verwijst hier naar de machteloze positie van de 20.000 blanken in Leo tegenover 300.000 zwarten. Het einde van het koloniale rijk is iets voor de verre toekomst en dan nog: “als het ooit zover komt“. Volgens hem ligt de oorzaak bij de enorme sociale, economische en financiële expansie die Leopoldstad de laatste twee jaar gekend heeft. Het blanke ras zag niet hoe het zwarte ras bewust werd van zijn macht. De haat tegenover de blanken is niet volkomen; wel is de eerbied, genegenheid en het ontzag ver te zoeken.

Enerzijds richt hij zijn lof naar “het reuzenwerk van de missionarissen” en “de onschatbare offers van de staat”, maar hij betwijfelt of “al die inspanningen wel loon naar werken brachten?” Er is immers veel geduld nodig aangezien er slechts 100 zwarten volledig geassimileerd zijn. Anderzijds stelt hij dat de blanke niet altijd geschikt is om dit monnikenwerk te voltooien. Dit fragment toont de steun van de journalist aan Kerk en Staat. Toch durft hij te stellen dat de blanke niet altijd even goed handelde. De staat bracht in ieder geval geen financiële offers, aangezien de kolonie zelfbedruipend was. Eveneens probeerden de missionarissen zoveel mogelijk te christianiseren en dan pas te zorgen voor het maatschappelijk welzijn.

 

Over de houding van de blanken tegenover elkaar spreekt de journalist zich eerder negatief uit. De verhouding tussen Walen en Vlamingen worden zwaar aan de kaak gesteld. “Terwijl één der rijkste landen van de wereld voor ons ligt te zieden en te groeien, maken de meeste lui die ons land hier vertegenwoordigen ruzie om niets, kleineren zij mekaar, gaan zij aan kleine politiek doen.”[280]

            De zwarten amuseren zich met de “kleine veten en twistjes” onder de blanken. Vooral de Vlamingen zijn vaak het voorwerp van spot. Inlandse moppen, waarin de Vlaming belachelijk gemaakt wordt, tonen dit aan. De Standaard publiceerde zo een mop. De Lentdecker gaat niet akkoord met het feit dat de blanken hun kleine twisten zomaar aan de dag leggen. Maar toch probeert hij de grieven van de Vlamingen goed te praten door te zeggen dat het ligt aan de houding van de Walen. Hij betwijfelt de onschuld van die moppen, omdat ze de geest typeren die leeft bij een massa mensen.

 

De Congolese autochtone bevolking bestond en bestaat nog altijd uit verschillende rassen en stammen. Dit is logisch wegens de uitgestrektheid van het gebied. Rivaliserende stammen gingen, zeker vóór de kolonisatie, vaak met mekaar in de clinch. De Lentdecker meent dat ze mekaar zodanig haten dat er zonder de aanwezigheid van de blanken elke dag moordpartijen zouden zijn. Op dit vlak praat hij de kolonisatie zeker goed.

 

Vooruit

 

Vooruit besteedt weinig aandacht aan de problematiek van de sociale verhoudingen. In een reportage[281] schetst Ferdinand De Smet een gesprek met oude kolonialen over de eventuele botsing tussen blanken en inlanders en de zucht van de laatste om hun volledige vrijheid op te eisen en de blanken wandelen te zenden. Sommige oude kolonialen zijn ervan overtuigd dat negers daar nooit zullen aan denken want zij bekennen dat zonder de blanken de stammenhaat onmiddellijk zou heropleven, de onderlinge gevechten zouden beginnen en het zou komen tot bloedige vijandschap tussen dorpen en nederzettingen. Alhoewel dit niet het standpunt is van de journalist, kan men toch veronderstellen dat hij de mening van deze groep kolonialen deelt, aangezien hij enkel die groep bespreekt.  

            De journalist heeft ook de kans gehad om évolués te ontmoeten, “ (…) die over een grote kennis beschikten en met wie er iets aan te vangen is.” Dit is een voorbeeld van een schijnbare toegeving. Er zijn ook beschaafde zwarten die zelfs in staat zullen zijn om een benijdenswaardige positie naast de blanken te veroveren. Maar toch zullen de autoriteiten blank blijven.

 

Het Laatste Nieuws

 

Ook Het Laatste Nieuws is kort over de verhoudingen tussen blank en zwart.[282] De krant ontkent het rassenonderscheid: “De verhoudingen tussen blanken en zwarten staan nochtans misschien op een keerpunt en van een rassenonderscheid, zoals dit elders slecht staat aangeschreven, kan er moeilijk gesproken worden.” L. Schalckens illustreert dit aan de hand van een voorbeeld. “Een proefneming om te Leopoldstad de toegang van de zwarte naast de blanke op de terrassen toe te laten gaf geen gunstige gevolgen. Maar toen een groot warenhuis een onafzienbare keus van artikelen, hoofdzakelijk voor de zwarte, tentoonstelde, kreeg deze winkel op dezelfde uren evenveel blanke als zwarte bezoekers.”

            De journalist minimaliseert het racistische klimaat in de kolonie. Geen rassenonderscheid betekent immers gelijkheid. De zwarten kregen op bepaalde vlakken dezelfde kansen als de blanken, maar meestal werden ze gediscrimineerd of als mindere behandeld. Aparte loketten of winkels mochten dan wel verdwenen zijn; meestal werden ze vervangen door grofheid, een slecht humeur en onbeschoftheid van het blanke personeel tegenover de zwarte klanten.[283]

 

Schalckens onderscheidt verschillende groepen, lagen en standen binnen de blanke bevolking. Onder de 100.000 Europeanen zijn meer kinderen en vrouwen dan actieve arbeidskrachten. Ambtenaren en zelfstandigen waarderen mekaar niet steeds, omdat ze elk vanuit een verschillend gezichtspunt toekijken en bedrijvig zijn. Daarnaast zijn er nog de bedienden van kleine en grote ondernemingen en de missionarissen.

            Voor de journalist blijft vooral de afstand tussen het leven in de centra en het leven in het oerwoud groot. Hij projecteert zijn visie op de afstand tussen “de geëvolueerde zwarte en rechtstreekse medewerker van de blanke en de nog zeer achterlijke bevolking in de verwijderde oergebieden.” “De berg van schakeringen”, die de journalist ziet binnen de Congolese bevolking, veronderstelt niets meer dan een evolutietheorie waarbij de primitieve zwarte in de brousse zich kan ontwikkelen tot évolué. Dit laatste is voor de gekoloniseerden de hoogste graad van beschaving. Het beeld over de zwarte is hier uitermate negatief.

 

1.2.3    De schoolstrijd

 

De reis van de koning viel samen met de meest bewogen periode van de schoolstrijd. In dat jaar werden in de kolonie athenea gecreëerd, die qua structuur en programma overeenkwamen met het Belgische model. Ondanks de negatieve propaganda van katholieke zijde, waren de Congolezen en vooral de évolués tevreden met de oprichting van deze neutrale scholen. Kwaliteitsonderwijs kon hen nu de kans geven om dezelfde kennis te verwerven als de Belgische studenten.[284]

 

De Standaard

 

Louis de Lentdecker laat weinig ruimte voor de schoolstrijd. Hij spitst zich toe op de verdeeldheid, die onder de blanken heerste. Tijdens zijn verblijf in Luluaburg constateert hij dat de verdeeldheid scherpe vormen had aangenomen en de pseudo-religieuze invloed van sekten en groepen groter was geworden. Minister Buisseret wordt verantwoordelijk gesteld voor deze toestand. Het prestige van de blanken wordt in de basis aangetast door de heersende twisten en tweedracht. “De zwarten bespieden voortdurende de blanke en maken vergelijkingen tussen wat zij zeggen en voorhouden, tussen wat zij aanbevelen en zelf doen. De zwarten begrijpen die strijd tussen de Kerk en de regering niet; zij zien hoe de officiële instellingen bevoordeeld worden en zij trekken daaruit de zeer logische besluiten.”[285]

            Opnieuw blijkt dat de Lentdecker niet akkoord gaat met de politiek van Buisseret. Bovendien werken de effecten van zijn beleid nefast. De zwarten beginnen sterk te twijfelen aan de zogezegde oppermacht van de blanken. Hij geeft de missionarissen geen ongelijk, wanneer zij beweren dat “de schoolstrijd in Kongo, voor België, en niet op zo een heel lange afstand, het verlies van de kolonie kan betekenen, omdat het buitenland bij en met bepaalde clans munt zal trachten te slaan uit onze verdeeldheid.” Hij impliceert dat de verantwoordelijke kringen zich ernstiger met deze problematiek moeten bezighouden, willen ze de kolonie nog behouden.

 

Vooruit         

 

Vooruit haalt uit naar de missies, die door hun “onwil en fanatisme” de evolutie van het onderwijs blokkeren. Volgens de krant heeft dit sterk te maken met eigenbelang, aangezien de katholieken samen met het grootkapitaal 90% van het koloniaal gebied onder de knie houden.

            Ferdinand De Smet toont begrip voor het feit dat de inlanders, die naar zijn mening al een zekere graad van ontwikkeling hebben, zich afkeren van het missieonderwijs. Het heeft niet enkel te maken met de aard van het onderwijs, maar ook om de gecamoufleerde uitbuiting waaraan de kinderen blootstaan. Dit veronderstelt dat het katholiek onderwijs kwalitatief niet hoogstaand is en de missies een humanitaire schijn willen opwerpen.[286]

            Dan verwijst de journalist naar een volgend artikel[287] over missies, waarin hun weldaden op gebied van onderwijs worden gerelativeerd. Hij meent dat de missies eerst instonden voor het christianiseren van de inlanders en dan pas onderwijs verschaften. Eerst en vooral wilden de missies hun gezag erkennen en handhaven en mogelijkheden verwerven om voordelen en concessies te bekomen. Een aantal citaten ondersteunen zijn visie:

·    “Vergeten wij niet dat de katholieke missies van den beginne af op morele en materiële steun hebben mogen rekenen zowel in de openbare sector als in de privésector…”

·     “Aan drie zijden waren er belangen mede gemoeid die niet te versmaden waren. De missies zagen aldus hun gezag erkennen en handhaven en de mogelijkheden in de hand werken om voordelen en concessies te bekomen.”

Toch scheert De Smet niet alle missies over dezelfde kam: “Het ware het licht der zon loochenen te durven ontkennen dat de eerste missies daaraan vast en zeker hebben een stoot gegeven en er zijn missionarissen geweest, die met eerbied en erkentelijkheid dienen herdacht te worden. Voor hen was het geen avonturierszaak en ook geen machtsvestiging. Er zijn nu nog katholieke geestelijken die aldus hun rol opvatten in de Midden-Afrikaanse jungle. “

 

Beide artikels geven een reflectie over de visie van Vooruit op het werk van de missies in de kolonie. Het laatste artikel[288] in de reeks “Naar het hart van Afrika” behandelt expliciet de onderwijsvraagstukken in Congo en treedt wat harder en kordater op. Een foto, die een Congolese leraar met zijn Congolese leerlingen toont, is voorzien van het onderschrift: “Zij hebben recht op degelijk onderwijs en alzijdige ontwikkeling.” In het artikel wordt ten eerste het onderwijs door de missies zwaar op de korrel genomen. Ten tweede wordt de noodzaak van officiële scholen beklemtoond.

In de inleiding staat de onderwijspolitiek van minster Buisseret goed aangeschreven: “Het is ons niet ontgaan dat de H. Buisseret, huidig minister van Koloniën, zich ernstig met de zaak van het onderwijs inlaat.”

            Het citaat, “dat wij met de blanke en de geëvolueerde inlandse bevolking een alarmkreet slaken is natuurlijk en noodzakelijk”, impliceert dat er serieus iets schort aan het koloniaal onderwijs. De krant neemt geen positief standpunt in tegenover de missies, maar om haar standpunt aanvaardbaar te maken erkent ze positieve realisaties. “Het onderwijs in Belgisch Kongo is zeer lange jaren een soort monopolium geweest van de miserie. Wij zouden slecht gekomen zijn niet te erkennen dat er grote diensten bewezen zijn door deze kerkelijke instellingen ter verstandelijke ontwikkeling van een miniem deel van de inlandse bevolking en tevens van de kinderen van de gevestigde blanken.” De positieve kritiek wordt algauw gemilderd omdat slechts een klein deel van de inlandse bevolking zich naar behoren kan ontwikkelen.

            Het woord “miserie” wordt in de plaats gezet van het woord “missie”. De Kerk verwierf op vlak van onderwijs een monopoliepositie door de jaren heen. Ze was immers voor lange tijd de enige instantie die zich ermee bezighield. “Miserie” slaat verder op het feit “(…) dat het vrij (Protestants) en vooral het katholiek onderwijs in Kongo ver beneden hun taak zijn gebleven.” Zowel in de huidige omstandigheden als vroeger schoot het tekort. De journalist verwijst naar de zeer summiere, zuivere intellectuele bagage die de leerlingen meekregen: “Uit de aard van de oorsprong zelf van het verstrekte onderwijs moet de eenzijdige en dus de onvolledige richting ervan klaar uitschijnen.” De journalist zinspeelt op de hoofdzakelijk godsdienstige vorming, waardoor de wetenschappelijke factoren genegeerd worden.

            Volgens de journalist is het niet te verwonderen dat de overgrote meerderheid van blanken het leken- en officieel onderwijs met klem verdedigden. Ten eerste was er een tekort aan scholen en ten tweede kon men niet alle opleidingen volgen. Het nijpend tekort bleek des te meer toen zelfs “de ontwikkelde en primair onderlegde inlanders” vroegen naar officiële scholen voor hun kinderen. “De realiteit is een onverwerpelijke toetsteen.” Deze metafoor ziet de realiteit als de enige onvervalste test.

            Ferdinand De Smet eindigt zijn artikel met een steunbetuiging aan minister Buisseret. “Minister Buisseret heeft een groot werk te verrichten. Het officieel onderwijs in alle graden en voor alle bewoners  van de kolonie vestigen. (…)” Tenslotte wijst hij erop dat degelijke opleidingen een hoofdvereiste zijn voor de toekomst van Congo.

 

Het Laatste Nieuws

 

Het Laatste Nieuws publiceert geen editorialen over de schoolstrijd.

 

1.2.4    Situatie en toekomstvisie

 

Het Afrikaans nationalisme, dat vele koloniale mogendheden de stuipen op het lijf joeg, kende in 1955 weinig voedingsbodem in Congo. Het land lag er rustig bij, waardoor iedereen dacht dat Congo immuun zou zijn voor een onafhankelijkheidsstrijd. Toch zag de werkelijkheid er niet zo rooskleurig uit. De kiemen van het Afrikaans nationalisme waren ondergronds reeds aanwezig, alleen wist men het toen nog niet.

 

De Standaard

 

Louis de Lentdecker schat de toekomst voor België en zijn kolonie eerder somber in. Zijn visie kreeg vorm tijdens zijn verblijf in Leopoldstad en de Kasaïprovincie, twee kruitvaten in de kolonie.

 

Het spijt de journalist niet dat hij Leopoldstad verlaat, omdat de stad noch Europees noch Congolees is en gauw ontgoochelt en verveelt. De indrukken die hij er op doet, zijn belangrijk voor zijn toekomstvisie.

De grootste hinder in de hoofdstad is het lawaai, dat hem overal achtervolgt. “In geen enkele stad van Europa – zelfs niet te Rome of te Lissabon, waar het er nochtans zeer luidruchtig aan toe gaat – hebben wij het lawaai gehoord dat wij te Leo ondergaan.” Na vijand nummer één komt de warmte, waarvan de journalist schrijft: “wie beseft dat we dit schrijven in een “frisse” plaats waar het “amper” 30 graden is zal beseffen dat wij Brussel als een oase van rust en kalmte aanzien.” Deze oase van rust wordt hier heel letterlijk opgevat.

            Tijdens hun verblijf kregen de journalisten de kans om de inlanderswijken te bezoeken.[289] De Lentdecker beschouwt “de zonderlinge tropische wereld” als een groot en mysterieus geheim. “Het leven hier, de zeden en de gebruiken, de mengeling van Afrikaanse en Europese gewoonten, van primitieve, allermodernste machines en gebruiksvoorwerpen, is zo verschillend, zo overdonderend, stelt zoveel problemen dat alle journalisten hier de wanhoop nabij zijn omdat ze aanvoelen hoe geheimzinnig, hoe groot en ook hoe onbekend dat alles hier is.” De inlandse wijk  bestaat, naar de beschrijving van de journalist, uit een zeer oud gedeelte, waarin de levensomstandigheden erbarmelijk zijn en in strijd met alle hygiëne, en een modern gedeelte, waar honderden nieuwe en nette woningen verrijzen, gebouwd volgens een systeem dat veel weg heeft van de wet De Taeye.[290]

Wanneer de Lentdecker polshoogte neemt bij oude kolonialen, vertellen die hem dat de evolutie onder de zwarten enorm snel is vooruitgegaan in de jongste twee jaren en dat België weldra voor grote moeilijkheden zal kunnen staan. De journalist beaamt dit en schrijft: “Hier wordt inderdaad een nieuwe wereld geboren die reusachtige mogelijkheden in zich houdt, die zich ook tegen ons zou kunnen keren.” Hij ziet in dat het kolonialisme geen eeuwig leven beschoren is. Het woord “ontvoogding” of andere termen in die richting komen niet aan bod. In België is men zeker nog niet rijp voor een dergelijk gedachtegoed.

Bij de journalist overheerst het mysterieuze, waarvan hij de betekenis nog niet heeft kunnen doorgronden. Die onwetendheid vreest hij. Eveneens vreest hij dat de Belgen wel eens in een impasse zouden kunnen geraken. Hij ontkent dat Congo het rustigste land in Afrika is, zoals men van heinde en ver beweert. Dat Congo geen oase van rust is (vb. de opstanden in Kasaï), krijgt nu een heel andere betekenis. Er zijn moeilijkheden en er is iets aan het broeden. De Lentdecker meent dat het verkeerd en noodlottig zou zijn de ernst van bepaalde gebeurtenissen niet te willen zien.[291]

 

Vooruit

 

In één van zijn artikels werpt Ferdinand De Smet een blik op het leven in Leopoldstad. Het valt hem meteen op dat het leven er duur is. De oorzaak ligt bij de invoer van de bevoorrading, die voor een groot deel per vliegtuig moet gebeuren.

De journalist keurt de discriminatie op vlak van loon af. Hij schrijft: “wanneer wij zien dat een blanke bankbediende vb. als rekenplichtige 10.000 BEF per maand verdient (zuiver loon) en dat een even goede en zelfs betere inlandse rekenplichtige daartegenover staat, om het met een salaris van 5.000 BEF alles inbegrepen, te moeten stellen, dan wordt deze abnormaliteit onhoudbaar.” De évolués kunnen voor De Smet gerust doorgaan als intellectuelen en dit tegenover de “vele aldus bestempelde blanken”.[292]

Ook de woongelegenheid[293] in Leopoldstad liet te wensen over. Woningnood was een enorm probleem en daardoor lag de kostprijs van huizen en appartementen heel hoog. Alleen blanken verbleven in de middenstad en in de moderne wijken. De kleurlingen waren er overdag aanwezig om te werken in de magazijnen, banken, burelen, bouwwerven, enz. ’s Avonds trokken ze zich terug in de inlandse wijken. De journalist schrijft hierover: “Wanneer men de inlandse wijken doorwandelt, die buiten de stadsperiferie liggen en overbevolkt zijn, dan wordt men onweerstaanbaar aangegrepen door het gruwelijk ellendige van deze hut-woningen. Door de inlanders zelf opgetrokken op een zeer klein stukje grond, vertonen zij een onooglijk agglomeraat van lemen wanden, vermolmd en met open plekken: van stukken blik, gedroogde palmbladeren, geonduleerde zink, overschotten vodden en planken en staken, erger dan verlaten veestalletjes op een vergane hoeve! Men kan onmogelijk het ellendige, het verweerde, het verrotte, het onmenselijke van dergelijke “woonvertrekken” beschrijven.”

