| Een historische biografie van keizer Caracalla (188-217). (Michiel Vanderhaeghe) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk 2: De dubbelheerschappij van Caracalla en Geta (211)
2.1. De eerste maatregelen na Severus’ dood:
De antieke historiografen geven aan dat, hoewel de macht in de dubbelheerschappij officieel gelijk was verdeeld, Caracalla duidelijk de sterkere figuur was. Het was dan ook Caracalla die volgende op de dood van zijn vader de eerste maatregelen trof. Eerst voerde hij een zuivering door in zijn onmiddellijke omgeving met de terechtstelling van verschillende leden van de keizerlijke hofhouding. Herodianus illustreert de zuivering treffend met de overdrijving:”Niemand die geëerd was geweest door de oude keizer of die gediend had als zijn bediende mocht voortleven.”[427] Herodianus stelt het hier overdreven voor en spreekt zichzelf later tegen, in die zin dat sommige vrienden en vertrouwelingen van Severus in latere berichten nog een prominente rol krijgen toebedeeld.[428] Dat Herodianus geen namen vermeldt van de getroffen personen is kenmerkend voor zijn gehele werkwijze. Onder de slachtoffers waren vooral die leden die bij Severus in de gunst hadden gestaan of die hem hadden gediend. Zo richtte hij een slachting aan onder Severus’ huispersoneel.[429] Hij beval de terechtstelling van Evodus, zijn vroegere leermeester. Ook de prominente keizerlijke vrijgelatene, Castor, waarmee Caracalla eerder al in conflict was gekomen werd geëxecuteerd.[430] Ook de keizerlijke artsen werden gedood, omdat zij hadden verzuimd de dood van zijn vader te versnellen, evenals de voormalige opvoeders omdat zij bleven volharden in hun pogingen om Caracalla en Geta te verzoenen.[431] Alföldy wijst erop dat Herodianus de passage over de keizerlijke artsen heeft verzonnen, waarbij hij zich inspireerde op Cassius Dio die stelde dat het gerucht de ronde deed dat Severus “geholpen” werd bij zijn dood.[432] Herodianus heeft uit deze geruchten een “feit” gecreëerd en heeft dat geconcretiseerd. Het verhaal met de artsen dat Herodianus gebruikt vindt men ook terug in het bericht van Dio over de dood van Marcus Aurelius.[433] Ook voor zijn voormalige echtgenote Plautilla en haar broer Plautius werden executiebevelen uitgevaardigd.[434] Caracalla had hen al willen vermoorden toen hun vader, Plautianus begin 205 werd gedood, maar door tussenkomst van Severus werd hij daartoe belet, zodat beiden verbannen werden naar het eiland Lipara. Maar nu Severus was weggevallen, viel ook hun bescherming tegenover Caracalla weg en deze achtte de tijd rijp om zijn eerder voornemen uit te voeren. Herodianus situeert de terechtstelling van Plautilla in de nasleep op de val van Geta; maar waarschijnlijk werden zij gedood in de nasleep van Severus’ dood bij terugkomst in Rome. De gebeurtenis staat immers vermoedelijk in verband met het feit dat Severus en zijn invloed op Caracalla terzake was weggevallen.[435]
Eveneens in Rome vertelt Cassius Dio over het ter dood brengen van de beroemde paardenmenner Euprepes, omdat deze een partij had gesteund die niet werd gefavoriseerd door Caracalla.[436] Herodianus verhaalt een gelijkaardig incident, maar schijnt het opnieuw chronologisch fout te situeren. Hij plaatst de gebeurtenis immers in de nasleep op de moord op Geta en niet zoals Dio in de nasleep van Severus’ dood. Ook inhoudelijk verschilt Herodianus’ feitenrelaas van dat van Dio, zodat men niet met zekerheid kan stellen dat beide versies hetzelfde incident betreffen. Volgens Herodianus was Caracalla’s actie gericht tegen het publiek van de wagenrennen, dat een andere wagenmenner steunde dan die die de keizer prefereerde. Daarop liet hij een willekeurige slachting aanrichten in het publiek, waarbij er vele onschuldige slachtoffers vielen.[437] Het verhaal vertoont duidelijke overeenkomsten met dat van Dio, zodat we kunnen vermoeden dat beiden dezelfde gebeurtenis verhalen, waarbij Herodianus mogelijk gesteund heeft op Dio, maar dan zijn eigen versie van het gebeuren heeft gevormd. Alföldy meent dat Herodianus hetzelfde bericht verteld heeft als Dio en dat het kenmerkend is voor de werkwijze van deze auteur dat hij de wagenmenner niet bij naam noemt en dit ondanks dat hij wel over die naam beschikt uit Dio. Ook Plautilla noemt hij niet bij naam, maar hij spreekt enkel over “de dochter van Plautianus die zijn vrouw is geweest en zich nu in Sicilia bevond”.[438] In al deze terechtstellingen zien we het wrede karakter van de persoon van Caracalla tot uiting komen. Al wie hem tegen de haren instreek of een bedreiging vormde moest compromisloos worden gedood. Vooral de personen die een vertrouwenspositie hadden vervuld ten aanzien van zijn vader zag hij als een bedreiging. Met de dood van Severus viel ook diens bescherming weg ten aanzien van die personen, zodat zij kwetsbaar werden voor de toorn van Caracalla. De beste voorbeelden van die weg gevallen bescherming vormen Plautilla en haar broer, Evodus en Castor.
Septimius Severus was overleden in volle voorbereiding op een nieuwe militaire expeditie in Britannia. De Caledonii hadden zich aangesloten bij de opstand van de Maetae,[439] waarschijnlijk omwille van de brutale behandeling die deze laatsten vanwege Severus hadden ondergaan. Schijnbaar was de situatie daar geenszins onder controle en was ze zelfs nog verergerd ten opzichte van het begin van de Britse expeditie, want voor het eerst waren zowel de Caledonii als de Maetae samen in opstand.[440] Caracalla verlangde echter terug te keren naar Rome en besliste geen verdere campagne te voeren. Daarom sloot hij een vredesovereenkomst met de vijand, waarbij men de oorspronkelijke bedoeling van Severus om het hele eiland te veroveren[441] opgaf en men zich terug trok uit vijandelijk gebied, met achterlating van de gebouwde forten.[442] Herodianus stelt dat Caracalla een overeenkomst sloot met de barbaren, waarbij hij hen in ruil voor bepaalde garanties de vrede schonk. Daarna verliet hij hun gebied en trok naar het zuidelijke deel van het eiland om zich te voegen bij moeder en broer.[443] Over welke garanties Herodianus het heeft is onduidelijk; maar dat ze afdoende waren is zeker, aangezien er geen grote opstanden meer kwamen in Britannia. Dio geeft de indruk dat de evacuatie uit het nieuw veroverde gebied zeer snel en in een keer gebeurde. Uit onderzoek rond het belangrijke fort te Carpow is echter gebleken dat deze post waarschijnlijk nog gedurende 2 à 3 jaren verder werd uitgebouwd ter demonstratie van de Romeinse militaire macht en dan pas werd ontmanteld. De evacuatie van Schotland gebeurde dus niet zo overhaast als Dio aangeeft, maar in fasen. [444] Caracalla trok de voornaamste troepenconcentraties terug tot de Muur van Hadrianus en voerde een grensbeleid met patrouilles, ten noorden van de Muur en met de controle van de Schotse stammenvergaderingen.[445]
2.2. Escalatie van de broedertwist
Nog in Britannia zou Caracalla stappen gezet hebben om meteen de alleenheerschappij te vestigen. Dio stelt, zoals vermeld, dat Caracalla reeds tijdens Severus’ leven plannen koesterde om zijn broer uit de weg te ruimen maar dat hij daartoe belet werd in de eerste plaats door Severus, maar later, wanneer hij zelf de leiding had over de militaire campagne van 210, ook door de legioenen. De reden daarvoor zou geweest zijn dat de troepen een zekere genegenheid vertoonden ten aanzien van Geta, vooral omdat deze uiterlijk zeer sterk geleek op zijn vader.[446] Herodianus geeft aan dat Caracalla het leger voor zich trachtte te winnen door de officieren te vleien en aan zich te binden met persoonlijke geschenken en extravagante beloften. Op deze manier wou hij de officieren ertoe bewegen het leger te overtuigen om hem als alleenheerser te erkennen. Maar net als Dio geeft Herodianus aan dat de troepen zich niet zomaar lieten overtuigen. De reden daarvoor zou volgens hem echter zijn dat de troepen terugdachten aan Severus en het feit dat zij beide broers reeds van jongs af als gelijken hadden beschouwd. Nu toonden ze een gelijke verbondenheid en loyauteit ten opzichte van beiden.[447] Hoewel Herodianus het hier niet expliciet aangeeft, bedoelt hij duidelijk dat Caracalla in Britannia al had getracht Geta uit te schakelen door het leger om te kopen. Uit de context kunnen we verder afleiden dat Caracalla deze tactiek wou toepassen tijdens diens verblijf in het noorden, terwijl Geta en Iulia Domna op dat moment in York vertoefden.[448]
