Congo 1955-1960: De aanloop naar de onafhankelijkheid. Een analyse van de berichtgeving in drie Vlaamse kranten: De Standaard, Vooruit, Het Laatste Nieuws. (Isabelle Ferrand)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

VI. KWALITATIEVE ANALYSE

 

1. DE KONINKLIJKE REIS NAAR CONGO: 15 MEI TOT 22 JUNI 1955

 

 

1.1 Historiek

 

De idee van een koninklijke reis ontstond drie jaar voordien. Op 1 juli 1952 werd het Boudewijnstadion plechtig ingehuldigd. Daarnaast herdacht men zoals gewoonlijk de proclamatie van de stichting van Congo Vrijstaat. Gouverneur-generaal Pétillon had voor die gelegenheid de koning vervangen. Een jaar later drongen een aantal vooraanstaande kolonialen aan op de komst van de vorst. Vanaf het voorjaar van 1954 kreeg het idee van een koninklijke reis eindelijk vorm. De koning begon zich te verdiepen in de koloniale materie en in Congo begon men te gissen naar een datum. Uiteindelijk vertrok de koning op 15 mei 1955, in het heetst van de schoolstrijd. Koning Boudewijn was vergezeld van enkele personen uit zijn hofhouding, twee ministers (Buisseret en Spinoy) en niet minder dan 71 journalisten uit binnen- en buitenland.[271] 

            Vóór de koning de reis aanvatte, was hij op de hoogte van de sociale wantoestanden in de kolonie. Het hof onderhield immers goede contacten met een aantal belangrijke koloniale experten, die “hun” waarheid moesten vertellen. Ook Pétillon wees tijdens de reis op de slechte verhoudingen tussen blanken en zwarten.[272]

            Zowel de sociale als de politieke problemen verdwenen voor vier weken op de achtergrond, want de reis was een ongehoord succes. Er heerste “een overmoedige en feestelijke sfeer waarin Kongo optrad als het exotische en avontuurlijke land uit de oude missie-almanakken, een “wild” natuurland dat de blanke koning als een vereerd opperhoofd onthaalde op tamtamgeroffel en kleurrijke dansen.”[273] De Bwana Kitoko[274] maakte per vliegtuig, boot, trein en auto een enorme rondreis en bezocht de belangrijkste plaatsen van de kolonie, inclusief Rwanda en Burundi. Overal werd hij enthousiast onthaald. Het beeld van geestdriftige blanken en zwarten werd vier weken lang in geuren en kleuren in alle kranten beschreven.

            De koning was na zijn terugkeer wel bewust dat de banden tussen blank en zwart moesten bestendigd worden. Een koninklijk besluit van 18 oktober 1955 richtte het “Fonds du roi” op om de woonomstandigheden van de autochtone bevolking in Congo en Rwanda-Burundi te verbeteren. De financiering gebeurde door het budget van Belgisch Congo. Het programma bleek te groot om operationeel te zijn.[275] Veranderingen kwamen niet en het racisme nam daarentegen toe. Het oorspronkelijk enthousiasme van de Kongolezen sloeg dan ook om in een diepe ontgoocheling.

 

1.2 Analyse

 

1.2.1    Inleiding

 

Bij de historiek vermeldden we al dat de koloniale reis in het middelpunt van de journalistieke belangstelling stond. Het uitbundig onthaal van de koning door blanken en zwarten zullen we niet verder uitdiepen, daar de resultaten voorspelbaar en niet erg relevant zijn voor ons verder onderzoek. Onze bedoeling ligt erin een beeld te vormen over het koloniale leven buiten de triomfantelijke reis. We concentreren ons  rond vier kernonderwerpen, die de sociale, politieke en economische toestand in Kongo min of meer weergeven.

            Het eerste is de sociale verhoudingen tussen kolonialen en het moederland, kolonialen en inlanders, kolonialen onderling en zwarten onderling. Verder worden de schoolstrijd en de toenmalige situatie en toekomstvisie onder de loep genomen. Tenslotte kijken we naar het beeld dat de respectieve journalisten voor ogen hebben over Congo en de Congolezen.

            De journalisten die de reportages verzorgen zijn Louis de Lentdecker voor De Standaard, Ferdinand De Smet voor Vooruit en L. Schalckens voor Het Laatste Nieuws.

 

1.2.2    Sociale verhoudingen

 

Dat de eensgezindheid in de kolonie ver te zoeken was, merkten zelfs de meest behoudsgezinde journalisten. Na de tweede wereldoorlog was de kloof tussen blank en zwart, kolonialen en moederland, enz. sterk toegenomen. Zelfs de triomfantelijke reis kon de sociale verschillen niet verbergen.

 

De Standaard

 

Louis de Lentdecker schenkt in een artikel[276] aandacht aan de grote kloof die bestond tussen de mensen in de kolonie en de koloniale diensten in het moederland. Hij hekelt hier vooral minister van Koloniën Buisseret en zijn ministerie. Volgens hem zijn zij de grote oorzaak hiervan.

            Het citaat, “De kolonialen zijn boos - en terecht - omdat het ministerie te Brussel alles wil leiden en organiseren, omdat de minister en zijn medewerkers hier de baas willen spelen, terwijl die er blijkbaar zeer weinig van kennen en hoegenaamd niet vertrouwd zijn met de plaatselijke toestanden.”, toont zijn sympathie voor de kolonialen. “En terecht” tussen liggende streepjes versterkt zijn opinie. Bovendien kennen de minister en zijn medewerkers er blijkbaar weinig van. Het woord “blijkbaar” impliceert dat politieke figuren in het verleden weinig terreinkennis aan de dag hebben gelegd.

            De sympathie van de journalist reikt tot in de hoogste kringen. Hij illustreert dit aan de hand van een voorbeeld, “een typisch bewijs”, waarbij zelfs de gouverneur-generaal, de hoogste instantie in de kolonie, afhankelijk is van de beslissingen van de minister van Koloniën. “De kolonialen zijn boos omdat het moederland alles wist van de koninklijke reis vóór zij van iets op de hoogte waren, omdat het moederland de hand wil leggen op de organisatie en de uitvoering van plechtigheden en ontvangsten waarvan zij het monopolie willen hebben. Die moeilijkheden vindt men terug tot in de hoogste kringen. Typisch bewijs daarvan is wel het feit dat de G-G[277] van Kongo had aangekondigd dat hij praktisch alleen zou zijn op het vliegveld om Koning Boudewijn te verwelkomen, waarna minister Buisseret onmiddellijk een nieuwe beslissing heeft getroffen, zeggende dat hijzelf te Leo zou aanwezig zijn om de Koning te begroeten.”

Zoals reeds vermeld in hoofdstuk IV, was iedereen in de kolonie afhankelijk van de beslissingen uit het machtscentrum in Brussel. Maar meestal waren de ministers van Koloniën, ook Buisseret, niet vertrouwd met de gang van zaken in Congo. Daardoor liep de samenwerking stroef. Het volgende citaat illustreert dit: “De kolonialen beschuldigen er minister Buisseret van – men noemt hem al de KK (de kleine koning) – steeds beslissingen en besluiten te treffen in het wilde zonder de kolonialen te kennen en daardoor vele dingen in het honderd te jagen.”

 

Louis de Lentdecker is getroffen door de obsessie van vele zwarten dat ze niet blank maar zwart zijn. In hun ogen maakt niet het verstand of de ontwikkeling hen minderwaardig, maar wel hun zwarte huid. Laconiek schrijft de reporter: “Moest een zeepfabrikant het gedaan krijgen publiciteit te maken met de slogan dat zijn zeep de mensen na 25 jaar een blanke huid geeft, zou hij fortuinen verdienen binnen de zes maanden.”[278] De huidskleur lag dus aan de basis voor de superioriteit van de blanke.

            Overal in Congo zijn de verhoudingen tussen blanken en zwarten zeer moeilijk. De sociale differentiatie is vooral groot in de snel expanderende hoofdstad. Dit uit zich onder meer in de ruimtelijke segregatie. Het centrum van de stad, waar hoofdzakelijk blanken vertoeven, is mooi. De inlanderswijken daarentegen zien er minder aantrekkelijk uit: “Men heeft er af te rekenen met wegen die erger zijn dan onze karrensporen in de kleinste dorpen van Vlaanderen.” Deze vergelijking illustreert de slechte toestand van de wegen in armere delen van Leopoldstad.

            In een editoriaal[279] stelt de journalist zich de vraag of de verhouding tussen blanken en zwarten in Leopoldstad onmogelijk is geworden. Zijn antwoord is nee. “Wel is de toestand er gespannen: de zwarten zijn onderling verdeeld; dagelijks worden er tientallen moorden gepleegd, waarvan de waarheid zelden aan het licht komt”. De journalist ziet in dat een eensgezindheid bij de zwarten wel eens een einde zou kunnen maken aan “het rijk van de blanken”. Hij verwijst hier naar de machteloze positie van de 20.000 blanken in Leo tegenover 300.000 zwarten. Het einde van het koloniale rijk is iets voor de verre toekomst en dan nog: “als het ooit zover komt“. Volgens hem ligt de oorzaak bij de enorme sociale, economische en financiële expansie die Leopoldstad de laatste twee jaar gekend heeft. Het blanke ras zag niet hoe het zwarte ras bewust werd van zijn macht. De haat tegenover de blanken is niet volkomen; wel is de eerbied, genegenheid en het ontzag ver te zoeken.

