Een historische biografie van keizer Caracalla (188-217). (Michiel Vanderhaeghe)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 3: Het keizerschap van Caracalla (212-217)

 

3.1. «De Constitutio Antoniniana de civitate»

 

            De Constitutio Antoniniana zal in deze verhandeling niet uitvoerig besproken worden. Het onderwerp werd in de moderne historiografie al grondig bestudeerd en de maatregel heeft aanleiding gegeven tot eindeloze discussies.[720] Toch is het vereist om, bij het schrijven van een historische biografie over Caracalla dit feit kort te vermelden.

De Constitutio Antoniniana kende het Romeinse burgerrecht toe aan vrijwel alle vrijgeboren inwoners uit het Rijk.[721] Van onze literaire bronnen vermeldt enkel Cassius Dio de maatregel.[722] De datering van de Constitutio staat ter discussie. Traditioneel dateert men de maatregel in 212,[723] maar ook 213 en 214 werden voorgesteld.[724] Ook over de motieven voor de maatregel bestaat onduidelijkheid. Dio schrijft opnieuw een eenzijdig negatieve motivering toe aan Caracalla. Volgens de auteur was de enige reden waarom hij het burgerrecht gaf aan alle rijksbewoners omdat zo meer mensen konden belast worden. Tevoren had hij zijn verontwaardiging geuit over al de belastingen van Caracalla “zowel de nieuwe die hij uitvaardigde, als de 10 %-tax die hij oplegde in de plaats van de 5%-tax en die betrekking had op de vrijlating van slaven, legaten en op alle nalatenschappen.” Hij voegt eraan toe dat Caracalla officieel de maatregel uitdroeg als een eerbewijs aan alle burgers, maar zijn ware motief verborg. [725] Sherwin-White verwierp deze motivering, waarbij hij argumenteerde dat de door Caracalla verhoogde erfenisbelasting de kleine vermogens niet zou treffen.[726] Ook Williams gelooft de door Dio aangegeven motivering niet en baseert zich daarvoor op de versie van het edict in Papyrus Giessen 40. Daarin wordt de maatregel voorgesteld als een dankbetuiging van Caracalla aan de goden voor hun bescherming in een persoonlijke crisis. Deze tekst wijst dus op religieuze motieven die aan de basis van de maatregel zouden hebben gelegen.[727] Volgens Williams kan men uit de formulering van de tekst op papyrus afleiden dat de maatregel een plots antwoord was van Caracalla op een persoonlijk gevaar en hij aanvaardt het motief van een dankbetuiging aan de goden. De beslissing was, net als de beslissing tot het amnestie-edict, plots genomen en zeker niet ernstig doordacht, waarmee volgens Williams Dio’s motivering weerlegd wordt.[728]

 

De in het papyrus vermelde idee van een dankbetuiging aan de goden heeft ook aanleiding gegeven tot hypotheses. De auteurs die de Constitutio Antoniniana in 212 dateren brengen het in verband met de moord op Geta. Caracalla had daarbij verkondigd dat hij zelf ontsnapt was aan een samenzwering van Geta en dit zou overeenstemmen met het gevaar waarvan sprake is in het papyrus.[729] De auteurs die de maatregel plaatsen in 213 zien andere mogelijke verklaringen. Rubin linkt de passage in het papyrus aan een bericht van Dio over een incident tijdens de Germaanse expeditie waarbij Caracalla’s leven werd gered door zijn persoonlijke wagenmenner, Pandion.[730] Seston brengt het gegeven ook in verband met de Germaanse expeditie, maar dan wel met de gezondheidsproblemen waarmee Caracalla volgens Dio en de Historia Augusta toen te kampen kreeg. Caracalla zou de maatregel dan genomen hebben als een soort offer aan de goden in de hoop op genezing.[731] Millar daarentegen, die de maatregel in 214 plaatst, meent dat met het gevaar de bijna-schipbreuk bij het oversteken van de Hellespont bedoeld is.[732] Het lijkt erop dat het papyrus meer vragen oproept dan het antwoorden levert. Wellicht was er een samenspel van verschillende motieven. In elk geval handelde Caracalla met de Constitutio Antoniniana overeenkomstig de geest van zijn vader, want Septimius Severus had er ook naar gestreefd alle onderdanen op een zekere grond van gelijkheid te behandelen.[733]

 

 

3.2. De veldtocht in Germania:

 

            Na de turbulente gebeurtenissen in Rome vertrok Caracalla op veldtocht noordwaarts. De literaire bronnen geven ons weinig informatie over deze veldtocht, de beweegredenen en het verloop ervan. In het volgende hoofdstuk zullen we trachten een beeld te schetsen van het verloop van de campagne en van de beweegredenen. Een belangrijk motief lijkt alleszins de gezondheidsproblemen van Caracalla geweest te zijn.

 

a) De ziekte van Caracalla:

 

            Cassius Dio en de auteur van de Historia Augusta geven aan dat Caracalla tijdens de veldtocht in het noorden getroffen werd door een ziekte, zowel geestelijk als lichamelijk.[734] Modern onderzoek heeft echter uitgewezen dat Caracalla al ziek was vóór hij op expeditie vertrok, toen hij nog in Rome vertoefde, in de late herfst van 212. [735] Wat vertellen de bronnen ons over Caracalla’s ziekte? In het Epitome van Cassius Dio wordt de toestand van de keizer als volgt omschreven:”Want hij (Caracalla) was ziek niet alleen lichamelijk, gedeeltelijk als gevolg van zichtbare en gedeeltelijk van onzichtbare kwalen, maar ook geestelijk; en vaak dacht hij dat hij achtervolgd werd door zijn vader en zijn broer, gewapend met zwaarden.”[736] De Historia Augusta stelt kort dat Caracalla tijdens de Germaanse expeditie getroffen werd door een ziekte die hem groot lijden bracht.[737]

 

            Waaruit kan de ziekte bestaan hebben op basis van de informatie overgeleverd in de bronnen? Cassius Dio geeft aan dat de keizer zowel lichamelijk als geestelijk ziek was. Lichamelijk zou hij last gehad hebben van zichtbare en onzichtbare kwalen. In verband met de zichtbare kwalen kan men denken aan een bericht van Herodianus volgens het welke Caracalla bijna geheel kaal was.[738] Dio verwijst in een andere passage dan weer naar een onzichtbare kwaal wanneer hij beweert dat Caracalla impotent was.[739] Maar Caracalla schijnt ook geestelijk ziek geweest te zijn. De door Dio beschreven achtervolgingswaanzin wijst er op dat Caracalla gebukt ging onder een schuldgevoel. Ook Herodianus stelt dat Caracalla na de moord op zijn broer overmand werd door schuldgevoelens.[740] De Historia Augusta lijkt het eerder over een lichamelijke ziekte te hebben. De auteur schrijft dat de ziekte Caracalla groot lijden bracht en dat hij zich zelfs tegenover diegenen die hem verpleegden uiterst brutaal gedroeg.[741]

 

            De gezondheidsproblemen moeten ernstig geweest zijn want volgens Cassius Dio deed Caracalla verwoede pogingen om ervan verlost te geraken:”Daarom deed hij (Caracalla) een beroep op geesten om genezing te vinden, waaronder de geest van zijn vader en die van Commodus...” Belangrijk voor ons begrip van Caracalla’s Germaanse veldtocht is het feit dat Dio aangeeft dat de keizer ook een beroep deed op de godheid Apollo Grannus in zijn zoektocht naar genezing:”Hij kreeg geen hulp van Apollo Grannus, noch van Aesculapius of van Serapis, ondanks zijn vele smeekbeden en niet aflatende volharding.”[742] Dio laat ook duidelijk uitschijnen dat Caracalla het heiligdom van Apollo Grannus, evenals de andere vermelde heiligdommen, persoonlijk bezocht:”...en hij bezocht ze ook zelf, in de hoop te overwinnen door in eigen persoon te verschijnen...”[743]

 

            Zowel Cassius Dio als de auteur van de Historia Augusta geven aan dat Caracalla’s ziekte optrad toen hij op veldtocht was in de noordelijke gebieden. Het bericht van Herodianus kan er echter op wijzen dat de ziekte reeds vroeger optrad. Hij stelt immers dat Caracalla als gevolg van de moord op zijn broer en de bijhorende repressie gebukt ging onder een schuldgevoel. Dit schuldgevoel kan dus al opgetreden zijn vóór het vertrek op veldtocht, toen Caracalla nog in Rome vertoefde. Tijdens de veldtocht kan er dan een verslechtering geweest zijn. Het vermoeden dat Caracalla reeds vóór de veldtocht ziek was, werd ook geuit door Dietz op basis van 2 mijlpalen die in Gundelfingen in Raetia werden gevonden. De inscriptie kan vrij nauwkeurig gedateerd worden in de herfst van 212.[744] De tekst wijst op bouwactiviteiten onder Caracalla met de formule “vias et pontes dedit”. Dit is een bijzondere formulering die erop wijst dat de keizer niet enkel, zoals gewoonlijk, de bouwactiviteiten bevolen heeft als zijnde de hoogste instantie voor de cura rei publicae; maar die ook financieel gedragen heeft door een daad van liberalitas, door een schenking.[745] In januari 213 verscheen in Rome een munt met de legende “LIBERALITAS AUG VIII”.[746] Het is mogelijk dat daarmee deze daad van keizerlijke vrijgevigheid werd herdacht.