Herodianus en Cassius Dio geven verschillende motieven voor de troepen om niet mee te gaan met de plannen van Caracalla. Volgens Dio bleef het leger trouw uit psychologische overwegingen, volgens Herodianus uit staatsrechterlijke. Het staatsrechterlijke motief wordt ook herhaald in de Historia Augusta.[449] Beide motieven kunnen zuiver historisch plausibel zijn. Toch valt op dat Dio en Herodianus duidelijk een verschillend beeld hadden van Geta: voor Dio was Geta een onbeduidend figuur die zich steeds bevond in een ondergeschikte machtspositie ten opzichte van Caracalla en die enkel omwille van sentimentele redenen sympathie kreeg van de troepen; terwijl voor Herodianus Geta een evenwaardige heerser was, die de sympathie kreeg van de troepen omdat hij staatsrechterlijk recht had op een even grote macht als Caracalla.[450] Het bericht van Dio lijkt ons het meest plausibel. Herodianus’ staatsrechterlijke idee lijkt eerder te passen in een hele gedachtegang die de auteur ontwikkeld heeft over de dubbelheerschappij. Die zag hij als volledig gelijkwaardig, met zelfs een plan tot een territoriale rijksdeling met verschillende hoofdsteden. Dat de troepen uit dergelijke staatsrechterlijke overwegingen weigerden om Caracalla als alleenheerser te erkennen vormde voor Herodianus een stap in de ontwikkeling van zijn persoonlijke idee over de dubbelheerschappij. En dit alles past in zijn dramatische inleiding op de latere gebeurtenis, waarbij de korte dubbelheerschappij abrupt werd beëindigd door broedermoord.[451]
Over de gebeurtenissen tussen het vertrek uit Britannia en de uiteindelijke moord op Geta, tussen februari en december 211, geeft Cassius Dio slechts weinig informatie. Zoals vermeld, deden Caracalla en Geta openlijk alsof ze in harmonie leefden, maar doordat ze in al hun handelen steeds lijnrecht tegenover elkaar stonden was het voor de buitenwereld duidelijk dat de situatie een slechte afloop zou kennen. Volgens de bijgelovige Dio waren er dan ook, reeds vóór hun terugkomst in Rome voortekenen geweest die daarop wezen.[452] Vervolgens maakt Dio een sprong in de tijd en verhaalt hij dat Caracalla zijn broer al had willen vermoorden tijdens de Saturnalia, van 17 tot 23 december. Vóór de bewuste feesten was zijn plan echter al uitgelekt zodat hij er uiteindelijk van moest afzien. Er volgden een aantal botsingen tussen de broers, waarbij elk van hen defensieve maatregelen trof uit vrees voor een samenzwering van de ander. Uiteindelijk bedacht Caracalla een list om zijn broer uit de weg te ruimen.[453] Vanaf de aankomst van de keizers in Rome verhaalt Dio heel wat anekdotes vanuit persoonlijke observatie, hetgeen erop wijst dat hij zich in deze periode in Rome bevond.[454]
Informatie over de gebeurtenissen in de tijdspanne tussen het afhandelen van de Britse kwestie na de dood van Severus en de aankomst in Rome vinden we vooral bij Herodianus.[455] Na het sluiten van een overeenkomst met de Britse stammen haastte Caracalla zich terug naar het gepacificeerde deel om zich te vervoegen bij Geta en Iulia Domna. Te York zouden Iulia Domna en een aantal prominente vrienden van Severus inspanningen geleverd hebben om de broers met elkaar te verzoenen. De inspanningen wierpen hun vruchten af want Caracalla stemde in met een verzoening en de broers sloten vriendschap. Het was echter meteen duidelijk dat deze vriendschap gehuicheld werd.[456] Dit geeft ook Dio duidelijk aan wanneer hij zegt dat beide broers deden alsof ze elkaar genegen waren, terwijl het antagonisme tussen beiden zeer sterk was bij al hun handelen en iedereen kon zien dat de situatie een slechte afloop zou kennen.[457] Herodianus heeft de opmerking van de gehuichelde liefde wellicht aan Cassius Dio ontleend. Ook de verzoeningspoging van Iulia Domna heeft hij wellicht van Dio overgenomen die een gelijkaardige gebeurtenis vertelt maar in een totaal verschillende context.[458] Vervolgens keerden de broers, in de hoedanigheid van keizers met evenwaardige macht, terug naar Rome met de stoffelijke resten van hun vader.[459]
Herodianus beschrijft de terugreis naar Rome en dit op zeer dramatische wijze. Zo zouden de broers totaal gescheiden geleefd hebben met een voortdurende vrees voor vergiftiging.[460] Hoewel de verhouding, gezien het latere feitenverloop ongetwijfeld gespannen was tussen Caracalla en Geta, stelt Herodianus het hier zeker overdreven voor. Hij kende de afloop van de twist tussen beide broers en wou deze gebeurtenis op dramatische wijze inleiden, met een fictief verhaal van twee totaal gescheiden leefwerelden.[461] Verder beschrijft Herodianus de plechtigheden die te Rome onder leiding van Caracalla en Geta werden gehouden, met de bijzetting van de urne van Severus in het mausoleum.[462] Daarbij stelt hij de broers voor als twee gelijkwaardige figuren; als twee volwaardige keizers. Zo’n voorstelling past in het beeld dat de auteur had van de dubbelheerschappij, dat zoals vermeld verschilde van Dio die eerder een ongelijke verhouding zag met een grotere macht voor Caracalla. Dio beschrijft geen dergelijke plechtigheden en vermeldt enkel dat Severus’ urne werd bijgezet in het mausoleum van de Antonini.[463] Toch is het waarschijnlijk dat de bijzetting begeleid werd door plechtigheden en dat de twee keizers daarbij als gelijkwaardigen werden geëerd. Dat Herodianus die gelijkwaardigheid benadrukt past evenwel duidelijk in het beeld dat hij van het dubbelkeizerschap wil ophangen.[464] Herodianus zet de dramatische inleiding van de moord op Geta voort. Zo stelt hij dat de broers ook na aankomst in Rome totaal gescheiden levens leidden. Het sterke antagonisme tussen de broers zou zelfs geleid hebben tot een tweedeling van het keizerlijk paleis, waarbij Caracalla in het ene deel verbleef en Geta in het andere, elk met zijn eigen groep van lijfwachten. Alle verbindingen tussen beide delen werden afgesloten en het paleis werd enkel toegankelijk gemaakt via de grote publieke ingangen. De broers vertoefden nooit in elkaars gezelschap en werden ook nooit samen opgemerkt, tenzij bij openbare plechtigheden.[465] Het is duidelijk dat we hier met een uiterst gedramatiseerde vertelling van Herodianus te maken hebben. Er is wellicht een kern van waarheid, in die zin dat de broers geenszins een goede relatie onderhielden en zij wellicht elkaars gezelschap meden. Maar dit element wordt dan door Herodianus sterk overdreven en uitvergroot, in de zin dat zij totaal gescheiden levens leidden; en dit in het kader van zijn dramatische inleiding op de tragische gebeurtenis van de broedermoord.
Na één van deze plechtigheden, namelijk de vergoddelijking van hun overleden vader die Herodianus beschrijft[466], escaleerden de onderlinge rivaliteiten en spanningen tussen Caracalla en Geta. Elk van hen begon openlijk samen te zweren tegen de andere om een machtsovername te verzekeren. Beiden zochten daarbij steun voor hun zaak en trachtten prominente personen voor zich te winnen door via een geheime briefwisseling extravagante beloften te doen. Volgens Herodianus zou Geta een grotere aanhang gehad hebben dan Caracalla omdat deze moreel superieur zou geweest zijn. Hij was milder en meer gematigd en had meer hoogstaande interesses dan zijn broer die eerder de man was van de impulsieve en gewelddadige actie en die hield van het soldatenleven. Daar waar Geta steun vond door begunstiging en overtuiging, verwierf Caracalla die door bedreigingen en intimidatie.[467] Het is duidelijk dat Herodianus zijn dramatische inleiding op de moord op Geta verder uitwerkt en daarbij de fantasie niet schuwt. Herodianus stelt de broers hier voor als elkaars tegengestelden en dus als onverenigbaar. Vooral zijn Geta-beeld valt daarbij op. Dat beeld is eenzijdig positief, waarmee hij de onrechtvaardigheid van de moord wil benadrukken. Geta heeft niet alleen vanuit staatsrechterlijk oogpunt recht op een even grote macht als zijn broer, maar ook vanuit moreel oogpunt.
Herodianus vermeldt dat Caracalla en Geta hun vader lieten vergoddelijken door de senaat en dit is ook door epigrafisch en numismatisch bewijs bevestigd.[468] Het is evident dat deze stap tot doel had de gevestigde dubbelheerschappij verder te legitimeren en te consolideren. Als erfgenamen van een vergoddelijkte keizer werd hun recht op de macht versterkt.[469]
