Een historische biografie van keizer Caracalla (188-217). (Michiel Vanderhaeghe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 1: Het leven van Caracalla tot de dood van Septimius Severus: (188-211)

 

1.1. Familiale context:

 

Cassius Dio zegt over Caracalla:

“Antoninus behoorde tot drie rassen, en hij bezat van geen van hen de deugden, maar verzamelde in zijn persoon al hun gebreken; de grilligheid, lafheid en roekeloosheid van Gallia, de ruwheid en de wreedheid van Africa en de sluwheid van Syria.”[22]

 

Deze passage toont enerzijds de achtergrond van Caracalla, met een Gallische, een Afrikaanse en een Syrische component. De Gallische component verwijst naar de provincie waar Caracalla werd geboren, namelijk Gallia Lugdunensis; de Afrikaanse naar de provincie waar zijn vader van afkomstig was, Africa; en de Syrische component tenslotte verwijst naar de provincie Syria, van waar zijn moeder afkomstig was. Anderzijds toont de passage duidelijk de houding van Cassius Dio ten aanzien van Caracalla. Die houding is klaarblijkelijk negatief en een belangrijk gevolg is dan ook dat hij vanuit zijn negatieve houding de waarheid vaak verdraait of op zijn minst de zaken vaak overdrijft. Met deze antagonistische houding zal men bij de studie van Caracalla’s leven dus rekening moeten houden.

Caracalla werd geboren als Septimius Bassianus op 4 april 188 in Lugdunum (Lyon). Hij werd geboren als eerste zoon van de uit Africa afkomstige Septimius Severus en de uit Syria afkomstige Iulia Domna.[23] Dat Caracalla in Lugdunum geboren werd heeft te maken met het feit dat Septimius Severus in deze periode legatus was van de provincie Gallia Lugdunensis en dan ook resideerde in Lugdunum.[24] Voor de studie van het leven van Caracalla is het nuttig een blik te werpen op zijn afkomst en de mogelijke invloed ervan op zijn persoonlijkheid en op zijn beleid.

 

a) Septimius Severus uit Leptis Magna in Africa:[25]

 

            De “Septimii” waren afkomstig uit Leptis Magna in de provincie Africa en Septimius Severus was de eerste keizer die uit deze provincie afkomstig was. Om Caracalla’s achtergrond goed te begrijpen is het nuttig de vraag te stellen wie deze Septimii waren en kort aan te geven hoe Severus zijn loopbaan uitbouwde. Deze Afrikaanse afkomst heeft mogelijk invloed gehad op het keizerschap van Septimius Severus (wat betreft benoemingen en beleidsdaden). Is er zo’n invloed merkbaar bij Septimius Severus en zullen we dit ook merken bij Caracalla? Wat was de verhouding van Septimius Severus tot zijn thuisstad Leptis Magna en kunnen we eenzelfde houding verwachten bij Caracalla?

 

            De vader van Caracalla, L. Septimius Severus, was de eerste Afrikaan die keizer werd. Het feit dat een Afrikaanse provinciaal het tot keizer bracht wijst op de grote graad van romanisering en welvaart die het gebied sinds de eerste kolonies had gekend.  Birley erkende in zijn biografie van Septimius Severus het belang van diens afkomst en heeft op afdoende wijze een beeld geschetst van de geschiedenis van het gebied met de verschillende stappen van romanisering. Het hoogtepunt van het romaniseringsproces van de provincie Africa vormt het keizerschap van de uit Africa afkomstige Septimius Severus, die een dynastie vestigde die meer dan 30 jaar over het Romeinse Rijk zou regeren (193-235).[26]

 

Caracalla’s vader werd geboren op 11 april 145 in Leptis Magna aan de kust van de provincie Africa als zoon van P. Septimius Geta en Fulvia Pia.[27] De moeder van Severus was lid van een uit Italia geïmmigreerde familie. De familie van Severus, de Septimii, waren afstammelingen van de inheemse elite. [28] Zijn voorouders waren equites Romani voordat het burgerrecht aan allen werd gegeven; dit wil zeggen voordat Leptis een kolonie werd, onder Trajanus in 109 of 110.[29] Hij kreeg de naam van zijn grootvader langs vader’s zijde, Lucius Septimius Severus.[30] Deze was sufes van Leptis, vervolgens praefectus toen het Latijnse municipium[31] een kolonie werd en dan duumvir. Hij diende ook te Rome in decuriis et inter selectos.[32] Hij had enkele jaren op zijn landgoed in Veii in Italië doorgebracht en de dichter Statius wijdde zelfs een ode aan hem. De naam van zijn vrouw, Severus’ grootmoeder langs moeder’s zijde, is onbekend, mogelijk was het Octavia.[33] Een cynische senator feliciteerde Severus bij de aankondiging van zijn zelf-adoptie als zoon van Marcus Aurelius in 195 of 196 met het vinden van een vader, implicerend dat zijn natuurlijke vader eerder onbelangrijk was.[34] De vader van Septimius Severus, P.Septimius Geta, schijnt inderdaad een eerder onbelangrijk figuur geweest te zijn, die zich in het openbare leven op geen enkele wijze onderscheidde, noch in Leptis, noch in Rome. Ten tijde van zijn geboorte zien we meer en meer personen van Afrikaanse origine prominente posities innemen op alle niveaus van de keizerlijke administratie, evenals in de juridische wereld. Ook een aantal verwanten brachten het zeer ver in de periode dat Severus opgroeide. Publius Septimius Aper en Gaius Septimius Severus werden senator en consul. Mede dankzij de laatstgenoemde, zijn oom, naast zijn broer Geta, werd Severus opgenomen in de senaat.[35]

 

            Hoe verliep Severus’ leven en zijn weg naar de macht vóór de geboorte van Caracalla? Over zijn jeugd en opvoeding is weinig geweten; de meeste informatie komt uit de Historia Augusta en kan van geringe waarde beschouwd worden.[36] Door toedoen van zijn verwant op het hoogste niveau, C.Septimius Severus, evenals door zijn broer P.Septimius Geta, werd hij door Marcus Aurelius verheven tot de ordo senatorius .[37] Hij schijnt geen tribunus militum geweest te zijn, hoewel het vervullen van deze post gebruikelijk was. [38] Noch vermelden de bronnen dat hij een post uit het vigintiraat zou bekleed hebben, hoewel Birley meent dat het waarschijnlijk is dat hij toch vigintivirus is geweest.[39] In Rome was Severus mogelijk actief als advocatus fisci, maar dit is niet met zekerheid geweten.[40] In 169 werd Severus verkozen tot quaestor en bekleedde deze post doorheen 170; tegelijk betrad hij ook de senaat. Vervolgens werd hij voor een tweede jaar aangesteld als quaestor van Baetica in het zuiden van het Iberisch Schiereiland, maar omwille van de dood van zijn vader was hij genoodzaakt naar Leptis terug te keren om er familiale zaken te regelen. Terwijl hij in Africa was werd hij echter teruggeroepen en benoemd tot quaestor van Sardinia. Toen zijn patroon en familielid C.Septimius Severus in 173 werd uitgeloot tot proconsul van Africa, selecteerde hij Severus als 1 van zijn 3 legati pro praetore.[41] Vervolgens trad Severus in keizerlijke dienst en werd hij, vermoedelijk in december van het jaar 174, als één van de candidati van Marcus Aurelius verkozen tot tribunus plebis. In 176 nam hij deel aan de verkiezingen voor het praetorschap, deze keer niet als kandidaat van de keizer en hij werd verkozen voor het jaar 177. Vermoedelijk in hetzelfde jaar stuurde de keizer hem naar de provincie Hispania Tarraconensis, om er als legatus iuridicus de burgerlijke administratie waar te nemen, en dit tot 180. Vervolgens werd hij legatus van het “Legio IV Scythica” dat gelegerd was nabij Antiochia in Syria. Zoals verder zal blijken bracht Severus een vruchtbare tijd door in Syria. Immers hoorde hij toen waarschijnlijk voor het eerst over Iulia Domna, zijn latere echtgenote. Er volgde een periode waarin Severus geen belangrijke posten kreeg toegewezen en waarin hij Athena bezocht om er te studeren. Daarna werd hij goeverneur van Gallia Lugdunensis,[42] en het is in deze periode dat Caracalla werd geboren. Zijn moeder was Iulia Domna uit Syria die door Severus zorgvuldig was uitgekozen om later zijn keizerin te worden.

 

            De literaire bronnen besteden veel aandacht aan talrijke voortekenen in Severus’ vroege loopbaan die wezen op een grootse toekomst, of die tenminste in die zin geïnterpreteerd werden. Het geloof in astrologie, voorspellingen en voortekens was een belangrijke karaktertrek van Severus, die hij ook beklemtoonde in zijn autobiografie. Dit extreme bijgeloof zal invloed hebben op het leven en de toekomst van zijn twee zonen. In de Historia Augusta en in het werk van Cassius Dio vinden we talrijke anekdotes over voortekenen van Severus’ grootse toekomst. Veel daarvan komen voort uit Severus’ autobiografie, die verloren gegaan is. Cassius Dio had net als Severus een grote interesse in het onderwerp. Kort nadat Severus tot keizer was uitgeroepen schreef hij z’n eerste historische werk, namelijk een pamflet over “de dromen en voortekenen die Severus sterkten in zijn hoop op het keizerschap”,[43] en dit om van meet af aan in de gunst te staan bij de nieuwe keizer.[44] Severus’ sterke geloof in voortekenen en voorspellingen kan een invloed gehad hebben op Caracalla in die zin dat het mogelijk is dat ook hij door zo’n bijgeloof gekenmerkt werd. Zoals in deze dissertatie zal blijken was dit ook het geval, en dan vooral na het vestigen van zijn alleenheerschappij toen, mogelijk als gevolg van de broedermoord, Caracalla te kampen kreeg met allerlei psychische en lichamelijke kwalen en hij intensief heiligdommen, orakels en zieners bezocht enerzijds, in de hoop genezing te vinden en anderzijds, om uit vrees voor samenzweringen toekomstvoorspellingen te bekomen.[45]

 

            In verband met de relatie van Septimius Severus tot zijn thuisland Africa is het gemakkelijk te veronderstellen dat Severus, vermits hij uit Africa afkomstig was, hij een zekere voorliefde had voor deze provincie en dat dit ook tot uiting kwam in het beleid. Barnes heeft echter overtuigend aangetoond dat er van een “Africitas” met betrekking tot het beleid van Severus geen sprake was. Wat betreft ras en cultuur was Severus verre van Punisch en zijn weg naar de macht werd zeker niet gedragen door een Afrikaanse partij, maar door het politieke klimaat en de toevallige omstandigheden. Met betrekking tot zijn keizerschap zegt Barnes: “Buiten een sentimentele verbondenheid met Leptis, zijn  patria was Severus als keizer weinig beïnvloed door zijn Afrikaanse oorsprong. Severus vertoonde ook geen grotere vrijgevigheid ten opzichte van Africa, noch ten opzichte van Afrikanen. Ook met betrekking tot de rekrutering van het rijkspersoneel stelt hij geen bijzondere voorkeur vast voor Africa. Ook het omvangrijke archeologische en epigrafische materiaal (met talloze eerbewijzen aan de keizerlijke familie) dat in Africa werd gevonden kan hem niet van een invloed op het beleid overtuigen. Zij zijn eerder het resultaat van goede bewaaromstandigheden in Africa en de welvaart van het gebied in deze fase van de Romeinse geschiedenis.[46]

 

b) Iulia Domna uit Emesa in Syria[47]

 

            Iulia Domna was niet de eerste echtgenote van Severus. Na zijn legaat in Africa was Severus nog steeds ongehuwd en keerde hij naar Leptis terug om er een vrouw te vinden. Vermoedelijk in 175 huwde hij Paccia Marciana.[48] Haar namen wijzen niet op een Italische, maar op een Punische of Lybische oorsprong. Mogelijk was haar familie ver verbonden met die van Severus’ moeder, de Fulvii. [49]  Over het huwelijk, dat zeker 10 jaar duurde tot Paccia’s dood, is er niets geweten. Het is vrijwel zeker dat het huwelijk geen kinderen voortbracht,  tenzij we geloof hechten aan de zeer verdachte vermeldingen in de Historia Augusta. Die zegt enerzijds dat Severus twee dochters zou gehad hebben die in 193 blijkbaar de huwbare leeftijd hadden, zodat ze zouden geboren zijn in de jaren 176-180. [50] Verder zijn er nergens dochters van Severus geattesteerd. Anderzijds zou Caracalla een zoon geweest zijn uit dit eerste huwelijk en Geta uit het tweede, maar dit kan zeker als een fout beschouwd worden.[51] Over Paccia vertelt de Historia Augusta verder dat Severus haar niet vermeldde in zijn autobiografie, hoewel hij later vele standbeelden voor haar oprichtte.[52] Zij stierf ten laatste in 187, waarschijnlijk kort na de aankomst van Severus in Lyon in 186, kinderloos, zodat Severus ging uitkijken naar een nieuwe echtgenote.

 

In deze periode bracht zijn vurig geloof in het bovennatuurlijke, evenals zijn onbeperkte ambitie hem ertoe zijn bruid zorgvuldig te kiezen, zo lezen we in de Historia Augusta: “Intussen was hij (Severus) zijn vrouw verloren, en nu begon hij vanuit de wens een andere te huwen onderzoek te doen naar de horoscopen van huwbare vrouwen, immers was hij zelf niet onervaren in de astrologie, en toen hij vernam dat er in Syria een vrouw was van wie de horoscoop haar voorspelde dat ze met een koning zou trouwen (uiteraard spreek ik over Iulia), trachtte hij ze tot vrouw te nemen en door bemiddeling van zijn vrienden verzekerde hij zich van haar en het is door haar dat hij vader werd.”[53] Severus past hier dus een huwelijksstrategie toe, waarbij de keuze voor Iulia niet zozeer gebeurt uit emotionele overwegingen, maar meer uit astrologische en strategische overwegingen. Het huwelijk wordt gepland in het persoonlijk belang van de toekomstige keizer en Iulia lijkt daarbij een passieve rol vervuld te hebben; in de bronnen wordt ze geenszins voorgesteld als een intrigante of als een ambitieus iemand.[54]

 

            Ten laatste begin 187 moet Severus zijn huwelijksverzoek gezonden hebben naar Syria, indien niet eerder, en het huwelijk vond waarschijnlijk plaats in de loop van dat jaar. Hoewel de Historia Augusta het niet expliciet vermeldt is het zeker tijdens zijn verblijf in Syria dat Severus de horoscoop van Iulia vernam.[55] Tijdens zijn verblijf aldaar heeft hij met vrij grote zekerheid Emesa bezocht, de geboorteplaats van Iulia Domna, hoewel we dit niet expliciet vermeld zien in de bronnen. In Emesa was er een belangrijk heiligdom gelegen van de zonnegod  “Elagabalus”.[56] Het priesterschap was er in handen van een familie die afstamde van een vroegere inheemse dynastie.[57] Ten tijde van Severus’ verblijf was de priester Iulius Bassianus. Dit cognomen, dat ook Caracalla droeg bij zijn geboorte, was een geromaniseerde vorm van de Fenicische priesterlijke titel basus. Deze Bassianus had twee dochters, waarvan de oudste reeds getrouwd was met een senator in Rome, namelijk Iulius Avitus Alexianus. Deze Avitus werd later een vertrouweling van Severus en van Caracalla en kende een bloeiende loopbaan.[58] De jongste dochter Iulia was nog ongetrouwd en zij werd dus volgens de Historia Augusta Severus’ vrouw omwille van haar bijzondere horoscoop die voorspeld had dat ze met een koning zou trouwen. Ze droeg het cognomen “Domna”, hetgeen waarschijnlijk geïnterpreteerd werd in de betekenis van de vrouw van een koning.[59] Naast haar gunstige horoscoop, waren ook haar oosterse connecties belangrijk voor Severus om op zijn weg naar de macht zoveel mogelijk rijke en invloedrijke mensen aan zijn zijde te krijgen.[60]

 

Het huwelijk zelf vond dus waarschijnlijk in de loop van 187 plaats in Lyon. Al vlug werd er daar een eerste zoon geboren, namelijk Septimius Bassianus, op 4 april van het jaar 188. Over de geboortedatum van Caracalla bestaat geen absolute zekerheid. Er worden 2 data naar voor geschoven. Cassius Dio, die onze meest betrouwbare bron is in verband met het leven van de keizer, geeft aan dat Caracalla precies 29 jaar en 4 dagen geleefd heeft.[61] Vermits Dio ook vermeldt dat Caracalla op 8 april 217 vermoord werd, kunnen we hieruit afleiden dat hij geboren werd op 4 april 188.[62] De andere datum is 4 april 186 en is gebaseerd op de Historia Augusta[63] en sommige auteurs hechten er geloof aan.[64] De meerderheid vertrouwt echter Cassius Dio en neemt de geboortedatum die uit zijn bericht kan worden afgeleid voor waar aan.[65]

 

Het cognomen werd, zoals vermeld, ontleend aan zijn grootvader langs moeder’s zijde, Iulius Bassianus. Het praenomen is niet geattesteerd, maar vermoedelijk was het Lucius, naar zijn vader, of Publius, zoals zijn oom.[66] Een christelijke vroedvrouw zou volgens Tertullianus geholpen hebben bij de geboorte.[67] Birley merkt op dat er inderdaad een christelijke gemeenschap was te Lugdunum en hij acht het mogelijk dat het een Griekse immigrante was uit Syria, hetgeen Iulia zeker zal hebben aangetrokken. [68] Ongeveer een jaar later, vermoedelijk in maart van het jaar 189 werd er al een tweede zoon geboren, P. Septimius Geta. Hij kreeg dus het cognomen van Severus’ vader en broer.[69] In deze periode kreeg Severus zijn volgende taak toegewezen, namelijk proconsul van Sicilia voor het jaar 189-190. Geta werd geboren in Rome, toen Severus op weg was naar deze opdracht.[70]

 

            Als we het horoscoopverhaal in de Historia Augusta, dat duidelijk werd verspreid in de keizerlijke propaganda, kunnen geloven is de wijze waarop Iulia Domna de vrouw werd van de toekomstige keizer zeer bijzonder en plaatste dit haar meteen in een bijzondere positie. Severus was een zeer ambitieus man en tegelijk, zoals reeds vermeld, een zeer bijgelovig iemand. Voorspellingen en voortekens nemen een bijzondere plaats in en creëeren de idee dat de gebeurtenissen gewild waren door de goden. Septimius Severus benadrukte met dergelijke verhalen in zijn propaganda zijn goddelijke voorbestemdheid en dit om zijn macht te legitimeren en zijn gezag te consolideren. De vraag blijft open of het propagandaverhaal op een ware horoscoop steunde of verzonnen werd? Hetzelfde geldt voor de andere voortekenen die zich zouden hebben voorgedaan vóór dat Severus aan de macht kwam; ook zij kunnen achteraf uitgevonden zijn in het kader van de keizerlijke propaganda.

 

Het is duidelijk dat de keizerlijke propaganda van Severus Iulia Domna een speciale betekenis geeft, ze wordt van meet af aan omgeven door een mystieke, heilige sfeer. De grootse toekomst voor het paar wordt nog beklemtoond door de vele dromen van Severus in deze periode, die werden gebruikt in de keizerlijke propaganda en waarvan we er een aantal terugvinden in de bronnen. Dergelijke anekdotes over de periode voorafgaande aan zijn machtsgreep werden later opzettelijk verspreid in de keizerlijke propaganda om de wereld ervan te overtuigen dat hij voorbestemd was geweest keizer te worden en Iulia Domna zijn keizerin. Kort nadat het huwelijksverzoek was aanvaard had Severus een droom waarin Faustina, de vrouw van Marcus Aurelius, hun huwelijksbed klaarmaakte in de tempel van Venus.[71] De associatie tussen de vroegere keizerin Faustina en Iulia Domna is duidelijk; Iulia is voorbestemd keizerin te worden.[72] Van meet af aan nam Iulia een uiterst belangrijke plaats in het keizerlijke huishouden en die rol werd, zoals uit deze dissertatie zal blijken, tijdens Caracalla’s heerschappij alleen maar groter. De vraag zal doorheen het onderzoek moeten gesteld worden naar de invloed van Iulia op Caracalla’s beleid en de rol van haar thuisprovincie Syria daarin?

           

            Over de relatie tussen Caracalla en Iulia Domna zijn in de Historia Augusta een aantal leugens overgeleverd.[73] Caracalla zou niet haar echte zoon zijn, maar een stiefzoon, uit het eerste huwelijk van Severus, met Paccia Marciana.[74] Bovendien zouden ze er een incestueuze relatie op hebben nagehouden. Herodianus vertelt dat de inwoners van Alexandria Iulia spottend “Iocasta” noemden,[75] duidelijk verwijzend naar een incestueuze relatie tussen Caracalla en zijn moeder. Of zoals de Historia Augusta het uitdrukt: “Hij nam zijn eigen stiefmoeder tot vrouw”.[76] De manier waarop dit zou gebeurd zijn wordt verteld in de Historia Augusta, die de incestueuze relatie voorstelt als een formeel huwelijk.[77] Iulia wordt er evenwel niet afgebeeld als een hulpeloos of geheel onwillig slachtoffer van Caracalla’s lustgevoelens. Bij Aurelius Victor zien we zelfs het beeld van een bereidwillige en zelfs verleidende Iulia.[78] De Historia Augusta tracht hier duidelijk een negatief beeld van Caracalla te versterken door te stellen dat Caracalla verschillende misdaden beging tegen zijn familieleden. Zo zou Caracalla ook plannen gehad hebben om Iulia te vermoorden.[79] Iulia overleefde Caracalla later wel, maar de auteur nam graag de gelegenheid om hem een quasi-moedermoordenaar te maken; Caracalla beheerst zich wel, maar puur uit eigenbelang, om zijn reputatie geen verdere schade te berokkenen. Het is duidelijk dat deze verhalen berusten op roddels en dat zij geen ware basis hebben. Er werd gesuggereerd dat het incestverhaal en de idee van moedermoord aan de waargebeurde broedermoord werden toegevoegd in het kader van een poging Caracalla met Nero te vergelijken. Nero vermoordde eveneens zijn broer en zijn moeder, met wie hij een incestueuze relatie zou gehad hebben. Daarbij heeft de auteur van de Historia Augusta gezocht naar verdere parallellen bij Caracalla en die duidelijk verzonnen. Een andere mogelijkheid is dat men reeds in de contemporaine tijd de vergelijking maakte tussen beide keizers, en dat de geruchten van incest en poging tot moord reeds overgeleverd waren door Marius Maximus of een andere onbekend gebleven bron.[80]

 

            Wat kunnen we na dit inleidende hoofdstuk al besluiten in verband met de mogelijke invloeden van de afkomst van Caracalla op zijn leven en beleid? Wat Caracalla’s beleid betreft zal er van zijn Afrikaanse afkomst nauwelijks een invloed merkbaar zijn, aangezien dit bij Severus al niet kon worden vastgesteld. Wat Caracalla’s leven betreft zal er wel een invloed worden vastgesteld, in die zin dat Severus in zijn heerschappij een belangrijke rol zal toevertrouwen aan Plautianus, die eveneens uit Leptis in Africa afkomstig was.[81] Een kenmerk van de persoonlijkheid van Severus dat al tot uiting kwam vóór de geboorte van Caracalla is diens extreme bijgeloof in voortekenen die wijzen op een grootse toekomst. Severus’ carrière was op dat moment nog niet opmerkelijk geweest, maar de manier waarop hij zijn vrouw koos en de verschillende anekdotes over voortekenen wijzen erop dat Severus zeer bijgelovig was. Het is uiteraard mogelijk dat dergerlijke verhalen werden verzonnen in het kader van de keizerlijke propaganda, maar dit neemt niet weg dat Severus duidelijk een groot geloof had in het bovennatuurlijke, met goddelijke voortekenen en voorspellingen. In dit onderzoek zal blijken dat ook Caracalla zeer bijgelovig was en een groot belang hechtte aan voorspellingen en voortekenen. Wat Iulia Domna betreft wijst de manier waarop zij Severus’ vrouw werd erop dat zij van meet af aan in een bijzondere positie werd geplaatst: Zij was voorbestemd om keizerin te worden. Zij zal een belangrijke rol zal spelen in Severus’ heerschappij en dan vooral in de keizerlijke propaganda. In dit onderzoek zal blijken dat haar rol in Caracalla’s regering nog belangrijker werd, waarbij zij op een gegeven moment aan het hoofd van de keizerlijke kanselarij werd geplaatst en waarschijnlijk ook een adviserende rol vervulde.[82] Haar Syrische afkomst zal Severus en Caracalla ook sterker beïnvloeden dan de Afrikaanse van Severus. Een aantal Syriërs, vooral familieleden van Iulia zullen doorheen de regeringen van Severus en Caracalla belangrijke posities bekleden in het Rijk. In dit onderzoek zal ook blijken dat eerst Severus en dan Caracalla doorheen hun regeringen Antiochia, de hoofdstad van Syria in toenemende mate gaan opwaarderen.

 

 

1.2. De weg naar het keizerschap werd zorgvuldig voorbereid: De dynastieke politiek van Septimius Severus:

 

Toen Caracalla amper 5 jaar oud was, werd zijn vader keizer. Deze ondernam in de loop van zijn regering verschillende stappen om zijn macht te legitimeren en de opvolging te verzekeren. Caracalla schijnt van meet af aan mee ingeschakeld te zijn in Severus’ politiek om zijn eigen machtspositie te legitimeren ten opzichte van gevaarlijke concurrenten, tegelijk werd ook een vlotte machtsovername volgens het dynastieke principe voorbereid. Zo zal Septimius voor zichzelf en zijn familie aansluiting zoeken met de voorgaande dynastie van de Antonini. In dit hoofdstuk zal onderzocht worden hoe Severus, Caracalla inschakelde in zijn dynastieke politiek en zijn legitimatiepolitiek.

 

a) Severus wordt uitgeroepen tot Augustus en benoemt Albinus tot Caesar :

 

Over de vroege periode van Caracalla’s leven zijn we amper geïnformeerd. Na zijn geboorte in Lugdunum reisde hij vermoedelijk, na een kort verblijf in Rome mee naar Sicilia waar zijn vader proconsul was in de periode 189-190.[83] In 190 was de keizerlijke familie terug in Rome, toen Severus aangesteld werd als een van de consules suffecti. In de periode 191-193 verbleven Caracalla en zijn broer in Rome terwijl Severus in de provincie Pannonia Superior vertoefde, die hem als legatus Augusti pro praetore was toegewezen.[84] Het is in Carnuntum, tijdens de vervulling van deze taak, dat Severus op 9 april 193 tot Augustus werd uitgeroepen door de Pannonische troepen. [85] Op dit moment was Caracalla dus net 5 jaar oud geworden. Volgens Birley had Severus vooraleer hij zich liet uitroepen tot keizer er wel voor gezorgd dat zijn zoons veilig waren; daartoe had hij in het geheim een boodschapper uitgezonden met het bevel ze bij hem te laten brengen. Mogelijk was het Fabius Cilo, die instond voor hun veiligheid.[86] Dit is echter zuiver hypothetisch want dit staat nergens vermeld in de bronnen. Het is wel zeker dat Cilo een grote vertrouweling was van Severus en waarschijnlijk dat hij een opvoedende rol speelde voor de zonen van de keizer.[87] Daarop trok Severus met zijn troepen naar Rome om zich door de senaat te laten erkennen als keizer. Die had voordien Didius Iulianus moeten erkennen als keizer nadat het keizerschap hem bij opbod verkocht was door de pretorianen.[88]

 

Severus was zich ervan bewust dat er nog twee tegenkandidaten waren voor het keizerschap, namelijk Clodius Albinus in Britannia en Pescennius Niger in Syria. Niger had zichzelf ongeveer gelijktijdig met Severus te Antiochia tot keizer uitgeroepen.[89] Het was duidelijk dat de strijd zou beslecht worden in een burgeroorlog. Severus wist dat Albinus zeer populair was en dat hij ook in de senaat een grote aanhang had.[90] Daarom besloot hij met Albinus een alliantie te smeden tegen Niger door hem de Caesar-titel aan te bieden en hem dus als feitelijke opvolger aan te duiden. Daarmee zou Albinus geen militaire actie ondernemen en kon Severus afrekenen met Niger.[91] Op die manier zou hij ook de senaat voor zich kunnen winnen. Albinus stemde daarmee in, hoewel hij ongetwijfeld op de hoogte was van het feit dat Septimius Severus nog nakomelingen had en hij zich de vraag had kunnen stellen of het voorstel op langere termijn wel ernstig was. De overeenkomst tussen Severus en Albinus werd voltrokken vóór de aankomst in Rome.