 

Wat is dan het verband met Caracalla’s ziekte en het heiligdom van Apollo Grannus? De mijlpaal betreft de caput viae “Phoebiana” en daarmee zou de antieke voorloper bedoeld zijn van de stad Faimingen.[747] Deze stad wordt over het algemeen beschouwd als het centrum van verering van Apollo Grannus.[748] De “dedit”- formule op de mijlpaal kan men dan interpreteren als een persoonlijke schenking van de keizer aan de god. Dit maakt het waarschijnlijk dat Caracalla op het moment van de schenking, in de herfst van 212, reeds ziek was. Dat zowel Cassius Dio als de auteur van de Historia Augusta het optreden van de ziekte pas plaatsen tijdens de veldtocht kan erop wijzen dat er in deze periode nog een verslechtering van Caracalla’s toestand is gekomen. Het lijkt waarschijnlijk dat Caracalla “ziek” werd vanaf het moment dat hij zijn broer vermoord had, in die zin dat hij vanaf dan gebukt ging onder een zwaar schuldgevoel dat met de tijd alleen groter werd. Daarnaast schijnt Caracalla in deze periode ook getroffen geweest te zijn door allerlei lichamelijke kwalen. Een bezoek aan het heiligdom van Apollo Grannus vormde voor Caracalla al een goede reden om noordwaarts te trekken.

 

b) “Germanicus Maximus”

 

            Maar Caracalla had wellicht nog andere redenen om een bezoek te brengen aan de noordelijke provincies. De literaire bronnen geven aan dat er onlusten waren die een keizerlijke interventie vereisten. Aanstoker van de onlusten schijnen de “Alamanni” geweest te zijn. [749] Deze naam duikt daarmee voor het eerst op in de historiografie en men vermoedt dat het een anachronisme betreft.[750] Volgens Cassius Dio werd er ook een oorlog gevoerd tegen een andere Germaanse volkstam, de “Cenni”.[751] Deze Germaanse volkeren leefden in deze periode in het gebied rond de Main en vormden een bedreiging voor de grenzen van de provincies Germania Superior en Raetia. Waarschijnlijk maakten ze zich klaar om die grenzen over te steken en het Romeinse achterland te plunderen.[752] Volgens Aurelius Victor kwam het uiteindelijk tot een veldslag waarbij de Alamanni verpletterend werden verslagen bij de Main (Moenus).[753] Met de Cenni zou Caracalla het volgens Cassius Dio op een akkoord gegooid hebben, waarbij de vrede werd gekocht voor een grote som geld.[754] Naar aanleiding van de overwinning nam de keizer de eretitel “Germanicus maximus” aan.[755] Verder leveren de literaire bronnen nauwelijks informatie over zowel de Germaanse onlusten als de Romeinse tegenmaatregelen.

           

Epigrafisch materiaal levert ons bijkomende informatie over de streek waar de campagne werd gevoerd en het chronologische verloop ervan. In Rome werd immers een inscriptie gevonden die de neerslag bevat van een aantal samenkomsten van de fratres Arvales, die belangrijke historische feiten herdachten.[756] Uit de inscriptie blijkt dat de fratres in mei 213 al een toekomstig succes anticipeerden, door in hun ceremonieën de goden te smeken de keizer  als “Germanicus Maximus” te beschermen.[757]  In deze periode was Caracalla dus vermoedelijk actief in het gebied waar de militaire operaties werden voorbereid. Die waren schijnbaar gepland voor de zomer, want op 11 augustus 213 herdachten de fratres het feit dat Caracalla “per limitem Raetiae ad hostes extirpandos barbarorum (terram) introi/turus est”. Caracalla was dus zeker vóór 11 augustus 213 met zijn leger de Raetische grens overgestoken om op te trekken tegen de barbaren. De inscriptie geeft ook aan dat de fratres Arvales op 6 oktober van hetzelfde jaar offers brachten “ob victoriam Germanicam”. Daarmee heeft men een tijdskader waarbinnen de campagne kan gesitueerd worden. In mei 213 was Caracalla reeds actief in de noordelijke provincies. De concrete militaire operaties vonden plaats tussen het begin van augustus en het einde van september 213. De streek waar de campagne werd gevoerd bevond zich dus ergens tussen de noord-westelijke Raetische grens en de Main.[758] Over het eigenlijke verloop van de campagne zijn we, zoals vermeld onvoldoende geïnformeerd.

 

            Het is niet zeker wanneer Caracalla precies vertrok op veldtocht naar het noorden. De mijlpalen die wijzen op bouwactiviteiten in de noordelijke provincies in de herfst van 212 betekenen niet noodzakelijk dat Caracalla in deze periode reeds ter plaatse was. Over het algemeen neemt men aan dat Caracalla ergens vroeg in 213 vertrok naar het noorden en dat hij waarschijnlijk in de lente van dat jaar in het gebied aankwam.[759] Men kan evenwel niet uitsluiten dat Caracalla reeds op het einde van 212 uit Rome vertrokken was.[760] Zijn vertrek werd herdacht in de muntslag met de emissie van een type met de legende “Profectio Augusti”.[761] Er zijn geen aanwijzingen dat Iulia Domna Caracalla vergezelde op veldtocht naar het noorden, in tegenstelling tot de oosterse expeditie waarbij zij zeker volgde in het spoor van haar zoon.[762] Mogelijk werd ze nu in Rome achtergelaten om daar op de keizerlijke belangen toe te zien. Wellicht was dit wenselijk omdat Caracalla zijn alleenheerschappij nog maar recent had gevestigd en zijn macht nog verder moest geconsolideerd worden, onder andere door middel van een triomfrijke expeditie. Volgens de Historia Augusta ging Caracalla eerst naar de provincie Gallia Narbonensis. Daar liet hij onmiddellijk bij zijn aankomst de proconsul terechtstellen.[763] Waarschijnlijk omdat hij een aanhanger van Geta was geweest. Het bericht van Herodianus dat Caracalla zich in de repressie ook richtte op de provincies met de terechtstelling van vele gouverneurs en procurators kan overeenstemmen met het door de Historia Augusta gegeven voorbeeld van Gallia Narbonensis. Allen waren zij terechtgesteld op de beschuldiging dat zij vrienden waren geweest van Geta.[764]

 

            Vanuit Gallia trok Caracalla dan verder noordwaarts naar het grensgebied van de provincies Germania Superior en Raetia. De eigenlijke militaire campagne begon pas in de zomer van 213, zodat Caracalla  vermoedelijk een vrij lange periode in het gebied is gebleven. Dit was nodig om verder te werken aan de voorbereiding van de campagne. C.Octavius Appius Suetrius Sabinus, amicus van Caracalla en provinciegoeverneur van Raetia, werd belast met de samenstelling van de vexillationes.[765] Voor de expeditie werden troepen aangetrokken uit het hele Rijk.[766] Volgens Herodianus werd er zelfs gerekruteerd onder die Germaanse stammen van wie Caracalla de trouw en vriendschap gewonnen had. De sterkste krijgers werden geselecteerd om deel uit te maken van Caracalla’s lijfwacht. [767] Mogelijk baseerde Herodianus zich op Cassius Dio die een scène beschreef waarbij Caracalla een legergroep Germanen rekruteerde als huurlingenleger, maar dit dan gebruikte als list om hen allemaal te laten vermoorden.[768]

