Een historische biografie van keizer Caracalla (188-217). (Michiel Vanderhaeghe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 2: De dubbelheerschappij van Caracalla en Geta (211)

 

2.1. De eerste maatregelen na Severus’ dood:

 

De antieke historiografen geven aan dat, hoewel de macht in de dubbelheerschappij officieel gelijk was verdeeld, Caracalla duidelijk de sterkere figuur was. Het was dan ook Caracalla die volgende op de dood van zijn vader de eerste maatregelen trof. Eerst voerde hij een zuivering door in zijn onmiddellijke omgeving met de terechtstelling van verschillende leden van de keizerlijke hofhouding. Herodianus illustreert de zuivering treffend met de overdrijving:”Niemand die geëerd was geweest door de oude keizer of die gediend had als zijn bediende mocht voortleven.”[427] Herodianus stelt het hier overdreven voor en spreekt zichzelf later tegen, in die zin dat sommige vrienden en vertrouwelingen van Severus in latere berichten nog een prominente rol krijgen toebedeeld.[428] Dat Herodianus geen namen vermeldt van de getroffen personen is kenmerkend voor zijn gehele werkwijze. Onder de slachtoffers waren vooral die leden die bij Severus in de gunst hadden gestaan of die hem hadden gediend. Zo richtte hij een slachting aan onder Severus’ huispersoneel.[429] Hij beval de terechtstelling van Evodus, zijn vroegere leermeester. Ook de prominente keizerlijke vrijgelatene, Castor, waarmee Caracalla eerder al in conflict was gekomen werd geëxecuteerd.[430] Ook de keizerlijke artsen werden gedood, omdat zij hadden verzuimd de dood van zijn vader te versnellen, evenals de voormalige opvoeders omdat zij bleven volharden in hun pogingen om Caracalla en Geta te verzoenen.[431] Alföldy wijst erop dat Herodianus de passage over de keizerlijke artsen heeft verzonnen, waarbij hij zich inspireerde op Cassius Dio die stelde dat het gerucht de ronde deed dat Severus “geholpen” werd bij zijn dood.[432] Herodianus heeft uit deze geruchten een “feit” gecreëerd en heeft dat geconcretiseerd. Het verhaal met de artsen dat Herodianus gebruikt vindt men ook terug in het bericht van Dio over de dood van Marcus Aurelius.[433] Ook voor zijn voormalige echtgenote Plautilla en haar broer Plautius werden executiebevelen uitgevaardigd.[434] Caracalla had hen al willen vermoorden toen hun vader, Plautianus begin 205 werd gedood, maar door tussenkomst van Severus werd hij daartoe belet, zodat beiden verbannen werden naar het eiland Lipara. Maar nu Severus was weggevallen, viel ook hun bescherming tegenover Caracalla weg en deze achtte de tijd rijp om zijn eerder voornemen uit te voeren. Herodianus situeert de terechtstelling van Plautilla in de nasleep op de val van Geta; maar waarschijnlijk werden zij gedood in de nasleep van Severus’ dood bij terugkomst in Rome. De gebeurtenis staat immers vermoedelijk in verband met het feit dat Severus en zijn invloed op Caracalla terzake was weggevallen.[435]

 

Eveneens in Rome vertelt Cassius Dio over het ter dood brengen van de beroemde paardenmenner Euprepes, omdat deze een partij had gesteund die niet werd gefavoriseerd door Caracalla.[436] Herodianus verhaalt een gelijkaardig incident, maar schijnt het opnieuw chronologisch fout te situeren. Hij plaatst de gebeurtenis immers in de nasleep op de moord op Geta en niet zoals Dio in de nasleep van Severus’ dood. Ook inhoudelijk verschilt Herodianus’ feitenrelaas van dat van Dio, zodat men niet met zekerheid kan stellen dat beide versies hetzelfde incident betreffen. Volgens Herodianus was Caracalla’s actie gericht tegen het publiek van de wagenrennen, dat een andere wagenmenner steunde dan die die de keizer prefereerde. Daarop liet hij een willekeurige slachting aanrichten in het publiek, waarbij er vele onschuldige slachtoffers vielen.[437] Het verhaal vertoont duidelijke overeenkomsten met dat van Dio, zodat we kunnen vermoeden dat beiden dezelfde gebeurtenis verhalen, waarbij Herodianus mogelijk gesteund heeft op Dio, maar dan zijn eigen versie van het gebeuren heeft gevormd. Alföldy meent dat Herodianus hetzelfde bericht verteld heeft als Dio en dat het kenmerkend is voor de werkwijze van deze auteur dat hij de wagenmenner niet bij naam noemt en dit ondanks dat hij wel over die naam beschikt uit Dio. Ook Plautilla noemt hij niet bij naam, maar hij spreekt enkel over “de dochter van Plautianus die zijn vrouw is geweest en zich nu in Sicilia bevond”.[438] In al deze terechtstellingen zien we het wrede karakter van de persoon van Caracalla tot uiting komen. Al wie hem tegen de haren instreek of een bedreiging vormde moest compromisloos worden gedood. Vooral de personen die een vertrouwenspositie hadden vervuld ten aanzien van zijn vader zag hij als een bedreiging. Met de dood van Severus viel ook diens bescherming weg ten aanzien van die personen, zodat zij kwetsbaar werden voor de toorn van Caracalla. De beste voorbeelden van die weg gevallen bescherming vormen Plautilla en haar broer, Evodus en Castor.

 

Septimius Severus was overleden in volle voorbereiding op een nieuwe militaire expeditie in Britannia. De Caledonii hadden zich aangesloten bij de opstand van de Maetae,[439] waarschijnlijk omwille van de brutale behandeling die deze laatsten vanwege Severus hadden ondergaan. Schijnbaar was de situatie daar geenszins onder controle en was ze zelfs nog verergerd ten opzichte van het begin van de Britse expeditie, want voor het eerst waren zowel de Caledonii als de Maetae samen in opstand.[440] Caracalla verlangde echter terug te keren naar Rome en besliste geen verdere campagne te voeren. Daarom sloot hij een vredesovereenkomst met de vijand, waarbij men de oorspronkelijke bedoeling van Severus om het hele eiland te veroveren[441] opgaf en men zich terug trok uit vijandelijk gebied, met achterlating van de gebouwde forten.[442] Herodianus stelt dat Caracalla een overeenkomst sloot met de barbaren, waarbij hij hen in ruil voor bepaalde garanties de vrede schonk. Daarna verliet hij hun gebied en trok naar het zuidelijke deel van het eiland om zich te voegen bij moeder en broer.[443] Over welke garanties Herodianus het heeft is onduidelijk; maar dat ze afdoende waren is zeker, aangezien er geen grote opstanden meer kwamen in Britannia. Dio geeft de indruk dat de evacuatie uit het nieuw veroverde gebied zeer snel en in een keer gebeurde. Uit onderzoek rond het belangrijke fort te Carpow is echter gebleken dat deze post waarschijnlijk nog gedurende 2 à 3 jaren verder werd uitgebouwd ter demonstratie van de Romeinse militaire macht en dan pas werd ontmanteld. De evacuatie van Schotland gebeurde dus niet zo overhaast als Dio aangeeft, maar in fasen. [444] Caracalla trok de voornaamste troepenconcentraties terug tot de Muur van Hadrianus en voerde een grensbeleid met patrouilles, ten noorden van de Muur en met de controle van de Schotse stammenvergaderingen.[445]

 

 

2.2. Escalatie van de broedertwist

 

Nog in Britannia zou Caracalla stappen gezet hebben om meteen de alleenheerschappij te vestigen. Dio stelt, zoals vermeld, dat Caracalla reeds tijdens Severus’ leven plannen koesterde om zijn broer uit de weg te ruimen maar dat hij daartoe belet werd in de eerste plaats door Severus, maar later, wanneer hij zelf de leiding had over de militaire campagne van 210, ook door de legioenen. De reden daarvoor zou geweest zijn dat de troepen een zekere genegenheid vertoonden ten aanzien van Geta, vooral omdat deze uiterlijk zeer sterk geleek op zijn vader.[446] Herodianus geeft aan dat Caracalla het leger voor zich trachtte te winnen door de officieren te vleien en aan zich te binden met persoonlijke geschenken en extravagante beloften. Op deze manier wou hij de officieren ertoe bewegen het leger te overtuigen om hem als alleenheerser te erkennen. Maar net als Dio geeft Herodianus aan dat de troepen zich niet zomaar lieten overtuigen. De reden daarvoor zou volgens hem echter zijn dat de troepen terugdachten aan Severus en het feit dat zij beide broers reeds van jongs af als gelijken hadden beschouwd. Nu toonden ze een gelijke verbondenheid en loyauteit ten opzichte van beiden.[447] Hoewel Herodianus het hier niet expliciet aangeeft, bedoelt hij duidelijk dat Caracalla in Britannia al had getracht Geta uit te schakelen door het leger om te kopen. Uit de context kunnen we verder afleiden dat Caracalla deze tactiek wou toepassen tijdens diens verblijf in het noorden, terwijl Geta en Iulia Domna op dat moment in York vertoefden.[448]

 

Herodianus en Cassius Dio geven verschillende motieven voor de troepen om niet mee te gaan met de plannen van Caracalla. Volgens Dio bleef het leger trouw uit psychologische overwegingen, volgens Herodianus uit staatsrechterlijke. Het staatsrechterlijke motief wordt ook herhaald in de Historia Augusta.[449] Beide motieven kunnen zuiver historisch plausibel zijn. Toch valt op dat Dio en Herodianus duidelijk een verschillend beeld hadden van Geta: voor Dio was Geta een onbeduidend figuur die zich steeds bevond in een ondergeschikte machtspositie ten opzichte van Caracalla en die enkel omwille van sentimentele redenen sympathie kreeg van de troepen; terwijl voor Herodianus Geta een evenwaardige heerser was, die de sympathie kreeg van de troepen omdat hij staatsrechterlijk recht had op een even grote macht als Caracalla.[450] Het bericht van Dio lijkt ons het meest plausibel. Herodianus’ staatsrechterlijke idee lijkt eerder te passen in een hele gedachtegang die de auteur ontwikkeld heeft over de dubbelheerschappij. Die zag hij als volledig gelijkwaardig, met zelfs een plan tot een territoriale rijksdeling met verschillende hoofdsteden. Dat de troepen uit dergelijke staatsrechterlijke overwegingen weigerden om Caracalla als alleenheerser te erkennen vormde voor Herodianus een stap in de ontwikkeling van zijn persoonlijke idee over de dubbelheerschappij. En dit alles past in zijn dramatische inleiding op de latere gebeurtenis, waarbij de korte dubbelheerschappij abrupt werd beëindigd door broedermoord.[451]

 

Over de gebeurtenissen tussen het vertrek uit Britannia en de uiteindelijke moord op Geta, tussen februari en december 211, geeft Cassius Dio slechts weinig informatie. Zoals vermeld, deden Caracalla en Geta openlijk alsof ze in harmonie leefden, maar doordat ze in al hun handelen steeds lijnrecht tegenover elkaar stonden was het voor de buitenwereld duidelijk dat de situatie een slechte afloop zou kennen. Volgens de bijgelovige Dio waren er dan ook, reeds vóór hun terugkomst in Rome voortekenen geweest die daarop wezen.[452] Vervolgens maakt Dio een sprong in de tijd en verhaalt hij dat Caracalla zijn broer al had willen vermoorden tijdens de Saturnalia, van 17 tot 23 december. Vóór de bewuste feesten was zijn plan echter al uitgelekt zodat hij er uiteindelijk van moest afzien. Er volgden een aantal botsingen tussen de broers, waarbij elk van hen defensieve maatregelen trof uit vrees voor een samenzwering van de ander. Uiteindelijk bedacht Caracalla een list om zijn broer uit de weg te ruimen.[453] Vanaf de aankomst van de keizers in Rome verhaalt Dio heel wat anekdotes vanuit persoonlijke observatie, hetgeen erop wijst dat hij zich in deze periode in Rome bevond.[454]

 

Informatie over de gebeurtenissen in de tijdspanne tussen het afhandelen van de Britse kwestie na de dood van Severus en de aankomst in Rome vinden we vooral bij Herodianus.[455] Na het sluiten van een overeenkomst met de Britse stammen haastte Caracalla zich terug naar het gepacificeerde deel om zich te vervoegen bij Geta en Iulia Domna. Te York zouden Iulia Domna en een aantal prominente vrienden van Severus inspanningen geleverd hebben om de broers met elkaar te verzoenen. De inspanningen wierpen hun vruchten af want Caracalla stemde in met een verzoening en de broers sloten vriendschap. Het was echter meteen duidelijk dat deze vriendschap gehuicheld werd.[456] Dit geeft ook Dio duidelijk aan wanneer hij zegt dat beide broers deden alsof ze elkaar genegen waren, terwijl het antagonisme tussen beiden zeer sterk was bij al hun handelen en iedereen kon zien dat de situatie een slechte afloop zou kennen.[457] Herodianus heeft de opmerking van de gehuichelde liefde wellicht aan Cassius Dio ontleend. Ook de verzoeningspoging van Iulia Domna heeft hij wellicht van Dio overgenomen die een gelijkaardige gebeurtenis vertelt maar in een totaal verschillende context.[458] Vervolgens keerden de broers, in de hoedanigheid van keizers met evenwaardige macht, terug naar Rome met de stoffelijke resten van hun vader.[459]

 

Herodianus beschrijft de terugreis naar Rome en dit op zeer dramatische wijze. Zo zouden de broers totaal gescheiden geleefd hebben met een voortdurende vrees voor vergiftiging.[460] Hoewel de verhouding, gezien het latere feitenverloop ongetwijfeld gespannen was tussen Caracalla en Geta, stelt Herodianus het hier zeker overdreven voor. Hij kende de afloop van de twist tussen beide broers en wou deze gebeurtenis op dramatische wijze inleiden, met een fictief verhaal van twee totaal gescheiden leefwerelden.[461] Verder beschrijft Herodianus de plechtigheden die te Rome onder leiding van Caracalla en Geta werden gehouden, met de bijzetting van de urne van Severus in het mausoleum.[462] Daarbij stelt hij de broers voor als twee gelijkwaardige figuren; als twee volwaardige keizers. Zo’n voorstelling past in het beeld dat de auteur had van de dubbelheerschappij, dat zoals vermeld verschilde van Dio die eerder een ongelijke verhouding zag met een grotere macht voor Caracalla. Dio beschrijft geen dergelijke plechtigheden en vermeldt enkel dat Severus’ urne werd bijgezet in het mausoleum van de Antonini.[463] Toch is het waarschijnlijk dat de bijzetting begeleid werd door plechtigheden en dat de twee keizers daarbij  als gelijkwaardigen werden geëerd. Dat Herodianus die gelijkwaardigheid benadrukt past evenwel duidelijk in het beeld dat hij van het dubbelkeizerschap wil ophangen.[464] Herodianus zet de dramatische inleiding van de moord op Geta voort. Zo stelt hij dat de broers ook na aankomst in Rome totaal gescheiden levens leidden. Het sterke antagonisme tussen de broers zou zelfs geleid hebben tot een tweedeling van het keizerlijk paleis, waarbij Caracalla in het ene deel verbleef en Geta in het andere, elk met zijn eigen groep van lijfwachten. Alle verbindingen tussen beide delen werden afgesloten en het paleis werd enkel toegankelijk gemaakt via de grote publieke ingangen. De broers vertoefden nooit in elkaars gezelschap en werden ook nooit samen opgemerkt, tenzij bij openbare plechtigheden.[465] Het is duidelijk dat we hier met een uiterst gedramatiseerde vertelling van Herodianus te maken hebben. Er is wellicht een kern van waarheid, in die zin dat de broers geenszins een goede relatie onderhielden en zij wellicht elkaars gezelschap meden. Maar dit element wordt dan door Herodianus sterk overdreven en uitvergroot, in de zin dat zij totaal gescheiden levens leidden; en dit in het kader van zijn dramatische inleiding op de tragische gebeurtenis van de broedermoord.

 

Na één van deze plechtigheden, namelijk de vergoddelijking van hun overleden vader die Herodianus beschrijft[466], escaleerden de onderlinge rivaliteiten en spanningen tussen Caracalla en Geta. Elk van hen begon openlijk samen te zweren tegen de andere om een machtsovername te verzekeren. Beiden zochten daarbij steun voor hun zaak en trachtten prominente personen voor zich te winnen door via een geheime briefwisseling extravagante beloften te doen. Volgens Herodianus zou Geta een grotere aanhang gehad hebben dan Caracalla omdat deze moreel superieur zou geweest zijn. Hij was milder en meer gematigd en had meer hoogstaande interesses dan zijn broer die eerder de man was van de impulsieve en gewelddadige actie en die hield van het soldatenleven. Daar waar Geta steun vond door begunstiging en overtuiging, verwierf Caracalla die door bedreigingen en intimidatie.[467] Het is duidelijk dat Herodianus zijn dramatische inleiding op de moord op Geta verder uitwerkt en daarbij de fantasie niet schuwt. Herodianus stelt de broers hier voor als elkaars tegengestelden en dus als onverenigbaar. Vooral zijn Geta-beeld valt daarbij op. Dat beeld is eenzijdig positief, waarmee hij de onrechtvaardigheid van de moord wil benadrukken. Geta heeft niet alleen vanuit staatsrechterlijk oogpunt recht op een even grote macht als zijn broer, maar ook vanuit moreel oogpunt.

 

Herodianus vermeldt dat Caracalla en Geta hun vader lieten vergoddelijken door de senaat en dit is ook door epigrafisch en numismatisch bewijs bevestigd.[468] Het is evident dat deze stap tot doel had de gevestigde dubbelheerschappij verder te legitimeren en te consolideren. Als erfgenamen van een vergoddelijkte keizer werd hun recht op de macht versterkt.[469]

 

 

2.3. Planden Caracalla en Geta een verdeling van het Rijk?

 

De tweedeling-gedachte vertrekkende vanuit het antagonisme tussen de twee broers als gelijkwaardige figuren staat centraal bij Herodianus en wordt verder uitgewerkt. Daarbij komt hij tot een opvallende stelling, die we evenals de rest van de dramatische inleiding, in geen enkele andere bron terugvinden. Immers meent hij dat de broers het plan hadden opgevat om het Rijk in twee te delen. Ze deelden hun plan mee aan het consilium principis, dat bestond uit de vrienden en raadgevers van Severus en dat speciaal voor de gelegenheid werd samengeroepen. Ook Iulia Domna was aanwezig op de vergadering, waar de details van de regeling werden uitgewerkt. Men stelde voor het Rijk in twee territoriale eenheden te verdelen. Caracalla zou daarbij keizer worden over een westelijk deel en Geta over een oostelijk deel. Men besloot een soort grens te creëeren aan de Bosporus met het leger van Caracalla in Byzantium en dat van Geta in Chalcedon.[470] Als nieuwe hoofdstad in het oosten zou Geta getwijfeld hebben tussen Antiochia en Alexandria, de hoofdstad van het westelijk deel van het Rijk zou vanzelfsprekend Rome blijven. Ook de senaat zou worden opgedeeld, waarbij de senatoren afkomstig uit westerse provincies in Rome bij Caracalla zouden blijven, terwijl de oosterse met Geta zouden meegaan.[471] De rijksdeling zou uiteindelijk niet zijn doorgevoerd dankzij de inspanningen van Iulia Domna, die eveneens op de betreffende vergadering aanwezig was. Bij het horen van het plan zou Iulia in tranen zijn uitgebarsten, jammerend dat haar zonen bij een rijksdeling ook haar zouden moeten doden en opdelen zodat zij bij elk van hen zou kunnen blijven. Meteen trachtte ze haar zonen met elkaar te verzoenen, maar tevergeefs. Na de vergadering keerden beide broers terug naar hun eigen vertrekken in het paleis. Wel was ze erin geslaagd met haar dramatische optreden medelijden op te wekken bij iedereen aanwezig op de vergadering zodat het plan voor een verdeling van het Rijk werd verworpen.[472]

 

Het plan van de rijksdeling is onwaarschijnlijk, omwille van het feit dat we er in het Epitome van Cassius Dio niets over terugvinden. Indien het gegeven vermeld zou geweest zijn in Dio’s origineel is het zeer onwaarschijnlijk dat de auteur van het Epitome zou verzuimd hebben om zo’n belangrijk element in zijn relaas op te nemen. Alföldy heeft aangetoond dat de hele scène typisch “Herodianisch” is. Enerzijds heeft ze tot doel de spanning en dramatiek van de vertelling op te drijven. Het is typisch Herodianisch te noemen dat hij een scène beschrijft met een consilium van zwijgende keizerlijke raadgevers en een dynamische vrouw die op dramatische wijze ingrijpt in het gebeuren.[473] Anderzijds komt hier het Geta-beeld van Herodianus duidelijk naar voor. Geta is moreel superieur ten opzichte van Caracalla en verschijnt hier nog sterker als een gelijkwaardig heerser aan wie de helft van het Romeinse Rijk diende toe te komen. In Herodianus’ relaas vormt de rijksdeling-scène de bekroning van eerdere vermeende machtsdelingen tussen Caracalla en Geta. Volgens hem was er reeds tijdens de expeditie in Britannia een machtsdeling, waarbij Severus Caracalla meenam op veldtocht naar het noordelijk deel van het eiland, terwijl Geta belast werd met het burgerlijk bestuur in het zuiden. Daarop volgde er een symbolische, kleinere “rijksdeling” in de vorm van een tweedeling van het paleis. Daarbij had men binnen het paleis een grens waar de wachtposten tegenover elkaar stonden opgesteld, hetgeen later ook werd gepland met betrekking tot de grotere rijksdeling waarbij de legers van de beide heersers aan de Bosporus tegenover elkaar zouden worden opgesteld. Daarop volgde de grote rijksdeling met een territoriale splitsing van het Rijk en een splitsing van de senaat en het leger. De hoofdstad verdeelde zich in twee kampen. De idee vormt voor Herodianus literair enkel een middel tot dramatisering en historiografisch een middel tot invulling van het Geta-beeld van deze auteur.[474] Men kan besluiten dat er in het relaas van Herodianus over de gebeurtenissen tussen het vertrek uit Britannia en de dood van Geta slechts een dun geraamte als historisch kan worden beschouwd: namelijk dat de spanning tussen beide broers na hun terugkeer in Rome toenam en dat ze al het mogelijke tegen elkaar ondernamen. Dit is nu net hetgeen ook in het relaas van Dio is overgeleverd, zodat Herodianus hier historisch geen meerwaarde biedt.[475]

 

De door Herodianus beschreven verzoeningspogingen vanwege Iulia Domna[476] hebben niet plaatsgevonden, hoewel de algemene idee van een verzoenende Iulia niet geheel verzonnen hoeft te zijn, in die zin dat ook Dio verhaalt over een verzoeningsscène, evenwel in een totaal andere context. Volgens Dio besloot Caracalla Geta uiteindelijk uit de weg te ruimen met een list, namelijk door de wens te uiten zich te willen verzoenen in het bijzijn van Iulia Domna.[477] Mogelijk ontleende Herodianus de idee van een verzoeningspoging van Iulia Domna aan Cassius Dio, en plaatste hij die dan in een totaal verschillende context.[478]

 

 

2.4. De moord op Geta

 

            Tegen het einde van het jaar 211 was de relatie tussen Caracalla en Geta zó gespannen dat ze zeker tot uitbarsting moest komen. De ogenschijnlijk vreedzame dubbelheerschappij die Severus het Romeinse Rijk had nagelaten was uitgemond in een heerschappij van twee tegen elkaar samenzwerende keizers. Eén van de factoren die daartoe geleid hebben was, zoals vermeld, het feit dat Severus de opvolging door twee keizers met gelijke macht op ongelijke wijze had voorbereid, en dit door Caracalla veel vroeger te promoveren dan Geta. Dit leidde tot een dubbelheerschappij waarin de ene sterker stond en zich sterker voelde dan de andere. Het was dan ook de sterkere, Caracalla, die de zwakkere Geta uiteindelijk vermoordde en zijn alleenheerschappij vestigde.