2.3. Planden Caracalla en Geta een verdeling van het Rijk?
De tweedeling-gedachte vertrekkende vanuit het antagonisme tussen de twee broers als gelijkwaardige figuren staat centraal bij Herodianus en wordt verder uitgewerkt. Daarbij komt hij tot een opvallende stelling, die we evenals de rest van de dramatische inleiding, in geen enkele andere bron terugvinden. Immers meent hij dat de broers het plan hadden opgevat om het Rijk in twee te delen. Ze deelden hun plan mee aan het consilium principis, dat bestond uit de vrienden en raadgevers van Severus en dat speciaal voor de gelegenheid werd samengeroepen. Ook Iulia Domna was aanwezig op de vergadering, waar de details van de regeling werden uitgewerkt. Men stelde voor het Rijk in twee territoriale eenheden te verdelen. Caracalla zou daarbij keizer worden over een westelijk deel en Geta over een oostelijk deel. Men besloot een soort grens te creëeren aan de Bosporus met het leger van Caracalla in Byzantium en dat van Geta in Chalcedon.[470] Als nieuwe hoofdstad in het oosten zou Geta getwijfeld hebben tussen Antiochia en Alexandria, de hoofdstad van het westelijk deel van het Rijk zou vanzelfsprekend Rome blijven. Ook de senaat zou worden opgedeeld, waarbij de senatoren afkomstig uit westerse provincies in Rome bij Caracalla zouden blijven, terwijl de oosterse met Geta zouden meegaan.[471] De rijksdeling zou uiteindelijk niet zijn doorgevoerd dankzij de inspanningen van Iulia Domna, die eveneens op de betreffende vergadering aanwezig was. Bij het horen van het plan zou Iulia in tranen zijn uitgebarsten, jammerend dat haar zonen bij een rijksdeling ook haar zouden moeten doden en opdelen zodat zij bij elk van hen zou kunnen blijven. Meteen trachtte ze haar zonen met elkaar te verzoenen, maar tevergeefs. Na de vergadering keerden beide broers terug naar hun eigen vertrekken in het paleis. Wel was ze erin geslaagd met haar dramatische optreden medelijden op te wekken bij iedereen aanwezig op de vergadering zodat het plan voor een verdeling van het Rijk werd verworpen.[472]
Het plan van de rijksdeling is onwaarschijnlijk, omwille van het feit dat we er in het Epitome van Cassius Dio niets over terugvinden. Indien het gegeven vermeld zou geweest zijn in Dio’s origineel is het zeer onwaarschijnlijk dat de auteur van het Epitome zou verzuimd hebben om zo’n belangrijk element in zijn relaas op te nemen. Alföldy heeft aangetoond dat de hele scène typisch “Herodianisch” is. Enerzijds heeft ze tot doel de spanning en dramatiek van de vertelling op te drijven. Het is typisch Herodianisch te noemen dat hij een scène beschrijft met een consilium van zwijgende keizerlijke raadgevers en een dynamische vrouw die op dramatische wijze ingrijpt in het gebeuren.[473] Anderzijds komt hier het Geta-beeld van Herodianus duidelijk naar voor. Geta is moreel superieur ten opzichte van Caracalla en verschijnt hier nog sterker als een gelijkwaardig heerser aan wie de helft van het Romeinse Rijk diende toe te komen. In Herodianus’ relaas vormt de rijksdeling-scène de bekroning van eerdere vermeende machtsdelingen tussen Caracalla en Geta. Volgens hem was er reeds tijdens de expeditie in Britannia een machtsdeling, waarbij Severus Caracalla meenam op veldtocht naar het noordelijk deel van het eiland, terwijl Geta belast werd met het burgerlijk bestuur in het zuiden. Daarop volgde er een symbolische, kleinere “rijksdeling” in de vorm van een tweedeling van het paleis. Daarbij had men binnen het paleis een grens waar de wachtposten tegenover elkaar stonden opgesteld, hetgeen later ook werd gepland met betrekking tot de grotere rijksdeling waarbij de legers van de beide heersers aan de Bosporus tegenover elkaar zouden worden opgesteld. Daarop volgde de grote rijksdeling met een territoriale splitsing van het Rijk en een splitsing van de senaat en het leger. De hoofdstad verdeelde zich in twee kampen. De idee vormt voor Herodianus literair enkel een middel tot dramatisering en historiografisch een middel tot invulling van het Geta-beeld van deze auteur.[474] Men kan besluiten dat er in het relaas van Herodianus over de gebeurtenissen tussen het vertrek uit Britannia en de dood van Geta slechts een dun geraamte als historisch kan worden beschouwd: namelijk dat de spanning tussen beide broers na hun terugkeer in Rome toenam en dat ze al het mogelijke tegen elkaar ondernamen. Dit is nu net hetgeen ook in het relaas van Dio is overgeleverd, zodat Herodianus hier historisch geen meerwaarde biedt.[475]
De door Herodianus beschreven verzoeningspogingen vanwege Iulia Domna[476] hebben niet plaatsgevonden, hoewel de algemene idee van een verzoenende Iulia niet geheel verzonnen hoeft te zijn, in die zin dat ook Dio verhaalt over een verzoeningsscène, evenwel in een totaal andere context. Volgens Dio besloot Caracalla Geta uiteindelijk uit de weg te ruimen met een list, namelijk door de wens te uiten zich te willen verzoenen in het bijzijn van Iulia Domna.[477] Mogelijk ontleende Herodianus de idee van een verzoeningspoging van Iulia Domna aan Cassius Dio, en plaatste hij die dan in een totaal verschillende context.[478]
Tegen het einde van het jaar 211 was de relatie tussen Caracalla en Geta zó gespannen dat ze zeker tot uitbarsting moest komen. De ogenschijnlijk vreedzame dubbelheerschappij die Severus het Romeinse Rijk had nagelaten was uitgemond in een heerschappij van twee tegen elkaar samenzwerende keizers. Eén van de factoren die daartoe geleid hebben was, zoals vermeld, het feit dat Severus de opvolging door twee keizers met gelijke macht op ongelijke wijze had voorbereid, en dit door Caracalla veel vroeger te promoveren dan Geta. Dit leidde tot een dubbelheerschappij waarin de ene sterker stond en zich sterker voelde dan de andere. Het was dan ook de sterkere, Caracalla, die de zwakkere Geta uiteindelijk vermoordde en zijn alleenheerschappij vestigde.
De precieze datum van de moord is onzeker, maar ze moet zeker hebben plaatsgevonden vóór 11 juli 212.[479] Het numismatisch materiaal wijst op een datum vroeg in het jaar 212.[480] Dio Cassius geeft ons de leeftijd van Geta bij zijn dood, namelijk 22 jaar en negen maanden.[481] Indien deze leeftijd juist is en men neemt aan dat Geta geboren werd op 27 mei 189 dan zou de moord hebben plaatsgevonden op 26 februari 212.[482] Eerder had Dio aangegeven dat Caracalla zijn broer al had willen doden tijdens de Saturnalia, maar zijn plan verijdeld werd. Er volgde een korte periode waarin beide broers diverse plannen smeedden om de ander uit de weg te ruimen tot Caracalla uiteindelijk aan het langste eind trok.[483] De Saturnalia vonden plaats van 17 tot 23 december 211 en het is dus mogelijk dat de volgende periode van 2 maanden overeenstemt met de door Dio beschreven periode van samenzweren door de twee broers. Toch is er grote onzekerheid want heel wat onderzoekers menen dat de moord heeft plaatsgevonden in de tweede helft van december, waarbij zowel 19 als 26 december 211 worden voorgesteld als datum.[484] In dat geval zou de door Dio beschreven periode van escalerende spanning tussen de broers met openlijke samenzweringen veel korter geweest zijn en nauwelijks een paar dagen kunnen beslaan hebben. Barnes komt tot 26 december door interpretatie van chronografen uit het midden van de 4e eeuw die de regeringstijd van Geta weergeven.[485] Halfmann acht 19 december een betere interpretatie in de wetenschap dat Iulius Asper, na de moord nog vóór 1 januari 212 als nieuwe stadsprefect werd aangesteld en er met 26 december als datum daarvoor wellicht wat weinig tijd zou geweest zijn. In dit geval zou het bericht van Cassius Dio dat Caracalla Geta reeds tijdens de Saturnalia wou vermoorden enkel betrekking hebben op 17 december, de in oorsprong enige en grootste feestdag van de Saturnalia.[486] We houden het erop dat de moord met grote waarschijnlijkheid heeft plaatsgevonden ergens in de laatste 2 weken van december 211; na 17 december en vóór 1 januari 212. Daarbij kunnen zowel 19 als 26 december als data naar voor geschoven worden. Maar absolute zekerheid kan men daar niet over hebben.
Hoe werd de moord dan uiteindelijk uitgevoerd? Onze belangrijkste bronnen over deze gebeurtenis vormen het werk van Cassius Dio en in mindere mate Herodianus.[487] Cassius Dio vertoefde in deze periode vermoedelijk in Rome en zijn relaas over de moord en de daaropvolgende gebeurtenissen is het meest waardevol.[488] Hij beschrijft de broedermoord als volgt: Toen Caracalla’s plan om Geta tijdens de Saturnalia te doden was uitgelekt verscherpten de broers hun defensieve maatregelen. Daarom besloot Caracalla een list te gebruiken om zijn broer alsnog te vermoorden. Hij stelde voor aan Iulia Domna hen uit te nodigen in haar privé-vertrekken met het oog op een verzoening. Geta ging in op de uitnodiging en dat werd hem fataal, want toen hij daar aankwam werd hij onmiddellijk neergestoken door een aantal centuriones die door Caracalla op voorhand waren ingelicht. Het gebeuren was uiterst dramatisch. Geta was bij het zien van de moordenaars in de armen van Iulia Domna gesprongen schreeuwend om hulp. Hij werd echter genadeloos neergestoken, waarbij ook Iulia verwond werd aan haar hand. Dio wijst op de ironie van het lot dat Geta stierf in de moederschoot, waar zijn leven was begonnen. Iulia was besmeurd met bloed maar mocht geen traan laten; integendeel ze werd gedwongen blijdschap te tonen over de gebeurtenis.[489] Dit laatste vormt wellicht een overdrijving van Dio, die daarmee de wreedheid van Caracalla wil onderstrepen.