 

Severus besloot Rome te betreden als wreker van de dood van Pertinax en dit om de continuïteit en de solidariteit met het voorgaande regime te onderstrepen. [92] Reeds tijdens zijn opmars vanuit Pannonia zond hij boden uit naar Rome met de verklaring van zijn keizer-proclamatie en zijn programma. De pretorianen kregen het bevel de moordenaars van Pertinax te arresteren en dit betekende het einde voor Iulianus. De volgende dag veroordeelde de senaat hem tot de doodstraf en ging ze over tot de keizer-proclamatie van Severus en de vergoddelijking van Pertinax.[93] Bij zijn aankomst in Rome bracht Severus Pertinax de grootste eerbewijzen en organiseerde een grootse begrafenis.[94] Hij nam ook zijn naam op in zijn officiële keizerlijke titulatuur.[95] Door deze stap mat hij zichzelf de rol aan van de onzelfzuchtige leider die enkel zijn plicht vervuld had ten aanzien van de staat, in plaats van een op persoonlijk succes gerichte generaal die de macht gewoon gegrepen had. Niet onbelangrijk voor later is dat hij zich door deze stap ook distantieerde van Commodus, terwijl hij later, zoals we zullen zien, zijn houding veranderde en zichzelf zal uitroepen tot broer van deze keizer, in het kader van zijn zelf –adoptie in de gens Aurelia. Maar in de beginfase was dit nog niet aan de orde en voor Severus was het toen politiek belangrijk om Pertinax te eren als een waardige opvolger op een onwaardige Commodus.

 

b) De“filiatio Antonini” en de benoeming van Caracalla tot Caesar:

 

Hoewel Severus Albinus de Caesar- titel had verleend was hij in geen geval van plan om deze situatie te bestendigen en zich door hem te laten opvolgen. De toenadering tot Albinus was er enkel gekomen door de politieke omstandigheden. Severus’ einddoel was zich te laten opvolgen door zijn nageslacht, volgens het dynastieke principe dus. Onderzoek heeft aangetoond dat Severus onmiddellijk na zijn proclamatie tot keizer al stappen zette om een opvolging door zijn zoon voor te bereiden en de idee wellicht al vóór zijn troonsbestijging was gegroeid. Met een zorgvuldig geplande keizerlijke propaganda, waarbij intensief gebruik werd gemaakt van alle beschikbare media trachtte Severus zijn dynastie te vestigen. De ingezette propagandamachine draaide door doorheen de heerschappij van Severus en misschien zelfs ook erna nog.[96] De “filiatio Antonini” met een fictieve adoptie van Severus en zijn zoons in de gens Aurelia vormde de kern van het plan en het hoofdthema van de propaganda. We beschikken over literaire getuigenissen die ons vertellen over Severus’ zelf-adoptie. De zelf-adoptie betekende dat ook zijn zoons werden opgenomen in de gens Aurelia. De literaire bronnen geven aan dat dit gegeven vooral een weerslag had op Caracalla die een naamsverandering onderging en tot Caesar werd benoemd. Hij werd daarmee dus als opvolger aangeduid. Het lijkt erop dat de 3 maatregelen (de adoptie, naamsverandering en benoeming tot Caesar) samenhangen en werden getroffen in een korte periode, waarschijnlijk zelfs gelijktijdig. De literaire getuigenissen worden verder ondersteund door uitvoerig archeologisch materiaal waaruit men ook heel wat bijkomende informatie kan afleiden.

 

  Wat vertellen de literaire bronnen over deze vroege fase in Severus’ dynastieke politiek? Cassius Dio vermeldt de adoptie van Severus in de gens Aurelia in 2 korte berichten. Zo schrijft hij over een senaatszitting in 197 waarbij de keizer de senatoren vroeg hem te erkennen als de zoon van Marcus Aurelius en de broer van Commodus. Daarbij vroeg hij de senaat Commodus te vergoddelijken, en dus de tevoren uitgesproken damnatio memoriae ongedaan te maken. Dio voegt eraan toe dat de keizer tot recent nog Commodus steeds in een slecht daglicht had geplaatst. [97] Dit kunnen we zien als politieke berekendheid van Severus die zich na zijn keizerproclamatie had laten gelden als de wreker van de dood van Pertinax, van wie de keizerwording gepaard ging met de damnatio memoriae van zijn voorganger, Commodus.[98] Op een andere plaats schrijft Dio dat Severus zich simpelweg liet registreren in de gens Aurelia ; waarbij de senator Pollenius Auspex hem feliciteerde “dat hij eindelijk een vader had gevonden”.[99] De zelf-adoptie van Severus wordt ook bevestigd door het Severus-vita in de Historia Augusta, die ook de naamsverandering en de Caesar-proclamatie van Caracalla vermeldt. Als één van de redenen voor de naamsverandering van Caracalla geeft ze het gegeven dat Severus wou opgenomen worden in de familie van Marcus.[100] In een andere passage vermeldt de Historia Augusta de vergoddelijking van Commodus in de senaat.[101] De andere literaire bronnen vermelden enkel dat Caracalla’s naam werd gewijzigd, zonder te stellen dat deze stap samenhing met een adoptie.[102] De Caesar-benoeming van Caracalla wordt enkel in de Historia Augusta vermeld; de auteur plaatst het verlenen van de Caesar –titel gelijktijdig met de naamsverandering, tijdens de opmars tegen Albinus en dit te Viminacium in Moesia Superior, de provincie aan de Donau. [103]

 

De chronologie van de gebeurtenissen is onduidelijk uit de literaire bronnen. Epigrafisch en numismatisch bewijs leert ons dat de adoptie en de Caesar- benoeming van Caracalla reeds plaatsvond in 195, vermoedelijk in april van dat jaar. In de muntslag openbaart Severus zijn adoptie- en dynastieke plannen voor het eerst in een serie munten uit 195. Er verschijnt een type waarin hij Caracalla naar voor schuift als opvolger en een type waarop hij zichzelf proclameert als zoon van de vergoddelijkte Marcus.[104] In een inscriptie uit het Dolichenus-heiligdom in praetorium Latobicorum in Pannonia Superior (in het huidige Slovenië) die gedateerd is op 29 juni 196 komt Caracalla reeds voor met zijn nieuwe naam en met de Caesar –titel.[105] In een inscriptie uit de provincie Mauretania Caesariensis uit 195 komt Severus voor als zoon van de vergoddelijkte Marcus en als broer van de vergoddelijkte Commodus, met een verdere filiatie tot de vergoddelijkte Nerva.[106] Een andere inscriptie uit 195, die het antwoord bevat op een brief van Severus aan het volk van Aezani in Phrygia, herinnert de naamsverandering van Caracalla in Marcus Aurelius Antoninus. Op het moment dat de inscriptie werd opgesteld droeg Caracalla evenwel nog niet de Caesar- titel.[107] De inscriptie zou mogelijk te dateren zijn op 10 december 195 en de formulering zou duidelijk aangeven dat de Caesar- benoeming voor de deur stond.[108] Tenslotte is er een inscriptie teruggevonden in het legerkamp van Szentendre in Leanyfalu in Pannonia die onderzocht werd door Soproni en die gedateerd wordt in juni/juli 195, waarop Caracalla voorkomt met nieuwe naam en de Caesar- titel. Deze inscriptie vormt de oudste attestatie van Caracalla met de Caesar-titel.[109]

 

Uit het numismatische en epigrafische materiaal kunnen we dus afleiden dat de adoptie en de naamsverandering van Caracalla zeker vóór juni/juli 195 hebben plaatsgevonden.[110] Ongeveer gelijktijdig moet Caracalla ook tot Caesar benoemd zijn. De overwinning op Niger moet Severus voldoende zelfvertrouwen gegeven hebben om tot die stap over te gaan. Op 14 april had Iulia Domna ook de titel van mater castrorum ontvangen[111] en Soproni acht het waarschijnlijk dat de verlening van de titel, de adoptie en de Caesar-benoeming ongeveer gelijktijdig gebeurden.[112] De auteur wijst erop dat de maand april een speciale betekenis had voor Severus en voor Caracalla, het was als het ware de geluksmaand van de Severi. Het was de maand waarin beiden waren geboren en waarin Severus tot keizer werd geproclameerd. Ook voor Caracalla werd april een maand met een speciale betekenis, immers was april 217 ook de maand waarin hij het leven liet. Al deze belangrijke data vielen in de eerste helft van april[113] en het is goed mogelijk dat de proclamaties ook plaatsvonden in die eerste helft van april 195.[114]

 

In de zomer van 195 behaalde Severus een definitieve overwinning op de aanhangers van Niger bij Byzantium. Maar hij bleef nog een tijd in het oosten voor een oorlog tegen de koning van Adiabene, een vazal van de Parthenkoning, die in de herfst van 195 succesvol werd beëindigd.[115] We weten niet of Caracalla mee werd genomen op deze veldtochten in het oosten, aangezien we daarvoor over geen concrete aanwijzingen beschikken. Het is goed mogelijk dat hij in veilige handen werd achtergelaten in Moesia Superior onder de hoede van Severus’ vertrouweling L.Fabius Cilo, de goeverneur van deze provincie.[116]

 

Wanneer vond de in de Historia Augusta beschreven scène in Viminacium plaats?

De tweede helft van 195 was Severus begonnen met voorbereidingen te treffen voor een oorlog tegen Albinus, die met de Caesar- benoeming van zijn zoon onvermijdelijk was geworden. Een deel van de troepen die actief waren in het oosten werd nog vóór het einde van de zomer van 195 onder leiding van Severus in westelijke richting geleid.[117] Op 15 december kwam er een openlijke oorlogsverklaring aan het adres van Albinus met het senaatsbesluit tot hostis populi Romani.[118] Op terugtocht uit het oosten werd er halt gehouden in Viminacium in Moesia Superior waar men waarschijnlijk overwinterde. Het is daar dat Caracalla mogelijk werd uitgeroepen tot Caesar voor de troepen, als we het bericht in de Historia Augusta kunnen geloven.[119] Zoals vermeld vermoeden we dat hij daar was achtergelaten onder de hoede van Cilo. Bij hun hereniging kon Severus eindelijk zijn, een jaar eerder gedane, verklaring doorvoeren en Caracalla proclameren als “Marcus Aurelius Antoninus Caesar”. Op deze manier maakte hij van zijn 8-jarige zoon de legitieme opvolger als lid van een vergoddelijkte dynastie. Wanneer de eigenlijke proclamatie voor de troepen precies plaatsvond is onzeker. Soproni plaatst ze in april 196, terwijl Sasel eerder gelooft dat de gebeurtenis reeds plaatsvond in de winter van 195/196.[120]

 

Volgens de Historia Augusta zou Severus Caracalla gepromoveerd hebben om een einde te maken aan de machtsaspiraties van zijn broer, Caracalla’s oom, P.Septimius Geta.[121] Birley is niet geneigd dit verhaal, als zijnde de enige reden voor de daad, te aanvaarden, hoewel het motief inderdaad een rol kan hebben gespeeld, aangezien Septimius Geta vermoedelijk aanwezig was in Viminiacium, evenals Marius Maximus, de waarschijnlijke bron van het verhaal.[122] Maar Severus had ongetwijfeld voordien de beslissing al genomen, enkel het tijdstip en de plaats kan gekozen zijn in functie van het temperen van Geta’s ambities.[123]  De Historia Augusta veronderstelt tevens, ten onrechte, dat ook Caracalla’s jongere broer, Geta, een naamswijziging onderging en ook hij Antoninus werd genoemd, opdat ook hij als troonopvolger zou optreden.[124] De Historia Augusta heeft het echter niet bij het rechte eind, want de naam is voor Geta nergens anders geattesteerd.[125] Geta werd pas later opgenomen in Severus’ opvolgingspolitiek.

 

Na de overwintering in Moesia trok de keizerlijke familie samen met het leger westwaarts. In Poetovio in Pannonia Superior, in de lente van 196 splitste de groep zich: Severus liet zijn leger verder marcheren naar Gallia terwijl hij naar Rome vertrok; Caracalla werd achtergelaten in Pannonia Superior.[126] Caracalla’s aanwezigheid daar blijkt uit een inscriptie[127]evenals uit het feit dat in deze provincie heel wat portretten van Caracalla werden gevonden die hem voorstellen als een kind-keizer en dus uit deze periode stammen.[128]

Onder wiens bescherming Caracalla werd geplaatst in Poetovio is niet overgeleverd. Mogelijk was dit opnieuw L.Fabius Cilo die als legatus van Pannonia ter plaatse was.[129] Severus trok naar Rome om de Caesar –proclamatie van zijn zoon te laten bekrachtigen door de senaat, evenals zijn zelf-adoptie in de gens Aurelia. Daarbij werden hem de keizerlijke waardigheidstekenen verleend.[130] Op het einde van de zomer van 196 vertrok Severus naar Gallia om er de confrontatie met Albinus aan te gaan.[131]

Waarom werd Caracalla al die tijd in Pannonia gelaten? Waarschijnlijk achtte Severus het beter nu hij ten oorlog trok tegen Albinus om zijn zoon op een veilige plaats te houden. Albinus en zijn aanhangers zouden de nieuwe Caesar kunnen ontvoeren of uitschakelen; daarom was het beter Caracalla weg te houden uit Rome en weg van het front, waar het gevaar te groot was. Onder de hoede van de goeverneur van Pannonia, de vertrouweling Fabius Cilo, was zijn zoon zeker veilig en de opvolging verzekerd...

 

Septimius Severus nam, zoals vermeld de naam over van Pertinax, hoewel hij daar niet mee verwant was en zorgde er in 193 voor dat deze vergoddelijkt werd. In 195 riep hij zichzelf uit tot de zoon van de vergoddelijkte Marcus Aurelius en bekwam de vergoddelijking van Commodus, zodat hij zich de broer van de vergoddelijkte Commodus kon noemen. Gesche wijst op een parallel met 2 andere keizers, namelijk Macrinus en Elagabalus. Macrinus nam Severus’ naam over en veranderde de naam van zijn zoon in “Antoninus”, net als Severus had gedaan met Caracalla; bovendien ijverde hij, onder druk van het leger voor de vergoddelijking van Caracalla. Die werd verwezenlijkt onder Macrinus’ opvolger, Elagabalus, die zich “divi Antonini filius” noemde. De vergoddelijking van directe voorgangers was voor deze keizers dus belangrijk, niet alleen omwille van de wens in een dynastieke traditie te staan en ter legitimatie van de eigen heerschappij het beeld van continuïteit met het verleden te verzekeren, maar ook omwille van de mogelijkheid en het recht om zich “divi filius” (en/of “divi frater”) te noemen. In het geval van Severus, in het kader van de woelige burgeroorlog, kon hij zich zo propageren als zijnde kwalitatief hoogstaander dan elke andere concurrent, die zijn aanspraken op de troon slechts te danken had aan de proclamatie door de eigen troepen, terwijl Severus ook dynastiek, als opvolger van goddelijke voorouders, recht had op de macht.[132] Met de naamsverandering van Caracalla en de toekenning van de Caesar- titel werd meteen ook geopenbaard dat hij zijn dynastieke opvolger zou worden en niet Albinus waarmee Severus nu openlijk de confrontatie aanging. De eerste munten die in naam van Caracalla werden geslagen maakten meteen duidelijk aan Albinus en de buitenwereld dat met de benoeming van zijn zoon er nu hoop was op een vreedzame toekomst voor het Rijk.[133]

 

c) De keizerlijke propaganda:

 

Door zich uit te roepen tot de zoon van Marcus Aurelius plaatste Septimius Severus zichzelf en zijn nakomelingen in een fictieve keizerlijke dynastie. Een belangrijke stap, met het oog op een opvolging door Caracalla. Septimius trachtte in de keizerlijke propaganda zijn macht en heerschappij te legitimeren door affiliatie met de gens Aurelia als de zoon van Marcus Aurelius. Hoewel Severus zijn adoptie pas in 195 bekendmaakte schijnt hij ze al sinds het begin van zijn keizerschap in 193 voorbereid te hebben met een zorgvuldig geplande propaganda. Zo schijnt de daad nauwelijks protest uitgelokt te hebben in de Romeinse wereld.[134] Met een heus propagandaplan werd er al een politieke basis gevormd voor zijn adoptie en de legitimatie van zijn dynastie.[135] In de propaganda was het wel noodzakelijk op voorzichtige en subtiele wijze te werk te gaan, gezien Severus in de beginfase nog een alliantie was aangegaan met Albinus tegen Niger en zijn rivaal en zijn aanhang in geen geval mochten merken dat hij met zijn adoptie in feite een dynastie wilde vestigen. De delicate politieke alliantie met Albinus mocht in geen geval verbroken worden door provocatie. Hoe ging Severus dan te werk om, gezien de kritieke politieke situatie, toch al een adoptie en een erfopvolging voor te bereiden?

 

Vanaf het moment dat hij keizer werd begon Severus al in de keizerlijke propaganda de boodschap te verspreiden dat hij de rechtmatige opvolger was van de dynastie van de Antonini. Een belangrijke rol daarin speelden de omina imperii, de mirakels, voorspellingen en dromen die wijzen op een goddelijke voorzienigheid. Zij versterken het gezag van de keizer en ondersteunen de idee dat hij de macht met recht heeft verworven door dynastieke opvolging. Tenminste één anekdote kan in verband gebracht worden met de adoptie: bij Cassius Dio lezen we dat Severus tijdens zijn huwelijksnacht droomde dat Faustina, de vrouw van Marcus Aurelius, hun huwelijkskamer in de tempel van Venus op de Palladijn klaarmaakte.[136] De diepere betekenis is duidelijk: Severus’ keizerlijke toekomst is bepaald door een goddelijke voorzienigheid, en bovendien is hij door Marcus Aurelius en zijn vrouw Faustina aanvaard als lid van de familie.[137] Baharal is ervan overtuigd dat Severus deze geruchten al bij zijn aankomst in Rome in 193 liet verspreiden, kort nadat Didius Iulianus was terechtgesteld. Hij moedigde de publicatie en verspreiding van dergelijke pamfletten aan. [138] Cassius Dio schijnt zich op dat vlak zeer verdienstelijk gemaakt te hebben toen hij een pamflet schreef over Severus’ dromen en visioenen dat hij hem ook overhandigde.[139]

 

Tijdens Severus’ korte verblijf in Rome in 193 nam de keizer meteen de muntslag in handen en schakelde die mee in zijn keizerlijke propaganda.[140] Hoewel hij zijn adoptie-en dynastieke plannen in de muntslag pas expliciet openbaarde in 195 werden er in de munten vanaf 193 toch al aanwijzingen voor gegeven. Eerst liet hij een munt slaan voor Albinus als teken van goede wil, maar tegelijk begon hij de muntslag te gebruiken voor zijn bewuste einddoel, de adoptie in de gens Aurelia. Hij gaf meteen instructies met betrekking tot het type van portret dat op de munten diende te verschijnen. Het onderzoek van de portretten op de munten in de periode 193-195 heeft uitgewezen dat die intentioneel geleken op die van Marcus Aurelius. Dezelfde instructies moeten ook gegeven zijn aan de beeldhouwers in Rome want het onderzoek van de gebeeldhouwde portretten van de periode 193-195 vertonen diezelfde intentionele gelijkenissen.[141] Dit laatste aspect van de propaganda werd ook toegepast op de gebeeldhouwde portretten van de andere leden van het keizerlijke huishouden. Zo is er een sterke gelijkenis tussen de kindportretten van Caracalla en Geta en de kindportretten van Commodus en Annius Verus. Ook Iulia Domna’s portretten uit de periode 193-211 vertonen sterke gelijkenissen met die van Faustina de Jongere.[142] Deze gelijkenissen werden bewust gecreëerd als propagandamiddel om Severus’ bewering de directe erfgenaam te zijn van de Antonijnse dynastie te staven en te promoten. Omwille van de delicate politieke situatie was het belangrijk Albinus en zijn aanhang niet voor de borst te stoten en dit noopte Severus tot voorzichtigheid met betrekking tot deze eerste portret-instructies en zijn keizerlijke propaganda in het algemeen. Dit bracht hem ertoe ook de portretten van zijn rivalen en voorgangers te laten gelijken op die van Marcus Aurelius. [143]

 

Munten maken dus duidelijk dat Severus,in de propaganda van de periode vóór de bekendmaking van zijn adoptie, zichzelf en zijn familie, al liet associëren met Marcus Aurelius en zijn familie. In deze periode kregen ook de anekdotes over mirakels, die tijdens zijn veldtochten zouden hebben plaatsgevonden, een belangrijke rol toegewezen in de keizerlijke propaganda. Zowel Dio als Herodianus vertellen over mirakels waarbij het weer plots gunstig veranderde, zodat Severus’ leger gered werd uit een kritieke situatie. Voor de soldaten betekende dit telkens dat de redding door goddelijke inmenging gebeurde.[144] Zij vertonen sterke gelijkenissen met een aantal situaties waarin Marcus Aurelius’ leger zich had bevonden.[145] Het is waarschijnlijk dat Severus, naast de goddelijke implicaties van de mirakels, deze gelijkenissen tussen hem en Marcus ook beklemtoonde in de keizerlijke propaganda en hij bewust bij elke gebeurtenis de verspreiding van dergelijke geruchten en pamfletten aanmoedigde.[146]

Het is dus duidelijk dat Severus van bij zijn troonsbestijging gewerkt heeft aan de fundering van zijn dynastie en dat hij grootse plannen had voor Caracalla, lang voor hij ze bekend maakte aan de buitenwereld.

 

Eenmaal Severus zijn adoptie en de Caesar-benoeming van Caracalla had bekendgemaakt, betekende dit niet het einde van zijn inspanningen om zich te laten associëren met de gens Aurelia. Severus gaat hierin verder en dit komt tot uiting in de imitatie van een aantal van Marcus Aurelius’ handelingen. Die imitatie heeft dan een directe invloed op de andere leden van de keizerlijke familie. Zoals reeds is aangegeven werd ook Iulia Domna in deze fase van de keizerlijke propaganda ingeschakeld, waarbij zij sterk in verband werd gebracht met Faustina de Jongere.[147] Er zijn daarvan vele voorbeelden te vermelden. Zowel Dio als de auteur van de Historia Augusta vertellen ons dat Faustina de titel mater castrorum kreeg van haar echtgenoot, en dit na diens overwinning op de Quadi in 174.[148] Deze titel komt op inscripties voor, samen met het 7e keizerlijk saluut van Marcus Aurelius.[149]  Uit munten[150] en inscripties[151] blijkt dat Iulia Domna eveneens deze titel kreeg van haar echtgenoot en deze komt ook voor samen met het 7e keizerlijk saluut van Septimius Severus.[152] Vanaf 14 april van het jaar 195 is de keizerin geattesteerd met deze titel; precies in de periode van de zelfadoptie van haar echtgenoot en oudste zoon in de gens Aurelia.[153] Faustina zou de titel ontvangen hebben omdat ze mee was gegaan met Marcus Aurelius op veldtocht.[154] Vermoedelijk ging ook Iulia Domna mee op veldtocht met haar echtgenoot en was haar persoonlijke aanwezigheid in de legerkampen, determinerend voor het verlenen van deze titel.[155] Maar als bijkomende reden kunnen we daar zeker de wens van Severus om zichzelf en zijn gezin zoveel mogelijk te associëren met Marcus Aurelius, aan toe voegen. De reden ook waarom ze wellicht werd meegenomen op veldtocht, net als Faustina door Marcus Aurelius.[156] Severus wou door dit alles Iulia Domna laten aanvaarden als de legitieme opvolgster van Faustina. In deze vroege jaren vormde Iulia als mater castrorum een symbool van militaire en burgerlijke stabiliteit en vertegenwoordigde ze ook Severus’ streven om het leger te binden aan de keizerlijke familie.[157] Ook de legendes op de munttypen van Iulia Domna werden in deze periode gekozen in functie van de dynastieke politiek van Severus. Er werden legenden gebruikt die ook gebruikt werden voor de Antonijnse vrouwen, gaande van Faustina de Oudere tot Crispina. Zo werd aansluiting gezocht met de vroegere traditie en gepoogd de band tussen beide dynastieën te verstevigen.[158]

 

Septimius Severus’ streven om geassociëerd te worden met zijn fictieve adoptievader had ook betrekking op Caracalla en Geta. Caracalla werd daarbij geassociëerd met Commodus en Geta met Annius Verus. Zo is er een intentionele gelijkenis tussen de kindportretten van Caracalla en Commodus enerzijds en anderzijds tussen Geta en Annius Verus.[159] Zo zien we in inscripties dat er naar Geta wordt verwezen met “Iulia’s zoon”[160], net zoals tevoren Annius Verus, in inscripties “Faustina’s zoon” werd genoemd. [161] De titel propagator imperii die voorkomt op munten van Caracalla is ook geattesteerd in inscripties en op medailles ter ere van Lucius Verus, Commodus en Marcus Aurelius.[162] Wij vermoeden dat Severus zijn dynastieke politiek wel eens kan gebaseerd hebben op de heerschappij van Marcus Aurelius, maar daarover verder meer.[163] De propaganda van Severus kende een enorm succes want verspreid over het Romeinse Rijk werden er verscheidene ere-inscripties gevonden die Severus vermelden met zijn afstamming tot aan de vergoddelijkte Nerva.[164] Reeds geruime tijd voor de officiële adoptie, sinds april 193, had Severus door middel van een zorgvuldig doordachte propaganda gebouwd aan een politieke basis voor zijn adoptie. Door die basis kwam het nieuws in 195 niet als een verrassing; men was al gewend aan de idee.[165] 

 

d) Caracalla wordt aangeduid als “imperator destinatus” en “princeps iuventutis”

 

Na de overwinning op Albinus trok Severus naar Rome. Eerst had hij P.Porcius Optatus Flamma naar Pannonia gedelegeerd om de aldaar achtergebleven Caracalla op de hoogte te brengen van het behaalde succes.[166] In Rome is de aanwezigheid van de keizerlijke familie met zekerheid geattesteerd op 9 juni 197.[167] In de lente of in de zomer van dat jaar worden aan Caracalla verdere eerbewijzen geleverd en dit blijkt duidelijk in de muntslag. Er worden nu munten geslagen waarop Caracalla de titel pontifex draagt en aangeduid wordt met imperator destinatus.[168] Hij draagt nu ook de titel princeps iuventutis.[169] De titels komen ook voor in inscripties.[170]

Op dit moment was Severus de onbetwiste machthebber geworden. Door zorgvuldige propaganda had hij een dynastie gevestigd en die “gelegitimeerd” door ze te verbinden met de voorgaande dynastie van de Antonini. Op dit moment was het reeds duidelijk dat Caracalla zijn vader zou opvolgen; hij was nu immers Caesar, was aangeduid als imperator destinatus en droeg de titel princeps iuventutis. Het was meteen duidelijk dat Caracalla op termijn ook volwaardig keizer zou worden, maar daarvoor vond Severus het blijkbaar te vroeg. Eerst wou hij nog een zegerijke veldtocht leiden tegen de Parthen. Zo’n campagne zou, na de periode van burgeroorlogen, zeker bijdragen bij de consolidatie van zijn macht en de legitimatie van zijn dynastie. Vóór het vertrek werden al maatregelen getroffen om het Romeinse volk gunstig te stemmen met de organisatie van grootse spelen en gelduitdelingen.[171] Ook dat droeg uiteraard bij tot de machtsconsolidatie.