 

De precieze datum van de moord is onzeker, maar ze moet zeker hebben plaatsgevonden vóór 11 juli 212.[479] Het numismatisch materiaal wijst op een datum vroeg in het jaar 212.[480] Dio Cassius geeft ons de leeftijd van Geta bij zijn dood, namelijk 22 jaar en negen maanden.[481] Indien deze leeftijd juist is en men neemt aan dat Geta geboren werd op 27 mei 189 dan zou de moord hebben plaatsgevonden op 26 februari 212.[482] Eerder had Dio aangegeven dat Caracalla zijn broer al had willen doden tijdens de Saturnalia, maar zijn plan verijdeld werd. Er volgde een korte periode waarin beide broers diverse plannen smeedden om de ander uit de weg te ruimen tot Caracalla uiteindelijk aan het langste eind trok.[483] De Saturnalia vonden plaats van 17 tot 23 december 211 en het is dus mogelijk dat de volgende periode van 2 maanden overeenstemt met de door Dio beschreven periode van samenzweren door de twee broers. Toch is er grote onzekerheid want heel wat onderzoekers menen dat de moord heeft plaatsgevonden in de tweede helft van december, waarbij zowel 19 als 26 december 211 worden voorgesteld als datum.[484] In dat geval zou de door Dio beschreven periode van escalerende spanning tussen de broers met openlijke samenzweringen veel korter geweest zijn en nauwelijks een paar dagen kunnen beslaan hebben. Barnes komt tot 26 december door interpretatie van chronografen uit het midden van de 4e eeuw die de regeringstijd van Geta weergeven.[485] Halfmann acht 19 december een betere interpretatie in de wetenschap dat Iulius Asper, na de moord nog vóór 1 januari 212 als nieuwe stadsprefect werd aangesteld en er met 26 december als datum daarvoor wellicht wat weinig tijd zou geweest zijn. In dit geval zou het bericht van Cassius Dio dat Caracalla Geta reeds tijdens de Saturnalia wou vermoorden enkel betrekking hebben op 17 december, de in oorsprong enige en grootste feestdag van de Saturnalia.[486] We houden het erop dat de moord met grote waarschijnlijkheid heeft plaatsgevonden ergens in de laatste 2 weken van december 211; na 17 december en vóór 1 januari 212. Daarbij kunnen zowel 19 als 26 december als data naar voor geschoven worden. Maar absolute zekerheid kan men daar niet over hebben.

 

Hoe werd de moord dan uiteindelijk uitgevoerd? Onze belangrijkste bronnen over deze gebeurtenis vormen het werk van Cassius Dio en in mindere mate Herodianus.[487] Cassius Dio vertoefde in deze periode vermoedelijk in Rome en zijn relaas over de moord en de daaropvolgende gebeurtenissen is het meest waardevol.[488] Hij beschrijft de broedermoord als volgt: Toen Caracalla’s plan om Geta tijdens de Saturnalia te doden was uitgelekt verscherpten de broers hun defensieve maatregelen. Daarom besloot Caracalla een list te gebruiken om zijn broer alsnog te vermoorden. Hij stelde voor aan Iulia Domna hen uit te nodigen in haar privé-vertrekken met het oog op een verzoening. Geta ging in op de uitnodiging en dat werd hem fataal, want toen hij daar aankwam werd hij onmiddellijk neergestoken door een aantal centuriones die door Caracalla op voorhand waren ingelicht. Het gebeuren was uiterst dramatisch. Geta was bij het zien van de moordenaars in de armen van Iulia Domna gesprongen schreeuwend om hulp. Hij werd echter genadeloos neergestoken, waarbij ook Iulia verwond werd aan haar hand. Dio wijst op de ironie van het lot dat Geta stierf in de moederschoot, waar zijn leven was begonnen. Iulia was besmeurd met bloed maar mocht geen traan laten; integendeel ze werd gedwongen blijdschap te tonen over de gebeurtenis.[489] Dit laatste vormt wellicht een overdrijving van Dio, die daarmee de wreedheid van Caracalla wil onderstrepen.

 

In herodianus’ relaas is er met betrekking tot de moord een hiaat, maar toch is de inhoud van zijn vertelling duidelijk. [490] Ook hij beschrijft een scène met een ontmoeting tussen Geta, Caracalla en Iulia Domna, waarbij Geta gedood werd in de armen van zijn moeder. In verband met de directe aanleiding zegt Herodianus niet dat het een door Caracalla opgezette list betrof; hij zegt enkel dat, aangezien zijn geheime plan geen succes kende, hij bereid was een gevaarlijke en wanhopige daad te stellen. Tevoren had hij wel al beschreven hoe de broers steeds meer intrigeerden en moordplannen smeedden, maar door de strenge veiligheidsmaatregelen die beiden troffen, was het vrijwel onmogelijk om de plannen door te voeren. Hij beschouwt zelfs de psychè van Caracalla zeggende dat zijn drang om de alleenheerschappij te vestigen een obsessie werd en hij de situatie uiteindelijk ondraaglijk vond. Hij zou of op grootse wijze overwinnen of op grootse wijze mislukken; de weg van het zwaard en het bloedvergieten was de enige weg.[491] Dit radicale denken past goed in de psychè van een persoon die zich soldaat voelde en hield van het soldatenleven en de bijhorende discipline. Zowel Cassius Dio als Herodianus geven in hun werk meermaals aan dat Caracalla zo iemand was met een bijzondere liefde voor het soldatenleven.[492]

 

Herodianus verschilt verder nog van Dio: zo vermeldt hij niets over de rol van de centurio en laat hij Caracalla Geta eigenhandig doden. Ook over de hulpkreten van Geta en de gedwongen zelfdiscipline van Iulia vertelt hij niets. Ondanks alle verschillen en afwijkingen heeft Herodianus hier Dio toch als bron gebruikt en dit is al voldoende aangetoond door Alföldy.[493] Die wijst er verder op dat het geen toeval is dat Herodianus de moord toch gedeeltelijk anders vertelt. Immers wou hij de waarheid verdraaien door bepaalde zaken, die wezen op een ongelukkige rol voor Geta te verzwijgen. Dit paste veel meer in zijn visie over de jongere broer die er geen van een schaduwfiguur was, maar van een evenwaardige mederegent. Volgens Dio’s relaas werd Geta namelijk op een vrij domme manier in de val gelokt door een banale list en huilde hij daarna als een kind naar zijn moeder. In de versie van Herodianus stierf hij als een slachtoffer van bruut geweld en in geen geval als een kind. Wellicht was dat de reden waarom Herodianus de moord niet liet gebeuren door een centurio, maar door Caracalla zelf; om zo de beslissende eindstrijd tussen de twee protagonisten te laten plaatsvinden. Toch meent Alföldy dat ook dit idee aan Cassius Dio kan ontleend zijn, aangezien die in een verder fragment zegt dat Caracalla het zwaard waarmee hij zijn broer vermoord had offerde aan de god Serapis.[494] Hoewel het ook mogelijk is dat het Epitome Dio fout heeft overgeleverd en die wellicht het zwaard bedoelde waarmee Geta gedood was, zonder te bedoelen dat Caracalla de daad had gesteld. Alföldy besluit dat er aangaande de moord in het relaas van Herodianus niets staat dat ook al niet door Dio was verteld; in feite verschilt zijn relaas enkel van dat van Cassius Dio door zijn onjuistheid.[495]

 

Zo kwam de jonge co-keizer P. Septimius Geta om het leven, zonder de leeftijd van 23 jaar bereikt te hebben. Hij was iets langer dan 2 jaar keizer geweest, waarvan minder dan een jaar als lid van de dubbelheerschappij die Severus het Romeinse Rijk had nagelaten. Enkel de Historia Augusta vermeldt wat er met het lijk van Geta gebeurde en dit in twee tegenstrijdige berichten, waarvan we dat in het Geta-vita waardeloos kunnen noemen. Volgens het Geta-vita kreeg hij eerst een begrafenis, waarna hij werd bijgezet in de graftombe van de familie van Severus langs de Via Appia. Dit is in strijd met het bericht in het Caracalla-vita dat Geta’s lijk onmiddellijk werd gecremeerd en dus niet werd begraven. Daarenboven was het familiegraf van Severus, gezien zijn adoptie, dat van de Antonini in Rome, en dus niet een eigen familiegraf langs de Via Appia. En het is onmogelijk te noemen dat Geta, als staatsvijand, een plaats zou krijgen in het graf van de Antonini.[496] Volgens het meer betrouwbare Caracalla-vita gaf Caracalla onmiddellijk na de moord het bevel Geta’s lijk te verbranden.[497] Dit is aannemelijk, ook gezien Herodianus’ bericht dat de lijken van Geta’s aanhangers, die in de nasleep van de moord werden gedood, dezelfde behandeling kregen.[498] Het is mogelijk dat de biograaf de idee heeft geconstrueerd uit het relaas van Herodianus. Ook tot het vervalste bericht in het Geta-vita kan de biograaf onder invloed van Herodianus gekomen zijn. Herodianus’ idee dat de lijken buiten de stad werden gesleept kan een invloed gehad hebben op de idee-vorming in het Geta-vita dat hij langs de Via Appia werd begraven. [499] Het is uiteraard ook mogelijk dat een ons onbekende bron aanleiding heeft gegeven tot het bericht. Nu zijn broer en medekeizer uit de weg geruimd waren kwam het er voor Caracalla op aan om zijn zopas verworven macht te consolideren en de buitenwereld ervan te overtuigen dat het gebeurde absoluut noodzakelijk was geweest.

 

 

2.5. De nasleep van de moord: consolidatie en repressie:

 

Over de gebeurtenissen volgend op de broedermoord zijn we uitvoerig geïnformeerd. Uit de antieke bronnen blijkt dat Caracalla onmiddellijk diverse stappen zette om zijn net verworven alleenheerschappij te consolideren. Daarbij was de steun van de troepen in Rome, en dan vooral van de pretorianen, van levensbelang. De keizer was zich hiervan terdege bewust en richtte dan ook in eerste instantie zijn aandacht op de pretorianen.[500] In tweede instantie richtte hij zich tot de senaat. Dit orgaan had parallel met de groeiende macht van de keizer steeds meer aan macht ingeboet en haar behandeling en passiviteit in de gebeurtenissen illustreren die tanende macht. Wat volgde was schijnbaar een nietsontziende repressie onder Geta’s aanhang die erop gericht was alle mogelijke tegenstand de kop in te drukken.

 

a) Het leger

 

- Caracalla’s optreden in het kamp van de pretorianen na de dood van Geta:

 

Cassius Dio, die in deze periode in Rome verbleef schrijft dat de moord ’s avonds gebeurde en dat Caracalla onmiddellijk erna naar het legerkamp trok om zich van de steun van de troepen te verzekeren. Onderweg had hij daarbij voortdurend geroepen dat hij op het nippertje aan een samenzwering was ontsnapt en dat zijn leven in groot gevaar verkeerde. Hij hield er een toespraak waarin hij allerlei beloften en beloningen uitsprak; eerder dan verantwoording af te leggen voor het gebeurde. Hij benadrukte dat hij zich een soldaat voelde en dat hij nu in een positie stond om hen, medesoldaten, gunsten te bewijzen.[501] Dio pretendeert Caracalla daarbij letterlijk te citeren, hoewel hij als senator zeker niet aanwezig was tijdens de toespraak. Wellicht was hem de inhoud ervan via een andere bron ter ore gekomen en legde Dio dan zijn woorden in de mond van Caracalla. Toch is er weinig reden om aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de toespraak te twijfelen. Het is evident dat de hoofdreden van Caracalla’s bezoek aan het legerkamp was de troepen aan zijn zijde te krijgen en het is eveneens evident dat dit gebeurde door allerlei gunsten te verlenen. Op een andere plaats in het Epitome van Dio staat trouwens letterlijk dat Caracalla bloedgeld betaald had aan de troepen voor de moord op zijn broer.[502] Dat de auteur Caracalla laat benadrukken dat hij zich in de eerste plaats soldaat voelde stemt overeen met het algemene beeld dat we krijgen van deze keizer in de bronnen, die het tot zijn beleid maakte om de troepen te begunstigen.[503] Al deze gebeurtenissen speelden zich ‘s avonds af, waarna Caracalla in het legerkamp overnachtte; wellicht omdat dat gezien de verwarrende gebeurtenissen het veiligste was.

 

De gebeurtenissen die onmiddellijk volgden op de moord worden door Herodianus uitvoeriger en dramatischer beschreven. Toch steunde hij ook op dit vlak vermoedelijk op Cassius Dio.[504] Na de moord rende Caracalla de kamer uit en liep door het paleis roepende dat hij op het nippertje ontsnapt was aan een groot gevaar. Onder begeleiding van de paleiswachten trok hij naar het legerkamp, in de wetenschap dat hij daar veiliger zou zijn. Met een grote groep soldaten arriveerde hij ter plaatse, terwijl er op de straten paniek ontstond. In de tempel van het kamp wierp hij zich ter aarde en bracht hij een dankoffer. Tegenover de soldaten loog Caracalla dat hij zonet aan een samenzwering van Geta was ontsnapt en dat hij na een hevig gevecht met de vijand aan de dood was ontkomen. Daarop beloofde hij de troepen hun soldij met de helft te verhogen met daarbovenop een schenking van 2500 Attische drachmen voor elk van hen. Hij beval hen zelfs hun beloning te halen uit de schatkamers en heiligdommen. Daarop erkenden de troepen Caracalla als alleenheerser en verklaarden ze Geta tot staatsvijand.[505] Herodianus vermeldt dus niet Caracalla’s toespraak tot de troepen die Dio zogezegd letterlijk had geciteerd. Voor de rest neemt hij Dio vrijwel volledig over, mits toevoeging van een aantal elementen. Daarvan zijn er een aantal typisch Herodianisch te noemen, zoals het bevel aan de wachten om hem uit het paleis te begeleiden, de onrust in de stad en de offer-scène in de tempel van het legerkamp. Andere elementen kan Herodianus echter uit Dio’s origineel gehaald hebben, zoals de verklaring van Geta tot staatsvijand.[506] Ook de soldij-verhoging en de omvang van de schenking kan Herodianus ontleend hebben aan Dio’s origineel, maar hij heeft dat bericht dan op zijn eigen manier verdraaid.[507]

 

Het bericht in de Historia Augusta over de gebeurtenissen onmiddellijk volgend op de moord is vrij onduidelijk en chronologisch verward, maar toch bevat het een aantal interessante elementen. De biograaf beschrijft immers twee maal een scène in een legerkamp. De eerste plaatst hij onmiddellijk na de dood van Severus waarna Caracalla naar het kamp van de pretorianen trok om daar zijn beklag te doen over zijn broer die voortdurend tegen hem samenzweerde. Pas daarna stelt de Historia Augusta dat Caracalla zo zijn broer liet vermoorden in het paleis, waarbij hij het bevel gaf zijn lichaam onmiddellijk te verbranden. Daarna wordt er teruggegrepen naar dezelfde scène in het kamp van de pretorianen waarbij Caracalla verdere beschuldigingen zou hebben geuit ten opzichte van zijn broer: Geta zou voorbereidingen getroffen hebben om hem te vergifigen en zou zich daarenboven op oneerbiedige wijze gedragen hebben ten opzichte van hun moeder. Het is duidelijk dat de biograaf hier een chronologische fout heeft gemaakt en de scène die hij beschrijft volgende op de dood van Severus past eigenlijk in het kader van de nasleep van de dood van Geta. Dit blijkt ook uit het feit dat in hetzelfde bericht vermeld wordt dat Caracalla in het kamp de moordenaars van zijn broer openlijk bedankte en hij hen zelfs een bonus gaf voor hun getoonde loyauteit.[508] De gebeurtenissen in het legerkamp vonden dus zeker plaats ná de broedermoord en niet ervoor. Met betrekking tot de inhoud van Caracalla’s redevoering heeft de auteur van het vita vermoedelijk op Herodianus gesteund.[509]

 

De biograaf van het Caracalla- vita wekt met zijn bericht de indruk alsof Caracalla zich eerst verzekerde van de ruggensteun van de troepen in het kamp van de pretorianen vooraleer zijn broer te vermoorden. In de passage kan men bijna een verzoek bemerken van de biograaf om Caracalla tot op zekere hoogte eerherstel te geven: De onthulling van de samenzweringspraktijken van Geta zou hem de rechtsgrond verschaft hebben om zich van zijn broer te ontdoen. Het is ook vreemd dat de biograaf geen beschrijving geeft van de moord, hoewel hij er zeker van op de hoogte moet zijn geweest.[510] Toch moet men in het relaas van de biograaf geen Caracalla-vriendelijke tendens zien. De omgekeerde chronologie had niet tot doel een rechtvaardiging te leveren; de auteur wou enkel de omstandigheden beschrijven waaronder de moord had plaatsgevonden, waarbij een voortdurend samenzwerende Geta Caracalla ertoe bracht zijn broer uit de weg te ruimen. Het verzwijgen van de uiteindelijke moord kan men ook verklaren als nalatigheid van de auteur.[511]

De Historia Augusta bevat nog de beschrijving van een tweede scène die plaatsvond in een legerkamp te Alba in de nasleep van de moord. Het bericht wordt door geen enkele andere bron geattesteerd en wijst op een negatieve houding van bepaalde troepen ten opzicht van Caracalla’s machtsgreep.

 

- Leidde de broedertwist tussen Caracalla en Geta tot verdeeldheid binnen het leger?