In herodianus’ relaas is er met betrekking tot de moord een hiaat, maar toch is de inhoud van zijn vertelling duidelijk. [490] Ook hij beschrijft een scène met een ontmoeting tussen Geta, Caracalla en Iulia Domna, waarbij Geta gedood werd in de armen van zijn moeder. In verband met de directe aanleiding zegt Herodianus niet dat het een door Caracalla opgezette list betrof; hij zegt enkel dat, aangezien zijn geheime plan geen succes kende, hij bereid was een gevaarlijke en wanhopige daad te stellen. Tevoren had hij wel al beschreven hoe de broers steeds meer intrigeerden en moordplannen smeedden, maar door de strenge veiligheidsmaatregelen die beiden troffen, was het vrijwel onmogelijk om de plannen door te voeren. Hij beschouwt zelfs de psychè van Caracalla zeggende dat zijn drang om de alleenheerschappij te vestigen een obsessie werd en hij de situatie uiteindelijk ondraaglijk vond. Hij zou of op grootse wijze overwinnen of op grootse wijze mislukken; de weg van het zwaard en het bloedvergieten was de enige weg.[491] Dit radicale denken past goed in de psychè van een persoon die zich soldaat voelde en hield van het soldatenleven en de bijhorende discipline. Zowel Cassius Dio als Herodianus geven in hun werk meermaals aan dat Caracalla zo iemand was met een bijzondere liefde voor het soldatenleven.[492]
Herodianus verschilt verder nog van Dio: zo vermeldt hij niets over de rol van de centurio en laat hij Caracalla Geta eigenhandig doden. Ook over de hulpkreten van Geta en de gedwongen zelfdiscipline van Iulia vertelt hij niets. Ondanks alle verschillen en afwijkingen heeft Herodianus hier Dio toch als bron gebruikt en dit is al voldoende aangetoond door Alföldy.[493] Die wijst er verder op dat het geen toeval is dat Herodianus de moord toch gedeeltelijk anders vertelt. Immers wou hij de waarheid verdraaien door bepaalde zaken, die wezen op een ongelukkige rol voor Geta te verzwijgen. Dit paste veel meer in zijn visie over de jongere broer die er geen van een schaduwfiguur was, maar van een evenwaardige mederegent. Volgens Dio’s relaas werd Geta namelijk op een vrij domme manier in de val gelokt door een banale list en huilde hij daarna als een kind naar zijn moeder. In de versie van Herodianus stierf hij als een slachtoffer van bruut geweld en in geen geval als een kind. Wellicht was dat de reden waarom Herodianus de moord niet liet gebeuren door een centurio, maar door Caracalla zelf; om zo de beslissende eindstrijd tussen de twee protagonisten te laten plaatsvinden. Toch meent Alföldy dat ook dit idee aan Cassius Dio kan ontleend zijn, aangezien die in een verder fragment zegt dat Caracalla het zwaard waarmee hij zijn broer vermoord had offerde aan de god Serapis.[494] Hoewel het ook mogelijk is dat het Epitome Dio fout heeft overgeleverd en die wellicht het zwaard bedoelde waarmee Geta gedood was, zonder te bedoelen dat Caracalla de daad had gesteld. Alföldy besluit dat er aangaande de moord in het relaas van Herodianus niets staat dat ook al niet door Dio was verteld; in feite verschilt zijn relaas enkel van dat van Cassius Dio door zijn onjuistheid.[495]
Zo kwam de jonge co-keizer P. Septimius Geta om het leven, zonder de leeftijd van 23 jaar bereikt te hebben. Hij was iets langer dan 2 jaar keizer geweest, waarvan minder dan een jaar als lid van de dubbelheerschappij die Severus het Romeinse Rijk had nagelaten. Enkel de Historia Augusta vermeldt wat er met het lijk van Geta gebeurde en dit in twee tegenstrijdige berichten, waarvan we dat in het Geta-vita waardeloos kunnen noemen. Volgens het Geta-vita kreeg hij eerst een begrafenis, waarna hij werd bijgezet in de graftombe van de familie van Severus langs de Via Appia. Dit is in strijd met het bericht in het Caracalla-vita dat Geta’s lijk onmiddellijk werd gecremeerd en dus niet werd begraven. Daarenboven was het familiegraf van Severus, gezien zijn adoptie, dat van de Antonini in Rome, en dus niet een eigen familiegraf langs de Via Appia. En het is onmogelijk te noemen dat Geta, als staatsvijand, een plaats zou krijgen in het graf van de Antonini.[496] Volgens het meer betrouwbare Caracalla-vita gaf Caracalla onmiddellijk na de moord het bevel Geta’s lijk te verbranden.[497] Dit is aannemelijk, ook gezien Herodianus’ bericht dat de lijken van Geta’s aanhangers, die in de nasleep van de moord werden gedood, dezelfde behandeling kregen.[498] Het is mogelijk dat de biograaf de idee heeft geconstrueerd uit het relaas van Herodianus. Ook tot het vervalste bericht in het Geta-vita kan de biograaf onder invloed van Herodianus gekomen zijn. Herodianus’ idee dat de lijken buiten de stad werden gesleept kan een invloed gehad hebben op de idee-vorming in het Geta-vita dat hij langs de Via Appia werd begraven. [499] Het is uiteraard ook mogelijk dat een ons onbekende bron aanleiding heeft gegeven tot het bericht. Nu zijn broer en medekeizer uit de weg geruimd waren kwam het er voor Caracalla op aan om zijn zopas verworven macht te consolideren en de buitenwereld ervan te overtuigen dat het gebeurde absoluut noodzakelijk was geweest.
2.5. De nasleep van de moord: consolidatie en repressie:
Over de gebeurtenissen volgend op de broedermoord zijn we uitvoerig geïnformeerd. Uit de antieke bronnen blijkt dat Caracalla onmiddellijk diverse stappen zette om zijn net verworven alleenheerschappij te consolideren. Daarbij was de steun van de troepen in Rome, en dan vooral van de pretorianen, van levensbelang. De keizer was zich hiervan terdege bewust en richtte dan ook in eerste instantie zijn aandacht op de pretorianen.[500] In tweede instantie richtte hij zich tot de senaat. Dit orgaan had parallel met de groeiende macht van de keizer steeds meer aan macht ingeboet en haar behandeling en passiviteit in de gebeurtenissen illustreren die tanende macht. Wat volgde was schijnbaar een nietsontziende repressie onder Geta’s aanhang die erop gericht was alle mogelijke tegenstand de kop in te drukken.
a) Het leger
- Caracalla’s optreden in het kamp van de pretorianen na de dood van Geta:
Cassius Dio, die in deze periode in Rome verbleef schrijft dat de moord ’s avonds gebeurde en dat Caracalla onmiddellijk erna naar het legerkamp trok om zich van de steun van de troepen te verzekeren. Onderweg had hij daarbij voortdurend geroepen dat hij op het nippertje aan een samenzwering was ontsnapt en dat zijn leven in groot gevaar verkeerde. Hij hield er een toespraak waarin hij allerlei beloften en beloningen uitsprak; eerder dan verantwoording af te leggen voor het gebeurde. Hij benadrukte dat hij zich een soldaat voelde en dat hij nu in een positie stond om hen, medesoldaten, gunsten te bewijzen.[501] Dio pretendeert Caracalla daarbij letterlijk te citeren, hoewel hij als senator zeker niet aanwezig was tijdens de toespraak. Wellicht was hem de inhoud ervan via een andere bron ter ore gekomen en legde Dio dan zijn woorden in de mond van Caracalla. Toch is er weinig reden om aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de toespraak te twijfelen. Het is evident dat de hoofdreden van Caracalla’s bezoek aan het legerkamp was de troepen aan zijn zijde te krijgen en het is eveneens evident dat dit gebeurde door allerlei gunsten te verlenen. Op een andere plaats in het Epitome van Dio staat trouwens letterlijk dat Caracalla bloedgeld betaald had aan de troepen voor de moord op zijn broer.[502] Dat de auteur Caracalla laat benadrukken dat hij zich in de eerste plaats soldaat voelde stemt overeen met het algemene beeld dat we krijgen van deze keizer in de bronnen, die het tot zijn beleid maakte om de troepen te begunstigen.[503] Al deze gebeurtenissen speelden zich ‘s avonds af, waarna Caracalla in het legerkamp overnachtte; wellicht omdat dat gezien de verwarrende gebeurtenissen het veiligste was.