 

Vervolgens vertrok Septimius Severus op veldtocht  naar het oosten.[172] Vrouw en kinderen vergezelden hem, evenals zijn verwant Fulvius Plautianus, de prefect van de pretoriaanse wacht, eveneens afkomstig uit de provincie Africa en voor het later verloop van Caracalla’s leven een belangrijk figuur.[173] Voor Caracalla betekende de reis een belangrijke ervaring. Severus zal hem ten opzichte van de troepen wellicht veel getoond hebben als jonge Caesar om zo de loyauteit en populariteit van zijn dynastie te vergroten en het leger er verder aan te binden. In deze jaren werd mogelijk de basis gelegd voor een populariteit van Caracalla bij de troepen die zijn hele leven groot zal blijven en die er na zijn dood zal toe bijdragen dat hij met steun van de troepen zal vergoddelijkt worden onder zijn opvolger Macrinus. De liefde tussen Caracalla en het leger was wederzijds en het belonen en het eren van de troepen zal ook als een rode draad door zijn leven lopen.[174]

 

e) Caracalla wordt Augustus en Geta wordt Caesar

 

Volgens de Historia Augusta riep Severus op 28 januari 198 zijn zoon uit tot Augustus, nadat op die dag Ctesiphon veroverd werd op de Parthen.[175] Voor het eerst nam hij ook openlijk zijn jongere zoon, Geta, op in zijn opvolgingspolitiek door hem tot Caesar te benoemen.[176] De dag viel samen met de 100e verjaardag van de troonsbestijging van Traianus hetgeen het prestige van de overwinning nog verhoogde. Op deze manier kon hij zich verder laten associëren met de roemrijke dynastie van de Antonini, waarvan hij beweerde de erfgenaam te zijn. De meeste onderzoekers nemen de datum van de overwinning en de proclamatie aan.[177] In feite is de precieze datum van zowel de overwinning op Ctesiphon als van de benoemingen van Caracalla en Geta niet met absolute zekerheid geweten. De benoeming van Caracalla tot Augustus vond zeker plaats vóór 3 mei 198, zoals blijkt uit een inscriptie. [178] De eerste munten die in naam van Caracalla als Augustus werden geslagen dateren van 198.[179] Toch wijzen een aantal munten van Severus erop dat Caracalla al voor het einde van het jaar 197 tot Augustus was verheven. [180]

 

Munten wijzen er op dat Caracalla al werd verheven vóór het einde van 197. Toch vierde Caracalla zijn dies imperii op 28 januari.[181] Rubin heeft overtuigend geargumenteerd dat we hier te maken hebben met een Severische propagandistische ingreep. De verovering van Ctesiphon heeft vermoedelijk al plaatsgevonden in de herfst van 197 evenals de daaropvolgende promoties van Caracalla en Geta.[182] Severus liet echter bewust zijn zoon zijn dies imperii vieren op 28 januari en liet de officiële proclamaties voor de troepen wellicht ook op deze datum gebeuren. Op deze manier werd de kalender gemanipuleerd door de Severische regering om de overwinning een groter prestige te geven door ze te laten samenvallen met de 100e verjaardag van Trajanus’ troonsbestijging.[183] Het bood Severus nogmaals de gelegenheid om zich te associëren met de dynastie van de Antonini om zo bij te dragen tot de ideevorming dat hij ook werkelijk lid was van de dynastie. Ook Caracalla’s dies imperii liet hij vieren op die dag om de banden tussen zijn dynastie en die van de Antonini te onderstrepen. Na de dood van Severus zal Caracalla zijn dies imperii vieren op 4 februari, de sterfdag van Severus. Dit is de dag waarop officieel de dubbelheerschappij begon van Caracalla en Geta.[184]

 

Begin 198 was Severus opvolgingspolitiek dus tot een nieuwe dimensie gebracht. Caracalla was nu feitelijk mederegent geworden en bezat nu ook voor het eerst de tribunicia potestas .[185] Naar aanleiding van de overwinning bij Ctesiphon en zijn Augustus-proclamatie werd Caracalla ook voor het eerst gesalueerd als imperator.[186] Ook Geta was nu opgenomen in Severus’ dynastieke politiek. Hij droeg nu de officiële titel van Caesar nobilissimus en vanaf 200 komt hij op munten ook voor als princeps iuventutis.[187] Caracalla was nu in naam volwaardig mederegent geworden, ondanks het feit dat hij nog een kind was. Opmerkelijk is ook dat Severus in deze fase blijkbaar de intentie had om ook zijn jongere zoon tot de erfopvolging voor te bereiden. Toch zou het nog tot 209 duren vooraleer die intentie definitief werd gerealiseerd met het verlenen van de Augustus –titel aan Geta.

 

f) Het consulaat van Severus en Caracalla

 

De oorlog tegen de Parthen werd pas op het einde van 199 officieel beëindigd. Severus was al begin januari van dat jaar vertrokken naar Egypte, via Palestina.[188] Iulia Domna, de 11-jarige Caracalla en de 10-jarige Geta reisden als leden van de “domus divina” mee. Er werd een tijd verbleven in Alexandria, waarbij Septimius Severus de graftombe van Alexander de Grote bezocht.[189] Hij liet de tombe bij zijn bezoek permanent verzegelen opdat na hem, niemand het gebalsemde lichaam van Alexander de Grote nog zou kunnen zien.[190] Waarschijnlijk bezocht ook Caracalla het graf en Severus’ daad moet daarbij ongetwijfeld een grote indruk gemaakt hebben op de jonge knaap, hetgeen niet onbelangrijk is met het oog op zijn latere “Alexander-imitatio”.[191] Vanuit Egypte vertrok de keizerlijke familie, via de zee, naar de provincie Syria. Begin 201 nam Septimius Severus de beslissing om het volgende jaar samen met Caracalla het consulaat te bekleden.[192] Kort tevoren had Severus de toga virilis verleend aan zijn oudste zoon, toen deze de volwassen leeftijd bereikt had. Begin 202 betraden Severus en Caracalla te Antiochia samen het consulaat. [193] 

 

Het consulaat van 202 was bijzonder zeldzaam en opmerkelijk: niet alleen was het de eerste keer dat twee medekeizers samen het consulaat bekleedden[194], maar was het bovendien zeldzaam dat beide consuls hun ambt aanvatten buiten Rome. Het feit dat beiden te Antiochia het consulaat betraden, betekende voor deze stad, die in de burgeroorlog fervent Niger had gesteund en daarvoor ernstig was bestraft, een groot eerbewijs en een teken van een hernieuwde keizerlijke welwillendheid. [195] Voor een provinciestad was het een vreemde en zeldzame eer.[196] Het is niet ondenkbaar dat de uit Syria afkomstige Iulia Domna een zekere invloed had op Severus’ houding ten opzichte van Antiochia, als zijnde de belangrijkste stad van de provincie. Ook Caracalla kan een rol gespeeld hebben; zo meent de Historia Augusta dat het dankzij hem was dat de stad in haar rechten werd hersteld.[197] Volgens Birley wijst dit erop dat het Severus’ bedoeling was officieel te verklaren dat de maatregel volgde op verzoek van Caracalla, “waarmee hij zijn zoon meer op het voorplan kon plaatsen en hem al een basis van goed wil kon verschaffen”[198]

 

Caracalla was op dit moment net geen 14 jaar oud en had de hoogste benoemingen en titels reeds ontvangen op een buitengewoon jonge leeftijd. In zijn achtste levensjaar was hij al Caesar, in zijn tiende Augustus en op 13-jarige leeftijd bekleedde hij reeds het consulaat. Het is onduidelijk in hoeverre die titels en benoemingen gekoppeld waren aan een reëele macht, in hoeverre Caracalla betrokken werd in het eigenlijke bestuur? Het imperium bezat hij vanaf zijn benoeming tot Augustus (IMP I), maar dit was daarom niet gekoppeld aan een reëele macht want elke keizer kreeg bij het aantreden het imperium. Caracalla zal het imperium (IMP II) voor het eerst ontvangen in 207, in het kader van de oorlog in Britannia.[199] In de periode daarvoor werd in de muntslag alleszins de boodschap uitgestuurd dat Caracalla ook mee deelde in de verantwoordelijkheden van het keizerschap, maar dit betekent niet dat het daarom ook zo was.[200] De talrijke keizerlijke rescripten en verordeningen werden in elk geval in naam van beide keizers uitgevaardigd, maar dit betekent niet dat Caracalla deelnam aan de beslissingen.[201] Het lijkt ons waarschijnlijk dat de reëele macht volledig in handen was van Severus en alle beslissingen door hem werden genomen. Mogelijk werd Caracalla wel naarmate de tijd vorderde meer en meer betrokken bij de staatszaken en werd zijn mening meer en meer gepolst, maar de eindbeslissing lag wellicht steeds bij Severus[202] Zo kon de jonge troonopvolger al ervaring op doen die hij later zeker zou kunnen gebruiken. Het verlenen van de hoogste benoemingen en titels aan Caracalla maakt deel uit van Severus’ dynastieke politiek, maar ook van zijn politiek om zijn eigen macht te consolideren. De opvolging was niet automatisch verzekerd zodat het voor Severus van belang was om zijn zoon te overladen met zo veel mogelijk titels; vanaf het moment dat ze met enige waardigheid konden ontvangen worden. Doordat Severus zijn zoon als opvolger kon laten erkennen, werd ook zijn eigen positie als keizer enorm versterkt. Een keizer die zijn opvolger al had gekozen en hem verreikende machten had verleend, was minder kwetsbaar voor samenzweringen en rebellieën.

 

g) Hoe kan men de dynastieke politiek van Severus verklaren?

 

            Op het einde van het jaar 197 was Severus dynastieke politiek geëvolueerd tot een dubbelkeizerschap van zichzelf met zijn oudste zoon Caracalla. Tegelijkertijd was ook zijn jongste zoon Geta met de benoeming tot Caesar in de opvolgingspolitiek opgenomen. Op dit moment zou men kunnen verwachten dat Severus’ politiek in de nabije toekomst zal uitmonden in een drie-keizerschap (een triumviraat) van Severus en zijn twee zonen. Toch zal het nog duren tot het einde van 209 vooraleer ook Geta tot Augustus werd benoemd. Waarom Severus’ dynastieke politiek zo is gelopen weet men niet.[203] Wij vermoeden dat men die politiek dient te beschouwen in het kader van Severus’ filiatio Antonini en denken dat Severus zijn dynastieke politiek gebaseerd heeft op de politiek van Marcus Aurelius ter zake. We hebben duidelijk aangetoond dat Severus vanaf het moment dat hij tot keizer werd uitgeroepen inspanningen heeft geleverd om zijn adoptie in de gens Aurelia voor te bereiden. In de keizerlijke propaganda liet hij zichzelf en zijn familie sterk associëren met Marcus en zijn familie. Marcus Aurelius vormde zijn grote voorbeeld en wij vermoeden dat Marcus’ opvolgingspolitiek ook als voorbeeld heeft gediend voor Severus’ eigen dynastieke politiek.

 

Toen Caracalla in 195 tot Caesar werd benoemd was dit in de eerste plaats een sterke politieke boodschap aan het adres van Albinus, waarmee Severus hem in feite duidelijk maakte dat de situatie zou uitmonden in een burgeroorlog. De stap betekende ook dat Severus zijn dynastieke plannen ontvouwde en we vermoeden dat die sterk gebaseerd waren op de heerschappij van Marcus Aurelius: Marcus Aurelius was in 138 geadopteerd door Antoninus Pius en toen hij die opvolgde in 161 had hij besloten een dubbelheerschappij te vormen met zijn adoptiefbroer, Lucius Verus. Die dubbelheerschappij duurde van 161 tot 169, het jaar waarin Lucius Verus stierf.[204] Op 12 oktober 166, toen in Rome een triomf werd gehouden ter ere van de oosterse overwinningen, besloot Marcus Aurelius zijn twee zonen, de 5-jarige Commodus en zijn broer, de 3-jarige Annius Verus, de Caesar-titel te verlenen. Marcus Aurelius’ voorgangers tot Nerva hadden zich allemaal laten adopteren door de heersende keizer en hadden die zo opgevolgd. Ook Marcus Aurelius had zich laten adopteren, maar koos ervoor om zich te laten opvolgen door zijn nageslacht. In 169 stierf de 7-jarige Annius Verus echter aan een tumor. Later besloot Marcus Aurelius een dubbelheerschappij te vormen met zijn zoon Commodus, die al sinds 166 Caesar was. In 177 benoemde hij Commodus, die op dat moment nog geen 16 jaar was geworden tot consul en tot Augustus. Vanaf dat moment vormde Marcus Aurelius een effectieve dubbelheerschappij met zijn zoon Commodus en dit tot in 180, toen Marcus stierf.[205]

 

            Wij vermoeden dat Severus zijn dynastieke politiek gebaseerd heeft op die van Marcus Aurelius. We denken dat Severus, net als Marcus een dubbelheerschappij wou vormen met zijn zoon en zich, eveneens naar zijn grote voorbeeld, wou laten opvolgen door een dubbelheerschappij van zijn twee zoons. Er zijn duidelijke gelijkenissen vast te stellen tussen Severus’ opvolgingspolitiek en die van Marcus Aurelius. Net als Marcus Aurelius had Severus zich laten adopteren, Marcus door een levende, Severus door een overleden vader en had hij besloten zich te laten opvolgen door zijn eigen nageslacht. Net als Marcus Aurelius met Commodus benoemde Severus Caracalla op uiterst jonge leeftijd tot Caesar: Commodus was 5 jaar, Caracalla was 7 jaar. Daarna volgden de titels imperator destinatus en princeps iuventutis tot Severus Caracalla op het einde van 197 benoemde tot Augustus en dus tot volwaardig medekeizer. Vanaf dat moment vormde hij een dubbelheerschappij met zijn zoon, net als zijn grote voorbeeld Marcus Aurelius. Severus had Caracalla wel veel vroeger tot volwaardig medekeizer benoemd dan Marcus Aurelius: Caracalla was 9 jaar oud, Commodus 15 jaar. Gelijktijdig met de Augustus-benoeming van Caracalla werd ook Severus’ jongste zoon in de opvolgingspolitiek opgenomen en tot Caesar benoemd. Hoe kan men die stap verklaren? Naar onze mening kunnen we dit beschouwen in het kader van Severus’ filiatio Antonini. Marcus Aurelius had tijdens zijn dubbelheerschappij met Lucius Verus zijn twee zoons Commodus en Annius Verus tot Caesares benoemd en dus hen als opvolgers aangeduid. Marcus Aurelius en Verus wensten dus dat hun dubbelheerschappij opgevolgd zou worden door een andere dubbelheerschappij, van Marcus’ nageslacht. Wij vermoeden dat Severus Geta tot Caesar benoemde om duidelijk te maken dat er ook na zijn dood een dubbelheerschappij zou komen: Tijdens zijn leven wou Severus een dubbelheerschappij vormen met zijn zoon Caracalla, net zoals Marcus Aurelius een dubbelheerschappij had gevormd met zijn zoon Commodus. Na zijn dood wou hij opgevolgd worden door een dubbelheerschappij van zijn twee zonen Caracalla en Geta, net zoals Marcus Aurelius in de periode 166-169 een opvolging door een dubbelheerschappij van zijn zoons Annius Verus en Commodus had vooropgesteld. Deze gedachtegang is zuiver hypothetisch want de idee wordt niet vermeld in de bronnen. Maar de boven geschetste filiatio Antonini en keizerlijke propaganda van Severus levert toch aanwijzingen die deze hypothese plausibel maken. Zo is aangetoond dat Severus zijn adoptie in de gens Aurelia en de proclamatie als erfgenaam van de dynastie van de Antonini centraal plaatste in zijn keizerlijke propaganda. Hij liet zichzelf zoveel mogelijk associëren met Marcus Aurelius en paste dit ook toe op de andere gezinsleden: Iulia Domna werd geassociëerd met Faustina, Caracalla met Commodus en Geta met Annius Verus. Dat Severus Caracalla in zijn keizerlijke propaganda met Commodus associëerde en Geta met Annius Verus kan er op wijzen dat Severus zijn opvolgingspolitiek ook wou baseren op die van Marcus Aurelius. Vandaar dat hij enkel Caracalla tot Augustus promoveerde, namelijk om net als Marcus Aurelius en Commodus een dubbelheerschappij uit te oefenen van vader en zoon. Met de benoeming van Geta tot Caesar wou hij dan ook naar het voorbeeld van Marcus Aurelius een opvolging voorbereiden door beide zoons, Caracalla (die dan de rol van Commodus vervulde) en Geta (die dan de rol van Annius Verus vervulde). Deze hypothese kan ook verklaren waarom Severus zo lang wachtte vooraleer ook Geta tot Augustus te benoemen.

 

Na het verblijf in Antiochia vertrok de keizerlijke familie terug naar Rome.[206] In de lente van 201 vond de verloving plaats tussen Caracalla en Plautilla, de dochter van de pretoriaans prefect Plautianus. Deze Plautianus speelde een belangrijke rol in Caracalla’s leven en in deze dissertatie besteden we een hoofdstuk aan dit onderwerp.

 

 

1.3. Plautianus en de «domus divina»:

 

Plautianus was een verwant en een persoonlijke vriend van Septimius Severus die eveneens afkomstig was uit Leptis Magna in de provincie Africa. Hij werd prefect van de pretoriaanse lijfwacht en werd in die positie zeer machtig. Hij behoorde quasi tot de “domus divina” en reisde steeds mee. Om de verbondenheid nog te versterken bracht Septimius Severus zelfs een huwelijk tot stand tussen Caracalla en de dochter van Plautianus, Plautilla. Dit huwelijk was echter van zeer korte duur en de vraag zal moeten gesteld worden waarom het mislukte? Veel heeft te maken met de verstoorde relatie tussen Caracalla en Plautianus, die een wederzijdse haat koesterden. Hoe komt Plautianus’ bijzondere machtspositie tot uiting in de bronnen? Hoe komt het dat beide partijen elkaar zo intens haatten? Uiteindelijk werd Plautianus vermoord en Plautilla verbannen. Daarin schijnt Caracalla een hoofdrol vervuld te hebben, hoewel er onduidelijkheid bestaat in de bronnen. Wat waren de precieze oorzaken en motieven voor de moord en in welke omstandigheden vond ze plaats? Wat was de rol van Iulia Domna in deze terechtstelling? Immers haatte ze Plautianus en die haat was wederzijds. Ze had ook een voorkeur voor diens opvolger Papinianus. Op verschillende momenten komt de spanning tussen de keizerin en de prefect tot uiting. Had de uitschakeling van Plautianus belangrijke gevolgen voor het gedrag van Geta en Caracalla en voor hun onderlinge verhouding? En wat betekende het wegvallen van deze figuur voor Iulia Domna (en haar familieleden die tevoren hun loopbaan door Plautianus belemmerd zagen) voor wie Plautianus een struikelblok was geweest om haar wensen door te voeren?

 

a) De “decennalia” van Septimius Severus:

 

            Toen de keizerlijke familie terugkeerde naar Rome werd op 9 april van het jaar 202 de heuglijke gebeurtenis van de decennalia van Severus’ heerschappij gevierd. De decennalia van Severus waren van bijzondere aard en werden door Chastagnol reeds grondig bestudeerd.[207] Sinds Augustus vierden keizers jaarlijks de dag waarop zij het imperium voor het eerst ontvangen hadden, de dies imperii, dit gaf aanleiding tot festiviteiten verspreid over het Rijk. De dag waarop zij het voor de tiende maal (decennalia) en voor de twintigste maal (vicennalia) ontvingen gaf aanleiding tot grootsere festiviteiten, vooral in Rome.[208] Het evenement vond plaats kort na de aankomst van de keizers in Rome, na een 2-jarig verblijf in het oosten, hetgeen bewijst dat de festiviteiten minutieus werden gepland en dat ze reeds langere tijd in Rome waren voorbereid, zelfs in afwezigheid van de keizer. Er werden munten uitgevaardigd met legendes en afbeeldingen die naar de plechtigheden verwezen.[209] Het is opvallend dat al deze munten geslagen werden in het jaar zelf van de viering. Daarbij is er een breuk met de praktijk van voorgaande keizers, sinds Antoninus Pius, waarbij er in de loop van de volgende twee jaren “herdenkingsmunten” verschenen. Dit alles wijst erop dat de gebeurtenis grondig was voorbereid. Severus bracht een aantal innovaties die aantonen dat hij een grotere waarde heeft willen geven aan het evenement dan zijn voorgangers en dat hij er een hoogtepunt heeft van willen maken van zijn regering. En deze innovaties werden in latere perioden behouden en soms zelfs uitgebreid. [210]

 

            Cassius Dio maakte als senator de plechtigheden en festiviteiten mee en levert een levendig verslag.[211] Dankzij zijn ooggetuigeverslag zijn we veel beter geïnformeerd over deze decennalia dan over alle voorgaande. Ter gelegenheid van het feest deed Severus een enorme geldschenking aan het plebs frumentaria en de pretoriaanse garde. Aan elk werd tien goudstukken geschonken, goed voor een fenomenaal bedrag van 200 000 000 HS. Geen enkele keizer had hem een dergelijke schenking voorgedaan.[212] 200 000 mensen werden er dus door begunstigd, met inbegrip van 15 000 pretorianen. Herodianus vermeldt enkel dat Severus een “gulle gelduitdeling deed”.[213] De munten die dienden voor de uitdeling, zijn types die expliciet naar het evenement verwijzen. Ze werden geslagen vóór het feest, zodat ze op de dag van het jubileum konden worden uitgedeeld. Ook dit is opmerkelijk, gezien voorgaande keizers dergelijke munten pas na het jubileum zelf uitvaardigden.[214] Er werden ook grootse spelen gehouden op kosten van de keizer en van Plautianus, de pretoriaans prefect. Volgens Dio werden er daarbij op 7 dagen tijd wel 700 wilde dieren gedood, waaronder een aantal zeer exotische.[215] Dio wil hier dus benadrukken dat door Severus kosten noch moeite werden gespaard om het spektakel grootser te maken dan alle voorgaande. De enorme geldschenking aan het volk werd gedaan in naam van beide keizers; ook Caracalla nam er dus aan deel en dit komt tot uiting in de muntslag.[216] De grote gelduitdeling ter waarde van een enorm bedrag kan mogelijk beschouwd worden als een daad die Caracalla beïnvloedde in die zin dat hij later tijdens zijn alleenheerschappij eveneens royale schenkingen heeft gedaan, met name aan de pretorianen en het leger. De idee dat dergelijke royale schenkingen niet alleen mogelijk, maar voor het leger zelfs noodzakelijk zijn zal hij ontleend hebben aan zijn vader.[217]

           

Severus wou aan de feesten nog een grotere proportie geven door gelijktijdig nog twee heuglijke gebeurtenissen te vieren, die op zich al aanleiding konden geven tot festiviteiten. Men vierde namelijk gelijktijdig met de decennalia de triomftocht van de keizer voor de overwinningen tegen de Parthen, evenals het huwelijk van Caracalla met Plautilla.[218] De triomftocht wordt kort vermeld door Cassius Dio en Herodianus. Laatstgenoemde schrijft dat de keizer in triomf werd ontvangen door het Romeinse volk en dat er spelen werden gehouden ter ere van zijn overwinningen.[219] Dio vertelt dat er grootse spelen werden gehouden om niet alleen de tiende verjaardag van zijn dies imperii te vieren, maar ook zijn terugkeer als overwinnaar na een aantal militaire successen. [220] In de Historia Augusta vinden we nog een aantal bijkomende details, waarvan een aantal toch van twijfelachtige waarde zijn. Volgens de auteur, of zijn bron, bood de senaat Severus bij terugkeer een triomftocht aan, die hij echter weigerde omwille van het feit dat hij leed aan artritis. Daardoor zou het voor hem onmogelijk geweest zijn om langere tijd recht te staan in de koets.[221] Het is onwaarschijnlijk dat zo’n triomftocht niet zou doorgaan omwille van die reden; de tocht zou toch hebben plaatsgevonden.[222] Immers is het ook duidelijk dat alle plechtigheden minutieus waren voorbereid, reeds lange tijd op voorhand. Volgens dezelfde auteur kreeg ook Caracalla van de senaat een triomftocht voor een overwinning op Judea. De reden lijkt eerder vreemd gezien de doortocht van het leger door Palestina vreedzaam was verlopen, wel is het vrij zeker dat hij deelnam aan de tocht voor de Parthische overwinningen. In dit opzicht is het mogelijk dat Caracalla tijdens de triomftocht de plaats innam van Severus in de koets en dat deze te paard naar het Capitool trok, alsof hij een ovatio of een kleine triomftocht hield, zoals de Historia Augusta aangeeft.[223] Severus liet bewust de triomftocht plaatsvinden op de dag van de decennalia, en dit was nooit tevoren gebeurd.[224] Caracalla nam vrijwel zeker deel aan de triomftocht en deelde in de eer van de overwinning met net als zijn vader de “Parthicus Maximus”-titel. Reeds in 201 waren er van Caracalla al munten verschenen met deze titel en in 202 kwam er nog een serie. [225]

 

Tijdens de feesten stond de “domus divina” centraal, maar het is waarschijnlijk dat de hoofdrollen vervuld werden door Severus en Caracalla. Caracalla was nu immers sedert 4 jaar officieel volwaardig mederegent met reeds een zekere mate van ervaring die hij had opgedaan op de reizen in het oosten. Zijn amper 1 jaar jongere broer zal bij deze gebeurtenissen wellicht meer in de schaduw vertoefd hebben. Hij was wel Caesar en princeps iuventutis, maar stond duidelijk op een lager niveau als Caracalla, die reeds Augustus was en expliciet als actieve medekeizer werd gelauwerd. Hij bevond zich op een voorlopig hoogtepunt in zijn leven en blaakte ongetwijfeld van zelfvertrouwen. Wij menen dat de positie Caracalla een superioriteitsgevoel kan gegeven hebben ten opzichte van zijn broer; een gevoel dat hij later, wanneer zij als evenwaardige regenten worden ingesteld, niet zal kunnen opgeven en zal resulteren in een drang tot broedermoord.

Met de plechtigheden streefde Severus naar een definitieve bevestiging van het dynastieke principe ten gunste van zijn familie. Alle Antonijnse keizers hadden hun jubileum kunnen vieren, maar sedert Pertinax waren de opeenvolgende regimes van zeer korte duur geweest, tekenend voor hun zwakke politieke macht. Voor Severus betekende het opnieuw kunnen vieren van de decennalia een terugkeer naar de politieke stabiliteit en het verzekeren van de continuïteit met het vestigen van een dynastie als opvolger van de Antonijnse dynastie.

 

b) Het huwelijk tussen Caracalla en Plautilla

 

De bijzondere positie van Plautianus in verhouding tot de “domus divina” blijkt onder andere uit het feit dat Severus aandrong op een huwelijk tussen Caracalla en P.Fulvia Plautilla, de dochter van C.Fulvius Plautianus. Waarschijnlijk in de lente van het jaar 201 vond de verloving plaats, want in 202 verscheen er al een munt die het huwelijk herdacht.[226] In tegenstelling tot haar vader, speelde Plautilla slechts een geringe rol van betekenis en was ze meer een speelbal van de gebeurtenissen. Er is dan ook weinig geweten over deze vrouw.[227]

 

Ook het huwelijk tussen Caracalla en Plautilla, de dochter van Plautianus werd bewust met grote pracht en praal gevierd op dezelfde dag als de decennalia en Cassius Dio maakte het huwelijk en de bijhorende feesten mee. Plautianus leverde een gigantische bruidschat, genoeg voor 50 vrouwen van koninklijke status. Dio zag de talrijke geschenken gedragen worden van het Forum naar het paleis, waar hij samen met de andere senatoren mocht deelnemen aan een groots banket.[228] Het is eveneens de eerste keer dat de huwelijksplechtigheid van een prins-erfgenaam geplaatst werd op dezelfde dag als de decennalia. [229] En dit om van het evenement een nog grootsere en heuglijkere gebeurtenis te maken.

 

Plautilla werd tijdens de plechtigheden officieel tot Augusta verheven.[230] Via het huwelijk hadden Severus en Plautianus de banden tussen hun families versterkt; zij vormden nu samen één grote keizerlijke familie. De promotie van Plautilla tot Augusta versterkte die banden nog en vormde ook een verdere bevestiging van Severus opvolgingsplannen. Deze plannen hadden voorlopig in de eerste plaats betrekking op Caracalla en door hem van een “keizerin” te voorzien werden die plannen nog beklemtoond. Het is immers wenselijk dat een keizer ook een keizerin naast zich heeft. In de muntslag werd duidelijk aangegeven dat het huwelijk stabiliteit en eendracht zou brengen binnen de “domus divina”.[231] Daarmee wou Severus ook benadrukken dat de toekomst van het Rijk verzekerd was met, dankzij het huwelijk met de hoop op een uitbreiding van de dynastie.

 

            Caracalla trad dus in het huwelijk met Plautilla, de dochter van de zeer machtige Plautianus. Hoewel in de muntslag gepropageerd werd dat het een gelukkig huwelijk was, beweren de antieke historiografen dat dit geenszins het geval was.[232] Dio en Herodianus geven duidelijk aan dat Caracalla geen affectie had voor Plautilla en dat hij helemaal niet was opgezet met het huwelijk. Dio zegt dat Caracalla walgde van Plautilla en noemt haar bovendien een schaamteloos wezen.[233] Er lijkt dus een gerucht de ronde te hebben gedaan onder de senatoren dat Plautilla er een schandelijke levensstijl op nahield. Daar kan een kern van waarheid in zitten; het is immers mogelijk dat Plautilla als dochter van, naast de keizers, de machtigste figuur van het Rijk zich verwend gedroeg en zich heel wat permiteerde. Haar mentaliteit kan ook gevoed zijn door haar vader die haar zeer sterk waardeerde zoals onder andere blijkt uit de enorme bruidschat die hij aan Plautilla meegaf. Dio’s oordeel over Plautilla kan uiteraard ook gebaseerd zijn op roddel en kwaadsprekerij, vooral gezien de antagonistische houding die deze auteur aannam ten aanzien van Plautianus. Het is mogelijk dat Plautianus zijn dochter sterk afschermde van de buitenwereld, zoals hij volgens Dio ook zijn echtgenote zeer sterk afschermde en haar verbood met anderen te spreken of door anderen gezien te worden.[234] Een dergelijke afscherming kan het ontstaan van zulke roddels gevoed hebben, bij die groepen van mensen die de oppermachtige Plautianus verafschuwden, waartoe de senator Cassius Dio zeker behoorde. Verdere kwaadsprekerij lijkt mij Dio’s bewering dat Plautianus meende dat zijn dochter enkel eunuchen als dienaars diende te hebben en dat hij daartoe 100 adelijke Romeinse mannen had laten castreren.[235] Maar deze “leugen” kan er wel op wijzen dat Plautianus zijn dochter sterk afschermde. Het schandelijk gedrag waarover Dio spreekt kan ook later, na haar huwelijk opgetreden zijn, maar we zijn toch meer geneigd de uitspraak te beschouwen als laster van de antagonistisch ingestelde auteur.