 

De grote troepenverschuivingen wijzen erop dat de expeditie zeer grondig en vroeg werd voorbereid, waarschijnlijk al vóór de aankomst van de keizer in het gebied. De onlusten die de keizerlijke interventie uitlokten vonden naar men vermoedt al vroeger plaats, ergens in 211.[769] Tijdens Caracalla’s verblijf in de noordelijke provincies werden er ook bouwactiviteiten ondernomen. Talrijke inscripties getuigen van werkzaamheden in Germania Superior, met de aanleg en het herstel van wegen.[770] Voor de coördinatie van de oorlogsvoorbereiding en de werkzaamheden kan men vermoeden dat Caracalla een hoofdkwartier zal hebben ingericht. Waarschijnlijk was dit gevestigd in Mainz in Germania Superior, gezien de bouwactiviteiten in de provincie en de voorbereidingsmaatregelen voor de oorlog.[771] In Mainz zorgde Caracalla er ook voor dat er een nieuwe provinciegoeverneur voor Germania Superior werd aangesteld, namelijk Q.Iunius Quintianus en dit ter vervanging van een zekere Avitus.[772] Het is echter ook zeker dat Caracalla een tijd in Faimingen heeft verbleven waar hij de genezingsgod Apollo Grannus raadpleegde. Mogelijk had hij ook daar een hoofdkwartier.[773] Hij ontving bij het heiligdom gezantschappen[774] en ondernam er bouwactiviteiten ter ere van de god.[775] Mogelijk trad Caracalla er tijdens zijn verblijf ook op als rechter.[776]

 

Tijdens zijn aanwezigheid in de noordelijke provincies heeft Caracalla volgens Dio ook een bezoek gebracht aan de graftombe van Sulla, die hij ook zou hersteld hebben. Volgens de senator bewees Caracalla Sulla deze eer omdat hij er wat wreedheid betreft mee wedijverde.[777] Caracalla’s bewondering voor Sulla wordt ook bevestigd door Herodianus en door de auteur van de Historia Augusta. Volgens de Historia Augusta zou Caracalla in de nasleep op de moord op Geta verklaard hebben een tweede Sulla te zijn.[778] Ook Herodianus stelt in zijn relaas over Caracalla’s oosterse expeditie dat Caracalla een grote bewondering had voor Sulla en dat hij op vele plaatsen standbeelden en afbeeldingen van hem liet oprichten.[779] De bewondering voor Sulla wijst op een aspect van Caracalla’s persoonlijkheid, namelijk het grote belang die deze hechtte aan grote persoonlijkheden als voorbeeldfunctie. Bewondering voor grootheden uit het verleden is op zich niet bijzonder en gemene praktijk in de Klassieke Oudheid. Maar bij Caracalla schijnt die praktijk bijzonder sterk geweest te zijn en dan vooral in het geval van zijn mateloze, bijna ziekelijke bewondering voor Alexander de Grote.[780]

 

            In verband met het eigenlijke verloop van de oorlog beschikken we over weinig informatie De enige zekerheden zijn de gegevens dat Caracalla in de zomer van 213 de Raetische grens overstak en hij eind september een overwinning haalde bij de Main tegen de Germanen, vermoedelijk een coalitie van Cenni en Alamanni. Schumacher veronderstelt dat Caracalla vanuit Mainz met een hoofdleger en de vexillationes van Octavius Sabinus in zuid-oostelijke richting trok om het gebied van de barbaren vanuit het zuiden binnen te vallen en in noord-westelijke richting op te rukken naar de Main. Sabinus was inderdaad comes van Caracalla op de expeditie en reisde dus mee met de keizer.[781] Tegelijk zou er vanuit Mainz een troepenmacht onder leiding van de goeverneur van Germania Superior Q. Junius Quintianus[782] in oostelijke richting over de grenzen van Germania Superior trekken en het vijandig gebied vanuit het westen binnenvallen.[783]

 

Tijdens de campagne kwam er ook een confrontatie met de Cenni, hetgeen Cassius Dio vermeldt.[784] Zowel de identiteit van de stam als het woongebied is niet met zekerheid gekend.[785] Het is dan ook onduidelijk wanneer en waar de confrontatie met de Cenni zou hebben plaatsgevonden. Een mogelijkheid is dat er al gevechten hadden plaatsgevonden met de Cenni vóór dat het expeditieleger op 11 augustus de Raetische grenzen overstak.[786] Het gegeven dat de fratres Arvales Caracalla reeds op 19 mei eerden als Germanicus Maximus kan er op wijzen dat er in deze periode al schermutselingen hadden plaatsgevonden en mogelijk was dat dan met de Cenni, maar dit alles is hypothetisch.[787] Een andere mogelijkheid is dat de confrontatie met de Cenni er kwam nadat men op 11 augustus de Raetische grenzen had overgestoken. Zo stelt Dio dat de Cenni toestonden dat Caracalla kon ontsnappen (nadat hij hun vriendschap had afgekocht), terug naar de provincie Germania. [788] Dit kan impliceren dat Caracalla bij de confrontatie met de Cenni zich al in vijandelijk gebied bevond en de Raetische grens al had overgestoken.

Na het oversteken van de grenzen begonnen de eigenlijke offensieven binnen vijandelijk gebied die duurden tot eind september toen er een overwinning werd behaald aan de Main.[789] Caracalla werd nu gesalueerd als Imperator III.[790] Op 6 oktober werd de overwinning gevierd door de fratres Arvales. Naar aanleiding van de zege nam Caracalla de titel Germanicus Maximus aan.[791] Die werd op 6 oktober bekrachtigd door de senaat.[792]

 

Het feit dat Caracalla het cognomen ex virtute Germanicus Maximus aannam, wijst erop dat Caracalla een veldtocht had gevoerd die eindigde in een triomfrijke overwinning. Volgens Cassius Dio was de expeditie echter een totale mislukking. Zijn berichtgeving is echter uiterst gekleurd door zijn antagonistische houding ten opzichte van Caracalla, zoals al duidelijk blijkt uit de wijze waarop hij zijn relaas over Caracalla’s Germaanse expeditie inleidt: “De Germaanse stammen echter verschaften hem (Caracalla) noch plezier, noch een aanvaardbare aanspraak op wijsheid of op moed; maar zij toonden aan dat hij een doodgewone bedrieger was, een imbeciel, een volslagen lafaard.”[793] De auteur beschuldigt Caracalla ervan de vrede met de Germaanse stammen gekocht te hebben voor grote sommen geld. Zo zou hij de Cenni omgekocht hebben. Ook vele stammen die in het uiterste noorden woonden aan de monding van de Elbe (Albis) werden omgekocht. Hun gezantschappen werden overladen met goud in ruil voor hun vriendschap tegen voor hen ongunstige voorwaarden.[794] Volgens het Petrus Patricius’ Epitome van Dio werden ook de Alamanni omgekocht of zoals hij het verwoordt:”Caracalla, na op te trekken tegen de Alamanni, kocht zijn vermeende overwinning voor geld”.[795]

 

De omkopingspraktijken waarover in het Epitome van Dio’s werk wordt bericht zijn nergens anders geattesteerd. Het is onduidelijk waar de auteur zich bevond tijdens de expeditie, maar als senator is het waarschijnlijk dat hij in Rome bleef, waar hij zich dus voor concrete informatie zal moeten hebben beroepen op de keizerlijke verslagen aan de senaat en de verhalen en geruchten die Rome bereikten.[796] De informatie die Dio ons geeft over de expeditie wordt duidelijk gebruikt om de slechtheid van Caracalla in de verf te zetten en  beperkt de waarde van zijn berichtgeving ter zake.[797] Een mogelijkheid is dan ook dat het bericht over de omkoping zou kunnen beschouwd worden als laster. Wij menen dat het bericht wel overdreven wordt voorgesteld, maar dat het toch een kern van waarheid kan bevatten. Dat de Germaanse stammen zouden overwonnen zijn, zuiver omdat ze omgekocht werden door Caracalla is onwaarschijnlijk. In elk geval lijkt het erop dat de “overwinning” minstens ook gebaseerd was op een grootschalige militaire operatie. Tijdens het vrij lange verblijf van Caracalla in de noordelijke provincies werd er duidelijk een oorlog voorbereid. Dit blijkt uit de troepenverschuivingen en de vorming van vexillationes in het gebied. [798] De tekst van de fratres Arvales geeft ook duidelijk aan dat Caracalla aan het hoofd van een leger tegen de vijand is opgetrokken en hij een overwinning behaalde. De tijdspanne tussen de inval en de overwinning was op basis van de tekst ongeveer twee maanden, hetgeen perfect kan overeenkomen met een campagne van concrete militaire operaties. Caracalla’s aanname van het cognomen ex virtute “Germanicus Maximus” wijst er ook verder op dat er een oorlog werd gevoerd. In de regel nam men zo’n titel aan na het behalen van een militaire overwinning. Ook militaire inscripties die Caracalla aanduiden als “pacator orbis” wijzen op de militaire aard van de operaties.[799] Op een echte oorlogssituatie wijst ook Dio’s bericht over een brief van Caracalla aan de senaat waarin hij Pandion, de bestuurder van zijn wagen prees omdat deze hem op het nippertje zou gered hebben uit een uiterst gevaarlijke situatie.[800]