De gebeurtenissen die onmiddellijk volgden op de moord worden door Herodianus uitvoeriger en dramatischer beschreven. Toch steunde hij ook op dit vlak vermoedelijk op Cassius Dio.[504] Na de moord rende Caracalla de kamer uit en liep door het paleis roepende dat hij op het nippertje ontsnapt was aan een groot gevaar. Onder begeleiding van de paleiswachten trok hij naar het legerkamp, in de wetenschap dat hij daar veiliger zou zijn. Met een grote groep soldaten arriveerde hij ter plaatse, terwijl er op de straten paniek ontstond. In de tempel van het kamp wierp hij zich ter aarde en bracht hij een dankoffer. Tegenover de soldaten loog Caracalla dat hij zonet aan een samenzwering van Geta was ontsnapt en dat hij na een hevig gevecht met de vijand aan de dood was ontkomen. Daarop beloofde hij de troepen hun soldij met de helft te verhogen met daarbovenop een schenking van 2500 Attische drachmen voor elk van hen. Hij beval hen zelfs hun beloning te halen uit de schatkamers en heiligdommen. Daarop erkenden de troepen Caracalla als alleenheerser en verklaarden ze Geta tot staatsvijand.[505] Herodianus vermeldt dus niet Caracalla’s toespraak tot de troepen die Dio zogezegd letterlijk had geciteerd. Voor de rest neemt hij Dio vrijwel volledig over, mits toevoeging van een aantal elementen. Daarvan zijn er een aantal typisch Herodianisch te noemen, zoals het bevel aan de wachten om hem uit het paleis te begeleiden, de onrust in de stad en de offer-scène in de tempel van het legerkamp. Andere elementen kan Herodianus echter uit Dio’s origineel gehaald hebben, zoals de verklaring van Geta tot staatsvijand.[506] Ook de soldij-verhoging en de omvang van de schenking kan Herodianus ontleend hebben aan Dio’s origineel, maar hij heeft dat bericht dan op zijn eigen manier verdraaid.[507]
Het bericht in de Historia Augusta over de gebeurtenissen onmiddellijk volgend op de moord is vrij onduidelijk en chronologisch verward, maar toch bevat het een aantal interessante elementen. De biograaf beschrijft immers twee maal een scène in een legerkamp. De eerste plaatst hij onmiddellijk na de dood van Severus waarna Caracalla naar het kamp van de pretorianen trok om daar zijn beklag te doen over zijn broer die voortdurend tegen hem samenzweerde. Pas daarna stelt de Historia Augusta dat Caracalla zo zijn broer liet vermoorden in het paleis, waarbij hij het bevel gaf zijn lichaam onmiddellijk te verbranden. Daarna wordt er teruggegrepen naar dezelfde scène in het kamp van de pretorianen waarbij Caracalla verdere beschuldigingen zou hebben geuit ten opzichte van zijn broer: Geta zou voorbereidingen getroffen hebben om hem te vergifigen en zou zich daarenboven op oneerbiedige wijze gedragen hebben ten opzichte van hun moeder. Het is duidelijk dat de biograaf hier een chronologische fout heeft gemaakt en de scène die hij beschrijft volgende op de dood van Severus past eigenlijk in het kader van de nasleep van de dood van Geta. Dit blijkt ook uit het feit dat in hetzelfde bericht vermeld wordt dat Caracalla in het kamp de moordenaars van zijn broer openlijk bedankte en hij hen zelfs een bonus gaf voor hun getoonde loyauteit.[508] De gebeurtenissen in het legerkamp vonden dus zeker plaats ná de broedermoord en niet ervoor. Met betrekking tot de inhoud van Caracalla’s redevoering heeft de auteur van het vita vermoedelijk op Herodianus gesteund.[509]
De biograaf van het Caracalla- vita wekt met zijn bericht de indruk alsof Caracalla zich eerst verzekerde van de ruggensteun van de troepen in het kamp van de pretorianen vooraleer zijn broer te vermoorden. In de passage kan men bijna een verzoek bemerken van de biograaf om Caracalla tot op zekere hoogte eerherstel te geven: De onthulling van de samenzweringspraktijken van Geta zou hem de rechtsgrond verschaft hebben om zich van zijn broer te ontdoen. Het is ook vreemd dat de biograaf geen beschrijving geeft van de moord, hoewel hij er zeker van op de hoogte moet zijn geweest.[510] Toch moet men in het relaas van de biograaf geen Caracalla-vriendelijke tendens zien. De omgekeerde chronologie had niet tot doel een rechtvaardiging te leveren; de auteur wou enkel de omstandigheden beschrijven waaronder de moord had plaatsgevonden, waarbij een voortdurend samenzwerende Geta Caracalla ertoe bracht zijn broer uit de weg te ruimen. Het verzwijgen van de uiteindelijke moord kan men ook verklaren als nalatigheid van de auteur.[511]
De Historia Augusta bevat nog de beschrijving van een tweede scène die plaatsvond in een legerkamp te Alba in de nasleep van de moord. Het bericht wordt door geen enkele andere bron geattesteerd en wijst op een negatieve houding van bepaalde troepen ten opzicht van Caracalla’s machtsgreep.
- Leidde de broedertwist tussen Caracalla en Geta tot verdeeldheid binnen het leger?
De houding van het leger in de controverse tussen Caracalla en Geta verdient grondige aandacht. In de antieke bronnen kan men aanwijzingen vinden dat die houding geenszins eensgezind was. Op 2 plaatsen wordt ons de houding van het leger verduidelijkt. Cassius Dio en Herodianus geven aan dat Caracalla nog in Britannia, onmiddellijk na de dood van Severus, Geta al uit de weg wou ruimen, maar dat hij daarbij op weerstand stuitte vanwege de aanwezige troepen.[512] De motieven zijn hier niet relevant, belangrijk is dat de troepen in Britannia in geen geval actief de zijde kozen van Caracalla. Ook de auteur van de Historia Augusta maakt zowel in het vita van Caracalla als dat van Geta gewag van een niet eensgezinde houding binnen het leger over het verloop van de gebeurtenissen: “Sommige soldaten te Alba ontvingen het nieuws van Geta’s dood met woede en verklaarden dat ze trouw hadden gezworen aan beide zonen van Severus en dat ze die ook dienden te behouden ten opzichte van beiden”.[513] De troepen waarvan sprake behoren tot het “Legio II Parthica” dat Severus sinds de door hem in 193 doorgevoerde ontbinding van de pretoriaanse wacht te Alba (het tegenwoordige Albano, op zo’n 25 kilometer van Rome) had gestationeerd als permanent garnizoen.[514] Volgens de biograaf ging Caracalla zelfs ter plaatse, maar bij zijn aankomst sloten de soldaten de poorten en weigerden ze de keizer de toegang. Pas nadat Caracalla in een korte toespraak Geta tot zondebok had gemaakt en de soldaten had gepaaid met enorme geldschenkingen werd hij tot het kamp toegelaten.[515] Het bericht over de troepen te Alba is in de eerste plaats al merkwaardig te noemen omdat het door geen enkele andere bron wordt bevestigd. Verder lijkt het bericht in de context waarin het werd geplaatst chronologisch onmogelijk te zijn.
Dit werd al opgemerkt door Alföldy die het als een belangrijke bedenking opwerpt in diens pleidooi om het hele bericht af te doen als een vervalsing van de biograaf. Volgens het bewuste vita zou Caracalla op dezelfde dag als de moord eerst het kamp van de pretorianen bezocht hebben, vervolgens zou hij de 25 kilometer verre tocht naar Alba gemaakt hebben waar de episode met de ontevreden troepen zich afspeelde. Daarna zou hij nog op dezelfde dag naar Rome teruggekeerd zijn om er de senaat toe te spreken.[516] Van Dio weten we echter dat Caracalla ‘s avonds Geta vermoordde, onmiddellijk daarna naar het kamp van de pretorianen ging en hij pas de volgende dag de senaat toesprak.[517] Herodianus complementeert Dio stellende dat Caracalla de nacht doorbracht in de tempel van het kamp van de pretorianen.[518] Aangezien de moord ‘s avonds gebeurde en onmiddellijk erna de scène in het kamp van de pretorianen plaatsgreep kan Caracalla onmogelijk de tijd gehad hebben om de tocht te maken naar Alba; immers sprak hij de volgende dag de senaat toe.[519] Ook uit de inhoud van de passage blijkt dat men hier te maken heeft met een vervalsing van de biograaf. Het verhaal lijkt samengesteld te zijn uit feiten die de biograaf in zijn bronnenmateriaal in een andere context heeft aangetroffen en die hij dan in deze context heeft ingelast. Het gegeven dat Caracalla de toegang tot het legerkamp werd geweigerd kan hij gehaald hebben uit het vita van Didius Iulianus, waarin deze, na de dood van Pertinax eveneens de toegang tot het legerkamp werd geweigerd, evenals tot de senaat.[520] De beschuldigingen aan het adres van Geta en de belofte van enorme geldsommen herhaalt de biograaf uit zijn eerdere beschrijving van de scène in het kamp van de pretorianen.[521] Inhoudelijk stemt dit min of meer overeen met hetgeen Herodianus schreef over de gebeurtenissen in het legerkamp en waarbij deze waarschijnlijk steunde op Dio’s origineel.[522] In verband met de motivering die de biograaf geeft voor de houding van de troepen te Alba lijkt die gebruik gemaakt te hebben van Herodianus. Herodianus gaf dezelfde motivering voor de negatieve houding van de troepen in Britannia ten opzichte van Caracalla’s vroege poging om zijn alleenheerschappij te vestigen. Ook zij herinnerden Caracalla eraan dat Severus de macht had afgestaan aan beide zoons en dat zij hun loyauteit tegenover beiden moesten behouden.[523] Het lijkt erop dat we hier te maken te hebben met de persoonlijke opvatting van Herodianus omdat hij terzake afwijkt van Cassius Dio die als motivering voor de negatieve houding van de troepen hun genegenheid tegenover Geta omwille van diens fysische gelijkenis met Severus aangaf.[524] De auteur van de Historia Augusta heeft die persoonlijke gedachten van Herodianus dan gebruikt en in een andere context geplaatst.[525] De bedoeling van de vervalsing is aan te tonen dat een deel van het leger Caracalla vijandig gezind was.