De Smet vraagt zich af hoe het mogelijk is dat mensen daarin verblijven, kinderen ter wereld brengen en opvoeden. Duizenden mensen woonden in die miseriedoolhoven, zonder verharde wegen en straatverlichting. Naakte kinderen liepen rond in stof, slijk en vuil terwijl hun moeders maniokwortels tot meel stampten. “Wat wil je dat er voortspruit uit dergelijk samenhokken van mannen en vrouwen, meisjes en jongens en kinderen!” De uitroep toont bekommernis over het maatschappelijk welzijn van die mensen. De journalist bekent dat die erbarmelijke toestand onmiddellijk moet verbeterd worden, alleen wordt dit belemmerd door de grote toevloed van de plattelandsbevolking.

 Als een eventuele oplossing worden de Afrikaanse woonwijken naar voor geschoven. Deze zouden een geleidelijke evacuatie van de oude wijken moeten mogelijk maken. De inlanders kunnen door betaling van maandelijkse huur eigenaar worden van een nieuwe woning.

 

In een artikel[294] over de reis van de koning beschouwt R. De Kinder Congo als “een oasis van rust en evenwicht in  een koloniale wereld in gisting en beroering”. Hij citeert: “Ten overstaan van de wereld is het moment bijzonder geschikt om de vertegenwoordigers van de internationale pers te tonen hoe enthousiast de Kongolese bevolking staat tegenover het Belgisch koloniaal bestuur.” Het enthousiasme is volgens De Kinder het beste antwoord op de verwijten in de rapporten van internationale organisaties. Hij meent dat voorbereiding op zelfbestuur en politieke mondigheid geen noodzaak zijn. Hij ziet er ook het nut niet van in, aangezien Congo rustig en tevreden blijven ondanks de woelingen op het Afrikaanse en Aziatische continent.

 

Het Laatste Nieuws   

 

Het Laatste Nieuws ziet een positieve toekomst weggelegd voor de Belgen in de kolonie. De Congolese hoofdstad wordt voorgesteld als een multiculturele stad, waarin naast Belgen en zwarten ook andere Europeanen verblijven. De krant betreurt dat, ondanks het overwicht aan Belgen onder de blanken, de handel en nijverheid in grote mate in handen bleven van niet-Belgische kolonisten.

            Schalckens is getroffen door de omvang van de werken die de blanken in de kolonie verwezenlijkten. Hij schrijft: “Wij mogen fier zijn op de reeds bereikte uitslag.”[295] Toch relativeert hij zijn eerste indrukken. Het land is 80 maal groter dan België en bestaat uit verschillende natuurstreken met een ander klimaat. De blanken vormen een kleine minderheid en kunnen slechts enkele regio’s en steden van dit uitgestrekte land exploiteren.

 

1.2.5    Beeldvorming

 

Dit onderdeel schetst kort het beeld, dat de verschillende kranten vormen, over Congo en zijn inwoners.

 

De Standaard

 

Congo wordt voorgesteld als een tropisch en geheimzinnig land. De pracht en de oneindigheid overrompelen de Lentdecker. Congo is het land van de meest verschillende contrasten. Naast de vele rassensoorten en stammen biedt ook de natuur de grootste tegenstellingen. De journalist is onder de indruk van de ongerepte natuur en de uitgestrektheid van het zwarte land. Het onbekende maakt hem heel klein. Deze gevoelens koestert hij niet voor Leopoldstad, die rommelig en lawaaierig overkomt. Hij vergelijkt de hoofdstad met “een grote machine die onophoudend werkt en die meer lawaai maakt dan de miljoenen insecten die ‘s nachts hun eigenaardig concert beginnen.”

            De zwarte bevolking is even geheimzinnig en schoon als het land zelf. Uit termen als geheimzinnig en eigenaardig, kan men afleiden dat de journalist er niet in slaagt de Congolese cultuur te doorgronden. Hij neemt geen negatief standpunt in tegenover de zwarte. Bovendien vindt hij ze sympathiek, maar hij stelt hen gelijk met pubers van 15 à 16 jaar oud, “die wel beseffen dat ze niet zonder hun ouders - de blanken - voort kunnen, maar soms flink het land hebben aan de reglementering van hun ouders.” De journalist ziet weinig verschil tussen de geëvolueerde en de andere zwarte die niet de blanke cultuur geassimileerd hebben. Allen worden beschouwd als de kinderen uit de brousse die nood hebben aan beschaafde leermeesters. Dit impliceert dat blanken een belangrijke opvoedingsrol te vervullen hebben.

“De grote zwarte familie is als een jeugd die in ‘de moeilijke jaren is’ en die daarom met veel tact moet behandeld worden.” De grote zwarte familie simplificeert de diversiteit die heerst binnen het Congolese volk. Daarbij wordt verondersteld dat iedere Congolees, jong en oud, zich gedraagt als een puber, die de moeilijke tienerperiode doorworstelt. De blanken krijgen de opdracht om hen te begeleiden, maar de journalist twijfelt of ze dat kunnen.

Niettemin illustreert zijn visie de Westerse superioriteit en het Westers etnocentrisme, waarbij de blanken zichzelf als beschaafd beschouwen en waarbij de zwarten achterop hinken.  

 

Vooruit

 

Belgisch Kongo, gelegen in het hart van Afrika, wordt beschouwd als een “nieuw” land, waarvan men de immense rijkdommen niet bij benadering kan schatten. De vele voordelen van het land zijn een gevolg van zijn ingesloten ligging. De Smet benadrukt het belang van de veelheid van mogelijkheden, die de kolonie daardoor kan bieden, zowel op economisch als op sociaal vlak. Leopoldstad, wereldstad in volle gisting, is het bestuurlijk, economisch en cultureel centrum van Congo. Ze is de hersenpan van de kolonie.

            Over de inlanders wil De Smet bescheiden zijn, omdat een oppervlakkig contact niet kan leiden tot definitieve uitspraken. Men moet over tijd beschikken, wil men de inlander leren kennen. Hij gaat wel akkoord met de oude kolonialen die menen dat men de inlanders nooit specifiek, naar hart, geest en gevoelens zal kennen.

            De Smet concludeert dat de inlanders niet een eeuw achterstaan, maar gewoonweg een oerprimitief volk zijn, bij wie het contact met de blanken slechts een vals vernisje heeft bijgebracht. Hij vindt het eigenaardig dat deze “zuiver primitieve oermensen” zich zo sterk aan familiebanden hechten. In het inboorlingenleven zijn ze immers overwegend. De journalist schrijft de achterlijkheid van de inlandse bevolking over het algemeen toe aan de materiële en geestelijke achterstand van eeuwen en ook aan een zekere degeneratie door het onderling kruisen onder stammen en families of door het gevolg van tropische ziektes. 

Ook De Smet schrijft dat de inlanders van nature kinderen zijn, van wie hun naïviteit soms opmerkelijk groot is. De evolué krijgt echter een ander etiket opgeplakt. Ze zijn mensen die door studie veel kennis hebben verworven en gerust als intellectuelen kunnen doorgaan. De journalist vindt het logisch dat deze mensen de discriminatie niet kunnen blijven ondergaan.

 

Het Laatste Nieuws

 

Congo als een economische krachtbron is ook het beeld van Het Laatste Nieuws. De uitbreiding van de hoofdstad gebeurde in een razendsnel tempo. Veel vlugger dan in Brazzaville, waar de Fransen volgens Schalckens evenzeer grote inspanningen leveren op gebied van beschaving en welvaart. Het algemeen beschavingspeil is nagenoeg hetzelfde. De inlanders in beide steden behoren tot de meest verschillende stammen. “Dit samenraapsel, als een gevolg van de aantrekkingskracht der centra, verblijft na het vallen van de avond in de buitengewoonterechtelijke centra, waar er veel gedanst wordt op orkest- en jazzmuziek, veel gedronken en veel kabaal gemaakt wordt.” Samenraapsel is een eerder pejoratief synoniem voor mengelmoes. Er wordt verondersteld dat de autochtonen ’s avonds niets anders doen dan dansen, drinken en kabaal maken. 

 

1.3  Conclusie

 

Algemeen besluiten we dat De Standaard en Vooruit niet alleen aandacht besteden aan de politieke, economische en sociale situatie in Congo, maar ook aan de euforie rond de reis van koning Boudewijn. Het Laatste Nieuws daarentegen wijdt zijn pagina’s bijna volledig aan de koninklijke reis.

 

Voor het eerste onderwerp vinden we de meeste informatie bij De Standaard terug. De vier deelaspecten, die we bij de sociale verhoudingen in de kolonie onderscheidden, worden er allemaal in becommentarieerd. Vooruit en Het Laatste Nieuws besteden meer aandacht aan de verhouding tussen blanken en zwarten. Het Laatste Nieuws wijdt ook kort uit over de relaties tussen Congolezen en kolonialen onderling. In ieder geval baart de verhouding tussen blanken en zwarten de grootste zorgen. De Standaard en Vooruit uiten felle kritiek. Vooruit gaat hier eerder in op de sociale wantoestanden terwijl De Standaard de toekomst van het Belgische koloniale rijk vreest. Het Laatste Nieuws daarentegen loochent het rassenonderscheid in de kolonie. Wat de onderlinge meningsverschillen betreft, neemt De Standaard de twisten tussen de kolonialen zwaar op de korrel. De krant stuurt aan op eenheid, want eendracht is macht. Het Laatste Nieuws stelt dat verdeeldheid onder de kolonialen te wijten is aan het beroep dat iemand uitoefent. Wat onenigheid onder zwarten betreft, zijn De Standaard en Vooruit ervan overtuigd dat de stammenhaat opnieuw zal oplaaien, eens de blanken er niet meer zullen zijn. Dit is een goed excuus om het koloniaal regime te handhaven. 

De schoolstrijd komt uitvoerig aan bod bij Vooruit. De socialistische krant staat volledig achter de onderwijspolitiek van minister Buisseret. Daarbij wil ze liefst een einde zien aan het onderwijsmonopolie van de Kerk. De missies krijgen harde kritiek. De Standaard uit haar ongenoegen over de politiek van minister Buisseret, die de eenheid binnen de kolonie komt verstoren en verdedigt de missies. In deze problematiek komt de strekking De Standaard – katholiek en Vooruit – socialistisch heel goed naar voor. Het Laatste Nieuws laat zich niet in met deze problematiek. Opvallend is dat de liberale krant geen politieke zaken of figuren bespreekt.

De situatie en toekomst worden vanuit een verschillend perspectief beschreven. Enkel De Standaard neemt een negatief standpunt in over de toekomst van Congo. Voorzichtig drukt ze op het feit dat het kolonialisme geen eeuwig leven beschoren is. Maar de krant stuurt zeker niet aan op onafhankelijkheid. Integendeel, ze verdedigt het kolonialisme. De schoolstrijd en de sceptische houding van de clerus in Congo kan de reden zijn voor deze negatieve toekomstvisie. Daarnaast richt de krant zich tot de intellectuele middens, die vaak kritisch staan tegenover het koloniale beleid.[296] Ook volgens Vooruit loopt niet alles gesmeerd in de kolonie, maar de wantoestanden geven geen aanleiding tot het einde van het Belgisch kolonialisme. Door verbeteringen en veranderingen kunnen de Belgen nog lang in Congo blijven. Haar pleidooien doen ons vaak terugdenken aan het einde van de 19e eeuw, toen de socialisten opkwamen voor betere leefomstandigheden van de arbeiders. Alleen zijn het nu Congolezen en is de tijdsgeest veranderd. We kunnen moeilijk het perspectief van Het Laatste Nieuws weergeven, aangezien we over weinig informatie beschikken.

We merken een aantal gelijkenissen in het beeld dat de respectieve kranten vormen over Congo en de Congolezen. Vooruit en Het Laatste Nieuws beklemtonen de economische mogelijkheden van Congo. De Standaard daarentegen creëert een idyllisch en mysterieus beeld over Congo. Zowel De Standaard als Vooruit vergelijken de Congolezen met pubers, die begeleiding nodig hebben. Dit beeld kadert in de theorie van de positieve zelfvoorstelling (kolonisator = leermeester) en de negatieve voorstelling van anderen (Congolees = onvolwassen). Het verschil is dat Vooruit een onderscheid maakt tussen de inlanders (primitief) en de évolués (intelligent en beschaafd). De Standaard ziet geen verschil tussen beiden.

 

Ondanks de kritieken en de verschillende visies, verdedigen de kranten de paternalistische politiek van de kolonisator. Het is dankzij de aanwezigheid van de Belgen dat Congo zo welvarend en ontwikkeld is. Deze visie overheerst dit stukje analyse dat gebaseerd is op vele reportages en commentaren, die racisme, beeldvorming, situatie, toekomstvisie en koloniale politiek onder de loep nemen. Deze perfecte combinatie laat ons toe om de theorie van de linguïstische pragmatiek en de “discourse analysis” behoorlijk toe te passen.

 

2. “MANIFESTEDE CONSCIENCE AFRICAINE: 30 JUNI 1956; “CONTRE-MANIFESTEVAN ABAKO: 23 AUGUSTUS 1956

 

2.1  Historiek

 

Op zaterdag 30 juni 1956 verscheen er in Leopoldstad een speciaal nummer van het tijdschrift Conscience Africaine onder de titel “Manifeste”. Voor de eerste keer in de geschiedenis van Belgisch Congo, publiceerde een groep Congolezen haar politieke eisen.

            De redactieploeg van Conscience Africaine[297] telde 5 leden. Hoofdredacteur, Joseph Ileo, was na zijn studies van boekhouder sinds 1951 secretaris van de Dienst van Afrikaanse Steden in Leopoldstad. Penningmeester, Dominique Zangabie, en Albert Nkuli waren beiden geëngageerd in de Confederatie van Christelijke Syndicaten van Congo en Ruanda-Urundi. In de redactie zaten twee dames, Micheline Kaniki en Catherine Djoli. Zij schreven veel minder artikels. Alle leden waren heel christelijk opgevoed.[298]

            Wat hield “Manifeste” in?[299] De redacteurs hadden hun betoog ingedeeld in 13 paragrafen, elk voorzien van een afzonderlijke titel. Het fundamentele principe was de raciale gelijkheid: “De huidskleur verleent geen enkel voorrecht”. De identiteit moest bewaard worden: “Wij willen beschaafde Congolezen zijn, maar geen Europeanen met een zwarte huid”. Dit was een eerste heel belangrijke stellingname in de afwijzing om slaafs de Westerse beschaving te volgen. Natuurlijk mocht dit niet leiden tot apartheid: “gelijk, maar gescheiden”.

            De Belgisch-Congolese gemeenschap mocht niet beschouwd worden als “een middel om de dominantie of de overwegende invloed van de Europeanen voor eeuwig te laten voortduren”, maar wel als “een middel om onze volledige emancipatie te realiseren”. In dat opzicht deelden ze het ideaal van gouverneur-generaal Pétillon: “een menselijke broederschap die steunt op de eigenlijke gelijkheid van de mensen zonder rassenonderscheid”. De auteurs benadrukten dat de emancipatie in haar breedste zin moest opgevat worden. Op politiek vlak pleitte ze voor een grotere vertegenwoordiging en een werkelijke beslissingsmacht. Op het socio-economische domein vroegen ze een verhoging van de minimumlonen, afschaffing van de verplichte culturen, verbetering van de mogelijkheden voor opleiding en specialisatie, …

            Na de formulering van enkele eisen, preciseerde de groep van Conscience Africaine haar houding tegenover België: geen integratie in een unitaire Belgische staat. De groep had ook een heel duidelijke visie over de invoering van politieke partijen in Congo: “Deze partijen zijn een kwaad en zijn nutteloos. De Belgische politieke verdelingen zijn een gevolg van historische omstandigheden die eigen zijn aan België.” Aan de andere kant wees het manifest dat in de huidige toestand een nationale unie vereist was: “Later, wanneer de politieke structuren ons dwingen, kunnen we ons verenigen volgens onze verwantschap, belangen en politieke opvattingen. Hoogstwaarschijnlijk zullen de specifieke Congolese partijen geen kopie zijn van de Belgische partijen.” Nog een voorbeeld dat aantoonde dat Congolezen niet in de pas wilden lopen van de Belgen.  

              Het manifest richtte zich zowel tot de Europeanen als tot de Congolezen. Voor een oprechte samenwerking tussen beide was het nog niet te laat; wel drong de tijd. De Belgen moesten de emancipatie niet als een teken van haat beschouwen, integendeel. “Als België erin slaagt de volledige emancipatie van Congo te verwezenlijken, met begrip en in vrede, dan zal dit het eerste voorbeeld zijn van een geslaagde koloniale onderneming.” Het manifest eiste wel onmiddellijk een dertigjarenplan[300] voor de ontvoogding van Congo. “Het plan zou de oprechte wil van België moeten uiten om Congo volledig politiek te ontvoogden in een termijn van dertig jaar.” Eveneens stelde het manifest de vereniging van Congolezen en blanken voor in een nationale populaire beweging.

            Op het eerste gezicht lijkt “Manifeste” een gematigd document, ondanks zijn nationalistische stempel. Het manifest eindigt met de woorden “Leve Congo! Leve België! Leve de Koning!” Op de derde pagina staat er een foto van koning Boudewijn. Maar een aandachtige lezer oordeelt er anders over. Het akkoord gaan met het dertigjarenplan was niet zonder voorwaarden: “een ondubbelzinnige verklaring is het enige middel om het vertrouwen van de Congolezen te bewaren ten opzichte van België.” Eveneens kregen de Europeanen strenge richtlijnen. Diegenen die niet akkoord waren, “dat ze vlug hun koffers pakken…”. Hierbij lieten de auteurs zich inspireren op de heftige kritiek van Pétillon op de arrogante houding van enkele Europeanen tijdens de openingszitting van de gouvernementsraad van 1955.  

           

Op 23 augustus publiceerde Abako[301], onder leiding van J. Kasavubu, een tegenmanifest. “Manifeste” van Conscience Africaine kwam van de Bangala en Baluba, mensen uit Boven-Congo. Deze “vreemdelingen”, die de Bakongo (mensen uit Beneden-Congo) op eigen terrein hadden verdrongen met de medeplichtigheid van de koloniale autoriteit, maaiden nu het gras voor hun voeten weg. Daarom konden ze niet achterblijven.

            Het tegenmanifest sprak op een radicalere toon en kwam niet uit katholieke middens. De voornaamste eis was de politisering van Congo via een veelheid aan politieke partijen. Dit impliceerde een vervanging van de paternalistische aanpak van de kolonisator door onderhandelingen. Dit centrale thema werd verder uitgewerkt via drie opties: ontvoogding “zelfs voor vandaag” (30 jaar was veel te lang); een Congolese federatie op etnische basis en algemeen stemrecht; afwijzing van de Belgisch-Congolese gemeenschap. De stellingen waren veel duidelijker en minder compromisgericht dan in het vorige manifest.[302]

            Hoewel hun toon verschilde, waren de algemene eisen en doelstellingen van beide manifesten dezelfde. Ze wilden het einde van het kolonialisme. Ook wilden ze een politieke ontvoogding vertaald zien in een erkenning van politieke rechten en fundamentele vrijheden. Daarnaast stonden ze voor een Afrikanisering van de kaders, omvorming van de bestaande instellingen, herziening van de lonen, einde van de raciale discriminatie, enz. Beiden verwierpen de verbintenis van Congo aan België.[303]

 

2.2  Analyse

 

Tijdens ons onderzoek vonden we enkel artikels over “Manifeste” van Conscience Africaine bij De Standaard. Bij de literatuur daarentegen kregen we hopen informatie te verwerken. Deze gebeurtenis was hoe dan ook een belangrijk scharnierpunt in de Congolese dekolonisatiegeschiedenis. Voor het eerst werden België en de kolonialen in Congo geconfronteerd met een eerste uiting van het Congolees nationalisme. Om die reden kunnen we deze gebeurtenis niet onopgemerkt laten voorbijgaan.