 

De financiële operaties waarover Cassius Dio bericht dient men echter niet geheel af te doen als laster. Het is immers mogelijk dat de oorlog niet uitmonde in een absolute overwinning, maar dat er een vrede werd overeengekomen met een financiële voorwaarde. Buiten de melding van Aurelius Victor dat Caracalla een overwinning behaalde aan de Main kan men uit in de literaire bronnen nergens iets vinden over een concrete, grootse veldslag.[801] Het is niet ondenkbaar dat Caracalla de Germaanse stammen “onderwierp”, zonder een grote veldslag geleverd te hebben; namelijk door de stammen via een militair machtsvertoon in hun gebied aan de onderhandelingstafel te dwingen en hen een vredesovereenkomst op te leggen. In zo’n geval zou de onderhandelingspositie van Caracalla niet zo sterk geweest zijn als na een overwinning in een grote veldslag en zou het treffen van een financiële regeling mogelijk geweest zijn. Whittaker acht het mogelijk dat Caracalla de campagne heeft moeten staken omdat hij geveld werd door ziekte. De ziekte zou hem kunnen hebben gedwongen een financiële toegeving te doen aan de vijand.[802] Wij weten echter dat Caracalla al ziek was vóór zijn aankomst in het noorden, dus kan het niet zijn dat de militaire operaties werden beëindigd doordat Caracalla plots geveld zou geweest zijn door een ziekte. Het is wel mogelijk dat er een verslechtering optrad tijdens de expeditie en dat die hem ertoe bracht de oorlog sneller te beëindigen, zonder een verpletterende overwinning te behalen. Maar dit alles is hypothetisch, want zijn ziekte belette hem niet om voor de rest van zijn heerschappij onderweg te zijn, door grote delen van het Rijk. In tegendeel, zijn ziekte schijnt een belangrijke drijfveer geweest te zijn om onderweg te zijn, in die zin dat Caracalla veel belangrijke heiligdommen in het Rijk wou bezoeken in de hoop op genezing.

 

c) Caracalla’s liefde voor het leger en het soldatenleven

 

Zowel Cassius Dio als Herodianus geven veel informatie over de manier waarop Caracalla zich gedroeg ten opzichte van zijn soldaten en de levensstijl die hij aannam. Volgens deze auteurs wou Caracalla zichzelf zoveel mogelijk tonen als een gelijke van de soldaten. Zo leefde hij op simpele en sobere wijze en vervulde hij dezelfde nederige taken als zijn troepen. Op veldtocht, marcheerde hij mee met zijn soldaten en at hij hetzelfde sobere voedsel. Het is duidelijk dat dit gedrag, indien waar, sterk bijdroeg tot Caracalla’s populariteit bij het leger, hetgeen Herodianus ook aangeeft.[803] Herodianus en de Historia Augusta geven ook aan dat Caracalla tijdens de Germaanse expeditie vele schenkingen deed aan zijn troepen. Ook dit gegeven droeg uiteraard bij tot Caracalla’s populariteit bij het leger.[804]

 

Het zich verzekeren van de steun van het leger loopt als een rode draad door Caracalla’s heerschappij. Daarbij volgde hij de laatste raad van zijn vader om de soldaten te verrijken zoveel mogelijk op.[805] Al bij zijn toespraak in het legerkamp na de moord op zijn broer kwam Caracalla er openlijk voor uit dat hij de troepen zo veel mogelijk wenste te belonen en dat hij zich een soldaat voelde.[806] Van bij het begin van zijn regering deed hij regelmatig geldschenkingen aan zijn troepen. [807] Hij zou zelfs ooit verklaard hebben: ”Niemand in de wereld dient geld te hebben, buiten mezelf, zodat ik het kan uitdelen aan de soldaten.”[808] Deze vrijgevigheid ten aanzien van de soldaten gaf hem al de basispopulariteit die hij door op veldtocht de soldaten-levensstijl aan te nemen, alleen maar vergrootte. Naar de buitenwereld toe liet hij duidelijk blijken dat zijn liefde voor het leger zeer groot was en dat hij zich soldaat voelde.[809] Dio, hoewel bevooroordeeld, wijst erop dat Caracalla de senatoren, zoals hij zelf, minachtte en hij hen inferieur beschouwde ten opzichte van de soldaten.[810] In de portretkunst liet Caracalla zich ook afbeelden als een soldaat, met kortgeknipte haren en baard en een wrede blik.[811] Dit alles deed Caracalla’s populariteit bij het leger sterk groeien, in die mate dat het na zijn dood, met nostalgie terug dacht aan zijn heerschappij en Macrinus ertoe aanzette de vergoddelijking van Caracalla te vragen aan de senaat,[812] hetgeen ook werd uitgevoerd.[813] Zijn populariteit bleef dus ook na zijn dood doorwerken. De beschrijvingen van Cassius Dio en Herodianus over Caracalla’s levensstijl tijdens veldtochten zijn dan ook geloofwaardig. Beide auteurs kennen Caracalla een echte liefde voor de soldaten en het soldatenleven toe en die liefde was er al vóór het begin van zijn alleenheerschappij.[814]

 

Cassius Dio vertelt ons ook iets over de kwaliteiten van Caracalla als bevelhebber. Volgens de auteur vervulde Caracalla zijn taken als bevelhebber op een onbevredigende manier, daar hij te veel aandacht zou besteed hebben aan het verrichten van nederige taken in plaats van aan het uitoefenen van zijn leiderschap.[815] Voor de rest vinden we nergens informatie over Caracalla’s kwaliteiten als bevelhebber tijdens deze veldtocht. Dio’s stelling dient men niet al te ernstig te nemen. Zijn hele berichtgeving over de veldtocht is er duidelijk één vanuit negatieve hoek en bevat dan ook een aantal leugenachtige elementen. Het lijkt waarschijnlijk dat een lasterlijke mededeling als deze tot die elementen kan gerekend worden.

 

Herodianus schrijft dat Caracalla tijdens de expeditie vaak Germaanse kledij droeg.[816] Daarmee bedoelt hij wellicht de caracallus, de Germaanse mantel waaraan Caracalla zijn bijnaam ontleende.[817] De caracallus was oorspronkelijk een kort, nauw spannend gewaad, maar Caracalla modifiëerde het door het tot aan de voeten te laten komen.[818] Vandaar dat Cassius Dio stelt dat Caracalla zelf een soort mantel had uitgevonden. Caracalla droeg de mantel het grootste deel van de tijd en schreef het ook voor als reguliere kledij voor de soldaten.[819] Hij zou er ook grote aantallen van verdeeld hebben onder het volk.[820]

Wellicht was het in Germania dat Caracalla van de caracallus begon te houden als dagelijkse kledij en de naam zou voor eeuwig aan zijn persoon verbonden blijven.

 

 

3.3. De expeditie naar het oosten:

 

a) Van het beëindigen van de Germaanse veldtocht tot het vertrek naar het oosten:

 

Na zijn overwinning op de Germaanse stammen trok Caracalla zich met zijn leger terug uit vijandelijk gebied. Wellicht werd er teruggekeerd naar Mainz, aangezien er daar in grote mate troepenontslagen plaatsvonden.[821] Vervolgens is het niet meteen duidelijk uit de literaire bronnen wat Caracalla’s volgende bestemming was. Na hun beschrijvingen van de Germaanse expeditie gaan de auteur van de Historia Augusta en Herodianus onmiddellijk over op de beschrijving van de expeditie naar het oosten, toen Caracalla na een stop in Dacia doorreisde naar Thracia, in de lente en de zomer van 214.[822] In het Epitome van Cassius Dio vinden we tussen het relaas van de Germaanse expeditie en dat van de oosterse veldtocht de beschrijving van een aantal incidenten die naar hun inhoud in Rome dienen gesitueerd te worden.