 

Volgens Herodianus was hij zeer vijandig tegenover Plautilla en haar vader omdat het huwelijk onder dwang gebeurde en niet uit vrije wil. Hij weigerde met haar te eten of te slapen en dreigde regelmatig dat hij haar en haar vader zou vermoorden eens hij de alleenheerschappij zou verworven hebben.[236] Herodianus stelt de zaken hier ongetwijfeld overdreven en dramatischer voor, maar dat het huwelijk een mislukking was is zeker, gezien de latere scheiding en verbanning (en nog later de terechtstelling) van Plautilla.[237] Het feit dat het huwelijk, zoals alle huwelijken bij de Romeinen geregeld, en dus gedwongen was vormde mogelijk een reden voor Caracalla om ontevreden te zijn. Dio geeft verder ook aan dat er heel wat andere prominente maagden werden afgewezen voor het huwelijk, hetgeen mogelijk Caracalla’s gevoelens van gedwongenheid heeft versterkt.[238] Het feit dat Caracalla nog zeer jong was toen het huwelijk werd voltrokken (hij was op 4 april 14 jaar geworden) zal zeker bijgedragen hebben tot de zwakke basis van het huwelijk, waar de affectie ver te zoeken was. Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat een dergelijk huwelijk kinderen heeft voortgebracht, als er überhaupt al seksuele betrekkingen zouden hebben plaatsgevonden.[239]

 

            Het is vrij duidelijk dat het huwelijk tussen Caracalla en Plautilla geregeld werd door Severus en Plautianus, waartoe ze diverse motieven kunnen hebben gehad. Voor Severus vormde het een verdere uitbreiding van zijn dynastieke politiek door de jonge Augustus ook te voorzien van een Augusta. Voorlopig had die politiek openlijk vooral betrekking op Caracalla. Andere motieven speelden zeker ook mee. Zo zou het huwelijk de banden tussen Severus en zijn grootste vertrouweling nog versterken. Plautianus zou nu ook als schoonvader van de toekomstige keizer permanent gebonden worden aan de keizerlijke familie. Mogelijk geloofde hij dat hij zijn invloed die hij steeds bij Severus had gehad misschien kon doorzetten in de toekomst bij Caracalla. Het huwelijk bracht ook een verbinding met zich mee van de vermogens van Severus’ familie en die van Plautianus, hetgeen ook een belangrijke motivatie kan geweest zijn. Voor Severus was ook de enorme bruidschat die Plautianus meegaf aan zijn dochter interessant. Verscheidene motieven zullen dus een rol gespeeld hebben bij de regeling van het huwelijk; liefde tussen Caracalla en Plautilla hoorde daar zeker niet bij.

 

c) Plautianus: ”De 4e Caesar”:

 

Caracalla haatte Plautianus en vermoordde hem uiteindelijk. Een belangrijke reden was ongetwijfeld diens enorme machtspositie als vriend en vertrouweling van zijn vader en de mogelijke beperkingen die dit meebracht voor de macht van Caracalla

 

C.Fulvius Plautianus was net zoals Septimius Severus afkomstig uit Leptis Magna in de provincie Africa. Hij was vermoedelijk verwant met Fulvia Pia, de moeder van de keizer. Het is waarschijnlijk dat Septimius Severus en Plautianus een deel van hun jeugd samen hebben doorgebracht en zij sindsdien een vriendschap onderhielden.[240] De Historia Augusta geeft letterlijk aan dat zij goede vrienden waren. [241] Herodianus vermeldt zelfs een gerucht dat Severus en Plautianus in hun jeugd geliefden zouden zijn geweest.[242] Men moet dit soort verhalen niet al te snel als volstrekt ongegronde roddels terzijde schuiven en zo’n relatie is in de Romeinse wereld zeker niet ongewoon.

Voor de keizer was het belangrijk om de sleutelposten in het Rijk te bemannen met trouwe aanhangers. Daarom maakte Severus sterk gebruik van landgenoten en verwanten, zowel Syrische van Iulia’s familie als Afrikaanse van de eigen familie. Plautianus was als landgenoot, verwant en boezemvriend Severus’ grootste vertrouweling en hun bijzondere relatie bracht Plautianus’ enorme machtsuitbouw met zich mee . Hun bijzondere relatie verklaart ook waarom Severus een gedrag van Plautianus accepteerde dat hij van niemand anders tolereerde.[243]

 

            Als gevolg van de damnatio memoriae ging heel wat informatie over Plautianus’ vroege carrière verloren. Het begin van zijn equestrale loopbaan is niet gekend; vermoedelijk was hij achtereenvolgens praefectus vehiculorum en procurator XX hereditatium. De weg naar de macht was verbonden met die van zijn vriend en landgenoot Severus, toen die tot keizer werd uitgeroepen. Vanaf 195, en misschien zelfs al vanaf 193 was hij in Rome praefectus vigilum.[244] En in197 was hij zeker praefectus praetorio en clarissimus vir.[245] Severus benoemde hem tot prefect zonder collega en dit was zeer uitzonderlijk en tekenend voor de bijzondere positie van Plautianus. Later nam Severus Plautianus door de procedure van adlectio op in de ordo senatorius en benoemde hem tot consul voor het jaar 203, met de broer van de keizer, Geta, als collega.[246] Ook dit wijst op de enorm goede relatie tussen Severus en Plautianus; Plautianus was als het ware familie (mogelijk was er een verre verwantschap tussen beide) en werd ingeschakeld in Severus’ politiek om familieleden belangrijke benoemingen te verlenen. Ondertussen overlaadde hij zijn vriend met eretitels, die wezen op zijn bijzondere positie en die hem verbonden aan de “domus divina”.[247] Eerst kreeg hij de titels van amicus en necessarius van de keizers.[248] De eerste had de waarde van een hoftitel, de tweede verwees naar de oude familiebanden uit Leptis Magna. Later, na de verloving tussen Caracalla en Plautilla, kreeg Plautianus in openbare eerbewijzen de titel van socer et consocer Augustorum, die verwijst naar de nieuw gevormde familieband met Caracalla. [249] Met het huwelijk werd zijn dochter ook verheven tot Augusta, waarmee hun lidmaatschap van de “domus divina” nog sterker werd beklemtoond. Hij was nu immers schoonvader van de keizer-opvolger en vader van zijn keizerin en dus formeel lid van de keizerlijke familie.

 

In de Historia Augusta wordt Plautianus voor het eerst vermeld in het kader van de beginfase van de burgeroorlog, waarbij hij van Severus de opdracht kreeg Niger’s nakomelingen te ontvoeren.[250] Als we dit bericht voor waar kunnen aannemen wijst dit onmiddellijk op een vroege vertrouwensrelatie tussen beiden, waarbij Plautianus een geheime en zeer vertrouwelijke taak toegewezen kreeg. Tijdens Severus’ afwezigheid doorheen de eerste fasen van de burgeroorlog was hij de belangrijkste man die instond voor de verdediging van Rome. Vanaf de oorlog tegen Albinus week hij niet meer van Severus’ zijde en vergezelde hij hem op al zijn veldtochten. In inscripties zien we dit duidelijk waar hij voorkomt als comes per omnes expeditiones  .[251]  Hij reisde dan ook mee met de keizerlijke familie naar het oosten, voor de Parthenoorlog.[252]

 

De enorme vertrouwens- en machtspositie van Plautianus blijkt uit de bronnen, vooral Cassius Dio geeft veel informatie. Of die informatie als betrouwbaar kan beschouwd worden, is een andere vraag want in Dio’s werk blijkt voortdurend de negatieve houding van de auteur ten aanzien van Plautianus: Hij schreef met dezelfde haat over Plautianus, als hij over Caracalla heeft geschreven. Hij stelt letterlijk dat Severus verantwoordelijk was voor de grote macht van Plautianus, in die mate dat het leek alsof Severus prefect was en Plautianus keizer. In een brief werd hij zelfs eens geadresseerd als “de 4e Caesar”. [253] Hij was de invloedrijkste en machtigste persoon in het rijk, zijn macht evenaarde zelfs die van de keizers zelf. Als oppermachtig prefect was hij verantwoordelijk voor de terechtstelling van vele prominenten.[254]  Onder de officieren van de pretoriaanse wacht liet hij er veel degraderen, “want het was zijn ambitie om niet alleen de enige prefect te zijn, maar ook permanent prefect te zijn”. In 199, kort nadat Severus Aemilius Saturninus tot mede- pretoriaans prefect had benoemd liet Plautianus zijn collega meteen vermoorden, zodat hij praefectus praetorio zonder collega bleef tot zijn dood in 205.[255] Dit is zeer opmerkelijk en tekenend voor de enorme vertrouwenspositie die hij genoot en de macht die dit hem gaf. Hij organiseerde ook de jacht op overlevende aanhangers van Niger, waarbij ongetwijfeld velen werden terechtgesteld.[256] En het is waarschijnlijk dat Plautianus onder het voorwendsel van deze jacht een aandeel had in de moord op Iulius Laetus bij de belegering van Hatra in 198[257], hoewel de bronnen aangeven dat Severus hem liet vermoorden omdat hij te populair was geworden bij de troepen. [258] Een ander prominent slachtoffer van Plautianus was de goeverneur van Hispania Citerior, Ti.Claudius Candidus, die van grote waarde was gebleken voor Severus tijdens de burgeroorlogen en die de repressie had geleid tegen de overwonnen tegenstanders in verschillende delen van het Rijk.[259]

 

Door de vele terechtstellingen en degradaties was het nodig de vacatures op te vullen en op dat vlak had de benoeming van Plautianus tot praefectus praetorio belangrijke gevolgen. De aantrekking en benoeming van de hoge ambtenarenposten in het keizerlijke hof behoorde immers tot het uitgebreide takenpakket van de gardeprefect. Plautianus gebruikte die bevoegdheid om een groot aantal Afrikanen op hoge posities te plaatsen. Uiteraard kon ook Severus personen naar voor schuiven.[260] Het is waarschijnlijk dat Plautianus met zijn talrijke benoemingen zich enorm verrijkte en zich verzekerde van een loyale achterban. Hij gebruikte zijn macht ook om bepaalde personen in hun loopbaan te belemmeren, zoals bijvoorbeeld bepaalde familieleden van de keizerin met wie Plautianus achter de schermen een strijd voerde.[261]

 

Het beeld dat van Plautianus in de bronnen naar voor komt is wel duidelijk gekleurd, in die zin dat het eenzijdig negatief is. Mogelijk is dit een gevolg van de sterke keizerlijke propaganda die er werd gevoerd na de dood van Plautianus en die hem tot zondebok had gemaakt. Deze propaganda was dan zo geslaagd dat ze een weerslag kreeg in de getuigenissen over de gebeurtenissen. Heel wat zaken vormen ook duidelijk geruchten en roddels; men kan moeilijk bepalen wat er van waar is. Het eenzijdige beeld in de bronnen betreft dat van een wreedaardige machtswellusteling, een vertrouwensman en vriend van de keizer die als dusdanig een ongekende macht had. Hij was als vertrouweling van alles op de hoogte van wat Severus zei en deed, terwijl hij volgens Dio zelf geheimen had waar niemand, zelfs de keizer niet van op de hoogte was. [262] Hij was ook zeer ambitieus en zeer hebzuchtig en ging niets of niemand uit de weg om zijn doelen te bereiken.[263] Herodianus vermeldt dat Severus Plautianus quasi in de macht liet delen en hem de bezittingen van de veroordeelden schonk en Plautianus misbruikte deze enorme macht om tal van wreedheden te begaan, zodat hij een van de meest gevreesde prefecten was aller tijden.[264] Hij beweert dat Plautianus in het openbaar steeds werd voorafgegaan door een gewapende escorte die niemand toeliet Plautianus te benaderen of zelfs te bekijken en dat dit ook door niemand werd aangedurfd.[265] Hij bezat meer rijkdom dan wie dan ook en ontving zelfs meer geschenken dan Severus.[266] Hij werd persoonlijk geëerd door de senaat en door de troepen, evenals door het keizerlijk personeel. Zijn portretten en standbeelden waren talrijker en grootser dan die van de keizers en ze werden over heel het rijk opgericht, niet alleen door individuen, maar ook door de senaat. [267] Het is duidelijk dat de antieke historiografen de zaken hier sterk overdrijven en dit vanuit hun negatieve houding ten aanzien van Plautianus. Dio stelt het zelfs zo sterk dat Severus vrijwel bad tot de goden om door Plautianus opgevolgd te worden als keizer en hij schreef in een brief dat hij de hoop koesterde eerder te sterven dan zijn vriend.[268] Indien dit effectief de indruk was die de senator had, dan moet dit zorgen gebaard hebben voor Caracalla, zoals later is gebleken.

 

Als senator en dus als bevoorrecht getuige vertelt Cassius Dio verschillende anekdotes die verder wijzen op Plautianus’ bijzondere macht. Toen Plautianus te Tyana getroffen werd door een ziekte en Severus hem wou bezoeken, werd dit pas toegestaan op voorwaarde dat de keizerlijke escorte hem niet mee zou begeleiden. Of toen Severus in een moment van vrije tijd vroeg aan de verantwoordelijke medewerker om een aantal hangende zaken voor te leggen weigerde deze dit te doen, zeggende dat Plautianus hem daartoe het bevel niet had gegeven.[269] Deze anekdote toont niet alleen aan dat Plautianus belast was met een belangrijk deel van Severus’ juridische activiteiten, [270] maar ook dat hij zich machtig genoeg voelde om dit als zijn persoonlijke terrein te beschouwen en het zelfs af te schermen voor de eigenlijke keizer. Severus liet volgens Dio ook toe dat Plautianus steeds resideerde in grootsere verblijven dan hemzelf en dat hij meer en  extravaganter voedsel at. Dio geeft verder nog een reeks voorbeelden die erop zouden moeten wijzen dat Plautianus een zeer verachtelijk persoon was met een verachtelijke en extravagante levensstijl, maar die kunnen vrijwel zeker als kwaadsprekerij beschouwd worden en wellicht niet gebaseerd op ware feiten. [271]

 

 

d) De gespannen verhoudingen binnen de keizerlijke familie

 

De enorme macht van Plautianus zorgde voor gespannen verhoudingen binnen de keizerlijke familie. Vooral de verhoudingen tussen Iulia Domna en Plautianus enerzijds en Caracalla en Plautianus anderzijds waren gespannen. Uiteindelijk zou ook zijn relatie tot Severus, die steeds zeer vriendschappelijk was geweest, gespannen worden en dit heeft Caracalla’s plan Plautianus ten gronde te richten vergemakkelijkt. Volgens Cassius Dio  haatte Plautianus Iulia en behandelde hij haar vaak op een schandalige manier. Hij trachtte haar reputatie bij Severus kapot te maken door haar voortdurend te misprijzen. Daarbij liet hij haar gedrag onderzoeken en verzamelde hij bewijzen tegen haar persoon, vaak door het martelen van andere adellijke vrouwen. Het gevolg was dat Iulia het strijdtoneel ontvluchtte en haar toelegde op de studie van filosofie in de kring van sofisten.[272] Binnen die kring werd ze een groot liefhebster van de rhetorica en woonde ze vele rhetorische voorstellingen bij.[273] Het is goed mogelijk dat ook dit bericht van Dio gebaseerd is op kwaadsprekerij en niet op ware feiten. Maar er zijn aanwijzingen dat er inderdaad een verstoorde relatie was tussen Iulia Domna en Plautianus en dat zij als gevolg daarvan meer naar de achtergrond verdween. Zo kan men daar een aanwijzing voor vinden in de muntslag na 203. Hoewel er geen definitief bewijs is dat Plautianus een invloed uitoefende op Iulia’s muntslag, valt het toch op dat het aantal nieuwe munttypes tot de val van de prefect in 205 vrij klein is.[274]

 

Halfmann heeft bij de studie van de loopbanen van een aantal familieleden van Iulia nog verdere aanwijzingen gevonden van een verstoorde relatie tussen de keizerin en Plautianus. Hij heeft vastgesteld dat een aantal familieleden belemmerd werden in de uitbouw van hun loopbaan en hij wijt dat aan de vijandschap van Plautianus. Goede voorbeelden vormen C. Iulius Avitus Alexianus, de echtgenoot van Iulia Maesa die de zus was van Iulia Domna en Sex.Varius Marcellus, de echtgenoot van Iulia Soaemias Bassiana die een dochter was van Iulia Maesa en Iulius Avitus.[275] Hun loopbaan werd onderzocht door Halfmann[276], die vaststelde dat zij in de aanvankelijk vlotte uitbouw van hun loopbaan, later door Plautianus werden gehinderd. In de periode dat de spanningen tussen de prefect en de keizerin hoog opliepen kenden zij een ambtloze tijdspanne. Na de val van Plautianus werden zij echter “gerehabiliteerd” in de Severische familiepolitiek; waarbij zij later nog belangrijke taken kregen toegewezen, onder meer onder Caracalla.[277] Terwijl hun echtgenoten door Plautianus in de uitbouw van hun loopbaan werden belemmerd, ondervonden de “Syrische princessen”, die verbleven in het paleis[278], waarschijnlijk dezelfde pesterijen en tegenwerking als Iulia Domna.[279]

 

Zwalve heeft een andere interessante veronderstelling naar voor geschoven over de oorzaak van de twist tussen Iulia Domna en Plautianus. Beiden zouden een verschillende invloed gehad hebben op Severus wat betreft diens opvolgingspolitiek. Iulia Domna zou zich reeds van bij het begin samen met Severus bezig gehouden hebben met de opvolgingskwestie en er bij haar man steeds voor geijverd hebben een erfopvolging door beide zoons voor te bereiden. Severus zou echter een erfopvolging door Caracalla geprefereerd hebben. Plautianus zou op Severus’ ware verlangen ingespeeld hebben door juist Caracalla te laten huwen met zijn dochter Plautilla. Daarover zou Iulia zeer ontevreden geweest zijn en daardoor verdween zij meer en meer op de achtergrond .[280]  Zwalve’s bewering dat Iulia Domna steeds geijverd had voor een erfopvolging kan onvoldoende ondersteund worden door de bronnen en de auteur citeert er ook geen. De enige passage die erop zou kunnen wijzen dat Iulia Domna er bij haar man voor ijverde om een dubbelheerschappij van zijn twee zoons voor te bereiden vinden we in de Geta-biografie in de Historia Augusta, die van geringe waarde is. Toen Severus Caracalla’s naam veranderde in M.Aurelius Antoninus zou Iulia haar man erop gewezen hebben dat hij ook aan Geta die naam diende te geven, zodat ook hij de kans zou hebben om later te regeren.[281] Wij menen dat dit bericht eerder onbetrouwbaar is en het gebaseerd is op het misverstand van de biograaf dat Geta Iulia’s natuurlijke zoon was, en Caracalla haar stiefzoon, uit Severus eerste huwelijk.[282] Pas vanaf 211 zien we Iulia optreden als de moeder die verzoenend optreedt om de harmonie tussen haar zoons te verbeteren en de dubbelheerschappij in stand te houden.[283] Men kan dus niet met zekerheid zeggen dat zij tevoren al bij haar man ijverde voor een opvolging door beide zoons en zij een sterk voorstandster was van een dubbelheerschappij. Maar het vormt wel een interessante hypothese. Maar de stelling dat enkel de opvolgingskwestie leidde tot een wig in de keizerlijke familie lijkt ons overdreven: het is beter te zeggen dat de enorme invloed van Plautianus over Severus leidde tot een te grote macht voor Plautianus in het algemeen. Over die te grote macht in het algemeen en niet specifiek over de opvolgingskwestie groeide er tussen Iulia en Plautianus een diepe ruzie. De wig binnen de keizerlijke familie vergrootte verder doordat Plautianus zijn macht steeds meer ging gebruiken tegen Iulia, door bijvoorbeeld, zoals Dio aangaf, haar te laten bespioneren op schandelijk gedrag en haar te tergen. Of bijvoorbeeld door haar familieleden te belemmeren in de uitbouw van hun loopbaan.

 

De gespannen verhouding tussen Iulia Domna en Plautianus speelde waarschijnlijk ook een rol in de vijandige houding van Caracalla ten aanzien van zijn schoonvader. Maar er zijn meerdere factoren op te noemen die de vijandige houding kunnen hebben teweeg gebracht.[284] We kunnen vermoeden dat Caracalla’s ontevredenheid over het huwelijk met Plautilla een rol kan hebben gespeeld in die vijandige houding.[285] Hoewel het omgekeerde ook mogelijk is in die zin dat zijn tevoren reeds vijandige houding ten aanzien van Plautianus hem ertoe heeft gebracht eenzelfde houding aan te nemen ten aanzien van Plautilla. Een ander element dat Caracalla zeker zorgen baarde was de uitzonderlijke machtspositie van Plautianus als Severus’ vertrouweling en als pretoriaans prefect, zonder collega. Deze macht was zo groot dat Caracalla mogelijk vreesde dat Plautianus zijn erfopvolging in gevaar kon brengen. Bovendien vormde Plautianus als opvoeder een voortdurende rem voor Caracalla in diens gedragingen en uitspattingen, zodat de irritatie daaromtrent bij de jonge keizer groot moet geweest zijn. In een latere fase ging Plautianus zich meer en meer bemoeien met Caracalla’s zaken zodat de situatie uiteindelijk ondraaglijk werd voor de impulsieve knaap.[286] Doorheen deze dissertatie zal blijken dat Caracalla moeilijkheden had met verschillende personen die een opvoedende rol speelden en zijn gedrag controleerden. Tot op het moment dat hij zich uiteindelijk keerde tegen deze opvoeders.[287]

 

            Caracalla had dus redenen om Plautianus te haten. De situatie was onhoudbaar geworden: Plautianus moest van het toneel verdwijnen.

 

e) Het einde van Plautianus:

 

- Het bezoek van de keizerlijke familie aan Africa

 

            Na de decennalia vertrok de keizerlijke familie naar Africa. Ook Plautilla en Plautianus reisden mee als leden van de “domus divina”. Er werd in de loop van 202-203 overwinterd in Leptis Magna, de stad van herkomst van zowel Severus als Plautianus. [288] Plautianus en Geta, de oudere broer van de keizer betraden samen het consulaat in hun thuisstad.[289] Plautianus werd daarbij onmiddellijk “consul II”, hoewel hij tevoren enkel de ornamenta consularia had ontvangen, de uiterlijke eretekens verbonden met de consulaire rang. De ornamenta waren hem eerder verleend met het oog op het later bekleden van het consulaat, zodat het een consulair ordinariaat betrof dat met terugwerkende kracht als “tweede” consulaat bestempeld werd. Het ging om een bijzonder eerbetoon: Plautianus’ verbondenheid met de keizerlijke familie was versterkt door het huwelijk van zijn dochter met de troonsopvolger en Severus wou door de prefect samen met zijn broer het consulaat te laten betreden tijdens het verblijf in hun gemeenschappelijke thuisstad Leptis deze verbondenheid nog versterken. [290] Bovendien was het bijzonder dat Plautianus ook nà zijn opname in de senaat en nà het bekleden van het consulaat in 203, prefect van de pretoriaanse garde bleef.[291] Tijdens het verblijf in Africa blijkt nogmaals Plautianus’ machtige positie uit het feit dat er talrijke ere-inscripties aan hem gewijd werden.[292] Ook zijn dochter werd geëerd als vrouw van Caracalla, als Augusta en als lid van de “domus divina”.[293]

 

Het is tijdens het verblijf in Africa dat er een incident moet hebben plaatsgehad, dat ertoe leidde dat er barsten kwamen in de enorme machtspositie van Plautianus als vertrouweling van de keizer. Om de een of andere reden viel Plautianus in ongenade bij Severus. Het gebeurde wordt verteld door Dio en door de auteur van de Historia Augusta en dit op verschillende wijze. Volgens Dio was Severus ontevreden geworden over het feit dat er enorm veel portretten waren gemaakt van Plautianus, zodat hij besliste om er een aantal van te versmelten.[294] De Historia Augusta legt uit dat hij voornamelijk woedend was dat Plautianus zijn standbeeld had geplaatst tussen de standbeelden van Severus’ familie. [295] Het gevolg was dat er zich een gerucht verspreidde over het Rijk dat de prefect van zijn voetstuk was gevallen en dat hij omgekomen was. Bijgevolg besloten een aantal overhaastige provinciegouverneurs, waaronder de gouverneur van Sardinia, Racius Constans, om eveneens zijn portretten te vernietigen; een beslissing waarvoor zij later werden bestraft.[296] De Historia Augusta beweert zelfs dat Severus Plautianus aanvankelijk tot staatsvijand liet uitroepen, maar dat hij dan op zijn stappen terugkeerde.[297] Dit lijkt sterk overdreven. Birley meent ook dat de Historia Augusta het gebeurde hier fout heeft geïnterpreteerd. Het is aanvaardbaar dat Severus sommige “provocaties” van Plautianus kon dulden, in de rest van het Rijk, maar niet in Leptis Magna, waar Severus duidelijk wou stellen dat hij en niet Plautianus de grootste was die Leptis had voortgebracht. Tijdens het verblijf in Africa moet de sfeer binnen de keizerlijke familie zeer gespannen geweest zijn, met een grote vijandigheid tussen Caracalla en zijn vrouw, tussen Caracalla en Plautianus en tussen laatstgenoemde en Iulia. De situatie was zeer explosief en moest barsten. Na het verblijf in Africa werd er vertrokken naar Rome, waar men vóór 10 juni 203 aankwam.[298]

 

- De “Saeculares Ludi” van Septimius Severus

 

Daar werden in de loop van het jaar 203 de laatste voorbereidingen getroffen voor de feesten en plechtigheden van de saecularia.[299] De oorsprong van deze feesten is onduidelijk en was dat ook in de Oudheid. Ze hingen samen met de cultus van het Mars- veld en ze werden normaliter gehouden om de 110 jaar, de Etruskische saeculum volgend. [300] Augustus had de saecularia gevierd in 17 voor Christus, op een moment dat het hem politiek goed uitkwam. Het zou de 5e keer geweest zijn in het bestaan van Rome, dat deze feesten werden gehouden. De 6e saecularia zou dus moeten hebben plaatsgevonden in het jaar 94. Domitianus vierde ze reeds in 88, eveneens op een moment dat het hem gunstig uitkwam. Het jaar 204, exact twee saecula na de saecularia van Augustus, bood Severus dus de gelegenheid om dit grootse feest te vieren, als opnieuw een hoogtepunt in zijn heerschappij. Toevallig waren het de 7e in de reeks van dergelijke spelen en dit zal de bijgelovige Severus, wiens naam Septimius verwijst naar “septimus”, of “zevende”, zeker hebben geïnteresseerd. Uiteraard had het getal 7, of het aantal planeten, ook een magische betekenis. [301] Het was voor Severus opnieuw een uitstekende gelegenheid om de door hem gevestigde dynastie te vieren. De keizer had al meer dan 10 jaar geregeerd en met zijn oudste zoon als medekeizer en opvolger een stabiele toekomst verzekerd. Het huwelijk tussen Caracalla en Plautilla deed Severus waarschijnlijk zelfs hopen op een 3e generatie in zijn gevestigde keizerlijke dynastie. Dat deze hoop geen zin had is duidelijk, gezien de uiterst slechte relatie tussen de getrouwden. Seksuele betrekkingen tussen de gehuwden waren daarom vermoedelijk uitgesloten.