Enerzijds richt hij zijn lof naar “het reuzenwerk van de missionarissen” en “de onschatbare offers van de staat”, maar hij betwijfelt of “al die inspanningen wel loon naar werken brachten?” Er is immers veel geduld nodig aangezien er slechts 100 zwarten volledig geassimileerd zijn. Anderzijds stelt hij dat de blanke niet altijd geschikt is om dit monnikenwerk te voltooien. Dit fragment toont de steun van de journalist aan Kerk en Staat. Toch durft hij te stellen dat de blanke niet altijd even goed handelde. De staat bracht in ieder geval geen financiële offers, aangezien de kolonie zelfbedruipend was. Eveneens probeerden de missionarissen zoveel mogelijk te christianiseren en dan pas te zorgen voor het maatschappelijk welzijn.

 

Over de houding van de blanken tegenover elkaar spreekt de journalist zich eerder negatief uit. De verhouding tussen Walen en Vlamingen worden zwaar aan de kaak gesteld. “Terwijl één der rijkste landen van de wereld voor ons ligt te zieden en te groeien, maken de meeste lui die ons land hier vertegenwoordigen ruzie om niets, kleineren zij mekaar, gaan zij aan kleine politiek doen.”[280]

            De zwarten amuseren zich met de “kleine veten en twistjes” onder de blanken. Vooral de Vlamingen zijn vaak het voorwerp van spot. Inlandse moppen, waarin de Vlaming belachelijk gemaakt wordt, tonen dit aan. De Standaard publiceerde zo een mop. De Lentdecker gaat niet akkoord met het feit dat de blanken hun kleine twisten zomaar aan de dag leggen. Maar toch probeert hij de grieven van de Vlamingen goed te praten door te zeggen dat het ligt aan de houding van de Walen. Hij betwijfelt de onschuld van die moppen, omdat ze de geest typeren die leeft bij een massa mensen.

 

De Congolese autochtone bevolking bestond en bestaat nog altijd uit verschillende rassen en stammen. Dit is logisch wegens de uitgestrektheid van het gebied. Rivaliserende stammen gingen, zeker vóór de kolonisatie, vaak met mekaar in de clinch. De Lentdecker meent dat ze mekaar zodanig haten dat er zonder de aanwezigheid van de blanken elke dag moordpartijen zouden zijn. Op dit vlak praat hij de kolonisatie zeker goed.

 

Vooruit

 

Vooruit besteedt weinig aandacht aan de problematiek van de sociale verhoudingen. In een reportage[281] schetst Ferdinand De Smet een gesprek met oude kolonialen over de eventuele botsing tussen blanken en inlanders en de zucht van de laatste om hun volledige vrijheid op te eisen en de blanken wandelen te zenden. Sommige oude kolonialen zijn ervan overtuigd dat negers daar nooit zullen aan denken want zij bekennen dat zonder de blanken de stammenhaat onmiddellijk zou heropleven, de onderlinge gevechten zouden beginnen en het zou komen tot bloedige vijandschap tussen dorpen en nederzettingen. Alhoewel dit niet het standpunt is van de journalist, kan men toch veronderstellen dat hij de mening van deze groep kolonialen deelt, aangezien hij enkel die groep bespreekt.  

            De journalist heeft ook de kans gehad om évolués te ontmoeten, “ (…) die over een grote kennis beschikten en met wie er iets aan te vangen is.” Dit is een voorbeeld van een schijnbare toegeving. Er zijn ook beschaafde zwarten die zelfs in staat zullen zijn om een benijdenswaardige positie naast de blanken te veroveren. Maar toch zullen de autoriteiten blank blijven.

 

Het Laatste Nieuws

 

Ook Het Laatste Nieuws is kort over de verhoudingen tussen blank en zwart.[282] De krant ontkent het rassenonderscheid: “De verhoudingen tussen blanken en zwarten staan nochtans misschien op een keerpunt en van een rassenonderscheid, zoals dit elders slecht staat aangeschreven, kan er moeilijk gesproken worden.” L. Schalckens illustreert dit aan de hand van een voorbeeld. “Een proefneming om te Leopoldstad de toegang van de zwarte naast de blanke op de terrassen toe te laten gaf geen gunstige gevolgen. Maar toen een groot warenhuis een onafzienbare keus van artikelen, hoofdzakelijk voor de zwarte, tentoonstelde, kreeg deze winkel op dezelfde uren evenveel blanke als zwarte bezoekers.”

            De journalist minimaliseert het racistische klimaat in de kolonie. Geen rassenonderscheid betekent immers gelijkheid. De zwarten kregen op bepaalde vlakken dezelfde kansen als de blanken, maar meestal werden ze gediscrimineerd of als mindere behandeld. Aparte loketten of winkels mochten dan wel verdwenen zijn; meestal werden ze vervangen door grofheid, een slecht humeur en onbeschoftheid van het blanke personeel tegenover de zwarte klanten.[283]

 

Schalckens onderscheidt verschillende groepen, lagen en standen binnen de blanke bevolking. Onder de 100.000 Europeanen zijn meer kinderen en vrouwen dan actieve arbeidskrachten. Ambtenaren en zelfstandigen waarderen mekaar niet steeds, omdat ze elk vanuit een verschillend gezichtspunt toekijken en bedrijvig zijn. Daarnaast zijn er nog de bedienden van kleine en grote ondernemingen en de missionarissen.

            Voor de journalist blijft vooral de afstand tussen het leven in de centra en het leven in het oerwoud groot. Hij projecteert zijn visie op de afstand tussen “de geëvolueerde zwarte en rechtstreekse medewerker van de blanke en de nog zeer achterlijke bevolking in de verwijderde oergebieden.” “De berg van schakeringen”, die de journalist ziet binnen de Congolese bevolking, veronderstelt niets meer dan een evolutietheorie waarbij de primitieve zwarte in de brousse zich kan ontwikkelen tot évolué. Dit laatste is voor de gekoloniseerden de hoogste graad van beschaving. Het beeld over de zwarte is hier uitermate negatief.

 

1.2.3    De schoolstrijd

 

De reis van de koning viel samen met de meest bewogen periode van de schoolstrijd. In dat jaar werden in de kolonie athenea gecreëerd, die qua structuur en programma overeenkwamen met het Belgische model. Ondanks de negatieve propaganda van katholieke zijde, waren de Congolezen en vooral de évolués tevreden met de oprichting van deze neutrale scholen. Kwaliteitsonderwijs kon hen nu de kans geven om dezelfde kennis te verwerven als de Belgische studenten.[284]

 

De Standaard

 

Louis de Lentdecker laat weinig ruimte voor de schoolstrijd. Hij spitst zich toe op de verdeeldheid, die onder de blanken heerste. Tijdens zijn verblijf in Luluaburg constateert hij dat de verdeeldheid scherpe vormen had aangenomen en de pseudo-religieuze invloed van sekten en groepen groter was geworden. Minister Buisseret wordt verantwoordelijk gesteld voor deze toestand. Het prestige van de blanken wordt in de basis aangetast door de heersende twisten en tweedracht. “De zwarten bespieden voortdurende de blanke en maken vergelijkingen tussen wat zij zeggen en voorhouden, tussen wat zij aanbevelen en zelf doen. De zwarten begrijpen die strijd tussen de Kerk en de regering niet; zij zien hoe de officiële instellingen bevoordeeld worden en zij trekken daaruit de zeer logische besluiten.”[285]

            Opnieuw blijkt dat de Lentdecker niet akkoord gaat met de politiek van Buisseret. Bovendien werken de effecten van zijn beleid nefast. De zwarten beginnen sterk te twijfelen aan de zogezegde oppermacht van de blanken. Hij geeft de missionarissen geen ongelijk, wanneer zij beweren dat “de schoolstrijd in Kongo, voor België, en niet op zo een heel lange afstand, het verlies van de kolonie kan betekenen, omdat het buitenland bij en met bepaalde clans munt zal trachten te slaan uit onze verdeeldheid.” Hij impliceert dat de verantwoordelijke kringen zich ernstiger met deze problematiek moeten bezighouden, willen ze de kolonie nog behouden.

 

Vooruit         

 

Vooruit haalt uit naar de missies, die door hun “onwil en fanatisme” de evolutie van het onderwijs blokkeren. Volgens de krant heeft dit sterk te maken met eigenbelang, aangezien de katholieken samen met het grootkapitaal 90% van het koloniaal gebied onder de knie houden.

            Ferdinand De Smet toont begrip voor het feit dat de inlanders, die naar zijn mening al een zekere graad van ontwikkeling hebben, zich afkeren van het missieonderwijs. Het heeft niet enkel te maken met de aard van het onderwijs, maar ook om de gecamoufleerde uitbuiting waaraan de kinderen blootstaan. Dit veronderstelt dat het katholiek onderwijs kwalitatief niet hoogstaand is en de missies een humanitaire schijn willen opwerpen.[286]

            Dan verwijst de journalist naar een volgend artikel[287] over missies, waarin hun weldaden op gebied van onderwijs worden gerelativeerd. Hij meent dat de missies eerst instonden voor het christianiseren van de inlanders en dan pas onderwijs verschaften. Eerst en vooral wilden de missies hun gezag erkennen en handhaven en mogelijkheden verwerven om voordelen en concessies te bekomen. Een aantal citaten ondersteunen zijn visie:

·    “Vergeten wij niet dat de katholieke missies van den beginne af op morele en materiële steun hebben mogen rekenen zowel in de openbare sector als in de privésector…”

·     “Aan drie zijden waren er belangen mede gemoeid die niet te versmaden waren. De missies zagen aldus hun gezag erkennen en handhaven en de mogelijkheden in de hand werken om voordelen en concessies te bekomen.”