 

De auteur leidt zijn beschrijving in met de stelling dat Caracalla in toenemende mate belang hechtte aan vroomheid en dat hij zichzelf voorstelde als zijnde de meest vrome. Een belangrijke reden voor zijn gedrag zou zijn seksuele impotentie geweest zijn. Dit bracht hem ertoe streng op te treden tegen diegenen die naar zijn mening blijk hadden getoond van weinig vroom gedrag. Zo liet Caracalla 4 van de Vestaalse Maagden levend begraven op de beschuldiging dat ze onkuis waren geweest. Levende begraving was de gebruikelijke straf voor Vestaalse Maagden die hun maagdelijkheid hadden laten schenden.[823] Eén van de Maagden, Clodia Laeta, zou Caracalla zelf tevoren verkracht hebben, dit wil zeggen vóór hij zijn seksuele potentie verloor. Bij een andere gelegenheid liet Caracalla een ridder arresteren omdat deze een munt met de afbeelding van de keizer had meegenomen in een bordeel. Hij trad ook op tegen prominente Romeinen die zich hadden bezondigd aan overspel, waarbij hij er zelfs een aantal liet terechtstellen. Het laatste incident dat Dio beschrijft vooraleer zijn berichtgeving handelt over de volgende veldtocht betreft de dood van Cornificia, de dochter van Marcus Aurelius. Caracalla wou Cornificia terechtstellen en besloot haar de keuze te laten op welke wijze zij zou sterven “alsof hij haar daarmee een bijzondere eer bewees”. Daarop pleegde ze zelfmoord door zichzelf de aders over te snijden.[824]  

 

De motivering die Cassius Dio geeft voor Caracalla’s vroom gedrag is interessant omdat ze ons iets vertelt over zijn ziekte. Volgens de auteur was de keizer al zijn seksuele krachten verloren; met andere woorden hij was impotent geworden.[825] Het is moeilijk uitspraken te doen over de waarachtigheid van deze bewering. Onze andere literaire bronnen vertellen er niets over. Het is dan ook goed mogelijk dat Dio de idee lanceerde om zijn onderwerp verdere schade toe te brengen. Dat Dio de impotentie geheel zou verzonnen hebben lijkt echter onwaarschijnlijk. Eerder menen wij dat de auteur een gerucht verwoordde dat in zijn milieu, namelijk dat van de senatoren, en wellicht ook erbuiten circuleerde. Zo deed bijvoorbeeld ook het gerucht de ronde dat Caracalla een incestueuze relatie zou gehad hebben met zijn moeder.[826] De persoonlijke situatie van de keizer kan een belangrijke voedingsbodem geweest zijn voor het ontstaan van dergelijke geruchten. Immers was Caracalla ongehuwd en had hij geen nakomelingen. Tevoren was hij wel getrouwd geweest met Plautilla, maar dat huwelijk was een mislukking en het is zeer onwaarschijnlijk dat er daarin seksuele betrekkingen zouden zijn geweest. We weten ook dat Caracalla in deze periode ernstig ziek was, zowel lichamelijk als geestelijk. Dio’s relaas doet vermoeden dat men in de senaat op de hoogte was van het feit dat Caracalla “ziek” was, maar men wist niet precies waaruit die ziekte bestond. Wanneer Caracalla dan plots uiterst vroom gedrag vertoonde, terwijl hij tevoren volgens Dio “zichzelf toonde als zijnde de meest overspelige van alle mannen”, dan is het niet ondenkbaar dat men speculeerde dat Caracalla misschien impotent was geworden.[827] Of de geruchten op waarheid waren gebaseerd kan niet met zekerheid gezegd worden. Feit is dat de bronnen aangeven dat Caracalla ziek was, zowel lichamelijk als geestelijk. Seksuele impotentie kan één van de lichamelijke componenten geweest zijn van de ziekte.

 

Het probleem is dat men niet met zekerheid kan zeggen dat deze gebeurtenissen na de Germaanse veldtocht hebben plaatsgevonden. Dit wordt in de betrokken passage niet letterlijk gesteld. Ze worden door Dio in de eerste plaats aangehaald om een bepaald aspect van Caracalla’s persoon te belichten. Het is dan ook mogelijk dat de incidenten in een vroegere periode kunnen gesitueerd worden, namelijk in 212, in de repressie na de moord op Geta. Dit lijkt waarschijnlijk in het geval van het bericht over de dood van Cornificia, dat overgeleverd is in het Epitome door Patricius en dat inhoudelijk een beetje los staat van de andere hier samengebrachte incidenten. Voor het incident waarbij de Vestaalse Maagden betrokken waren echter kan men een aanwijzing vinden dat het voorval tijdens het korte verblijf in Rome in 214 kan gesitueerd worden. In dat jaar werd er immers een munt uitgevaardigd die Caracalla toont tijdens een offerscène aan de tempel van Vesta.[828] Dit kan een numismatische naklank zijn van de gebeurtenissen rond de Maagden.

 

Ondanks het feit dat de literaire bronnen er geen concrete aanwijzing voor geven nemen de meeste onderzoekers toch aan dat Caracalla na het afhandelen van de Germaanse kwestie naar Rome trok en er een expeditie voorbereidde naar het oosten. Het verblijf situeert men over het algemeen tussen de late herfst 213 en de lente van 214, toen Caracalla op veldtocht vertrok naar het oosten.[829] Aan dat vertrek naar het oosten herinnert een muntemissie met een adlocutio –scène.[830] Het lijkt waarschijnlijk dat Caracalla voor zijn Germaanse overwinning wou geëerd worden in Rome en dit met een triomftocht. Daarop wijst ook de muntemissie uit 214 die een congiarium aan het plebs Romana herinnert. Een triomftocht ging gewoonlijk gepaard met zo’n daad van keizerlijke vrijgevigheid.[831] Op Caracalla’s aanwezigheid in de hoofdstad kan verder nog een keizerlijke wet wijzen die werd uitgevaardigd te Rome en die gedateerd wordt in februari 214.[832] Tenslotte kan ook het feit dat de route van het Itinerarium Antonini vertrekt vanuit Rome als argument gebruikt worden om de stelling dat Caracalla na het afhandelen van de Germaanse kwestie naar Rome terugkeerde te staven. Op zijn oosterse expeditie heeft Caracalla grotendeels deze route gevolgd.[833]

 

b) De “Imitatio-Alexandri”:

 

Na het behalen van zijn overwinning op de Germanen was Caracalla geenszins van plan langere tijd militair inactief te blijven en er werden voorbereidingen getroffen voor een grote expeditie naar het oosten.[834] Een belangrijke beweegreden was de politieke situatie in het Parthische Rijk. Daar was na de dood van de Parthische koning Vologaesus een burgeroorlog uitgebroken tussen zijn twee zoons. Dit bracht met zich mee dat de Parthische staat tijdelijk verzwakt was. Voor de op triomfen beluste Caracalla was deze situatie een voldoende reden om een campagne te beginnen tegen het Parthische Rijk.[835] Volgens Herodianus wou Caracalla in de eerste plaats het cognomen ex virtute “Parthicus Maximus” toevoegen aan zijn titulatuur en zo herinnerd worden als de grote onderwerper van de barbaren in het oosten.[836] Beide motieven hangen samen: De precaire politieke situatie gaf Caracalla de mogelijkheid om zijn grote wens te vervullen een grote expeditie in het oosten te organiseren en “Parthicus Maximus” te worden.

Maar Caracalla schijnt nog andere motieven gehad te hebben om een expeditie naar het oosten te plannen. Eén daarvan schijnt zijn mateloze bewondering voor Alexander de Grote geweest te zijn en zijn wens de grote veldheer op alle mogelijke manieren te imiteren. Over die bewondering en imitatio geven de literaire bronnen veel informatie.

