Burgers, boeren en soldaten. Militaire lasten in de twee steden en het Land van Aalst 1621-1648. (Tom Boterbergh)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK IV: INKWARTIERINGEN OP HET PLATTELAND

 

Zoals de titel van het hoofdstuk al laat vermoeden, spitsen we onze aandacht de volgende bladzijden toe op het fenomeen van de plattelandsinkwartieringen. Men trachtte het platteland wel zoveel mogelijk te vrijwaren van deze last, niet alleen omdat de bevolkingsconcentratie en het bevolkingsaantal veel lager was dan in de steden, en bijgevolg de controle op de soldaten niet zo hoog kon zijn, maar ook omdat het platteland de basis vormde van de voedingsketen. De krijgsbendes die in deze periode hier streden, dienden voornamelijk gevoed te worden met voedsel van de eigen Vlaamse bodem, en uiteraard diende de lokale bevolking van haar oogst te moeten leven. Men redeneerde terecht dat, als men veel soldaten op het platteland zou logeren, men heel veel verwoeste akkers en velden zou vinden met een mislukte oogst als gevolg. Daarom probeerde men de winterinkwartieringen voornamelijk in de steden te laten plaatsvinden. Desondanks kwamen toch nog langdurige logementen in het Land van Aalst voor. Zoals we al vermeld hebben zullen we enkele gevallen nader toelichten en even blijven stilstaan bij de pogingen van de gedeputeerden van het landscollege om zowel het platteland als de steden te behoeden voor inkwartieringen.

Allereerst echter zullen we een overzicht geven van de langdurige logementen in het platteland van Aalst tijdens deze periode. Het gaat opnieuw om logementen van minimaal tien dagen, zoals we bij de steden gedaan hebben. Zo hebben we geen meldingen opgenomen van bijvoorbeeld een logement van één compagnie, waarvoor een vergoeding uitgekeerd wordt van bijvoorbeeld tachtig pond parisis, omdat dit bedrag erop wijst dat deze compagnie hooguit een paar dagen gelogeerd is geweest. Daarom hebben wij besloten om enkel de gevallen op te nemen van logementen, waarvan we haast zeker zijn dat ze minimaal tien dagen geduurd hebben. Bovendien verschaffen deze logementen ons soms wat meer informatie dan een logement van pakweg een paar dagen. Ik ga het niet meer hebben over de organisatie en de manier van inkwartieren. Of het ging om dorp of stad, de organisatie van inkwartieringen bleef dezelfde. Dit heb ik reeds onder de loep genomen in punt 3.1. van het vorige hoofdstuk. Een herhaling van deze maatregelen en ordonnanties is bijgevolg niet aan de orde.

 

4.1. ALGEMEEN OVERZICHT VAN DE INKWARTIERINGEN OP HET PLATTELAND

 

Maar, bij wijze van algemene inleiding, zullen we beginnen met een overzicht te geven van inkwartieringen op het platteland, net zoals we dit voor de steden gedaan hebben.  We hebben opnieuw geopteerd voor een tabelvorm, omdat dit volgens ons het overzicht behoudt en de leesbaarheid vergemakkelijkt. Omdat we in het platteland niet van eigenlijke wintergarnizoenen kunnen spreken, hebben we de inkwartieringen die plaatsgevonden hebben, ondergebracht volgens het jaar van logement. Vanuit deze tabel zullen we twee gevallen van inkwartieringen nader bespreken, namelijk het logement van Marcello de Judici met zijn tien compagnies Italianen enerzijds en het logeren en onderhouden van “limoenpaarden” anderzijds. Dit laatste gebeurde veelal tezamen met het Land van Dendermonde. We hebben opnieuw geopteerd voor inkwartieringen waarbij we haast zeker zijn dat ze minimaal tien dagen geduurd hebben.

 

Tabel 6:  Inkwartieringen op het platteland, 1625-1648.

1625

  • in het voorjaar een aantal mannen van de graaf van Bossu en van markies de Marnay, waarvan andere delen in de steden ingekwartierd lagen.[227]

  • logement van tien Italiaanse (Napolitaanse) compies onder leiding van Maestro de Campo Marcello del Judici.[228]    

1626

  •  een aantal officieren in verschillende parochies.

1627

  • een aantal Italianen van het tertio van Marcello del Judici.[229]

  • officieren in diverse dorpen.