 

De Standaard

 

Opvallend is dat De Standaard geen eigen commentaren publiceert, maar verwijst naar de reacties van Congolese kranten en lezersbrieven. Vooral katholieke Congolese dagbladen komen aan bod, zoals: De Week (Leopoldstad), Le Courrier d’Afrique (Leopoldstad), l’Essor du Congo (Elizabethstad), La Croix du Congo (Leopoldstad).

 

In een eerste artikel over het manifest schrijft De Standaard: “Een Kongolees blad  Conscience Africaine, dat te Leopoldstad verschijnt, heeft een manifest gepubliceerd, dat in koloniale kringen opzien baart.” Het gebruik van het lidwoord “een” impliceert dat het blad niet zo’n gewichtige rol speelt in de Congolese pers. Het is een gewoon blad naast alle andere. De schok in de koloniale kringen laat ons vermoeden dat deze Congolese tegenwind totaal onverwacht kwam. Dit uit zich ook in de titel.[304]

Het dertigjarenplan van Van Bilsen werd door vele kolonialen weggehoond. Men ging er vanuit dat de meeste Congolezen nog altijd tevreden waren met het huidige systeem. Waarom emanciperen? De voornaamste reden, waarom de blanken potdoof bleven, kwam door de vrees om hun macht en invloed te verliezen. Bovendien stonden de meeste en belangrijkste kranten onder controle van de overheid, missies of bepaalde Belgische groepen. De redactie van Conscience Africaine genoot van een relatief grote vrijheid. Toch merkte men een onzichtbare blanke hand die ook in het manifest invloed uitoefende.[305] 

De Standaard schrijft verder: “Het spreekt, uit naam van de ontwikkelde Kongolezen en staat op christelijke basis.” Het gaat hier over een klein groepje van zwarten, évolués, die in ieder geval christelijk onderwijs genoten of zelfs in dienst zijn geweest als priester.

In hetzelfde artikel staat de titel: “Naar de oprichting van een Kongolese partij? (…)”. De vraag wordt gesteld door Le Courrier d’Afrique[306], die een uitvoerige commentaar schreef op het manifest. De oprichting van de Congolese partij linkt men aan de schrijvers van het manifest, namelijk ontwikkelde en christelijke Congolezen.

Le Courrier Afrique meent enerzijds dat het te vroeg is om stelling te nemen over wat de ondergrond van het manifest betreft. Anderzijds geeft manifest wel de gedachten van een Kongolese elite weer en schetst het duidelijk de gevoelens van de massa. De krant schrijft dat op politiek vlak de tijd zal komen. Kongo heeft immers al jaren zijn kracht te danken aan zijn eenheid van inzicht en actie en aan de vrij aanvaarde discipline. Volgens Le Courrier is Kongo in de politieke fase van zijn ontwikkelingsproces gekomen en in dit stadium situeert de krant, met een zekere voldoening, de totstandkoming en de vorming van een Kongolese partij die aan niemand iets ontleent.

 

Ook in de volgende dagen, zo schrijft De Standaard, wordt het manifest voor de oprichting van een Congolese Unie nog druk besproken. De verschillende reacties van De Week, l’Essor du Congo en l’Avenir (niet katholiek) worden weergegeven. Ook Amerikaanse bladen bespreken uitvoerig het Belgische bestuur in Congo. Zoals vroeger is hun oordeel gunstig tegenover de actie van de bestuursautoriteiten. Maar nu besteden ze ook aandacht aan de kritieken van geëvolueerden in verband met de uitzichten op de politieke ontwikkeling van Congo. C.T. Rowan, bijzondere correspondent van de Minniapolis Tribune, was verbaasd te horen dat bepaalde groepen van évolués rekenen op de Verenigde Staten om de vrijheid te veroveren.[307]

            In de titel vraagt De Standaard of de Amerikaanse pers wel te goeder trouw is. De New York Times heeft in een bericht uit Leopoldstad de bijzonderste punten uit het manifest van Conscience Africaine aan zijn lezers meegedeeld. In de Belgische kringen in New York merkte men op dat het bericht zeer bondig was. Het deel van het manifest, dat positief klonk voor België, werd volledig weggelaten en alleen de elementen van verzet werden belicht.

Dit impliceert dat de Amerikanen er belang bij hebben dat Congo en Afrika de onafhankelijkheid eisen. Zo kunnen ze meer greep op dit continent krijgen, niet alleen wat grondstoffen betreft, maar ook als bondgenoot tegen Rusland.

 

Op 5 augustus publiceert De Standaard “volgende interessante beschouwingen” van E. Verstraeten, een lezer.[308] Wat later neemt De Standaard een gelijkaardig artikel van dezelfde auteur over van het Congolese blad La Croix du Congo.[309] De auteur denkt niet dat het manifest een opinie van de massa bespiegelt, want hij gelooft niet dat ze genoeg kennis van zaken heeft om het probleem te kunnen snappen. De massa is over het algemeen tevreden over wat de blanken voor hen doen en ze bekommert zich niet om het overige.

Hij stelt: “Maar de geëvolueerden – zij die het werkelijk zijn – zien veel verder en alhoewel de redactie van Conscience Africaine maar uit vier personen bestaat, vertegenwoordigen de laatste verklaringen van het tijdschrift, waarschijnlijk de gevoelens van een meer belangrijke groep.” Hij denkt dat het om een zeer kleine groep van évolués gaat. Er zijn immers ook veel Congolezen die in de waan verkeren dat ze geëvolueerd zijn.

Volgens Verstraeten is het manifest een wanhoopsdaad van een aantal Kongolese zwarten, die zich geen Belgisch-Kongolese gemeenschap kunnen voorstellen, omdat ze zonder twijfel ervan overtuigd zijn dat de blanken altijd zullen overheersen omdat ze blanken zijn. Alhoewel hij het niet expliciet vermeldt, ziet de auteur de onafhankelijkheid niet als de oplossing. “Laten wij dan een werk dat bijna enig is in de wereld niet verknoeien door een gebrek aan edelmoedigheid.” Verstraeten wil niet dat het beschavingswerk vernietigd wordt door Congolezen,      die zich overgeven aan extremistische wandaden ten gevolge van een minderwaardigheidscomplex. 

Het manifest wordt beschouwd als een ernstige verwittiging voor de blanken vanwege een kleine groep zwarten die de colour bar vrezen. Daarom pleit Verstraeten voor gelijkheid tussen blanken en zwarten qua diploma en werk.

 

Wat Abako betreft wordt enkel een citaat van Pierre Davister, L’Avenir, vermeld: “Dat ze een nieuwe uiting was van een nationalisme in Neder-Kongo dat sedert lange jaren latent was en op het godsdienstige plan reeds in het Kibangisme en op het intellectuele plan met de verdediging van de oude Kikongotaal was tot uiting gekomen. Dit nationalisme kristalliseert zich thans rond het manifest van Conscience Africaine.” Over het tegenmanifest wordt geen woord gerept.

 

2.3  Conclusie

 

In De Standaard wordt het manifest zelf niet besproken of becommentarieerd. De krant plukt citaten uit Congolese dagbladen, die voornamelijk katholiek zijn behalve L’Avenir. Over het tegenmanifest publiceert ze niets. De reacties van de geciteerde Congolese dagbladen zijn overwegend positief, behalve die van L’Avenir. Het artikel van E. Verstraeten verschijnt twee maal, één keer als lezersbrief en één keer als een artikel dat De Standaard overneemt van La Croix du Congo. De mening van E. Verstraeten kan misschien vereenzelvigd worden met de visie van De Standaard. De krant vond zijn beschouwingen in ieder geval heel interessant.

            Vooruit en Het Laatste Nieuws besteden helemaal geen aandacht aan de manifesten. Men pakte liever uit met wat België in drie kwarteeuw gepresteerd had. De “Union Minière du Haut Katanga”, de “Société Internationale Forestière et Minière du Congo” (Forminière) uit Kasaï en de “Compagnie des chemins de Fer du Bas Congo au Katanga” (BCK) hadden alle hun industriële activiteiten ontplooid in 1906 en vierden in 1956 hun gouden jubileum. Dit gebeuren verscheen uiteraard in de verschillende kranten.

            Volgens Dumont[310] sympathiseerden ook de andere Belgische katholieke kranten, zoals La Libre Belgique, La Cité en Het Volk, met de redactie van Conscience Africaine. Deze kranten benadrukten het belang en de politieke waarde van het document. Het socialistische dagblad Le Peuple beschouwde Conscience Africaine dan weer als een instrument van de Congolese geestelijken.

 

 

3. DE GEMEENTERAADSVERKIEZINGEN (LEOPOLDSTAD, ELISABETHSTAD, JADOTSTAD): DECEMBER 1957

 

3.1 Historiek[311]

 

De verkiezingen in Congo kenden niet dezelfde evolutie als in Europa. In Europa was de strijd voor de parlementaire vertegenwoordiging een democratische strijd. In Congo nam de koloniale overheid de touwtjes in handen.

            De decreten van 26 maart en 10 mei 1957 richtten de stedelijke en rurale instellingen in. De stedelijke centra werden administratief ingedeeld in verschillende gemeenten, die onder leiding stonden van een gemeenteraad. Er bestonden drie categorieën van gemeenten: Europese, Afrikaanse en Gemengde gemeenten. De provinciegouverneur benoemde de burgemeester op voorstel van de gemeenteraad. Zo werd Leopoldstad onderverdeeld in acht Afrikaanse gemeenten (Kintambo, Saint-Jean, Kinshasa, Barumbu, Dendale, Kalamu, Ngiri-Ngiri, Bandalungwa), één Blanke (Kalina) en twee Gemengde gemeenten (Ngaliema en Limete). De stedelijke raad was het overkoepelende orgaan, dat bestond uit de diverse burgemeesters. Hij werd geleid door de Eerste Burgemeester, die Belg en ook staatsambtenaar was.

            Een ordonnantie van uitvoering, uitgevaardigd op 29 september 1957, bepaalde dat alleen mannen vanaf 25 jaar in aanmerking kwamen voor de verkiesbaarheid.

            De resultaten waren het toonbeeld van manipulatie, waarbij de partijen hun traditionele uitgangspunten koppelden aan de moderne doeleinden. Het tribalisme fungeerde als een politiek en strategisch element. In de hoofstad won Abako de verkiezingen met een heel ruime voorsprong. De partij veroverde 133 van de 170 zetels en kreeg de burgemeestersjerp in Kitambo (Alphonse Tshinkela), Bandalungwa (Oscar Ngoma), Dendale (Jozef Kasavubu), Ngiri-Ngiri (Gaston Diomi), Kalamu (Arthur Pinzi) en St.-Jean (Pierre Canon). De goede organisatie van de partij was de reden van dit overweldigend resultaat.

            In Katanga speelde er zich een gelijkaardig scenario af, alleen waren de gevolgen veel erger. De Luba van Kasaï veroverden de burgemeestersjerp. Met veel minder enthousiasme besloot de koloniale autoriteiten de keuze van de gemeenteraad in Elizabethstad te respecteren. Twee Luba stonden aan het hoofd van Kenya (Armand Tshinkulu) en Katuba (Mukendi Thadée); een Musongye uit Kasaï bestuurde Rwashi en een Mukusu uit Maniema heerste over St.-Albert. Geen enkele staatsburger uit Katanga werd verkozen.

            In Jadotstad maakte de koloniale administratie een kleine zijsprong. Om te verhinderen dat Victor Lundula verkozen werd, plaatste men hem (medisch assistent) op het laatste nippertje over naar Kamina. Alhoewel hij toch verkozen werd in de gemeente Kibula, weigerde de gouverneur van Katanga hem te benoemen.

 

3.2  Analyse

 

De meeste artikels zijn waarschijnlijk afkomstig van persagentschappen. Deze artikels geven weinig commentaren en zijn louter informatief. Meestal wordt de auteur niet vermeld. Vaak vinden we gelijkaardige berichten terug in de drie kranten.

            We splitsen ons onderzoek op volgens de drie plaatsen waar de verkiezingen doorgingen: Leopoldstad, Elisabethstad en Jadotstad. Gelijkaardige berichten worden eerst behandeld. Vervolgens spitsen we ons toe op wat de drie kranten afzonderlijk berichten. Bij de verkiezingen in Leopoldstad letten we uiteraard op de resultaten van de Abako.

 

3.2.1    Verkiezingen in Leopoldstad

 

Op 9 december 1957 verschijnt in De Standaard, Vooruit en Het Laatste Nieuws een bericht van Belga over het verloop van de verkiezingen in Leopoldstad. Enkel Het Laatste Nieuws vermeldt de bron . We zullen kort eens nagaan wat Belga schrijft over de verkiezingsdag.

            Het persagentschap deelt mee dat de verrichtingen van de gemeenteraadsverkiezingen begonnen zondag om half acht in 199 stadsdistricten. “Nog vóór de stembureaus werden geopend”, schrijft Belga, “stonden lange rijen Kongolezen op hun zondags geduldig te wachten om te mogen stemmen, en intussen bespraken zij kalm de kansen van de verschillende kandidaten.” Men veronderstelt dat de Congolezen zich rustig gedroegen en interesse toonden in het hele gebeuren.

            Dan geeft Belga informatie over de geschatte opkomst (80%) in de wijken Ngiri-Ngiri, Gambela en Christus-Koning; over het gemiddelde aantal kiezers in de districten; over de weersomstandigheden en de taak van de ordediensten; en over de opkomst van de blanken (50% om half tien) en de overheidspersonen (stemden heel vroeg). Er wordt verwacht dat de uitslagen in de loop van de namiddag zullen bekend zijn. Tenslotte verwijst het persagentschap naar de bladen in Leopoldstad, die de raadpleging als een historische gebeurtenis voor Congo beschouwen. 

 

De Standaard

 

De Standaard verwijst, voor wat de electorale zege van de Bakongo betreft, naar bladen uit Leopoldstad[312] en naar een lezersbrief[313], waarvan de auteur onbekend is.

            De Congolese dagbladen leggen er de nadruk op dat de meeste Congolese verkozenen uit Neder-Congo stammen en daaruit leiden ze af dat de Bakongo in de verschillende gemeenten in de raad de meerderheid zullen behalen. Volgens L’Avenir zouden de Bakongo geluisterd hebben naar de gegeven wachtwoorden, waardoor ze stemden voor de kandidaten van hun eigen ras ten nadele van andere rassen, van wie sommigen een ambt van raadslid in de raad van de inlanderstad of van de zones bekleedden. De bladen benadrukken eveneens dat de verkiezingen kalm en waardig verliepen.

            De lezersbrief beschouwt de verkiezingen als een eerste democratische toets. “Ruim 80 t.h. van de inlanders gingen naar de stembus. Ze wisten niet allen wat ze deden ... maar ze deden wat de administratie hun vroeg. Dat alles in kalmte verliep is ook een meevaller, want de rassenstrijd kan in Afrika wel eens ontaarden in een kloppartij zoals dat gebeurde met de gemeenteverkiezingen in Brazzaville, bij onze overburen.“ Dit impliceert dat niet alle zwarten er veel verstand van hadden. Meestal lieten ze zich ompraten door anderen of door de kandidaten die bij de stembus inlichtingen gaven. Bovendien vindt de lezer het verwonderlijk dat alles in kalmte verliep.

            De lezer ziet de overwinning van de Bakongo als de normale uitslag van het democratische spel. Bij democratische verkiezingen stemt men niet altijd op de bekwaamste mensen, maar wel op vertrouwenspersonen of -groepen. De Bakongo zijn talrijk en de Abako is een solide nationalistische partij. Daarom hebben vele mensen uit de Kwango, die in Leopoldstad een grote groep vormen, gestemd voor de Bakongo en tegen de Bangala, die volgens Dumont verdeeld en slecht voorbereid naar voor treden.[314]

            De auteur meent dat vele blanken en mensen uit de administratie de uitslag van de verkiezingen betreuren, omdat heel wat vooraanstaande personen van andere rassen door het verkiezingssysteem genegeerd worden. De Bangala, Baluba en Mongo zijn sinds jaren voorbereid op een officiële functie, want ze wonen het langst in de hoofdstad. Daardoor genoten ze van beter onderwijs dan de Bakongo in de brousse. De lezer vindt het systeem eigenlijk fout. “Door het feit dat men op een persoon moet stemmen en niet op een lijst, is het apparenteren van stemmen uitgesloten en heeft de minderheid geen kans.”

            Er zijn ook andere elementen naast het rassengevoel, die determinerend zijn. Ten eerste stelt de auteur vast dat de overwinning van de Bakongo de zege is van de Anti-Europese gedachte. Dat wil niet zeggen dat alle Bakongo tegen de Europeanen zijn, maar vele van hun leiders wel. Een andere vaststelling is dat de Kongolezen “anti-évolué” hebben gestemd. In vele gevallen moeten de évolués plaats ruimen voor de man-van-niets zonder ontwikkeling. De lezer schrijft: “Het gevolg van dit alles is dat de nieuwe gemeenteraden op een lager peil zullen staan dan de uittredende Raad van de Cité en dat vele raadsleden alle moeilijkheden zullen hebben om de debatten te volgen.”

 

Vooruit

             

Wat de overwinning van de Abako betreft, verwijst Vooruit naar dezelfde commentaren van Congolese dagbladen als De Standaard.[315]

            Vooruit stelt de verkiezingen in Leopoldstad voor als compleet geslaagd. Er grepen geen incidenten plaats en er was een grote opkomst. Ongeveer één vijfde van de totale bevolking van Leopoldstad, namelijk 84,7 % van de 50.958 stemgerechtigden, hebben aan de stemming deelgenomen en er worden slechts 1.157 ongeldige stembrieven geteld. “Dit uiterst lage aantal ongeldige stembriefjes bij de Afrikanen is een werkelijke triomf voor de administratieve diensten die gedurende de jongste drie maanden geen moeite hebben gespaard om de eerste kiezers in Kongo het abc van een raadpleging bij te brengen vanaf haar betekenis tot de wijze van stemmen, enz.”

            De raadpleging van “een talrijke over het algemeen heterogene en weinig gevormde bevolking” is een gewaagde onderneming. Daarom deed men in de laatste drie maanden al het mogelijke om deze verkiezingen te doen slagen. Vooruit beschrijft uitvoerig hoe de voorlichtingscampagne verliep. Daarna geeft ze in grote lijnen weer hoe de politieke reorganisatie in de hoofdstad er zal uitzien.

            Voor Vooruit staat zeker één zaak vast. “Door bijzonder talrijk en op doeltreffende wijze aan de volksraadpleging deel te nemen, evenals door de kalmte en waardigheid waarin dit is gebeurd, heeft de Afrikaanse bevolking van Leopoldstad aangetoond dat ze werkelijk “volwassen” is en dit mag hier wel eens worden beklemtoond. Het is het resultaat van de talrijke inspanningen van allen die deze 8 september 1957 hebben mogelijk gemaakt. Het is ook de bekroning van 75 jaar Belgisch werk in Kongo.” Dit is een perfect staaltje van image-building, waarbij de zwarten “volwassen” geworden zijn door de vele inspanningen van de kolonisator. “Volwassen” tussen aanhalingtekens toont het anders voorstellen (hier het kinderlijke, eerder het puberachtige gedrag) van de gekoloniseerden.