 

Die geven aan dat Caracalla een zeer grote bewondering had voor Alexander.[837] De auteur van de Historia Augusta stelt dat Caracalla vaak Alexander de Grote en zijn verwezenlijkingen bejubelde.[838] Cassius Dio meent zelfs dat Caracalla geloofde dat Alexander de Grote in zijn persoon was gereïncarneerd, zo schrijft hij: “Zelfs dit bracht hem geen voldoening, maar hij moest zijn held “de Augustus van het oosten” noemen; en op een keer schreef hij zelfs naar de senaat dat Alexander weer tot leven was gekomen in de persoon van de Augustus, opdat hij nog eens in hem kon voortleven, aangezien hij tevoren zo’n kort leven had gehad.”[839] We hebben hier te maken met een vorm van zelfrepresentatie van Caracalla. Wanneer Caracalla Alexander de “Augustus van het oosten” noemt dan wil hij daarmee aanduiden dat Alexander een wereldheerser was, een heerser over een unie tussen oost en west en niet dat Augustus een incarnatie was geweest van Alexander. Wanneer die “oosterse Augustus” weer tot leven komt in de gedaante van de huidige Augustus, in casu Caracalla, dan stelt Caracalla zichzelf voor als die wereldheerser, de heerser over de unie tussen oost en west. Daarmee wil Caracalla dus zijn voorbeeld overtreffen, als zijnde de enige ware wereldheerser.[840] Ook Herodianus wijst op die idee van reïncarnatie wanneer hij stelt dat Caracalla tijdens de doortocht door Thracia plots Alexander werd.[841]

 

Vooral Cassius Dio en Herodianus geven een uitvoerige bespreking van Caracalla’s enthousiasme voor Alexander met de vermelding van talrijke details. Zo liet Caracalla vele beelden en standbeelden oprichten van zichzelf die sterk geleken op die van Alexander de Grote en dit verspreid over het Rijk; in Rome, de legerkampen en in elke stad.[842] Sommige van deze beelden toonden een hoofd dat bestond uit 2 halve gezichten, namelijk dat van Caracalla en dat van Alexander.[843] Hij ging Alexander de Grote ook op alle mogelijke manieren imiteren. Zo pleegde hij een meer woeste gelaatsuitdrukking aan te nemen; naar zijn grote voorbeeld.[844] Dit gegeven wordt ook bevestigd door Dio: “Hij hield ervan een woest uitzicht te hebben en toen hij bij een aantal gelegenheden een “beest” werd genoemd was hij daar trots op”.[845] De woeste uitdrukking zien we ook in de bustes die van Caracalla bewaard zijn. De portretten werden bewust zo vervaardigd dat ze sterk geleken op de portretten van Alexander de Grote uit de Hellenistische tijd.[846] Caracalla gebruikte bepaalde wapens en bekers waarvan hij geloofde dat ze eens aan Alexander hadden toebehoord. Hij was ook doorgaans gekleed in Macedonische klederdracht.[847] Caracalla ging zelfs zover dat hij een Macedonische falanx vormde en drilde.[848] De falanx was geheel samengesteld uit Macedoniërs en ze werden uitgerust met de wapens, die de krijgers in de tijd gebruikten. Volgens Dio Cassius was de falanx 16000 man sterk, wellicht een sterk overdreven getal en noemde Caracalla de legereenheid: “Alexander’s falanx”.[849] Herodianus voegt daaraan toe dat de bevelhebbers van de falanx werden opgedragen de namen aan te nemen van de generaals van Alexander de Grote.[850] Volgens dezelfde auteur vormde Caracalla zelfs een Laconische en een Pythische cohorte, waartoe hij speciaal jonge mannen liet overkomen uit Sparta. Deze troepen vormde hij dan om tot zijn Spartaanse falanx.[851] Om Alexander nog verder te imiteren zou Caracalla op zijn expeditie naar het oosten zijn leger ook voorzien hebben van vele olifanten.[852] De idee van de olifanten wordt bevestigd door een inscriptie uit Mauretania, waarin Caracalla de inwoners voorstelde hem twee olifanten te leveren in ruil voor de teruggave van achterstallige belastingen.[853]

 

In het Epitome van Cassius Dio vinden we nog een aantal anekdotes die de auteur aangehaald heeft om de Alexander-manie van Caracalla te illustreren. De anekdotes zijn enkel in dit werk overgeleverd en de waarachtigheid ervan valt dan ook te betwijfelen. Volgens de auteur was Caracalla omwille van Alexander erg gesteld op Macedoniërs en hij vertelt een geval waarbij hij een gewone tribuun in de senaat opnam omwille van het feit dat deze man van Macedonia afkomstig was, Antigonus heette (naar de generaal van Alexander) en een vader had met de naam Philippus. Bij een ander incident, toen Caracalla als rechter moest oordelen in een strafzaak waarbij de beschuldigde toevallig Alexander heette en de aanklager in zijn rede steeds refereerde naar “de bloeddorstige Alexander” en “de door de goden gehate Alexander”, berispte hij de betrokken redenaar dat indien hij op die manier bleef de naam van Alexander gebruiken hij de zitting mocht verlaten.[854] Zijn liefde voor Alexander bracht Caracalla er volgens Dio zelfs toe hard op te treden tegen de filosofen die de leer van Aristoteles aanhingen waarbij hij hun privileges ontnam, hun boeken verbrandde en hun bijeenkomsten in Alexandria verbood. Reden van zijn wrok was de idee dat Aristoteles betrokken zou zijn geweest bij de dood van Alexander.[855] Tenslotte weten we uit de epigrafie dat Caracalla zich naar zijn grote voorbeeld “magnus” liet noemen.[856]

 

            Caracalla had niet alleen grote achting voor Alexander de Grote; ook andere grootheden uit het verleden werden door Caracalla bewonderd, zowel mythische als historische figuren. Ook deze personen werden door Caracalla als voorbeelden beschouwd voor zijn eigen handelen. Eén ervan was Sulla: Caracalla prees de staatsman voortdurend en zou zelfs op een gegeven moment verklaard hebben een 2e Sulla te zijn.[857] De keizer bezocht tijdens de Germaanse expeditie Sulla’s graftombe en liet ze herstellen.[858] Hij liet ook vele standbeelden en beelden van hem oprichten.[859] Volgens Dio bewonderde de keizer vooral de wreedheid van Sulla. De idee kan Caracalla ontleend hebben aan zijn vader die volgens dezelfde auteur tijdens een senaatszitting in 197 eveneens zijn bewondering uitte voor de woestheid en wreedheid van Sulla.[860]

De literaire bronnen noemen nog een aantal andere beroemdheden uit het verleden die Caracalla zou bewonderd hebben. Zo bijvoorbeeld de mythische figuur Achilles, wiens graftombe Caracalla zou bezocht hebben in Ilium tijdens zijn oosterse expeditie.[861] Ter gelegenheid van het bezoek aan de tombe eerde Caracalla Achilles met offers, een wagenwedstrijd rond het graf en de oprichting van een bronzen standbeeld. Hij deed ook een geldschenking aan zijn troepen alsof zij een overwinning behaald hadden; meer nog hij pretendeerde dat zij het oude Troje hadden veroverd.[862] Hij imiteerde er zowel Alexander de Grote als Achilles.[863] De bewondering voor Achilles kan men zien in het kader van Caracalla’s imitatio Alexandri want ook Alexander had Achilles geëerd en hem als voorbeeld beschouwd.[864]

Tenslotte waren ook Tiberius en Hannibal voorbeelden voor Caracalla: Tiberius prijsde hij vaak bij openbare gelegenheden en Hannibal door vele standbeelden ervan te laten oprichten.[865]

 

Het lijkt er dus op dat een reëele eigenschap van Caracalla’s persoonlijkheid was dat hij een zeer grote bewondering had voor een aantal beroemdheden uit het verleden en dat hij die als voorbeelden beschouwde voor zijn eigen handelen. Daarbij zocht hij steeds naar overeenkomsten tussen zichzelf en zijn voorbeelden. Deze mentaliteit is zeker niet ongewoon in de Romeinse Oudheid en vele keizers voor hem hadden dergelijke voorbeelden uit het verleden en vaak hebben zij hun handelen daarop gericht. Vooral het leven van Alexander de Grote heeft menig keizer aangesproken. Alexander gold als de grootste veroveraar uit de geschiedenis en op die manier vormde hij een ideaal voor de naar triomfrijke veroveringen strevende keizers [866] Ook Caracalla’s vader hechtte veel belang aan voorbeelden uit het verleden en dan vooral Marcus Aurelius die hij eveneens op alle mogelijke manieren imiteerde. Ook de andere leden van het huis van de Antonini genoten zijn bewondering en trachtte hij te imiteren: Zo liet Severus bijvoorbeeld bewust Caracalla zijn dies imperii vieren op 28 januari en nam hij bewust op dezelfde dag de Parthicus Maximus-titel aan, omdat hij ze zo kon laten samenvallen met de 100e verjaardag van Trajanus’ troonsbestijging, zo meer prestige gevend aan de gebeurtenis.[867] Severus bewonderde en prees publiekelijk ook nog andere beroemdheden, zoals Pompeius, Sulla, Marius en Augustus.[868]