 

De houding van het leger in de controverse tussen Caracalla en Geta verdient grondige aandacht. In de antieke bronnen kan men aanwijzingen vinden dat die houding geenszins eensgezind was. Op 2 plaatsen wordt ons de houding van het leger verduidelijkt. Cassius Dio  en Herodianus geven aan dat Caracalla nog in Britannia, onmiddellijk na de dood van Severus, Geta al uit de weg wou ruimen, maar dat hij daarbij op weerstand stuitte vanwege de aanwezige troepen.[512] De motieven zijn hier niet relevant, belangrijk is dat de troepen in Britannia in geen geval actief de zijde kozen van Caracalla. Ook de auteur van de Historia Augusta maakt zowel in het vita van Caracalla als dat van Geta gewag van een niet eensgezinde houding binnen het leger over het verloop van de gebeurtenissen: “Sommige soldaten te Alba ontvingen het nieuws van Geta’s dood met woede en verklaarden dat ze trouw hadden gezworen aan beide zonen van Severus en dat ze die ook dienden te behouden ten opzichte van beiden”.[513] De troepen waarvan sprake behoren tot het “Legio II Parthica” dat Severus sinds de door hem in 193 doorgevoerde ontbinding van de pretoriaanse wacht te Alba (het tegenwoordige Albano, op zo’n 25 kilometer van Rome) had gestationeerd als permanent garnizoen.[514] Volgens de biograaf ging Caracalla zelfs ter plaatse, maar bij zijn aankomst sloten de soldaten de poorten en weigerden ze de keizer de toegang. Pas nadat Caracalla in een korte toespraak Geta tot zondebok had gemaakt en de soldaten had gepaaid met enorme geldschenkingen werd hij tot het kamp toegelaten.[515] Het bericht over de troepen te Alba is in de eerste plaats al merkwaardig te noemen omdat het door geen enkele andere bron wordt bevestigd. Verder lijkt het bericht in de context waarin het werd geplaatst chronologisch onmogelijk te zijn.

 

Dit werd al opgemerkt door Alföldy die het als een belangrijke bedenking opwerpt in diens pleidooi om het hele bericht af te doen als een vervalsing van de biograaf. Volgens het bewuste vita zou Caracalla op dezelfde dag als de moord eerst het kamp van de pretorianen bezocht hebben, vervolgens zou hij de 25 kilometer verre tocht naar Alba gemaakt hebben waar de episode met de ontevreden troepen zich afspeelde. Daarna zou hij nog op dezelfde dag naar Rome teruggekeerd zijn om er de senaat toe te spreken.[516] Van Dio weten we echter dat Caracalla ‘s avonds Geta vermoordde, onmiddellijk daarna naar het kamp van de pretorianen ging en hij pas de volgende dag de senaat toesprak.[517] Herodianus complementeert Dio stellende dat Caracalla de nacht doorbracht in de tempel van het kamp van de pretorianen.[518] Aangezien de moord ‘s avonds gebeurde en onmiddellijk erna de scène in het kamp van de pretorianen plaatsgreep kan Caracalla onmogelijk de tijd gehad hebben om de tocht te maken naar Alba; immers sprak hij de volgende dag de senaat toe.[519] Ook uit de inhoud van de passage blijkt dat men hier te maken heeft met een vervalsing van de biograaf. Het verhaal lijkt samengesteld te zijn uit feiten die de biograaf in zijn bronnenmateriaal in een andere context heeft aangetroffen en die hij dan in deze context heeft ingelast. Het gegeven dat Caracalla de toegang tot het legerkamp werd geweigerd kan hij gehaald hebben uit het vita van Didius Iulianus, waarin deze, na de dood van Pertinax eveneens de toegang tot het legerkamp werd geweigerd, evenals tot de senaat.[520] De beschuldigingen aan het adres van Geta en de belofte van enorme geldsommen herhaalt de biograaf uit zijn eerdere beschrijving van de scène in het kamp van de pretorianen.[521] Inhoudelijk stemt dit min of meer overeen met hetgeen Herodianus schreef over de gebeurtenissen in het legerkamp en waarbij deze waarschijnlijk steunde op Dio’s origineel.[522] In verband met de motivering die de biograaf geeft voor de houding van de troepen te Alba lijkt die gebruik gemaakt te hebben van Herodianus. Herodianus gaf dezelfde motivering voor de negatieve houding van de troepen in Britannia ten opzichte van Caracalla’s vroege poging om zijn alleenheerschappij te vestigen. Ook zij herinnerden Caracalla eraan dat Severus de macht had afgestaan aan beide zoons en dat zij hun loyauteit tegenover beiden moesten behouden.[523] Het lijkt erop dat we hier te maken te hebben met de persoonlijke opvatting van Herodianus omdat hij terzake afwijkt van Cassius Dio die als motivering voor de negatieve houding van de troepen hun genegenheid tegenover Geta omwille van diens fysische gelijkenis met Severus aangaf.[524] De auteur van de Historia Augusta heeft die persoonlijke gedachten van Herodianus dan gebruikt en in een andere context geplaatst.[525] De bedoeling van de vervalsing is aan te tonen dat een deel van het leger Caracalla vijandig gezind was.

 

De literiare bronnen wijzen er dus op dat de houding van het leger ten aanzien van de machtsgreep van Caracalla niet eensgezind was. De idee van een verdeelde houding binnen het leger kan waarachtig zijn, want epigrafisch onderzoek heeft geleid tot resultaten die in dezelfde richting kunnen wijzen. Er werden heel wat epigrafische attestaties gevonden van militaire formaties die de keizerlijke eretitel “Antoniniana” droegen. Degene die met Caracalla als alleenheerser in verband kunnen gebracht worden werden pas na 212 opgericht. In de gevallen van de precedenten “Domitiana” en “Commoda” werden met de bijnamen troepen geëerd die zich loyaal hadden betoond en hadden bijgedragen tot een overwinning tegen een plaatselijke usurpator.[526] Uit de verspreiding van de attestaties blijkt dat de bijnaam onder Caracalla niet algemeen was en het gebruik ervan geografisch begrensd. Uit de analyse van de inscripties blijkt dat Caracalla twee maal legertroepen heeft onderscheiden met de eretitel “Antoniniana”. De tweede maal was naar aanleiding van de Parthenoorlog, alle voorgaande attestaties dateren dus van vóór 27 mei 216, de vroegste datum voor het begin van die oorlog.[527] Volgens Fitz moet de eerste toekenning in verband gebracht worden met de twist tussen Geta en Caracalla. Daarbij dient men het te interpreteren als een uitdrukking van getoonde trouw aan de keizer en vormt de bijnaam een herbeleving van de praktijken onder Domitianus en Commodus. Zijn onderzoek van de epigrafische attestaties van de bijnaam wijst uit dat hij voor het eerst werd uitgereikt in de lente van 212.[528] Met behulp van de in 212 verleende “Antoniniana”-bijnamen kunnen die provinciale legers bepaald worden die Caracalla steunden in de crisis van 211/212. Uit de verspreiding blijkt dat vanaf de eerste uitreiking tot de Germanenoorlog in 213 enkel de troepen die aan de Rijn en Donau gestationeerd waren met de bijnaam onderscheiden werden.[529] Naast de pretoriaanse wacht en de troepen in Rome kon Caracalla dus nog rekenen op de steun van de Rijn- en de Donau-legers. De troepen in Britannia werden in 212/213 zeker niet onderscheiden en dit zou in overeenstemming zijn met de getuigenissen van Cassius Dio en Herodianus die erop wezen dat de Britse troepen weigerachtig stonden ten opzichte van een machtsgreep van Caracalla. Fitz acht het ook waarschijnlijk dat het “Legio II Parthica” in Alba eveneens niet werd onderscheiden en dit overeenkomstig met de passage in het Caracalla-vita.[530] Helaas kan dit (nog) niet gestaafd worden met epigrafisch materiaal.

 

De troepen die in de nasleep op Caracalla’s staatsgreep werden onderscheiden met het attribuut “Antoniniana” moeten Caracalla loyauteit betoond of een beslissend engagement verleend hebben in de kritieke fase. Zoals de literaire getuigenissen vermoeden en nu ondersteund wordt met epigrafisch materiaal is het mogelijk dat bepaalde delen van het leger aanvankelijk niet de vereiste loyauteit wilde betuigen. Waaruit de bijstand van de noordelijke troepen kan bestaan hebben is niet geweten, mogelijk hadden ze de keizer in een formele verklaring verzekerd dat ze hem zouden dienen tot het einde, ook als dit een burgeroorlog betekende.[531] Mogelijk had Caracalla deze troepen op voorhand ingelicht van zijn voornemens en hadden deze hem daar volledige steun in beloofd. Het is zeker geen toeval dat net de troepen aan de Rijn en vooral die aan de Donau Caracalla bijstand verleenden. Het waren immers de troepen van de Donau-provincie Moesia Superior die in Viminacium getuige waren van zijn Caesar- proclamatie door Severus. En ook Severus had in de burgeroorlog steeds sterk gesteund op de Donaulegers; het waren de troepen van Pannonia Superior die hem in 193 tot keizer hadden uitgeroepen.

 

Ook de pretoriaanse garde werd onderscheiden met de “Antoniniana”-bijnaam, en dit werd geattesteerd ten vroegste eind 213.[532] Zoals we weten uit de literaire bronnen had Caracalla de garde onmiddellijk na de moord op Geta voor zich kunnen winnen. Bij deze gelegenheid zal hij hen ook beloond hebben met de bijnaam, ondanks dat hij pas meer dan een jaar later geattesteerd is.[533] De pretoriaanse garde was door Severus bij zijn verblijf in Rome in 193 ontbonden geweest en vervangen door een grotere, nieuwe garde. Tevoren had die vooral bestaan uit Romeinse burgers uit Italia en in mindere mate uit burgers uit Spanje, Macedonia en Noricum. Severus verving ze door een nieuwe troepenmacht, met ongeveer dubbel zoveel manschappen, zo’n 15000 man sterk. Hoewel Cassius Dio beweert dat de rekrutering ervoor in heel het leger gebeurde, werd er in werkelijkheid overwegend geput uit het Donauleger.[534] Dit gegeven kan een rol gespeeld hebben in het feit dat Caracalla de pretorianen aan zijn zijde kreeg. Deze nieuwe garde was uiterst trouw aan Severus die de band nog versterkte door ze sterk te belonen. Voor Caracalla was het belangrijk de pretorianen te tonen dat hij dat beleid van zijn vader wou verder zetten, met andere woorden dat hij hun zoveel mogelijk zou belonen. Op die manier lag het voor de hand dat de, nu vooral uit Donau-troepen bestaande garde haar tevoren getoonde onvoorwaardelijke trouw aan Severus overdroeg op zijn zoon die duidelijk aangaf in dezelfde geest te willen regeren.

 

Dat in het bericht van de Historia Augusta de troepen in Alba en dus net het “Legio II Parthica” zich verzette tegen de gebeurtenissen is opvallend. Immers kan het gaan over het legioen dat ook tijdens de expeditie naar Britannia in 209 onder Severus en in 210 onder Caracalla had gediend.[535] Wellicht bevond het legioen zich dan ook in Britannia toen Caracalla kort na de dood van Severus de troepen al wou overtuigen om hem als alleenheerser te erkennen, maar dat die dat weigerden om de ons, via Dio en Herodianus, bekende redenen.[536] In dat geval bleven de soldaten van deze formatie consequent in hun houding en werden zij dan ook niet onderscheiden met het keizerlijke attribuut “Antoniniana”. En indien het bericht in het Caracalla-vita waarachtig zou zijn dan zouden zij die houding zelfs aanvankelijk sterk doorgedreven hebben door de keizer met woede te ontvangen en hem de toegang tot het legerkamp te weigeren. Zoals vermeld is deze scène met een keizerlijk bezoek op dezelfde dag als de moord vrijwel onmogelijk, maar het is toch mogelijk dat de keuze van de biograaf voor de troepen van Alba gestoeld is op correcte informatie uit een ons onbekende bron.

 

Uit het onderzoek van de verspreiding van de keizerlijke “Antoniniana”-attributen blijkt ook dat de oosterse legers in 212 er niet mee werden onderscheiden. Dit zou volgens Fitz overeenstemmen met Herodianus’ bericht over de in 211 door Caracalla en Geta geplande rijksdeling waarbij Geta keizer zou worden over een oostelijk Rijk. Hij meent dat men het verhaal dan ook zeker niet kan afdoen als een pure uitvinding van deze auteur, waarmee hij ingaat tegen Alföldy die het zag als een fictief verhaal dat onderdeel vormt van zijn dramatische inleiding op de moord en waarin Herodianus’ persoonlijke gedachtegang naar voor komt. [537] De rijksdelingsgedachte was mogelijk gebaseerd op een concrete situatie in het Romeinse leger, waarbij de meerderheid van de westelijke provincies Caracacalla steunde en het gros van de oostelijke aan Geta’s kant stond. Dat het plan van tafel werd geveegd was dan het gevolg van deze militaire toestand, en dus niet het resultaat van Iulia Domna’s dramatische optreden in Herodianus’ beschrijving.[538] Want ook voor de troepen in Britannia, Hispania, Numidia en in het kamp van Alba worden enkel legereenheden zonder de “Antoniniana”-bijnaam geattesteerd. Het leger zou door het conflict met Geta dus niet enkel in een oostelijk en een westelijk deel gesplitst zijn, maar in 3 delen waarbij zich dezelfde zwaartepunten aftekenden als in de burgeroorlog van 193. Fitz meent dan ook dat:”De tegenstellingen tussen de drie legergroepen na de burgeroorlog schijnen voortbestaan te hebben; ze waren onder de energieke regering van Septimius Severus gewoon niet meer aan de oppervlakte gekomen.” Wanneer de centrale macht verzwakt werd door de broedertwist kwamen die spanningsvelden weer aan de oppervlakte.[539]

 

Het onderzoek van de keizerlijke “Antoniniana”-attributen heeft geleid tot interessante hypothesen. Fitz’ resultaten zouden erop wijzen dat men het verhaal van Herodianus over de rijksdeling nauwelijks nog kan bestempelen als een zuiver verzinsel.[540] Toch menen wij dat de vergadering over de rijksdeling zoals het verteld wordt door Herodianus niet heeft plaatsgevonden. De argumenten van Alföldy om het te bestempelen als een fictief verhaal zijn immers zeer overtuigend. Het feit dat de rijksdeling door geen enkele andere bron wordt bevestigd, en dan vooral niet door Dio vormt het sterkste argument. De idee past enkel in een lange dramatische inleiding op de broedermoord die historisch ten opzichte van Cassius Dio geen meerwaarde biedt. Met uitzondering van een klein geraamte van elementen die de auteur van Dio haalde, zijn alle andere toevoegingen ontsproten aan de rijke fantasie van de auteur.[541] Fitz’ stelling dat het Rijk zich eigenlijk in drie delen splitste en dat dit het gevolg was van de tegenstellingen van 193 die na de regering van Severus weer aan de oppervlakte kwamen lijkt overdreven. Inderdaad waren het de Rijn- en Donautroepen die in 212 schijnbaar bereid waren geweest het beslissend engagement te leveren waarvoor ze werden onderscheiden met het “Antoniniana”-attribuut; dezelfde legers die Septimius Severus in 193 tot keizer en Caracalla tijdens de overwintering in Viminacium in 195-196 tot Caesar hadden uitgeroepen.

Waaruit bestond dat engagement? Wellicht had Caracalla in de periode die aan de moord voorafging de legers die onderscheiden werden de vraag gesteld of zij onvoorwaardelijk trouw waren aan zijn zaak, en zij dit zouden blijven in een eventuele burgeroorlog met Geta. Wij menen dat men echter niet met zekerheid kan stellen dat aan de troepen die later niet werden onderscheiden dezelfde vraag werd gesteld en dat de reden van het uitblijven van de onderscheiding een negatief antwoord was op deze vraag; dat die troepen partij hadden gekozen voor Geta. Het vormt wel een interessante hypothese waarbij een negatief antwoord van de troepen in Britannia zou overeenstemmen met de berichten van Dio en Herodianus over de houding van deze troepen tijdens de Britse expeditie. Dat deze vermeende houding het gevolg zou zijn van de spanningen die hadden voortbestaan sinds 193 lijkt ons te ver gezocht. Eerder zouden de Britse troepen dan een houding aangenomen hebben naar aanleiding van het incident in Britannia toen Caracalla hen reeds steun vroeg voor zijn alleenheerschappij en zijn zij daarin consequent geweest toen ongeveer een jaar later dezelfde vraag werd gesteld. Het is ook onduidelijk of deze troepen dan expliciet partij kozen voor Geta tegen Caracalla; misschien kozen ze voor de dubbelheerschappij, naar de wens van Severus en niet voor de alleenheerschappij, ongeacht van wie van de twee keizers. De onderscheiding bleef met uitzondering van Mauretania Caesariensis en Syria Palaestina ook uit in de rest van het leger. Hoe kan men dat verklaren? Het oosten vormde inderdaad het zwaartepunt van Niger’s macht in 193, maar betekent dit dat er na Severus’ overwinning spanningen waren blijven bestaan die nu in de controverse tussen Caracalla en Geta resulteerden in een negatief antwoord op Caracalla’s vraag naar steun, als die er al geweest is? En indien die vraag er was geweest en indien die troepen daar een negatief antwoord op hadden gegeven; betekent dit dan dat zij expliciet de zijde kozen van Geta, zo in overeenstemming met Herodianus’ idee van een rijksdeling? En indien zij de zijde kozen van Geta en niet gewoon de dubbelheerschappij wilden behouden zien, welke motieven zouden zij daarvoor gehad hebben? Dit lijken ons vragen die niet met zekerheid kunnen beantwoord worden.

Het enige dat men met vrij grote zekerheid kan besluiten uit het onderzoek rond de “Antoniniana”-attributen is dat de Rijn- en Donautroepen zich expliciet hebben geëngageerd voor Caracalla, tegen Geta, en dat zij daar later voor werden onderscheiden. Dit engagement kwam er dan op vraag van Caracalla, maar dit betekent niet dat die vraag ook werd gesteld aan de andere legertroepen in het Rijk en dit vormt toch de kern van Fitz’ theorie om de verdeeldheid binnen het leger en het rijksdelingsplan als waarachtig te beschouwen. Het engagement van een groot deel van de troepen buiten Rome betekende voor Caracalla inderdaad een belangrijk steunpunt en motivering om met zijn plannen door te gaan.[542] De Donau-troepen waren strategisch zeer belangrijk, gezien de geografische nabijheid bij Rome. In het geval van een burgeroorlog kon men van daaruit in korte tijd met een leger naar Rome optrekken.

 

Al onze bronnen maken melding van een zekere beloning aan de troepen, die Caracalla tijdens zijn toespraak in het legerkamp zou hebben uitgesproken. Hoe groot was deze beloning en wie werd erdoor begunstigd? Herodianus is de enige die informatie geeft over de precieze omvang van de loonsverhoging stellende dat hij hun normale wedde verhoogde met ½; daarenboven kreeg elke soldaat een schenking van 2500 Attische drachmen.[543] Herodianus vermeldt enkel de verhoging die werd gegeven aan de pretorianen, maar Cassius Dio lijkt aan te geven dat de verhoging gold voor de troepen in het algemeen.[544] De precieze omvang van de verhoging kan men bepalen aan de hand van een correcte bepaling van de omvang van de loonsverhoging gegeven door Severus. Over deze verhoging vermelden de bronnen enkel dat ze heeft plaatsgevonden zonder dat er een bedrag wordt gegeven.[545] Severus’ verhoging wordt gedateerd in de periode 198/199.[546] Cassius Dio geeft het enige exacte cijfer voor de totale verhoging zeggende dat die opliep tot zo’n 70 miljoen denarii per jaar.[547] Na grondig onderzoek en zorgvuldige berekening heeft men de loonsverhoging van Severus met een grote waarschijnlijkheid bepaald op 33,5 %, zodat de Caracalla’s loonsverhoging van 50 % de kostprijs had van 79 miljoen denarii per jaar. Met een afwijking van 9 miljoen heeft Dio dus een vrij goede schatting gemaakt.[548] Indien men de door Herodianus vermelde schenking van 2500 Attische drachmen aan de pretorianen aanneemt en die eraan toevoegt dan komt men tot een fenomenale geldbesteding aan het leger. Volgens de Historia Augusta zou Caracalla in het legerkamp zelfs een bonus beloofd hebben aan de moordenaars van Geta en dit na hen openlijk bedankt te hebben.[549] Dit is zeker een vervalsing aangezien Caracalla de ware doodsomstandigheden verzweeg en dus zeker niet openlijk de moordenaars kan bedankt en beloond hebben.[550] In elk geval was het voor Caracalla, zoals blijkt uit zijn handelingen, een absolute voorwaarde om zich van de steun van het leger te verzekeren.