 

Het Laatste Nieuws

 

Behalve het artikel van 9 december, publiceert Het Laatste Nieuws niets over de gemeenteraadsverkiezingen in Leopoldstad.

 

3.2.2  Verkiezingen in Elisabethstad

 

De Standaard

 

De Standaard vermeldt niet zoveel over de gemeenteraadsverkiezingen in Elisabethstad. De krant verwijst naar de eerste besluiten van het Congolese blad Essor du Congo. Daarin stelt men in de eerste plaats vast dat de opkomst bevredigend was en dat de verrichtingen gekenmerkt werden door kalmte en ernst van de bevolking.[316]

De zege, die de vertegenwoordigers van de kolonisten behalen, toont aan dat de Europese bevolking niet wil horen van partijpolitieke geschillen, van moederlandse politieke partijen, maar vertrouwen stelt in degenen die in Congo ingeburgerd zijn. Met betrekking tot de inlandse bevolking, wijst het blad er op dat zij eerder voor een man dan voor een vertegenwoordiger van een ras heeft gestemd. Dit staat in tegenstelling tot Leopoldstad. 

De redacteur van Essor du Congo, Evariste Kimba, merkt op dat de intellectuelen het in de Congolese gemeenten gehaald hebben op de vakmensen en dat de naijver onder de stammen een minder grote rol gespeeld heeft dan verwacht.

 

Vooruit

 

Vooruit schetst een idyllisch beeld van het prachtig weer dat de eerste gemeenteraadsverkiezingen in Elisabethstad heeft begunstigd. De verkiezingsoperaties begonnen vroeg en verliepen heel kalm. Van de 25.956 personen, die voor de raadpleging in aanmerking kwamen, daagden er 22.500 mensen op. Men telde 1.793 ongeldige stemmen en 884 blanco stembiljetten.[317]

            In een achtergrondartikel klaagt Vooruit de misselijke taaltoestanden in Belgisch Congo aan. De koloniale overheid lapt het Vlaams, als een officiële taal, volledig aan haar laars. Tijdens de verkiezingen waren het stemreglement voor de stembussen en de kiezerslijsten uitsluitend in het Frans. Wanneer deze minachting tegenover het Nederlands, het incivisme volgens Vooruit, aan de kaak worden gesteld, bestempelen de oversten dit als tweedracht zaaien. Vooruit vindt dit ronduit schandalig.

 

Het Laatste Nieuws

 

In tegenstelling tot wat Vooruit schrijft, moesten de inwoners van Elisabethstad en Jadotstad onder een druilerige motregen de leden voor de gemeenteraad aanduiden. Vanaf 7 uur heerste een grote drukte in de inlandse gemeenten in Elisabethstad. Deze drukte duurde tot het sluitingsuur van de stemburelen. “Tientallen nieuwsgierigen, taterende huismoeders en stoeiende kinderen, liepen langs de rijen der stemgerechtigden, die kalm onder een bij Belgische nationale regen hun beurt afwachtten.” Dit impliceert dat de verrichtingen kalm en ordentelijk verliepen. De bevolking had de praktische lessen van de overheid opgevolgd. “Slechts in uitzonderlijke gevallen moesten de voorzitter of bijzitters tussenkomen om enkele personen te helpen en aan te tonen hoe zij hun stem geldig konden uitbrengen.”[318]

            Ondanks het regenweer, daagden een groot aantal stemgerechtigden op. Bijna alle uitgebrachte stemmen waren geldig, wat Het Laatste Nieuws niet verwondert. De administratie heeft zich vele weken ingespannen om de raadpleging zo goed mogelijk voor te bereiden.

 

Het Laatste Nieuws besluit dat de verkiezingen in de kolonie het resultaat zijn van een lange, verstandige geleide ontwikkeling. Sinds lang krijgen de Congolezen de gelegenheid om zich aan te passen aan de democratische techniek. In de loop van de jaren werden zij ingewijd in de rechten en plichten, de luister en lasten van het beheer van hun eigen belangen. De verantwoordelijkheid, die men hun vandaag geeft, bevestigt in zekere zin het einde van een leertijd en is zeker geen kunstmatig verwekte ommekeer in de politieke instelling van Belgisch Afrika. De nieuwe inrichting op bestuurlijk gebied, heeft het voordeel dat ze zeer goed beantwoordt aan de huidige vereisten.

Opnieuw krijgen we een voorbeeld van een positieve presentatie van de kolonisator en zijn verwezenlijkingen. Wel overdrijft men hier een beetje. De Congolezen werden in het verleden eerder afgezonderd van het bestuur. Bovendien was de kolonisator niet erg gebrand om ze de democratische technieken aan te leren. Democratie vereist immers de inbreng van de meerderheid, die duidelijk Congolees is. Men beseft hier nog altijd niet dat de verkiezingen eerder uit noodzaak doorgevoerd werden. Na het plan Van Bilsen, de manifesten en het sterk opkomende Afrikaans nationalisme werd het tijd dat de koloniale overheid de Congolezen ook wat meer in het bestuur betrok.

 

3.2.3  Jadotstad

           

De kranten hechten weinig belang aan de verkiezingen in Jadotstad. Enkel Het Laatste Nieuws verwijst ernaar in het artikel van 25 december. Daarnaast wordt er nog een klein artikeltje gepubliceerd op 27 december 1957.[319] Ook in Jadotstad lieten er zich geen rassenoverwegingen gelden en de verkiezingen vonden plaats in uitstekende voorwaarden en in alle kalmte.

 

3.3  Conclusie

 

In ons onderzoek vinden we geen enkel artikel terug waar de auteur vermeld staat, behalve bij Het Laatste Nieuws. Dit laat ons vermoeden dat de meeste artikels afkomstig zijn van Belga of Inforcongo. De artikels zijn hoofdzakelijk informatief en staan in de verleden tijd, wat de betrokkenheid verkleint. De gebeurtenissen worden voornamelijk beschreven en niet zoveel becommentarieerd. Bovendien vinden we eenzelfde artikel terug bij de drie kranten. Het vele cijfermateriaal, eigen aan de verkiezingsuitslagen, verhogen het informatieve gehalte. Dit betekent niet dat de berichtgeving altijd correct is. Vooruit en Het Laatste Nieuws geven tegenstrijdige informatie over de weersomstandigheden tijdens de verkiezingen in Elisabethstad. Dit is echter een klein detail, maar het is niet onbelangrijk.

            De visie van de respectieve kranten kunnen we moeilijk weergeven, aangezien ze allemaal één of meerdere standpunten weergeven, die niet eigen zijn aan de krant. De informatie is in grote lijnen dezelfde. De Standaard verwijst naar Congolese dagbladen, lezersbrieven en persagentschappen (vermoedelijk). Een groot deel van de artikels staat onder het rubriekje “Nieuws uit Kongo”. Hieronder  ressorteren allerlei kleine mededelingen en nieuwsfeitjes. Vooruit verwijst eveneens naar Congolese dagbladen en vermoedelijk naar persagentschappen. Het Laatste Nieuws haalt de meeste informatie bij Belga. De analyse moet hier wat genuanceerd worden. De krant is aan het woord maar ze vertolkt eigenlijk de visie van de Westerse persagentschappen en van de koloniale pers.

            De drie kranten benadrukken de rust tijdens de verkiezingen. Men verwondert zich erover dat zoiets mogelijk is. Overal was er een grote opkomst en bovendien telde men weinig blanco en ongeldige stemmen. Dit toont duidelijk de heersende visie over de Congolezen als minder beschaafd en ontwikkeld. De positieve afloop is te danken aan de goede inlichtingen en voorbereidingen van de administratie (positieve zelfpresentatie). Het Laatste Nieuws overdrijft zelfs de goede intenties van de Belgen. 

Er zijn ook een aantal verschillen in de berichtgeving. Vooruit en vooral De Standaard besteden aandacht aan de overwinning van de Abako. Beide halen  dezelfde commentaren uit verschillende Congolese dagbladen. Het verschil is dat De Standaard nog beschikt over een lezersbrief. De twee kranten berichten meer over de verkiezingen in Leopoldstad dan over Elizabethstad en Jadotstad. Het Laatste Nieuws echter besteedt meer aandacht aan de verkiezingen in Elizabethstad. Deze krant is trouwens de enige die iets vermeldt over Jadotstad.   

 

 

4. PAN-AFRIKAANSE CONFERENTIE IN ACCRA: 5 TOT 13 DECEMBER 1958

 

4.1  Historiek[320]

 

Ghana werd in 1957 onafhankelijk. De president, Kwame Nkrumah, was een pan-Afrikaanse nationalist, die het zwarte continent situeerde tussen de Atlantische Alliantie en het Sovjetblok. Hij geloofde in de noodzaak van een neutrale liga van ongebonden landen. Vanuit dit opzicht organiseerde hij een conferentie in de hoofdstad Accra. Meer dan 60 politieke, nationalistische en syndicale organisaties uit onafhankelijke en gekoloniseerde landen werden uitgenodigd. De meeste genodigden kwamen uit de laatste groep.

            Onder de deelnemers bevonden zich drie leden van het MNC (“Mouvement National Congolais”): Gaston Diomi, Joseph Ngalula en Patrice Lumumba. Jean-Pierre Dericoyard vergezelde hen.[321] Deze zakenman reisde zogezegd mee voor zijn werk, maar waarschijnlijk had hij van de administratie de opdracht gekregen om een oogje in het zeil te houden. Het had immers lang geduurd vooraleer de administratie definitief beslist had om de noodzakelijk paspoorten te verlenen. Kasavubu kon niet mee omdat zijn medische attesten niet in orde waren. Dit verklaarde de administratie althans.

            Tijdens de Conferentie legde men zich toe op de studie van de strategie en de technieken om tot een vreedzaam Afrika te komen. De debatten betroffen de analyse van de hindernissen bij de emancipatie en de unificatie van het continent. Men beklemtoonde hierbij de afhankelijkheid tegenover het buitenland, het racisme, de etnische verschillen en de religieuze tegenstellingen. De Conferentie drong eveneens aan op grenscorrecties en de vorming van federaties om de Verenigde Staten van Afrika, naar Amerikaans model, te creëren.

            Lumumba en zijn metgezellen maakten tijdens die dagen kennis met heel wat leiders van andere Afrikaanse landen. Bepaalde contacten, zoals met Nkrumah en Sékou Touré, wierpen vruchten af. Omgekeerd bewonderde iedereen Lumumba’s redenaarstalent, energie en zijn geloof in het pan-Afrikaanse ideaal.

            Terug in Leopoldstad hield Lumumba op 28 december 1958 zijn eerste massameeting in Kalamu, een deelgemeente van Leopoldstad. Hij bracht er verslag uit van de Conferentie, die beslist heeft dat na 1960 geen enkel Afrikaans land nog onder vreemde overheersing mag blijven. Eén zinnetje maakte een enorme indruk op zijn toeschouwers: “De onafhankelijkheid is geen geschenk van België, maar een fundamenteel recht van het Congolese volk.”   

 

4.2  Analyse

 

De pan-Afrikaanse Conferentie was een belangrijk ankerpunt in de versnelling van het Afrikaans nationalisme. Alle gekoloniseerde landen hadden begrepen dat het koloniale juk vóór 1960 moest afgeworpen worden. Voor ons onderzoek is het van belang dat de Conferentie een groot impact had op Lumumba. Hij maakte er kennis met zijn grote voorbeeld Nkrumah, die hem opnam in het bestuurscomité van het permanent secretariaat. Lumumba kwam in een nieuwe denkwereld terecht, die zijn verder lot zou bepalen. Zijn visie werd geradicaliseerd, waardoor hij later zou botsten met de gematigden binnen de MNC.

In ons onderzoek zullen wij ons concreet richten op de berichtgeving over de Congolezen in Accra. Eveneens zullen we nagaan wat er geschreven wordt over de massameeting op 28 december 1958.

 

De Standaard 

 

Op 9 december[322] titelt De Standaard “’n Tweede Bandoeng. Heel Afrika te Akkra in conferentie. 1960 streefdatum voor ontvoogding”. De krant onderschat zeker het belang er niet van. Ze denkt deze conferentie even belangrijk zal zijn als deze in Bandoeng.

In dit artikel verwijst de krant naar Belga, die bericht dat drie Congolezen (Lumumba, Ngalula en Diomi) aan de Conferentie deelnemen. Belga schetst kort het profiel van de drie MNC-afgevaardigden. Er wordt ook vermeld dat Lumumba aan een vertegenwoordiger van Belga verklaarde, “dat de Kongolese Nationale Beweging officieel verzocht was de conferentie van Akkra bij te wonen en dat hij voornemens was daar de houding dezer beweging inzake de politieke evolutie toe te lichten.”

            Op 15 december[323] haalt De Standaard de woorden aan die Lumumba op het Congres uitsprak. Hij begint op een gematigde toon en onderstreept dat er in Congo geen enkele medebeslissende raad bestaat. Lumumba besluit zijn speech met de woorden: “Weg met het kolonialisme en het imperialisme, weg met het racisme en het stamwezen, leve de Kongolese natie, leve het onafhankelijke Afrika.” Op het einde hanteert Lumumba een minder gematigde taal.

            In hetzelfde bericht verwijst De Standaard naar de reactie van Le Courrier d’Afrique uit Leopoldstad, die “de geest van begrip en verdraagzaamheid van de Belgische autoriteiten” onderstreept, omdat ze Lumumba en zijn vrienden naar Accra lieten gaan. In een ander artikel schrijft ze dat de Congolese afgevaardigden gouverneur-generaal Cornelis loven, omdat hij blijk geeft van begrip en verdraagzaamheid door de deelneming aan de Conferentie toe te staan. Men vermeldt kort dat Kasavubu niet meekon omdat “hij zich niet tijdig kon kwijten van de formaliteiten die door de internationale conventies in medisch opzicht worden geëist, om deze reis te ondernemen.”[324] In werkelijkheid gaven de koloniale autoriteiten met pijn in het hart toestemming om de vrede te bewaren. Kasavubu lieten ze liever thuis en daarom staken ze er een stokje voor.

            De Standaard publiceert een editoriaal van een anonieme correspondent (Jos Lamote)[325] die na lange tijd opnieuw in de hoofdstad aanwezig is. Lamote schrijft:” De jongste tijd werd steeds lucht bijgepompt en de banden staan zo hard dat bij het rijden de kleinste steen en de kleinste put op de weg kan worden gevoeld.” Naar zijn mening hebben de pamfletten van bekende en onbekende nationalistisch getinte bewegingen, de praatjes onder de zwarte en de blanke bevolking, het uitstellen van een duidelijke verklaring over Kongo en vooral de Conferentie in Accra het nationaal bewustzijn van de Congolezen verscherpt.

            Lamote betwijfelt dat de koloniale overheid de drie MNC-leiders met een licht gemoed liet gaan. Naar het schijnt duurde het 24 uren vooraleer Cornelis toestemde. Welke overweging de bovenhand kreeg, is volgens Lamote moeilijk te achterhalen. Waarschijnlijk wou het koloniaal regime geen gezichtsverlies lijden. Wat zou zwart Afrika denken als de zetels van Belgisch Congo door verbod onbezet waren? De auteur denkt dat de toelating misschien ook gegeven werd door de “onbenulligheid” (…) van Lumumba. Uit de beschrijving die volgt kunnen we afleiden dat de auteur geen hoge dunk heeft van die man. De verklaring van Loemoemba op Accra “was voorzichtig en had niet veel om het lijf”. Wel meent Lamote dat zijn besluit: “leve de onafhankelijkheid” een diepe weerklank zal vinden in de steden van Congo. De reis zal de zwarten wat meer lef geven en zal de blanken wat meer doen vrezen voor een vlugger einde van de gevestigde verhoudingen.

 

Over de massameeting schrijft De Standaard in een informatief artikel dat Lumumba, Ngalula en Diomi uiteenzettingen gehouden hebben over de werkzaamheden van de Conferentie in Accra, waar zij hun beweging vertegenwoordigden. Daarnaast stipt de krant aan dat de Congolese Nationale Beweging een vruchtbare en duurzame samenwerking in wederzijds vertrouwen tussen Congo en België niet uitsluit. Wel moet België begrip tonen voor de verzuchtingen van het Kongolese volk en zijn drang naar vrijheid en een waardig bestaan.[326]

 

Vooruit

 

Vooruit is heel kort over de Conferentie van Accra. Ze beschouwt het als een soort wapenschouw van alle Afrikaanse volkeren die hun eenheid zoeken in de strijd tegen het kolonialisme. Over de Congolezen in Accra wordt in alle talen gezwegen. Wel vermeldt de krant heel wat later, namelijk in januari, iets over de massameeting. Ze schrijft: “Tijdens een meeting, die naar afloop van de conferentie van Accra in december op het getouw was gezet, had de leider, de heer Lumumba, onderstreept dat de beweging de conclusies van die conferentie, dat geen enkel Afrikaans land na 1960 nog onafhankelijk mag zijn, tot de hare maakte.”[327]

 

Het Laatste Nieuws

 

Het Laatste Nieuws publiceert verschillende artikels over de pan-Afrikaanse Conferentie  zelf, maar daarbij besteedt ze geen aandacht aan de aanwezigheid van de Congolezen. J. Engels[328] meent dat er twee stromingen in Afrika zijn om de buitenlandse invloeden uit te schakelen. De ene gaat uit van Ghana, de andere van Egypte. Die strekking kwam tot uiting op de Conferentie in Accra. Op het einde besloten de afgevaardigden een vaste organisatie op te richten met als doel het kolonialisme in Afrika uit te schakelen. Daardoor zal de Conferentie in Accra volgens de auteur een even grote betekenis krijgen voor Afrika als de Conferentie in Bandoeng voor de Aziatische volkeren.

 

Wat de massameeting betreft, verwijst Het Laatste Nieuws naar Belga. Het begin van het artikel is hetzelfde als in De Standaard. De krant vermeldt eveneens dat de drie MNC-leiders uiteenzettingen gehouden hebben over de werkzaamheden van de Conferentie in Accra, waar zij hun beweging vertegenwoordigden. Het artikel is wel heel wat korter. Het Laatste Nieuws vermeldt enkel nog waarover de drie leiders juist spreken. De toekomstige rol van België wordt hier niet vernoemd.[329]  

 

4.3  Conclusie 

 

De pan-Afrikaanse Conferentie krijgt aandacht in Het Laatste Nieuws en voornamelijk in De Standaard. Beide kranten onderstrepen het belang ervan en beschouwen het als een soort van tweede Bandoengconferentie, maar dan wel in Afrika. De Standaard houdt ook rekening met de drie Congolezen die op de Conferentie  aanwezig waren. Het moment, waarin Lumumba aan het woord kwam, wordt weergegeven. Dat het einde van zijn speech een eerder radicale wending nam, wordt niet becommentarieerd. Jos Lamote doet dit echter wel. Het Laatste Nieuws bericht enkel over de inhoud en de kopstukken van de Conferentie.

            Opnieuw is het grootste deel van de artikels uit beide kranten afkomstig van persagentschappen. Bij Het Laatste Nieuws tellen we er vier op vijf. Dit kunnen we exact vaststellen, omdat ze haar bronnen opgeeft. Bij De Standaard kunnen we niet zo goed uitmaken wie schrijft. Een aantal keren verwijst ze wel naar bronnen zoals AFP, Belga, Le Courrier d’Afrique, een correspondent, enz. Maar meestal laat ze ons in het ongewisse. We vermoeden dat de meeste gegevens afkomstig zijn van persagentschappen, eventueel aangevuld met informatie uit andere bronnen (vb. officiële). Zo treffen we op 30 december 1958 een gelijkaardig artikel aan bij beide kranten. De gemeenschappelijk bron is Belga. Het Laatste Nieuws vermeldt die bron, De Standaard niet. 