 

De plechtigheden begonnen op 1 juni, met offers en gebed op het Mars-veld. De keizerlijke familie werd centraal geplaatst in de diverse ceremonieën. Iulia Domna zat een heilig banket ter ere van Juno en Diana voor op het Capitool, en dit in het gezelschap van 109 andere matrona’s, 1 voor elk jaar van het saeculum. De eerste 3 dagen vervulden Severus en zijn zonen alle traditionele offer- en gebedsrituelen en werden er spelen gehouden. Telkens leidde Severus de offerplechtigheid, leidde Caracalla het gebed en zette Geta het verder.[302] Daarbij werden de traditionele formules, die door Augustus gebruikt werden in 17 voor Christus, opnieuw gebruikt. De gebeden waren net als bij Augustus gericht aan Apollo en  Diana; maar Severus betrok ook de di patrii van zijn thuisstad, Leptis Magna in de plechtigheden, namelijk Liber Pater (de god van de wijn of Bacchus) en Hercules. Daarmee bracht hij een kleine innovatie in de plechtigheden die voor de rest zoveel mogelijk de traditie trouw bleven. In de keizerlijke ideologie werden deze 2 godheden in het bijzonder geassocieerd met Caracalla en Geta, die zoals gezegd een actieve rol speelden in de rituelen en plechtigheden.[303] Deze godheden werden ook geassociëerd met Alexander de Grote en dit is niet onbelangrijk met het oog op Caracalla’s latere Alexander-manie.[304] De drie dagen met plechtigheden werden gevolgd door 7 dagen met spelen, en dit volgens de traditie van Augustus.[305]

 

Severus wou van de saecularia een hoogtepunt maken in zijn heerschappij en de feesten waren reeds lange tijd op voorhand voorbereid. Dit blijkt uit het enorme bouwprogramma dat Severus ondernam in Rome, waarbij alle werken werden voltooid vóór 204, voor het begin van de saecularia.[306] Talrijke nieuwe gebouwen werden opgericht en talrijke bestaande werden gerestaureerd en dit alles specifiek voor het komende evenement. In het bouwprogramma werd vooral aandacht besteed aan de stadsdelen waar de rituelen van de saecularia werden uitgevoerd. De werken waren reeds lange tijd vóór het feest begonnen en werden vrijwel allemaal vervolledigd kort voor het begin van de feesten. Met zijn bouwprogramma wou Severus zichzelf voorstellen als de hersteller van de Romeinse staat en wou hij zichzelf legitimeren als waardige erfgenaam van het Rijk door een architecturale aanwezigheid in de hoofdstad tot stand te brengen.[307] Met de bouwactiviteiten wou Severus benadrukken dat zijn regering stabiliteit en welvaart had gebracht. Iulia Domna speelde niet alleen een belangrijke rol in de plechtigheden maar ook in een deel van het bouwprogramma. Onder haar patronaat werd het “Aedes Vestae” gerestaureerd en werd mogelijk ook de residentie van de Vestaalse Maagden herbouwd en gedecoreerd. Er werd ook een standbeeld opgericht ter ere van Iulia, met haar titel van mater castrorum.[308] De processie liep langs de Via Sacra en dus langs deze bouwverwezenlijkingen, waarmee haar belang werd onderlijnd. In de processie zelf speelde ze een zeer actieve rol, waarvan we geen precedenten kennen bij voorgaande saecularia- vieringen. Daarmee werd de rol van Iulia Domna onderlijnd van de loyale metgezellin van de keizer en van de moeder van de staat. Langs deze Via Sacra en op het Forum waren alle prachtige bouwverwezenlijkingen van de Severische dynastie te bezichtigen en ze droegen zo bij tot de legitimatie van deze dynastie.[309] Waarschijnlijk werden de bouwactiviteiten in naam de ganse keizerlijke familie verricht , want ook van Caracalla en Geta verschenen er munttypes waarop zij voorkomen als “RESTITUTOR URBIS”[310] Dat het hele familie deelnam aan het bouwprogramma versterkte de dynastie die Severus had gevestigd.

 

- De onvermijdelijke val van Plautianus:

 

Er kwam een beslissende wending in het lot van de pretoriaans prefect toen Severus’ broer, Geta, op zijn sterfbed de keizer waarschuwde voor het gevaar dat Plautianus geworden was. Severus’ broer had in 203 met Plautianus het consulaat bekleed en had in die hoedanigheid het gedrag en de positie van Plautianus kunnen beschouwen.Volgens Dio haatte Geta de prefect en had hij hem gevreesd tot op zijn sterfbed, toen in het aanschijn van de dood deze angst verdwenen was. Geta’s waarschuwing zette Severus meteen aan tot handelen: hij liet een bronzen standbeeld oprichten voor zijn broer op het Forum en ontnam Plautianus het grootste deel van zijn macht. [311] Herodianus vermeldt enkel dat Severus van de situatie op de hoogte werd gebracht, zonder te stellen dat dit door Geta gebeurde. Plautianus werd een last en dit zette Severus aan om hem het grootste deel van zijn macht te ontnemen en hem aan te sporen zijn houding te temperen.[312] Plautianus kon dit niet aanvaarden en ontspoorde. Hij begon vooral grof op te treden tegen Caracalla, die hij verantwoordelijk achtte voor zijn degradatie. Hij haatte Caracalla reeds lang omwille van diens vijandige houding ten opzichte van zijn dochter en nu was die haat nog geïntensifieerd.[313] Deze haat was wederzijds en werd ook bij Caracalla steeds sterker doordat Plautianus zich steeds mengde in Caracalla’s zaken en hem daarbij voortdurend hinderde. Caracalla wou deze lastpost op de een of de andere manier kwijt en nam het initiatief om hem uit te schakelen.[314]

 

De uiteindelijke val van Plautianus wordt beschreven door zowel Cassius Dio als Herodianus en dit op verschillende wijze. Uiteraard bevond ook hier Dio zich van onze bronnen in de beste positie om te getuigen. Hij vertoefde in deze periode in Rome en maakte als senator dan ook de senaatszitting volgende op de val van Plautianus mee; hierover beschikken we dus over een ooggetuigeverslag.[315] Begin 205 voelde Caracalla zich sterk genoeg om een gedurfde samenzwering op touw te zetten. Hij overtuigde de keizerlijke vrijgelatene Evodus om voor het plan een beroep te doen op 3 centuriones, waarvan Dio er één bij naam noemt, namelijk Saturninus. Evodus was Caracalla’s educator en stond dus in voor zijn opvoeding van kindsaf. Op 22 januari, toen het keizerlijke huishouden net begon te dineren, kwamen de 3 centuriones bij Severus. Zij informeerden hem dat zij, samen met 7 andere centuriones, door Plautianus bevolen waren de beide keizers te doden. Daarbij lazen ze een brief voor, waarin de vermeende samenzwering bevestigd stond. Dio geeft daar meteen bij aan dat deze omstandigheden de fraude juist verraadden: immers zou Plautianus het nooit aangedurfd hebben om dergelijke instructies te geven aan 10 centuriones tegelijk, dan nog in het paleis in Rome op dat tijdstip, en zou hij daar zeker geen geschreven neerslag van gemaakt hebben.[316]

 

Toch geloofde Severus dat de informatie betrouwbaar was, zeker nadat hij de nacht tevoren gedroomd had dat Albinus nog leefde en tegen hem aan het samenzweren was.[317] Hij liet onmiddellijk Plautianus tot bij hem roepen en deze haastte zich vergezeld van zijn escorte naar het paleis. Toen Plautianus daar aankwam stelde hij tot zijn grote ongerustheid vast dat zijn escorte werd verboden om mee naar binnen te gaan en dat hij – net zoals Severus in Tyana – enkel alleen tot bij de keizers mocht komen. Hoewel dit gegeven Plautianus verontrustte ging hij toch naar binnen; er was immers geen weg terug. Toen hij bij de keizers kwam, sprak Severus hem toe op een milde toon en vroeg waarom hij de keizers wou doden? Hij liet ook Plautianus toe om te antwoorden en zichzelf te verdedigen, tot ergernis van de toekijkende Caracalla. Toen Plautianus zijn verwondering uitte over de beschuldiging en in alle toonaarden begon te ontkennen, werd de spanning Caracalla te veel. Hij stormde vooruit, ontnam Plautianus zijn wapen en sloeg hem hard met de vuist. Hij wou hem handmatig vermoorden, maar Severus hield hem tegen, waarop Caracalla het bevel gaf aan een van de aanwezige dienaars om hem te vermoorden.  Nadat Plautianus de genadeslag had gekregen nam iemand een aantal haren uit diens baard en bracht ze naar Iulia Domna en Plautilla, met de woorden: “Aanschouw jouw Plautianus!”. Beide dames waren nog niet op de hoogte gebracht van het gebeuren en de reacties waren tekenend: enorme blijdschap vanwege Iulia Domna en vanzelfsprekend enorm verdriet vanwege Plautilla. Het lichaam van de beruchte prefect werd vanuit het paleis op straat gegooid en pas later werd Plautianus op bevel van Severus begraven.[318]

 

Naar aanleiding van het gebeurde riep Severus de senaat bijeen voor een speciale zitting, die Cassius Dio als senator dan ook meemaakte.[319] Tijdens deze zitting beschuldigde hij zijn voormalige vriend niet, maar betreurde hij zoveel liefde en eerbewijzen gegeven te hebben aan een man die van menselijke aard zo zwak was. Nadat Severus een aantal senatoren had bevolen de zitting te verlaten omdat hij ze niet volledig vertrouwde, werden de drie betrokken centuriones binnen geroepen om te getuigen. Diegenen die bij Plautianus hadden aangeleund bevonden zich in direct gevaar en er vonden een aantal terechtstellingen plaats.[320] Evodus en Saturninus daarentegen werden geëerd. Later zal Caracalla beiden echter ter dood laten brengen.[321] Toen de senaat decreten wou stemmen ter ere van Evodus, hield Severus de senatoren tegen zeggende dat het schandelijk zou zijn dat een keizerlijke vrijgelatene zo verheerlijkt zou worden in een decreet van de senaat. [322]

 

Tijdens de senaatszitting, of kort erna, werd de vermeende samenzwering van Plautianus aan het licht gebracht en het gedetailleerde verhaal verspreidde zich ongetwijfeld  als een lopend vuurtje. Herodianus lijkt het verhaal vrijwel volledig aangenomen te hebben in zijn versie van het gebeuren; hoewel sommige details eerder lijken voort te komen uit de auteur zijn rijke verbeelding dan uit de keizerlijke propaganda. [323] Volgens Herodianus zette Plautianus effectief een samenzwering op touw. Hij kon niet aanvaarden dat hem een deel van zijn macht was ontnomen, nadat Severus’ houding ten aanzien van hem was veranderd, en nam de beslissing de keizers te vermoorden en de alleenheerschappij te grijpen. Daartoe schakelde hij de hulp in van de tribunus militum Saturninus, van wie hij dacht dat hij het beste te vertrouwen was. Op een avond, toen iedereen lag te slapen riep Plautianus Saturninus bij zich en stelde hem voor het moordplan uit te voeren. Daar het de beurt was aan Saturninus om de wacht te houden in het paleis, had hij de toegang tot de keizerlijke slaapkamers, waar hij de moorden kon uitvoeren. Als beloning zou hij, eens Plautianus zijn gezag gevestigd had, benoemd worden tot prefect van de pretoriaanse wacht. De tribuun zag in dat Plautianus’ plan krankzinnig was, maar huichelde, vrezend voor zijn leven, toch enthousiasme en hij vroeg en kreeg een geschreven neerslag van de instructies.[324] De tribuun realiseerde zich bovendien dat het vrijwel onmogelijk was om zowel Severus als Caracalla te vermoorden, aangezien zij sliepen in verschillende delen van het paleis. Toen hij bij het slaapvertrek van Severus kwam vroeg hij de bewakers om hem tot bij de keizer te brengen. Met het geschreven document als bewijs lichtte hij Severus in over Plautianus’ samenzwering. Omdat Severus Plautianus nog positief waardeerde geloofde hij het verhaal niet meteen. Hij vermoedde dat Caracalla een hand had in de zaak, omwille van diens haat voor Plautianus en zijn dochter. Toen Caracalla bij Severus werd geroepen en de beschuldiging werd geuit ontkende hij in alle toonaarden. De tribuun drong erop aan dat hij de waarheid sprak en stelde voor om naar Plautianus een boodschapper te sturen met de melding dat het plan was uitgevoerd. Plautianus geloofde de boodschap en vertrok naar het paleis, menende dat hij de macht in handen had. Hij nam wel de voorzorg om een harnas onder zijn kleed te dragen in het geval er een aanslag zou plaatsvinden. Toen hij aankwam stelde hij tot zijn verbazing vast dat beide keizers nog leefden en dat zij hem meteen confronteerden met het verhaal van zijn samenzwering. Plautianus verdedigde zich nog tegen de verwijten van Severus door te verwijzen naar de vele trouwe diensten die hij hem al had bewezen en de keizer begon hem zelfs te geloven... Tot op het moment dat Plautianus’ toga even afzakte en het harnas zichtbaar werd. Dit overtuigde Severus van Plautianus’ schuld en Caracalla gaf daarop het bevel aan de tribuun en een aantal andere pretorianen het bevel de prefect te doden. Het bevel werd onmiddellijk uitgevoerd en Plautianus’ lijk werd op straat gegooid.[325]

 

Zowel in het relaas van Cassius Dio als van Herodianus wordt melding gemaakt van een zekere Saturninus. Beide auteurs stellen deze Saturninus evenwel verschillend voor. Volgens Dio is het een centurio die een geringe rol van betekenis speelt in het gebeuren. Hij is slechts één van de 10 betrokken centuriones. Herodianus daarentegen kent deze Saturninus, die hij bestempelt als Syriër,[326] een hogere rang toe, namelijk die van tribunus (militum) cohortis praetoriae. Overeenkomstig deze hogere rang laat Herodianus deze tribuun ook een belangrijkere rol spelen als de centurio bij Dio, namelijk de rol van de geslepen tegenspeler van Plautianus die hem in de val weet te lokken. In tegenstelling tot Dio opereert deze Saturninus in de gebeurtenis ook alleen. Volgens Hohl hebben we in het relaas van Herodianus over de val van Plautianus te maken met een stuk historische roman waarin de auteur weinig belang hecht aan het correct weergeven van details. Herodianus heeft van Saturninus een tribuun gemaakt vanuit het eigen inzicht de gebeurtenis dramatischer weer te geven. Herodianus gaf Saturninus een hogere rang om zijn bericht over Plautianus’ rhetorische toenadering tot deze man geloofwaardiger te maken. Daarbij werd de man als beloning de post van pretoriaans prefect aangeboden en dat een tribuun deze bevordering zonder tussenstappen zou krijgen was al opmerkelijk genoeg, laat staan dat dit een gewone centurio te beurt zou vallen. Dat Herodianus ook maar één tribuun laat optreden in plaats van 10 centuriones bij Dio kan men ook zien als gedaan vanuit de wens de gebeurtenis dramatischer te vertellen door het aantal acteurs sterk te reduceren.[327]

Herodianus’ bericht dat Saturninus een Syriër was kan correct geweest zijn; het kan immers gaan over een beschermeling van Iulia Domna. Mogelijk was Iulia Domna dus betrokken bij het complot; zij had zeker goede redenen om mee te werken aan de val van Plautianus.[328] Mogelijk werd Saturninus als beloning voor bewezen diensten bevorderd van centurio tot tribuun. Dit kan bij Herodianus voor verwarring hebben gezorgd. Het is waarschijnlijk dat in de officiële versie van de keizerlijke propaganda beweerd werd dat Plautianus inderdaad een beroep deed op een tribuun en dat hij door deze werd verraden. In dat geval maakte Herodianus mogelijk de fout van de tribuun Saturninus te noemen; de naam van één van de effectief bij de zaak betrokken centuriones.[329]

 

Het verhaal van Herodianus over de samenzwering van Plautianus die tot zijn eigen ondergang leidde, stemt dus in geen geval overeen met de werkelijke gebeurtenissen. Zijn relaas is eerder gebaseerd op het feitenverloop, zoals dat in de keizerlijke propaganda werd uitgedragen en dat de auteur dan op zijn eigen, typische manier heeft herverteld. Het is ook mogelijk dat Herodianus beschikte over Dio’s relaas en er bepaalde correcte elementen uit overnam, zoals het document met het moordbevel van Plautianus, om die dan in een eigen geproduceerde context te gebruiken. In elk geval wou hij een relaas schrijven dat Plautianus tot schuldige en het strenge optreden van de keizers noodzakelijk maakte.[330] We vermoeden dat het relaas van Cassius Dio de waarheid dichter kan benaderen, maar ook daarin zijn er waarschijnlijk elementen verwerkt die niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Het lijkt ons waarachtig dat Plautianus het slachtoffer was van een complot, maar de rol die Caracalla daarin door Dio kreeg toebedeeld lijkt ons overdreven. Dio stelt Caracalla voor als de hoofdrolspeler, als diegene die op eigen houtje, zonder medeweten van Severus, samenzweerde tegen Plautianus. Het lijkt ons echter waarschijnlijk dat ook Severus een belangrijke rol speelde in de val van Plautianus. De anekdotes die de vertrouwensbreuk tussen Severus en zijn prefect illustreren, tonen aan dat Plautianus uit de gratie was gevallen. Vermoedelijk had ook Severus dus motieven om Plautianus uit de weg te ruimen en het is dus goed mogelijk dat hij een hand had in het complot. We vermoeden dan ook dat Cassius Dio de rol van Caracalla overdreven heeft. Doorheen zijn werk getuigt hij consequent van een uiterst antagonistische houding ten aanzien van Caracalla. Ten aanzien van Severus is die houding positiever.[331] Zijn haat ten aanzien van Caracalla kan hem ertoe gebracht hebben de rol van Caracalla sterk te overdrijven, in die mate dat hij hem voorstelt als diegene die de val van Plautianus via een gedurfde samenzwering heeft teweeg gebracht. Het is echter waarschijnlijker dat Severus en Caracalla hun krachten hebben gebundeld om Plautianus, van wie de positie onhoudbaar was geworden, ten val te brengen.

 

- De directe gevolgen van Plautianus’ dood:

 

Met de dood van Plautianus kwam ook de positie van zijn dochter, Plautilla, in gevaar. Zij werd reeds lang gehaat door Caracalla en nu haar beschermheer van het toneel was verdwenen kon de jonge keizer zijn haat op haar uitwerken. Plautilla werd samen met haar broer verbannen naar het eiland Lipara, waar ze in gevangenschap werden gehouden.[332] Caracalla wou haar volgens Herodianus meteen vermoorden, maar Severus verhinderde dit en besloot Plautilla en haar broer te verbannen. Daarbij gaf hij ze zelfs voldoende middelen om een comfortabel leven te leiden.[333] Logischerwijs werd voor de eigenlijke verbanning eerst de scheiding doorgevoerd, hoewel dit nergens expliciet wordt vermeld. Haar titel van Augusta werd haar ontnomen en ze werd als staatsgevangene beschouwd. De namen van Plautianus en van zijn familie werden verwijderd van alle openbare monumenten en zijn standbeelden werden onherkenbaar gemaakt. Hoewel de literaire bronnen het niet vermelden werd er tijdens de senaatszitting na de moord dan ook de damnatio memoriae uitgesproken over Plautianus en zijn dochter. [334]  Dio zal in zijn beschrijving van de zitting zeker zo’n belangrijk feit vermeld hebben, maar wellicht werd het niet overgeleverd in het Epitome. [335] Het enorme fortuin van Plautianus werd geconfisqueerd en zijn vermogen was blijkbaar zo omvangrijk dat er een speciale procurator ad bona Plautiani diende aangesteld te worden om het te behandelen. [336] Plautilla en haar broer Plautius werden uiteindelijk vermoord op bevel van Caracalla na Severus’ dood.[337]

 

Door de dood van Plautianus was de post van pretoriaans prefect vrijgekomen, zodat er een nieuwe diende te worden aangesteld. Septimius Severus besliste om naar de praktijk van het benoemen van 2 prefecten terug te keren.[338] Als opvolgers koos hij voor Q.Maecius Laetus en Aemilius Papinianus. Zij werden zeker vóór 28 mei van het jaar 205 benoemd.[339] Laetus was prefect van Egypte geweest van 200 tot 203. Buiten het feit dat hij doorheen het komende decennium in de gunst stond van Caracalla is er weinig geweten over deze man.[340] Hij beschikte ongetwijfeld over heel wat militaire ervaring. Dit in tegenstelling tot zijn collega Papinianus, die een jurist was en reeds onder Marcus Aurelius in keizerlijke dienst stond als juridisch adviseur van de toenmalige prefecten van de pretoriaanse wacht. Later bekleedde hij een belangrijke juridische positie als a libellis en mogelijk is hij ook praefectus annonae geweest. [341] De Historia Augusta stelt dat hij een goede vriend was van Severus waaraan hij verwant zou zijn door zijn tweede huwelijk.[342] Hoewel de context niet duidelijk maakt over wiens tweede vrouw het gaat; die van Severus of die van Papinianus; lijkt het waarschijnlijk over Iulia Domna te gaan. In dat geval, en in het geval de Historia Augusta op dat vlak betrouwbaar is, moet Papinianus een Syriër geweest zijn en dus verwant aan Iulia’s familie. [343] De keuze voor familieleden op belangrijke posities past in de politiek van Severus om daar “vertrouwelingen” te plaatsen. Dat de keuze in dit geval viel op Papinianus werd waarschijnlijk geïnspireerd door Iulia Domna. Als landgenoot en vermoedelijk familielid van de keizerin was Papinianus zeker te vertrouwen.

Met de benoeming van Laetus, een beproefd militiar, en Papinianus, een ervaren jurist, wou Severus de gardeprefectuur duidelijk splitsen in een civiele en een militaire afdeling. Laetus was daarbij de echte gardeprefect en Papinianus een soort van eerste minister.[344]

 

De dood van Plautianus kwam voor velen als een verlossing. Niet in het minst voor Iulia Domna. Plautianus was een grote hinderpaal geweest en had haar naar de achtergrond gedrongen. Vanaf dit moment wordt Iulia’s titulatuur door senaatsbesluit uitgebreid tot mater castrorum et senatus et patriae. Naast moeder van de legerkampen, nu dus ook van de senaat en van het vaderland. De concrete politieke situatie na de dood van Plautianus bood een goede gelegenheid om op deze manier het belang van de keizerin voor de staat te onderstrepen en vormde het uitgangspunt voor de creatie van de nieuwe titulatuur en dus voor de inhoudelijke vernieuwing in de zelfrepresentatie van de keizerlijke familie. De titel mater senatus kan de uitdrukking geweest zijn van een goede verhouding tussen de keizer (en zijn familie) en de senaat. Samen met de verdere titel mater patriae kreeg Iulia Domna een enorm groot prestige als moeder van het leger, de senaat en het vaderland en dus van de hele staat. Het besluit was goed bekend en werd verspreid over het Rijk grondig toegepast, vooral na het begin van Caracalla’s alleenheerschappij.[345]

 

Voor Caracalla was de dood van Plautianus uiteraard een grote opluchting en Cassius Dio omschrijft het alsof hij verlost was van een kwade schoolmeester.[346] Plautianus was zijn opvoeder geweest en waarschijnlijk was hun relatie ooit goed. Maar hij was steeds machtiger geworden en Caracalla ging zijn invloed op iedereen en nog wat steeds meer als een grote kwelling beschouwen. Het gedwongen huwelijk en de hechtere familiebanden waren voor hem een marteling geweest, met zijn kwellende schoonvader die hem steeds meer hinderde in zijn plannen. Verdere bitterheid was er ongetwijfeld over het feit dat zijn geliefde moeder en haar familie ook het slachtoffer waren geworden van Plautianus’ machtshonger waarbij hen het leven steeds moeilijker was gemaakt. Plautianus’ enorme invloed bij Severus zorgde ervoor dat hij als jonge keizer ook belemmerd werd in zijn eigen macht. Theoretisch was hij co-Augustus met zijn vader, die evenwel in de praktijk  wellicht de absolute macht uitoefende en zich dan vaak liet leiden door de adviezen van Plautianus en zelfs mogelijk bevoegdheden afstond. Daardoor was er dan ook waarschijnlijk nog weinig ruimte voor Caracalla om mee te adviseren en te regeren; zijn macht uit te oefenen als Augustus.

De gebeurtenissen vertellen ons ook iets over de persoonlijkheid van Caracalla die logischerwijs vrij complex is voor een persoon die van kindsaf werd voorbestemd voor het keizerschap. Nog vóór zijn zeventiende verjaardag weet de jonge keizer al goed wat hij wil en dat is niets anders dan de absolute macht. Met dat doel voor ogen en met een enorme wilskracht zal hij doorheen zijn leven alle elementen die hem in in zijn macht belemmeren gewetenloos trachten uit te schakelen. Nu Plautianus’ macht is weggevallen moet Caracalla de macht uiteraard nog delen met zijn vader, aan wie hij ook zijn macht te danken had.

 

 

1.4. De laatste jaren onder de hoede van Severus:

 

a) De broedertwist: Caracalla en Geta als water en vuur

 

We hebben de dynastieke politiek van Severus al beschouwd en vastgesteld dat aanvankelijk vooral Caracalla naar voor werd geschoven als voornaamste opvolger. Geta was dan wel, gelijktijdig met Caracalla tot Augustus,ook tot Caesar benoemd, maar een verdere promotie bleef voorlopig uit. Zoals vermeld, vermoeden we dat Severus met betrekking tot zijn opvolgingspolitiek handelde naar het voorbeeld van Marcus Aurelius en dat dit de ongelijke behandeling van Caracalla en Geta kan verklaren.Wij menen ook dat deze ongelijke opvolgingspolitiek zijn gevolgen heeft gehad voor de relatie tussen Geta en zijn broer. Die relatie tussen Geta en Caracalla was volgens de bronnen sterk verstoord. Het antagonisme tussen beide kende een lange voorgeschiedenis en zou uiteindelijk, na een kort dubbelkeizerschap uitmonden in de moord van Caracalla op Geta. Wat vertellen de bronnen over die verstoorde relatie? Welke pogingen werden er vanwege de keizerlijke omgeving gedaan om beiden te verzoenen?

 

            Na de val van Plautianus bleef de keizerlijke familie nog een 3-tal jaar in Italia.[347] Herodianus geeft aan dat Severus in deze periode meestal verbleef op keizerlijke domeinen buiten Rome of aan de kust van Campania. De reden zou geweest zijn dat Severus zijn zoons wou weghouden uit Rome en van het leven dat zij daar leidden. Hij wou hen laten proeven van het soberder leven.[348] De literaire bronnen geven inderdaad aan dat de broers er in deze periode een schandelijke levensstijl op nahielden. Het wegvallen van Plautianus en van diens invloed op de broers speelde daarbij een doorslaggevende rol. Dio geeft aan dat zij zich na zijn dood zeer losbandig begonnen te gedragen, alsof ze verlost waren van een kwade schoolmeester. Plautianus was een rem geweest en nu die was weggevallen gedroegen de broers zich, in de ogen van een senator als Dio, zeer schandelijk: “Ze verkrachtten vrouwen en misbruikten jongens, ze verduisterden geld en en maakten gladiatoren en wagenmenners tot hun vrolijke metgezellen”.[349] Herodianus zegt dat de broers zich verdorven gedroegen door het luxueuze leven in Rome en ze een overdreven enthousiasme hadden voor theater, wagenrennen en dansen.[350] Ook hij geeft aan dat na de dood van Plautianus Caracalla in het bijzonder ontspoorde.[351]

 

            Tegelijkertijd nam in deze periode de rivaliteit tussen beiden steeds toe, waarbij zij bij wedstrijden steeds tegen elkaar streden of, als toeschouwers, altijd op fanatieke wijze verschillende partijen steunden. Dio vertelt over een wagenwedstrijd waarbij de broers zo’n verbeten strijd uitvochten dat Caracalla van zijn wagen viel en een been brak.[352] Het antagonisme tussen beide broers was er volgens Herodianus al in hun kindertijd toen ze vaak met elkaar vochten.[353] De rivaliteit werd nog gevoed door het feit dat beiden totaal verschillende persoonlijkheden waren.[354] Volgens de auteur van de Historia Augusta was Caracalla zeer arrogant en Geta eerder bescheiden en was dit een reden voor Caracalla om zijn jongere broer grondig te haten.[355] Ze hadden ook totaal verschillende interesses: hetgeen de ene boeide, haatte de ander.[356] Waarschijnlijk stellen onze bronnen de zaken wel wat overdreven voor; met een antagonisme dat zich op alle vlakken uitte en er al was van in de kindertijd; maar dat er een gespannen verhouding was blijkt duidelijk uit het latere feit dat Caracalla zijn broer uiteindelijk vermoordde. Hoe de verhouding precies geweest is tussen de broers kan men niet met zekerheid achterhalen, maar het is zeker niet ondenkbaar dat de relatie tussen de broers van kindsaf zeer moeilijk was, met veel geruzie en rivaliteit en dat de voornaamste oorzaak hun totaal verschillende persoonlijkheden was. Immers wijzen de latere gebeurtenissen uit dat de wederzijdse haat uiteindelijk zo groot en intens werd dat elk van de broers in staat was om de ander te vermoorden.