 

b) De senaat:

 

- Caracalla’s optreden in de senaat na de dood van Geta

 

            Nu Caracalla zijn broer uit de weg had geruimd en zich van de steun van het leger had verzekerd richtte hij zich tot de senaat. Net zoals voor alle voorgaande keizers vormde de formele erkenning door de senaat en haar steun een noodzakelijke voorwaarde.[551] Uit de literaire bronnen komt naar voor dat Caracalla een dreigende houding had aangenomen ten aanzien van de senaat en de zitting lijkt gevolgd geweest te zijn door diverse executies van senatoren. Grondig onderzoek heeft echter uitgewezen dat deze schijnbare dreigende houding eerder een toenaderende houding omkleedde en dat de daaropvolgende executies niet specifiek gericht waren tegen senatoren.[552]

 

Over de senaatszitting is in het Epitome van Cassius Dio weinig overgeleverd. Nochtans was de auteur vrijwel zeker aanwezig op de zitting, aangezien hij op dat moment in Rome vertoefde en zijn aanwezigheid als senator dus logisch was.[553] Het is waarschijnlijk dat Dio’s origineel meer informatie bevatte dan in het overgeleverde Epitome is terug te vinden.[554] Er wordt enkel gesteld dat Caracalla verschillende opmerkingen gaf in de senaat en dat hij tijdens die zitting plots was opgesprongen om amnestie te verkondigen aan alle bannelingen. Dio vermeldt daar nog bij dat dit slechts in schijn een “weldaad” was, aangezien hij meteen begon met een massamoord onder Geta’s aanhangers.[555] Petrus Patricius voegt daar in het Epitome nog aan toe dat Caracalla ‘s morgens de senaat betrad en onmiddellijk vergiffenis vroeg aan de senatoren, niet omwille van het feit dat hij zijn broer had vermoord maar omwille van het feit dat hij een pijnlijke keel had en hij hen daarom niet kon toespreken. De keelpijn was dan wellicht het gevolg van het feit dat Caracalla na de moord naar het legerkamp was gegaan al schreeuwend dat hij aan een samenzwering ontsnapt was. Caracalla zou ook nog een beperking hebben uitgesproken met betrekking tot het eerder verkondigde amnestie-edict: de amnestie zou geen betrekking hebben op diegenen die verbannen waren door Caracalla’s oom.[556]

 

Opnieuw beschrijft Herodianus de gebeurtenissen uitvoeriger, hoewel hij vermoedelijk de essentie overnam van Cassius Dio.[557] Nadat Caracalla de nacht had doorgebracht in de tempel van het legerkamp trok hij onder begeleiding van de hele pretoriaanse wacht naar de senaat. Bij het binnentreden bracht hij een offer en plaatste zich op de keizerlijke troon van waaruit hij een toespraak hield.[558] Deze wordt door Herodianus geciteerd, maar kan met zekerheid als een verzinsel beschouwd worden.[559] Volgens Herodianus legde Caracalla de moord op theoretische wijze uit als een geval van zelfverdediging en maande hij de senatoren aan zich op objectieve wijze een oordeel te vormen. Na de speech wierp hij nog een aantal haatdragende blikken naar de aanhangers van Geta en vertrok dan terug naar het paleis. De senatoren bleven verbijsterd en in grote angst achter.[560]

 

Ook de Historia Augusta bericht kort over de senaatszitting, waarbij ze wel de chronologie door elkaar haalt door de senaat-scène op dezelfde dag te laten plaatsvinden als de moord, terwijl uit de berichten van Cassius Dio en Herodianus bleek dat ze pas de dag erna plaatsvond. Volgens de biograaf woonde Caracalla de zitting bij voorzien van een harnas en vergezeld door een gewapende escorte. Die gewapende wacht liet hij opstellen in twee rijen, tussen zichzelf en de senatoren. Ook hier gaf Caracalla een toespraak waarin hij zich trachtte vrij te pleiten van elke schuld bewerende dat de moord een daad van zelfverdediging was gezien het voortdurend samenzweren van zijn broer. Na de toespraak gaf hij het recht aan alle bannelingen om naar hun vaderland terug te keren.[561] Daarmee bevestigt de Historia Augusta het amnestie-edict, waarvan ook Cassius Dio gewag had gemaakt.

 

Alföldy heeft aangetoond dat Herodianus met betrekking tot de senaatszitting opnieuw grotendeels op Cassius Dio heeft gesteund. Herodianus zegt dat Caracalla in het legerkamp overnachtte; dit kan hij afgeleid hebben van Dio die stelde dat Caracalla op de avond van de moord de troepen toesprak en de volgende dag de senaat. Zijn beschrijving van de manier waarop Caracalla de senaat betrad steunt op Dio’s beschrijving. Dat Caracalla sprak vanuit de keizerlijke troon kan hij afgeleid hebben van Dio die zei dat Caracalla begon te spreken nadat hij plots was opgestaan. De toespraak van Caracalla is echter zeker een verzinsel van de fantasierijke auteur, hoewel hij mogelijk ook voor de algemene inhoud ervan steunde op Cassius Dio. In het Epitome krijgen we immers de indruk dat Caracalla op een redelijk onsamenhangende wijze sprak en hij duidelijk geen uitdrukkelijke informatie gaf over de moord en de motieven. Dit wordt ook letterlijk vermeld in de Historia Augusta die stelt dat Caracalla “op een verwarde en incoherente manier sprak over het verraad van zijn broer”.[562] Ook in de door Herodianus geciteerde toespraak bemerken we die onsamenhangendheid en het uitblijven van expliciete informatie. De feitelijke inhoud van de toespraak is echter een product van Herodianus’ fantasie.[563]

 

Op het eerste zicht lijkt Caracalla zich op een dreigende en imponerende manier tot de senaat gericht te hebben. Zowel Herodianus als de Historia Augusta vermelden dat Caracalla een gewapende escorte had meegenomen naar de zitting, waarbij Herodianus zelfs spreekt van de hele pretoriaanse wacht. De dreigende houding wordt nog onderstreept door de Historia Augusta die stelt dat Caracalla voor hij aan zijn toespraak begon eerst zijn gewapende escorte liet opstellen in twee rijen tussen zichzelf en de senatoren. Het is mogelijk dat de auteur dit element ontleende aan een ons onbekende bron, maar het is eveneens mogelijk dat het een uitvinding betrof met als doel de terreur van Caracalla te beklemtonen.[564] In het Epitome van Cassius Dio wordt dit alles niet vermeld en dit doet Sillar vermoeden dat Caracalla niet vergezeld was van troepen in de senaat. Van Cassius Dio, die doorheen zijn werk consequent een vijandige houding ten opzichte van Caracalla ten toon spreidt, zou men zeker kunnen verwachten dat hij zo’n feit, indien het zich zou hebben voorgedaan, zou hebben vermeld.[565] Alföldy was echter van oordeel dat het gegeven waarschijnlijk wel vermeld stond in Dio’s origineel, maar niet werd overgeleverd in het Epitome. Hoewel hij erkent dat Herodianus’ stelling dat het de hele pretoriaanse wacht betrof ongetwijfeld een overdrijving is, meent hij dat deze auteur de idee van een gewapende escorte wellicht aan Dio’s origineel heeft ontleend en het dus waarschijnlijk heeft plaatsgevonden.[566]

 

Ons lijkt het waarschijnlijk dat Caracalla zich toch verzekerde van een aantal gewapende lijfwachten voor de senaatszitting. De macht die hij zonet had verworven was nog broos en in Rome en in de senaat waren er ongetwijfeld nog vele aanhangers van Geta zodat het logisch lijkt dat Caracalla het zekere voor het onzekere nam en zich liet begeleiden door lijfwachten in de senaat. Dit hoeft echter niet te betekenen dat hij de senaat zou betreden hebben begeleid door een overweldigende troepenmacht met de bedoeling om zeer bedreigend over te komen. Een praktisch inzicht in het vrijwaren van de persoonlijke veiligheid kan er hem gewoon toe gebracht hebben een beperkte gewapende escorte mee te nemen. De Historia Augusta vermeldt dat Caracalla onder zijn gewaden een harnas verborg, hetgeen ook wijst op een bekommernis om de persoonlijke veiligheid.[567] Alföldy’s bewering dat het gegeven in Dio’s origineel wellicht vermeld stond, maar dat het Epitome het niet heeft overgeleverd is dan ook plausibel. Maar het gegeven hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat Caracalla een dreigende houding aannam ten opzichte van de senaatsleden en dit is toch de hoofdstelling van Sillar.

 

Bij Herodianus en de Historia Augusta krijgen we de indruk dat de toespraak van Caracalla inhoudelijk bedreigend overkwam ten opzichte van de senatoren. Vooral bij Herodianus krijgen we die indruk. Hij legt Caracalla diverse dreigementen in de mond en stelt dat de senatoren na het vertrek van de keizer in grote angst achterbleven.[568] Er is echter geen grond om te veronderstellen dat de toespraak inhoudelijk bedreigend was tegenover de senaat.[569] In het relaas van Dio vinden we er immers niets over terug. Uit zijn relaas krijgt men de indruk dat de vergadering op beschaafde wijze verliep met een toespraak die eerder kort was en waarbij het onderwerp van de broedermoord zoveel mogelijk werd gemeden.[570] Bovendien kan men de toespraak bij Herodianus als een pure uitvinding van de auteur beschouwen.[571] Ook het bericht in de Historia Augusta over de senaatszitting lijkt eerder overeen te komen met een bepaalde sfeertekening vanwege de biograaf. Het is uiteraard mogelijk dat het origineel van Cassius Dio de senaatsvergadering uitvoeriger behandelde dan het resultaat dat ons in het Epitome is overgeleverd en dat die een langere toespraak bevatte die inhoudelijk bedreigend kan geweest zijn voor de senatoren. Maar hetgeen wel overgeleverd is wijst niet noodzakelijk op een inhoudelijk bedreigende toespraak.

 

- Het amnestie-edict:

Zowel Cassius Dio als de auteur van de Historia Augusta stellen dat Caracalla tijdens de senaatszitting verklaarde dat alle bannelingen naar huis mochten terugkeren. Cassius Dio, die de zitting vermoedelijk meemaakte pretendeert de keizer daarbij letterlijk te citeren: “Luistert allen naar deze belangrijke mededeling van mij: dat de hele wereld zich verheugt; laat alle bannelingen die op welke schuldgrond dan ook veroordeeld zijn of op welke wijze dan ook, terugkeren.”[572] Het in de literaire bronnen vermelde edict wordt onder andere ook bevestigd door een papyrus dat de neerslag bevat van een later edict dat de clausules van het eerder uitgesproken amnestie-edict preciseerde.[573] Uit het papyrus is op te maken dat dit 2e edict werd uitgevaardigd te Rome op 11 juli 212 en te Alexandria op 10 februari 213. Het bericht van Dio doet ons vermoeden dat de maatregel een persoonlijke beslissing was van Caracalla, spontaan genomen op het moment zelf en dit als reactie op een weinig enthousiaste ontvangst van zijn toespraak door de senaat.[574] Ook het gegeven dat er later een tweede edict diende te worden uitgevaardigd om het eerste te preciseren kan erop wijzen dat het amnestie-edict te vaag was geformuleerd, juist omdat het een impulsieve beslissing was. Uit de studie van het edict dat op papyrus werd bewaard blijkt dat het verschillende elementen bevat die wijzen op een persoonlijke betrokkenheid en pathos in het opstellen van de tekst.[575] Het amnestie-edict vormt een persoonlijke beslissing van Caracalla genomen tijdens de senaatszitting volgende op de moord op Geta; een beslissing waar waarschijnlijk geen voorbereiding aan is voorafgegaan.[576] De spontaan verklaarde amnestie vormde een teken van keizerlijke welwillendheid en vrijgevigheid. Onderzoek heeft aangetoond dat dit een typische karaktertrek vormde van Caracalla die tot uiting kwam in verschillende maatregelen van deze keizer.[577] In het Epitome van Dio schrijft Petrus Patricius dat Caracalla ook nog een beperking zou hebben uitgesproken met betrekking tot amnestie-edict: de amnestie zou geen betrekking hebben op diegenen die verbannen waren door Caracalla’s oom.[578] Wie zou Caracalla bedoeld hebben wanneer hij het in de senaat had over zijn oom, “jullie vader”? Mogelijk bedoelde hij Commodus, die zijn oom was geworden door de zelfadoptie van Severus in de gens Aurelia waarbij Severus zich de broer noemde van de vergoddellijkte Commodus. Waarom het amnestie-edict geen betrekking zou hebben op de personen die door deze overleden keizer waren verbannen is niet meteen duidelijk.

 

In het edict kan men een toenaderende stap zien ten aanzien van de senaat; immers zorgde de beslissing ervoor dat vele verbannen senatoren konden terugkeren. [579] Het in hetzelfde papyrus overgeleverde 2e edict specifiëert daarenboven dat de bannelingen konden terugkeren naar hun posten in het staatsapparaat. [580] Tijdens de regering van Severus werden heel wat senatoren verbannen.[581] Zij konden nu niet alleen naar huis terugkeren maar ook hun voormalige posten wederom bekleden. Aldus kan de maatregel terecht beschouwd worden als een toenaderende stap tegenover de senaat, die vermoedelijk heel wat senatoren begunstigd heeft en dan ook de goedkeuring van de senaat zal gekregen hebben. De maatregel was gepast, gezien de, volgens de Historia Augusta, weinig enthousiaste reactie van de senatoren op Caracalla’s toespraak.[582] Caracalla’s optreden in de senaat was dus vermoedelijk niet zo bedreigend als Herodianus en de Historia Augusta laten vermoeden. Eerder was het Caracalla’s bedoeling de senaat voor zich te winnen en niet te provoceren. Het amnestie-edict illustreert die toenadering goed. Misschien kan men Caracalla’s beslissing in 212 met de bouw te beginnen van de beroemde thermen, die naar hem werden genoemd, ook zien als een toenaderende stap tot de senatoren.[583] Ook de repressie die volgde op Geta’s dood richtte zich niet specifiek op senatoren.

 

c) Repressie:

 

- Een algemene zuivering onder Geta’s aanhang:

 

            Tot de machtsconsolidatie behoorde ook een genadeloze repressie onder Geta’s aanhangers. Velen werden terechtgesteld, ook heel wat prominente Romeinen. Onze bronnen besteden er veel aandacht aan om de terreur van Caracalla te benadrukken. Alle bronnen geven aan dat de repressie zich in de eerste plaats richtte op Geta’s nauwe kring van aanhangers, namelijk zijn lijfwachten en dienaars, waaronder vele vrijgelatenen.

 

            Cassius Dio schrijft dat Caracalla in de eerste dagen na de senaatszitting meteen een slachting aanrichtte onder de soldaten en vrijgelatenen van Geta met een 20000-tal terechtstellingen. Tot de slachtoffers behoorden zowel mannen als vrouwen, ongeacht waar ze zich ook bevonden.[584] Het aantal van 20000 is vrijwel zeker een overdrijving, waarmee de senator de wreedheid van Caracalla’s daden wil benadrukken vanuit het negatieve beeld dat hij over deze keizer heeft. Een precies aantal slachtoffers kan men niet geven, maar uit Dio’s overdreven getal kan men toch afleiden dat het er zeer veel moeten geweest zijn. Ook Herodianus geeft aan dat Caracalla in eerste instantie een slachting aanrichtte onder Geta’s nauwe aanhangers, meer bepaald onder zijn lijfwachten, zijn vrienden en het paleispersoneel. Er werd daarbij genadeloos en met grote wreedheid te werk gegaan: de lijken werden onderworpen aan allerlei onwaardigheden en werden op karren gegooid om buiten de stad verbrand te worden of om daar op hopen achtergelaten te worden . Ook Herodianus schuwt hier, zoals gewoonlijk, de overdrijving niet zeggende dat niemand die Geta zelfs gewoon gekend had aan de dood ontsnapte. Zelfs alle atleten en artiesten die Geta’s enthousiasme hadden genoten werden terechtgesteld.[585] Tenslotte bevestigt de Historia Augusta Cassius Dio en Herodianus met het bericht dat alle aanhangers van Geta, waaronder veel vrijgelatenen die zijn zaken beheerden, werden terechtgesteld.[586]

 

            Caracalla schijnt deze eerste repressie grondig doorgevoerd te hebben met arrestaties en terechtstellingen op alle mogelijke plaatsen, zowel binnen als buiten Rome. Dio stelt dat onder de slachtoffers zich zowel mannen als vrouwen bevonden, ongeacht waar zij zich ook bevonden.[587] De Historia Augusta complementeert Dio’s bericht door te stellen dat de terechtstellingen gebeurden op alle mogelijke plaatsen. Zoals in de publieke baden of tijdens banketten, zoals bijvoorbeeld een zekere Sammonicus Serenus, de auteur van vele geschriften over geleerde onderwerpen.[588] De slachtoffers bevonden zich niet alleen in Rome, maar ook buiten de stad werden vele aanhangers opgespoord, gearresteerd en terechtgesteld.[589] Herodianus bevestigt dat Caracalla zijn repressie ook richtte op de provincies, waarbij alle goeverneurs en procuratores die Geta’s vrienden waren geweest werden terechtgesteld.[590]

           

De literaire bronnen maken duidelijk dat Caracalla in de eerste dagen volgende op de vestiging van zijn alleenheerschappij een slachting aanrichtte onder Geta’s aanhang en dan vooral onder diens nauwe medewerkers. In Rome vonden er massaal arrestaties en terechtstellingen plaats, in de eerste plaats in het keizerlijke paleis, maar ook verspreid over de stad. De slachtoffers schijnen meestal onmiddellijk bij hun arrestatie terechtgesteld geweest te zijn. Er werden ook arrestatiebevelen uitgevaardigd naar de provincies die in de eerste weken ook zullen geleid hebben tot vele terechtstellingen. We kunnen dan vooral denken aan die provincies waar bepaalde legerformaties Geta mogelijk gesteund hadden, volgens de hypothese dat er in de twist tussen Caracalla en Geta geen eensgezindheid bestond in het Romeinse leger.[591] Onder de slachtoffers van de repressie bevonden zich ook heel wat prominente personen. Daar wordt dan ook veel aandacht aan besteed door onze bronnen. Die geven een opsomming van slachtoffers die ogenschijnlijk bestraft werden in het kader van Caracalla’s repressie volgende op de dood van Geta. Grondig onderzoek, meest recent door Shamus Sillar[592], heeft echter aangetoond dat de lijst sterk kan worden ingekort. Immers is van een aantal van de vermelde personen hetzij de identiteit onduidelijk, hetzij hun behandeling in de repressie.

 

- Prominente Romeinen die mogelijk werden getroffen door de repressie:

 

Aemilius Papinianus[593]

Een prominent slachtoffer van Caracalla’s repressie schijnt Aemilius Papinianus geweest te zijn. Hij was een vriend geweest van Severus en mogelijk verwant aan Iulia Domna. Severus zou bij zijn dood zijn kinderen onder de hoede geplaatst hebben van Papinianus. [594] In 205 had Severus hem aangesteld tot pretoriaans prefect met Maecius Laetus[595] als collega. In 211, na de dood van Severus, werd hij echter volgens Dio ontslagen.[596] Op het moment van zijn dood was hij dus vermoedelijk geen prefect meer.

 

Zijn dood wordt bevestigd door Cassius Dio, de auteur van de Historia Augusta en Aurelius Victor. Dio beschrijft een scène waarbij de pretorianen Papinianus, evenals Valerius Patruinus, beschuldigden van bepaalde zaken en Caracalla toeliet dat zij hen vermoordden, zeggende: “Het is voor jullie en niet voor mezelf dat ik heers; daarom onderwerp ik me aan jullie zowel in de hoedanigheid van aanklagers als in de hoedanigheid van rechters”. Achteraf zou Caracalla de moordenaar berispt hebben over het feit dat hij een bijl had gebruikt in plaats van een zwaard.[597] De Historia Augusta beschrijft een gelijkaardige situatie waarbij een aantal soldaten Papinianus vermoordden met een bijl, op bevel en in het bijzijn van de keizer. Ook hier zou Caracalla de moordenaar erop gewezen hebben dat hij een zwaard had moeten gebruiken. Waarschijnlijk steunde de Historia Augusta op Dio, gezien de sterke woordelijke overeenstemming. Vervolgens werd zijn lijk door de straten gesleurd zonder enige waardigheid.[598] Tenslotte is er nog een andere versie over de dood van Papinianus, die overgeleverd is in de Historia Augusta en in het werk van Aurelius Victor. Volgens dit verhaal zou Papinianus Caracalla publiekelijk moreel berispt hebben over zijn broedermoord en omwille van die reden terechtgesteld geweest zijn. Beide auteurs voegen er wel zelf aan toe dat deze versie vals is.[599] Het bericht dat Caracalla de moordenaar zou berispt hebben over het gegeven dat deze een bijl had gebruikt in plaats van een zwaard is waarschijnlijk een vervalsing van Dio die daarmee de wreedheid van diens optreden in de verf wou zetten. De auteur van de Historia Augusta heeft dit dan overgenomen.