De literiare bronnen wijzen er dus op dat de houding van het leger ten aanzien van de machtsgreep van Caracalla niet eensgezind was. De idee van een verdeelde houding binnen het leger kan waarachtig zijn, want epigrafisch onderzoek heeft geleid tot resultaten die in dezelfde richting kunnen wijzen. Er werden heel wat epigrafische attestaties gevonden van militaire formaties die de keizerlijke eretitel “Antoniniana” droegen. Degene die met Caracalla als alleenheerser in verband kunnen gebracht worden werden pas na 212 opgericht. In de gevallen van de precedenten “Domitiana” en “Commoda” werden met de bijnamen troepen geëerd die zich loyaal hadden betoond en hadden bijgedragen tot een overwinning tegen een plaatselijke usurpator.[526] Uit de verspreiding van de attestaties blijkt dat de bijnaam onder Caracalla niet algemeen was en het gebruik ervan geografisch begrensd. Uit de analyse van de inscripties blijkt dat Caracalla twee maal legertroepen heeft onderscheiden met de eretitel “Antoniniana”. De tweede maal was naar aanleiding van de Parthenoorlog, alle voorgaande attestaties dateren dus van vóór 27 mei 216, de vroegste datum voor het begin van die oorlog.[527] Volgens Fitz moet de eerste toekenning in verband gebracht worden met de twist tussen Geta en Caracalla. Daarbij dient men het te interpreteren als een uitdrukking van getoonde trouw aan de keizer en vormt de bijnaam een herbeleving van de praktijken onder Domitianus en Commodus. Zijn onderzoek van de epigrafische attestaties van de bijnaam wijst uit dat hij voor het eerst werd uitgereikt in de lente van 212.[528] Met behulp van de in 212 verleende “Antoniniana”-bijnamen kunnen die provinciale legers bepaald worden die Caracalla steunden in de crisis van 211/212. Uit de verspreiding blijkt dat vanaf de eerste uitreiking tot de Germanenoorlog in 213 enkel de troepen die aan de Rijn en Donau gestationeerd waren met de bijnaam onderscheiden werden.[529] Naast de pretoriaanse wacht en de troepen in Rome kon Caracalla dus nog rekenen op de steun van de Rijn- en de Donau-legers. De troepen in Britannia werden in 212/213 zeker niet onderscheiden en dit zou in overeenstemming zijn met de getuigenissen van Cassius Dio en Herodianus die erop wezen dat de Britse troepen weigerachtig stonden ten opzichte van een machtsgreep van Caracalla. Fitz acht het ook waarschijnlijk dat het “Legio II Parthica” in Alba eveneens niet werd onderscheiden en dit overeenkomstig met de passage in het Caracalla-vita.[530] Helaas kan dit (nog) niet gestaafd worden met epigrafisch materiaal.
De troepen die in de nasleep op Caracalla’s staatsgreep werden onderscheiden met het attribuut “Antoniniana” moeten Caracalla loyauteit betoond of een beslissend engagement verleend hebben in de kritieke fase. Zoals de literaire getuigenissen vermoeden en nu ondersteund wordt met epigrafisch materiaal is het mogelijk dat bepaalde delen van het leger aanvankelijk niet de vereiste loyauteit wilde betuigen. Waaruit de bijstand van de noordelijke troepen kan bestaan hebben is niet geweten, mogelijk hadden ze de keizer in een formele verklaring verzekerd dat ze hem zouden dienen tot het einde, ook als dit een burgeroorlog betekende.[531] Mogelijk had Caracalla deze troepen op voorhand ingelicht van zijn voornemens en hadden deze hem daar volledige steun in beloofd. Het is zeker geen toeval dat net de troepen aan de Rijn en vooral die aan de Donau Caracalla bijstand verleenden. Het waren immers de troepen van de Donau-provincie Moesia Superior die in Viminacium getuige waren van zijn Caesar- proclamatie door Severus. En ook Severus had in de burgeroorlog steeds sterk gesteund op de Donaulegers; het waren de troepen van Pannonia Superior die hem in 193 tot keizer hadden uitgeroepen.
Ook de pretoriaanse garde werd onderscheiden met de “Antoniniana”-bijnaam, en dit werd geattesteerd ten vroegste eind 213.[532] Zoals we weten uit de literaire bronnen had Caracalla de garde onmiddellijk na de moord op Geta voor zich kunnen winnen. Bij deze gelegenheid zal hij hen ook beloond hebben met de bijnaam, ondanks dat hij pas meer dan een jaar later geattesteerd is.[533] De pretoriaanse garde was door Severus bij zijn verblijf in Rome in 193 ontbonden geweest en vervangen door een grotere, nieuwe garde. Tevoren had die vooral bestaan uit Romeinse burgers uit Italia en in mindere mate uit burgers uit Spanje, Macedonia en Noricum. Severus verving ze door een nieuwe troepenmacht, met ongeveer dubbel zoveel manschappen, zo’n 15000 man sterk. Hoewel Cassius Dio beweert dat de rekrutering ervoor in heel het leger gebeurde, werd er in werkelijkheid overwegend geput uit het Donauleger.[534] Dit gegeven kan een rol gespeeld hebben in het feit dat Caracalla de pretorianen aan zijn zijde kreeg. Deze nieuwe garde was uiterst trouw aan Severus die de band nog versterkte door ze sterk te belonen. Voor Caracalla was het belangrijk de pretorianen te tonen dat hij dat beleid van zijn vader wou verder zetten, met andere woorden dat hij hun zoveel mogelijk zou belonen. Op die manier lag het voor de hand dat de, nu vooral uit Donau-troepen bestaande garde haar tevoren getoonde onvoorwaardelijke trouw aan Severus overdroeg op zijn zoon die duidelijk aangaf in dezelfde geest te willen regeren.
Dat in het bericht van de Historia Augusta de troepen in Alba en dus net het “Legio II Parthica” zich verzette tegen de gebeurtenissen is opvallend. Immers kan het gaan over het legioen dat ook tijdens de expeditie naar Britannia in 209 onder Severus en in 210 onder Caracalla had gediend.[535] Wellicht bevond het legioen zich dan ook in Britannia toen Caracalla kort na de dood van Severus de troepen al wou overtuigen om hem als alleenheerser te erkennen, maar dat die dat weigerden om de ons, via Dio en Herodianus, bekende redenen.[536] In dat geval bleven de soldaten van deze formatie consequent in hun houding en werden zij dan ook niet onderscheiden met het keizerlijke attribuut “Antoniniana”. En indien het bericht in het Caracalla-vita waarachtig zou zijn dan zouden zij die houding zelfs aanvankelijk sterk doorgedreven hebben door de keizer met woede te ontvangen en hem de toegang tot het legerkamp te weigeren. Zoals vermeld is deze scène met een keizerlijk bezoek op dezelfde dag als de moord vrijwel onmogelijk, maar het is toch mogelijk dat de keuze van de biograaf voor de troepen van Alba gestoeld is op correcte informatie uit een ons onbekende bron.
Uit het onderzoek van de verspreiding van de keizerlijke “Antoniniana”-attributen blijkt ook dat de oosterse legers in 212 er niet mee werden onderscheiden. Dit zou volgens Fitz overeenstemmen met Herodianus’ bericht over de in 211 door Caracalla en Geta geplande rijksdeling waarbij Geta keizer zou worden over een oostelijk Rijk. Hij meent dat men het verhaal dan ook zeker niet kan afdoen als een pure uitvinding van deze auteur, waarmee hij ingaat tegen Alföldy die het zag als een fictief verhaal dat onderdeel vormt van zijn dramatische inleiding op de moord en waarin Herodianus’ persoonlijke gedachtegang naar voor komt. [537] De rijksdelingsgedachte was mogelijk gebaseerd op een concrete situatie in het Romeinse leger, waarbij de meerderheid van de westelijke provincies Caracacalla steunde en het gros van de oostelijke aan Geta’s kant stond. Dat het plan van tafel werd geveegd was dan het gevolg van deze militaire toestand, en dus niet het resultaat van Iulia Domna’s dramatische optreden in Herodianus’ beschrijving.[538] Want ook voor de troepen in Britannia, Hispania, Numidia en in het kamp van Alba worden enkel legereenheden zonder de “Antoniniana”-bijnaam geattesteerd. Het leger zou door het conflict met Geta dus niet enkel in een oostelijk en een westelijk deel gesplitst zijn, maar in 3 delen waarbij zich dezelfde zwaartepunten aftekenden als in de burgeroorlog van 193. Fitz meent dan ook dat:”De tegenstellingen tussen de drie legergroepen na de burgeroorlog schijnen voortbestaan te hebben; ze waren onder de energieke regering van Septimius Severus gewoon niet meer aan de oppervlakte gekomen.” Wanneer de centrale macht verzwakt werd door de broedertwist kwamen die spanningsvelden weer aan de oppervlakte.[539]
Het onderzoek van de keizerlijke “Antoniniana”-attributen heeft geleid tot interessante hypothesen. Fitz’ resultaten zouden erop wijzen dat men het verhaal van Herodianus over de rijksdeling nauwelijks nog kan bestempelen als een zuiver verzinsel.[540] Toch menen wij dat de vergadering over de rijksdeling zoals het verteld wordt door Herodianus niet heeft plaatsgevonden. De argumenten van Alföldy om het te bestempelen als een fictief verhaal zijn immers zeer overtuigend. Het feit dat de rijksdeling door geen enkele andere bron wordt bevestigd, en dan vooral niet door Dio vormt het sterkste argument. De idee past enkel in een lange dramatische inleiding op de broedermoord die historisch ten opzichte van Cassius Dio geen meerwaarde biedt. Met uitzondering van een klein geraamte van elementen die de auteur van Dio haalde, zijn alle andere toevoegingen ontsproten aan de rijke fantasie van de auteur.[541] Fitz’ stelling dat het Rijk zich eigenlijk in drie delen splitste en dat dit het gevolg was van de tegenstellingen van 193 die na de regering van Severus weer aan de oppervlakte kwamen lijkt overdreven. Inderdaad waren het de Rijn- en Donautroepen die in 212 schijnbaar bereid waren geweest het beslissend engagement te leveren waarvoor ze werden onderscheiden met het “Antoniniana”-attribuut; dezelfde legers die Septimius Severus in 193 tot keizer en Caracalla tijdens de overwintering in Viminacium in 195-196 tot Caesar hadden uitgeroepen.