Toch scheert De Smet niet alle missies over dezelfde kam: “Het ware het licht der zon loochenen te durven ontkennen dat de eerste missies daaraan vast en zeker hebben een stoot gegeven en er zijn missionarissen geweest, die met eerbied en erkentelijkheid dienen herdacht te worden. Voor hen was het geen avonturierszaak en ook geen machtsvestiging. Er zijn nu nog katholieke geestelijken die aldus hun rol opvatten in de Midden-Afrikaanse jungle. “

 

Beide artikels geven een reflectie over de visie van Vooruit op het werk van de missies in de kolonie. Het laatste artikel[288] in de reeks “Naar het hart van Afrika” behandelt expliciet de onderwijsvraagstukken in Congo en treedt wat harder en kordater op. Een foto, die een Congolese leraar met zijn Congolese leerlingen toont, is voorzien van het onderschrift: “Zij hebben recht op degelijk onderwijs en alzijdige ontwikkeling.” In het artikel wordt ten eerste het onderwijs door de missies zwaar op de korrel genomen. Ten tweede wordt de noodzaak van officiële scholen beklemtoond.

In de inleiding staat de onderwijspolitiek van minster Buisseret goed aangeschreven: “Het is ons niet ontgaan dat de H. Buisseret, huidig minister van Koloniën, zich ernstig met de zaak van het onderwijs inlaat.”

            Het citaat, “dat wij met de blanke en de geëvolueerde inlandse bevolking een alarmkreet slaken is natuurlijk en noodzakelijk”, impliceert dat er serieus iets schort aan het koloniaal onderwijs. De krant neemt geen positief standpunt in tegenover de missies, maar om haar standpunt aanvaardbaar te maken erkent ze positieve realisaties. “Het onderwijs in Belgisch Kongo is zeer lange jaren een soort monopolium geweest van de miserie. Wij zouden slecht gekomen zijn niet te erkennen dat er grote diensten bewezen zijn door deze kerkelijke instellingen ter verstandelijke ontwikkeling van een miniem deel van de inlandse bevolking en tevens van de kinderen van de gevestigde blanken.” De positieve kritiek wordt algauw gemilderd omdat slechts een klein deel van de inlandse bevolking zich naar behoren kan ontwikkelen.

            Het woord “miserie” wordt in de plaats gezet van het woord “missie”. De Kerk verwierf op vlak van onderwijs een monopoliepositie door de jaren heen. Ze was immers voor lange tijd de enige instantie die zich ermee bezighield. “Miserie” slaat verder op het feit “(…) dat het vrij (Protestants) en vooral het katholiek onderwijs in Kongo ver beneden hun taak zijn gebleven.” Zowel in de huidige omstandigheden als vroeger schoot het tekort. De journalist verwijst naar de zeer summiere, zuivere intellectuele bagage die de leerlingen meekregen: “Uit de aard van de oorsprong zelf van het verstrekte onderwijs moet de eenzijdige en dus de onvolledige richting ervan klaar uitschijnen.” De journalist zinspeelt op de hoofdzakelijk godsdienstige vorming, waardoor de wetenschappelijke factoren genegeerd worden.

            Volgens de journalist is het niet te verwonderen dat de overgrote meerderheid van blanken het leken- en officieel onderwijs met klem verdedigden. Ten eerste was er een tekort aan scholen en ten tweede kon men niet alle opleidingen volgen. Het nijpend tekort bleek des te meer toen zelfs “de ontwikkelde en primair onderlegde inlanders” vroegen naar officiële scholen voor hun kinderen. “De realiteit is een onverwerpelijke toetsteen.” Deze metafoor ziet de realiteit als de enige onvervalste test.

            Ferdinand De Smet eindigt zijn artikel met een steunbetuiging aan minister Buisseret. “Minister Buisseret heeft een groot werk te verrichten. Het officieel onderwijs in alle graden en voor alle bewoners  van de kolonie vestigen. (…)” Tenslotte wijst hij erop dat degelijke opleidingen een hoofdvereiste zijn voor de toekomst van Congo.

 

Het Laatste Nieuws

 

Het Laatste Nieuws publiceert geen editorialen over de schoolstrijd.

 

1.2.4    Situatie en toekomstvisie

 

Het Afrikaans nationalisme, dat vele koloniale mogendheden de stuipen op het lijf joeg, kende in 1955 weinig voedingsbodem in Congo. Het land lag er rustig bij, waardoor iedereen dacht dat Congo immuun zou zijn voor een onafhankelijkheidsstrijd. Toch zag de werkelijkheid er niet zo rooskleurig uit. De kiemen van het Afrikaans nationalisme waren ondergronds reeds aanwezig, alleen wist men het toen nog niet.

 

De Standaard

 

Louis de Lentdecker schat de toekomst voor België en zijn kolonie eerder somber in. Zijn visie kreeg vorm tijdens zijn verblijf in Leopoldstad en de Kasaïprovincie, twee kruitvaten in de kolonie.

 

Het spijt de journalist niet dat hij Leopoldstad verlaat, omdat de stad noch Europees noch Congolees is en gauw ontgoochelt en verveelt. De indrukken die hij er op doet, zijn belangrijk voor zijn toekomstvisie.

De grootste hinder in de hoofdstad is het lawaai, dat hem overal achtervolgt. “In geen enkele stad van Europa – zelfs niet te Rome of te Lissabon, waar het er nochtans zeer luidruchtig aan toe gaat – hebben wij het lawaai gehoord dat wij te Leo ondergaan.” Na vijand nummer één komt de warmte, waarvan de journalist schrijft: “wie beseft dat we dit schrijven in een “frisse” plaats waar het “amper” 30 graden is zal beseffen dat wij Brussel als een oase van rust en kalmte aanzien.” Deze oase van rust wordt hier heel letterlijk opgevat.

            Tijdens hun verblijf kregen de journalisten de kans om de inlanderswijken te bezoeken.[289] De Lentdecker beschouwt “de zonderlinge tropische wereld” als een groot en mysterieus geheim. “Het leven hier, de zeden en de gebruiken, de mengeling van Afrikaanse en Europese gewoonten, van primitieve, allermodernste machines en gebruiksvoorwerpen, is zo verschillend, zo overdonderend, stelt zoveel problemen dat alle journalisten hier de wanhoop nabij zijn omdat ze aanvoelen hoe geheimzinnig, hoe groot en ook hoe onbekend dat alles hier is.” De inlandse wijk  bestaat, naar de beschrijving van de journalist, uit een zeer oud gedeelte, waarin de levensomstandigheden erbarmelijk zijn en in strijd met alle hygiëne, en een modern gedeelte, waar honderden nieuwe en nette woningen verrijzen, gebouwd volgens een systeem dat veel weg heeft van de wet De Taeye.[290]

Wanneer de Lentdecker polshoogte neemt bij oude kolonialen, vertellen die hem dat de evolutie onder de zwarten enorm snel is vooruitgegaan in de jongste twee jaren en dat België weldra voor grote moeilijkheden zal kunnen staan. De journalist beaamt dit en schrijft: “Hier wordt inderdaad een nieuwe wereld geboren die reusachtige mogelijkheden in zich houdt, die zich ook tegen ons zou kunnen keren.” Hij ziet in dat het kolonialisme geen eeuwig leven beschoren is. Het woord “ontvoogding” of andere termen in die richting komen niet aan bod. In België is men zeker nog niet rijp voor een dergelijk gedachtegoed.

Bij de journalist overheerst het mysterieuze, waarvan hij de betekenis nog niet heeft kunnen doorgronden. Die onwetendheid vreest hij. Eveneens vreest hij dat de Belgen wel eens in een impasse zouden kunnen geraken. Hij ontkent dat Congo het rustigste land in Afrika is, zoals men van heinde en ver beweert. Dat Congo geen oase van rust is (vb. de opstanden in Kasaï), krijgt nu een heel andere betekenis. Er zijn moeilijkheden en er is iets aan het broeden. De Lentdecker meent dat het verkeerd en noodlottig zou zijn de ernst van bepaalde gebeurtenissen niet te willen zien.[291]

 

Vooruit

 

In één van zijn artikels werpt Ferdinand De Smet een blik op het leven in Leopoldstad. Het valt hem meteen op dat het leven er duur is. De oorzaak ligt bij de invoer van de bevoorrading, die voor een groot deel per vliegtuig moet gebeuren.

De journalist keurt de discriminatie op vlak van loon af. Hij schrijft: “wanneer wij zien dat een blanke bankbediende vb. als rekenplichtige 10.000 BEF per maand verdient (zuiver loon) en dat een even goede en zelfs betere inlandse rekenplichtige daartegenover staat, om het met een salaris van 5.000 BEF alles inbegrepen, te moeten stellen, dan wordt deze abnormaliteit onhoudbaar.” De évolués kunnen voor De Smet gerust doorgaan als intellectuelen en dit tegenover de “vele aldus bestempelde blanken”.[292]

Ook de woongelegenheid[293] in Leopoldstad liet te wensen over. Woningnood was een enorm probleem en daardoor lag de kostprijs van huizen en appartementen heel hoog. Alleen blanken verbleven in de middenstad en in de moderne wijken. De kleurlingen waren er overdag aanwezig om te werken in de magazijnen, banken, burelen, bouwwerven, enz. ’s Avonds trokken ze zich terug in de inlandse wijken. De journalist schrijft hierover: “Wanneer men de inlandse wijken doorwandelt, die buiten de stadsperiferie liggen en overbevolkt zijn, dan wordt men onweerstaanbaar aangegrepen door het gruwelijk ellendige van deze hut-woningen. Door de inlanders zelf opgetrokken op een zeer klein stukje grond, vertonen zij een onooglijk agglomeraat van lemen wanden, vermolmd en met open plekken: van stukken blik, gedroogde palmbladeren, geonduleerde zink, overschotten vodden en planken en staken, erger dan verlaten veestalletjes op een vergane hoeve! Men kan onmogelijk het ellendige, het verweerde, het verrotte, het onmenselijke van dergelijke “woonvertrekken” beschrijven.”