1628

  • Ronse: een tijd de compagnie kolonels van de graaf van Salazar, vooraleer deze compie naar Aalst gegaan was.[230]

  • kap Richio 126 dagen te Denderwindike.[231]

1629

  • 76 soldaten te Gentbrugge.[232]

  • Spanjaarden van de graaf van Salazar in verschillende parochies.[233]

1630

  • geen meldingen van langdurige logementen in dit jaar op het platteland

1631

  • 103 soldaten logeerden geruime tijd te Appelterre

1632

  • half februari order om vijf compies Spanjaarden te laten logeren[234]

  • kap Mayor en Galuegos te Sint-Lievens-Houtem, kap Sarmiento te Oordegem en kap Moretto te Herzele[235]

  • 3 compies Duitsers en Walen van het tertio van Maestro de Camp Hennin geruime tijd te Denderhoutem en 29 Engelse soldaten te Aaigem.[236]

1633

  • Engelse soldaten van kap Morgan verdeeld over verschillende parochies[237]

  •  vanaf zeven november zijn vijf compies van markies de Zelada in het LvA 

  • komen logeren.[238]

  • Zottegem: logement van verschilende officieren van de graaf van Roeulx: 1800 pond en 2 sch par.[239]

1634

  • logeren van 320 citroenpaarden, voor 192 dagen: 9.216 pond parisis[240]

1635

  • 656 citroenpaarden, aan drie schellingen parisis per paard per dag[241]

  • Zottegem: de bagage, vrouwen en kinderen van 45 soldaten van de markies van Zelada onderhouden voor 194 dagen (winter 1635-1636).[242]

1636

  • geen meldingen van langdurige inkwartieringen op het platteland

1637

  • kosten van het onderhoud van paarden[243]

1638

  • logement van 334 paarden uitgekocht[244]

  • logement van de compagnie curassiers van de garde van zijn hoogheid in de tien dichtste parochies naast D’monde.[245]   

  • logeren van zieke soldaten, die pas eind oktober vertrekken.[246]

1639

  • eerst 214 paarden, later 334 - uitgekocht voor 1.615-14 pond parisis.[247]

  • 150 mannen, twee compies, 380 limoenpaarden en 110 wagens: dit is de train van de artillerie die op zes parochies komt logeren.[248]

  • vier compies van de markies van Zelada in de vrijheid van Zottegem.[249]

  • samen met andere plattelandsdistricten in Vlaanderen een compie boogschutters, twee compies ruiterij en tien compies infanterie van het tertio van mark van Zelada onderhouden en laten logeren.[250]

1640

  • verschillende soorten paarden onderdak, daarnaast nog vier andere compies paarden tijdens de zomerperiode.[251]

1641

  • 390 paarden met D’monde, vanaf 1/12/1641; vanaf december ongeveer 508 limoenpaarden tot in het volgend voorjaar.[252]

1642

  • 14 compies (1.025 mannen en 77 paarden) olv MdC Viscomti enige tijd te Velzeke: 2089-14 pond parisis.[253]

  • 3/10/1642-21/12/1642: 303 limoenpaarden voor 58 dagen; vanaf 22/12 nog 205, voor 106 dagen.[254]

1643

  • Melle: onderhoud één luitenant met paarden, knechten en 130 wagens: 5.474 pond parisis.[255]

  • geen logement van paarden dit jaar, wel bijdrage in het onderhoud ervan.[256]

1644

300 paarden met D’monde; later samen met D’monde meer dan 700

      paarden onderhouden.[257]

1645

  • “Lorreinen”” in Gijzegem en Mespelare[258]

  • zieke “Lorreinen verspreid tussen Aalst en Gent[259]

  • 4 compies cavalerie, die van Don Vicento Surrimendi, Don Alberto Coloma, Don Diego de Goigones en van de heer Lannoy in december op het platteland[260]

  • soldaten van Octavo Guasco (totaal van 2.845 plaatsen)[261]

  • de compie van de generaal van de cavalerie, transportsgewijze laten logeren[262]

1646

  • Wichelen: commissaris generaal Cagero met vier compies cavalerie[263]

  • nog vier extra compies ruiterij langs de Schelde om te helpen in geval van nood[264]

  • Wassene: één compie van Bruay, voor 25 dagen, van 15/1 tot 9/2.[265]

  • Semmersaecke: in januari-februari 50 vrouwen en 40 kinderen van drie compies van de graaf van Bruay[266]; Gavere vanaf 21 mei vijftig dagen lang   68 vrouwen, 26 kinderen en de bagage van hetzelfde regiment van Bruay[267]

  • “Lorreinen” op het platteland, evenals Duitse compies en twee regimenten  van Guasco[268]

  • Wichelen: één compie cavalerie van de heer Jouanchy vijf weken gelogeerd geweest zonder een order.[269]

  • Sint-Denijs Boekel: 33 soldaten van de compie van kap Caguna voor 28 dagen gelogeerd geweest en één cornette zeventien dagen[270]

vervolg 1646

 

 

 

 

 

1647-1648

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

vervolg 1647-1648

  • 334 paarden onderhouden zoals vorig jaar[271]

  • in november 39 compies van MdC’s Bergas en Casteluix[272]