Waaruit bestond dat engagement? Wellicht had Caracalla in de periode die aan de moord voorafging de legers die onderscheiden werden de vraag gesteld of zij onvoorwaardelijk trouw waren aan zijn zaak, en zij dit zouden blijven in een eventuele burgeroorlog met Geta. Wij menen dat men echter niet met zekerheid kan stellen dat aan de troepen die later niet werden onderscheiden dezelfde vraag werd gesteld en dat de reden van het uitblijven van de onderscheiding een negatief antwoord was op deze vraag; dat die troepen partij hadden gekozen voor Geta. Het vormt wel een interessante hypothese waarbij een negatief antwoord van de troepen in Britannia zou overeenstemmen met de berichten van Dio en Herodianus over de houding van deze troepen tijdens de Britse expeditie. Dat deze vermeende houding het gevolg zou zijn van de spanningen die hadden voortbestaan sinds 193 lijkt ons te ver gezocht. Eerder zouden de Britse troepen dan een houding aangenomen hebben naar aanleiding van het incident in Britannia toen Caracalla hen reeds steun vroeg voor zijn alleenheerschappij en zijn zij daarin consequent geweest toen ongeveer een jaar later dezelfde vraag werd gesteld. Het is ook onduidelijk of deze troepen dan expliciet partij kozen voor Geta tegen Caracalla; misschien kozen ze voor de dubbelheerschappij, naar de wens van Severus en niet voor de alleenheerschappij, ongeacht van wie van de twee keizers. De onderscheiding bleef met uitzondering van Mauretania Caesariensis en Syria Palaestina ook uit in de rest van het leger. Hoe kan men dat verklaren? Het oosten vormde inderdaad het zwaartepunt van Niger’s macht in 193, maar betekent dit dat er na Severus’ overwinning spanningen waren blijven bestaan die nu in de controverse tussen Caracalla en Geta resulteerden in een negatief antwoord op Caracalla’s vraag naar steun, als die er al geweest is? En indien die vraag er was geweest en indien die troepen daar een negatief antwoord op hadden gegeven; betekent dit dan dat zij expliciet de zijde kozen van Geta, zo in overeenstemming met Herodianus’ idee van een rijksdeling? En indien zij de zijde kozen van Geta en niet gewoon de dubbelheerschappij wilden behouden zien, welke motieven zouden zij daarvoor gehad hebben? Dit lijken ons vragen die niet met zekerheid kunnen beantwoord worden.
Het enige dat men met vrij grote zekerheid kan besluiten uit het onderzoek rond de “Antoniniana”-attributen is dat de Rijn- en Donautroepen zich expliciet hebben geëngageerd voor Caracalla, tegen Geta, en dat zij daar later voor werden onderscheiden. Dit engagement kwam er dan op vraag van Caracalla, maar dit betekent niet dat die vraag ook werd gesteld aan de andere legertroepen in het Rijk en dit vormt toch de kern van Fitz’ theorie om de verdeeldheid binnen het leger en het rijksdelingsplan als waarachtig te beschouwen. Het engagement van een groot deel van de troepen buiten Rome betekende voor Caracalla inderdaad een belangrijk steunpunt en motivering om met zijn plannen door te gaan.[542] De Donau-troepen waren strategisch zeer belangrijk, gezien de geografische nabijheid bij Rome. In het geval van een burgeroorlog kon men van daaruit in korte tijd met een leger naar Rome optrekken.
Al onze bronnen maken melding van een zekere beloning aan de troepen, die Caracalla tijdens zijn toespraak in het legerkamp zou hebben uitgesproken. Hoe groot was deze beloning en wie werd erdoor begunstigd? Herodianus is de enige die informatie geeft over de precieze omvang van de loonsverhoging stellende dat hij hun normale wedde verhoogde met ½; daarenboven kreeg elke soldaat een schenking van 2500 Attische drachmen.[543] Herodianus vermeldt enkel de verhoging die werd gegeven aan de pretorianen, maar Cassius Dio lijkt aan te geven dat de verhoging gold voor de troepen in het algemeen.[544] De precieze omvang van de verhoging kan men bepalen aan de hand van een correcte bepaling van de omvang van de loonsverhoging gegeven door Severus. Over deze verhoging vermelden de bronnen enkel dat ze heeft plaatsgevonden zonder dat er een bedrag wordt gegeven.[545] Severus’ verhoging wordt gedateerd in de periode 198/199.[546] Cassius Dio geeft het enige exacte cijfer voor de totale verhoging zeggende dat die opliep tot zo’n 70 miljoen denarii per jaar.[547] Na grondig onderzoek en zorgvuldige berekening heeft men de loonsverhoging van Severus met een grote waarschijnlijkheid bepaald op 33,5 %, zodat de Caracalla’s loonsverhoging van 50 % de kostprijs had van 79 miljoen denarii per jaar. Met een afwijking van 9 miljoen heeft Dio dus een vrij goede schatting gemaakt.[548] Indien men de door Herodianus vermelde schenking van 2500 Attische drachmen aan de pretorianen aanneemt en die eraan toevoegt dan komt men tot een fenomenale geldbesteding aan het leger. Volgens de Historia Augusta zou Caracalla in het legerkamp zelfs een bonus beloofd hebben aan de moordenaars van Geta en dit na hen openlijk bedankt te hebben.[549] Dit is zeker een vervalsing aangezien Caracalla de ware doodsomstandigheden verzweeg en dus zeker niet openlijk de moordenaars kan bedankt en beloond hebben.[550] In elk geval was het voor Caracalla, zoals blijkt uit zijn handelingen, een absolute voorwaarde om zich van de steun van het leger te verzekeren.
b) De senaat:
- Caracalla’s optreden in de senaat na de dood van Geta
Nu Caracalla zijn broer uit de weg had geruimd en zich van de steun van het leger had verzekerd richtte hij zich tot de senaat. Net zoals voor alle voorgaande keizers vormde de formele erkenning door de senaat en haar steun een noodzakelijke voorwaarde.[551] Uit de literaire bronnen komt naar voor dat Caracalla een dreigende houding had aangenomen ten aanzien van de senaat en de zitting lijkt gevolgd geweest te zijn door diverse executies van senatoren. Grondig onderzoek heeft echter uitgewezen dat deze schijnbare dreigende houding eerder een toenaderende houding omkleedde en dat de daaropvolgende executies niet specifiek gericht waren tegen senatoren.[552]
Over de senaatszitting is in het Epitome van Cassius Dio weinig overgeleverd. Nochtans was de auteur vrijwel zeker aanwezig op de zitting, aangezien hij op dat moment in Rome vertoefde en zijn aanwezigheid als senator dus logisch was.[553] Het is waarschijnlijk dat Dio’s origineel meer informatie bevatte dan in het overgeleverde Epitome is terug te vinden.[554] Er wordt enkel gesteld dat Caracalla verschillende opmerkingen gaf in de senaat en dat hij tijdens die zitting plots was opgesprongen om amnestie te verkondigen aan alle bannelingen. Dio vermeldt daar nog bij dat dit slechts in schijn een “weldaad” was, aangezien hij meteen begon met een massamoord onder Geta’s aanhangers.[555] Petrus Patricius voegt daar in het Epitome nog aan toe dat Caracalla ‘s morgens de senaat betrad en onmiddellijk vergiffenis vroeg aan de senatoren, niet omwille van het feit dat hij zijn broer had vermoord maar omwille van het feit dat hij een pijnlijke keel had en hij hen daarom niet kon toespreken. De keelpijn was dan wellicht het gevolg van het feit dat Caracalla na de moord naar het legerkamp was gegaan al schreeuwend dat hij aan een samenzwering ontsnapt was. Caracalla zou ook nog een beperking hebben uitgesproken met betrekking tot het eerder verkondigde amnestie-edict: de amnestie zou geen betrekking hebben op diegenen die verbannen waren door Caracalla’s oom.[556]
Opnieuw beschrijft Herodianus de gebeurtenissen uitvoeriger, hoewel hij vermoedelijk de essentie overnam van Cassius Dio.[557] Nadat Caracalla de nacht had doorgebracht in de tempel van het legerkamp trok hij onder begeleiding van de hele pretoriaanse wacht naar de senaat. Bij het binnentreden bracht hij een offer en plaatste zich op de keizerlijke troon van waaruit hij een toespraak hield.[558] Deze wordt door Herodianus geciteerd, maar kan met zekerheid als een verzinsel beschouwd worden.[559] Volgens Herodianus legde Caracalla de moord op theoretische wijze uit als een geval van zelfverdediging en maande hij de senatoren aan zich op objectieve wijze een oordeel te vormen. Na de speech wierp hij nog een aantal haatdragende blikken naar de aanhangers van Geta en vertrok dan terug naar het paleis. De senatoren bleven verbijsterd en in grote angst achter.[560]
Ook de Historia Augusta bericht kort over de senaatszitting, waarbij ze wel de chronologie door elkaar haalt door de senaat-scène op dezelfde dag te laten plaatsvinden als de moord, terwijl uit de berichten van Cassius Dio en Herodianus bleek dat ze pas de dag erna plaatsvond. Volgens de biograaf woonde Caracalla de zitting bij voorzien van een harnas en vergezeld door een gewapende escorte. Die gewapende wacht liet hij opstellen in twee rijen, tussen zichzelf en de senatoren. Ook hier gaf Caracalla een toespraak waarin hij zich trachtte vrij te pleiten van elke schuld bewerende dat de moord een daad van zelfverdediging was gezien het voortdurend samenzweren van zijn broer. Na de toespraak gaf hij het recht aan alle bannelingen om naar hun vaderland terug te keren.[561] Daarmee bevestigt de Historia Augusta het amnestie-edict, waarvan ook Cassius Dio gewag had gemaakt.