De Smet vraagt zich af hoe het mogelijk is dat mensen daarin verblijven, kinderen ter wereld brengen en opvoeden. Duizenden mensen woonden in die miseriedoolhoven, zonder verharde wegen en straatverlichting. Naakte kinderen liepen rond in stof, slijk en vuil terwijl hun moeders maniokwortels tot meel stampten. “Wat wil je dat er voortspruit uit dergelijk samenhokken van mannen en vrouwen, meisjes en jongens en kinderen!” De uitroep toont bekommernis over het maatschappelijk welzijn van die mensen. De journalist bekent dat die erbarmelijke toestand onmiddellijk moet verbeterd worden, alleen wordt dit belemmerd door de grote toevloed van de plattelandsbevolking.

 Als een eventuele oplossing worden de Afrikaanse woonwijken naar voor geschoven. Deze zouden een geleidelijke evacuatie van de oude wijken moeten mogelijk maken. De inlanders kunnen door betaling van maandelijkse huur eigenaar worden van een nieuwe woning.

 

In een artikel[294] over de reis van de koning beschouwt R. De Kinder Congo als “een oasis van rust en evenwicht in  een koloniale wereld in gisting en beroering”. Hij citeert: “Ten overstaan van de wereld is het moment bijzonder geschikt om de vertegenwoordigers van de internationale pers te tonen hoe enthousiast de Kongolese bevolking staat tegenover het Belgisch koloniaal bestuur.” Het enthousiasme is volgens De Kinder het beste antwoord op de verwijten in de rapporten van internationale organisaties. Hij meent dat voorbereiding op zelfbestuur en politieke mondigheid geen noodzaak zijn. Hij ziet er ook het nut niet van in, aangezien Congo rustig en tevreden blijven ondanks de woelingen op het Afrikaanse en Aziatische continent.

 

Het Laatste Nieuws   

 

Het Laatste Nieuws ziet een positieve toekomst weggelegd voor de Belgen in de kolonie. De Congolese hoofdstad wordt voorgesteld als een multiculturele stad, waarin naast Belgen en zwarten ook andere Europeanen verblijven. De krant betreurt dat, ondanks het overwicht aan Belgen onder de blanken, de handel en nijverheid in grote mate in handen bleven van niet-Belgische kolonisten.

            Schalckens is getroffen door de omvang van de werken die de blanken in de kolonie verwezenlijkten. Hij schrijft: “Wij mogen fier zijn op de reeds bereikte uitslag.”[295] Toch relativeert hij zijn eerste indrukken. Het land is 80 maal groter dan België en bestaat uit verschillende natuurstreken met een ander klimaat. De blanken vormen een kleine minderheid en kunnen slechts enkele regio’s en steden van dit uitgestrekte land exploiteren.

 

1.2.5    Beeldvorming

 

Dit onderdeel schetst kort het beeld, dat de verschillende kranten vormen, over Congo en zijn inwoners.

 

De Standaard

 

Congo wordt voorgesteld als een tropisch en geheimzinnig land. De pracht en de oneindigheid overrompelen de Lentdecker. Congo is het land van de meest verschillende contrasten. Naast de vele rassensoorten en stammen biedt ook de natuur de grootste tegenstellingen. De journalist is onder de indruk van de ongerepte natuur en de uitgestrektheid van het zwarte land. Het onbekende maakt hem heel klein. Deze gevoelens koestert hij niet voor Leopoldstad, die rommelig en lawaaierig overkomt. Hij vergelijkt de hoofdstad met “een grote machine die onophoudend werkt en die meer lawaai maakt dan de miljoenen insecten die ‘s nachts hun eigenaardig concert beginnen.”

            De zwarte bevolking is even geheimzinnig en schoon als het land zelf. Uit termen als geheimzinnig en eigenaardig, kan men afleiden dat de journalist er niet in slaagt de Congolese cultuur te doorgronden. Hij neemt geen negatief standpunt in tegenover de zwarte. Bovendien vindt hij ze sympathiek, maar hij stelt hen gelijk met pubers van 15 à 16 jaar oud, “die wel beseffen dat ze niet zonder hun ouders - de blanken - voort kunnen, maar soms flink het land hebben aan de reglementering van hun ouders.” De journalist ziet weinig verschil tussen de geëvolueerde en de andere zwarte die niet de blanke cultuur geassimileerd hebben. Allen worden beschouwd als de kinderen uit de brousse die nood hebben aan beschaafde leermeesters. Dit impliceert dat blanken een belangrijke opvoedingsrol te vervullen hebben.

“De grote zwarte familie is als een jeugd die in ‘de moeilijke jaren is’ en die daarom met veel tact moet behandeld worden.” De grote zwarte familie simplificeert de diversiteit die heerst binnen het Congolese volk. Daarbij wordt verondersteld dat iedere Congolees, jong en oud, zich gedraagt als een puber, die de moeilijke tienerperiode doorworstelt. De blanken krijgen de opdracht om hen te begeleiden, maar de journalist twijfelt of ze dat kunnen.

Niettemin illustreert zijn visie de Westerse superioriteit en het Westers etnocentrisme, waarbij de blanken zichzelf als beschaafd beschouwen en waarbij de zwarten achterop hinken.  

 

Vooruit

 

Belgisch Kongo, gelegen in het hart van Afrika, wordt beschouwd als een “nieuw” land, waarvan men de immense rijkdommen niet bij benadering kan schatten. De vele voordelen van het land zijn een gevolg van zijn ingesloten ligging. De Smet benadrukt het belang van de veelheid van mogelijkheden, die de kolonie daardoor kan bieden, zowel op economisch als op sociaal vlak. Leopoldstad, wereldstad in volle gisting, is het bestuurlijk, economisch en cultureel centrum van Congo. Ze is de hersenpan van de kolonie.

            Over de inlanders wil De Smet bescheiden zijn, omdat een oppervlakkig contact niet kan leiden tot definitieve uitspraken. Men moet over tijd beschikken, wil men de inlander leren kennen. Hij gaat wel akkoord met de oude kolonialen die menen dat men de inlanders nooit specifiek, naar hart, geest en gevoelens zal kennen.

            De Smet concludeert dat de inlanders niet een eeuw achterstaan, maar gewoonweg een oerprimitief volk zijn, bij wie het contact met de blanken slechts een vals vernisje heeft bijgebracht. Hij vindt het eigenaardig dat deze “zuiver primitieve oermensen” zich zo sterk aan familiebanden hechten. In het inboorlingenleven zijn ze immers overwegend. De journalist schrijft de achterlijkheid van de inlandse bevolking over het algemeen toe aan de materiële en geestelijke achterstand van eeuwen en ook aan een zekere degeneratie door het onderling kruisen onder stammen en families of door het gevolg van tropische ziektes. 

Ook De Smet schrijft dat de inlanders van nature kinderen zijn, van wie hun naïviteit soms opmerkelijk groot is. De evolué krijgt echter een ander etiket opgeplakt. Ze zijn mensen die door studie veel kennis hebben verworven en gerust als intellectuelen kunnen doorgaan. De journalist vindt het logisch dat deze mensen de discriminatie niet kunnen blijven ondergaan.

 

Het Laatste Nieuws

 

Congo als een economische krachtbron is ook het beeld van Het Laatste Nieuws. De uitbreiding van de hoofdstad gebeurde in een razendsnel tempo. Veel vlugger dan in Brazzaville, waar de Fransen volgens Schalckens evenzeer grote inspanningen leveren op gebied van beschaving en welvaart. Het algemeen beschavingspeil is nagenoeg hetzelfde. De inlanders in beide steden behoren tot de meest verschillende stammen. “Dit samenraapsel, als een gevolg van de aantrekkingskracht der centra, verblijft na het vallen van de avond in de buitengewoonterechtelijke centra, waar er veel gedanst wordt op orkest- en jazzmuziek, veel gedronken en veel kabaal gemaakt wordt.” Samenraapsel is een eerder pejoratief synoniem voor mengelmoes. Er wordt verondersteld dat de autochtonen ’s avonds niets anders doen dan dansen, drinken en kabaal maken. 

 

1.3  Conclusie

 

Algemeen besluiten we dat De Standaard en Vooruit niet alleen aandacht besteden aan de politieke, economische en sociale situatie in Congo, maar ook aan de euforie rond de reis van koning Boudewijn. Het Laatste Nieuws daarentegen wijdt zijn pagina’s bijna volledig aan de koninklijke reis.

 

Voor het eerste onderwerp vinden we de meeste informatie bij De Standaard terug. De vier deelaspecten, die we bij de sociale verhoudingen in de kolonie onderscheidden, worden er allemaal in becommentarieerd. Vooruit en Het Laatste Nieuws besteden meer aandacht aan de verhouding tussen blanken en zwarten. Het Laatste Nieuws wijdt ook kort uit over de relaties tussen Congolezen en kolonialen onderling. In ieder geval baart de verhouding tussen blanken en zwarten de grootste zorgen. De Standaard en Vooruit uiten felle kritiek. Vooruit gaat hier eerder in op de sociale wantoestanden terwijl De Standaard de toekomst van het Belgische koloniale rijk vreest. Het Laatste Nieuws daarentegen loochent het rassenonderscheid in de kolonie. Wat de onderlinge meningsverschillen betreft, neemt De Standaard de twisten tussen de kolonialen zwaar op de korrel. De krant stuurt aan op eenheid, want eendracht is macht. Het Laatste Nieuws stelt dat verdeeldheid onder de kolonialen te wijten is aan het beroep dat iemand uitoefent. Wat onenigheid onder zwarten betreft, zijn De Standaard en Vooruit ervan overtuigd dat de stammenhaat opnieuw zal oplaaien, eens de blanken er niet meer zullen zijn. Dit is een goed excuus om het koloniaal regime te handhaven. 