 

Severus kan zelf een rol gespeeld hebben in Caracalla’s bewondering voor Alexander de Grote door tijdens zijn bezoek aan Egypte in 200 een bezoek te brengen aan het graf van de grote veldheer. Caracalla reisde mee naar Egypte en vermoedelijk was hij dan ook aanwezig tijdens het bezoek, waarbij Severus de tombe liet verzegelen opdat niemand na hem die nog zou betreden. Tevens maakte hij de werken in de bibliotheek die verbonden was aan het graf ontoegankelijk, enerzijds door het graf te verzegelen en anderzijds door veel van de werken mee te nemen. Het bezoek aan Alexander’s graf en de geleverde eerbewijzen door Severus moeten zeker een indruk gemaakt hebben op de jonge Caracalla en dit kan zeker hebben bijgedragen tot zijn bewondering voor de figuur. In Egypte bracht Severus ook een bezoek aan het heiligdom van Serapis.[869] De cultus van Serapis werd in de Romeinse tijd geassociëerd met Alexander de Grote.[870] De belangstelling van Severus voor Serapis kan dus ook een rol gespeeld hebben in Caracalla’s belangstelling voor Serapis en Alexander de Grote. Severus had doorheen zijn heerschappij ook vele eerbewijzen gebracht aan Bachus en Hercules, de beschermgoden van zijn thuisstad, Leptis Magna.[871] Severus associëerde Caracalla in de keizerlijke propaganda vaak met Bacchus en Hercules.[872] Alexander de Grote werd ook geassociëerd met deze godheden en ook dit kan bijgedragen hebben tot Caracalla’s bewondering voor Alexander de Grote.[873] Volgens Heuss vormde de associatie door Severus van Caracalla met Hercules en Bacchus de belangrijkste reden voor Caracalla’s imitatio Alexandri. Wij menen dat dit zeker een rol gespeeld heeft, naast andere factoren, zoals de algemene mentaliteit uit de tijd die groot belang hechtte aan voorbeelden uit het verleden en het bezoek aan Alexander’s graf in 200. Hoewel Dio en Herodianus het over Caracalla’s Alexander-manie vooral hebben in het kader van de expeditie naar het oosten,[874]  lijkt het waarschijnlijk dat Caracalla’s bewondering voor Alexander de Grote al zeer vroeg ontstond en dat die doorheen de tijd alleen maar is gegroeid. Kort vóór en tijdens de oosterse expeditie begon zijn bewondering waarschijnlijk obsessieve vormen aan te nemen.

 

Bovenstaande maakt ook duidelijk dat het zeker niet ongewoon was dat Caracalla beroemdheden uit het verleden als voorbeeld nam voor zichzelf. Alexander de Grote vormde duidelijk zijn allergrootste voorbeeld, maar hij had er zoals aangetoond ook andere. Opmerkelijk in het geval van Caracalla’s bewondering voor de Macedonische veldheer is de intensiteit waarmee hij die ten toon spreidde; dat blijkt duidelijk uit de in de literaire bronnen beschreven details van zijn imitatio Alexandri. De door Dio beschreven brief van Caracalla aan de senaat waarin die beweerde dat Alexander in zijn persoon was gereïncarneerd toont aan dat men in zijn geval terecht kan spreken van een soort obsessie, een Alexander-manie. Het ligt voor de hand dat deze obsessie een belangrijk motief kan gevormd hebben voor Caracalla om een veldtocht te beginnen naar het oosten en er de Parthen te overwinnen, net zoals zijn grote voorbeeld ongeveer een half millenium vroeger had gedaan tegen de voorgangers van de Parthen, de Perzen.[875]

 

Tenslotte dient nog op een ander motief gewezen te worden waarom Caracalla op expeditie wou gaan, namelijk het gegeven dat hij genezing zocht tegen zijn ziekte. Van Cassius Dio weten we dat Caracalla genezing zocht bij de godheden Apollo Grannus, Aesculapius en Serapis en dat hij die heiligdommen ook persoonlijk bezocht heeft.[876] Het heiligdom van Aesculapius bevond zich in Pergamum in Klein-Azië en Dio’s stelling dat Caracalla het bezocht wordt bevestigd door Herodianus.[877] Ook het heiligdom van Serapis heeft Caracalla bezocht, toen hij in 215 in Alexandria verbleef.[878] Caracalla’s zoektocht naar genezing kan dus zeker als een bijkomend motief beschouwd worden om een expeditie naar het oosten te organiseren.

 

            Met het oog op de expeditie naar het oosten nam Caracalla al een aantal voorbereidende maatregelen. Door een listige diplomatie verwierf hij het koninkrijk Edessa. Immers had hij Abgarus, de koning van Edessa, uitgenodigd om naar Rome te komen als vriend. Abgarus ging daar op in, maar bij zijn aankomst werd hij onmiddellijk gearresteerd en gevangen gezet. Edessa viel daardoor zonder koning, waarop Caracalla het zonder weerstand kon onderwerpen.[879] Begin 214 werd het koninkrijk omgevormd tot een colonia en werd het een basis voor latere militaire operaties.[880]

Caracalla probeerde ook de koning van Armenia in de val te lokken. In Armenia was er net als in het Parthische Rijk een burgeroorlog gaande, bestaande uit een machtstrijd tussen de koning en zijn zonen. De Armeense koning werd net als Abgarus door middel van een vriendelijk schrijven naar Rome uitgenodigd en gevangen genomen. In dit geval was Caracalla’s politieke zet echter minder succesvol. Bij de daaropvolgende onderwerping van het gebied stuitten de Romeinen immers op hevig verzet van de Armeense bevolking.[881] Het is niet zeker of het tijdens zijn verblijf in Rome in 214 was dat Caracalla deze diplomatieke maatregelen trof. Hij kan ze ook al getroffen hebben in 212, vóór zijn vertrek naar de noordelijke provincies. Zo verhaalt het Epitome van Dio de betreffende gebeurtenissen vóór zijn relaas over de Germaanse campagne.

 

c) Het bezoek aan de Donau-provincies:

 

In de lente van 214 vertrok Caracalla op expeditie naar het oosten, naar we vermoeden vanuit Rome.[882] Vervolgens is de aanwezigheid van Caracalla in Sirmium, in Pannonia Inferior geattesteerd door de inscriptie van de Ephesische diplomaat die Caracalla volgde op zijn tochten.[883] Van Rome naar Sirmium volgde Caracalla vermoedelijk de route van het Itinerarium Antonini.[884] Tijdens zijn korte verblijf in Sirmium voerde hij een reorganisatie door van de 2 Pannonias. Er kwam een grenswijziging tussen de twee provincies, waarbij het gebied van Pannonia Inferior ongeveer verdubbelde. Het “Legio I Adiutrixvan Pannonia Superior en haar talrijke hulptroepen werden toegewezen aan de legaat van Pannonia Inferior. De hele reorganisatie had tot doel de verdediging van de provincies aan te passen aan de actuele omstandigheden waarbij de barbaarse dreiging groter was geworden ten aanzien van Pannonia Inferior.[885] Misschien wou Caracalla ook het militaire belang van Pannonia Superior verminderen om zo het politieke belang van deze provincie te reduceren. Dit politieke belang dankte de provincie aan haar geografische ligging, dicht bij Rome en Italia, en haar militaire sterkte, met drie legioenen. Dit alles maakte van Pannonia Superior politiek een gevaarlijke provincie in die zin dat er vanuit die hoek een usurpator kon opduiken die dan met een leger naar Rome zou kunnen marcheren zoals Caracalla’s vader, Septimius Severus zelf had gedaan toen hij in 193 te Carnuntum, in Pannonia Superior door de troepen was uitgeroepen tot keizer. Mogelijk nam Caracalla daarom tijdens het verblijf in Sirmium in 214 de beslissing dat er voor het volgende jaar een  vertrouweling als nieuwe provinciegoeverneur diende te worden benoemd, namelijk C.Octavius Appius Suetrius Sabinus.[886] Hij was amicus van Caracalla en was als comes van de keizer actief geweest tijdens de Germaanse expeditie.[887] Het benoemen van zo’n grote vertrouweling tot provinciegoeverneur wijst op het grote belang dat Caracalla hechtte aan Pannonia Inferior.