            Tegenover de rationele berichtgeving, wekken de titels als het ware een panieksfeer op. Het is net alsof de Afrikanen de Europeanen de deur wijzen. De koppen geven een volledig vertekend beeld van de werkelijke situatie en kunnen de lezer gevoelens opwekken van ondankbaarheid van de zwarten tegenover de kolonialen. Van Dijk meent immers dat de kop niet objectief kan zijn. Deze titels kunnen ook beschouwd worden als een voorbeeld van “reversal” of “blaming the victim”. Daarnaast treffen we angst voor communistische invloeden aan.   

            Vooruit besteedt heel weinig aandacht aan de “Inter-Afrikaanse Conferentie”. Uit het ene korte artikeltje[330], dat in december verscheen, kunnen we afleiden dat de ontwikkelingen in Afrika haar onverschillig laten. In een artikel in januari 1959 verwijst Vooruit kort naar de meeting van 28 december. Hier laat een adequate analyse op zich wachten.

 

 

5. DE RELLEN IN LEOPOLDSTAD: 4 TOT 10 JANUARI 1959

 

5.1 Historiek

 

Op 4 januari 1959 brak in Leopoldstad de hel los. Gedurende een week stond de hoofdstad in rep en roer en beleefden de blanken heel bange dagen. De dramatische gebeurtenissen, die er plaatsgrepen, hebben zeker een katalyserende rol gespeeld in het streven naar de onafhankelijkheid.[331]

            De aanleiding voor de zware incidenten was de annulatie van een geplande bijeenkomst van de Abako in het lokaal van de Y.M.C.A. (Young Men’s Christian Association). Aangespoord door het succes van de MNC wou de Abako ook een massabijeenkomst organiseren, eveneens in de gemeente Kalamu. Pinzi, burgemeester van die gemeente, zou verslag uitbrengen over zijn verblijf in Brussel. De inwoners van Leopoldstad dachten immers dat hij op de hoogte was van de inhoud van de regeringsverklaring, die in Brussel werd afgekondigd voor 13 januari. Diomi zou spreken over zijn deelname aan de Conferentie in Accra.[332]

            De sectie Abako-Kalamu schreef naar de Eerste Burgemeester M. Tordeur om zijn toestemming te vragen, maar hij weigerde. Dit verbod liet hij pas weten aan de vooravond van de meeting. De inrichters legden zich bij die beslissing neer. Ze besloten de meeting te verplaatsen naar 18 januari, de zondag na de regeringsverklaring. Maar men had echter te weinig tijd om iedereen daarvan op te hoogte te brengen.[333]

            Op 4 januari stond omstreeks 14 uur een grote massa voor het Y.M.C.A.-gebouw. Kasavubu probeerde kalm de verdaging van de meeting uit te leggen, maar zijn bedaarde taal miste haar doel. Er ontstonden kleine vechtpartijen en er werd in de lucht geschoten. Al gauw gooide men met stenen en stak men auto’s in brand. De politie schoot op de massa. Rond 17 uur vertrok de groep manifestanten naar de wijk Foncobel, het handelscentrum van de Portugezen en Grieken. De wijk werd geplunderd en in brand gestoken. De rellen woedden ongeveer 24 uur in alle hevigheid voort. Daarna vonden er nog 2 dagen lang incidenten, vernielingen en plunderingen plaats.[334]

            De koloniale administratie werd door de gebeurtenissen overweldigd en moest een beroep doen op de Force Publique en commandotroepen. Een bataljon Belgische paracommando’s vloog over naar de militaire basis in Kamina. Het duurde welgeteld 6 dagen vooraleer de situatie in de hoofdstad weer volledig onder controle stond.[335]

            Het aantal doden en gewonden langs Afrikaanse zijde heeft men nooit precies gekend. Officiële administratieve bronnen registreerden 42 doden en 208 gekwetsten. Vermoedelijk was het dodenaantal onder de Congolezen veel hoger. Er bleken ook 96 Congolezen aangehouden te zijn. Een veertigtal Europeanen liepen verwondingen op.[336]

5.2  Analyse

 

Tijdens ons onderzoek werden we geconfronteerd met een stortvloed van informatie over rellen, die plaatsgrepen tussen januari en half maart. Dit noopte ons om een eerste selectie te maken. Alleen de rellen tussen 4 en 10 januari 1959 komen aan bod, omdat ze bij iedereen een enorme schok teweeg brachten. De latere rellen waren slechts naweeën van de eerste grote uitbarsting. Tijdens een tweede selectie besloten we enkel de commentariërende artikels te bespreken. Hierdoor vielen heel wat lange en eenzijdige artikels, afkomstig van persagentschappen, weg.

            In de commentaren kunnen vele verschillende aspecten over de rellen besproken worden. Het ontstaan en het verloop worden niet meer onderzocht, omdat we er in de historiek uitvoerig op ingingen. Wij beperken ons tot de diepere oorzaken en de oplossingen die voorgesteld worden. Daarnaast bespreken we kort de impact op de publieke opinie en het beeld dat de pers vormt over de gebeurtenissen.

 

5.2.1    Impact op de publieke opinie

 

De Standaard

 

De Standaard schrijft dat de “bloedige onlusten” de publieke opinie verrast hebben. De belangstelling van de gewone man voor de problemen in de kolonie is nooit zeer groot geweest. Men vermoedt wel dat er ook in Congo over de onafhankelijkheid gesproken wordt, maar men maakt er zich niet druk om. Congo blijft tenslotte ver en vreemd. Nu verneemt men die onlusten. De Standaard vreest dat de publieke opinie, onder invloed van de sensatie, de incidenten zal uitvergroten tot een Mau-Mau opstand, zoals die in Kenia plaatsvond.

 

Vooruit

 

Vooruit laat de Belgen de voorbije week een beeld zien dat nogal scherp afsteekt met wat men gewoon is. Dit impliceert dat Congolese rellen van zo een formaat tot dan toe nog niet bestonden. Ook in bevoegde kringen in Brussel is men onder de indruk van de wanordelijkheden in Leopoldstad. Men denkt dat de beroeringen, die het licht zagen in verscheidene landen uit Voor-Azië en Noord-Afrika, niet vreemd zijn aan de gisting in Leopoldstad. Vooruit vindt het enerzijds onnodig om de gebeurtenissen op te blazen en de verbittering, die bestaat, aan te vuren. Anderzijds wil Vooruit haar ogen niet sluiten voor deze feiten. 

 

Het Laatste Nieuws

 

Volgens Het Laatste Nieuws hebben de ongeregeldheden een diepe indruk verwekt wegens hun omvang. In België zijn de voorvallen als een verrassing gekomen. “Velen hebben de ogen opengesperd hij het vernemen van de gebeurtenissen in Congo.“ Men heeft slechts druppelsgewijs bijzonderheden vernomen, wat de verspreiding van allerlei geruchten in de hand heeft gewerkt. De krant wenst dan ook de volledige waarheid te kennen.

 

5.2.2    De oorzaken

 

De directe aanleiding tot de rellen in Leopoldstad, namelijk de annulatie van een Abako-meeting in Kalamu, hebben we bij de historiek uit de doeken gedaan. Algauw bleek dat dit uitstel niet de oorzaak was, maar enkel de druppel die de emmer deed overlopen. De eigenlijke oorzaken, namelijk de politieke, economische en sociale ontevredenheid, waren al langer onderhuids aanwezig en de dipenda-gekte[337] stimuleerde de stoutmoedigheid en zelfzekerheid van de zwarten.

 

De Standaard 

 

In een eerste commentariërend artikel, dat de titel “De waarschuwing. Niet langer talmen met de nieuwe politiek” draagt, situeert De Standaard de rellen in het sociale kader, waarbinnen het leven van de inlandse bevolking zich afspeelt. In de hoofdstad wonen 350.000 zwarten opeengehoopt in erbarmelijke omstandigheden. Er heerst een grote werkloosheid: één op vier zwarten werkt niet. Zij zoeken hun profijt in allerlei incidenten en troebelen. Het is immers niet moeilijk om een groepje zwarten opgewonden te krijgen. De plaag van het alcoholisme zit daar voor een groot deel tussen.

“Treedt de politie te hard op, dan is het spel op de wagen.” Dit impliceert dat de tussenkomst van de politie vaak leidt tot zware incidenten. De Standaard beklemtoont (roept uit): “Zij wordt immers grotendeels gerekruteerd uit stammen, die in vijandschap leven met de meerderheid van de zwarten te Leopoldstad!”[338] De krant haalt Pinzi aan die zegt dat de politie ook nu onhandig te werk ging. “Dat de rel is uitgegroeid tot een reeks onlusten die de overbevolkte wijken van de hoofdstad hebben overhoop gehaald, ligt in de logische lijn van de dingen", zo citeert De Standaard. Er heerst immers veel opgekropte ontevredenheid onder de zwarten, niet alleen wegens de werkloosheid, maar ook wegens de grote afstand tussen blank en zwart. De ontvoogdingsbewegingen in Afrika hebben het besef van waarde en kracht bij de Congolezen gestimuleerd. Charismatische Congolese leiders vinden een groot gehoor bij de Congolese massa, die zich niet meer wil laten domineren.

            Dit artikel geeft een beeld van de zwarte marginale onderlaag in Leopoldstad. Het toont eerder begrip dan misprijzen voor die zwarten, die in de grootste armoede leven. Daartegenover wordt er kritiek geuit op de luxe van de 20.000 Europeanen in de hoofdstad. De tegenstelling arme zwarten versus rijke blanken (veralgemening) is een oorzaak voor die rellen.

 

In een later artikel erkent Ruys dat de sociale ellende een zekere rol speelt, maar de echte oorzaken situeert hij op het politieke terrein.[339] Het koloniale systeem beschrijft hij als volgt: “Kongo heeft steeds geleefd, en doet dat nog, onder het stelsel van de koloniale macht”, wat in Afrika dictatuur, politiestaat betekent. “Tot voor kort hechtte men in Kongo in de eerste plaats belang aan orde en tucht. Er bestond geen vrijheid van vereniging, geen vrijheid van pers en uitdrukking.” Ruys zal deze situatie (censuur) later nog aan de kaak stellen.

Ruys meent dat de Abako-leiders de ontevredenheid van de zwarten hebben aangescherpt tot een ware haat voor de blanken. De wanordelijke politiek van Buisseret wordt beschouwd als de oorzaak van de gezagscrisis in Congo, waarvan de ware grootte nu volledig bloot ligt. De zwarte leiders kennen de spanningen en de moeilijke betrekkingen tussen Leopoldstad en Brussel. Ook “het grote bindmiddel” tussen België en Congo, de “figuur” van de koning, is fel verzwakt.  De reden luidt: zijn belofte om spoedig terug te keren heeft de koning niet gehouden.

Kortom, de gezagscrisis, machtsmisbruiken en tal van andere factoren hebben ervoor gezorgd dat de Congolezen het vertrouwen in België kwijt zijn. Zo krijgen de zwarte leiders vrij spel om de massa in beweging te zetten. Onzekerheid en ontevredenheid heersen overal en een dramatische rel volstaat om een diepgaande, revolutionaire ommekeer teweeg te brengen.

 

Vooruit

  

Vooruit onderscheidt twee soorten van oorzaken voor de incidenten in Leopoldstad. Ten eerste zijn er de plaatselijke en onmiddellijke oorzaken: oplevend nationalisme, scherpe sociale tegenstellingen tussen rijke blanken en de ellende van een groot deel van de inlandse bevolking, grote werkloosheid. Eén arbeider op drie heeft geen werk. Vooruit raamt het aantal inlandse werklozen op meer dan 40.000. Ten tweede zijn er de meer diepgaande oorzaken, waarvan de uitwerking veel verder reikt. Vooruit wijst naar de voortrekkersrol van de ontvoogdingsbewegingen in de Aziatische en Noord-Afrikaanse landen.[340]

            Veel socialisten, die over deze gebeurtenissen schreven, menen – volgens O. De Swaef zelfs terecht – dat men de incidenten kan vergelijken met de gebeurtenissen die zich in de loop van de 19e eeuw afspeelden in de Belgische steden en industriële gewesten. De toestand van de arbeidersklassen in West-Europa in de 19e eeuw zou in zekere mate overeenkomen met het proletariaat in Congo in de jaren ‘50.

            August De Block geeft in een artikel kort en bondig uitleg over het vraagstuk van de werkloosheid in Congo. Hij schrijft dat Congo een nog nooit geziene periode van hoogconjunctuur heeft gekend. De bedrijven verdienden veel geld. Onder druk van de Europese administratie verbeterde de toestand van de Congolese arbeiders. Er werd geïnvesteerd en uitgebreid. Duizenden Congolezen werden aangetrokken. Toen kwam de recessie, onverwacht. Dit leidde tot minder investeringen en “het ergste van al” tot het ontslag van tienduizenden Congolezen. Aangezien er geen middelen voorhanden waren om een werkloosheidsuitkering te betalen, werden de Congolezen aangeraden om terug te keren naar hun stam.[341]

De Block vindt het onverantwoord om “vreedzame Kongolezen uit hun dorpen weg te trekken, hen te houden zolang alles goed gaat, maar hen bij de minste teruggang op straat te zetten”. De schuld in de schoenen van de volksmenners schuiven keurt hij eveneens af. “Met een dergelijk oud afgesleten deuntje wordt niets verklaard en nog minder opgelost.”

Uit verschillende artikels blijkt dat Vooruit niet akkoord gaat met het koloniale economische systeem. Het kapitalisme is de grote boeman, wat eigenlijk niet verwonderlijk is in een socialistische krant. Voouit vindt dat de dominantie van de Belgische grote bedrijven (trusts) moet gebroken worden. Ze moeten onder controle staan. De krant beschouwt het Congolees probleem als een economisch en sociaal probleem. “In Leopoldstad kwamen de negers niet in opstand in naam van het een of ander clannationalisme. Zij kwamen in opstand als een geproletariseerde massa, bewust dat ze op een schadelijke wijze uitgebuit wordt.”[342] Dit citaat illustreert deze visie.

 

Het Laatste Nieuws

 

Het Laatste Nieuws wijt de omvang van de “opstootjes” niet aan de politiek, maar aan een vraagstuk van stoffelijke belangen. De onlusten in Leopoldstad hadden een onmiskenbare sociale ondergrond.

            Congo kent de laatste jaren een zekere economische achteruitgang, die vooral voelbaar is in de koperontginning. De helft van de 100.000 arbeiders, die naar de grootstad trokken “op zoek naar een gerieflijker bestaan”, zijn nu werkloos. Ze genieten niet van een werkloosheidsvergoeding. L. Siaens vreest immers dat met een onmiddellijke uitkering nog meer inlanders hun dorpen zouden verlaten. Talloze Congolezen leven “onder middelen van bestaan” en zijn daardoor vatbaar voor opruiing.

            Andere oorzaken zijn de toenemende voorlichtingsmiddelen en nabijheid van Brazzaville aan de overkant van de Congostroom, die de inlanders op de hoogte brengen van de politieke ontvoogding. De beïnvloeding gebeurt dan in de eerste plaats “door de woordenkramerij van sommige zogenaamde ontvoogden, waarvan de eerste vaandeldragers overigens onvindbaar werden zodra de onlusten te Leopoldstad de gekende afmetingen namen”. “Deze “intellectuelen”, die ervan dromen in de nabije toekomst een grote politieke rol te vervullen en zelfs eerste-minister te worden, worden ook gemakkelijker beluisterd dan de inlanders, die over de toestand een gezonder oordeel hebben.”[343]

Uit deze citaten blijkt dat Siaens niet hoog oploopt met de dromers, de pseudo-intellectuelen, die de ontvoogding aantrekkelijk voorstellen om dan zelf zoveel mogelijk voordeel uit te halen. 

 

5.2.3    De oplossingen

 

Nu we de verschillende oorzaken per krant nagingen, kijken we wat ze voorstellen voor de nabije toekomst. 

 

De Standaard

 

De Standaard beschouwt de gebeurtenissen als een waarschuwing voor België, wellicht de ultieme. “VANDAAG komt het erop aan – zo spoedig mogelijk – de gegronde redenen van ontevredenheid, die de zwarten bezitten, uit de weg te ruimen.” Dit impliceert dat België dringend op de proppen moet komen met een nieuwe politiek, die ook de zwarten begunstigt.

De krant vindt het nodig dat de minister van Koloniën “een ondubbelzinnige en constructieve” verklaring aflegt, die voldoet aan de verwachtingen van de Congolezen. Zij verlangen echter de datum van de onafhankelijkheid te weten. De Standaard vindt die verwachting gerechtvaardigd. Wanneer aan die verwachting voldaan wordt, kunnen de blanken nog een hele tijd in Congo blijven en dit zou iedereen ten goede komen. Er wordt verondersteld dat de blanken nog heel wat positieve zaken kunnen bijdragen aan het ontvoogdingsproces.[344]   

Manu Ruys is ook de mening toegedaan dat het recht op de onafhankelijkheid moet toegekend worden. “Elke regeringsverklaring, die minder ver gaat, zal in de kringen van de Kongolese elites niet alleen op misprijzen worden onthaald, maar meteen ook het zaad uitstrooien voor nieuwe, bloediger onlusten.” Dus hervormingen zijn nodig ook wat persvrijheid betreft. De publieke opinie moet bevorderd worden, waardoor de scherpste reacties kunnen opgevangen worden. “Dan zal ook de pest van de anonieme manifesten vermeden worden.” Hieruit blijkt opnieuw dat Ruys vrijheid van meningsuiting als fundamenteel recht beschouwt. Hij hoopt daarmee veel rompslomp en vooral een “Algerijns avontuur” te vermijden.[345] 

            Ruys beseft dat er meer moet gebeuren dan alleen politieke hervormingen. Leopoldstad is een kruitvat en om de lont van dat kruitvat verwijderd te houden, moet even dringend de miserie van de kleine man verholpen worden.

 

Vooruit

 

Vooruit ziet de onlusten eveneens als een ernstige waarschuwing voor België. Het Congolese vraagstuk moet dringend behandeld worden en een nieuwe welomschreven politiek moet een oplossing vinden. Daarbij hoort men rekening te houden met de geestesgesteldheid en de verzuchtingen van de inlandse bevolking. Een einde aan alle “getalm en getreuzel” is onontbeerlijk, als men nieuwe verrassingen wil vermijden.[346]

            De Block vindt dat een oplossing zich opdringt. Hier komt het er bij hem op aan te bewijzen dat men met verstand meer kan bereiken dan met de ruwe macht van het geweld. Hij is duidelijk voor een pragmatische aanpak en tegen het grijpen van de wapens. Op politiek vlak hoeft er voor hem geen bepaald en wel omschreven stelsel aanvaard te worden. Hij verwijst hier naar de twee wereldsystemen – communisme en kapitalistische democratie – die de toenmalige wereld domineerden.

            De Russische methode wijst hij volledig af, omdat de toepassing ervan onmiddellijk de dictatuur zou invoeren, met alle gevolgen nadien. “Het invoeren der dictatuur onder Kongolese leiding en met uitsluiten der blanken, zou de meest treurige en afschuwelijke gevolgen hebben.” Het zou volgens hem een even grote fout zijn om de Westerse opvattingen, in verband met democratie, vrijheid, economie en sociale begrippen, op te dringen. Hij stelt voor alles te laten zoals het is en op deze grondslag verder te bouwen. De evolutie zal wel voor de rest zorgen.[347]

            In een vorig artikel[348] haalde hij uit naar het kapitalisme. Hij streeft naar een systeem waarbij de winsten tijdens de hoogconjunctuur gebruikt worden om de expansie van nijverheid en landbouw te verzekeren gedurende de recessie. Eigenlijk is het vooral de accumulatie van winsten voor de portefeuille van de ondernemer die hem tegen de borst stoot. De gewone arbeider heeft daar geen baat bij, integendeel. 