De schoolstrijd komt uitvoerig aan bod bij Vooruit. De socialistische krant staat volledig achter de onderwijspolitiek van minister Buisseret. Daarbij wil ze liefst een einde zien aan het onderwijsmonopolie van de Kerk. De missies krijgen harde kritiek. De Standaard uit haar ongenoegen over de politiek van minister Buisseret, die de eenheid binnen de kolonie komt verstoren en verdedigt de missies. In deze problematiek komt de strekking De Standaard – katholiek en Vooruit – socialistisch heel goed naar voor. Het Laatste Nieuws laat zich niet in met deze problematiek. Opvallend is dat de liberale krant geen politieke zaken of figuren bespreekt.

De situatie en toekomst worden vanuit een verschillend perspectief beschreven. Enkel De Standaard neemt een negatief standpunt in over de toekomst van Congo. Voorzichtig drukt ze op het feit dat het kolonialisme geen eeuwig leven beschoren is. Maar de krant stuurt zeker niet aan op onafhankelijkheid. Integendeel, ze verdedigt het kolonialisme. De schoolstrijd en de sceptische houding van de clerus in Congo kan de reden zijn voor deze negatieve toekomstvisie. Daarnaast richt de krant zich tot de intellectuele middens, die vaak kritisch staan tegenover het koloniale beleid.[296] Ook volgens Vooruit loopt niet alles gesmeerd in de kolonie, maar de wantoestanden geven geen aanleiding tot het einde van het Belgisch kolonialisme. Door verbeteringen en veranderingen kunnen de Belgen nog lang in Congo blijven. Haar pleidooien doen ons vaak terugdenken aan het einde van de 19e eeuw, toen de socialisten opkwamen voor betere leefomstandigheden van de arbeiders. Alleen zijn het nu Congolezen en is de tijdsgeest veranderd. We kunnen moeilijk het perspectief van Het Laatste Nieuws weergeven, aangezien we over weinig informatie beschikken.

We merken een aantal gelijkenissen in het beeld dat de respectieve kranten vormen over Congo en de Congolezen. Vooruit en Het Laatste Nieuws beklemtonen de economische mogelijkheden van Congo. De Standaard daarentegen creëert een idyllisch en mysterieus beeld over Congo. Zowel De Standaard als Vooruit vergelijken de Congolezen met pubers, die begeleiding nodig hebben. Dit beeld kadert in de theorie van de positieve zelfvoorstelling (kolonisator = leermeester) en de negatieve voorstelling van anderen (Congolees = onvolwassen). Het verschil is dat Vooruit een onderscheid maakt tussen de inlanders (primitief) en de évolués (intelligent en beschaafd). De Standaard ziet geen verschil tussen beiden.

 

Ondanks de kritieken en de verschillende visies, verdedigen de kranten de paternalistische politiek van de kolonisator. Het is dankzij de aanwezigheid van de Belgen dat Congo zo welvarend en ontwikkeld is. Deze visie overheerst dit stukje analyse dat gebaseerd is op vele reportages en commentaren, die racisme, beeldvorming, situatie, toekomstvisie en koloniale politiek onder de loep nemen. Deze perfecte combinatie laat ons toe om de theorie van de linguïstische pragmatiek en de “discourse analysis” behoorlijk toe te passen.

 

2. “MANIFESTEDE CONSCIENCE AFRICAINE: 30 JUNI 1956; “CONTRE-MANIFESTEVAN ABAKO: 23 AUGUSTUS 1956

 

2.1  Historiek

 

Op zaterdag 30 juni 1956 verscheen er in Leopoldstad een speciaal nummer van het tijdschrift Conscience Africaine onder de titel “Manifeste”. Voor de eerste keer in de geschiedenis van Belgisch Congo, publiceerde een groep Congolezen haar politieke eisen.

            De redactieploeg van Conscience Africaine[297] telde 5 leden. Hoofdredacteur, Joseph Ileo, was na zijn studies van boekhouder sinds 1951 secretaris van de Dienst van Afrikaanse Steden in Leopoldstad. Penningmeester, Dominique Zangabie, en Albert Nkuli waren beiden geëngageerd in de Confederatie van Christelijke Syndicaten van Congo en Ruanda-Urundi. In de redactie zaten twee dames, Micheline Kaniki en Catherine Djoli. Zij schreven veel minder artikels. Alle leden waren heel christelijk opgevoed.[298]

            Wat hield “Manifeste” in?[299] De redacteurs hadden hun betoog ingedeeld in 13 paragrafen, elk voorzien van een afzonderlijke titel. Het fundamentele principe was de raciale gelijkheid: “De huidskleur verleent geen enkel voorrecht”. De identiteit moest bewaard worden: “Wij willen beschaafde Congolezen zijn, maar geen Europeanen met een zwarte huid”. Dit was een eerste heel belangrijke stellingname in de afwijzing om slaafs de Westerse beschaving te volgen. Natuurlijk mocht dit niet leiden tot apartheid: “gelijk, maar gescheiden”.

            De Belgisch-Congolese gemeenschap mocht niet beschouwd worden als “een middel om de dominantie of de overwegende invloed van de Europeanen voor eeuwig te laten voortduren”, maar wel als “een middel om onze volledige emancipatie te realiseren”. In dat opzicht deelden ze het ideaal van gouverneur-generaal Pétillon: “een menselijke broederschap die steunt op de eigenlijke gelijkheid van de mensen zonder rassenonderscheid”. De auteurs benadrukten dat de emancipatie in haar breedste zin moest opgevat worden. Op politiek vlak pleitte ze voor een grotere vertegenwoordiging en een werkelijke beslissingsmacht. Op het socio-economische domein vroegen ze een verhoging van de minimumlonen, afschaffing van de verplichte culturen, verbetering van de mogelijkheden voor opleiding en specialisatie, …

            Na de formulering van enkele eisen, preciseerde de groep van Conscience Africaine haar houding tegenover België: geen integratie in een unitaire Belgische staat. De groep had ook een heel duidelijke visie over de invoering van politieke partijen in Congo: “Deze partijen zijn een kwaad en zijn nutteloos. De Belgische politieke verdelingen zijn een gevolg van historische omstandigheden die eigen zijn aan België.” Aan de andere kant wees het manifest dat in de huidige toestand een nationale unie vereist was: “Later, wanneer de politieke structuren ons dwingen, kunnen we ons verenigen volgens onze verwantschap, belangen en politieke opvattingen. Hoogstwaarschijnlijk zullen de specifieke Congolese partijen geen kopie zijn van de Belgische partijen.” Nog een voorbeeld dat aantoonde dat Congolezen niet in de pas wilden lopen van de Belgen.  

              Het manifest richtte zich zowel tot de Europeanen als tot de Congolezen. Voor een oprechte samenwerking tussen beide was het nog niet te laat; wel drong de tijd. De Belgen moesten de emancipatie niet als een teken van haat beschouwen, integendeel. “Als België erin slaagt de volledige emancipatie van Congo te verwezenlijken, met begrip en in vrede, dan zal dit het eerste voorbeeld zijn van een geslaagde koloniale onderneming.” Het manifest eiste wel onmiddellijk een dertigjarenplan[300] voor de ontvoogding van Congo. “Het plan zou de oprechte wil van België moeten uiten om Congo volledig politiek te ontvoogden in een termijn van dertig jaar.” Eveneens stelde het manifest de vereniging van Congolezen en blanken voor in een nationale populaire beweging.

            Op het eerste gezicht lijkt “Manifeste” een gematigd document, ondanks zijn nationalistische stempel. Het manifest eindigt met de woorden “Leve Congo! Leve België! Leve de Koning!” Op de derde pagina staat er een foto van koning Boudewijn. Maar een aandachtige lezer oordeelt er anders over. Het akkoord gaan met het dertigjarenplan was niet zonder voorwaarden: “een ondubbelzinnige verklaring is het enige middel om het vertrouwen van de Congolezen te bewaren ten opzichte van België.” Eveneens kregen de Europeanen strenge richtlijnen. Diegenen die niet akkoord waren, “dat ze vlug hun koffers pakken…”. Hierbij lieten de auteurs zich inspireren op de heftige kritiek van Pétillon op de arrogante houding van enkele Europeanen tijdens de openingszitting van de gouvernementsraad van 1955.  

           

Op 23 augustus publiceerde Abako[301], onder leiding van J. Kasavubu, een tegenmanifest. “Manifeste” van Conscience Africaine kwam van de Bangala en Baluba, mensen uit Boven-Congo. Deze “vreemdelingen”, die de Bakongo (mensen uit Beneden-Congo) op eigen terrein hadden verdrongen met de medeplichtigheid van de koloniale autoriteit, maaiden nu het gras voor hun voeten weg. Daarom konden ze niet achterblijven.