 

Wij menen dat hun ongelijke behandeling in Severus’ opvolgingspolitiek een rol kan hebben gespeeld in het feit dat hun relatie steeds meer verstoord geraakte. Het feit dat Severus aanvankelijk enkel Caracalla, met de benoeming tot Caesar, opnam in zijn dynastieke politiek kan bij Caracalla een gevoel van meerwaarde ten aanzien van zijn broer te weeg gebracht hebben. Wanneer Severus later ook Geta tot Caesar benoemde, nam hij weliswaar ook Geta op in zijn dynastieke politiek, maar door Caracalla verder te promoveren tot Augustus bleef de verhouding tussen beide broers ongelijk: Caracalla bevond zich in een superieure positie en voelde zich wellicht ook superieur. Deze ongelijke verhouding kan een rol gespeeld hebben in het feit dat de relatie tussen Caracalla en Geta verstoord was en zij steeds grotere vijanden werden van elkaar. We vermoeden dat de ongelijke opvolgingspolitiek mee aan de basis lag van de uiteindelijke broedermoord. Vervolgens zal Severus immers ongeveer 12 jaar, tot in 209, wachten tot hij ook zijn jongste zoon tot Augustus zal benoemen. Vanaf dat moment werd Geta officieel gelijkwaardig mederegent en van Caracalla werd verwacht de situatie te aanvaarden: Severus had nu definitief besloten zich te laten opvolgen door een dubbelheerschappij van gelijkwaardige partners. Vermoedelijk heeft Caracalla die idee niet kunnen aanvaarden: hij kon geen afstand doen van de superieure positie die hij altijd had bekleed en de verstoorde relatie met zijn broer maakte samenwerking onmogelijk.

 

Vanuit de keizerlijke familie werden pogingen gedaan om Caracalla en Geta met elkaar te verzoenen. Severus deed op dit vlak grote inspanningen en trachtte hen in hun levensstijl te matigen. Vooral Herodianus benadrukt dit element. Severus ontdekte dat de broers in Rome bloot stonden aan slechte invloeden. Hij ontdekte dat de keizerlijke bedienden een bijzonder slechte invloed hadden door telkens de ruzies en schandelijke uitspattingen aan te wakkeren.[357] Ook het feit dat de broers in Rome voortdurend voorstellingen en spektakels bijwoonden vond Severus een slechte zaak. Het enthousiasme dat ze bij deze voorstellingen toonden vond hij schandelijk voor keizers. Bovendien was hun constante rivaliteit bij deze voorstellingen steeds de oorzaak van hun ruzies en wakkerde die ook steeds aan. Deze omstandigheden maakten de broers tot persoonlijke vijanden.[358] Daarom wou Severus zijn zoons weghouden uit Rome en spoorde hij hen aan bij hem op de keizerlijke domeinen in de omgeving van de stad te verblijven. Daar zouden ze kunnen proeven van de rust en het sober leven. Het streven naar eendracht tussen Caracalla en Geta komt ook tot uiting in de muntslag met regelmatige emissies van types met hun afbeelding en de legende “CONCORDIA AUGUSTORUM”.[359]

 

Misschien was de idee van verzoening tussen de broers één van de redenen waarom hij zijn zoons in 205, en nog eens in 208 samen het consulaat liet bekleden.[360] Misschien wou Severus daarmee de harmonie tussen beiden versterken of althans de boodschap uitbrengen dat de broers in harmonie leefden. Een andere reden voor de benoeming van Caracalla en Geta tot collega-consuls kan de voorbereiding op de erfopvolging geweest zijn. We vermoeden dat Severus zich wou laten opvolgen door een dubbelheerschappij van zijn twee zoons, naar het voorbeeld van Marcus Aurelius met Commodus en Annius Verus. Severus begon nu ook vrij oud te worden en misschien besefte hij dat hij niet lang meer te leven had. Zijn plan om zich te laten opvolgen door een dubbelheerschappij van zijn twee zoons kwam dan ook dichter. Daarom was het dan ook wenselijk om, na Caracalla ook Geta al praktische ervaring te laten opdoen met betrekking tot het bestuur, vandaar dat hij hem het consulaat liet bekleden.[361] Door de broers samen als collega-consuls aan te stellen kon hij hen ook al ervaring laten opdoen wat samenwerking betreft.

 

De periode van 204 tot 207 schijnt dus onafgebroken in Italia te zijn doorgebracht. In een tijdspanne van 40 jaar was het de eerste maal dat Severus langer dan 12 maanden in Italia had verbleven. Birley wijst erop dat het voor Severus een eerder onaangename periode moet geweest zijn. Van nature was hij zeer rusteloos en ongeduldig en het gedrag van zijn zoons moet deze karaktertrekken zeker geprikkeld hebben. De gebeurtenissen rond Plautianus en de talrijke politieke processen erna, evenals de heisa rond Bulla Felix[362], deden hem verlangen Rome achter zich te laten, op veldtocht te trekken en militaire roem te oogsten. Severus voelde met zijn 62 jaar ook zijn einde naderen en waarschijnlijk wilde hij zijn leven eerder eindigen op een triomfantelijke en eervolle wijze (i.c. met een succesvolle militaire expeditie) dan passief in Italia.[363] In het jaar 207 kwam er nieuws vanuit Britannia dat Severus een oplossing bood...

 

b) Expeditio Britannica:

 

- Een geschenk uit de hemel:

 

            De goeverneur van Britannia stuurde in 207 een gezantschap naar Rome met de melding dat de barbaren er rebelleerden en massaal plundertochten hielden. Daarom werd de keizer verzocht persoonlijk naar Britannia te komen om een einde te stellen aan de problemen, of, wanneer dit niet mogelijk was troepen te sturen die het garnizoen konden versterken.[364]  De goeverneur in kwestie was L.Alfensus Senecio, die de post sinds 205 bekleedde. Tevoren, in 200, was hij goeverneur geweest van de zeer belangrijke consulaire provincie Syria Coele, waaruit blijkt dat hij door Severus sterk gewaardeerd werd. Dat deze Senecio in 205 tot goeverneur van Britannia werd benoemd wijst erop dat de situatie er vrij gespannen moet geweest zijn.[365]

 

            Voor Severus was het nieuws uit Britannia een geschenk uit de hemel. Herodianus geeft duidelijk aan dat hij redenen genoeg had om op de uitnodiging van de goeverneur in te gaan. Hij kreeg nu niet alleen de gelegenheid om nog eens (na zijn overwinningen in de noordelijke en oostelijke provincies) een roemrijke veldtocht te leiden. Maar ook de mogelijkheid om zijn zoons uit Rome weg te halen. Het luxueuze en decadante leven in de hoofdstad maakte hen tot verderfelijke levensgenieters en Severus meende dat een veldtocht en het militair bestaan hun gedrag zou kunnen matigen. Daarbij geeft Herodianus aan dat de tweede reden belangrijker was dan de eerste. [366] Ook Cassius Dio geeft de indruk dat deze laatste reden doorslaggevend was bij Severus’ beslissing om op veldtocht te gaan. Daarnaast geeft hij aan dat Severus bekommerd was om zijn legioenen die bij gebrek aan opdrachten steeds meer geënerveerd en rusteloos werden. Dio meent ook dat Severus besefte dat het zijn laatste veldtocht was en dat hij nooit naar Rome zou terugkeren. Waarzeggers zouden een aantal voortekens in die zin geïnterpreteerd hebben.[367] Dat Severus meende dat hij niet meer zou terugkeren is opvallend en moeilijk om zomaar aan te nemen. Hoewel hij gezien de hoge leeftijd ongetwijfeld zijn einde voelde naderen lijkt het onwaarschijnlijk dat hij met zo’n radicale ingesteldheid vertrok. Hij moet in het achterhoofd zeker gedacht hebben aan een mogelijke terugkeer met een roemrijke triomftocht. Wel zal hij overwogen hebben dat hij het einde van de campagne niet zou meemaken. Een bedenking die wellicht elke veldheer maakt vooraleer hij ten oorlog trekt, maar die gezien de hoge leeftijd van Severus des te sterker moet geweest zijn. Severus wou vooral een poos weg uit Rome voor de vermelde redenen; maar wou evenzeer een overwinning en bijhorende titel.[368] Aan de door Dio beschreven interpretaties van voortekens gedaan door de waarzeggers zal de bijgelovige Severus zeker belang gehecht hebben.

 

- Eerste fase van de expeditie onder leiding van Caracalla in 207:

 

            Uit onderzoek is gebleken dat de tocht vanuit Rome naar Britannia niet door de twee keizers samen werd gemaakt. Caracalla reisde met een troepenmacht voorop, terwijl Severus volgde met de rest van het leger en de rest van de keizerlijke familie.[369] In de literaire bronnen wordt dit niet vermeld. Herodianus vertelt dat Severus en zijn zonen de tocht samen maakten en dat deze sneller verliep dan verwacht. Immers, hoewel Severus’ ziekte hem voortdurend hinderde en hij het grootste deel van de tocht moest gedragen worden, werd er toch nooit lang op eenzelfde plaats verbleven. Samen bereikte men de Gallische kust en stak men de zee over, waarna Severus in Britannia een algemene troepenlichting hield en het leger voorbereidde op de oorlog.[370] Dio vermeldt niets specifiek over de reis van Rome naar Britannia buiten een aantal voortekens (dat Severus niet zou terugkeren) bij vertrek en het feit dat Severus blijkbaar een enorme hoeveelheid geld meenam.[371] Voor de rest geeft hij geen concrete informatie over het verloop van de tocht, of die al dan niet door de keizerlijke familie samen werd gemaakt. Men moet uiteraard in acht nemen dat, hoewel Dio een amicus was van de keizers en hij zo mocht deelnemen aan het consilium, hij niet mee op expeditie ging, maar in Rome bleef. Hij diende zich dus voor zijn informatie te beroepen op de keizerlijke verslagen die naar de senaat werden gestuurd en de geruchten die Rome bereikten.[372] Ook Herodianus verbleef wellicht in Rome. Verder is het mogelijk dat Caracalla op zijn tocht naar Britannia heeft deelgenomen aan militaire activiteiten in het Donau-gebied. Immers is er een inscriptie gevonden in Arrabona in Pannonia Superior, opgericht door de goeverneur Egnatius Victor en gedateerd in 207 die wijst op militaire activiteiten in het Donau-gebied waaraan mogelijk Caracalla heeft deelgenomen.[373] Birley formuleert daarbij terecht de vraag of Caracalla via het Donau-gebied trok om er extra troepen te halen voor het expeditieleger?[374]

 

Uit archeologisch onderzoek blijkt dat er in de loop van 207 in Britannia reeds een militaire campagne werd gevoerd tegen de Selgoviae en men vermoedt dat Caracalla tijdens deze veldtocht de leiding had over de drie in Britannia gestationeerde legioenen, en dit in een periode dat Severus nog niet in Britannia aanwezig was.[375] Voor deze eerste expeditie ontving Caracalla de Imperator II –salutatie.[376] Munten uit 207 geven aan dat Caracalla in dat jaar militair actief was in een of andere provincie, waarschijnlijk in Britannia.[377] Een medaillon uit 207 herdenkt de aankomst in Gallia van Severus, maar niet van Caracalla.[378] Dit impliceert dat Caracalla ofwel vòòr Severus was vertrokken en hij al in Britannia was, ofwel dat hij nà Severus was vertrokken en dus nog onderweg was naar eerst Gallia en dan Britannia. Gezien het grote belang van Caracalla in de munt-emissies van 209 en 210, is het onwaarschijnlijk dat hij na Severus in Britannia zou zijn aangekomen. Een aantal keizerlijke rescripten uit 208 leveren verdere informatie. Zo zijn er twee rescripten die uitgevaardigd werden door Caracalla alleen, die dateren van 12 februari en van 18 februari. Vanaf 10 maart echter zien we dat vrijwel alle rescripten vanuit Britannia uitgevaardigd werden door de twee Augusti samen. Men kan dus concluderen dat Severus zich bij Caracalla voegde in Britannia tussen 18 februari en 10 maart van 208. Caracalla had op dat moment dus al een veldtocht geleid in de loop van 207 tegen de Selgovae, waarbij hij voorbij de muur van Hadrianus tot aan de rivier Forth was getrokken.[379]

 

- Gezamenlijke campagne Severus en Caracalla van 208 tot 209:

 

Nadat Severus zich bij zijn zoon had gevoegd in Britannia kon de gezamenlijke expeditie beginnen. De literaire bronnen leveren verder weinig concrete informatie. Dio beschrijft de opstandige volkeren, de Maetae en de Caledonii, met betrekking tot hun uiterlijk, leef- en strijdgewoonten, evenals hun leefgebieden.[380] In verband met de tocht zelf wijst hij erop dat het expeditieleger tal van moeilijkheden ontmoette op de weg door het moeilijke terrein. Grote inspanningen werden geleverd voor het rooien van bossen, het droogleggen van moerassen, het effen maken van terreinen en het overbruggen van rivieren.[381] Er schijnen twee grote campagnes geweest te zijn, namelijk één in de periode 208-209 en één in 210. Het onderzoek op basis van archeologische en numismatische bronnen levert verdere informatie over deze campagnes. Binnen de eerste campagne kan men 2 fasen onderscheiden. In een eerste fase, vanaf 10 maart 208, trok het leger, geleid door Severus en Caracalla samen, het leefgebied van de opstandige stam de Maetae binnen. Zij ondervonden geen tegenstand vanwege de vijand; maar wel vele moeilijkheden met het terrein, zoals zowel Dio als Herodianus beschrijven.[382] Daarbij werden 2 belangrijke bruggen gebouwd te Queensferry en Carpow, over de rivieren de Tay en de Forth. Tussen de twee bruggen werd een weg aangelegd.[383] De bouw van de bruggen werd herdacht in twee muntemissies. Het eerste type is van Caracalla en dateert waarschijnlijk uit 208 (of mogelijk uit 209).[384] Het tweede is van Severus en dateert met zekerheid uit 208.[385] De weg die werd aangelegd tussen beide bruggen vormde meteen ook de route die het leger volgde in 208.[386] Dit numismatisch bewijs komt overeen met de beschrijvingen van Dio en Herodianus in verband met het doortrekken van het Britse landschap.[387]

 

Herodianus’ beschrijving van de getroffen voorbereidingen vòòr de eigenlijke krijgsverrichtingen schijnt in deze eerste “vreedzame” fase van de campagne te passen. Zo stelt hij: “Eens de oorlogsvoorbereiding voldoende vervolledigd leek, riep Severus zijn jongere zoon Geta, bij zich en liet hem de jurisdictie uitoefenen over de onderworpen provinciebevolking en belastte hem met de burgerlijke administratie van het Rijk...Antoninus (Caracalla) nam hij met zich mee en drong het vijandelijk gebied binnen.”[388] Herodianus geeft dus de indruk dat er gedurende een vrij lange periode voorbereidingen werden getroffen vòòr er strijd werd geleverd met de vijand. Ze hebben dan betrekking op de werkzaamheden die werden uitgevoerd in het gebied van de opstandige stam, de Maetae, die zich evenwel niet vijandig gedroegen tijdens de Romeinse machtsontplooiing voor een verdere opmars noordwaarts. De werken duurden nog tot het einde van 208, vanaf het binnentrekken van het gebied (zeker nà 10 maart). Dat de Maetae geen verzet boden kan volgens Reed het gevolg zijn van een gesloten overeenkomst waarbij de Romeinen toestemden geen wraak te nemen voor de vijandigheden in de voorgaande periode, op voorwaarde dat de Maetae hen toelieten hun wegen en bruggen te bouwen zonder voortdurende sabotage.[389] Het is ook mogelijk dat er zich tijdens deze voorbereidingen wel aanvallen en sabotage-acties vanwege de Maetae hebben voorgedaan. En misschien werd er daarover intentioneel geen bericht verstuurd naar Rome. Of mogelijk had Herodianus dit element nagelaten te vermelden in zijn al uiterst gebrekkige berichtgeving over de expeditie.

 

Mogelijk werd de overeenkomst met de Maetae gesloten tijdens de onderhandelingen waarover Herodianus eerder berichtte. Volgens Herodianus hadden “de Britten” bij de aankomst van de keizer een delegatie uitgezonden om vredesgesprekken te voeren en zich vrij te spreken van hun fouten uit het verleden. Severus wou echter geen overeenkomst sluiten en de onderhandelingsmissie werd afgebroken.[390] Gezien de latere geweldloze doortocht door het gebied van de Maetae en ons vermoeden dat dit het gevolg was van een overeenkomst is het goed mogelijk dat deze onderhandelingen effectief hebben plaatsgevonden en dat Herodianus met de Britten hier de Maetae bedoelde. In tegenstelling tot Herodianus’ bewering kwam het mogelijk dus toch tot een overeenkomst en werd de onderhandelingsmissie niet onmiddellijk afgebroken. Dat Herodianus de mening van een mislukte onderhandeling was toegedaan heeft mogelijk te maken met het feit dat het korte tijd later wèl tot een gewapende strijd kwam tegen de Maetae.

           

Zoals vermeld, meent Herodianus dat Geta niet bij de krijgsverrichtingen werd ingeschakeld. Eens de eigenlijke strijd was voorbereid werd Geta belast met de jurisdictie in het gepacificeerde deel van Britannia, evenals met de burgerlijke administratie van het Rijk. Voor de uitoefening van zijn opdracht kreeg hij bijstand van een raad die was samengesteld uit vrienden van de keizer. Geta werd aldus in het gepacificeerde deel van Britannia achtergelaten, terwijl Severus en Caracalla verder noordwaarts trokken.[391] Bij Dio vinden we deze regeling niet terug. Wel laat hij tussen de lijnen doorschijnen dat Geta niet mee was op de eigenlijke militaire tochten. Zo vertelt hij een gebeurtenis waarbij Severus en Caracalla (maar Geta niet), voorop reden op de troepen en Caracalla bijna een aanslag pleegde op het leven van zijn vader, maar daar uiteindelijk van af zag toen de meerijdende officieren alarm sloegen.[392] Indien Geta de twee Augusti zou vergezeld hebben op de tochten zelf, dan zou zijn reactie op het gebeuren hier zeker vermeld geweest zijn. Verder vinden we in de literaire bronnen geen informatie over de wijze waarop Geta zijn tijd doorbracht in Britannia.

 

De campagne van 209 kan men grotendeels reconstrueren op basis van archeologisch materiaal. Men heeft een reeks legerkampen ontdekt uit deze periode die uiteenvallen in grofweg twee parallel lopende lijnen, in noordelijke richting. Deze lijnen zouden kunnen overeenkomen met twee marsroutes. Reed acht het dan ook waarschijnlijk dat het Romeinse leger werd opgesplitst voor de campagne van 209 en dat de ene legertros werd geleid door Caracalla en de andere door Severus. Caracalla zou daarbij de leiding gekregen hebben over de drie Britse legioenen, waarover hij vermoedelijk, zoals vermeld, reeds tijdens de campagne in 207 het bevel had gevoerd. Severus zou het commando hebben gevoerd over de pretoriaanse troepen[393] en het “legio II Parthica”.[394] Caracalla zou de westelijke marsroute gevolgd hebben die meer vijandig was dan de oostelijke route die Severus nam. Caracalla was meer geschikt voor die gevaarlijkere route, aangezien hij jonger en vitaler was dan de oude en door ziekte gekwelde Severus. Bovendien waren de Britse legioenen onder zijn commando meer ervaren in de krijgsvoering op Brits grondgebied dan de troepen onder het commando van Severus.[395] Ook de zeevloot werd ingeschakeld in de expeditie, zoals blijkt uit een inscriptie opgericht voor de prefect van de vloot van Britannia, Germania, Moesia en Pannonia die schijnbaar gezamenlijk deelnamen aan de campagne en dit waarschijnlijk ter bevoorrading van de troepen op het vasteland.[396]

 

In verband met de krijgsvoering zelf tijdens deze eerste campagne vertelt Dio dat Severus er niet in slaagde de vijand bijeen te krijgen op een slagveld, zodat er geen grote slagen werden uitgevochten. Daarvoor verantwoordelijk acht hij de oorlogstactiek van de vijand die duidelijk overeenkomt met een vorm van guerilla en die leidde tot enorme verliezen aan Romeinse zijde.[397] Toch slaagde Severus erin de tocht tot het noordelijke uiteinde van het eiland te vervolmaken. De Britten werden gedwongen een vredesovereenkomst te aanvaarden, waarbij zij beloofden een groot deel van hun leefgebied te verlaten. Daarop keerde Severus, en waarschijnlijk ook Caracalla, terug naar het gepacificeerde deel van het eiland om zich bij Geta te vervoegen.[398] Het was nu herfst en men plande in Britannia te overwinteren met het oog op een verdere campagne in de lente. In het overwinteringskwartier namen de keizer en zijn zoons de titel “Britannicus” aan ter ere van de veldtocht.[399] Er kwamen geen keizerlijke salutaties omwille van het feit dat er geen echte slagen werden uitgevochten. [400] Mogelijk tegelijkertijd werd Geta ook verheven tot Augustus.[401]

 

Voor Severus was de expeditie een overwinning en hij beschouwde het probleem in Britannia definitief als opgelost.[402] Dit bleek een illusie te zijn want korte tijd later kwamen de zopas “onderworpen” Maetae opnieuw in opstand, later gesteund door de Caledonii.[403]

Waarschijnlijk waren de bepalingen die in de vredesovereenkomst werden opgenomen te streng en voelden de stammen zich, vanuit de overweging dat Severus er in de eerste campagne niet was in geslaagd een beslissende nederlaag toe te brengen aan de Caledonii dankzij hun succesvol toegepaste guerilla-tactiek, sterk genoeg om de overeenkomst te verbreken.[404] Het waren eerst de Maetae die opnieuw revolteerden en Severus besloot zeer hard tegen hen op te treden. Hij beval zijn troepen het rebellengebied binnen te trekken en een nietsontziende genocide aan te richten onder de Maetae-bevolking.[405] De leiding over de troepen was nu enkel in handen van Caracalla, terwijl Severus, belemmerd door zijn ziekte, achterbleef in gepacificeerd gebied. [406] Het bevel tot het aanrichten van een slachting onder de Maetae was een opmerkelijke stap die wijst op een zekere wanhoop; gezien Severus kort tevoren het Britse probleem nog definitief opgelost achtte. Het gevolg was dat ook de Caledonii in opstand kwamen. Daarop begon Severus voorbereidingen te treffen voor een nieuwe expeditie, maar die zou hij niet meer meemaken want op 4 februari 211 overleed hij ten gevolge van zijn ziekte.[407]

 

- Caracalla’s gedrag in Britannia:

 

            Cassius Dio beschrijft Caracalla’s gedrag tijdens het verblijf in Britannia met een paar illustratieve anekdotes. Volgens Dio werd Severus meer en meer verontrust door het gedrag van zijn zoon met zijn gebrek aan zelfbeheersing en zijn duidelijke intentie om zijn broer te vermoorden, zodra de gelegenheid zich zou voordoen.[408] Er was een incident met Castor, de meest prominente onder de keizerlijke vrijgelatenen. Uit dit incident blijkt duidelijk het gebrek aan zelfbeheersing van Caracalla. Immers, stoof hij op een dag plots uit zijn hoofdkwartier, al schreeuwend dat hem een onrecht was aangedaan door Castor. De zaak was opgezet spel, daar Caracalla een aantal soldaten op voorhand had ingelicht over zijn voornemen en hen had opgedragen hem te volgen in zijn geschreeuw. Gelukkig voor Castor kwam Severus tussenbeide en werd het incident voorlopig afgesloten.[409]

 

Het ongecontroleerde gedrag van Caracalla blijkt ook uit een andere anekdote in Dio’s relaas. Zo geeft hij aan dat Caracalla de macht wou grijpen ten koste van zijn vader en verhaalt daarbij een zeer ernstig incident. [410] Op een dag trok het leger onder leiding van de twee keizers naar de Caledonii om de voorwaarden voor een vredesverdrag te bepalen. De keizers reden samen voorop gevolgd door de legertros; aan de overzijde stonden de legers van de Caledonii. Plotseling deed Caracalla zijn paard steigeren en trok hij zijn zwaard richting Severus, alsof hij zijn eigen vader daar ter plekke in de rug wou steken. De meerijdende officieren waarschuwden Severus echter, zodat Caracalla afzag van zijn stoutmoedige moordpoging. Gealarmeerd door de waarschuwingskreten van de officieren draaide Severus zich om en zag hij Caracalla met het zwaard in de hand, maar hij reageerde nog niet. Later, na de onderhandelingen met de Caledonii werd er teruggekeerd naar het hoofdkwartier waar Severus zijn zoon ontbood, in aanwezigheid van Papinianus en Castor. Hij beval dat er een zwaard werd gelegd binnen handbereik van Caracalla, waarna hij hem begon te berispen voor zijn daad. Severus’ oordeel was streng niet alleen omdat hij het had aangedurfd een moordpoging te ondernemen op zijn eigen vader en op het Rijk, maar ook omdat hij het had gedaan voor de ogen van allen, zowel de eigen troepen en officieren als de vijandelijke. “Als je me echt wil doden, daar staat Papinianus de prefect”, sprak Severus,”vraag hem om het te doen als je zelf niet durft. Hij zal alles doen wat je vraagt want je bent al keizer”.[411]

 

            De moordpoging, zoals ze door Dio beschreven werd lijkt overdreven, hoewel er een kern van waarheid kan in zitten. Cassius Dio verbleef in Rome en zal zich moeten hebben beroepen op geruchten; het is immers onwaarschijnlijk dat hij het verhaal vernam in de keizerlijke correspondentie met de senaat. Het lijkt sterk overdreven in die zin dat Caracalla wel uiterst stoutmoedig (en dom) moet geweest zijn om een moordpoging te doen op zijn vader in het bijzijn van alles en iedereen. Op die manier zou hij zijn eigen positie sterk in gevaar hebben gebracht. Dit zou totaal onnodig geweest zijn aangezien zijn positie reeds sterk was gevestigd en de machtsovername na een natuurlijke dood van zijn vader hem niet meer kon ontglippen. Het zou niet alleen uiterst moeilijk geweest zijn om de moord te rechtvaardigen en de opvolging te legitimeren, maar het zou ook betekenen dat bij een eventuele machtsstrijd met Geta, deze laatste zeker de bovenhand zou krijgen. Wellicht had Caracalla “iets” gedaan, waarvan het gerucht zich verspreidde over het Rijk en een eigen leven ging leiden zodat een fout verhaal uiteindelijk door Dio werd neergeschreven.

 

            Ook Herodianus geeft ons een indruk van Caracalla’s preoccupaties en gedragingen in Britannia, nog tijdens het leven van Severus: Toen Caracalla werd uitgezonden op de expeditie van 210 en Severus in het hoofdkwartier achterbleef, bleek die vooral bezorgd te zijn over de toekomst. In plaats van zich te concentreren op de eigenlijke strijd tegen de barbaren hield hij zich vooral bezig met het winnen van de persoonlijke loyauteit van de soldaten. Hij trachtte hen ervan te overtuigen enkel nog zijn bevelen op te volgen en positioneerde zich dus op alle mogelijke manieren reeds als alleenheerser. Daarbij trachtte hij voortdurend de persoon van zijn broer in diskrediet te brengen.[412] Dio’s vermelding dat Severus net voor zijn dood voorbereidingen aan het treffen was voor een nieuwe veldtocht, deze keer onder zijn persoonlijke leiding past misschien in de overweging dat de leiding bij Caracalla niet in goede handen was.[413] Herodianus geeft ook aan dat voor Caracalla Severus een steeds grotere last vormde en dat hij de wens koesterde van hem verlost te zijn.[414]

Het is duidelijk dat Septimius Severus nog de belangrijkste rem vormde op zijn ontstuimige zoon; de belangrijkste hindernis voor diens ambitie om zijn broer te doden en de alleenheerschappij te vestigen. Uit literaire getuigenissen als Cassius Dio en Herodianus kunnen we dan ook sterk vermoeden dat Caracalla in Britannia met samenzweringsplannen rond liep, zowel tegen zijn vader als tegen zijn broer.

 

            Caracalla’s gedrag kan ten dele verklaren waarom Severus juist in deze periode (eind 209, of korte tijd later[415]) overging tot de benoeming van Geta tot Augustus.[416] Hij zal beseft hebben dat zijn plan om zich te laten opvolgen door een dubbelheerschappij in het gedrang kwam door Caracalla’s moordzuchtige gedrag. Als hij de voorbereiding op de dubbelheerschappij van zijn beide zoons niet zelf vervolledigde, zou het wellicht nooit vervolledigd worden; Caracalla zou Geta onmiddellijk uit de weg ruimen. Bovendien was Severus in deze periode al 65 jaar en erg ziek en wist hij waarschijnlijk dat hij niet lang meer te leven had.[417] Het was dus de hoogste tijd om zijn opvolgingsplannen te vervolledigen.