            Op sociaal vlak moet het welvaartspeil van de Kongolese bevolking verhoogd worden “om het te laten delen in de morele en materiële vooruitgang van de beschaving en op hetzelfde peil te brengen van wat de blanke man wist te veroveren”.

 

Het Laatste Nieuws

 

Het Laatste Nieuws trekt twee lessen uit de gebeurtenissen van Leopoldstad. Ten eerste moet er dringend een welomlijnd plan voor politieke ontvoogding worden opgemaakt na de raadpleging van bevoegde Congolese woordvoerders en niet onder drang van dromers.  De tijd zal dan moeten uitwijzen wanneer, in welke omstandigheden en onder welke maatregelen de Congolezen hun zelfstandigheid zullen bereiken. Zeker is dat de inlanders het recht moeten krijgen om zelf te beslissen over hun doen en laten.

            Vervolgens moet men zich dringend bezig houden met de werkverschaffing.  Hierbij moet België vermijden, dat de politieke en syndicale wedijver wordt overgebracht naar Congo. De bedoeling is dat de zwarten met Belgische medewerking in een ware gemeenschap een sneller en hoger levenspeil zullen bereiken. De instelling van vakbonden komt er bij Siaens niet aan te pas, omdat die toch tweedracht zaaien.

Siaens wijst erop dat het fout loopt wanneer men uitsluitend “rechten” toekent, maar niet voor “brood” zorgt. “Daarvan is het bewijs geleverd in naburige Afrikaanse staten die onafhankelijk zijn geworden maar af te rekenen hebben met een achteruitgang van het levenspeil.”

 

5.2.4  Beeldvorming

 

Tijdens ons onderzoek stootten we op de rijke woordenschat die de kranten gebruikten om de gebeurtenissen en diegene die ze uitlokten weer te geven.[349] De verschillende termen en stijlfiguren plaatsen we om praktische redenen in een tabel. We overlopen hier zowel de informatieve als de commentariërende artikels.

 

Krant

Gebeurtenis

De Standaard

  • brandstichting, betogingen, gewelddaden, incidenten,  plunderbeweging, plunderingen, (bloedige) onlusten, opstootjes, vandalenstreken, …

  • dramatische muiterij van deze uitgehongerde (…)

  • twee dagen vol gruwelijke angst

  • het drama van Leopoldstad

  • bloedig weekeind

Vooruit

  • beroeringen, gevechten, gewelddaden, handtastelijkheden, incidenten, ongeregeldheden, onlusten, oproer, plunderingen, relletjes, troebelen, wanordelijkheden, … 

Het Laatste Nieuws

  • betogingen, drijverijen, gewelddaden, handtastelijkheden, incidenten, onbehaaglijkheid, ongeregeldheden, (bloedige) onlusten, onrust, oproer, opstootjes, relletjes, uitbarsting,  verwikkelingen, (bloedige) voorvallen, wanordelijkheden, …

  • smeulend vuur waarvan de vlammen plots zijn uitgeslagen

 

Krant

Betogers

De Standaard

betogers, duistere elementen, jeugdige leeglopers, ongure elementen, onruststokers, oproerkraaiers, plunderaars, zwarte extremisten, …

Vooruit

betogers, jonge nietsnutten, ongure elementen, onregelmatige elementen, plunderaars, vechtenden,…

Het Laatste Nieuws

betogers, waaronder een aantal plunderaars en andere ongure elementen, …

 

Het is duidelijk dat deze gebeurtenissen met negatieve gevoelstermen beschreven worden. Het woord “bloedige” vergroot de draagwijdte en de negatieve klank achter de rellen. De betogers plunderen, stelen, vernielen, stichten brand, plegen een aanslag op de overheid, verkrachten (blanke vrouwen!), enz. Ze doen in feite niets goeds. Jonge werklozen zijn nietsnutten, leeglopers. Men gebruikt zelfs het woord “elementen” voor mensen. Het lijkt net alsof men over dingen spreekt.

Daartegenover schoot de politie op de massa. Dit feit wordt echter niet met negatieve termen overladen, want ze deed dit uiteraard uit zelfverdediging. De politie en de koloniale autoriteiten worden in een neutraal daglicht gesteld. De Portugezen zijn de grote slachtoffers, want vooral hun winkels vielen ten prooi. Dit beeld wordt voornamelijk gevormd door de informatieve berichten van persagentschappen. De commentaren zijn, zoals we hierboven zagen, wat meer genuanceerd. De journalisten tonen meer begrip voor de reactie van de Congolese massa, omdat ze niet alleen stilstaan bij de directe oorzaken.

 

5.3  Conclusie

 

Enkele weken vóór de rellen vond de Conferentie van Accra plaats. De hoofdopvatting was dat Afrika volledig onafhankelijk zou worden tegen eind 1960. Deze stellingname vond in België weinig weerklank. Er onstond geen paniek; de drie kranten berichtten enkel hetgeen de persagentschappen hen voorschotelden. De bom sloeg pas in, toen Leopoldstad in rep en roer stond na het uitstel van een Abako-meeting. Congo bleek toch geen vredige en rustige oase te zijn. Plots verschenen dagelijks talloze artikels, ook commentaren van allerlei auteurs.

            België dacht wel dat er in Congo over de onafhankelijkheid gesproken werd, maar men trok er zich weinig van aan. De koloniale kennis van de doorsnee-Belg reikte immers niet verder dan de preken van missionarissen, de beursnoteringen van koloniale aandelen en de gesprekken met kolonialen.[350] Daarom kwamen de rellen eerder als een verrassing aan.

            De oorzaken, die de drie kranten aangeven, verschillen van mekaar. De Standaard situeert het probleem op het sociale en politieke vlak. Het “dictatoriale” bestuur van de kolonie bemoeilijkt een vlotte wisselwerking tussen blank en zwart. Daarnaast loopt de samenwerking tussen België en Congo stroef. De zwarte leiders weten dat en maken van de heersende gezagscrisis gebruik om de massa tegen het koloniale systeem op te zetten. Vooruit en Het Laatste Nieuws benadrukken de socio-economische problemen en de invloed van de andere ontvoogdingsbewegingen. De schuld ligt dus niet bij één groep of zaak; ze wordt als interraciaal voorgesteld. Het is dan de samenloop van omstandigheden (dictatuur, sociale wantoestanden, kapitalisme, ontvoogdings-bewegingen) die aanleiding gaven tot de rellen.

            Siaens en Ruys tonen weinig sympathie voor de zwarte leiders, die de ontvoogding willen op gang brengen. Ze zijn uit op eigen profijt en ze verwekken haatgevoelens jegens de blanken bij de Congolese massa. Dit is een typisch voorbeeld van “reversal” of “blaming the victim”. Vooruit deelt die gevoelens niet. De volksmenners treffen immers geen schuld. Ze projecteert de huidige toestand op de situatie van de uitgebuite arbeiders in de 19e eeuw. De socialisten namen toen ook het voortouw als het op sociale veranderingen aankwam.

            Wat de oplossingen betreft, zijn de kranten het ermee eens dat de initiatieven van hogerhand (Brussel) moeten komen. De regeringsverklaring zou een eerste stap zijn. Ze vinden een nieuwe politiek, die de zwarten naar hun onafhankelijkheid zou leiden, een noodzaak, wil men een onafhankelijkheidsoorlog vermijden. De kranten willen kost wat kost een Algerijns drama verhinderen. Eveneens moet de levensstandaard van de zwarten verhoogd worden.

            In het laatste onderdeel stellen we bij de informatieve berichtgeving een impliciete, stereotiepe beeldvorming vast. Dit beeld kunnen we vooral afleiden uit de woordkeuze. Daarnaast worden we geconfronteerd met veel commentaren, waardoor we de verschillende visies van de kranten kunnen traceren. De aard van de gebeurtenis (rellen door een onderdrukt volk) en de diverse berichtgeving (commentaren, gekleurde informatieve artikels) laten bovendien een adequate toepassing van de “discourse analysis” en de linguïstische pragmatische methode toe. 

 

 

6. AANHOUDINGEN: 5 JANUARI TOT HALF MAART 1959

 

6.1  Historiek

 

Eén dag na het uitbreken van de rellen, 5 januari 1959, besloot de koloniale administratie om de vermoedelijke daders van de onlusten te arresteren. Bij Abako werden 28 mensen opgepakt, waaronder J. Kasavubu, D. Kanza, Diomi en Pinzi. De laatste twee hadden zelfs tijdens de eerste uren van de oplaaiende manifestaties pogingen ondernomen om de gemoederen te bedaren. Abako-burgemeesters werden bovendien uit hun ambt ontzet. De nog niet opgepakte Abako-leden vluchtten naar Brazzaville, waar ze een “Comité pour la défense Abako” oprichtten. Door middel van brieven, vlugschriften en telegrammen probeerden ze de publieke opinie wakker te schudden.

            Op 11 januari werd de Abako door Eerste Burgemeester Tordeur ontbonden. Enkele dagen later (16 januari) wees provincie-gouverneur Bomans iedereen uit die werkloos was of illegaal in de hoofdstad verbleef. Het opsporen van die personen nam verschillende weken in beslag. Ondanks een grondige aanpak ontsnapten vele werklozen en illegalen aan de zuiveringsoperaties. De uitwijzingen hadden ook een onverwacht gevolg. Het verbannen van mensen naar hun streek van herkomst leidde ertoe dat de opstandige ideeën het binnenland bereikten. Vele uitgewezen Congolezen waren immers verbitterd en probeerden hun stamgenoten tot opstand aan te zetten.

            Enkele weken na hun arrestatie begon in Leopoldstad het proces tegen de Abakoleiders. Meester J. Croquez, een bekend Frans advocaat, nam de verdediging van Kasavubu op zich. De Brusselse advocaten Wolf, Chomé en de communistische oud-volksvertegenwoordiger Terfve verdedigden Pinzi en Diomi. Meester R. Goffin, secretaris-generaal van het Belgisch Comité voor de rechten van de mens, pleitte voor Kanza. Het proces duurde een aantal weken, en kende een onverwachte afloop. [351]

 

6.2  Analyse

 

De meeste informatie over de aanhouding van de Abako-leiders en Congolezen troffen we voornamelijk aan in grotere artikels naar aanleiding van de rellen op 4 januari. Toch behandelen we dit in een apart hoofdstuk, overwegend om praktische redenen. Zo kunnen de verschillende gebeurtenissen beter van elkaar onderscheiden worden.

            Wat de aanhouding van de Abako-leiders betreft, wordt er per krant een chronologisch verloop van de feiten weergegeven. We opteren voor deze aanpak omdat er regelmatig korte berichten verschenen, waarvan de inhoud meestal gelijk is in de verschillende kranten. Wij willen per krant nagaan op welke dag de feiten  verschijnen en welke informatie ze wel of niet vermeldt. Commentariërende artikels worden eveneens besproken.

            Vervolgens wordt er aandacht besteed aan de berichtgeving over de aanhouding van Congolezen en de zuiveringsacties. We staan voornamelijk stil bij een editoriaal in Het Laatste Nieuws.

            De verdediging van de Abako-leiders wordt niet behandeld. Het verloop van de processen nam immers weken in beslag en werd in de kranten nogal onduidelijk en fragmentarisch weergegeven. De berichtgeving loopt nogal gelijk en is sterk juridisch getint. We krijgen bovendien geen goed zicht op het geheel, doordat de afloop een onverwachte en ongewone wending nam. Een belangrijk punt is wel dat er tijdens de processen gesproken werd over communistische inmenging in Belgisch Congo. Hierbij wordt vooral naar Pinzi gewezen, die tijdens zijn verblijf in België, in contact kwam met communistische kringen. In Brussel ontmoette hij een lid van de Russische ambassade en in Hoei woonde hij een vergadering bij van de “Amitiés Belgo-Soviétiques”. 

 

6.3  De Aanhouding van de Abako-leiders

 

De Standaard

 

Op 6 januari 1959 vermeldt De Standaard dat er maandag, 5 januari, aanhoudingsbevelen uitgevaardigd zijn tegen sommige leiders van de Abako. De volgende dag verschijnt de titel “Abako-leider Kasa Voeboe voortvluchtig”. Tijdens een persconferentie deelt provinciegouverneur Bomans de afzetting van Kasavubu mee, maar die is gevlucht. Als reden wordt opgegeven “dat hij in gebreke bleef bij de uitoefening van zijn ambt, dat voor hem de verplichting insloot zijn medeburgers aan te manen tot kalmte, zoals zijn collega’s hebben gedaan.”[352] Het bevel tot  aanhouding heeft betrekking op Kasavubu’s eventuele verantwoordelijkheid tijdens de onlusten. Het houdt verband met de verklaringen en handelingen die hem ten laste worden gelegd.

Op 9 januari 1959 staat er groot en vet getiteld “Abako-menner Kasavoeboe aangehouden”. In de inleiding wordt vermeld dat Kasavubu is aangehouden in zijn woning wegens opruiende activiteiten. “Er bestaat geen twijfel meer dat Kasavoeboe het woord voerde tijdens de vergadering van de Abako te Kalamoe.”[353]

De volgende dag verschijnt in De Standaard het memorandum van de inlandse burgemeesters van Leopoldstad aan de Belgische overheid. Volgens de krant is dit het bewijs dat Kasavubu met zijn opvattingen niet alleen staat. Ook al hebben de meeste Congolese burgemeesters de incidenten afgekeurd, over de aanleiding tot de onlusten bestaat geen twijfel: het groeiend nationalistisch besef bij de inlanders en de sociale wantoestanden. Zij laten de Belgische overheid kiezen tussen onmiddellijk navolgen of boycot van verdere samenwerking. Ondertussen werd één van hun eisen al ingewilligd. Het uitgaansverbod was nu van kracht na 21 u. in plaats van 18 u.30.

            Op 13 januari schrijft De Standaard dat de Abako ontbonden is en dat de burgemeesters Arthur Pinzi en Gaston Diomi aangehouden worden om de volgende redenen: weigering tot medewerking met de autoriteiten, aanstichting tot nieuwe onlusten en afpersing van handtekeningen van andere burgemeesters. Ze worden  aangehouden voor de noodwendigheden van het onderzoek en in verband met de uitvaardiging van het besluit tot ontbinding van de Abako.

Op 15 januari vernemen we uit “bevoegde bron” dat Kasavubu, Daniel Kanza, Diomi, Pinzi en elf andere leden van het hoofdbestuur van de Abako aangehouden zijn. Ze worden ervan beschuldigd inbreuk te hebben gepleegd op het decreet inzake de rassenhaat. Naar het schijnt hebben ze de bevolking tegen de wettelijke autoriteiten opgeruid.

            De Standaard verwijst in het artikel van 17 januari naar het relaas van “ooggetuige” J. Mobutu in Actualités Africaines over de feiten die aanleiding gaven tot de onlusten. “Die zwarte journalist” ambieerde nog geen presidentsfunctie en was eigenlijk geen echt bekend figuur. Hij verdedigt Kasavubu die de massa heeft aangespoord om de kalmte te bewaren. 

 

Manu Ruys[354] schrijft in een editoriaal dat de administratie verveeld zit met de aangehouden Abako-leiders. Hij stelt de vraagt of men ze kan veroordelen. De zwarte bevolking begrijpt niet goed waarom Kasavubu, Diomi en Pinzi aangehouden werden en maakt van hen martelaren. Hun aanhouding heeft bovendien de sympathie opgewekt van diegenen die tot nu toe sceptisch waren gebleven. Ruys plaatst Kasavubu in dezelfde rij als Mohammed van Marokko, Sékou Touré, Nkroemah, “allen leiders die in de gevangenis van de blanken hebben gezeten”.   

            Als men de leiders zou vrijlaten, zou de administratie haar gezicht verliezen. “Het is een delicate zaak”, schrijft Ruys. Men begint te beseffen dat men wat overdreven heeft en men moet voorzichtig zijn, “wil men niet meer stukken maken in de porseleinwinkel”.

 

Vooruit

 

Op 7, 9, 13 en 15 januari publiceert Vooruit dezelfde feiten over de aanhouding van de Abako-leden en over de afzetting van de burgemeesters Kasavubu, Diomi en Pinzi.  

            Op 10 januari verschijnt de titel “Neger-burgemeesters uiten klachten”. In dit kort artikeltje worden slechts enkele citaten uit het memorandum opgesomd.

 

Het Laatste Nieuws

 

Het Laatste Nieuws meldt eveneens op 7 januari dat er een aanhoudingsbevel tegen Kasavubu is uitgevaardigd en dat hij gevlucht is. De volgende dag verwijst de krant naar de officieuze bevestiging dat Kasavubu zich omstreeks 15 u. bij de politie heeft aangemeld en aangehouden werd. Deze bevestiging wordt ’s anderendaags (9 januari) ingetrokken. Kasavubu heeft zich niet vrijwillig bij de overheden aangemeld, maar is aangehouden in zijn woning. Eveneens wordt aangestipt dat Kasavubu het woord voerde tijdens de vergadering. De krant titelt: “Wordt Abako verboden?” Deze vraag wordt gesteld in Europese en Afrikaanse kringen. Over Abako zelf schrijft de krant: “Het betreft hier een cultuurvereniging, die in één adem genoemd wordt met de aangehouden leiders, van wie men zegt, dat zij sedert een jaar redevoeringen hielden, waarin zij de menigte tegen de Belgische aanwezigheid ophitsen.”[355] Op dezelfde dag, 9 januari, verschijnt de volledige tekst van het memorandum.

            Op 12 en 14 januari bericht Het Laatste Nieuws over de aanhouding van Diomi en Pinzi en over de ontbinding van de Abako.

            Op 17 januari meldt Het Laatste Nieuws een nieuw incident in de gemeente Ngiri-Ngiri, waar de Abako-leiders opgesloten zijn. De Congolezen dachten dat Daniel Kanza overleden was. De overheid logenstraft dit gerucht en onderstreept dat iedereen in goede gezondheid verkeert.

 

6.3.1    Aanhouding Congolezen en zuiveringsoperaties

 

De berichtgeving over de aanhoudingen en zuiveringsoperaties beperkt zich tot de weergave van cijfermateriaal, waardoor de verschillende kranten in grote mate dezelfde informatie neerpennen. De berichtjes zijn kort en staan sterk verspreid. Wij bestuderen enkel een commentaar uit Het Laatste Nieuws over de zuiveringsactie in Leopoldstad.[356]

 

De auteur schat dat op de vooravond van de onlusten 50.000 Congolezen illegaal in  Leopoldstad verbleven. De “grote” stad oefent, net zoals in Europa, een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Deze werkt nog sterker op ”de bevolking van de Kongolese wildernis”, zelfs al moeten ze er armoede lijden. De auteur meent dat armoede zelden het geval is, omdat het stammenbewustzijn blijft doorleven.  Dit betekent dat gezinshoofden in de zwarte wijken van Leopoldstad moeten instaan voor broers, vrienden of kennissen, die van hun dorp naar de grote stad afzakten. Dit stimuleert deze zwarten niet om hun lot te verbeteren, aangezien hun inkomen toch afgeroomd wordt door een stel parasieten.

De auteur vindt de uitwijzing van “de leeglopers” enerzijds een goede zaak omdat er hierdoor een gezonde atmosfeer geschapen wordt. Anderzijds meent hij dat men het kwaad verplaatst heeft naar de brousse.

Hij stelt de vraag: “Wat had men dan moeten doen?” Verbanning op zo grote schaal is niet echt de ideale oplossing. Ondanks het grote werkloosheidscijfer had men kost wat kost moeten proberen dit deel van de bevolking aan werk te helpen. Desnoods had de overheid een werkloosheidsvergoeding moeten uitkeren. Dit zou immers goedkoper uitgevallen zijn dan hen de stad uit te zenden en hen de gelegenheid te geven om hun gal uit te spuwen in het binnenland.