            Het tegenmanifest sprak op een radicalere toon en kwam niet uit katholieke middens. De voornaamste eis was de politisering van Congo via een veelheid aan politieke partijen. Dit impliceerde een vervanging van de paternalistische aanpak van de kolonisator door onderhandelingen. Dit centrale thema werd verder uitgewerkt via drie opties: ontvoogding “zelfs voor vandaag” (30 jaar was veel te lang); een Congolese federatie op etnische basis en algemeen stemrecht; afwijzing van de Belgisch-Congolese gemeenschap. De stellingen waren veel duidelijker en minder compromisgericht dan in het vorige manifest.[302]

            Hoewel hun toon verschilde, waren de algemene eisen en doelstellingen van beide manifesten dezelfde. Ze wilden het einde van het kolonialisme. Ook wilden ze een politieke ontvoogding vertaald zien in een erkenning van politieke rechten en fundamentele vrijheden. Daarnaast stonden ze voor een Afrikanisering van de kaders, omvorming van de bestaande instellingen, herziening van de lonen, einde van de raciale discriminatie, enz. Beiden verwierpen de verbintenis van Congo aan België.[303]

 

2.2  Analyse

 

Tijdens ons onderzoek vonden we enkel artikels over “Manifeste” van Conscience Africaine bij De Standaard. Bij de literatuur daarentegen kregen we hopen informatie te verwerken. Deze gebeurtenis was hoe dan ook een belangrijk scharnierpunt in de Congolese dekolonisatiegeschiedenis. Voor het eerst werden België en de kolonialen in Congo geconfronteerd met een eerste uiting van het Congolees nationalisme. Om die reden kunnen we deze gebeurtenis niet onopgemerkt laten voorbijgaan.

 

De Standaard

 

Opvallend is dat De Standaard geen eigen commentaren publiceert, maar verwijst naar de reacties van Congolese kranten en lezersbrieven. Vooral katholieke Congolese dagbladen komen aan bod, zoals: De Week (Leopoldstad), Le Courrier d’Afrique (Leopoldstad), l’Essor du Congo (Elizabethstad), La Croix du Congo (Leopoldstad).

 

In een eerste artikel over het manifest schrijft De Standaard: “Een Kongolees blad  Conscience Africaine, dat te Leopoldstad verschijnt, heeft een manifest gepubliceerd, dat in koloniale kringen opzien baart.” Het gebruik van het lidwoord “een” impliceert dat het blad niet zo’n gewichtige rol speelt in de Congolese pers. Het is een gewoon blad naast alle andere. De schok in de koloniale kringen laat ons vermoeden dat deze Congolese tegenwind totaal onverwacht kwam. Dit uit zich ook in de titel.[304]

Het dertigjarenplan van Van Bilsen werd door vele kolonialen weggehoond. Men ging er vanuit dat de meeste Congolezen nog altijd tevreden waren met het huidige systeem. Waarom emanciperen? De voornaamste reden, waarom de blanken potdoof bleven, kwam door de vrees om hun macht en invloed te verliezen. Bovendien stonden de meeste en belangrijkste kranten onder controle van de overheid, missies of bepaalde Belgische groepen. De redactie van Conscience Africaine genoot van een relatief grote vrijheid. Toch merkte men een onzichtbare blanke hand die ook in het manifest invloed uitoefende.[305] 

De Standaard schrijft verder: “Het spreekt, uit naam van de ontwikkelde Kongolezen en staat op christelijke basis.” Het gaat hier over een klein groepje van zwarten, évolués, die in ieder geval christelijk onderwijs genoten of zelfs in dienst zijn geweest als priester.

In hetzelfde artikel staat de titel: “Naar de oprichting van een Kongolese partij? (…)”. De vraag wordt gesteld door Le Courrier d’Afrique[306], die een uitvoerige commentaar schreef op het manifest. De oprichting van de Congolese partij linkt men aan de schrijvers van het manifest, namelijk ontwikkelde en christelijke Congolezen.

Le Courrier Afrique meent enerzijds dat het te vroeg is om stelling te nemen over wat de ondergrond van het manifest betreft. Anderzijds geeft manifest wel de gedachten van een Kongolese elite weer en schetst het duidelijk de gevoelens van de massa. De krant schrijft dat op politiek vlak de tijd zal komen. Kongo heeft immers al jaren zijn kracht te danken aan zijn eenheid van inzicht en actie en aan de vrij aanvaarde discipline. Volgens Le Courrier is Kongo in de politieke fase van zijn ontwikkelingsproces gekomen en in dit stadium situeert de krant, met een zekere voldoening, de totstandkoming en de vorming van een Kongolese partij die aan niemand iets ontleent.

 

Ook in de volgende dagen, zo schrijft De Standaard, wordt het manifest voor de oprichting van een Congolese Unie nog druk besproken. De verschillende reacties van De Week, l’Essor du Congo en l’Avenir (niet katholiek) worden weergegeven. Ook Amerikaanse bladen bespreken uitvoerig het Belgische bestuur in Congo. Zoals vroeger is hun oordeel gunstig tegenover de actie van de bestuursautoriteiten. Maar nu besteden ze ook aandacht aan de kritieken van geëvolueerden in verband met de uitzichten op de politieke ontwikkeling van Congo. C.T. Rowan, bijzondere correspondent van de Minniapolis Tribune, was verbaasd te horen dat bepaalde groepen van évolués rekenen op de Verenigde Staten om de vrijheid te veroveren.[307]

            In de titel vraagt De Standaard of de Amerikaanse pers wel te goeder trouw is. De New York Times heeft in een bericht uit Leopoldstad de bijzonderste punten uit het manifest van Conscience Africaine aan zijn lezers meegedeeld. In de Belgische kringen in New York merkte men op dat het bericht zeer bondig was. Het deel van het manifest, dat positief klonk voor België, werd volledig weggelaten en alleen de elementen van verzet werden belicht.

Dit impliceert dat de Amerikanen er belang bij hebben dat Congo en Afrika de onafhankelijkheid eisen. Zo kunnen ze meer greep op dit continent krijgen, niet alleen wat grondstoffen betreft, maar ook als bondgenoot tegen Rusland.

 

Op 5 augustus publiceert De Standaard “volgende interessante beschouwingen” van E. Verstraeten, een lezer.[308] Wat later neemt De Standaard een gelijkaardig artikel van dezelfde auteur over van het Congolese blad La Croix du Congo.[309] De auteur denkt niet dat het manifest een opinie van de massa bespiegelt, want hij gelooft niet dat ze genoeg kennis van zaken heeft om het probleem te kunnen snappen. De massa is over het algemeen tevreden over wat de blanken voor hen doen en ze bekommert zich niet om het overige.

Hij stelt: “Maar de geëvolueerden – zij die het werkelijk zijn – zien veel verder en alhoewel de redactie van Conscience Africaine maar uit vier personen bestaat, vertegenwoordigen de laatste verklaringen van het tijdschrift, waarschijnlijk de gevoelens van een meer belangrijke groep.” Hij denkt dat het om een zeer kleine groep van évolués gaat. Er zijn immers ook veel Congolezen die in de waan verkeren dat ze geëvolueerd zijn.

Volgens Verstraeten is het manifest een wanhoopsdaad van een aantal Kongolese zwarten, die zich geen Belgisch-Kongolese gemeenschap kunnen voorstellen, omdat ze zonder twijfel ervan overtuigd zijn dat de blanken altijd zullen overheersen omdat ze blanken zijn. Alhoewel hij het niet expliciet vermeldt, ziet de auteur de onafhankelijkheid niet als de oplossing. “Laten wij dan een werk dat bijna enig is in de wereld niet verknoeien door een gebrek aan edelmoedigheid.” Verstraeten wil niet dat het beschavingswerk vernietigd wordt door Congolezen,      die zich overgeven aan extremistische wandaden ten gevolge van een minderwaardigheidscomplex. 

Het manifest wordt beschouwd als een ernstige verwittiging voor de blanken vanwege een kleine groep zwarten die de colour bar vrezen. Daarom pleit Verstraeten voor gelijkheid tussen blanken en zwarten qua diploma en werk.

 

Wat Abako betreft wordt enkel een citaat van Pierre Davister, L’Avenir, vermeld: “Dat ze een nieuwe uiting was van een nationalisme in Neder-Kongo dat sedert lange jaren latent was en op het godsdienstige plan reeds in het Kibangisme en op het intellectuele plan met de verdediging van de oude Kikongotaal was tot uiting gekomen. Dit nationalisme kristalliseert zich thans rond het manifest van Conscience Africaine.” Over het tegenmanifest wordt geen woord gerept.

 

2.3  Conclusie

 

In De Standaard wordt het manifest zelf niet besproken of becommentarieerd. De krant plukt citaten uit Congolese dagbladen, die voornamelijk katholiek zijn behalve L’Avenir. Over het tegenmanifest publiceert ze niets. De reacties van de geciteerde Congolese dagbladen zijn overwegend positief, behalve die van L’Avenir. Het artikel van E. Verstraeten verschijnt twee maal, één keer als lezersbrief en één keer als een artikel dat De Standaard overneemt van La Croix du Congo. De mening van E. Verstraeten kan misschien vereenzelvigd worden met de visie van De Standaard. De krant vond zijn beschouwingen in ieder geval heel interessant.

            Vooruit en Het Laatste Nieuws besteden helemaal geen aandacht aan de manifesten. Men pakte liever uit met wat België in drie kwarteeuw gepresteerd had. De “Union Minière du Haut Katanga”, de “Société Internationale Forestière et Minière du Congo” (Forminière) uit Kasaï en de “Compagnie des chemins de Fer du Bas Congo au Katanga” (BCK) hadden alle hun industriële activiteiten ontplooid in 1906 en vierden in 1956 hun gouden jubileum. Dit gebeuren verscheen uiteraard in de verschillende kranten.

            Volgens Dumont[310] sympathiseerden ook de andere Belgische katholieke kranten, zoals La Libre Belgique, La Cité en Het Volk, met de redactie van Conscience Africaine. Deze kranten benadrukten het belang en de politieke waarde van het document. Het socialistische dagblad Le Peuple beschouwde Conscience Africaine dan weer als een instrument van de Congolese geestelijken.

 

 

3. DE GEMEENTERAADSVERKIEZINGEN (LEOPOLDSTAD, ELISABETHSTAD, JADOTSTAD): DECEMBER 1957

 

3.1 Historiek[311]

 

De verkiezingen in Congo kenden niet dezelfde evolutie als in Europa. In Europa was de strijd voor de parlementaire vertegenwoordiging een democratische strijd. In Congo nam de koloniale overheid de touwtjes in handen.