 

            Vervolgens leidde de expeditie naar de povincies van Dacia, zoals blijkt uit de Historia Augusta.[888] Een ere-inscriptie gevonden te Oescus, in Moesia Inferior aan de Donau-grens met Dacia, opgericht door een op rust gestelde officier nadat die door Caracalla was onderscheiden voor de dapperheid die hij tijdens de Germaanse campagne had getoond, kan verder wijzen op een keizerlijke aanwezigheid in het gebied.[889] Met het bezoek aan Dacia werd afgeweken van de route die is overgeleverd in het Itinerarium Antonini. Waarschijnlijk verliet hij de route te Viminacium, waar hij in de winter van 195/196 tot Caesar was uitgeroepen.[890] Het is onduidelijk welke zaken Caracalla in Dacia moest afhandelen. De formulering in de Historia Augusta wijst eerder op een passief verblijf, zonder militaire operaties.[891] De plaatselijke bevolking in Dacia was mogelijk opstandig, want Cassius Dio geeft aan dat Caracalla een verbond sloot met de Daciërs waarbij hij een aantal gijzelaars nam.[892] Van Berchem vermoedt dat Caracalla tijdens het oponthoud in Dacia een inspectieronde verrichtte en dat er daarbij contacten of onderhandelingen met de naburige volkeren zullen hebben plaatsgevonden. De auteur acht het ook mogelijk dat Caracalla tijdens dit verblijf de koning van de Quadi, Gaïobomarus, liet terechtstellen, waarover Dio bericht. [893] Die executie kan echter even goed gebeurd zijn tijdens Caracalla’s verblijf in Sirmium in Pannonia Inferior, dat dichter is gelegen bij het leefgebied van de Quadi dan Dacia.[894] In dezelfde passage stelt Dio ook dat Caracalla trots was dat hij een twist had kunnen teweeg brengen tussen de Vandili en de Marcomanni; twee volkeren die tevoren met elkaar in vrede hadden geleefd.[895] De leefgebieden van deze volkeren waren dichter gelegen bij de Pannonias dan bij Dacia, zodat het waarschijnlijker lijkt dat deze diplomatieke zet, evenals de terechtstelling van Gaïobomarus eerder gebeurde tijdens het verblijf in Pannonia Inferior dan in Dacia.[896] Tijdens het verblijf in Dacia vonden er waarschijnlijk ook troepenlichtingen plaats met het oog op de expeditie tegen de Parthen.[897] Ook zorgde Caracalla ervoor dat er een nieuwe goeverneur werd aangesteld voor Dacia, namelijk C.Iulius Septimius Castinus en dit in de plaats van L.Marius Perpetuus.[898]

 

            Na het verblijf in Dacia reisde Caracalla door naar Thracia.[899] Daarbij volgde hij hetzij de route via Viminacium, hetzij via Drobeta naar Naissus. Mogelijk werd er in de provincie halt gehouden te Philippopolis.[900] In de muntslag van deze stad werden immers spelen herdacht die gehouden werden ter ere van de nieuwe Alexander.[901] Geheel zeker van een bezoek aan Philippopolis kan men echter niet zijn. Het is ook mogelijk dat de stad, nadat er bericht was gekomen dat Caracalla de provincie zou doorreizen, zich wel voorbereidde op een keizerlijk bezoek maar dat dit uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden.[902] Volgens Herodianus was het in Thracia dat Caracalla plots Alexander werd. Men moet dit niet interpreteren in de zin dat Caracalla’s Alexander-manie plots begon in deze periode, maar wel in die zin dat ze in intensiteit steeds meer toenam doorheen de expeditie.[903] Tijdens de doortocht door Thracia zal Caracalla mogelijk ook de wegenwerken geïnspecteerd hebben die in 211 in zijn naam en in die van Geta waren uitgevoerd.[904]

 

            Vanuit Thracia trok Caracalla naar de provincie Asia. Daarbij week hij af van de gewoonlijke route voor reizigers vanuit Europa naar Klein-Azië. Volgens deze route stak men de zee over te Byzantium naar Chalcedon. Cassius Dio en de auteur van de Historia Augusta geven echter aan dat Caracalla ervoor had gekozen de Hellespont over te steken.[905] Het is waarschijnlijk dat Caracalla voor deze reisweg koos om Alexander de Grote te imiteren. Die was in 334 voor Christus eveneens via de Hellespont naar Klein-Azië gereisd. Voor Caracalla lag het waarschijnlijk voor de hand dat hij zou optrekken tegen de Parthen via de Hellespont, zoals zijn idool dat had gedaan toen hij optrok tegen de Perzen. Tijdens de overtocht is het mogelijk dat Caracalla aan de dood ontsnapt is toen zijn schip in de problemen kwam. Dio stelt enkel dat Caracalla de Hellespont overstak en dat dit niet zonder gevaar gebeurde, zonder te specifiëren dat er schipbreuk werd geleden.[906] De auteur van de Historia Augusta geeft meer informatie, stellende dat Caracalla schipbreuk dreigde te lijden toen de ra van het schip afbrak, maar dat hij kon ontkomen door samen met een lijfwacht in een reddingsboot te klimmen, die hen daarop in veiligheid bracht.[907] In Rome werd een inscriptie gevonden die een epigrafische naklank vormt van de gebeurtenis.[908] Er is dan ook weinig reden om de berichten over een gevaarlijke overtocht niet te geloven. Van Cassius Dio weten we dat Caracalla een uitstekend zwemmer was, zelfs in ruwe wateren.[909] Deze eigenschap kan hem zeker geholpen hebben bij de gevaarlijke overtocht.

 

            Voor de periode na het oversteken van de Hellespont leveren de literaire bronnen gebrekkige informatie. De auteur van de Historia Augusta gaat na het bericht over de oversteek meteen over op de beschrijving van het keizerlijke bezoek aan Alexandria,[910] dat men over het algemeen dateert in de periode van december 215 tot maart/april 216.[911] Cassius Dio en Herodianus geven meer informatie. Zij geven als eerste halteplaatsen Ilium en Pergamum, maar plaatsen die in een verschillende volgorde. Dio laat Caracalla eerst stoppen in Ilium en dan in Pergamum, Herodianus echter eerst in Pergamum.[912] De volgorde aangegeven door Dio is de meest logische, waarbij Caracalla na de oversteek over de Hellespont in zuidelijke richting eerst naar Ilium trok en dan verder zuidelijk naar Pergamum.[913]

 

            Na de oversteek over de Hellespont is de eerste literair geattesteerde stopplaats dus Ilium, het vroegere Troje. Daar bezocht Caracalla de graftombe van Achilles, die hij eerde met offers, een wagenwedstrijd en een standbeeld.[914] Caracalla maakte van de gelegenheid gebruik om de Trojaanse oorlogen te herdenken.[915] Volgens Herodianus bracht hij niet alleen offers aan Achilles, maar wenste hij bovendien ook de ceremonieën te hernieuwen, die de held had gehouden voor zijn overleden vriend Patroclus.[916] De dood van één van zijn favoriete vrijgelatenen te Ilium bood hem de gelegenheid daartoe. De betrokken vrijgelatene was een zekere Festus, die Caracalla’s persoonlijke secretaris zou geweest zijn. Hij was op onverklaarbare wijze te Ilium gestorven en Herodianus voegt eraan toe dat het gerucht de ronde deed dat hij was vergiftigd, juist opdat hij zou kunnen begraven worden zoals Patroclus.[917] Het beschreven gedrag van Caracalla te Ilium doet sterk denken aan dat van Alexander de Grote die eveneens op zijn oosterse veldtocht een bezoek bracht aan de stad, om er Achilles te eren en de Trojaanse oorlogen te herdenken.[918] We kunnen dus vrijwel zeker stellen dat de uitstap naa