 

6.4  Conclusie

 

We kunnen duidelijk afleiden dat de drie kranten de meeste nieuwsfeiten uit een gemeenschappelijke bron halen. De berichtgeving in De Standaard en Vooruit loopt bijna volledig gelijk, alleen is Vooruit wat kariger met informatie. Het Laatste Nieuws wijkt soms wat af in chronologie en in weergave van de feiten. Zij put haar informatie uit Belga. Voor de andere twee kranten kunnen we de bron niet expliciet weergeven. Vermoedelijk komt hun informatie van persagentschappen, waarschijnlijk ook Belga. Buiten een aantal editorialen in De Standaard en Het Laatste Nieuws kunnen we concluderen dat de kranten door dezelfde bril kijken.

“Discourse analysis” op louter expliciete informatie is moeilijk, vandaar onze chronologische aanpak. Uit de titels kan wel afgeleid worden dat de Abako-leiders, en vooral Kasavubu, de schuld krijgen. De illegalen worden in heel negatief daglicht gesteld. Maar toch keuren de journalisten de maatregelen van de koloniale autoriteiten af, omdat ze de toestand alleen maar erger maken.

 

7. DE REGERINGSVERKLARING: 13 JANUARI 1959

 

7.1 Historiek[357]

 

Premier Eyskens stond voor dat de conclusies en suggesties van de Werkgroep zouden dienen als leidraad voor de doorvoering van politieke en administratieve hervormingen in de kolonie. De mededeling van die suggesties zou gebeuren via de regeringsverklaring, die voorzien was voor 13 januari 1959. Ze stond volledig los van de rellen van 4 januari, maar ze kreeg hierdoor een heel actueel karakter. De Congo-politiek kon niet langer uitgesteld worden en de inhoud van de verklaring kon doorslaggevend zijn voor de verdere verhouding tussen België en Congo. 

            Centraal stond de vraag of de regeringsverklaring al dan niet uitdrukkelijk het recht op onafhankelijkheid zou erkennen. Een aantal prominente figuren uit Leopoldstad stonden erop dat de regering klaar en duidelijk voor de onafhankelijk zou opteren. Ook minister Van Hemelrijck wou de term “onafhankelijkheid” opnemen. Tijdens de onlusten kon hij ongestoord zijn tekst opmaken. Maar wanneer Leopoldstad opnieuw tot rust kwam, wilden een aantal kringen de voorbije gebeurtenissen herleiden tot een socio-economische opflakkering. Onder hun druk richtte de regering een redactiecomité op naast de minister. Twee leden, A. de Vleesschouwer en A. Lilar, kantten zich tegen het gebruik van de term “onafhankelijkheid”. Het pijnlijk antwoord op de vraag viel op de nacht van 11 op 12 januari. Van Hemelrijck kreeg zijn zin. Het gevolg hiervan was dat hij in een geïsoleerde positie geraakte.

            Totaal onverwacht, ook voor de meeste ministers, werd de regeringsverklaring voorafgegaan door een boodschap van de koning. Enkel premier Eyskens en minister Van Hemelrijck waren op de hoogte van de inhoud. De boodschap, die kort en begrijpelijk was, gaf duidelijk de intenties van België weer: “Het uiteindelijk doel van ons streven is (…) de Congolese bevolking te leiden op de weg naar de onafhankelijkheid, zonder uitstel maar ook zonder onbezonnen overhaasting.”[358]

            Enkele uren na de radioboodschap van de koning volgde de regeringsverklaring over de toekomst van Congo. De eindversie was niet meer zo helder als de oorspronkelijke versie. Het reactiecomité was erin geslaagd het woord “onafhankelijkheid” te versluieren waardoor het veel van zijn slagkracht verloor: “België is voornemens in Kongo een democratie te vestigen, die bekwaam is de soevereiniteitsprerogatieven uit te oefenen en over haar onafhankelijkheid te beslissen.”[359] Daarbij was de verklaring lang en te gedetailleerd wat de eerste hervormingen betrof.

De nieuwe Congo-politiek wou, vooraleer de onafhankelijkheid te verlenen: een democratische staatsorde inrichten, een gunstig investeringsklimaat scheppen, en op sociaal vlak de levensstandaard van de arbeiders en de zelfstandigen verhogen. Eén van de eerste hervormingen was het invoeren van een beperkt algemeen stemrecht en de scheiding der machten.

Ondanks alle goede bedoelingen vergaten beide verklaringen de kern van de zaak, namelijk de exacte datum voor de onafhankelijkheid, met als gevolg dat vele Congolezen op hun honger bleven zitten.

 

7.2  Analyse

 

De regeringsverklaring is een initiatief dat uitging van de Belgische regering. Het ligt niet in onze bedoeling om daar uitgebreid op in te gaan. Wij zullen enkel de commentaren bestuderen over de reacties van de Congolezen en de kolonialen.

 

De Standaard

 

Op 15 januari 1959, een dag na de regeringsverklaring, verschijnt er een artikel met als titel: “Eerste indruk gunstig. Kongolezen trachten de regeringsverklaring te begrijpen”.[360] In het artikel staat nu reeds vast dat de Congolese luisteraars erg onder de indruk zijn van het “uitnemend menselijk karakter” van de koninklijke boodschap. Ook voor de regeringsverklaring, gepubliceerd in extra edities van dagbladen, toonden de Congolezen een grote interesse. “Rond de zwarte dagbladventers in de straten en in de dagbladwinkels verdrongen zich de nieuwsgierigen, tot zelfs in de kantoren der agentschappen waar talrijke personaliteiten en alle thans te Leopoldstad verblijvende journalisten bijeengekomen waren, (…).” De politieke waarnemers zijn volgens het artikel tevreden omdat de regeringsverklaring impliciet het recht op onafhankelijkheid van de Congolezen onderstreept.

            België dacht dat ze met haar regeringsverklaring de wind uit de zeilen had gehaald. Maar niets was minder waar. Ondanks de weergekeerde rust in de hoofdstad, bleef de spanning overal voelbaar. Daarbij kon de verklaring niet iedereen tevreden stemmen.

Manu Ruys[361] meent dat de allereerste euforie bij de Congolezen voornamelijk te maken had met de boodschap van de koning. Koning Boudewijn geniet nog altijd van een stevige reputatie. Ruys schrijft dat alleen zijn gezag gespaard bleef onder het Buisseret-regime. “Toen bleek dat Bwana Kitongo de onafhankelijkheid aankondigde, liepen de zwarten aanstonds warm.” De regeringsverklaring zou van die geestdrift geprofiteerd hebben. Toch bleef het mooie liedje niet lang duren. “Vrij spoedig gingen de zwarten de verklaring op een apothekersschaaltje afwegen en sedertdien zijn ze minder geestdriftig.”

De nog niet aangehouden leiders van de Abako verlangen de onmiddellijke onafhankelijkheid. “In de verklaring is daar geen sprake van”, zo schrijft Ruys. Dus hun verzet gaat voort. De gematigde nationalisten zijn ontgoocheld. Ze vinden de verklaring vaag en onbetrouwbaar. Zij vragen een timing en waarborgen, die de toepassing verzekeren. Tenslotte verwijst Ruys naar de gewone Congolezen die de slagzin van Accra: ”tegen 1960 zijn alle Afrikaanse volkeren vrij!”, niet vergeten zijn. Ook bij hen is de ontgoocheling groot. Bij blanken komt de regeringsverklaring wel tegemoet aan de verwachting van de gematigden. Daarnaast is er de massa van de zogenaamde kolonisten die sceptisch staan tegenover alles wat hun positie bedreigt.

Daarom stuurt hij aan op een dialoog tussen blank en zwart. In een commentaar raadt hij de blanken aan de dingen niet naar de spits te drijven.[362] Maar daar hebben de blanken geen oren naar want de afkondiging van de nieuwe koers gaat gepaard met verscherpte politiecontrole, aanhouding van politieke leiders en toenemende perscensuur. Bovendien heeft de regeringsverklaring het vertrouwen niet hersteld. Ruys meent dat het bloedblad nog levendig in het collectief geheugen zit.

 

Vooruit

 

Vooruit publiceert eveneens op 15 januari 1959 het artikel waarin geschreven wordt dat de Congolese luisteraars onder de indruk zijn van het “uitnemend menselijk karakter” van de koninklijke boodschap. Dit zou te wijten zijn aan het feit dat ze onverwacht kwam. Vooruit noteert: "Waarnemers oordelen dat de boodschap van de koning en de regeringsverklaring niet anders dan gunstig kunnen onthaald worden, wanneer de blanke en inlandse kringen er het volle belang en de volle draagwijdte van zullen hebben ingezien." Dit geldt vooral voor de inlanders.[363]

            In de commentaar "De Kongolese werkelijkheid” schrijft de krant dat de regeringsverklaring veel meer voor het moederland bestemd is dan voor Congo. Vooruit veronderstelt dat de negerbevolking ze niet zal begrijpen en dat een groot deel van de blanke bevolking ze vol wantrouwen gaat onderzoeken. Deze laatsten voelen zich immers bedreigd in hun bestaan. De kolons, de winkeliers en de kleine handelaars zijn niet geneigd tot toegevingen. Vooruit wijst erop dat men ook met hun belangen moet rekening houden. “Hier is een dialoog tussen Brussel en Leopoldstad meer dan nodig.”[364]

 

Het Laatste Nieuws

 

De dag na de regeringsverklaring verneemt Belga dat “de aangekondigde hervormingen in hun geheel vrij gunstig gehoor hebben gevonden”. Wel merkt men een zekere ontgoocheling op onder de vroegere leden van Abako. Eén van de redenen is dat ze de onafhankelijkheid gevraagd hadden, maar de eerste fasen zouden nog lopen tot in maart 1960. De intellectuelen en de oudste arbeiders uit Leopoldstad tonen zich daarentegen tevreden. De arbeiders zijn vooral gunstig gestemd door de koninklijke boodschap, die volgens Belga de zaak in het reine heeft getrokken.[365]

            Over het algemeen zijn de eerste reacties bij de Congolezen positief, behalve bij enkele vroegere Abako-leden. In een later artikel van G.S. lijkt het oorspronkelijk enthousiasme sterk afgezwakt. Hij schrijft: “Het nieuw Afrikaans beleid van de regering heeft in Congo ver van algemene instemming opgewekt.” De grote oorzaak ligt in het feit dat niemand de juiste draagwijdte van de maatregelen in de regeringsverklaring heeft gesnapt. Het citaat: “Zonder overdrijving mag worden gezegd, dat feitelijk niemand onder de Kongolezen daaruit wijs geraakt, evenmin als de overgrote meerderheid der blanken” laat dit overduidelijk blijken.

            Volgens de journalist is het gevolg hiervan dat er aan weerskanten heel wat ontgoocheling heerst. De blanken vinden dat ze aan hun lot overgelaten worden en de Congolezen hebben geen vertrouwen meer in plannen. Zij eisen onmiddellijke maatregelen. De journalist is ervan overtuigd dat de regeringsverklaring veel meer ingang zou gevonden hebben, als ze stukken korter en duidelijker was en veel minder beloofde. Dit is volgens hem ook de reden waarom de boodschap van de koning veel beter onthaald werd. Ze was veel begrijpelijker voor de massa.

            Tenslotte stelt hij vast dat de regeringsverklaring de Europeanen de stuipen op het lijf heeft gejaagd. Hij wijst nogmaals op de moeilijkheid van deze verklaring, ook voor de Europeanen: “De meeste begrepen er al niet meer van dan de zwarten en zij hebben er tevergeefs voor hun toekomst waarborgen in gezocht.” De kapitaalvlucht is gestart en een aantal pakken zelfs de koffers. De enige waarborg, die de resterende blanken nog hebben, “is er één van gewicht”, namelijk ze kunnen nog enkel hopen dat ze mogen blijven na de onafhankelijkheid.[366] De mooie toekomst voor de Belgen hangt nu aan een zijden draadje.[367]    

 

7.3  Conclusie

 

Uit de eerste reacties blijkt dat het overgrote deel van de Congolezen tevreden zijn met de regeringsverklaring. Dit komt grotendeels door de boodschap van de koning, die eraan voorafging. De Standaard en Vooruit benadrukken, in een artikel van 15 januari, “het uitnemend menselijk karakter” van de boodschap. Beide kranten halen hun informatie uit dezelfde onbekende bron, want hun artikels bevatten gemeenschappelijke elementen. De bron is hoogstwaarschijnlijk Belga, want er zijn geen overeenkomsten met het artikel, dat op die dag in Het Laatste Nieuws verschijnt.

            Uit latere commentaren blijkt dat het enthousiasme sterk bekoeld is. De regeringsverklaring was toch niet wat men ervan verwacht had. Volgens Ruys zou ze geprofiteerd hebben van de geestdrift bij de koninklijke boodschap. Een kleine opmerking: oud-minister van Koloniën Buisseret krijgt in De Standaard weer eens een veeg uit de pan. De twee volkskranten, Vooruit en Het Laatste Nieuws, vinden de regeringsverklaring moeilijk en wijzen op de problemen die daaruit voortkomen. Het Laatste Nieuws benadrukt de algemene ontgoocheling die heerst.

Bepaalde blanken beginnen te beseffen dat het einde in zicht is en keren terug naar België. Anderen gaan akkoord met de hervormingen. Maar de meerderheid blijft zich hardnekkig verzetten tegen iedere verandering. De kranten sturen aan op meer voorzichtigheid, want ze zijn bang dat de hoogmoed en de hardnekkigheid van vele blanken tot nog meer onaangename verrassingen zullen leiden.

 

 

8. HET OVERBRENGEN VAN DE GEVANGEN ABAKO-LEIDERS NAAR BRUSSEL: 14 MAART 1959

 

8.1  Historiek

 

Minister Van Hemelrijck ondernam zijn tweede reis naar Congo om de Abako-leiders vrij te laten. Tijdens zijn vorige reis had hij vastgesteld dat ze onschuldig waren, maar hij had toen niets gedaan. De minister stond immers voor een dilemma. Ofwel liet hij het proces doorgaan met het risico dat België in de internationale opinie in diskredit geraakte. Er waren immers geen reële beschuldigingen tegen de Abako-leiders. Ofwel kon de minister het proces laten stopzetten. Dan liep hij het gevaar dat zijn nieuwe politiek op nog meer verzet zou stuiten. Van Hemelrijk koos tenslotte voor de tweede weg.[368] Hij hoopte ondermeer dat de Abako-leiders zouden akkoord gaan met de regeringspolitiek. Ze werden uitgenodigd om naar België te komen. Drie van hen, J. Kasavubu, D. Kanza en S. Nzeza namen het aanbod aan en vertrokken op 14 maart 1959 in het geheim met een militair vliegtuig.[369]

            Tijdens de bijeenkomst van de Kamer op 18 maart 1959 zei de minister dat hij de Abako-leiders in voorlopige vrijheid had gesteld omdat hun opsluiting en hun aanwezigheid in Congo voor het verdere verloop van het onderzoek niet meer nodig was. De minister ontkende dat ze hier waren om te onderhandelen over de toekomst van Congo.

 

8.2  Analyse

 

Schalbroeck schrijft dat de vrijlating en overbrenging van de Abako-leiders naar België voor heel wat opschudding zorgde in de Belgische publieke opinie.[370] In dit onderdeel wordt onderzocht wat de kranten denken over dit evenement.

 

De Standaard

 

De Standaard vindt dat minister Van Hemelrijck met goede bedoelingen heeft gehandeld. De redenen, die de minister heeft aangehaald, laten daarover geen twijfel bestaan. Ze schrijft dat de minister aandrong op de vrijlating omdat “geen enkel misdrijf van gemeen recht tegen hen kan bewezen worden”.[371]

De enige reden van hun overbrenging is, volgens de minister, dat “die mannen” hier minder gevaarlijk zijn dan in Leopoldstad, waar de gemoederen nog steeds “opgehitst” zijn. Blijven zij opgesloten, dan maakt men van hen martelaren. Laat men ze los, dan worden ze voor helden aangezien. De Standaard vindt dit een gevaarlijke redenering want ze kan dienen om “de verbanning” te rechtvaardigen. De Fransen namen blijkbaar vaak deze uitvlucht. Toch denkt de krant dat de situatie hier anders is, want de minister heeft benadrukt dat ze vrijwillig naar België gekomen zijn. Ook de brief van de Abako-leden schijnt dit te bevestigen. Dit impliceert dat de krant de inhoud of de bedoeling van de brief niet 100 % kent. 

            De krant vergelijkt deze gebeurtenis met een politieroman. Ondanks haar positief standpunt, stelt ze dat er een haar in de boter is. Een passus uit de verklaring van de Abako-leiders kan daartoe de aanleiding zijn. Deze stelt dat de Abako-leiders instemmen met de regeringsverklaring en bereid zijn om van gedachten te wisselen met de Belgische overheid over de toepassing ervan. De minister logenstraft deze “zinsnede”.

Bovendien is de Congolese politiek een oorzaak van de verdeeldheid tussen de regeringspartijen. De Standaard verwijst naar de latente oppositie die de liberalen tegen de politiek van Van Hemelrijck voeren. Eveneens verwijt ze dat de socialisten het incident willen uitbuiten. Onterecht, vindt De Standaard, want “wat de grond van de zaak betreft, kunnen ze moeilijk de progressieve politiek van de minister afkeuren”.

 

Vooruit

 

Vooruit vindt dat minister Van Hemelrijck zijn verantwoordelijkheid durft opnemen. In de eerste plaats worden een aantal vragen gesteld. Men weet niet goed wat er met Kasavubu en zijn vrienden zal gebeuren. Zijn ze in VOORLOPIGE vrijheid, omdat het verdere onderzoek geen langere opsluiting noodzakelijk maakt, of zijn ze DEFINTIEF in vrijheid gesteld en vervalt bijgevolg het proces? Het is duidelijk dat “voorlopig” en “definitief” de kern van de vraag vormen. Met andere woorden: “Is er geen grond tot vervolging en heeft de magistratuur te Leopoldstad een reusachtige flater begaan?” Het zijn allemaal vragen die een antwoord MOETEN krijgen. Dit expliciteert dat Vooruit op wat meer duidelijkheid staat.[372]

Minister Van Hemelrijck heeft de in vrijheidsstelling van de Abako-leiders bevolen. De vrijlating gebeurde tegen het advies van het gerecht in. Dit was een delicate beslissing, waarvan de gevolgen niet zullen uitblijven. De krant citeert: “Dit bijzonder erge incident zal wel een staartje krijgen.”

Wat het ook zij, het “brutale” en voor de leek “onbegrijpelijke” feit is: “de mannen, die voor het drama van Leopoldstad verantwoordelijk werden geacht en twee maanden lang werden gevangen gezet, zijn nu naar België gekomen om hun medewerking te verlenen aan de toepassingsmodaliteiten van de nieuwe politiek, die in Kongo moet worden doorgevoerd”.

Vooruit wil zeker geen kritiek spuien op de vrijlating van de Abako-leden en hun verblijf in België. Integendeel, het enige wat de krant wenst is opheldering. Ten eerste wil ze weten onder welk “regime” de Abako-leden in België verblijven. Waarschijnlijk wil Vooruit weten wie (welke personen, strekkingen) de goedkeuring gaf. Vervolgens wil ze een antwoord op de bovengestelde vragen. Daarvoor wordt verwezen naar Leopoldstad, “waar verantwoordelijkheden vast te stellen zijn”.

 

Het Laatste Nieuws

 

Het Laatste Nieuws levert geen commentaar op de vrijlating en overbrenging van de Abako-leiders.