            De decreten van 26 maart en 10 mei 1957 richtten de stedelijke en rurale instellingen in. De stedelijke centra werden administratief ingedeeld in verschillende gemeenten, die onder leiding stonden van een gemeenteraad. Er bestonden drie categorieën van gemeenten: Europese, Afrikaanse en Gemengde gemeenten. De provinciegouverneur benoemde de burgemeester op voorstel van de gemeenteraad. Zo werd Leopoldstad onderverdeeld in acht Afrikaanse gemeenten (Kintambo, Saint-Jean, Kinshasa, Barumbu, Dendale, Kalamu, Ngiri-Ngiri, Bandalungwa), één Blanke (Kalina) en twee Gemengde gemeenten (Ngaliema en Limete). De stedelijke raad was het overkoepelende orgaan, dat bestond uit de diverse burgemeesters. Hij werd geleid door de Eerste Burgemeester, die Belg en ook staatsambtenaar was.

            Een ordonnantie van uitvoering, uitgevaardigd op 29 september 1957, bepaalde dat alleen mannen vanaf 25 jaar in aanmerking kwamen voor de verkiesbaarheid.

            De resultaten waren het toonbeeld van manipulatie, waarbij de partijen hun traditionele uitgangspunten koppelden aan de moderne doeleinden. Het tribalisme fungeerde als een politiek en strategisch element. In de hoofstad won Abako de verkiezingen met een heel ruime voorsprong. De partij veroverde 133 van de 170 zetels en kreeg de burgemeestersjerp in Kitambo (Alphonse Tshinkela), Bandalungwa (Oscar Ngoma), Dendale (Jozef Kasavubu), Ngiri-Ngiri (Gaston Diomi), Kalamu (Arthur Pinzi) en St.-Jean (Pierre Canon). De goede organisatie van de partij was de reden van dit overweldigend resultaat.

            In Katanga speelde er zich een gelijkaardig scenario af, alleen waren de gevolgen veel erger. De Luba van Kasaï veroverden de burgemeestersjerp. Met veel minder enthousiasme besloot de koloniale autoriteiten de keuze van de gemeenteraad in Elizabethstad te respecteren. Twee Luba stonden aan het hoofd van Kenya (Armand Tshinkulu) en Katuba (Mukendi Thadée); een Musongye uit Kasaï bestuurde Rwashi en een Mukusu uit Maniema heerste over St.-Albert. Geen enkele staatsburger uit Katanga werd verkozen.

            In Jadotstad maakte de koloniale administratie een kleine zijsprong. Om te verhinderen dat Victor Lundula verkozen werd, plaatste men hem (medisch assistent) op het laatste nippertje over naar Kamina. Alhoewel hij toch verkozen werd in de gemeente Kibula, weigerde de gouverneur van Katanga hem te benoemen.

 

3.2  Analyse

 

De meeste artikels zijn waarschijnlijk afkomstig van persagentschappen. Deze artikels geven weinig commentaren en zijn louter informatief. Meestal wordt de auteur niet vermeld. Vaak vinden we gelijkaardige berichten terug in de drie kranten.

            We splitsen ons onderzoek op volgens de drie plaatsen waar de verkiezingen doorgingen: Leopoldstad, Elisabethstad en Jadotstad. Gelijkaardige berichten worden eerst behandeld. Vervolgens spitsen we ons toe op wat de drie kranten afzonderlijk berichten. Bij de verkiezingen in Leopoldstad letten we uiteraard op de resultaten van de Abako.

 

3.2.1    Verkiezingen in Leopoldstad

 

Op 9 december 1957 verschijnt in De Standaard, Vooruit en Het Laatste Nieuws een bericht van Belga over het verloop van de verkiezingen in Leopoldstad. Enkel Het Laatste Nieuws vermeldt de bron . We zullen kort eens nagaan wat Belga schrijft over de verkiezingsdag.

            Het persagentschap deelt mee dat de verrichtingen van de gemeenteraadsverkiezingen begonnen zondag om half acht in 199 stadsdistricten. “Nog vóór de stembureaus werden geopend”, schrijft Belga, “stonden lange rijen Kongolezen op hun zondags geduldig te wachten om te mogen stemmen, en intussen bespraken zij kalm de kansen van de verschillende kandidaten.” Men veronderstelt dat de Congolezen zich rustig gedroegen en interesse toonden in het hele gebeuren.

            Dan geeft Belga informatie over de geschatte opkomst (80%) in de wijken Ngiri-Ngiri, Gambela en Christus-Koning; over het gemiddelde aantal kiezers in de districten; over de weersomstandigheden en de taak van de ordediensten; en over de opkomst van de blanken (50% om half tien) en de overheidspersonen (stemden heel vroeg). Er wordt verwacht dat de uitslagen in de loop van de namiddag zullen bekend zijn. Tenslotte verwijst het persagentschap naar de bladen in Leopoldstad, die de raadpleging als een historische gebeurtenis voor Congo beschouwen. 

 

De Standaard

 

De Standaard verwijst, voor wat de electorale zege van de Bakongo betreft, naar bladen uit Leopoldstad[312] en naar een lezersbrief[313], waarvan de auteur onbekend is.

            De Congolese dagbladen leggen er de nadruk op dat de meeste Congolese verkozenen uit Neder-Congo stammen en daaruit leiden ze af dat de Bakongo in de verschillende gemeenten in de raad de meerderheid zullen behalen. Volgens L’Avenir zouden de Bakongo geluisterd hebben naar de gegeven wachtwoorden, waardoor ze stemden voor de kandidaten van hun eigen ras ten nadele van andere rassen, van wie sommigen een ambt van raadslid in de raad van de inlanderstad of van de zones bekleedden. De bladen benadrukken eveneens dat de verkiezingen kalm en waardig verliepen.

            De lezersbrief beschouwt de verkiezingen als een eerste democratische toets. “Ruim 80 t.h. van de inlanders gingen naar de stembus. Ze wisten niet allen wat ze deden ... maar ze deden wat de administratie hun vroeg. Dat alles in kalmte verliep is ook een meevaller, want de rassenstrijd kan in Afrika wel eens ontaarden in een kloppartij zoals dat gebeurde met de gemeenteverkiezingen in Brazzaville, bij onze overburen.“ Dit impliceert dat niet alle zwarten er veel verstand van hadden. Meestal lieten ze zich ompraten door anderen of door de kandidaten die bij de stembus inlichtingen gaven. Bovendien vindt de lezer het verwonderlijk dat alles in kalmte verliep.

            De lezer ziet de overwinning van de Bakongo als de normale uitslag van het democratische spel. Bij democratische verkiezingen stemt men niet altijd op de bekwaamste mensen, maar wel op vertrouwenspersonen of -groepen. De Bakongo zijn talrijk en de Abako is een solide nationalistische partij. Daarom hebben vele mensen uit de Kwango, die in Leopoldstad een grote groep vormen, gestemd voor de Bakongo en tegen de Bangala, die volgens Dumont verdeeld en slecht voorbereid naar voor treden.[314]

            De auteur meent dat vele blanken en mensen uit de administratie de uitslag van de verkiezingen betreuren, omdat heel wat vooraanstaande personen van andere rassen door het verkiezingssysteem genegeerd worden. De Bangala, Baluba en Mongo zijn sinds jaren voorbereid op een officiële functie, want ze wonen het langst in de hoofdstad. Daardoor genoten ze van beter onderwijs dan de Bakongo in de brousse. De lezer vindt het systeem eigenlijk fout. “Door het feit dat men op een persoon moet stemmen en niet op een lijst, is het apparenteren van stemmen uitgesloten en heeft de minderheid geen kans.”

            Er zijn ook andere elementen naast het rassengevoel, die determinerend zijn. Ten eerste stelt de auteur vast dat de overwinning van de Bakongo de zege is van de Anti-Europese gedachte. Dat wil niet zeggen dat alle Bakongo tegen de Europeanen zijn, maar vele van hun leiders wel. Een andere vaststelling is dat de Kongolezen “anti-évolué” hebben gestemd. In vele gevallen moeten de évolués plaats ruimen voor de man-van-niets zonder ontwikkeling. De lezer schrijft: “Het gevolg van dit alles is dat de nieuwe gemeenteraden op een lager peil zullen staan dan de uittredende Raad van de Cité en dat vele raadsleden alle moeilijkheden zullen hebben om de debatten te volgen.”

 

Vooruit

             

Wat de overwinning van de Abako betreft, verwijst Vooruit naar dezelfde commentaren van Congolese dagbladen als De Standaard.[315]

            Vooruit stelt de verkiezingen in Leopoldstad voor als compleet geslaagd. Er grepen geen incidenten plaats en er was een grote opkomst. Ongeveer één vijfde van de totale bevolking van Leopoldstad, namelijk 84,7 % van de 50.958 stemgerechtigden, hebben aan de stemming deelgenomen en er worden slechts 1.157 ongeldige stembrieven geteld. “Dit uiterst lage aantal ongeldige stembriefjes bij de Afrikanen is een werkelijke triomf voor de administratieve diensten die gedurende de jongste drie maanden geen moeite hebben gespaard om de eerste kiezers in Kongo het abc van een raadpleging bij te brengen vanaf haar betekenis tot de wijze van stemmen, enz.”

            De raadpleging van “een talrijke over het algemeen heterogene en weinig gevormde bevolking” is een gewaagde onderneming. Daarom deed men in de laatste drie maanden al het mogelijke om deze verkiezingen te doen slagen. Vooruit beschrijft uitvoerig hoe de voorlichtingscampagne verliep. Daarna geeft ze in grote lijnen weer hoe de politieke reorganisatie in de hoofdstad er zal uitzien.