 

c) De dood van keizer Septimius Severus:

 

Terwijl Septimius Severus een nieuwe expeditie voorbereidde tegen de Caledonii werd hij steeds meer belemmerd door zijn ziekte. Nadat zijn toestand verergerd was doorheen de winter van 210-211 stierf hij uiteindelijk op 4 februari te York. Volgens de literaire bronnen had Caracalla een zeker aandeel in de dood van zijn vader. Zo stelt Dio eerder vaag dat het gerucht de ronde deed dat Caracalla had “geholpen”.[418] Herodianus ziet het nog veel sterker en meent dat Caracalla de keizerlijke lijfartsen en dienaars trachtte te overhalen om de dood van de keizer met een slechte verzorging te versnellen.[419] Volgens Alföldy heeft Herodianus deze passage echter uitgevonden, waarbij hij zich zou geïnspireerd hebben op Cassius Dio.[420] Uit de door Dio vermelde geruchten heeft Herodianus een “feit” gecreëerd en heeft dat dan geconcretiseerd: Caracalla dwong de artsen en dienaren van Severus de dood van de keizer te versnellen en dit met succes want hij stierf hoofdzakelijk ten gevolge van een gebrekkige medische behandeling. Cassius Dio had de dood van Marcus Aurelius ook op deze wijze verteld en Herodianus heeft dit overgedragen op Severus.[421] We hebben dus te maken met vervalste informatie, waarbij Herodianus zich verder zelfs tegenspreekt wanneer hij zegt dat na de dood van Severus de artsen werden terechtgesteld omdat zij geweigerd hadden zijn dood te versnellen.[422]

 

            Zowel Caracalla als Geta waren vermoedelijk aanwezig bij het overlijden want Dio citeert letterlijk de laatste woorden die Severus richtte tot zijn zoons: “Wees harmonieus, verrijk de soldaten en veracht alle andere mannen”[423] Dio vermeldt daarbij expliciet dat hij Severus letterlijk citeert en zelf niets heeft toegevoegd.[424] En aangezien Cassius Dio als tijdgenoot en als senator vanuit een gezaghebbende positie schreef hebben we geen reden om zijn vermelding te wantrouwen. De laatste woorden die de Historia Augusta Severus in de mond legt kunnen we daarentegen als volledig fictief beschouwen.[425] Na een rouwplechtigheid werd Severus’ lichaam gecremeerd, waarbij het vuur werd aangestoken door Caracalla en Geta. De urne werd bijgezet in het mausoleum van de Antonini. [426] Na zijn fictieve adoptie in de gens Aurelia werd hij immers beschouwd als lid van deze familie, zodat zijn laatste rustplaats hun familiegraf werd.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[22] Dio Cassius. 77,6,1a (z.b. 1)

[23] SHA. Severus. 3, 9(z.b. 2); BIRLEY (A.R.).”Caracalla”. In: Der Neue Pauly. vol 2, 1997, p.980

[24] SHA. Severus. 3, 8(z.b. 2)

[25] FRANKE (T.). “L.Septimius Severus”. In: Der Neue Pauly. vol 11 (sam-tal), 2001, p. 431-435; KIENAST(D.). Römische Kaisertabelle. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1990, p. 156-159.

[26] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 20-43

[27] PIR²,S,328;SHA. Severus. 1,2-3 (z.b.2); ILS.439 (z.b.2)

[28] BIRLEY (A.R.). “Septimius Severus”. In: CLAUSS (M.). Die römische Kaiser: 55 historische Portraits von Caesar bis Iustinian. München: Verlag C.H.Beck, 1997, p. 173

[29] SHA. Severus. 1, 2-3(z.b.2);P.Septimius Geta: IRT.414 ;Fulvia Pia: IRT, 415(z.b.2)

[30] zie HERZIG (H.E.). “Die Laufbahn des Lucius Septimius Severus, sufes, und das Stadtrecht von Lepcis Magna».In: Chiron. 2, 1972, p. 393-404.

[31] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 30: Leptis werd municipium met het Latijnse burgerrecht zeker vóór 92 na Chr

[32] IRT.412 (z.b.2); BARNES (T.D.). “The family and career of Septimius Severus”. In: Historia. 16,1967, p.88

[33] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 44; Statius. Silvae. 4,5

[34] Dio. 76. 9,4 (z.b.1)

[35] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 45-46; BIRLEY (A.R.). “Septimius Severus”, In: CLAUSS (M.). Die römische Kaiser,p. 173; CHASTAGNOL (A.). Le Senat Romain à l’époque impériale. Paris: Les Belles Lettres, 1992, p. 128: Uit een inscriptie(AE.1976,536) op een aan Marcus Aurelius gewijde triomfboog in Leptis Magna blijkt dat C.Septimius Severus de toekomstige keizer had meegenomen naar Rome als legaat

[36] SHA. Severus. 1,4-5 (z.b.2): Hij sprak vloeiend Punisch en werd in zekere mate geschoold in het Grieks en het Latijn. Hij wou meer studeren, meer les krijgen dan hij effectief ontving  en hij speelde als kind vaak spelletjes waarin hij de rol van rechter vervulde. Op de leeftijd van 17 jaar, in het jaar 62 gaf hij een openbare redevoering te Leptis en kort daarna vertrok hij naar Rome om er te studeren.

[37] SHA. Severus. 1,5 (z.b.2)

[38] SHA. Severus. 2,2 (z.b.2);BARNES (T.D.). “The family and career of Septimius Severus”,p. 89

[39] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 69-70

[40] zie SHA.Geta. 2,4 (z.b.2); Eutropius. 8,12,2; Aurelius Victor. Liber de Caesaribus.20,30 (z.b.2); weerlegd door BARNES (T.D.). “The family and career of Septimius Severus”, p. 91; FRANKE (T.).  “L.Septimius Severus”,p.431: meent echter dat Severus wel actief is geweest als advocatus fisci.

[41] SHA. Severus. 2,3-6(z.b.2)

[42] SHA. Severus. 3,1-8(z.b.2); BARNES (T.D.). “The family and career of Septimius Severus”,p. 92; BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 90-95; FRANKE(T.). “L.Septimius Severus”. p. 431-435

[43] Dio. 74, 3,1(z.b.1); SHA. Severus. 6-10(z.b.2);BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p.71

[44] MILLAR (F.). A Study of Cassius Dio, p. 16

[45] Cfr.infra: p.140-…

[46] BARNES (T.D.). “The family and career of Septimius Severus”,p. 94-107 (citaat p.107)

[47] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 167-168; STEGMANN (H.). “Iulia Domna”. In: Der Neue Pauly.vol 6 (Iul-Lee), 1999, p. 4-5

[48] ILS.440(z.b.2);IRT.410-411 (z.b.2)

[49] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 299

[50] SHA. Severus. 8,1(z.b.2)

[51] SHA. Severus. 20,2(z.b.2)

[52] SHA. Severus. 3,2-3(z.b.2)

[53] SHA. Severus. 3,9(z.b.2); zie ook SHA. Geta. 3,1(z.b.2)

[54] FREZOULS (E.).»Le rôle politique des femmes dans l’Histoire Auguste». In: BONAMENTE(G.) & PASCHOUD(F.)(eds.). Hitoria-Augustae Colloquium Genevense. Bari: Edipuglia, 1994, p. 129

[55] BARNES (T.D.). “The family and career of Septimius Severus”,p. 92; BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 123

[56] Herodianus. 5. 3, 4-6(z.b.1). De Griekse en Romeinse naam voor deze godheid was “Heliogabalus”

[57] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 117

[58] AE.1963,42 (z.b.2);Cfr.infra p.53-… en p.132-…

[59] Voor een gedetaileerde studie van het cognomen “Domna” , zie KETTENHOFEN (E.). “Die Syrische Augustae in der historische Uüberlieferung”.In: Antiquitas, r.3,bd.24,1979,p. 76-78: Het cognomen zou overeenstemmen met het Syrische “Martha”, “domna” in het Grieks. In de Latijnse wereld kan men ‘domna’ geïnterpreteerd hebben als ‘domina’, in overeenstemming met het horoscoopverhaal dat Severus wellicht na zijn overwinning op Didius Iulianus opzettelijk liet verspreiden en we terugvinden in SHA. Severus. 3,8 (z.b.2)

[60] SOUTHERN (P.). The Roman Empire from Severus to Constantine. London & New York:Routledge, 2001,p.28

[61] Dio.78,6,5 (z.b.1);Aurelius Victor. Epitome de Caesaribus, 21,7(z.b.2): “Hij leefde bijna 30 jaar”

[62] Dio.78,5,4(z.b.1)

[63] SHA. Severus. 4,6 en 16,3(z.b.2)

[64] waaronder: KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle,p.162: Hij geeft 186 als geboortejaar maar sluit 4/4/188 niet uit.

[65] BARNES (T.D.). “The family and career of Septimius Severus”,p.93; BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor. p.124 en p.301;BIRLEY (A.R.). “Caracalla”. In: Der Neue Pauly. bd.2,1997,p.980;MAES (E.). De reis van Caracalla naar Egypte (215-216 n.Chr.). Diss.Dept.Klassieke Studies, KUL:Leuven, 1999,p.32-33;SOUTHERN (P.). The Roman Empire from Severus to Constantine ,p.293.

[66] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 124 en p. 297

[67] Tertullianus.ad Scap, 4,6

[68] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 125

[69] SHA.Geta,2,1 (z.b.2)

[70] SHA. Severus. 4,2 (z.b.2);SHA. Geta. 3,1(z.b.2) plaatst zijn geboorte op 27/5/189 en geeft als geboorteplaats Milaan. De geboorteplaats is vrijwel zeker een vervalsing. De geboortedatum is mogelijk, maar niet absoluut zeker. In geen enkele andere bron is een geboortedatum van Geta overgeleverd en het bericht van de Historia Augusta vormt dus het enige bewijs;BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 303; FRANKE (T.). “Geta”. In: Der neue Pauly. vol.4 (Epo-Gro), 1998, p. 1024-1025; KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 165-167

[71] Dio. 74 , 3,1(z.b.1)

[72] cfr.infra: p.29-…

[73] zie PENELLA (R.S.). “Caracalla and his mother in the Historia Augusta”. In: Historia. 29,1980, p. 382-384.

[74] SHA. Severus. 20,2(z.b.2)

[75] Herodianus. 4, 9,3; Herodianus wist dat Iulia Caracalla’s echte moeder was: zie Herodianus. 4, 13,8 en 5,3,2 (z.b.1)

[76] SHA. Severus. 21, 6 (z.b.2); SHA. Caracalla. 10,1(z.b.2):

[77] SHA. Caracalla. 10, 1-4 (z.b.2).De relatie wordt ook vermeld in Aurelius Victor.Epitome de Caesaribus,21,5 (z.b.2)en Eutropius. 8,20 (z.b.2)

[78] Aurelius Victor.Liber de Caesaribus. 21,2-3 (z.b.2)

[79] SHA. Caracalla. 3,3(z.b.2)

[80] PENELLA (R.S.). “Caracalla and his mother in the Historia Augusta”,p. 382-383 spreekt over “Neronization” van Caracalla

[81] Cfr.infra: p.42-…

[82] Cfr.infra p.168-…

[83] SHA. Severus. 4,3(z.b.2)

[84] Dio.73,14,3-...(z.b.1);SHA. Severus. 4,2(z.b.2); KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle,p.156

[85] SHA. Severus. 5,1-2(z.b.2)

[86] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 159

[87] Loopbaan van Cilo:ILS.1141 en 1142 (z.b.2). Voor de opvoedende rol:Dio.77,4,2 en 4,4 (z.b.1): Caracalla noemde hem later zijn leermeester en weldoener en zou hem zelfs “vader” genoemd hebben.Cfr.infra p.121

[88] De senaatszitting werd beschreven door Dio Cassius als ooggetuige: Dio.73,12

[89] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 160

[90] Heel wat senatoren steunden Albinus: Dio 73,13,5; Herodianus,2,7,8-9.

[91] Dio.73. 15,1-2 (z.b.1)

[92] SHA. Severus. 5,5(z.b.2)

[93] SHA. Didius Iulianus. 8,2-8; SHA.Severus.5,9-10; Dio.73,17,3-5. De vergoddelijking van Pertinax werd ook herdacht in de muntslag: RIC.4,p.94,nr.24

[94] Dio 74,4,1-5,6

[95] RIC.4,p.92-...:De eerste munten die in zijn naam te Rome werden geslagen dragen de naam:“IMP. CAESAR LUCIUS SEPTIMIUS SEVERUS PERTINAX AUGUSTUS”.

[96] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda, p.33

[97] Dio.75,7,4

[98] Voor de  damnatio memoriae van Commodus zie Dio 73,2,1

[99] Dio 76,9,4(z.b.1)

[100] SHA. Severus. 10,6 (z.b.2)

[101] SHA. Severus. 12,8(z.b.2)

[102] Herodianus.3,10,5(z.b.1); Eutropius. 8,19,2 (z.b.2)

[103] SHA. Severus. 10, 3 (z.b.2)

[104] RIC.4,p.66;p.99,nr.72: “SEVERI AUG.PII FIL.”;p.99,nr.65-67:”DIVI M. PII F.” (IMP. VII=in 195)

[105] AE.1971,28 (z.b.2)

[106] CIL.8, 9317 (z.b.2); BAHARAL (D.). “Portraits of the emperor L. Septimius Severus”, p. 575

[107] ILS. 8805 (z.b.2)

[108] zie SASEL (S.). “Dolichenus-Heiligtum in praetorium Latobicorum”. In: ZPE. 50, 1983, p. 205: Amper 5 dagen later volgde de oorlogsverklaring aan het adres van Albinus.

[109] RIU.862(z.b.2); de inscriptie werd grondig onderzocht door SOPRONI (S.). “Die Caesarwürde Caracallas und die Syrische Kohorte von Szetendre”, p.39-53

[110] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.21; SOPRONI (S.). “Die Caesarwürde Caracallas und die Syrische Kohorte von Szetendre”, p.41-43.

[111] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p.167: De verlening wordt precies gedateerd door het papyrus,BGU,362,11:15-17

[112] SOPRONI (S.). “Die Caesarwürde Caracallas und die Syrische Kohorte von Szetendre”, p.42.

[113] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p.156-165:Severus vierde zijn dies imperii op 9 april en zijn verjaardag op 11 april. Caracalla werd geboren op 4 april en liet het leven op 8 april.

[114] SOPRONI (S.). “Die Caesarwürde Caracallas und die Syrische Kohorte von Szetendre”, p. 42

[115] SASEL (S.). “Dolichenus-Heiligtum in praetorium Latobicorum”,p.204

[116] Loopbaan van Cilo:ILS.1141 en 1142 (z.b.2)

[117] SOPRONI (S.). “Die Caesarwürde Caracallas und die Syrische Kohorte von Szetendre”, p.42

[118] Herodianus.3,6,8; SHA. Severus. 10,2

[119] SHA. Severus. 10,3(z.b.2)

[120] SASEL (S.). “Dolichenus-Heiligtum in praetorium Latobicorum”,p.207; SOPRONI (S.). “Die Caesarwürde Caracallas und die Syrische Kohorte von Szetendre”, p. 43

[121] SHA. Severus. 10, 4 (z.b.2)

[122] die is daar als legatus pro praetore in 195 geattesteerd: CIL.3, 905

[123] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 190; SOPRONI (S.). “Die Caesarwürde Caracallas und die Syrische Kohorte von Szetendre”, p.43: meent eveneens dat de plaats en het tijdstip kan gekozen zijn met het oog op het temperen van Geta’s ambities.

[124] SHA. Severus. 10,5;cfr. ook SHA. Geta. 1,1-4(z.b.2)

[125] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 165-166.

[126] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 193; SASEL (S.). “Dolichenus-Heiligtum in praetorium Latobicorum”,p. 206.

[127] zie ILS 1143= CIL.8, 7062 (z.b.2) :direct na de eindoverwinning wordt P.Porcius Optatus Flamma naar Pannonia gestuurd “legati ab amplissimo s[enatu] ad eumdem dominum [ i]mp. in Germaniam et [ad] Antoninum Caes. [im]p. destinatum in Pannoni[am] missi... “

[128] GESZTELYI (T.).”Über die Porträts des Septimius Severus und Caracalla als Spiegel der Verbindung Roms mit dem Osten”. In: Acta Classica. 22,1986,p.27

[129] Codex Iustinianus.2,50,1 (z.b.3), Zijn legaat begon vanaf 197, en duurde tot 201, maar waarschijnlijk was hij reeds langere tijd ter plaatse actief (Loopbaan van Cilo:ILS.1141 en 1142 :z.b.2)

[130] SHA. Severus. 14,3(z.b.2);SASEL (S.). “Dolichenus-Heiligtum in praetorium Latobicorum”, p. 206: het accent ligt in de passage op “Antoninum” en “imperatoris insignibus”; waaruit men kan afleiden dat het de naamsverandering (en dus zelfadoptie) en de bevestiging van de Caesar- titel betrof. De SHA plaatst de senaatszitting verkeerdelijk na de oorlog tegen Albinus.

[131] ILS. 418(z.b.2) :want op 18 september 196 leidt hij nog de plechtigheid rond de 100e verjaardag van Nerva’s troonsbestijging;cfr.RIC,4,p.102,nr.91

[132] GESCHE (H.). “Die Divinisierung der römischen Kaiser in ihren Funktion als Herrschaftslegitimation”. In: Chiron. 8, 1978, p. 387-388

[133] RIC.4,p.212,nr.2:”SECURITAS PERPETUA”;nr.5:”SPEI PERPETUAE”

[134] Onder de senatoren waren er wel bedenkingen: Dio 76,9,4(z.b.1)

[135] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda, p.34-42: Chapter 2 “Did Severus prepare a political base for his adoption?”

[136] Dio. 74. 3,1(z.b.1)

[137] BAHARAL (D.).”Portraits of the Emperor L. Septimius Severus”, p. 574-575; BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.22

[138] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.35 en p.40; MILLAR (F.).A Study of Cassius Dio, p. 17

[139] MILLAR (F.).A Study of Cassius Dio, p.16 en p.29

[140] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.38-39: De precieze duur van het verblijf in Rome is onzeker. Hij schijnt in Rome aangekomen te zijn tussen 1 en 9 juni en op 27 juni was hij er nog aanwezig. Wellicht is hij kort daarna vertrokken en is hij niet langer dan dertig dagen in Rome gebleven. Voldoende tijd om de nodige maatregelen te treffen in verband met de muntslag en de portretkunst en andere organiserende activiteiten.

[141] BAHARAL (D.). “Portraits of the emperor L. Septimius Severus”, p. 575-577, p. 579-580

[142] BAHARAL (D.). «The portraits of Iulia Domna”, p. 112 en 116; BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.28-33: Met een uitstekende vergelijking van Iulia Domna’s portretten met Faustina de Jongere(p.28-31), Caracalla met Commodus en Geta met Annius Verus.

[143] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.34 en p. 38-39

[144] Dio. 74.1,2;3,1;7,6-7; Herodianus. 3,3,6-8; SHA. Severus. 9,9-11

[145] Dio 71. 8, 1-4; SHA. Marcus Aurelius , 24,4; BAHARAL (D.). “Portraits of the emperor L. Septimius Severus”,p.575

[146] BAHARAL (D.).Victory of Propaganda. p.22 ,p.35 en p.41

[147] zie daarvoor BAHARAL (D.). “The portraits of Iulia Domna”, p. 111-118

[148] Dio 71, 10,5(z.b.1); SHA. Marcus Aurelius. 26,8(z.b.2);

[149] LUSNIA (S.). “Iulia Domna’s coinage and Severan Dynastic Propaganda”. In: Latomus. 54, 1995, p. 123.

[150] zie bv.:RIC. 4,p. 83; p. 168f.: nr 563, 567-569;p. 179: nr. 650; p. 209f: nr. 860, 880f, 884; Op basis van een papyrus (BGU,362,11,15-17)dateert men de titelaanname op 14 april 195; cfr. KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 167; KUHOFF (W.).”Zur Titulatur der römischen Kaiserinnen während der Prinzipatszeit”. In: Klio. 75, 1993, p. 252; LUSNIA (S.). “Iulia Domna’s coinage and Severan Dynastic Propaganda”. In: Latomus. 54, 1995, p. 123.

[151] de vroegste epigrafische attestatie van deze titel voor Iulia Domna vormt CIL. 8. 1482 uit 195 (z.b.2)

[152] Dio 74.1-4 (z.b.1)

[153] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 162-167.

[154] SHA. Marcus Aurelius. 26,8(z.b.2); volgens BAHARAL (D.). “The potraits of Iulia Domna”, p.113 zou Dio. 71.10 (z.b.1)aantonen dat Faustina meeging op veldtocht en SHA. Severus. 8,11(z.b.2) dat ook Iulia Domna dit deed. In de vermelde fragmenten is daar echter geen sprake van.

[155] KETTENHOFEN (E.). Die Syrische Augustae ,p.79;KUHOFF (W.). “Zur Titulatur der römischen Kaiserinnen”, p. 252

[156] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.22

[157] KETTENHOFEN (E.). Die Syrische Augustae,p.80;LUSNIA (S.). “Iulia Domna’s coinage and Severan Dynastic Propaganda”,p. 138

[158] LUSNIA (S.). “Iulia Domna’s coinage and Severan Dynastic Propaganda”,p. 122-123.

[159] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.31-33

[160] CIL 8, 9035 (z.b.2)

[161] CIL.8, 11323 (z.b.2)

[162] BAHARAL (D.). Victory of Propaganda. p.22-23: De titel propagator komt ook voor op munten van Caracalla en Plautilla.Cfr.RIC,4,p.222,nr.67:”PROPAGO IMPERII”

[163] Cfr.infra p.38-…

[164] bijvoorbeeld (z.b.2):CIL.8,1333,5699; ILS.418,420,422,431,448,449,454,458,1141

[165] In hetzelfde jaar als Severus’ adoptie zien we in Mauretania Caesariensis een inscriptie aan hem geweid worden die hem vermeldt met de gehele afstamming tot de vergoddelijkte Nerva.Zie: CIL. 8, 9317(z.b.2)

[166] ILS.1143 =CIL.8, 7062 (z.b.2)

[167] ILS. 2185 (z.b.2)

[168] RIC.4,p.212-214,nr.6-17:”M. AUR. ANTON. CAES. PONTIF.”;p.212,nr.6:»DESTINATO IMPERAT.».

[169] RIC.4, p.213,nr.13a:»PRINCIPI IUVENTUTIS»

[170] «princeps iuventutis” (+ ‘imperator destinatus’): bv. CIL.8, 10569 (z.b.2)

[171] Herodianus. 3, 8,9 (z.b.1)

[172] SHA. Severus. 14,11(z.b.2);RIC.4,p.103,nr.106

[173] Voor Plautianus,cfr.infra p.42-…

[174] Cfr.infra: p.150-…

[175] Tegen de Parthische koning Vologaeses, die na de verovering van ctesiphon was kunnen ontkomen. Dit is niet onbelangrijk met het oog op de latere oorlog die Caracalla voerde tegen de Parthen.

[176] SHA. Severus. 16,3-4(z.b.2);cfr. ook SHA. Geta. 5,3 (z.b.2);RIC.4,p.314-...; In inscripties werd Geta aangeduid met de titel “nobilissimus Caesar”: bv.ILS.422(z.b.2)

[177] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: the African Emperor, p. 202; SASEL (S.). “Dolichenus-Heiligtum in praetorium Latobicorum”,p. 207

[178] CIL.8,2465 (z.b.2): De tekst bevatte oorspronkelijk ook de naam van Geta, maar die werd verwijderd als gevolg van de latere “damnatio memoriae”. De restauratie toont Geta nog zonder Caesar-titel, nochtans is het vrij zeker, op basis van de Historia Augusta dat hij benoemd werd gelijktijdig met Caracalla.Cfr.KIENAST (D.).Römische Kaisertabelle,p.166

[179] RIC.4,p.214,nr.18-...

[180] RIC.4,p.103 ,nr.107: “IMP. X”van Severus met op de keerzijde “ANNONAE AUGG.”;p.104,nr. 110: “FORTUNAE AUGG.”;p.105,nr.119a:”SALUTI AUGG.”;nr.120:’VICT. AUGG. COS. II P. P.’

[181] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p.158 en p. 162.

[182] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p.156: denkt dat Ctesiphon eind oktober 197 gevallen is.

[183] RUBIN (Z.).”Dio, Herodian and Severus’ second Parthian War”. In: Chiron. 5,1975,p.435-437.

[184] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 162; RUBIN (Z.). ”Dio, Herodian and Severus’ second Parthian War”,p. 436

[185] RIC.4,p.215-216; KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 163: “trib.pot.I: 28 jan.(?)-9 dez.198”

[186] RIC.4, p.214-216; KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p. 163

[187] Dat Geta de titel “nobilissimus Caesar” droeg in 198 blijkt uit ILS, 422 (z.b.2); RIC.4,p.316,nr.17-19:”PRINC. IUVENTUT.»

[188] Dio 75,13,1-2(z.b.1); SHA. Severus. 17,1-4(z.b.2)

[189] Men dateert het verblijf in Alexandrië tussen december 199 en april 200 op basis van een papyrus (P.Columbia.123); CHRISTOL (M.). L’empire romain dus 3e siècle, p. 63 (5)

[190] Dio. 75. 13, 2(z.b.1)

[191] Cfr.infra:p. 156-…

[192] Cfr.CIL.6,1030 (z.b.2):”COS. DESIGNATO”.In Rome verscheen er vanaf 202 een speciale munt in naam van Caracalla die het consulaat herdenkt: RIC,4,p.223,nr.73a: “AUGUSTI COS.”

[193] SHA. Severus. 16,8(z.b.2); cfr.CIL.6,862 (z.b.2)

[194] in het jaar 161 bekleedden Marcus Aurelius en Lucius Verus samen het consulaat, maar vóór dat ze samen keizer waren.

[195] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 210-211

[196] MILLAR (F.). The Emperor in the Roman world, p. 49

[197] SHA. Caracalla. 1,7(z.b.2)

[198] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 212.

[199] KIENAST (D.).Römische Kaisertabelle, p.163

[200] Cfr.RIC,4,p.74-75 (inleiding van Mattingly): Net als zijn vader komt hij voor als “RESTITUTOR URBIS” en als “RECTOR URBIS”(p.218,nr.39 en 41). Hij deelt met zijn vader het “AEQUITAS AUGG.”-type; waarmee wordt aangeduid dat hij deelt in de praktische taken van de administratie (p.217,nr.31).

[201] bv. brief van Severus en Caracalla uit 201: ILS. 423(z.b.2); vbden van rescripten van Severus en Car: Digesta. 49, 15, 9;Dig. 38,17,1,3; Dig. 1,16,6,3 ;Dig. 1,21,4pr;Dig. 26, 10, 1, 4; Dig. 48,21,2pr.;Dig. 48, 22, 7, 10;Dig. 22,6,9,5; Dig. 26,10,7,2;Dig.50,2,3,1;Codex Iustinianus. 6, 35,1; Codex Iustinianus. 8,50,1

[202] Zo gaf Caracalla in 206, samen met Severus, een toespraak voor de senaat, mogelijk zijn eerste: Dig.24,1,32 (z.b.2)

[203] cfr.BIRLEY (A.R.).”Septimius Severus”.In: CLAUSS (M.).Die römischen Kaiser. p.184: “Waarom Geta, hoewel hij maar 11 maanden jonger was dan Caracalla, pas meer dan 11 jaar later tot Augustus werd benoemd, weten we niet.”

[204] KIENAST (D.).Römische Kaisertabelle, p.137 en p.143

[205] SHA.Marcus Aurelius, 12,8(z.b.2);SHA.Commodus, 1,10;2,4;11,13 en 12,4 (z.b.2);Cfr.BIRLEY (A.R.). Marcus Aurelius: A Biography. London: B.T.Batsford Ltd.,1987,p.45,147,162,195-197,232

[206] De terugkeer werd in de muntslag herdacht met een “PROFECT.AUGG.FEL.”-type:RIC.4,p.112,nr.165

[207] CHASTAGNOL (A.). “Les fêtes décennales de Septime Sévère». In: Bulletin de la Société Nationale des antiquaires de France. 1984, p. 91-107. Zie ook: FREYBURGER (M.L.). “Decennalia”. In: Der Neue Pauly. bd.3,1997,,p. 343-344

[208] CHASTAGNOL (A.). Les fêtes décennales de Septime Sévère, p. 92-93; CHRISTOL (M.). L’Empire romain du 3e siècle, p. 30; FREYBURGER (M.L.). «decennalia», p. 343

[209] RIC.4,p.114-115,nr.177-186

[210] CHASTAGNOL (A.). «Les fêtes décennales de Septime Sévère», p. 96 en p.104

[211] MILLAR (F.). A Study of Cassius Dio,  p.17: In de periode 202-208 verbleef Severus constant, met uitzondering van een overwintering in het jaar 203 te Leptis Magna in Africa, in Italië. Het was tijdens deze periode dat Cassius Dio zijn eerste consulatus bekleedde; hij werd in 205 of in 206 consul suffectus. In deze periode behoorde Dio ook tot de amici van de Severus en nam hij als dusdanig deel aan het keizerlijke consilium. Later zal hij de rol van amicus van de keizer ook spelen onder Caracalla’s alleenheerschappij. Zijn relaas over deze periode bevat dan ook heel wat incidenten die hij zelf heeft meegemaakt.