           

            Uit de informatie overgeleverd in de literaire bronnen kan men niet onmiddellijk opmaken wat de rol van Caracalla was in de dood van Papinianus. Dio’s bericht dat de pretorianen de moord instigeerden lijkt plausibel. De pretorianen zouden om bepaalde redenen, die Dio niet specifiëert, een wrok gekoesterd hebben ten aanzien van hun vroegere bevelhebber. Zij eisten zijn executie en Caracalla stond die toe. De moord werd dus niet in de eerste plaats bevolen door Caracalla, maar wel goedgekeurd. Dat Caracalla zijn goedkeuring verleende kan getuigen van een politieke berekendheid: De steun van de pretorianen was absoluut noodzakelijk om stevig in het zadel te blijven en daartoe moest zoveel mogelijk worden tegemoet gekomen worden aan hun wensen, zoals al bleek toen hij hen vlak na zijn machtsgreep had toegesproken om zich van hun steun te verzekeren.[600] Het is mogelijk dat de pretorianen als beloning voor hun betuigde loyauteit de terechtstelling eisten van hun voormalige prefect Papinianus.[601] Een tegemoetkoming aan de pretorianen kan dus al een belangrijk motief geweest zijn voor Caracalla’s beslissing. Maar het is uiteraard ook mogelijk dat Caracalla zelf ook een persoonlijke wrok koesterde ten aanzien van Papinianus en de keizer hem toch liever dood zag dan levend. Daartoe dienen we een blik te werpen op het verleden en wat de relatie was tussen Papinianus en Caracalla.

 

            Papinianus was reeds lang verbonden aan de keizerlijke familie via zijn bloedverwantschap met Iulia Domna en zijn vriendschap met Severus. Reeds sinds 193 reisde hij steeds mee met de keizerlijke familie en zijn latere benoeming tot pretoriaans prefect wijst erop dat hij één van Severus’ belangrijkste vertrouwelingen was. Hij schijnt behoord te hebben tot de beperkte groep van mensen die Severus inschakelde (en waar Severus uiteraard ook zelf toe behoorde) om Caracalla en Geta op te voeden. Vooral de ontstuimigheid van Caracalla baarde Severus zorgen en er werden pogingen gedaan om dat gedrag te temperen. Severus plaatste bij zijn dood zijn twee zonen onder de hoede van Papinianus, hetgeen er duidelijk op wijst dat Papinianus een opvoedende rol had ten aanzien van de broers, en dat waarschijnlijk al vóór de dood van Severus.[602] De anekdote die Cassius Dio vertelt over een incident tijdens de expeditie in Britannia kan daar verder op wijzen. Immers toen Caracalla een impulsieve poging deed om zijn vader te vermoorden, riep Severus hem daarover op het matje in het bijzijn van Papinianus. Severus zou daarbij de vraag gesteld hebben aan Caracalla of hij Papinianus het bevel durfde te geven hem te vermoorden. Caracalla gaf het bevel niet, maar uit de anekdote blijkt duidelijk de belangrijke rol van Papinianus. Caracalla’s gedrag wordt in zijn bijzijn aan de kaak gesteld, hetgeen erop kan wijzen dat Severus meende dat dat gedrag ook zijn bekommernis was. Het gegeven dat Severus bij zijn dood zijn beide zoons onder Papinianus’ hoede plaatste wijst erop dat deze de rol van opvoeder verder moest vervullen. Daarbij moest hij zich waarschijnlijk toespitsen op het bevorderen van de harmonie tussen de twee broers. Dit kunnen we afleiden uit het feit dat Severus naar het einde toe van zijn leven een gelijke dubbelheerschappij had voorbereid en inspanningen had geleverd om deze harmonie te vergroten. Zijn laatste woorden die hij richtte aan zijn zoons wijzen duidelijk op die wens.[603] De Historia Augusta geeft ook letterlijk aan dat Papinianus, na Severus’ dood, er alles aan deed om Caracalla en Geta met elkaar te verzoenen en dat Caracalla hem daarom liet vermoorden.[604]

 

            Het is duidelijk dat Papinianus door Severus een belangrijke invloed was toegewezen op het gedrag van Caracalla. Nu kunnen we afleiden uit voorgaande gebeurtenissen dat Caracalla moeilijk overweg kon met personen die zo’n opvoedende invloed over hem hadden en hij hen ervaarde als hindernissen. Veel opvoeders kwamen doorheen Caracalla’s leven aan hun einde. Plautianus was door Severus ingeschakeld als opvoeder, maar werd enorm gehaat door Caracalla die een belangrijke rol speelde in zijn val. Ook Severus zelf werd bijna het slachtoffer van zijn inspanningen om de levensstijl van Caracalla te matigen toen Caracalla hem in Britannia trachtte te vermoorden. Onmiddellijk na de dood van Severus schijnt Caracalla in Britannia al een zuivering doorgevoerd te hebben onder de keizerlijke entourage en de vrienden van Severus, waartoe Papinianus ook behoorde. Hij zou daar al een aantal van zijn leermeesters terechtgesteld te hebben, waaronder Evodus.[605] Herodianus schrijft letterlijk dat al diegenen die inspanningen hadden geleverd om Caracalla en Geta met elkaar te verzoenen werden terechtgesteld.[606] Ook Castor, de andere persoon die aanwezig was geweest tijdens Severus’ vergadering in Britannia toen hij het gedrag van zijn zoon aan de kaak stelde, was na de dood van Severus onmiddellijk terechtgesteld.[607] Het is dus goed mogelijk dat Caracalla ook ten aanzien van Papinianus een wrok voelde, omdat deze vanuit de positie van vertrouwensman van Severus een opvoedende invloed had en daarbij aanstuurde op iets dat Caracalla in geen geval wenste, namelijk een verzoening tussen hem en Geta. Voor Papinianus vormde zowel zijn rol als vertrouwensman van Severus als zijn rol als opvoeder van de twee broers bezwarende omstandigheden die een repressie door Caracalla mogelijk maakten. Zoals blijkt uit de eerste terechtstellingen in Britannia had Caracalla een zuivering in gedachten van een groot aantal van de vroegere vertrouwensmannen van Severus, zodat ook Papinianus een mogelijk slachtoffer vormde. Het bericht van Cassius Dio dat Caracalla na de dood van Severus Papinianus meteen ontsloeg als pretoriaans prefect kan al wijzen op een later onheil.

 

            Volgens de Historia Augusta liet Caracalla ook de zoon van Papinianus terechtstellen. Nochtans is er nergens anders geattesteerd dat Papinianus een zoon had. Hij zou quaestor geweest zijn en amper 3 dagen tevoren een groots spektakel georganiseerd hebben.[608] De betrouwbaarheid van de passage werd echter terecht in twijfel getrokken. De auteur van de Historia Augusta zou de vervelende gewoonte hebben om zonen van beroemde vaders gewoon te verzinnen. Het is goed mogelijk dat de auteur ook deze zoon heeft uitgevonden. [609] Ook Valerius Patruinus, die op dat moment gardeprefect was, werd terechtgesteld, schijnbaar in dezelfde situatie als Papinianus. Samen met Papinianus werd hij door de pretorianen van bepaalde zaken beschuldigd en liet Caracalla toe dat ze werden terechtgesteld.[610] Hun lichamen kregen dezelfde behandeling en werden zonder enig respect door de straten gesleept.[611] In het geval van Patruinus kan men niet meteen zeggen dat Caracalla daar een wrok tegenover zou hebben gehad: Caracalla liet hem wellicht op vraag van de pretorianen terechtstellen, net zoals Papinianus, maar bij Papinianus kan men wel vermoeden dat Caracalla de terechtstelling ook zelf wou.

 

L.Fabius Cilo[612]:

 

            Volgens onze bronnen wou Caracalla ook L.Fabius Cilo terechtstellen, maar door de bijzondere omstandigheden schijnt zijn leven gered geweest te zijn.[613] L.Fabius Cilo was een zeer prominente Romein die onder Severus in 204 consul was geweest, evenals stadsprefect. Hij was zeer rijk en had veel prestige.[614] Cassius Dio geeft aan dat Cilo voor Caracalla een opvoeder en weldoener is geweest; meer nog Caracalla zou hem “vader” genoemd hebben.[615] In 211 had hij nog inspanningen geleverd om Caracalla en Geta te verzoenen.[616]

 

            Wat is er nu precies gebeurd met Cilo volgens onze bronnen? Cassius Dio laat er geen twijfel over bestaan dat Caracalla Cilo wou doden. Hij stuurde soldaten uit om Cilo thuis te arresteren en hem vervolgens in het paleis terecht te stellen. Cilo werd door de soldaten gearresteerd en naar het paleis geleid. Daarbij werd hij enorm vernederd: zijn bezittingen werden geplunderd, zijn kleren werden hem van het lijf gerukt en zijn aangezicht werd verminkt. Verontwaardigd over deze vernederende behandeling ontstonden er onlusten bij het gepeupel en de stadstroepen. Uit vrees voor hen nam Caracalla Cilo dan uiteindelijk in bescherming schreeuwende: “Beledig niet mijn vader, doodt niet mijn leermeester!” Daarop liet hij de tribuun, die Cilo had moeten doden, en zijn medesoldaten terechtstellen officieel omdat ze hadden samengezweerd tegen Cilo, maar in werkelijkheid omdat ze hun opdracht niet hadden uitgevoerd.[617] De Historia Augusta beschrijft een gelijkaardige scène, maar de essentie is anders. De stadstroepen zouden Cilo gearresteerd en vernederd hebben en hun geweld werd beëindigd door Caracalla’s optreden.[618] Volgens de auteur was er een opstand van de stadstroepen gaande, waarbij zij ernstig in conflict kwamen met de keizer.[619]

 

            Hoe kan men het feitenverloop nu reconstrueren? In het moderne onderzoek zijn er 2 visies, die gebaseerd zijn op het toekennen van een verschillende rol aan de stadstroepen in de gebeurtenissen. Die verschillende rol blijkt ook in de bronnen. Bij Cassius Dio bracht het door de stadstroepen geuite protest tegen de onwaardige behandeling van hun voormalige bevelhebber Caracalla ertoe Cilo te redden uit de handen van het moordcommando dat hij zelf had uitgezonden. Bij de Historia Augusta echter waren het de stadstroepen die Cilo arresteerden en vernederden en sloeg Caracalla hun opstand neer, waarbij Cilo werd gered. Beslissend voor Caracalla’s ingrijpen was dus de rol van de stadstroepen, de“Urbaniciani”.

 

            Dietz heeft de bronnen over Cilo’s behandeling grondig bestudeerd en is tot een interessante reconstructie van het feitenverloop gekomen.[620] Hij meent dat de tribuun en de soldaten die, volgens Dio achteraf bestraft werden door Caracalla, met een grote waarschijnlijkheid pretorianen waren. Dit zou blijken uit een grondige vergelijking van de berichten van Cassius Dio en de Historia Augusta.[621] De vernederende behandeling die het moordcommando gaf aan Cilo lokte protest uit van de stadstroepen en het volk, zoals Dio ook aangaf. Volgens Dietz moet men het bericht in de Historia Augusta anders interpreteren, namelijk in die zin dat de stadstroepen Cilo redden uit de handen van het pretoriaanse moordcommando:“4,6:”et cum idem Cilo sublata veste senatoria nudis pedibus ab urbanicianis raptus esset, Antoninus seditionem compressit. 4,7: multas praeterea postea caedes in urbe fecit, passim raptis a militibus nonnullis hominibus et occisis, quasi seditionem vindicans.”[622]

Terwijl “raptis a militibus” (4,7) een handeling is die door de keizer werd veroorzaakt, brengt de met “ab Urbanicianis raptus” omschreven gebeurtenis juist de “seditio” teweeg. De ontvoering door de stadstroepen en de bijhorende opstand was dus vijandig ten aanzien van de keizer en kan dus niet door hem bevolen zijn.[623] “raptus” heeft dus in beide regels (4,6 en 4,7) een verschillende betekenis; in het eerste geval heeft het namelijk de betekenis van “ereptus” . Enkel bij zo’n interpretatie is “Antoninus seditionem compressit” niet onlogisch.[624]

 

Meer recent heeft ook Sillar de bronnen met betrekking tot de behandeling van Cilo bestudeerd en hij is gekomen tot een andere reconstructie van de feiten. Hij vindt Dio’s bericht dat Caracalla heimelijk de wens had Cilo te doden ongeloofwaardig. Dit omwille van de nauwe relatie die er tussen Cilo en Caracalla zou bestaan hebben en het feit dat de literaire bronnen aangeven dat Caracalla Cilo schijnbaar juist redde van de dood. De auteur hecht meer waarde aan het bericht in de Historia Augusta en meent op basis daarvan dat er zich een opstand voordeed van de stadstroepen.[625] Niet alleen het bericht in de Historia Augusta, maar ook andere elementen zouden erop wijzen dat er een opstand was. Zoals het bericht van Dio dat Caracalla na de gebeurtenissen een tribuun en zijn soldaten liet terechtstellen. Sillar gelooft Dio niet wanneer die stelt dat Caracalla de terechtstellingen beval om zijn eigen schuld te verdoezelen. Hij ziet het eerder als een aanwijzing dat de soldaten in opstand waren geweest en dat ze daarom werden bestraft. Wat was dan de oorzaak van de onlusten? Een rol kan de houding van het leger gespeeld hebben ten aanzien van de broedertwist; een houding, die zoals vermeld mogelijk niet eensgezind was.[626] Het lijkt erop dat de soldaten van de drie stadscohorten in Rome een bepaalde wrok koesterden ten aanzien van hun voormalige prefect, Fabius Cilo. Waarom die wrok? Misschien hadden de betrokken soldaten partij gekozen in de kontroverse en had Cilo zich met zijn inspanningen om de broers te verzoenen vervreemd van zowel de Geta-aanhang als de Caracalla-aanhang.[627]

 

Het incident rond Fabius Cilo kende ook een weerklank in de epigrafie. Er werd immers een fragmentaire inscriptie gevonden die ons iets vertelt over de houding van de stadstroepen.[628] Dietz’ reconstructie van de inscriptie toont een loyauteitsverklaring van de urbaniciani die er moet gekomen zijn in de periode volgende op het incident.[629] Volgens Sillar wijst deze loyauteitsverklaring er juist op dat de stadstroepen effectief in opstand waren geweest.[630] Dietz ziet het anders. Hij veronderstelt dat de loyauteitsbetuiging er kwam om te ontkomen aan een verdere vervolging en bestraffing door Caracalla. Na het incident liet Caracalla meteen een tribuun en een aantal soldaten terechtstellen. Deze personen hadden deel uitgemaakt van het moordcommando dat door Caracalla zelf was uitgezonden. Hun publieke terechtstelling was noodzakelijk om tegemoet te komen aan de muitende stadstroepen en om zijn eigen schuld te verbergen. Dietz veronderstelt dat het goed mogelijk is dat Caracalla zijn woede nu richtte op de stadstroepen omdat zij zijn plannen hadden gedwarsboomd. Voor de stadstroepen was het dan belangrijk om een signaal te geven aan de keizer van hun onvoorwaardelijke trouw. Dietz schuift nog een andere mogelijkheid naar voor. Het is goed mogelijk dat Caracalla, nadat hij de betrokken pretorianen had terechtgesteld, ook een aantal urbaniciani ontsloeg en verving door trouwe keizerlijke vrijgelatenen. Die vrijgelatenen kunnen dan mogelijk de inscriptie opgericht hebben om de keizer te tonen dat hij opnieuw volledig kon steunen op de stadstroepen.[631]

 

Zowel de hypothese van Dietz als die van Sillar zijn plausibel. Het meest waarschijnlijk lijkt ons echter de feitenreconstructie, zoals die door Dietz werd voorgesteld. De berichten in het werk van Cassius Dio en de Historia Augusta spreken elkaar niet tegen in de zin dat de urbaniciani in het eerste optraden als de redders en in het tweede als de daders. De twee berichten vullen elkaar eerder aan. Wij menen dat uit het bericht van Cassius Dio duidelijk blijkt dat Caracalla een groep soldaten had uitgezonden om Fabius Cilo te vermoorden  en dat hij daarin werd verhinderd door het protest van zowel de stadstroepen als het volk. Het bericht in de Historia Augusta vult Dio aan, wanneer men het interpreteert in de zin dat de stadstroepen Cilo redden uit de handen van de door Caracalla uitgezonden soldaten en niet in die zin dat zij juist degenen waren die Cilo ontvoerden en wilden vermoorden. Sillar heeft te veel belang gehecht aan het relaas in de Historia Augusta en te weinig aan dat van Dio en nochtans is dat van laatsgenoemde doorgaans betrouwbaarder. De idee van een opstand onder de urbaniciani, gericht tegen Cilo baseert hij vrijwel volledig op de Historia Augusta. Sillar’s afwijzing van Dio’s mededeling dat Caracalla de moord heimelijk had bevolen is niet overtuigend. Volgens hem had Caracalla daar geen redenen voor (Cilo zou een goede vriend geweest zijn), de urbaniciani wel. Zijn inspanningen om Geta en Caracalla met elkaar te verzoenen zouden bij de stadstroepen in slechte aarde gevallen zijn. In de Historia Augusta staat trouwens aangegeven dat Cilo werd gedood om geen andere reden dan dat hij op verzoening had aangestuurd tussen de twee broers.[632] Voor Sillar past dit in zijn verdere interpretatie van het bericht in de Historia Augusta, volgens de welke het de stadstroepen zouden geweest zijn die misnoegd waren over Fabius Cilo; ze zouden namelijk misnoegd geweest zijn over diens inspanningen tot verzoening. Dit lijkt ons eerder een belangrijk potentieel motief voor Caracalla om Cilo dood te wensen. Denken we maar aan het lot van Papinianus en een aantal andere leermeesters.[633] Zij schijnen vooral omwille van hun verzoeningswerk terechtgesteld geweest te zijn. Bovendien was Cilo één van de trouwste aanhangers geweest van Severus, die hem van meet af aan beschouwde als één van zijn belangrijkste vertrouwelingen. Ook dit kan een bezwarende omstandigheid geweest zijn in de ogen van Caracalla; als we opnieuw denken aan het lot van andere grote vertrouwelingen van zijn vader, zoals Plautianus en Papinianus. Het lijkt ons dan ook geloofwaardig dat Caracalla verantwoordelijk was voor de moordpoging op Cilo; zoals Dietz aangeeft door een groep pretorianen met die opdracht uit te zenden. Bovendien lijkt het waarschijnlijker dat de stadstroepen een zekere affectie voelden voor Cilo, dan dat ze een wrok koesterden. Immers was Cilo opvallend lang stadsprefect geweest, namelijk van 202/203 tot 211.[634] Is het dan niet waarschijnlijker dat de stadstroepen ontzet waren over de vernederende behandeling die de man die zolang hun bevelhebber was geweest kreeg en dat zij hem daarom ter hulp snelden? Wat er ook van zij, Cilo werd dus zeker niet terechtgesteld door Caracalla in het kader van zijn repressie volgende op de dood van Geta. Het lijkt er wel op dat Caracalla een poging deed om Cilo te laten vermoorden, maar dat die mislukte door het optreden van de stadstroepen die hun voormalige prefect ter hulp waren gesneld.

 

C.Iulius Asper[635]:

 

            Volgens Cassius Dio werd ook C.Iulius Asper getroffen door Caracalla’s repressie. Asper was een prominent senator, volgens Dio welopgevoed en intelligent[636], die reeds consul suffectus was geweest onder Commodus en proconsul van de provincie Africa onder Severus.[637] Asper werd zeker niet terechtgesteld, maar wel verbannen naar zijn thuisland.[638] Asper en zijn zoon schijnen favorieten geweest te zijn van Caracalla. Op 1 januari 212 wijdden Asper en zijn zoon C.Iulius Camilius Galerius Asper het jaar in als consules ordinarii. Het is waarschijnlijk dat zij gekozen werden door Caracalla in de loop van 211, kort na de terugkeer van Caracalla en Geta uit Britannia.[639] Dat ze favorieten waren van Caracalla lijkt ook bevestigd door de manier waarop Caracalla ze behandelde na hun inauguratie in het begin van 212. Cassius Dio schrijft dat “Asper aanvankelijk werd verheerlijkt, samen met zijn zonen zodanig dat hij paradeerde omringd door het meeste fasces tegelijk ooit.”[640] De meerdere fasces kunnen verklaard worden vanuit de waarschijnlijkheid dat Asper niet alleen consul ordinarius was, maar ook stadsprefect.[641] Hij volgde als stadsprefect Sex.Varius Marcellus op, die zelf Cilo had opgevolgd, na diens ontslag.[642] Zo’n combinatie van prestigieuze taken wijst erop dat Asper een favoriet was van Caracalla. Dat ook zijn zoons geëerd werden bevestigt dit. Halfmann wijst erop dat de Aspri mogelijk favorieten waren van Iulia Domna. Dit omwille van hun oosterse herkomst, vermoedelijk uit Syria.[643]

 

Ondanks deze eerbewijzen stelt Dio Cassius toch vervolgens:”en dan werd hij plots buitensporig beledigd door hem (Caracalla) en werd hij teruggestuurd naar zijn thuisstad met misbruik en in vreselijke angst.”[644] De reden waarom Asper werd verbannen is niet meteen duidelijk. Sillar vermoedt dat de stadstroepen negatief reageerden ten aanzien van zijn benoeming tot prefect en ze daarom Caracalla onder druk hadden gezet om hem te ontslaan. De stadstroepen waren immers in opstand geweest en hadden, naar zijn mening al getracht Cilo te vermoorden. Persoonlijke wrok vanwege Caracalla acht hij zeer onwaarschijnlijk en Dio’s bericht dat Caracalla de Aspri grof beledigde is volgens Sillar dan ook overdreven. De Aspri waren immers favorieten van Caracalla en de verbanning betekende geenszins het einde van hun loopbaan. Naar het einde toe van Caracalla’s heerschappij kreeg Asper immers de prestigieuze provincie Asia toegewezen als proconsul.[645]

Dietz heeft een betere verklaring gegeven die gebaseerd is op zijn versie van de gebeurtenissen rond Fabius Cilo die naar onze mening waarschijnlijker is dan de versie van Sillar. Op het moment van de moordpoging op Fabius Cilo was Asper stadsprefect. Dietz acht het mogelijk dat Caracalla Asper verantwoordelijk stelde voor de houding van zijn ondergeschikten, die hem hadden verhinderd Cilo uit de weg te ruimen. Het zou dan geen toeval zijn dat het lot van Asper in Dio’s werk verteld wordt onmiddellijk na dat van Cilo.[646] Het lot van Asper wordt door Dio trouwens treffend ingeleid: “In alles was hij van nature grillig; bijvoorbeeld, hij zou mensen overladen met grootse eerbewijzen om ze dan plots zonder reden tot schande te brengen, en verder zou hij de levens sparen van diegenen die het het minst verdienden en diegenen straffen die niemand verwachtte gestraft te zien worden.”[647] Vervolgens wordt Asper gegeven als voorbeeld. Het lijkt er dus op dat Asper (en zijn zoon) het slachtoffer werd van Caracalla’s wrok over het mislukken van zijn moordpoging op Fabius Cilo. Gelukkig voor Asper was de wrok niet langdurig en werd hij later gerehabiliteerd en opnieuw ingeschakeld in Caracalla’s beleid.