 

8.3  Conclusie

 

We concluderen dat de vrijlating en overbrenging van de Abako-leiders naar Brussel voor De Standaard en Vooruit als een duister zaakje overkwam. De Standaard staat  positief tegenover de beslissing van Van Hemelrijck, maar toch vindt ze dat er iets niet klopt. Daarnaast komt ze herhaalde keren terug op de verdeeldheid binnen de Belgische politiek als een gevolg van de Congo-politiek.

            Vooruit gaat akkoord met de vrijlating en overbrenging van de Abako-leiders naar Brussel. Wel hekelt ze de onduidelijkheid die daar rond heerst. Vooruit besluit uit de hele situatie het volgende: de aanvankelijk schuldige Abako-leiders mogen nu plots meehelpen met de toepassing van de nieuwe Congo-politiek. De krant vindt het  wat absurd.

            Het Laatste Nieuws publiceert geen commentaren. Er verschijnen twee artikels van Belga, waaronder het verslag van de Kamer. De andere komen grotendeels overeen met de informatieve artikels in De Standaard en Vooruit.

            Een specifiek beeld over de Abako-leiders kon niet opgemaakt worden. De commentaren richtten zich immers op minister Van Hemelrijck en de Belgische politiek. De leiders komen hier niet zozeer in aanmerking, wat eigenlijk als een relatieve onvolledigheid kan beschouwd worden. De hele affaire draait immers rond hen.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[271] ETAMBALA, Z.A., Congo ‘55-’56. Van koning Boudewijn tot president Mobutu. 1999, pp. 18-24.

[272] Ibid., p. 20.

[273] DURNEZ, G., De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant van 1948 tot de VUM. 1993, p. 125.

[274] Eigenlijk was de bijnaam van koning Boudewijn Mwana Kitoko of De Jonge Knaap. De blanke overheid liet die koosnaam vlug veranderen in Bwana Kitoko of De Mooie Heer. Dit is pure geschiedvervalsing. Tot vandaag wordt die fout zelfs in de meest wetenschappelijke publicaties over Koning Boudewijn overgenomen. ETAMBALA, Z.A., op.cit., p. 27.

[275] NZIEM, I.N., Histoire du Zaïre. De l’héritage ancien à l’âge contemporain. 1997, p. 500.

[276] DE LENTDECKER, L., “Eerste kennismaking met Leopoldstad. Losse indrukken aan de vooravond van het koninklijk bezoek.”, De Standaard, 11.05.1955, pp. 1, 5.

[277] G-G is de gouverneur-generaal

[278] Id., “Tocht in het onbekende… De zwarten en hun vijandige broers, de geëvolueerde.”, De Standaard, 03.06.1955, pp. 1, 5.

[279] Id., “De marathonronde van Belgisch-Kongo. Aspecten van de verhouding blanken-zwarten.”, De Standaard, 20.05.1955, pp. 1, 5.

[280] Id., “Tocht in het onbekende… Het geheimzinnige Kongo komt tot bewustzijn. Eendracht meer dan ooit noodzakelijk.”, De Standaard, 16.05.1955, pp. 1, 2.

[281] DE SMET, F., “Vooruit in Belgisch Congo. Naar het hart van Afrika. XV.- Het oordeel van blanken over inlanders.”, Vooruit, 29.05.1955, p. 2.

[282] SCHALCKENS, L., “Het Congolese vraagstuk. De banden tussen vorstenhuis en de kolonie.”, Het Laatste Nieuws, 17.05.1955, p. 7.

[283] ETAMBALA, Z.A., op.cit., p. 43.

[284] NZIEM, I.N., op.cit., p. 498.

[285] DE LENTDECKER, L., “Wil men een nieuwe opstand te Loeloeaburg?” …, pp. 1, 8.

[286] DE SMET, F., “Vooruit in Belgisch Congo. Naar het hart van Afrika. XXII.- Vaststellingen, bemerkingen en overwegingen.”, Vooruit, 05.06.1955, p. 2.

[287] Id., “Vooruit in Belgisch Congo. Naar het hart van Afrika. XXIII.- De katholieke missies in Belgisch Kongo en Ruanda-Urundi.”, Vooruit, 06.06.1955, p. 2.

[288] Id., “Vooruit in Belgisch Congo. Naar het hart van Afrika. XXXIX.- onderwijsvraagstukken in de kolonie.”, Vooruit, 22.06.1955, p. 2.

[289] DE LENTDECKER, L., “Tocht in het onbekende… Het geheimzinnige Kongo komt tot bewustzijn. Eendracht meer dan ooit noodzakelijk.”, De Standaard, 16.05.1955, pp. 1, 2.

[290] Wet De Taeye ging van kracht op 15 april 1949 en voorzag maatregelen tegen de woningnood die heerste in het naoorlogse België. De wet lag in het verlengde van de tuinwijkgedachte, die de volkswoningbouw in België na de oprichting van de nationale maatschappij voor Goedkope Woningen in 1919 bepaalde. Tuinwijken moesten de arbeiders uit de stad houden en de industrialisatie in de stad bevorderen. De bouwpremie van de wet De Taeye jaagde meer dan één derde van de naoorlogse nieuwbouw in de plattelandswegen en verkavelingen.

http://www.kuleuven.ac.be/StADT/CKvmt1.html; http://www.bibliofoon.nl/VVV/toonVraag.asp?VVVID=1985&VthmID=217  

[291] Id., “Wil men een nieuwe opstand te Loeloeaburg?” …, pp. 1, 8.

[292] Id., “Vooruit in Belgisch Congo. Naar het hart van Afrika. VI.- Leopoldstad, een reuzencentrum.”, Vooruit, 19.05.1955, p. 2.

[293] Id., “Vooruit in Belgisch Congo. Naar het hart van Afrika. VII.- Problemen van een Afrikaans reuzencentrum.”, Vooruit, 20.05.1955, p. 2.

[294] DE KINDER, R., “De reis van de Koning.”, Vooruit, 26.05.1955, pp. 1, 2.

[295] SCHALKENS, L., “Het Congolese vraagstuk. De banden tussen vorstenhuis en de kolonie.”, Het Laatste Nieuws, 17.05.1955, p. 7.

[296] De Standaard was niet de enige die dit dacht. Bepaalde mensen, A. Marzorati, A.A.J. Van Bilsen, G. Caprasse, L. Pétillon, waren er zich van bewust dat een politieke ontvoogding van Congo en Rwanda-Urundi, zij het aan een op peilbare verre en steeds afwijkende horizon, onvermijdelijk was. Vooral Van Bilsen was ervan overtuigd dat de emancipatiebeweging uit Azië binnen afzienbare tijd Noord-Afrika zou bereiken en dat het deel ten Zuiden van de Sahara zou volgen. Alleen had niemand van hen gedacht dat de onafhankelijkheid zo dicht bij de deur stond.

VAN BILSEN, A.A.J., Kongo 1945-1960. Het einde van een kolonie. 1993, pp. 100-101.

[297] De vereniging ontstond in 1951, wanneer eerwaarde Joseph Malula avondcursussen in filosofie, logica, psychologie, economie en sociologie gaf voor évolués, die hun schoolopleiding verder wilden voortzetten. Het gevolg was het ontstaan van een club évolués die samenkwam om na te denken en artikels te publiceren. NZIEM, I.N., op.cit., p. 510.

[298] VAN OSTADE, A., “Le Manifeste de Conscience africaine: les origines et les implications immédiates”, in: Recueil d’études “Congo 1955-1960”. 1992, p. 528; ETAMBALA, Z.A., op.cit., p. 87. 

[299] Gebaseerd op: Ibid., pp. 539-540; DUMONT, G.-H., “Positions et affrontements antérieurs à la table ronde Belgo-Congolaise (1945-1960)”, in: Veertig jaar Belgische politiek, Liber Amicorum aangeboden aan minister van Staat A.E. De Schrijver ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag. 1968, pp. 364-365; Keesings Historisch Archief, juli 1956, pp. 12617-12618.

[300] Volgens Nziem betekent dit niet dat de auteurs het dertigjarenplan van Van Bilsen effectief gelezen hadden. Er zijn geen precieze verwijzingen en ze spreken zich niet uit over de verschillende opinies die Van Bilsen hanteerde. Ze hadden er zeker over gehoord en ze verwoordden enkel wat ze ervan verwachtten. NZIEM, I.N., op.cit., p. 511.

[301] Zie bijlage V: De Congolese politieke partijen (Abako), p. 10.

[302] VERHAEGHEN, B., “Histoire de l’Abako”, in: Recueil d’études “Congo 1955-1960”. 1992, pp. 569-570.

[303] NZIEM, I.N., op.cit., p. 516.

[304] S.N., “Naar de oprichting van een Kongolese partij? Ontwikkelde inlanders nemen stelling in opzienbarend manifest. Geen-Belgisch-Kongolese eenheidsstaat.”, De Standaard, 04.07.1956, p. 2.

[305] ETAMBALA, Z.A., op.cit., pp. 55-56; p. 87.

[306] Le Courrier d’Afrique (Leopoldstad) genoot van de steun van de Belgische groep Het Volk (katholiek). Ibid., p. 56.

[307] S.N., “Kongolezen rekenen op U.S.A. voor hun “bevrijding”. Is de Amerikaanse pers wel te goeder trouw?”, De Standaard, 17.08.1956, p. 2.

[308] VERSTRAETEN, E., “Een verwittiging voor de blanken in Belgisch Kongo.”, De Standaard, 05.08.1956, p. 2.

[309] S.N., “Uit de kolonie. Kommentaar op Conscience Africaine.”, De Standaard, 05.08.1956, p. 2.

La Croix du Congo behoorde tot de missionaire pers. Hierin had de katholieke Kerk een belangrijk aandeel. ETAMBALA, Z.A., op.cit., p. 55.

[310] DUMONT, G.-H., “Positions et affrontements antérieurs à la table ronde Belgo-Congolaise (1945-1960)”, in : op.cit., p. 366.

[311] ETAMBALA, Z.A., op.cit., pp. 69-70; NZIEMA, Z.A., op.cit., pp. 520-522.

[312] S.N., “Nieuws uit Kongo. Elektorale zege van de Bakongo.”, De Standaard, 11.12.1957, p. 9.

[313] S.N., “Nieuws uit Kongo. Verwarring omtrent burgemeesters. De gemeenteraadsverkiezingen.”, De Standaard, 31.12.1957, p. 6.

[314] DUMONT, G.-H., “Positions et affrontements antérieurs à la table ronde Belgo-Congolaise (1945-1960)”, op.cit., p. 372.

[315] S.N., “De balans van de volksraadpleging te Leopoldstad. Deelneming aan de stemming. 85,9 t.h. in de 170 kiesdistricten der 8 Afrikaanse gemeenten van Ngaliema.”, Vooruit, 11.12.1957, p. 5.

[316] S.N., “Na de gemeentelijke verkiezingen in Kongo. Eerste commentaren.”, De Standaard, 28.12.1957, p. 2.

[317] S.N., “Raadsverkiezingen te Elisabethstad. 82,5 t.h. geldige stemmen.”, Vooruit., 24.12.1957, p. 3.

[318] S.N., “De verkiezingen in Kongo. Grote belangstelling bij inlanders.”, Het Laatste Nieuws, 25.12.1957, p. 2.

[319] S.N., “De gemeenteverkiezingen in Congo. Geen rassenonderscheid.”, Het Laatste Nieuws, 27.12.1957, p. 2.

[320] NZIEMA, Z.A., op.cit., pp. 530-531. KANZA, T., Conflict in the Congo. 1972, pp. 49-51.

[321] Zie bijlage V: De Congolese politieke partijen (MNC): p. 13.

[322] S.N., “ ’n Tweede Bandoeng. Heel Afrika te Akkra in conferentie. 1960 streefdatum voor ontvoogding.”, De Standaard, 09.12.1958, pp. 1, 3.

[323] S.N., “Zonder geweld als het kan; met de wapens als het moet... Van Akkra naar de Verenigde Staten van Afrika. De koloniale mogendheden kunnen vertrekken.”, De Standaard, 15.12.1958, p. 1.

[324] S.N., “Tegen alle imperialisme en kolonialisme. Panafrikaans secretariaat te Akkra opgericht. Noyautage van Rusland en de VAR mislukt.”, De Standaard, 16.12.1958, p. 3.

[325] Dit wordt vermeldt in: DURNEZ, G., op.cit., p. 245; S.N., “Kongolese évolué’s dromen van onafhankelijkheid. Vertrouwen bij de blanken vermindert.”, De Standaard, 19.12.1958,  pp. 1, 5.

[326] S.N., “Nationale Kongolese Beweging wil Kongo onafhankelijk in 1960. Belgen kunnen ter plaatse blijven werken.”, De Standaard, 30.12.1958, p. 2.

[327] S.N., “De nieuwe koers in Belgisch Kongo. De inlandse bewegingen bepalen hun positie. De invloed van de conferentie van Akkra.”, Vooruit, 19.01.1959, p. 3

[328] ENGELS, J., “De toestand in Afrika. Betekenis der conferentie van Akkra. Tegen het kolonialisme.”, Het Laatste Nieuws, 16.12.1958, pp. 1, 2.

[329] BELGA, “Na de Conferentie te Akkra. Vergadering van de nationale Congolese beweging.”, Het Laatste Nieuws, 30.12.1958, p. 8.

[330] S.N., “De Interafrikaanse conferentie te Ghana. Streven naar eenheid in de strijd tegen het kolonialisme.”, Vooruit, 12.12.1958, p. 3.

[331] ETAMBALA, Z.A., op.cit., p. 95.

[332] SCHALBROECK, I., Belgisch Kongo. De dekolonisatie van een kolonie. 1986, p. 76; RUYS, M.G., Waarom Lumumba moest sterven. 2000, p. 27.

[333] NZIEMA, Z.A., op.cit., p. 532.

[334] Id., loc.cit.; SCHALBROECK, I., op.cit., p. 77.

[335] Ut supra.

[336] ETAMBALA, Z.A., op.cit., p. 99.

[337] De meeste mensen in de volkswijken hadden de boodschap van de koning en de regering niet goed verstaan. Zij begonnen te praten over “dépendance”, maar eigenlijk bedoelden ze “indépendance”. Het gevolg was het magische woord “dipenda”, dat de Afrikanisatie is van “dépendance”.

ETAMBALA, Z.A., op.cit., pp. 112.

[338] S.N., “De waarschuwing. Niet langer talmen met de nieuwe politiek.”, De Standaard, 07.01.1959,    p. 1.

[339] RUYS, M.G., “Na het bloedig weekeinde van Leo. Kongo eist onafhankelijkheid NU. Zullen regeringen parlement het juiste antwoord geven?”, De Standaard, 12.01.1959, pp. 1, 6; Zie ook: Id., “Verlammend zwijgen. Op zoek naar een publieke opinie in Kongo”, De Standaard, 15.01.1959,       pp. 1, 6

[340] S.N., “Een ernstige waarschuwing”, Vooruit, 08.01.1959, p. 1.

[341] DE BLOCK, A., “Onrust in Kongo”, Vooruit, 10/11.01.1959, pp. 1, 3.

[342] S.N., “Moeten de Belgen Kongo verlaten?”, Vooruit, 28.01.1959, p. 1.

[343] SIAENS, L., “De Toestand in Congo. Het ware vraagstuk.”, Het Laatste Nieuws, 07.01.1959, p. 1.

[344] S.N., “De waarschuwing. Niet langer talmen met de nieuwe politiek.”, loc.cit.

[345] RUYS, M.G., “Verlammend zwijgen. Op zoek naar een publieke opinie in Kongo.”, loc.cit.

[346] S.N., “Een ernstige waarschuwing”, loc.cit.

[347] DE BLOCK, A., “Belgisch Kongo”, Vooruit, 31/01.01/02.1959, pp. 1, 2. 

[348] Id., “Onrust in Kongo”, loc.cit.

[349] Naast de commentaren gebruiken we ook de informatieve berichten van de persagentschappen.

[350] ETAMBALA, Z.A., op.cit., p. 65.

[351] SCHALBROECK, I., op.cit., pp. 82-83; KANZA, T., op.cit., 58-60.

[352] S.N., “Onlusten te Leo duurden gisteren voort. Ruim dertig doden onder de zwarte bevolking. Abako-leider Kasa Voeboe voortvluchtig. (…).”, De Standaard, 07.01.1959, pp. 1, 2.

[353] Id., “(…) Abako-menner Kasavoeboe aangehouden. (…).”,De Standaard, 09.01.1959, p. 6.

[354] RUYS, M.G., ” Intellectuelen zien vooruit. Heeft Kongo een regering nodig? Kritiek op hoge administratie.”, De Standaard, 21.01.1959, pp. 1, 9.

[355] BELGA, “Te Leopoldstad. Geplunderde waren worden terugbezorgd.”, Het Laatste Nieuws, 09.01.1959, p. 5.

[356] G.S., “Hoe zien de Congolezen de toekomst? Wanneer wij onafhankelijk zullen zijn, wordt gij onze beste vrienden…”, Het Laatste Nieuws, 27.01.1959, pp. 1, 3. 

[357] DUMONT, G.-H., “Positions et affrontements antérieurs à la table ronde Belgo-Congolaise (1945-1960)”, op.cit., pp. 376-377; SCHALBROECK, I., op.cit., pp. 83-86 ; GERARD-LIBOIS, J., HEINEN, J., Belgique-Congo 1960 : le 30 juin pourquoi, Lumumba comment, le portefeuille pour qui. 1989,         pp. 24-29

[358] Zie bijlage VII: De koninklijke boodschap: 14 januari 1959, p. 20.

[359] Zie bijlage VIII: De regeringsverklaring: 14 januari 1959, pp. 21-24.

[360] S.N., “Eerste indruk gunstig. Kongolezen trachten de regeringsverklaring te begrijpen.”, De Standaard, 15.01.1959, p. 6.

[361] RUYS, M.G., “Na de verklaring van 13 januari. Schijnbare rust te Leopoldstad. Nationalisten verbergen hun ontgoocheling en wantrouwen niet.”, De Standaard, 20.01.1959, pp. 1, 5. 

[362] RUYS, M.G., “Wat zal Leopoldstad zeggen?”, De Standaard, 14.01.1959, p. 1.  

[363] S.N., "De verklaringen over Kongo. Overgenomen door de Afrikaanse radio in de vier Kongolese talen. Ook extra-editie van de dagbladen.", Vooruit, 15.02.1959, pp. 1, 3.

[364] Id., "De Kongolese werkelijkheid", op.cit., p.1.

[365] BELGA, “Congo neemt kennis van belofte van vervroegde onafhankelijkheid. Bevolking ingelicht over draagwijdte van aangekondigde hervormingen.”, Het Laatste Nieuws, 15.01.1959, pp. 1, 3. 

[366] G.S., “Ontgoochelde blanken en zwarten. Op zeldzame uitzonderingen na vatte niemand de draagwijdte van de regeringsverklaring over Congo”, Het Laatste Nieuws, 09.02.1959, pp. 1, 3. 

[367] Hierbij verwijs ik naar wat Het Laatste Nieuws in 1955 voorspiegelde.

[368] Tijdens een onderhoud met minister Van Hemelrijck, twee dagen voor hij naar Congo vertrok, zei Thomas Kanza dat hij sterke twijfels heeft over de toekomst van Belgisch Congo als de Abako-leiders niet spoedig vrij komen. De minister antwoordde hierop dat hij een verrassing in petto heeft.

KANZA, T., op.cit., p. 61.

[369] SCHALBROECK, I., op.cit., pp. 99-101.

[370] Id., op.cit., p. 100.

[371] S.N., “Het onverwacht bezoek van de Abakoleiders.”, De Standaard, 19.03.1959, pp. 1, 6.  

[372] S.N., “Wat nu met Kasavoeboe?”, Vooruit, 18.03.1959, p. 1.