[212] Dio. 76. 1,1(z.b.1)

[213] Herodianus. 3, 10,2(z.b.1)

[214] CHASTAGNOL (A.). «Les fêtes décennales de Septime Sévère», p. 98

[215] Dio. 76,1,3-5(z.b.1)

[216] “VOT.SUSC.DEC.”(“vota decennalia”)Op een munttype van Severus:RIC,4,p.115,nr.186 en op een munttype van Caracalla RIC.4,p.222,nr.68

[217] Cfr.infra:p.82-…: Severus zou op zijn sterfbed zijn laatste woorden gericht hebben tot zijn zoons met de raad: “: “Wees harmonieus, verrijk de soldaten en veracht alle andere mannen”,Dio 76, 15, 2-3 (z.b.1)

[218] muntemissies uit 202 herdenken de Parthische overwinning en het huwelijk:RIC.4,p.115,nr.184-185 (Severus: “PART.MAX.”). Het huwelijk werd herdacht met een type met op de voorzijde Caracalla als Augustus en op de keerzijde Plautilla als Augusta:RIC,4,p.222,nr.66.

[219] Herodianus.3,10,1(z.b.1)

[220] Dio.76.1,3(z.b.1)

[221] SHA. Severus. 16,6(z.b.2)

[222] CHASTAGNOL (A.). “Les fêtes décennales de Septime Sévère», p. 102

[223] SHA. Severus. 14,7 en 16,7(z.b.2)

[224] CHASTAGNOL (A.). «Les fêtes décennales de Septime Sévère», p. 102-103

[225] “PART.MAX.”:Cfr.RIC.4,p.220,nr.54-55(201),p.222,nr.63-65(202)

[226] Het huwelijk werd herdacht met een type met op de voorzijde Caracalla als Augustus en op de keerzijde Plautilla als Augusta:RIC,4,p.222,nr.66.

[227] algemeen over Plautilla zie PIR²,F,564;ECK (W.).”Pu(blia)F.Plautilla”. In: Der Neue Pauly.bd.4,1998,p.702.;KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p.165

[228] Dio 76. 1,2(z.b.1)

[229] CHASTAGNOL (A.). «Les fêtes décennales de Septime Sévère», p. 103

[230] bv.ILS,456 (z.b.2). Er kwamen een aantal muntemissies in haar naam:  RIC.4, p.269-p.271 nrs.359-373; bv.RIC.4, p.309,nrs 578-582

[231] Er kwamen muntemissies met Plautilla op de voorzijde en op de keerzijde legenden als: “CONCORDIA”: RIC.4,p.269,nr.360,370,372;”CONCORDIA AUGG.”: bv.RIC.4,p.269, nr.359,363,364,372,580; “CONCORDIAE AETERNAE”: RIC.4,p.269,nr.361;”CONCORDIA FELIX”: RIC.4,p.270,nr.365

[232] RIC,4,p.78 (Mattingly):Er kwamen munten van Plautilla met de legenden: “VENUS FELIX”: RIC.4,p.270,nr.368; “VENUS VICTRIX”: RIC.4,p.270,nr.369: Zij wijzen op een Plautilla gelukkig en succesvol is in de liefde van haar echtgenoot.”DIANA LUCIFERA”: RIC.4,p.270,nr.366: Diana Lucifera was de godin waaraan men offerde voor een gelukkig en vruchtbaar huwelijk.

[233] Dio.76, 3,1(z.b.1)

[234] Dio.75,15,7(z.b.1)

[235] Dio. 75,14,4 – 5(z.b.1)

[236] Herodianus.3,10,8(z.b.1)

[237] Cfr.infra: p.65-…en p.84-…

[238] Dio. 75,15,2(z.b.1)

[239] MATTINGLY (H.) & SYDENHAM (E.A.). The Roman Imperial Coinage:vol 4: Pertinax to Geta.p.78: Een bepaald type munt van Plautilla(RIC.4,p.270,nr.367) zou er mogelijk kunnen op wijzen dat zij toch een kind kregen. De keerzijde bevat de legende “PIETAS AUGG.”en toont ‘pietas’ met een scepter en een kind. Een kind is echter nergens geattesteerd en lijkt zeer onwaarschijnlijk gezien de sterk verstoorde relatie en de latere verbanning en terechtstelling van Plautilla.

[240] Herodianus. 3,10,6(z.b.1)

[241] SHA. Severus. 14,5(z.b.2)

[242] Herodianus. 3, 10,6(z.b.1)

[243] zie PIR²F.554; ECK (W.). “C.F. Plautianus”. In: Der Neue Pauly.bd.4,1998,p.708-709; ZWALVE (W.J.). Keizers,soldaten en juristen, p.21

[244] PIR²,F.554; ECK (W.). “C.F. Plautianus”. In: Der Neue Pauly.bd.4,1998,p.708-709

[245] Het precieze begin van Plautianus’ prefectuur is onzeker. Hij is met zekerheid als praetoriaans prefect en als clarissimus vir geattesteerd op 9 juni van het jaar 197, hij komt dan voor in inscripties als “C. FVLVIO PLAVTIANO PR. PR. C. V.” : zie ILS. 2185 (6/6/197: z.b.2); andere voorbeelden CIL.6,220, 227 (z.b.2); ECK (W.). “C.F.Plautianus”, p. 708. ZWALVE (W.J.). Keizers,soldaten en juristen,p.146 (18): meent dat het waarschijnlijk is dat Severus Plautianus al vroeger benoemde, misschien reeds kort na zijn machtsgreep, maar daarvoor is er geen bewijs.

[246] Herodianus.3,11,2(z.b.1); zie ILS.2354,4176,6028,8698 b (203:z.b.2)

[247] PIR²,F,554; BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 294-296; ECK (W.).”C.F.Plautianus”, p.708

[248] “necessarius”:AE, 1951, 228; AE.1973, 572(z.b.2)

[249] PIR²,F,554

[250] SHA. Severus. 6,10-11(z.b.2)

[251] CIL.6, 1074 (z.b.2); ILS.456 (z.b.2)

[252] PIR²,F,554; ECK (W.). “C.F.Plautianus”, p.708

[253] Dio. 75.15,1-2a (z.b.1): èote...kai tina tolmhsai grfafein pros auron, pros tetarton Kaisara

[254] Dio. 75. 14,1en 14,6(z.b.1)

[255] Dio 75. 14,2(z.b.1)

[256] SHA. Severus. 15, 4(z.b.2)

[257] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 203; CHRISTOL (M.). L’empire romain dus 3e siècle, p. 29; SOUTHERN (P.). The Roman Empire from Severus to Constantine, p. 46-47

[258] Dio. 75.10,3(z.b.1)

[259] CHRISTOL (M.). L’empire romain du 3e siècle, p. 29; zie ILS. 1140 (z.b.2)) voor cursus honorum: “...adversus rebelles H(ispaniae) h(ostes) p(opuli) R(omani) item Asiae item Noricae...”: zijn naam werd eerst verwijderd van de inscriptie, waarschijnlijk onder impuls van Plautianus, en later opnieuw hersteld, waarschijnlijk na de val van de prefect.

[260] ZWALVE (W.J.). Keizers,soldaten en juristen. p.22

[261] Cfr.infra: p.53-…

[262] Dio. 75. 15, 1(z.b.1)

[263] Dio. 75.14,3(z.b.1)

[264] Herodianus.3,10,6-7(z.b.1)

[265] Herodianus. 3, 11,3(z.b.1)

[266] Herodianus.3,11,2(z.b.1)

[267] Dio. 75.14,7(z.b.1); Herodianus.3,11,2(z.b.1)

[268] Dio. 75,15,2(z.b.1)

[269] Dio. 75.15,4-5(z.b.1)

[270] MILLAR (F.). The emperor in the Roman world, p. 129

[271] Dio. 75. 14,4-5; 15,3 en 15,7(z.b.1)

[272] Dio. 75.15,6(z.b.1); zie KETTENHOFEN (E.). Die Syrische Augustae,p.13-16:”Der Zirkel der Iulia Domna”

[273] Philostratus. Vita Apolloni. boek 1, 3 (z.b.2); Philostratus. Vitae Sophistarum. 2,30(622).

[274] LUSNIA (S.). «Iulia Domna’s Coinage and Severan Dynastic Propaganda». In: Latomus. 54, 1995, p. 130;Cfr.RIC.4,p.166-171;p.208-211

[275] Ze worden vermeld door Dio als familieleden van Iulia: Dio. 78.30,2(z.b.1); verder over Iulia’s familie: Herodianus.5,3,1-3(z.b.1)

[276] Avitus: zie AE.1963, 42(z.b.2); Marcellus: ILS.478 (z.b.2)

[277] Cfr.infra: p.133-…;HALFMANN (H.).“Zwei syrische Verwandte des severischen Kaiserhauses”.In: Chiron. 12,1982,p.224-225

[278] zie Herodianus.5,3,2(z.b.1)

[279] Over de “Syrische princessen” zie KETTENHOFEN (E.).Die Syrische Augustae, 333p’s.

[280] ZWALVE (W.J.). Keizers,soldaten en juristen, p.44-45.

[281] SHA.Geta. 1,5 (z.b.2): Volgens het vita besloot Severus daarop ook Geta Antoninus te noemen, maar dit is zeker een vervalsing, want de naam is voor Geta nergens geattesteerd.

[282] SHA.Severus, 20,2 (z.b.2)

[283] cfr.infra: p.91-…

[284] Volgens een korte vermelding in de SHA.Caracalla. 1,7-8 (z.b.2)begon Caracalla Plautianus te haten omwille van diens wreedheid: “Plautiani odium crudelitatis causa concepit.»; uiteraard is dit één van de vele factoren (naast die, aangehaald in de loop van dit hoofdstuk) die zijn haat genereerden.

[285] Cfr.supra: p.45-...

[286] Dio.76,2,5 en 3,1 (z.b.1)

[287] Cfr.infra: p.84-…en p.117-…; Plautianus vormde het eerste slachtoffer, later keerde Caracalla zich ook tegen Evodus, Castor, Papinianus en Fabius Cilo

[288] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 217-219

[289] Herodianus.3,11,2(z.b.1); zie ILS.2354,4176,6028,8698 b (203:z.b.2)

[290] LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare ,p. 66.

[291] CHASTAGNOL (A.). Le Senat Romain à l’époque impériale, p. 158;LEUNISSEN (P.M.M.). Konsuln und Konsulare, p. 97-98

[292] Uit Leptis Magna:AE.1951, 228 (z.b.2); AE. 1973, 572 (z.b.2)

[293] Uit Leptis Magna:ILS. 8918 (z.b.2): “...Pii sponsae...”

[294] Dio. 75.16,2(z.b.1)

[295] SHA. Severus. 14,7(z.b.2)

[296] Dio. 75.16,2(z.b.1)

[297] SHA. Severus. 14,5-7(z.b.2)

[298] KIENAST (D.).Römische Kaisertabelle, p.157

[299] Algemeen over de “Saeculares Ludi”: HAASE (M.). “Saeculares Ludi”. In: Der Neue Pauly. Bd.10,2001, p.1207-1208

[300] CHRISTOL (M.). L’empire romain dus 3e siècle, p. 32; Herodianus.3,8,9 (z.b.1): geeft aan dat er drie generaties verstreken waren sinds de saecularia waren gevierd. Al het volk uit Rome en Italia werd uitgenodigd.

[301] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 224

[302] Herodianus.3, 8,9(z.b.1)

[303] Volgens Dio liet Severus een tempel bouwen ter ere van Bacchus en Hercules en we kunnen vermoeden dat dit gebeurde in het kader van de saecularia waarin die goden een belangrijke rol kregen toegewezen (cfr.Dio.76,16,3:z.b.1a). Ze komen ook voor op de munten die in het kader van het evenement werden uitgevaardigd: RIC.4,p.123,nr.257;p.194-195,nrs.761,762,763b,764a,765. Van Caracalla verscheen er een gouden munt met de legende “DI PATRII” en een afbeelding van Bachus en Hercules: cfr.RIC,4,p.224,nr.76

[304] Cfr.infra:p.156-…

[305] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 227- 229; CHRISTOL (M.). L’empire romain du 3e siècle, p. 32-33

[306] GORRIE (C.). “The Severan Building programme and the Secular Games”. In: Athenaeum. 90,2,2002,p. 461-481.Ook bij de voorgaande keizers die de saecularia hadden gevierd was er een hernieuwde bouwactiviteit vast te stellen, gestart specifiek met het oog op het evenement. En dan vooral bij Augustus en Domitianus, en in mindere mate bij Claudius en Antoninus Pius.

[307] Zijn bouwprogramma in Rome werd ook herdacht in de muntslag, waarbij Severus “RESTITUTOR URBIS” werd genoemd.Zie: RIC,4,p.127,nr.288-289; ook van Caracalla verscheen een munt met dezelfde legende:cfr. RIC,4,p.223,nr.142; evenals van Geta Geta::RIC.4,p.321,nr.52-53

[308] zie CIL.6,36934(204: z.b.2). Op het Forum werden er nog talrijke kleinere dedicaties gevonden die geassocieerd worden met de keizerlijke familie. Zie bv. CIL.6, 36898,36901,36921,36927,36929,36932,36933

[309] Voor een uitstekende studie over het bouwprogramma met een bespreking van de verschillende verwezenlijkingen zie GORRIE (C.). “The Severan Building programme and the Secular Games”. In: Athenaeum. 90,2,2002,p. 461-481.

[310] Caracalla:RIC,4,p.233,nr.142; Geta:RIC.4,p.321,nr.52-53

[311] Dio. 76. 2,4(z.b.1)

[312] Herodianus.3,11,3(z.b.1)

[313] Dio. 76,2,5(z.b.1)

[314] Dio 76,3,1(z.b.1)

[315] HOHL (E.).”Herodian und der Sturz Plautians”.In: SDAW. 2,1956,p.37; MILLAR (F.). A study of Cassius Dio. p. 18

[316] Dio 76,3, 2-4(z.b.1)

[317] Dio.76, 3,4(z.b.1)

[318] Dio 76,4,2-5(z.b.1)

[319] Hij spreekt er vaak over in de eerste persoon, dus uit eigen observatie. Hij geeft in zijn verslagen over de senaatszittingen ook steeds de indruk dat hij deze gebeurtenissen als een passieve deelnemer meemaakte, als iemand die de zitting niet onderbreekt om zelf het woord te nemen. Zie ook: MILLAR (F.). A study of Cassius Dio, p. 18

[320] Dio 76,5,1-3(z.b.1)

[321] cfr. infra: p.84-…

[322] Dio 76,6,1(z.b.1)

[323] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 233

[324] Herodianus.3,11,3-8(z.b.1)

[325] Herodianus.3,12,1-12(z.b.1)

[326] Herodianus was ook een Syriër en maakt van Saturninus dus een landgenoot.cfr. supra: p.7-…

[327] HOHL (E.). ”Herodian und der Sturz Plautians”,p. 38-39

[328] KETTENHOFEN (E.). Die Syrische Augustae, p.11

[329] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 234

[330] HOHL (E.). ”Herodian und der Sturz Plautians”,p. 41: meende dat het zeer onwaarschijnlijk is dat herodianus putte uit Cassius Dio, maar dat beide auteurs mogelijk gebruik maakten van een ons onbekende gemeenschappelijke bron. Uit onderzoek is echter gebleken dat Herodianus veelvuldig gebruik maakt van het werk van Dio, maar de informatie dan steeds op zijn eigen, typische manier heeft verdraaid. (cfr.supra p.7-…)

[331] MILLAR (F.).A Study of Cassius Dio, p.138

[332] Dio 76,6,3(z.b.1)

[333] Herodianus. 3, 13, 2-3(z.b.1); Herodianus laat ze verbannen naar Sicilia: mogelijk verwarde hij beide eilanden die dicht bij elkaar liggen, of mogelijk behoorde Lipara administratief tot Sicilia.

[334] Enkele goede voorbeelden van de damnatio memoriae van Plautianus in inscripties:AE.1951,228; 1973,572; ILS.427,456,2163,2185-2186 (z.b.2).

[335] KUHOFF (W.). «Iulia Aug.mater aug.n. et castrorum et senatus et patriae». In: ZPE. 97, 1993, p. 264

[336] zie CIL.3,1464 = ILS.1370 (z.b.2)

[337] cfr.infra: p.84-…;Dio. 77,1,1(z.b.1)

[338] Herodianus.3,13,1(z.b.1)

[339] zie CIL.6,228 (28/5/205: z.b.2)

[340] PIR²,M,54

[341] PIR²,A,388; ZWALVE (W.J.). Keizers,soldaten en juristen. p.19-53 geeft een uitstekend portret van Papinianus.

[342] SHA. Caracalla. 8,2(z.b.2)

[343] PIR²,A,388;BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p.236-237; CHRISTOL (M.). L’empire romain du 3e siècle, p. 35 en p.64(1); SOUTHERN (P.). The Roman Empire from Severus to Constantine, p. 47.; ZWALVE (W.J.). Keizers, soldaten en juristen,p.22.

[344] ZWALVE (W.J.). Keizers,soldaten en juristen, p.47

[345] KUHOFF (W.). “Iulia Aug. mater Aug. n.et castrorum et senatus et patriae”, p. 264-266, 270; zie CIL.6,1035 (203:z.b.2)De inscriptie op de Argentarii-boog op het forum Boarium die in 203 werd opgericht waarop kort na de dood van Plautianus zijn naam werd verwijderd, evenals die van Plautilla, en Iulia’s nieuwe titulatuur werd toegevoegd.

[346] Dio. 76.7,1(z.b.1)

[347] In deze periode zien we ook dat Caracalla, vermoedelijk voor het eerst, een toespraak hield voor de senaat; en dit in naam van zijn vader. Inhoudelijk ging de rede over de regeling van schenkingen tussen echtgenoten, waarbij de gestrengheid van het regime werd versoepeld. Een materie waarbij hij sinds zijn recente echtscheiding niet meer rechtstreeks was betrokken: Dig. 24,1,32(z.b.2)

[348] Herodianus.3,13,1(z.b.1)

[349] Dio. 76. 7,1(z.b.1)

[350] Herodianus. 3,10,3 (z.b.1)

[351] Herodianus.3,13,2 (z.b.1)

[352] Dio. 76. 7, 2 (z.b.1)

[353] Herodianus.3,10,3-4 (z.b.1)

[354] SHA. Caracalla. 9,3(z.b.2)

[355] SHA. Caracalla. 2,3 (z.b.2)

[356] Herodianus.3,10,3-4 (z.b.1)

[357] Herodianus.3,10,4 (z.b.1)

[358] Herodianus.3,13,1-2 (z.b.1)

[359] De aurei tonen op de voorzijde Septimius Severus en op de keerzijde Caracalla en Geta met de legende “CONCORDIA AUGUSTORUM” en ze verschijnen reeds vanaf 202; 3 emissies doorheen Severus’ heerschappij: RIC.4,p.123:nr.255(tussen 202 en 210); RIC.4,p.234 :nr.152 (206-210);RIC.4,p.133:nr.330 (210-211). Andere concordia- typen: RIC.4,p.334,nr.134 (203-208);RIC.4,p.338,nr.164 en 165 (209-210): Geta op de voorzijde en op de keerzijde de legende “CONCORDIA AUGUSTORUM SC”

[360] 205: RIC.4,p.225,nr.80-82 (Caracalla);p.318-319,nr.27-38 (Geta); 208: RIC,4,p.228,nr.107;p.321-…,nr.58-…(Geta);KIENAST (D.).Römische Kaisertabelle,p.163 en 166;

[361] In 208 werden er vanuit Britannia heel wat wetten uitgevaardigd.Bvb: Codex Iustinianus:.3,28,4;6,35,2 en 4;8,13,4;8,25,2;8,40,3 (z.b.2).

[362] Bulla Felix leidde een roversbende van rond de 600 man die gedurende 2 jaar (in de jaren 206-207) Italia onveilig maakte. Deze Bulla werd lange tijd opgejaagd en tot Severus’ frustratie wist hij steeds te ontkomen; totdat hij uiteindelijk werd verraden en voor de wilde dieren werd gegooid. Zie Dio.76,10,1-7.

[363] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 243

[364] Herodianus. 3, 14, 1 (z.b.1)

[365] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 244 en p. 337

[366] Herodianus. 3, 14, 2 (z.b.1)

[367] In een voorgaande passage had Dio het schandelijk gedrag van de broers tijdens hun verblijf in Italia al beschreven (cfr. Infra:p.68-…; Dio 76. 7,1). In Dio.76, 11,1-2 (z.b.1): geeft hij kort aan dat Severus een campagne lanceerde tegen de Britten “toen hij zag dat zijn zoons hun levensstijl veranderde en dat de legioenen door hun werkloosheid geënerveerd werden,...,hoewel hij besefte dat hij niet zou terugkeren.”

[368] zie Herodianus.3,14,5 (z.b.1): “Maar Severus was tevreden met een uitstel om te voorkomen dat hij terug naar Rome zou moeten marcheren en hij was nog steeds erg gebrand op het behalen van een Britse overwinning en titel”

[369] zie REED (N.).”The Scottish campaigns of Septimius Severus”.In: Proceedings of the Society of Antiquaries of Scotland, 107,1975-1976, p.92-102

[370] Herodianus.3, 14,3 (z.b.1)

[371] Dio 76. 11(z.b.1)

[372] MILLAR (F.). A Study of Cassius Dio, p. 18

[373] zie CIL.3, 11082 (207:z.b.2): gewijd aan de“overwinningen van de keizers en het legioen I Adiutrix”.Het is ook mogelijk dat de inscriptie de Parthische overwinningen van 198 herdenkt (maar dan wel 9 jaar later)

[374] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 252

[375] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”,p. 98-99.

[376] KIENAST (D.). Römische Kaisertabelle, p.163

[377] BMC. 5, clx: Een munt toont Caracalla met gevangenen en een riviergod, en dit zou goed kunnen passen in het kader van de Britse veldtocht, waar men te maken had met een moeilijk terrein, met vele moerassen en rivieren:cfr.RIC.4,p.227,nr.96. REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 98: De gevangenen zijn dan mogelijk Selgoviae en de rivier is dan mogelijk dee Solway Firth. Andere munttypes beklemtonen de militaire deugd van Caracalla als “VIRTUS AUGG.”, nog andere tonen de oorlogsgod Mars:cfr.RIC.4,p.226-227,nr.88-99,p.236,nr.175-177

[378] cfr BMC.5. clxxv-clxxvi: de legende “ADVENT AUG GALL” ; verder de afbeelding van Severus te paard aan de muren van een stad.

[379] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 98; voor de recripten zie: Codex Justinianus.8,25,2 (12 februari); 2,11,9 (18 februari); 3,28,4 (10 maart): z.b.2

[380] Dio. 76, 12(z.b.1)

[381] Dio 76, 13,1(z.b.1)

[382] Dio 76,13,1(z.b.1);Herodianus.3, 14,5-8(z.b.1)

[383] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 99

[384] RIC.4,p.284,nr.441: «TRAIECTUS»

[385] RIC.4,p.120,nr.225

[386] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 95

[387] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus: The African Emperor, p. 255; Herodianus.3,14,10(z.b.1) Dio.76.13,1(z.b.1)

[388] Herodianus.3,14,9(z.b.1)

[389] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 96

[390] Herodianus.3, 14,4-5(z.b.1)

[391] Herodianus.3, 14,9(z.b.1)

[392] Dio 76, 14, 3-5(z.b.1)

[393] Het expeditieleger dat de keizerlijke familie vergezelde was vermoedelijk gevormd rond de pretoriaanse wacht. Eén van de twee prefecten ging mee, namelijk Papinianus (zie Dio 76, 14,5:z.b.1), terwijl de andere in Rome bleef.

[394] Daarvan zou er direkt archeologisch bewijs zijn met een standaard die in Yorkshire werd teruggevonden, zie REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 96 en p. 101(6)

[395] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 96-97

[396] CIL.6, 1643 (z.b.2)

[397] Dio 76.13,2 (z.b.1)

[398] Dio 76, 13, 3-4 (z.b.1)

[399] De titel komt voor in een aantal inscripties uit 209: zie ILS. 431 (Rome:209:z.b.2) en AE.1965, 338 (Rome; 209; z.b.2). Op munten komt de titel pas voor met de tweede emissie uit 210: zie RIC,4,p.121-...,nr.240-...(Severus);p.230,nr.116b (Caracalla)

[400] BIRLEY (A.R.). Septimius Severus:The African Emperor, p. 264

[401] IGR.2/3,1077. Voor de vraag waarom Severus op dit moment de beslissing nam om Geta tot Augustus te benoemen, cfr.infra: p.81-…

[402] SHA. Severus. 22,4(z.b.2)

[403] Dio. 76, 15,1-2 (z.b.1)

[404] REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 97

[405] Dio. 76. 15,1(z.b.1)

[406] Herodianus. 3, 15,1(z.b.1)

[407] Dio.76, 15,2(z.b.1); volgens REED (N.). “The Scottish campaigns of Septimius Severus”, p. 98 begon de tweede campagne in juni 210 en werd ze ten laatste beëindigd in september, waarop de Maetae in september of oktober revolteerden. In mei was de expeditie zeker nog niet van start gegaan zoals blijkt uit het feit dat de keizers op de 5e dag van deze maand vanuit York nog een rescript uitvaardigden. Zie Codex Iustinianus.3,32,1(z.b.2)

[408] Dio 76. 14,1(z.b.1)

[409] Dio 76. 14,2(z.b.1).Voorlopig, want kort na Severus’ dood werd Castor vermoord op bevel van Caracalla, zoals we verder zullen zien , cfr.infra: p.84-…, Dio 77,1,1(z.b.1)

[410] Volgens Dio was Severus ook in toenemende mate bekommerd om Caracalla, omdat die duidelijk tegen hem  samenzweerde (naast de ongerustheid omwille van diens ongetemperde levensstijl en diens intentie om zijn broer te doden); cfr Dio 76, 14,1(z.b.1)

[411] Dio. 76, 14,3-7(z.b.1)

[412] Herodianus. 3,15,2 (z.b.1)

[413] Dio 76. 15,2 (z.b.1)

[414] Herodianus. 3, 15,2 (z.b.1)

[415] Over het algemeen plaatst men de Augustus-benoeming van Geta op het einde van 209: KIENAST (D.).Römische Kaisertabelle,p.166;BIRLEY (A.R.).”Septimius Severus”.In: CLAUSS (M.).Die römische Kaiser, p.184. Meer recent prefereert TIMONEN (A.).Cruelty and Death. Turku:Turum Yliopisto,2000,p.102 een latere datering, op het einde van 210. Hoe later de datum, hoe sterker dit onze hypothese rond Severus’ dynastieke politiek ondersteunt.

[416] Dit vermoeden werd al geuit door BIRLEY (A.R.).”Septimius Severus”.In: CLAUSS (M.).Die römische Kaiser, p.184.

[417] Dio 76, 15,2 (z.b.1)

[418] Dio 76, 15,2 (z.b.1)

[419] Herodianus. 3, 15, 2 (z.b.1)

[420] ALFOLDY (G.). “Der Sturz des Kaisers Geta und die antike Geschichtsschreibung”. In: Antiquitas. 1970, p. 24-25

[421] Dio 71,33,4

[422] Herodianus.3, 15,2 (z.b.1)

[423] Dio 76, 15, 2-3 (z.b.1):” Ðmonoe‹te, toÝj stratiètaj plout…zete, tîn ¥llwn p£ntwn katafrone‹te. “

[424] Dio 76, 15, 2-3 (z.b.1): “æj lšgetai. prˆn goàn metall£xai, t£de lšgetai to‹j paisˆn e„pe‹n (™rî g¦r aÙt¦ t¦ lecqšnta, mhdn Ó ti kallwp…sas)

[425] zie daarvoor STRAUB (J.). “Die ultima verba des Septimius Severus”. In: Antiquitas.Bonn: Habelt, 1964, p. 171-172.

[426] Dio 76.15,3 (z.b.1)