 

P.Helvius Pertinax[648]:

 

            Ook P.Helvius Pertinax, de zoon van de voormalige keizer, werd waarschijnlijk terechtgesteld in het kader van Caracalla’s repressie.[649] Hoewel Herodianus duidelijk aangeeft dat hij werd terechtgesteld kort na de dood van Geta, lijken de andere bronnen aan te geven dat hij nog een poos leefde. De auteur van de Historia Augusta beschrijft bijvoorbeeld een incident waarbij Pertinax in het openbaar grapte over de broedermoord van Caracalla. Toen Caracalla tijdens een senaatszitting een nieuw cognomen ex virtute toevoegde aan zijn titulatuur zou Pertinax geroepen hebben: “Voeg aan de anderen ook “Geticus Maximus” toe!”[650] De inhoud van de passage wordt over het algemeen als een vervalsing beschouwd[651], toch hoeft dit niet noodzakelijk de mogelijkheid uit te sluiten dat Pertinax nog enige tijd voortleefde tijdens Caracalla’s heerschappij.[652] Ook het consulatus suffectus van Pertinax wijst op die mogelijkheid.[653] Het is waarschijnlijk dat zijn consulaat er is gekomen naar het einde van Caracalla’s heerschappij. Immers was Pertinax, volgens Dio, in 193 nog maar een kind,[654] wat het gezien de leeftijdsvereisten voor het ambt waarschijnlijk maakt dat hij het pas bekleedde tijdens Caracalla’s regering. Men kan dus niet met zekerheid zeggen dat Pertinax stierf in de repressie, onmiddellijk na de dood van Geta; het is mogelijk dat Pertinax pas een paar jaar later stierf tijdens Caracalla’s alleenheerschappij. [655]

Het motief dat Caracalla kan gehad hebben om Pertinax te laten terechtstellen lijkt hier van politieke aard geweest te zijn. Pertinax kon immers een reëele bedreiging vormen voor de keizerlijke macht.[656] Hoewel zowel Cassius Dio als de auteur van de Historia Augusta aangeven dat de keizer Pertinax zijn zoon en echtgenote afschermde van de buitenwereld en hij weigerde dat zijn vrouw de titel Augusta kreeg en zijn zoon de titel Caesar,[657] blijkt uit epigrafisch bewijs dat zijn vrouw en zoon toch deze titels hebben gedragen.[658] Zijn loopbaan werd ook niet meteen stopgezet na de dood van zijn vader: zo werd hij flamen in de keizer-cultus.[659] Bovendien schijnt Pertinax vrij populair geweest te zijn.[660] Als zoon van een vergoddelijkte keizer vormde Pertinax dus een potentieel alternatief voor de keizerlijke macht en dit zal Caracalla zeker niet ontgaan zijn en hem ertoe gebracht hebben Pertinax uit de weg te ruimen. Mogelijk lokte Pertinax ook de toorn van Caracalla uit door zijn gedrag. Hoewel het eerder vermelde bericht over de spottende opmerking van Pertinax wellicht een vervalsing is kan het toch gebaseerd zijn op een effectieve houding van de man, waarbij deze weinig sympathie koesterde voor Caracalla. In het kader van dit alles, kwam de executie van Pertinax niet echt als een verrassing.

 

L.Aelius Antipater[661]:

 

            Antipater wordt niet expliciet vermeld door onze bronnen als zijnde één van de slachtoffers van Caracalla’s repressie na de dood van Geta. Toch menen een aantal onderzoekers dat Antipater gedwongen werd zelfmoord te plegen.[662] Sillar heeft echter aangetoond dat Antipater geen slachtoffer was van Caracalla.[663] Antipater kende een bloeiende loopbaan onder Severus, met onder andere de adlectio inter consulares.[664] Hij fungeerde ook, net zoals Papinianus en Cilo als opvoeder voor zowel Geta als Caracalla.[665] In een inscriptie uit de periode 200-205 beschrijft Caracalla Antipater als zijn vriend en leermeester.[666] Van waar halen onderzoekers als Crook en Whittaker de idee dat Antipater een slachtoffer was van Caracalla’s repressie? Volgens Philostratus zou Antipater kort na de dood van Geta een oprechte brief geschreven hebben naar Caracalla waarin hij de dood van zijn voormalige pupil betreurde. Philostratus suggereert daarbij dat de inhoud van de brief de woede kan opgewekt hebben van Caracalla. Dit hoeft echter nog niet te betekenen dat Antipater vervolgens werd gedwongen zelfmoord te plegen. Immers geeft Philostratus zelf aan dat Antipater 68 jaar oud werd en dat hij werd begraven in zijn thuisstad.[667] Daarbij is er dus zeker geen aanwijzing dat Antipater stierf op keizerlijk bevel. Hij was dus zeker geen slachtoffer van Caracalla’s repressie volgende op de dood van Geta.

 

Q.Maecius Laetus[668]:

 

            De repressie zou ook een weerslag gehad hebben op Q.Maecius Laetus, maar de bronnen geven onduidelijke informatie over zowel de identiteit van de persoon als over de manier waarop hij behandeld werd. Cassius Dio stelt dat een zekere “Laenus” door Caracalla zeker tot schande of zelfs ter dood zou zijn gebracht, als de man niet enorm ziek zou geweest zijn.[669] De identiteit van deze Laenus is onbekend; waarschijnlijk dient de tekst gecorrigeerd te worden naar “Laetus”. Daarop wijst ook de passage in de Historia Augusta, die het wel heeft over Laetus en daarmee wellicht dezelfde persoon bedoelt als Dio. [670] Volgens de auteur van de Historia Augusta werd Laetus gedwongen zelfmoord te plegen, waarbij men hem het vergif toezond.[671] Over welke Laetus is er dan sprake? Cassius Dio vermeldt nog in zijn bericht dat Caracalla nog een verklaring aflegde over Laenus ten aanzien van de soldaten.[672] Dit kan erop wijzen dat hij een militair figuur was. De meest plausibele kandidaat is Q.Maecius Laetus, pretoriaans prefect onder Severus.[673] In dat geval moet de stelling van de Historia Augusta dat Laetus werd gedwongen zelfmoord te plegen verworpen worden, want epigrafisch bewijs toont aan dat Laetus de repressie overleefde. Hij bleef zelfs in de gunst staan van Caracalla, want hij was consul ordinarius in 215.[674] Laetus was dus geen slachtoffer van Caracalla’s repressie volgende op de dood van Geta.

 

Afer, Pompeianus en Thrasea Priscus:

 

            Herodianus en de auteur van de Historia Augusta stellen dat Caracalla ook zijn neef liet terechtstellen. Beide auteurs geven die neef wel een verschillende naam, zodat de identiteit van de persoon niet meteen duidelijk is. Volgens de Historia Augusta heette de neef van Caracalla “Afer”, volgens Herodianus echter “Severus”. [675] Waarschijnlijk hebben beide auteurs het over een verschillende neef.[676] Een hypothese voor de Historia Augusta is dat het over L.Septimius Aper gaat, consul ordinarius in 207.[677] Mogelijk was deze Aper een afstammeling van P.Septimius Aper, die op zijn beurt mogelijk verwant was aan Septimius Severus.[678] Het is dus mogelijk dat Aper een verre neef was van Caracalla, maar dit is lang niet zeker. [679] Het is ook lang niet zeker of de auteur van de Historia Augusta met Afer wel deze Aper bedoelde. Sillar acht het zeer onwaarschijnlijk. Het valt hem immers op dat de auteur in een andere passage het cognomen “Aper” wel goed schrijft en hij het daar niet heeft over Afer.[680] Bovendien verzwijgt de Historia Augusta het feit dat P.Septimius Aper nog vrij recent consul was geweest. Nochtans heeft de auteur voor de rest schijnbaar de gewoonte om, van de slachtoffers van Caracalla’s repressie, zoveel mogelijk elke belangrijke functie die ze hebben bekleed te vermelden.[681] Dit laatste argument is minder doorslaggevend omdat de auteur in het fragment over Caracalla’s repressie ook zwijgt over de prefectuur van Papinianus en Patruinus.

 

Sillar betwijfelt of de beschrijving in de Historia Augusta in zijn geheel wel betrouwbaar is. Volgens de biograaf gooide Afer zich, bij het zien van de soldaten die hem kwamen arresteren, uit het raam en brak hij daarbij zijn been. Daarop kroop Afer bij zijn vrouw, maar desondanks werd hij toch gegrepen door de moordenaars die hem bespotten en doodden.[682] De inhoud en de manier van beschrijven zouden erop wijzen dat de auteur meer begaan was met de dramatische vertelling dan met de inhoudelijke juistheid ervan. De passage volgt ook onmiddellijk op die over Laetus, die de Historia Augusta verkeerdelijk opnam in de lijst van slachtoffers met een leugenachtig verhaal over een gedwongen zelfmoord. Dat op deze leugen een tweede zou volgen acht Sillar niet onwaarschijnlijk.[683] De argumentering lijkt ons eerder zwak. Met betrekking tot de inhoud en de manier van beschrijven lijkt de Historia Augusta in haar relaas over Caracalla’s repressie meestal de dramatiek en de levendigheid te dienen. Dit wil niet zeggen dat er inhoudelijk geen ware elementen kunnen inzitten. Immers beschrijft de biograaf ook de scènes rond de andere prominente slachtoffers dramatisch en levendig. Zo is bijvoorbeeld de beschrijving over de behandeling van Cilo ook zeer levendig en dramatisch en weten we van Cassius Dio dat er toch juiste elementen inzitten.[684] Ook het argument “na één valse passage, kan er een andere volgen” lijkt eerder zwak. Andere illustratieve voorbeelden zouden het argument wel kunnen versterken. Wij menen dat het weinig zin heeft over de inhoudelijke juistheid van de passage te argumenteren, omdat we de identiteit niet kennen van de betrokkene. We kunnen dan ook niet speculeren over Caracalla’s eventuele motieven, hetgeen het belangrijkste is voor deze studie.

 

Ook onduidelijk is de passage over Pompeianus, die zowel door de Historia Augusta als door Herodianus wordt genoemd als één van de slachtoffers van Caracalla’s repressie.[685] Zowel de identiteit van de persoon als de inhoud van de passage is onduidelijk. Hij wordt omschreven als de zoon van Lucilla, de dochter van Marcus Aurelius. Mogelijk kan deze Pompeianus geïdentificeerd worden met L.Aurelius Commodus Pompeianus, die waarschijnlijk consul is geweest in 209.[686] Sillar acht dit onwaarschijnlijk, omdat het opvallend is dat de auteur van de Historia Augusta dit recente consulaat niet vermeldt. En dit terwijl de biograaf wel de twee consulaten van zijn vader, Pompeianus, de echtgenoot van Lucilla, vermeldde.[687] Het is even goed mogelijk dat Pompeianus moet geïdentificeerd worden met de veel minder bekende Ti.Claudius Pompeianus[688], die enkel bekend is als tribunus militum van het Legio I Minerva onder Severus in 197.[689] De identificatie van Pompeianus is dus onduidelijk en nochtans noodzakelijk om uitspraken te kunnen doen over de mogelijke motieven van Caracalla om deze persoon terecht te stellen. Immers indien Pompeianus effectief kan geïdentificeerd worden met de kleinzoon van Marcus Aurelius dan is een motivering zoals in het geval van Helvius Pertinax goed mogelijk: Als directe afstammeling van een overleden (en vergoddelijkte) keizer kon hij een reëel gevaar uitmaken voor de keizerlijke macht. Indien echter een identificatie met de veel minder bekende Pompeianus bewezen kan worden, dan ligt Caracalla’s motivering veel minder voor de hand. Misschien had de tribuun Caracalla op de één of andere manier voor de borst gestoten. Bijvoorbeeld door zich openlijk voorstander te tonen van Geta.

Ook inhoudelijk is het relaas over Pompeianus’ dood, zoals dat beschreven wordt in de Historia Augusta van twijfelachtige aard. De auteur schijnt de doodsomstandigheden verward te hebben met die van zijn oom, Claudius Pompeianus, die ongeveer 10 jaar tevoren was gestorven.[690] Over beide personen zegt de Historia Augusta dat ze vermoord werden alsof ze overvallen waren door rovers.[691] De identieke beschrijving van de doodsomstandigheden doet twijfels rijzen over de waarachtigheid van het bericht.[692]

 

Volgens Cassius Dio zou ook een zekere Thrasea Priscus terechtgesteld geweest zijn. Volgens de auteur was hij een man wiens afkomst en intelligentie hoogstaand was.[693] Wederom is de identiteit van de betrokkene onzeker. Vermoedelijk betreft het L.Valerius Messalla Thrasea Priscus, consul ordinarius onder Severus, in 196.[694] Maar andere identificaties zijn ook mogelijk. Elementen van de naam kunnen zo leiden tot speculaties, zoals bijvoorbeeld een identificatie met P.Clodius Thrasea Paetus of met Helvidius Priscus.[695] Ook over het tijdstip van Priscus’ dood bestaat onzekerheid. Aangezien zijn dood in Dio’s tekst geplaatst wordt in de beschrijving van Caracalla’s repressie lijkt het voor de hand te liggen dat hij ook tot die slachtoffers behoorde en dus werd terechtgesteld in de nadagen van de dood van Geta. De meeste auteurs nemen dit dan ook aan.[696] Sillar meent echter dat het Epitome van Dio geen tijdskader geeft voor Priscus’ dood. Dio zou de dood van Priscus eerder beschreven hebben om de grillige natuur van Caracalla met een voorbeeld aan te tonen. Hij acht het dan ook goed mogelijk dat Thrasea Priscus later gestorven is. Dit zou kunnen verklaren waarom noch Herodianus, noch de auteur van de Historia Augusta de senator vermeldden in hun beschrijving van Caracalla’s repressie.[697] Wij menen dat Cassius Dio wel een tijdskader geeft voor de dood van Priscus want hij beschrijft die onmiddellijk na die van Maecius Laetus en Iulianus Asper. Het bericht wordt ook onmiddellijk gevolgd door de toevoeging dat Caracalla ook vele anderen, vele voormalige vrienden liet terechtstellen.[698] Thrasea Priscus kan dus wel een slachtoffer geweest zijn van Caracalla’s repressie. Zijn identiteit is evenwel onzeker, evenals Caracalla’s motief om hem terecht te stellen. Mogelijk behoorde hij tot Geta’s aanhang of had hij ongenoegen getoond ten opzichte van Caracalla’s machtsgreep.
 

d) Vertrouwelingen op sleutelposten in de hoofdstad:

 

Voor Caracalla was het belangrijk om, als onderdeel van de machtsconsolidatie, zoveel mogelijk vertrouwelingen te plaatsen op belangrijke posten. En dit vooral in de hoofdstad Rome, waar het belangrijk was om alle diensten en troepencommandos stevig in handen te houden. Reeds vóór de dood van Geta schijnt Caracalla al belangrijke benoemingen gepland en doorgevoerd te hebben.

 

Door de ontslagen van Papinianus en Fabius Cilo kwamen de plaatsen van stadsprefect en prefect van de pretorianen vrij. Deze twee functies waren uiterst belangrijk voor Caracalla’s politieke voortleven en hij besloot een opmerkelijke benoeming te doen. Hij benoemde zijn familielid en vertrouweling Sex. Varius Marcellus[699] tot vice praefectorum praetorio et urbi functo.[700] Normaal werden deze ambten gegeven aan leden van de equestrale top, maar de bijzondere politieke situatie bracht Caracalla ertoe een vertrouweling van geringe rang op beide posten te plaatsen. Deze Marcellus werd bovendien ook benoemd tot procurator a ratione privata, waarmee deze het kroonbezit en het persoonlijke vermogen van de keizer beheerde.[701] Wanneer de benoemingen precies plaatsvonden is niet meteen duidelijk; de datering is afhankelijk van het tijdstip waarop zijn voorgangers werden ontslagen. De literaire bronnen geven immers niet precies aan wanneer Papinianus werd ontslagen als pretoriaans prefect en wanneer Cilo als stadsprefect. De ontslagen gebeurden zeker na de dood van Severus in februari 211 en vóór 1 januari 212, toen Asper het jaar inwijdde als nieuwe stadsprefect.[702] Volgens Halfmann moet de benoeming van Marcellus tot procurator a ratione privata ten vroegste in april 211 gebeurd zijn, dus kort na de terugkeer van de keizers uit Britannia. De benoeming tot de vice-prefecturen kan gelijktijdig gebeurd zijn of kort erna; dit kan men niet precies vaststellen.[703] Waarschijnlijk vonden de benoemingen plaats in de tweede helft van december 211, kort na Geta’s dood.[704]

 

De benoeming van Marcellus tot procurator rei privatae was voor Caracalla vermoedelijk belangrijk omdat zijn vermogen groeide en beter beheerd moest worden. Na de dood van Severus had hij samen met zijn broer , de res privata, diens persoonlijke vermogen geërfd. Ook het patrimonium caesaris, de kroonbezittingen, waarvan de keizer eigenaar is tijdens de uitoefening van zijn functie, gingen over op de twee broers.[705] Op het moment dat Caracalla Geta ten val bracht en zijn alleenheerschappij vestigde werd Caracalla alleen eigenaar van al deze bezittingen, plus de persoonlijke bezittingen van Geta die hij wellicht confisqueerde. Tijdens de respressie die volgde werden heel wat aanhangers van Geta terechtgesteld, waarbij het eveneens waarschijnlijk is dat hun goederen werden geconfisqueerd.[706] Deze confiscaties zullen het persoonlijke vermogen van de keizer zeker sterk vergroot hebben, evenals de noodzaak van een goed beheer ervan. In dit opzicht was de benoeming van een goede vertrouweling en bloedverwant aan het hoofd van zijn vermogen een wijze beslissing van de keizer.