            Voor Vooruit staat zeker één zaak vast. “Door bijzonder talrijk en op doeltreffende wijze aan de volksraadpleging deel te nemen, evenals door de kalmte en waardigheid waarin dit is gebeurd, heeft de Afrikaanse bevolking van Leopoldstad aangetoond dat ze werkelijk “volwassen” is en dit mag hier wel eens worden beklemtoond. Het is het resultaat van de talrijke inspanningen van allen die deze 8 september 1957 hebben mogelijk gemaakt. Het is ook de bekroning van 75 jaar Belgisch werk in Kongo.” Dit is een perfect staaltje van image-building, waarbij de zwarten “volwassen” geworden zijn door de vele inspanningen van de kolonisator. “Volwassen” tussen aanhalingtekens toont het anders voorstellen (hier het kinderlijke, eerder het puberachtige gedrag) van de gekoloniseerden.

 

Het Laatste Nieuws

 

Behalve het artikel van 9 december, publiceert Het Laatste Nieuws niets over de gemeenteraadsverkiezingen in Leopoldstad.

 

3.2.2  Verkiezingen in Elisabethstad

 

De Standaard

 

De Standaard vermeldt niet zoveel over de gemeenteraadsverkiezingen in Elisabethstad. De krant verwijst naar de eerste besluiten van het Congolese blad Essor du Congo. Daarin stelt men in de eerste plaats vast dat de opkomst bevredigend was en dat de verrichtingen gekenmerkt werden door kalmte en ernst van de bevolking.[316]

De zege, die de vertegenwoordigers van de kolonisten behalen, toont aan dat de Europese bevolking niet wil horen van partijpolitieke geschillen, van moederlandse politieke partijen, maar vertrouwen stelt in degenen die in Congo ingeburgerd zijn. Met betrekking tot de inlandse bevolking, wijst het blad er op dat zij eerder voor een man dan voor een vertegenwoordiger van een ras heeft gestemd. Dit staat in tegenstelling tot Leopoldstad. 

De redacteur van Essor du Congo, Evariste Kimba, merkt op dat de intellectuelen het in de Congolese gemeenten gehaald hebben op de vakmensen en dat de naijver onder de stammen een minder grote rol gespeeld heeft dan verwacht.

 

Vooruit

 

Vooruit schetst een idyllisch beeld van het prachtig weer dat de eerste gemeenteraadsverkiezingen in Elisabethstad heeft begunstigd. De verkiezingsoperaties begonnen vroeg en verliepen heel kalm. Van de 25.956 personen, die voor de raadpleging in aanmerking kwamen, daagden er 22.500 mensen op. Men telde 1.793 ongeldige stemmen en 884 blanco stembiljetten.[317]

            In een achtergrondartikel klaagt Vooruit de misselijke taaltoestanden in Belgisch Congo aan. De koloniale overheid lapt het Vlaams, als een officiële taal, volledig aan haar laars. Tijdens de verkiezingen waren het stemreglement voor de stembussen en de kiezerslijsten uitsluitend in het Frans. Wanneer deze minachting tegenover het Nederlands, het incivisme volgens Vooruit, aan de kaak worden gesteld, bestempelen de oversten dit als tweedracht zaaien. Vooruit vindt dit ronduit schandalig.

 

Het Laatste Nieuws

 

In tegenstelling tot wat Vooruit schrijft, moesten de inwoners van Elisabethstad en Jadotstad onder een druilerige motregen de leden voor de gemeenteraad aanduiden. Vanaf 7 uur heerste een grote drukte in de inlandse gemeenten in Elisabethstad. Deze drukte duurde tot het sluitingsuur van de stemburelen. “Tientallen nieuwsgierigen, taterende huismoeders en stoeiende kinderen, liepen langs de rijen der stemgerechtigden, die kalm onder een bij Belgische nationale regen hun beurt afwachtten.” Dit impliceert dat de verrichtingen kalm en ordentelijk verliepen. De bevolking had de praktische lessen van de overheid opgevolgd. “Slechts in uitzonderlijke gevallen moesten de voorzitter of bijzitters tussenkomen om enkele personen te helpen en aan te tonen hoe zij hun stem geldig konden uitbrengen.”[318]

            Ondanks het regenweer, daagden een groot aantal stemgerechtigden op. Bijna alle uitgebrachte stemmen waren geldig, wat Het Laatste Nieuws niet verwondert. De administratie heeft zich vele weken ingespannen om de raadpleging zo goed mogelijk voor te bereiden.

 

Het Laatste Nieuws besluit dat de verkiezingen in de kolonie het resultaat zijn van een lange, verstandige geleide ontwikkeling. Sinds lang krijgen de Congolezen de gelegenheid om zich aan te passen aan de democratische techniek. In de loop van de jaren werden zij ingewijd in de rechten en plichten, de luister en lasten van het beheer van hun eigen belangen. De verantwoordelijkheid, die men hun vandaag geeft, bevestigt in zekere zin het einde van een leertijd en is zeker geen kunstmatig verwekte ommekeer in de politieke instelling van Belgisch Afrika. De nieuwe inrichting op bestuurlijk gebied, heeft het voordeel dat ze zeer goed beantwoordt aan de huidige vereisten.

Opnieuw krijgen we een voorbeeld van een positieve presentatie van de kolonisator en zijn verwezenlijkingen. Wel overdrijft men hier een beetje. De Congolezen werden in het verleden eerder afgezonderd van het bestuur. Bovendien was de kolonisator niet erg gebrand om ze de democratische technieken aan te leren. Democratie vereist immers de inbreng van de meerderheid, die duidelijk Congolees is. Men beseft hier nog altijd niet dat de verkiezingen eerder uit noodzaak doorgevoerd werden. Na het plan Van Bilsen, de manifesten en het sterk opkomende Afrikaans nationalisme werd het tijd dat de koloniale overheid de Congolezen ook wat meer in het bestuur betrok.

 

3.2.3  Jadotstad

           

De kranten hechten weinig belang aan de verkiezingen in Jadotstad. Enkel Het Laatste Nieuws verwijst ernaar in het artikel van 25 december. Daarnaast wordt er nog een klein artikeltje gepubliceerd op 27 december 1957.[319] Ook in Jadotstad lieten er zich geen rassenoverwegingen gelden en de verkiezingen vonden plaats in uitstekende voorwaarden en in alle kalmte.

 

3.3  Conclusie

 

In ons onderzoek vinden we geen enkel artikel terug waar de auteur vermeld staat, behalve bij Het Laatste Nieuws. Dit laat ons vermoeden dat de meeste artikels afkomstig zijn van Belga of Inforcongo. De artikels zijn hoofdzakelijk informatief en staan in de verleden tijd, wat de betrokkenheid verkleint. De gebeurtenissen worden voornamelijk beschreven en niet zoveel becommentarieerd. Bovendien vinden we eenzelfde artikel terug bij de drie kranten. Het vele cijfermateriaal, eigen aan de verkiezingsuitslagen, verhogen het informatieve gehalte. Dit betekent niet dat de berichtgeving altijd correct is. Vooruit en Het Laatste Nieuws geven tegenstrijdige informatie over de weersomstandigheden tijdens de verkiezingen in Elisabethstad. Dit is echter een klein detail, maar het is niet onbelangrijk.

            De visie van de respectieve kranten kunnen we moeilijk weergeven, aangezien ze allemaal één of meerdere standpunten weergeven, die niet eigen zijn aan de krant. De informatie is in grote lijnen dezelfde. De Standaard verwijst naar Congolese dagbladen, lezersbrieven en persagentschappen (vermoedelijk). Een groot deel van de artikels staat onder het rubriekje “Nieuws uit Kongo”. Hieronder  ressorteren allerlei kleine mededelingen en nieuwsfeitjes. Vooruit verwijst eveneens naar Congolese dagbladen en vermoedelijk naar persagentschappen. Het Laatste Nieuws haalt de meeste informatie bij Belga. De analyse moet hier wat genuanceerd worden. De krant is aan het woord maar ze vertolkt eigenlijk de visie van de Westerse persagentschappen en van de koloniale pers.

            De drie kranten benadrukken de rust tijdens de verkiezingen. Men verwondert zich erover dat zoiets mogelijk is. Overal was er een grote opkomst en bovendien telde men weinig blanco en ongeldige stemmen. Dit toont duidelijk de heersende visie over de Congolezen als minder beschaafd en ontwikkeld. De positieve afloop is te danken aan de goede inlichtingen en voorbereidingen van de administratie (positieve zelfpresentatie). Het Laatste Nieuws overdrijft zelfs de goede intenties van de Belgen. 

Er zijn ook een aantal verschillen in de berichtgeving. Vooruit en vooral De Standaard besteden aandacht aan de overwinning van de Abako. Beide halen  dezelfde commentaren uit verschillende Congolese dagbladen. Het verschil is dat De Standaard nog beschikt over een lezersbrief. De twee kranten berichten meer over de verkiezingen in Leopoldstad dan over Elizabethstad en Jadotstad. Het Laatste Nieuws echter besteedt meer aandacht aan de verkiezingen in Elizabethstad. Deze krant is trouwens de enige die iets vermeldt over Jadotstad.   

 

 

4. PAN-AFRIKAANSE CONFERENTIE IN ACCRA: 5 TOT 13 DECEMBER 1958

 

4.1  Historiek[320]

 

Ghana werd in 1957 onafhankelijk. De president, Kwame Nkrumah, was een pan-Afrikaanse nationalist, die het zwarte continent situeerde tussen de Atlantische Alliantie en het Sovjetblok. Hij geloofd