Alföldy heeft aangetoond dat Herodianus met betrekking tot de senaatszitting opnieuw grotendeels op Cassius Dio heeft gesteund. Herodianus zegt dat Caracalla in het legerkamp overnachtte; dit kan hij afgeleid hebben van Dio die stelde dat Caracalla op de avond van de moord de troepen toesprak en de volgende dag de senaat. Zijn beschrijving van de manier waarop Caracalla de senaat betrad steunt op Dio’s beschrijving. Dat Caracalla sprak vanuit de keizerlijke troon kan hij afgeleid hebben van Dio die zei dat Caracalla begon te spreken nadat hij plots was opgestaan. De toespraak van Caracalla is echter zeker een verzinsel van de fantasierijke auteur, hoewel hij mogelijk ook voor de algemene inhoud ervan steunde op Cassius Dio. In het Epitome krijgen we immers de indruk dat Caracalla op een redelijk onsamenhangende wijze sprak en hij duidelijk geen uitdrukkelijke informatie gaf over de moord en de motieven. Dit wordt ook letterlijk vermeld in de Historia Augusta die stelt dat Caracalla “op een verwarde en incoherente manier sprak over het verraad van zijn broer”.[562] Ook in de door Herodianus geciteerde toespraak bemerken we die onsamenhangendheid en het uitblijven van expliciete informatie. De feitelijke inhoud van de toespraak is echter een product van Herodianus’ fantasie.[563]
Op het eerste zicht lijkt Caracalla zich op een dreigende en imponerende manier tot de senaat gericht te hebben. Zowel Herodianus als de Historia Augusta vermelden dat Caracalla een gewapende escorte had meegenomen naar de zitting, waarbij Herodianus zelfs spreekt van de hele pretoriaanse wacht. De dreigende houding wordt nog onderstreept door de Historia Augusta die stelt dat Caracalla voor hij aan zijn toespraak begon eerst zijn gewapende escorte liet opstellen in twee rijen tussen zichzelf en de senatoren. Het is mogelijk dat de auteur dit element ontleende aan een ons onbekende bron, maar het is eveneens mogelijk dat het een uitvinding betrof met als doel de terreur van Caracalla te beklemtonen.[564] In het Epitome van Cassius Dio wordt dit alles niet vermeld en dit doet Sillar vermoeden dat Caracalla niet vergezeld was van troepen in de senaat. Van Cassius Dio, die doorheen zijn werk consequent een vijandige houding ten opzichte van Caracalla ten toon spreidt, zou men zeker kunnen verwachten dat hij zo’n feit, indien het zich zou hebben voorgedaan, zou hebben vermeld.[565] Alföldy was echter van oordeel dat het gegeven waarschijnlijk wel vermeld stond in Dio’s origineel, maar niet werd overgeleverd in het Epitome. Hoewel hij erkent dat Herodianus’ stelling dat het de hele pretoriaanse wacht betrof ongetwijfeld een overdrijving is, meent hij dat deze auteur de idee van een gewapende escorte wellicht aan Dio’s origineel heeft ontleend en het dus waarschijnlijk heeft plaatsgevonden.[566]
Ons lijkt het waarschijnlijk dat Caracalla zich toch verzekerde van een aantal gewapende lijfwachten voor de senaatszitting. De macht die hij zonet had verworven was nog broos en in Rome en in de senaat waren er ongetwijfeld nog vele aanhangers van Geta zodat het logisch lijkt dat Caracalla het zekere voor het onzekere nam en zich liet begeleiden door lijfwachten in de senaat. Dit hoeft echter niet te betekenen dat hij de senaat zou betreden hebben begeleid door een overweldigende troepenmacht met de bedoeling om zeer bedreigend over te komen. Een praktisch inzicht in het vrijwaren van de persoonlijke veiligheid kan er hem gewoon toe gebracht hebben een beperkte gewapende escorte mee te nemen. De Historia Augusta vermeldt dat Caracalla onder zijn gewaden een harnas verborg, hetgeen ook wijst op een bekommernis om de persoonlijke veiligheid.[567] Alföldy’s bewering dat het gegeven in Dio’s origineel wellicht vermeld stond, maar dat het Epitome het niet heeft overgeleverd is dan ook plausibel. Maar het gegeven hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat Caracalla een dreigende houding aannam ten opzichte van de senaatsleden en dit is toch de hoofdstelling van Sillar.
Bij Herodianus en de Historia Augusta krijgen we de indruk dat de toespraak van Caracalla inhoudelijk bedreigend overkwam ten opzichte van de senatoren. Vooral bij Herodianus krijgen we die indruk. Hij legt Caracalla diverse dreigementen in de mond en stelt dat de senatoren na het vertrek van de keizer in grote angst achterbleven.[568] Er is echter geen grond om te veronderstellen dat de toespraak inhoudelijk bedreigend was tegenover de senaat.[569] In het relaas van Dio vinden we er immers niets over terug. Uit zijn relaas krijgt men de indruk dat de vergadering op beschaafde wijze verliep met een toespraak die eerder kort was en waarbij het onderwerp van de broedermoord zoveel mogelijk werd gemeden.[570] Bovendien kan men de toespraak bij Herodianus als een pure uitvinding van de auteur beschouwen.[571] Ook het bericht in de Historia Augusta over de senaatszitting lijkt eerder overeen te komen met een bepaalde sfeertekening vanwege de biograaf. Het is uiteraard mogelijk dat het origineel van Cassius Dio de senaatsvergadering uitvoeriger behandelde dan het resultaat dat ons in het Epitome is overgeleverd en dat die een langere toespraak bevatte die inhoudelijk bedreigend kan geweest zijn voor de senatoren. Maar hetgeen wel overgeleverd is wijst niet noodzakelijk op een inhoudelijk bedreigende toespraak.
- Het amnestie-edict:
Zowel Cassius Dio als de auteur van de Historia Augusta stellen dat Caracalla tijdens de senaatszitting verklaarde dat alle bannelingen naar huis mochten terugkeren. Cassius Dio, die de zitting vermoedelijk meemaakte pretendeert de keizer daarbij letterlijk te citeren: “Luistert allen naar deze belangrijke mededeling van mij: dat de hele wereld zich verheugt; laat alle bannelingen die op welke schuldgrond dan ook veroordeeld zijn of op welke wijze dan ook, terugkeren.”[572] Het in de literaire bronnen vermelde edict wordt onder andere ook bevestigd door een papyrus dat de neerslag bevat van een later edict dat de clausules van het eerder uitgesproken amnestie-edict preciseerde.[573] Uit het papyrus is op te maken dat dit 2e edict werd uitgevaardigd te Rome op 11 juli 212 en te Alexandria op 10 februari 213. Het bericht van Dio doet ons vermoeden dat de maatregel een persoonlijke beslissing was van Caracalla, spontaan genomen op het moment zelf en dit als reactie op een weinig enthousiaste ontvangst van zijn toespraak door de senaat.[574] Ook het gegeven dat er later een tweede edict diende te worden uitgevaardigd om het eerste te preciseren kan erop wijzen dat het amnestie-edict te vaag was geformuleerd, juist omdat het een impulsieve beslissing was. Uit de studie van het edict dat op papyrus werd bewaard blijkt dat het verschillende elementen bevat die wijzen op een persoonlijke betrokkenheid en pathos in het opstellen van de tekst.[575] Het amnestie-edict vormt een persoonlijke beslissing van Caracalla genomen tijdens de senaatszitting volgende op de moord op Geta; een beslissing waar waarschijnlijk geen voorbereiding aan is voorafgegaan.[576] De spontaan verklaarde amnestie vormde een teken van keizerlijke welwillendheid en vrijgevigheid. Onderzoek heeft aangetoond dat dit een typische karaktertrek vormde van Caracalla die tot uiting kwam in verschillende maatregelen van deze keizer.[577] In het Epitome van Dio schrijft Petrus Patricius dat Caracalla ook nog een beperking zou hebben uitgesproken met betrekking tot amnestie-edict: de amnestie zou geen betrekking hebben op diegenen die verbannen waren door Caracalla’s oom.[578] Wie zou Caracalla bedoeld hebben wanneer hij het in de senaat had over zijn oom, “jullie vader”? Mogelijk bedoelde hij Commodus, die zijn oom was geworden door de zelfadoptie van Severus in de gens Aurelia waarbij Severus zich de broer noemde van de vergoddellijkte Commodus. Waarom het amnestie-edict geen betrekking zou hebben op de personen die door deze overleden keizer waren verbannen is niet meteen duidelijk.
In het edict kan men een toenaderende stap zien ten aanzien van de senaat; immers zorgde de beslissing ervoor dat vele verbannen senatoren konden terugkeren. [579] Het in hetzelfde papyrus overgeleverde 2e edict specifiëert daarenboven dat de bannelingen konden terugkeren naar hun posten in het staatsapparaat. [580] Tijdens de regering van Severus werden heel wat senatoren verbannen.[581] Zij konden nu niet alleen naar huis terugkeren maar ook hun voormalige posten wederom bekleden. Aldus kan de maatregel terecht beschouwd worden als een toenaderende stap tegenover de senaat, die vermoedelijk heel wat senatoren begunstigd heeft en dan ook de goedkeuring van de senaat zal gekregen hebben. De maatregel was gepast, gezien de, volgens de Historia Augusta, weinig enthousiaste reactie van de senatoren op Caracalla’s toespraak.[582] Caracalla’s optreden in de senaat was dus vermoedelijk niet zo bedreigend als Herodianus en de Historia Augusta laten vermoeden. Eerder was het Caracalla’s bedoeling de senaat voor zich te winnen en niet te provoceren. Het amnestie-edict illustreert die toenadering goed. Misschien kan men Caracalla’s beslissing in 212 met de bouw te beginnen van de beroemde thermen, die naar hem werden genoemd, ook zien als een toenaderende stap tot de senatoren.[583] Ook de repressie die volgde op Geta’s dood richtte zich niet specifiek op senatoren.
c) Repressie:<