 

Bovendien waren er niet alleen vele inkomsten door confiscaties maar ook vele uitgaven, meer bepaald aan het leger. Zoals vermeld had Caracalla tijdens zijn toespraak voor de pretorianen grote geldbeloften gedaan om zich van hun trouw te verzekeren.[707] In de persoon van Marcellus trachtte Caracalla de verworven loyauteit van de pretorianen te consolideren. Marcellus zorgde als procurator a ratione privata ervoor dat de beloofde geldbeloningen zeker werden uitbetaald en als vice praefectorum praetorio et urbi functo hield hij toezicht op de loyauteit van alle in Rome aanwezig zijnde troepen. De belangrijkste commandos en diensten waren dus in handen van Marcellus en eigenlijk onrechtstreeks in handen van Caracalla, want Marcellus was een zeer grote vertrouweling. Stadsprefect is Marcellus niet lang gebleven want begin 212 werd hij vervangen door C.Iulius Asper, een andere favoriet van Caracalla. Ook hij werd al vlug ontslagen, waarschijnlijk omdat zijn benoeming niet in goede aarde viel bij de stadstroepen.[708] Ook pretoriaans prefect is hij niet lang geweest want begin 212 werd M.Opellius Macrinus in die functie aangesteld, samen met M.Oclatinius Adventus.[709] Marcellus bleef echter een belangrijke rol vervullen want na de dood van Geta werd hij ook opgenomen in de senatoriale stand, waarschijnlijk door de adlectio inter praetorios. Het eerste senatoriale ambt dat hij vervolgens vervulde was dat van praefectus aerari militaris. Daarmee kreeg hij het toezicht over de militaire schatkist. In 213 kreeg hij vervolgens het goeverneurschap van de provincie Numidia en het is tijdens de uitvoering van deze opdracht dat hij waarschijnlijk stierf.[710]

 

Een andere vertrouweling van Caracalla die een belangrijke rol kreeg toegewezen in Caracalla’s greep naar de macht was Q.Cerellius Apollinaris.[711] Christol heeft aangetoond dat deze Apollinaris reeds sinds 204/205 deel uitmaakte van de kring van trouwe aanhangers van Caracalla. Die beloonde hem met verschillende equestrale posten in Rome, waarbij de normale cursus niet werd gevolgd.. Tijdens de expeditie in Britannia werd Apollinaris te Rome aangesteld als procurator a ratione privata, ca 209/210. Eerder was hij procurator ludi magni geweest, een post die Caracalla nu gaf aan een andere vertrouweling, namelijk C.Iulius Pacatianus.[712] Vanuit het besef dat de Britse expeditie een lange afwezigheid uit Rome betekende en het besef dat er een machtstrijd zou komen met Geta besloot Caracalla dus Apollinaris en Pacatianus in Rome vrij belangrijke taken toe te vertrouwen. Op die manier had hij twee vertrouwelingen in Rome, die in het geval van een machtsstrijd zeker zijn zaak zouden steunen. In 212 werd Apollinaris benoemd tot praefectus vigilum. Christol vermoedt dat de vorige prefect tot de partij van Geta behoorde. Door een oude vertrouweling tot praefectus vigilum te benoemen verzekerde Caracalla zich van de steun van de cohortes vigilum, die de nachtwacht en de brandweer uitmaakten en dit is niet onbelangrijk in functie van zijn machtsconsolidatie.[713] Een andere niet onbelangrijke post in Rome was die van praefectus alimentorum. Ook daar plaatste Caracalla een trouwe aanhanger, namelijk zijn familielid C.Iulius Avitus Alexianus.[714] Hij werd waarschijnlijk benoemd na de terugkeer uit Britannia in 211, nadat hij als comes imperatorum was meegereisd.[715]

 

In de nadagen van de moord op Geta had Caracalla er dus voor gezorgd dat alle belangrijke commandos in Rome in handen waren van vertrouwelingen. Met zijn familielid Marcellus aan het hoofd van de stadstroepen en de pretorianen en zijn trouwe aanhanger Apollinaris aan het hoofd van de cohortes vigilum beschikte Caracalla dus op het moment van Geta’s dood over een stevige basis in Rome en die was noodzakelijk om zijn zopas verworven macht te consolideren. Ook de controle over het keizerlijke vermogen was uiterst belangrijk en ook daarvan had Caracalla zich, al vóór de dood van Geta, met de benoemingen van eerst Apollinaris en dan Marcellus verzekerd. Tenslotte stond ook de voedselvoorziening van de hoofdstad, via Avitus als praefectus alimentorum, op het moment van Geta’s dood onder zijn controle.

 

e) De “damnatio memoriae” van Geta:

 

            Caracalla zorde ervoor dat over Geta de damnatio memoriae werd uitgesproken. Zo’n vervloeking diende door de senaat te worden geproclameerd. We veronderstellen dat Caracalla de senaat daartoe dwong tijdens de senaatszitting, de dag na de dood van Geta. Van onze bronnen bericht enkel Cassius Dio over de damnatio memoriae en dit in aansluiting op de beschrijving van Caracalla’s repressie; en niet in zijn beschrijving van de senaatszitting. De tekst van Cassius Dio is ons echter in de vorm van een Epitome overgeleverd en het is dan ook mogelijk dat het oorspronkelijke relaas van Dio wel over de damnatio memoriae van Geta vertelde in het kader van de senaatszitting, kort na de dood van Geta. Dio beschrijft een aantal maatregelen van Caracalla die er duidelijk op wijzen dat hij over Geta de damnatio memoriae had uitgesproken.Zo stelt hij dat Caracalla de verjaardag van Geta afschafte; hij mocht dus niet meer gevierd worden. De stenen die zijn standbeelden hadden gedragen werden bewerkt zodat Geta er niet meer op kon worden teruggevonden, en de munten van Geta werden omgesmolten.[716] De damnatio memoriae komt goed naar voor in de epigrafie, waarbij op alle inschriften de naam van Geta werd weggehaald. Meestal kwam er in de plaats van Geta’s naam een andere invulling, gewoonlijk eretitels van Caracalla, zodat de tekst opnieuw min of meer zinvol werd gemaakt. Toch bleven de sporen van de operatie op de inschriften vrijwel steeds zichtbaar. [717] Het bevel moet zeer grondig zijn doorgevoerd, en dit tot in de verste uithoeken van het Rijk, want een voorbeeld van een inschrift waarop de naam van Geta nog niet geheel of gedeeltelijk is weggehaald is zeldzaam. De meeste standbeelden en bustes van Geta werden verwoest.[718] Zelfs tot in de papyri werd elke herinnering aan Geta systematisch weggevaagd.[719] De grondigheid waarmee de maatregelen verbonden met de damnatio memoriae van Geta werden doorgevoerd wijst op het grote belang dat Caracalla eraan moet gehecht hebben. Het zegt ook iets over de sterkte van de centrale keizerlijke administratie ten tijde van Caracalla die erin slaagde navolging te geven aan de maatregelen tot in de verste uithoeken van het Rijk.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[427] Herodianus.3,15,4 (z.b.1): oÙdšna d e‡ase perigenšsqai tîn ™n timÍ genomšnwn À qerape…v toà gšrontoj.Cfr. ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 25:Herodianus stelt het hier overdreven voor en spreekt zichzelf later tegen, in die zin dat sommige vrienden en vertrouwelingen van Severus in latere berichten nog een prominente rol krijgen toebedeeld: zie Herodianus.3,15,6 en 4,3,5 (z.b.1). Dat Herodianus geen namen vermeld van de getroffen personen is kenmerkend voor zijn gehele werkwijze.

[428]  Herodianus.3,15,6 en 4,3,5 (z.b.1).

[429] Herodianus.3,15,4 (z.b.1)

[430] Dio 77,1,1(z.b.1)

[431] Herodianus.3,15,4(z.b.1)

[432] Cfr. ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 24-25; Dio 76,15,2 (z.b.1)

[433] Dio 71,33,4

[434] Dio 77.1,1(z.b.1)

[435] Herodianus.4,6,3(z.b.1)

[436] Dio 77,1,2(z.b.1)

[437] Herodianus.4,6,5(z.b.1)

[438] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 26; Herodianus.4,6,3(z.b.1)

[439] Dio 76, 15,2 (z.b.1)

[440] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p.98 en p. 100

[441] Dio 76,13,1 (z.b.1)geeft duidelijk aan dat het Severus’ bedoeling was het gehele eiland te veroveren;REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 100 acht het echter zeer onwaarschijnlijk dat het echt de bedoeling was een permanente bezetting van het gebied met plaatsing van garnizoenen door te voeren. Er waren daar naar hun weten weinig of geen mineralen en het gebied kon gemakkelijk afgesloten worden door een limes, zodat een natuurlijke grens voor de verdediging niet nodig was.

[442] Dio 77, 1,1 (z.b.1)

[443] Herodianus.3, 15,6 (z.b.1)

[444] WRIGHT (R.P.). “Carpow and Caracalla”. In: Britannia. 5, 1974, p. 289-292.

[445] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 100

[446] Dio 77,1,3 (z.b.1)

[447] Herodianus.3,15,5(z.b.1). Dit motief zien we ook naar voor komen in SHA. Caracalla. 2,7(z.b.2): waarbij de troepen van het legio II Parthica te Alba het nieuws van Geta’s dood met woede ontvingen en zij weigerden Caracalla als alleenheerser te erkennen, omdat ze trouw hadden gezworen aan beide keizers. cfr. Infra:p.98-…

[448] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 269

[449] SHA. Caracalla. 2,7(z.b.2) en cfr. Infra: p.98-…

[450] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 26-27

[451] Herodianus werkt de tweedelingsgedachte rond de dubbelheerschappij zeer fijn uit, op alle vlakken:cfr infra:p.91-…

[452] Dio 77. 1,4-6 (z.b.1)

[453] Dio 77.2,1-2(z.b.1)

[454] MILLAR (F.). A Study of Cassius Dio, p. 18.

[455] Dio 77. 1,3-4 (z.b.1)geeft enkel kort aan: “Maar toen Antoninus (Caracalla) terug kwam naar Rome, schakelde hij ook hem (Geta) uit.” .Mogelijk stond er in Dio’s origineel een uitvoeriger relaas over de terugreis.

[456] Herodianus.3,15,7 (z.b.1)

[457] Dio 77,1,4(z.b.1)

[458] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 27;cfr.infra:p.93-…;Dio 77,2,2-3(z.b.1): beschrijft een  verzoeningsscène die door Caracalla als list werd opgezet om Geta te kunnen doden...

[459] Herodianus.3,15,7 (z.b.1)

[460] Herodianus.4,1,1(z.b.1)

[461] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p.28

[462] Herodianus.4,1,3-4 (z.b.1)

[463] Dio 76. 15,4 (z.b.1)

[464] zie ook ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 28: die in Herodianus’ bericht over de aankomst van Caracalla en Geta in Rome verschillende schematische wendingen onderscheid die “typisch herodianisch” zijn, in die zin dat ze doorheen het gehele werk van deze auteur op vele plaatsen opduiken.

[465] Herodianus.4,1,5 (z.b.1)

[466] Herodianus.4,2 (z.b.1)

[467] Herodianus.4,3,1-4 (z.b.1)

[468] In 211 verscheen een muntemissie met de legende “DIVUS SEVERUS”: cfr. RIC.4,p.239, nr.191.cfr.ook epigrafisch voorbeeld ILS.454(217:z.b.2)

[469] Cfr.GESCHE (H.).”Die Divinisierung der römischen Kaiser”,p.377-390

[470] De legers zouden dus tegenover elkaar geplaatst worden aan de Bosporus. De legers zouden dan wel zeer ver liggen van de vermeende hoodsteden...

[471] Herodianus. 4,3,5-8 (z.b.1)

[472] Herodianus.4,3,8-9 (z.b.1)

[473] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 30: Dergelijke scènes vinden we terug op verschillende plaatsen in Herodianus’ werk; en dan vooral het element van de energieke vrouw die op dramatische wijze ingrijpt in het gebeuren.

[474] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 31-32:Bovendien vormt het thema een uitstekende gelegenheid voor Herodianus om de problematiek van de oost-west verhoudingen binnen het Rijk aan te kaarten. Een problematiek die de auteur sterk heeft bezig gehouden; denken we maar aan het relaas over het huwelijksplan van Caracalla tijdens de veldtocht tegen de Parthen.Cfr.TIMPE (D.).”Ein Heiratsplan Kaiser Caracallas”.In:Hermes.95,1967,p.470-495.

[475] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 49

[476] zie Herodianus.3,15,6 en Herodianus.4,3,8-9 (z.b.1)

[477] Dio 77,2,2 (z.b.1)

[478] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 32

[479] Immers is er een Griekse versie bewaard van het edict van Caracalla met betrekking tot de voorwaarden tot amnestie. Het edict werd uitgevaardigd te Rome op 11 juli 212 en was het gevolg van Caracalla’s vroegere edict tijdens de senaatszitting de dag volgende op de moord waarbij hij amnestie verleende aan alle bannelingen. Cfr.P.Giss.40,2,1-16 en P.Oxy.36,2755 (z.b.2)

[480] WHITTAKER (C.R.). Herodian 1, p. 392-393(1):De weinige munten van Geta met “trib.pot.IV” en dus ná 10 december 211 wijzen op een datum vroeg in 212. Zie RIC.4,p.327,nr.93 a;p.341,nrs.179-181.

[481] Dio.77,2,5 (z.b.1)

[482] SOUTHERN (P.).The Roman Empire from Severus to Constantine, p. 298; WHITTAKER (C.R.). Herodian 1, p. 392-393(1).

[483] Dio 77,2,1(z.b.1)

[484] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p.270: wijst erop dat Caracalla wellicht tot de daad wilde overgaan vóór 3 januari, wanneer de eed van trouw werd hernieuwd. Hij neemt dan ook 26 december aan als datum voor de moord, zie BIRLEY (A.R.).”Caracalla”. In: CLAUSS (M.). Die römische Kaiser, p. 187; CHRISTOL (M.). L’empire romain du 3e Siècle, p.65: geeft 26 februari als traditionele datum, maar stelt dat 26 december een meer waarschijnlijke datum vormt. FRANCKE (T.). “Geta”. In: Der neue Pauly. vol.4 (Epo-Gro), 1998, p. 1024-1025: plaatst de moord in december 211 zonder verder te specifiëren. KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 166: geeft 19 december als meest waarschijnlijke datum, maar sluit 26 december als datum niet uit. 26 februari 212 daarentegen acht Kienast eerder onwaarschijnlijk.

[485] BARNES (T.D.). “Pre-Decian Acta Martyrum”. In: Journal of Theological Studies. 19, 1968, p. 521-525: De chronografen van het jaar 354 duiden de regeringstijd van Geta aan met “m.X d. XII”. Barnes stelt een emendatie voor in “m. X d. XXII” , zo komend tot 26 december 211 als datum voor de moord.

[486] HALFMANN (H.). “Zwei Syrische Verwandte des severischen Kaiserhauses”. In: Chiron. 12,1982, p. 230: Hij stelt dan de emendatie in “m. X d. XV” voor en komt zo tot 19 december als datum voor de moord.

[487] De Historia Augusta vermeldt enkel kort dat Caracalla zijn broer liet vermoorden in het paleis :zie SHA. Caracalla. 2,4(z.b.2)

[488] MILLAR (F.). A Study of Cassius Dio, p. 18: Millar acht het waarschijnlijk dat Dio in Rome vertoefde gedurende de korte dubbelheerschappij en dit tot het vertrek van Caracalla uit Rome in 213. En dit omdat hij ons talrijke levendige anekdotes vertelt die lijken voort te komen uit persoonlijke observatie.

[489] Dio.77,2,1-6 (z.b.1)

[490] Er werden verschillende interpollaties voorgesteld: zie WHITTAKER (C.R.). Herodian 1, p. 391(2)

[491]Herodianus.4,4,2-3(z.b.1)

[492] Cfr.infra:p.149-…;bijvoorbeeld Herodianus.4,3,4(z.b.1); Dio 77.3,1-2(z.b.1)

[493] Inhoudelijk, vaak woordelijk zijn er hier tussen Dio en Herodianus sterke overeenkomsten: zie ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 34: Het beste voorbeeld van Herodianus’ afhankelijkheid van Dio in dit verband vormt de opmerking dat Caracalla onmiddellijk na de moord de kamer uitrende. Deze opmerking steunt wellicht op Dio die stelde dat Caracalla en Geta in het slaapvertrek van Iulia samenkwamen.

[494] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 34-35; Dio 77.23,3 (z.b.1)

[495] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 35

[496] SHA. Geta. 7,1-2(z.b.2)

[497] SHA. Caracalla. 2,4 (z.b.2)

[498] Herodianus.4,6,1(z.b.1) De lijken werden verminkt en door de straten gesleept tot buiten de stad waar ze werden gecremeerd.

[499] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p.37

[500] Hij zal zeker gedacht hebben aan de laatste raadgeving van zijn vader kort voor zijn dood: cfr.supra:p.82-…

[501] Dio 77,3,1-3 (z.b.1)

[502] Dio.77,12,4 (z.b.1)

[503] Cfr.infra: p.150-…

[504] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 38

[505] Herodianus.4, 4,3-8 (z.b.1)

[506] Dit wordt ook vermeld door Eutropius.8,19,2 (z.b.2)

[507] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 38-39: Herodianus geeft het bedrag namelijk in drachmen zoals Dio Cassius gewoonlijk doet in zijn werk. Toch is het ook mogelijk dat Herodianus op onafhankelijke wijze het bedrag in drachmen gaf, gezien hij een Griek was. Zie bijvoorbeeld Dio.73.1,2; 5,4 (Pertinax); 73,8,4 (Lucius Verus en Marcus Aurelius); 73,11,4-5 (Sulpicianus en Didius Iulianus);78,19,2; 34,1-2 (Macrinus). In elk geval lijkt de door Caracalla beloofde schenking van 2500 drachmen vrij laag in vergelijking met de schenkingen van de vermelde andere keizers: Pertinax gaf 3000 drachmen, Sulpicianus beloofde 5000, Didius Iulianus gaf 6250 en Macrinus tenslotte 5000. Als Herodianus op Dio steunde met betrekking tot de geldbelofte dan heeft hij dat bericht in elk geval op zijn eigen manier verdraaid.

[508] SHA. Caracalla. 2,4-6 (z.b.2)

[509] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 39-40: Caracalla zou in het legerkamp geroepen hebben dat zijn broer voorbereidingen had getroffen om hem te vergiftigen (SHA. Caracalla. 2,5:z.b.2). Herodianus.4,5,4 (z.b.1) legt Caracalla dezelfde woorden in de mond in zijn toespraak voor de senaat. Een toespraak waarvan hij, zoals we verder zullenzien, de inhoud zelf heeft uitgevonden. Volgens dezelfde passage in de Historia Augusta bedankte Caracalla openlijk de moordenaars van Geta. Dit is duidelijk een fout aangezien zowel Dio als Herodianus stelden dat Caracalla de ware doodsomstandigheden verzweeg. Toch kan de biograaf de idee ontleend hebben aan Herodianus die zei dat Caracalla in de tempel van het legerkamp een dankoffer bracht aan de goden die hem gered hadden.

[510] De auteur wist heel goed dat Caracalla Geta had vermoord in de schoot van hun moeder, zoals blijkt uit  SHA. Severus. 21,6 en SHA.Caracalla. 10,4(z.b.2)

[511] HEINEN (H.).”Zur Tendenz der Caracalla-vita”,p.423-424;ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 36-37: Alföldy stelt zich ook de vraag welke bronnen de auteur van de Historia Augusta met betrekking tot de moord heeft gebruikt en vermoedt dat er naast op een Latijnse hoofdbron, ook op Dio of op Herodianus, of zelfs op beiden, gesteund werd, en dit op basis van bepaalde inhoudelijke overeenkomsten.

[512] Dio 77,1,3 (z.b.1); Herodianus.3,15,5 (z.b.1)

[513] SHA. Caracalla. 2,7: «pars militum apud Albam Getam occisum egerrime accepit, dicentibus cunctis duobus se fidem promisse liberis Severi, duobus servare debere»;SHA.Geta. 6,1: «Occiso eo pars militum, quae incorrupta erat, parri- cidium aegerrim[a]e accepit, dicentibus cunctis duo- bus se liberis fidem promisisse, duobus servare debere»(z.b.2).Het Geta-vita specifiëert dus niet dat het over de troepen te Alba gaat, maar heeft het enkel over de troepen die nog niet omgekocht waren; voor de rest zijn beide passages woordelijk quasi hetzelfde.

[514] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 41; MAGIE (D.). The Scriptores Historiae Augustae (in 3 vol’s). London: William Heinemann Ltd, 1924,vol 2,p. 6-7 (3)

[515] SHA. Caracalla. 2,8(z.b.2); SHA. Geta. 6,2 (z.b.2)

[516] SHA. Caracalla. 2,4-3,1(z.b.2)

[517] Dio.77,3,1-3,3(z.b.1)

[518] Herodianus. 4,5,1(z.b.1)

[519] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 41

[520] De scène wordt gedeeltelijk met dezelfde woorden gebruikt in de vitae van Caracalla en Geta, cfr. SHA. Didius Iulianus. 2,4-2,7 (z.b.2)

[521] cfr. SHA. Caracalla. 2,4-2,6(z.b.2)

[522] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 38-39, p. 41-42

[523] Herodianus. 3,15,5(z.b.1)

[524] Dio.77,1,3 (z.b.1)

[525] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p.42

[526] FITZ (J.).»Les premières épithètes honorifiques Antoniniana». In: KAKOSY (L.)(eds.).Oikumene. Budapest: Akademiai Kiado,1,1976,p.217 en p.224; FITZ (J.).”Das Verhalten der Armee in der Kontroverse zwischen Caracalla und Geta”. In: Studien zu den Militärgrenzen Roms. Bonn:Habelt,2, 1977,p. 545: De bijnaam kwam wel al voor op legerinscripties van vóór 212, maar werd dan pas later ingebeiteld.

[527] SEG.17,759: Op 27/5/216 leidde Caracalla een rechtszaak in Antiochia. Vanuit deze stad startte vervolgens de Parthenoorlog.

[528] Op 11 april 212 droegen de cohortes vigilum nog niet de naam “Antoniniana”. Zie ILS.2178 (212:z.b.2)

[529] FITZ (J.). “Les premières épithètes honorifiques Antoniniana”, p.220;FITZ (J.). «Das Verhalten der Armee”, p.546; p.548-549 (tabel): Uitgezonderd het “Leg.X Fretensis” in Syria Palaestina en “Ala I Aug.Parth.” in Mauretania Caesariensis werden enkel Rijn- en Donau-legers onderscheiden.

[530] FITZ (J.). “Das Verhalten der Armee” ,p.546

[531] FITZ (J.). «Les premières épithètes honorifiques Antoniniana». p.220 en p. 224;FITZ (J.). «Das Verhalten der Armee” ,p. 547

[532] bv. CIL.6.269 (3/11/213:z.b.2);ander bekend voorbeeld: CIL.6.2388=32538

[533] FITZ (J.). «Les premières épithètes honorifiques Antoniniana», p.223

[534] Dio.74,1,1-2; 2,4-5 (z.b.1); CHRIST (K.). Geschichte der römischen Kaiserzeit von Augustus bis Konstantin. München:Verlag C.H.Beck,1988,p.605.

[535] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 96 en p. 101 (6): Daarvan zou er direkt archeologisch bewijs zijn met een standaard die in Yorkshire werd teruggevonden.

[536] cfr supra p.86-…

[537] FITZ (J.). «Das Verhalten der Armee” ,p. 547; ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 31-32: cfr. Supra: p.91-…

[538] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 32:Herodianus heeft vermoedelijk de verzoeningsgedachte van Dio ontleend die het eveneens had over een verzoeningspoging evenwel in een geheel andere context.( Dio 77,2,2: z.b.1); cfr supra p. 91-…

[539] FITZ (J.). “Das Verhalten der Armee” ,p. 547

[540] FITZ (J.). “Das Verhalten der Armee”, p.547

[541] cfr supra: p.91-…

[542] FITZ (J.). “Das Verhalten der Armee” ,p. 547

[543] Herodianus.4,4,7 (z.b.1)

[544] Dio. 78, 12,7 (z.b.1)

[545] SHA. Severus. 17,1(z.b.2); Herodianus. 3,8,4-5(z.b.1)

[546] DEVELIN (R.). “The Army Pay Rises under Severus and Caracalla, and the Question of Annona militaris”. In: Latomus, 30,1971, p. 687.

[547] Of zo’n 280 miljoen sestertiën per jaar: Dio.78,36,3(z.b.1). Het gegeven bedrag is wellicht het resultaat van een schatting door Dio. Toch is het cijfer in geen geval geheel onbetrouwbaar of onbelangrijk gezien Dio zich toch in een goede positie bevond om zo’n schatting te maken.

[548] DEVELIN (R.). “The Army Pay Rises under Severus and Caracalla”, p. 687-692

[549] SHA. Caracalla. 2,6-7(z.b.2)

[550] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 40: Mogelijk haalde de biograaf de idee van de bijkomende bonus van Herodianus.4,4,7 (cfr.supra)die het had over een beloning aan alle troepen in het kamp. Hij heeft dat dan in een foute context aangewend.

[551] TALBERT (R.S.A.). The senate of Imperial Rome. New Jersey: Princeton University Press, 1984, p. 174

[552] Zie SILLAR (S.).”Caracalla and the senate: The aftermath of Geta’s assassination”. In: Athenaeum: Studi di Letterature e Storia dell’Antichita. 89,2001(2),p.407-423.

[553] MILLAR (F.). A Study of Cassius Dio, p. 18

[554] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 43

[555] Dio 77.3,3-4,1(z.b.1)

[556] Dio 77,3,3 (Petrus Patricius: z.b.1).

[557] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 44

[558] Herodianus.4,5,1(z.b.1)

[559] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 44; voor de inhoud van zijn rede zie Herodianus.4,5(z.b.1)

[560] Herodianus.4, 5,2-7 (z.b.1)

[561] SHA. Caracalla. 2,9-11; SHA. Caracalla. 3,1 (z.b.2)

[562] SHA. Caracalla. 2,10-11(z.b.2): «questus est de fratris insidiis involute et incondite ad illius accusationem, sui vero accusationem.”

[563] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 44

[564] Herodianus. 4,5,1(z.b.1); SHA. Caracalla. 2,9-11(z.b.2)

[565] SILLAR (S.). ”Caracalla and the senate”,p. 408: Zo beschrijft Cassius Dio bijvoorbeeld in zijn relaas over de heerschappij van Didius Iulianus gedetailleerd de aanwezigheid van soldaten in de senaat en hij voegt eraan toe dat deze aanwezigheid leidde tot vrees- en haatgevoelens bij de senatoren.(Dio.73.12,1-5:z.b.1) Toch beschrijft Dio niets dergelijks in zijn relaas over de senaatszitting van Caracalla.

[566] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 44

[567] SHA. Caracalla. 2,9(z.b.2)

[568] Herodianus.4,5 (z.b.1b); SHA. Caracalla. 2,9-3,1(z.b.2)

[569] SILLAR (S.). ”Caracalla and the senate”. p.408-409

[570] Dio 77.3,3-4,1(z.b.1)

[571] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta”, p. 44

[572] Dio.77,3,3(z.b.1): "¢koÚsatš mou" epe "mšga pr©gma· †na p©sa ¹ o„koumšnh carÍ, p£ntej oƒ fug£dej oƒ kaˆ ™f' ÐtJoàn ™gkl»mati kaˆ Ðpwsoàn katadedikasmšnoi katelqštwsan." SHA. Caracalla. 3,1(z.b.2): “post hoc relegatis deportatisque reditum in patriam restituit.”

[573] P.Giessen,40,coll.2,1-16: zie MITTEIS (L.).  Grundzüge und chrestomathie der Papyruskunde. 378 (z.b.2); hetzelfde edict werd in verminkte vorm bewaard in P.Oxy.36,2755 (z.b.2). Ook de juridische teksten in Dig.50,2,3,1 (z.b.2) en in Codex Iustinianus.10,61 handelen over het edict.

[574] Dat de toepsraak met weinig enthousiasme werd onthaald door de senatoren zegt ook de auteur van de Historia Augusta: SHA.Caracalla. 2,11(z.b.2): “quod quidem nec senatus libenter accepit”

[575] De cruciale zin “laat allen terugkeren naar hun thuisland” staat ook letterlijk in het papyrus(P.Giessen,40,coll.2,1-16:z.b.2)

[576] KUHLMANN (P.A.). Die Giessener literarischen papyri und die Caracalla-Erlasse: Edition, Übersetzung und Kommentar. Giessen: Universitätsbibliothek, 1994, p.240-241

[577] WILLIAMS (W.). “Caracalla and the authorship of Imperial Edicts and Epistles”. In: Latomus. 38,1979,p.73-76: het beste andere voorbeeld vormt de Constitutio Antoniniana

[578] Dio 77,3,3 (Petrus Patricius: z.b.1).

[579] SILLAR  (S.). “Caracalla and the Senate”,p. 409.

[580] P.Giessen,40,coll.2,1-16(z.b.2): zie MITTEIS (L.).  Grundzüge und chrestomathie der Papyruskunde. 378;zie ook Digesta. 50,2,3,1 (z.b.2)Codex Iustinianus.10,61

[581] Na Severus’ overwinning op Niger werden heel wat senatoren verbannen: zie Dio.74,8,4 (z.b.1). Ook de Historia Augusta vermeldt andere bannelingen onder Severus: zie SHA. Severus. 14,9(z.b.2)

[582] SHA.Caracalla. 2,11(z.b.2): “quod quidem nec senatus libenter accepit”

[583] De thermen van Caracalla werden gebouwd tussen 212 en 217:cfr.NIELSEN (I.).”Thermen”.In:Der Neue Pauly. 12¹,2002,p.414-422

[584] Dio.77,4,1(z.b.1)

[585] Herodianus.4,6,1-2(z.b.1)

[586] SHA. Caracalla. 4,3; SHA. Geta.7,6(z.b.2)

[587] Dio.77,4,1(z.b.1)

[588] SHA. Caracalla. 4,4(z.b.2)

[589] SHA. Caracalla. 4,7(z.b.2)

[590] Herodianus.4,6,4 (z.b.1)

[591] Cfr.supra: p.91-…en p.101-…

[592] SILLAR (S.).”Caracalla and the senate”, p.407-423.

[593] PIR².A,388; Voor een uitstekend portret van Papinianus zie ZWALVE (W.J.). Keizers,soldaten en juristen, p. 19-53

[594] SHA.Caracalla, 8,3 (z.b.2)

[595] PIR².M,54

[596] Dio.77,1,1(z.b.1)

[597] Dio.77,4,1a-2(z.b.1)

[598] SHA.Caracalla. 4,1-2 (z.b.2)

[599] SHA. Caracalla. 8,7(z.b.2); Aurelius Victor. Liber de Caesaribus. 20,33-34 (z.b.2)

[600] SILLAR (S.). “Caracalla and the Senate”, p.419-420.

[601] HALFMANN (H.). “Zwei Syrische Verwandte”, p.231

[602] SHA. Caracalla. 8,3(z.b.2)

[603] Cfr.supra: p. 82-…

[604] SHA. Caracalla. 8,4 (z.b.2)

[605] Cfr.supra: p.84-…

[606] Herodianus.3,15,4 (z.b.1)

[607] Cfr. Supra: p.79-…

[608] SHA.Caracalla. 4,2 (z.b.2)

[609] SILLAR (S.). “Caracalla and the Senate”, 420-421

[610] Dio.77,4,1(z.b.1)

[611] SHA. Caracalla. 4,2(z.b.2)

[612] PIR².F,27;ILS.1142 (z.b.2)

[613] cfr.DIETZ (K.).”Caracalla, Fabius Cilo und die Urbaniciani.” In: Chiron. 13,1983,p.381-404 en SILLAR (S.). “Caracalla and the Senate”, p. 411-412.

[614] ILS.1142(z.b.2); Aurelius Victor.Epitome de Caesaribus.20,6 (z.b.2);Dio.77,4,2(z.b.1); SHA. Caracalla. 4,5(z.b.2)

[615] Dio.77,4,2(z.b.1)

[616] SHA. Caracalla. 4,5-6(z.b.2)

[617] Dio.77,4,2-5,1(z.b.1):Caracalla zou verklaard hebben “Al diegenen die tegen Cilo hebben samengezweerd, hebben tegen mij samengezweerd”.

[618] SHA. Caracalla. 4,6(z.b.2)

[619] SHA. Caracalla. 4,6(z.b.2); SHA. Geta.6,4(z.b.2)

[620] DIETZ (K.).”Caracalla, Fabius Cilo und die Urbaniciani”,p.381-404; aangenomen door LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.309.

[621] DIETZ (K.).”Caracalla, Fabius Cilo und die Urbaniciani”,p.398

[622] SHA. Caracalla. 4,6-7(z.b.2)

[623] cfr.SHA.Geta. 6,4 (z.b.2): “ad seditionem urbanicianorum militum”

[624] DIETZ (K.). ”Caracalla, Fabius Cilo und die Urbaniciani”,p.400-401

[625] Het Geta- vita stelt letterlijk dat er een opstand bezig was van de stadstroepen die door Caracalla werd neergeslaan. SHA. Geta. 6,4 (z.b.2): “ventum denique est usque ad seditionem urbanicianorum militum, quos quidem non levi auctoritate Bassianus compressit”.

[626] Cfr.supra: p.101-…; mogelijk was die houding niet alleen verdeeld in het leger maar ook in andere kringen.cfr Herodianus.4,3,2(z.b.1): “In Rome was de mening van iedereen van rang en stand verdeeld.”

[627] SILLAR (S.).”Caracalla and the Senate”, p.411-412

[628] AE.1965,338(z.b.2)

[629] DIETZ (K.). ”Caracalla, Fabius Cilo und die Urbaniciani”,p.401-404: Hij dateert de inscriptie in juni 212; de moordpoging op Cilo plaatst hij ergens in april/mei van 212.

[630] SILLAR (S.).”Caracalla and the Senate”, p.412

[631] DIETZ (K.). ”Caracalla, Fabius Cilo und die Urbaniciani”,p.402-403

[632] SHA. Caracalla. 4,5 (z.b.2)

[633] Cfr.supra: p.84-…en p.117-…

[634] LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.308-309

[635] PIR²,J,182;CIL.8,24585

[636] Dio 77,5,3 (z.b.1)

[637] PIR²,J,182

[638] Dio.77,5,3 (z.b.1)

[639] LEUNISSEN (P.M.M.).Konsuln und Konsulare,p.43-45;SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”,p. 412-414; cfr.ILS.2178 (212:z.b.2)

[640] Dio.77,5,3 (z.b.1)

[641] CARY (E.). Dio’s Roman history vol.9, p.289 (2); HALFMANN (H.). “Zwei Syrische Verwandte”, p.232; SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”,p.413. Zie bijvoorbeeld CIL.6,31716 (z.b.2);CIL.14,2515(z.b.2)

[642] De benoeming van Sex.Varius Marcellus was opmerkelijk en paste in het kader van de bijzondere politieke omstandigheden: cfr.infra: p. 133-…

[643] HALFMANN (H.). “Zwei Syrische Verwandte”, p.232: In Heliopolis in Syria werd een ere-inschrift gevonden voor C.Iulius Galerius Asper: cfr.PIR²,J,334:’ineditus Heliopolitanus’

[644] Dio.77,5,3 (z.b.1)

[645] PIR², J,182; SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”,p.414

[646] DIETZ (K.). ”Caracalla, Fabius Cilo und die Urbaniciani”,p.404; zie ook LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.309

[647] Dio 77,5,2 (z.b.1)

[648] PIR²,H,74; SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.417-418

[649] Herodianus.4,6,3 (z.b.1); SHA. Caracalla. 4,8;SHA. Geta. 6,8(z.b.2)

[650] SHA. Caracalla. 10,6; SHA. Geta. 6,6(z.b.2)

[651] WHITTAKER (C.R.). Herodian vol.1,p.405 (4)

[652] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.417

[653] SHA. Caracalla. 4,8(z.b.2)

[654] Dio 73,7,2(z.b.1)

[655] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p. 417; WHITTAKER (C.R.). Herodian vol.1,p.405 (4)

[656] De Historia Augusta stelt dat Caracalla vermoedde dat Pertinax keizer wou worden: SHA.Geta. 6,8(z.b.2)

[657] Dio.73,7,2 (z.b.1); SHA. Pertinax. 6,9(z.b.2)

[658] ILS.410(z.b.2)

[659] SHA. Pertinax. 15,3 (z.b.2)

[660] SHA. Geta.6,8 (z.b.2); uiteraard is het bericht, evenals de rest van dit vita, van twijfelachtige waarde.

[661] PIR²,A,137

[662] CROOK (J.). Consilium Principis. p.82; LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.402; WHITTAKER (C.R.). Herodian vol.1,p. 403 (2)

[663] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.415

[664] Philostratus. Vitae Sophistarum ., 2,24,1

[665] PIR²,A,137

[666] Forsch.In Eph. 2,26,18-19

[667] Philostratus.Vitae Sophistarum..2,24,1

[668] PIR²,M,54

[669] Dio.77,5,4 (z.b.1)

[670] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.414

[671] SHA. Caracalla. 3,4(z.b.2)

[672] Dio 77,5,4 (z.b.1): “Caracalla noemde in aanwezigheid van de soldaten zijn (Laenus’) ziekte vals, omdat het hem niet toestond zijn eigen valsheid ten toon te spreiden in het geval van Laenus.”

[673] Cfr.supra: p.50

[674] CIL.3,1063 (z.b.2);PIR²,M,54

[675] Herodianus.4,6,3 (z.b.1); SHA. Caracalla. 3,6-7(z.b.2)

[676] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p. 417

[677] LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.402

[678] Cfr.supra:p.11-… : Volgens de Historia Augusta was Aper de een van de patrui magni van Severus.

[679] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor. p. 301; SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.415-416

[680] SHA. Severus. 1,2(z.b.2)

[681] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.416:Bijvoorbeeld: L.Fabius Cilo (SHA. Caracalla. 4,5:iterum praefectus et consul); Papinianus’ zoon (SHA.Caracalla.4,2: quaestor); Helvius Pertinax (SHA.Caracalla. 4,8: suffectum consulem)

[682] SHA. Caracalla. 3,7(z.b.2)

[683] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.416

[684] Cfr.supra:p.121-…; SHA. Caracalla.4,5-6(z.b.2); Dio 77,4,2-4(z.b.1)

[685] SHA. Caracalla. 3,8(z.b.2); Herodianus.4,6,3(z.b.1)

[686] LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.402;WHITTAKER (C.R.). Herodian vol.1,p.405(5)

[687] SHA. Caracalla. 3,8(z.b.2)

[688] CIL.13,1766(z.b.2)

[689] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.419

[690] WHITTAKER (C.R.). Herodian vol.1 ,p.405(5); zie SHA. Commodus. 5,12 (z.b.2)

[691] SHA. Commodus. 5,12(z.b.2); SHA. Caracalla. 3,8(z.b.2)

[692] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.419

[693] Dio.77,5,5 (z.b.1)

[694] LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.402; WHITTAKER (C.R.). Herodian vol.1, p.402(2)

[695] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p. 421

[696] DIETZ (K.). “Caracalla, Fabius Cilo und die Urbaniciani”,p. 390; WHITTAKER (C.R.). Herodian vol.1, p.402(2)

[697] SILLAR (S.). ”Caracalla and the Senate”, p.421

[698] Dio.77(78),5,5(z.b.1a)

[699] Cfr.supra: p.53-…: Hij was de echtgenoot van Iulia Soaemias Bassiana, een dochter van Iulia Maesa en van Iulius Avitus en kwam evenals Iulia Domna uit Syria, uit Apamea. De ruzie tussen Iulia Domna en Plautianus had een weerslag op Marcellus in die zin dat hij belemmerd werd in de uitbouw van zijn loopbaan.cfr.Dio.78,30,2(z.b.1)

[700] ILS.478(z.b.2): de inscriptie laat niet meteen uitschijnen wanneer Marcellus de functies uitoefende, maar HALFMANN (H.). “Zwei Syrische Verwandte”,p. 226-234 heeft overtuigend geargumenteerd dat de benoemingen pasten in het kader van de bijzondere politieke situatie na de dood van Geta.

[701] HALFMANN (H.). “Zwei Syrische Verwandte”, p.227

[702] LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.309

[703] HALFMANN (H.).” Zwei Syrische Verwandte”, p.230-231: Marcellus’ voorganger Q.Cerellius Apollinaris was op 4 april 211 nog procurator a ratione privata.Deze Apollinaris is op 13 april 212 geattesteerd als praefectus vigilum. Cfr.CIL.6,1063(z.b.2)

[704] DIETZ (K.).”Caracalla,Fabius Cilo und die Urbaniciani”.p.403

[705] Zij waren daar al mede-eigenaar van vanaf het moment dat zij tot medekeizer waren benoemd,namelijk Caracalla in 198 en Geta in 209.

[706] Bv:Dio.77,12,5(z.b.1):Cassius Dio schrijft dat Caracalla alle bezittingen van personen in wiens testament de naam Geta vermeld stond confisceerde. Wellicht sterk overdreven van de negatief ingestelde auteur ,maar toch kan dit wijzen op een ware kern, namelijk dat de repressie gepaard ging met confiscaties van de goederen van de slachtoffers.

[707] Cfr supra: p.98-…

[708] Cfr.supra: p.125

[709] PIR²,O,9; PIR²,O,108; Herodianus.4,12,1(z.b.1); SHA. Macrinus. 4,7

[710] ILS,478(z.b.2).HALFMANN (H.). “Zwei Syrische Verwandte”, p.233; LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare. p.275

[711] PIR²,C,665; CIL.6,1063 (z.b.2). Zijn loopbaan werd grondig bestudeerd door CHRISTOL (M.). «La carrière de Q.Cerellius Apollinaris: préfet des Vigiles de Caracalla». In: Mélanges d’histoire ancienne offerts à William Seston. Paris: De Boccard, 1974, p.119-126.

[712] PIR²,J,444; CIL,6,1642 (z.b.2)

[713] CHRISTOL (M.).”La carrière de Q.Cerellius Apollinaris”. p.124-125.

[714] PIR²,I,192: Net als Marcellus was hij voordien het slachtoffer geweest van Plautianus’ grote macht, die hem in zijn uitbouw van zijn loopbaan had verhinderd: cfr.supra p.56

[715] HALFMANN (H.). “Zwei Syrische Verwandte”, p.222

[716] Dio 77,12,6(z.b.1)

[717] Bv.ILS.436 (z.b.2)

[718] CHRISTOL (M.). L’empire romain du 3e siècle. p.38; SOUTHERN (P.). The Roman Empire from Severus to Constantine, p.51

[719] Zie HEINEN (H.). “Herrscherkult im römischen Ägypten und Damnatio Memoriae Getas”.In: Mitteilungen des Deurschen Archaeologischen Instituts: RA. 98,1991,p.263-298; MERTENS (P.).”La damnatio memoriae de Géta dans les papyrus”. In: Hommages à Léon Herrmann. Latomus coll.44,1960,p.541-552.