  • tertios van Dessa en Bergas, en zes compies ruiterij op platteland voor 24 dagen in november; op 17/12 monsteren van deze 31 compies = 4.354 plaatsen; 52 soldaten van Dessa vertrekken van Herzele naar Steenhuize en Gijzegem[273]

  • Eind januari komen nog eens vier compies van Dessa op het platteland  logeren[274]

  • Letterhoutem: één soldaat van 39/1/1647-8/5/1647, aan 14 schellingen parisis per dag = 70 pond parisis[275]

  • vrouwen en kinderen van verschillende regimenten minimaal zeven        maanden op het platteland[276]

  • enkele parochies nabij Oudenaarde krijgen twee compies Italianen van kaps Casarotti en Mordenti over de vloer voor twee maanden.[277]

  • Denderwindeke: van 6/9-22/9 38 mannen, ≠ wagens, bagage en 62 paarden[278]

  • Lieferinge: 16 dagen logement van 93 paarden en knechten, één adjudant en één sergeant[279]

  • Wichelen: de compies cavalerie van Don Alberto Coloma en Ambrosio Ambrosini en vier compies van Don Octavio Guasco[280]

  • logementen van de compies cavalerie van Antonio Fuertado, Francisco Duque en de Baron van Goring, omdat in de steden geen plaats meer was.[281]

  • de regimenten Spaanse infanterie van Deza en Bergas overwinteren, evenals de voorgaande compies ruiterij met nog eens twee extra compies cavalerie, nl die van Antonio dela Cueva.[282]. Ook de troepen van de hertog van Lotharingen logeren nog altijd op het platteland.

  • Vlierzele en Bavegem: veertien dagen logement en onderhoud van tien ruiters van Joseph Escaillaert; van 8/12-22/12.[283]

  • Hundelgem: één sergeant reforme 29 dagen gelogeerd geweest[284]; te Berchem een dergelijke persoon 97 dagen (13/9-18/12).[285]

 

We merken dat tot het einde van de jaren 1630 het aantal ingekwartierde troepenmacht op het platteland zeker niet de spuigaten uitloopt. Vanaf de jaren 1639-1640 echter krijgen steeds meer troepen hun inkwartieringen op het platteland, en dit gaat in crescendo naar het einde van de Opstand toe. We hebben ook voor de steden al opgemerkt dat tijdens de laatste jaren van dit conflict de toevloed van soldaten er zeer hoog werd. Omdat deze steden deze overmacht niet langer konden huisvesten, was het platteland wel verplicht de troepen die geen plaats meer hadden, onderdak te geven. Men had gewoon geen andere mogelijkheid meer over.

 

 

casus 1: het logement van de Italianen van Marcello del Judici

 

Het Land van Aalst krijgt, op een paar gevallen na, tot de jaren 1640 niet veel grote compagnies of regimenten te logeren. Eén van deze uitzonderingen waren de tien Italiaanse compagnies onder leiding van Marcello del Judici, die gedurende ongeveer vijf maanden in het Land van Aalst ingekwartierd zijn geweest. Aanvankelijk lagen deze tien compagnies van zesentwintig tot negenentwintig juli 1625 in de heerlijkheden Haaltert, Appelterre, Bambergen, Sint-Lievens-Esse, Velzeke, Sint-Lievens-Houtem, Balegem, Ophasselt, Oosterzele en Hillegem. Ieder diende dus één compagnie te laten logeren, maar al snel werd duidelijk dat deze troepen langer dan een paar dagen zouden blijven logeren. Op negen juli besloot de centrale regering deze tien compagnies te verdelen over gans het platteland van Aalst en Dendermonde. De verdeling zou verlopen volgens ieders aandeel in het transport.[286] We hebben gelukkig nog iets meer informatie om dit te verifiëren. In afwachting van deze repartitie dienden zeven van de tien compagnies naar andere parochies te verhuizen: enkel de compagnies in Ophasselt, Velzeke en Sint-Lievens-Houtem bleven voorlopig waar ze waren. De Maestro de Campo Marcello del Judici schipperde tussen Haaltert en Zottegem, maar alle andere parochies waren eventjes verlost van deze hoge last. Nederbrakel, Denderwindeke, Merelbeke, Oordegem, Lede en Denderhoutem waren voor een tijdje de ongelukkigen die een compagnie Italianen over de vloer kregen. De verdere verdeling is echter niet meegedeeld geworden, maar het kan niet anders dan dat deze Italiaanse troepen verspreid zijn geweest over gans het platteland. Begin december zijn gedeputeerden van het Land van Aalst dan naar Ieper en Rijssel vertrokken, om het vertrek van deze Italianen te eisen. Ze lagen immers van eind juli al op het Aalsterse platteland, en ze hadden de lokale bevolking al meer dan 150.000 gulden gekost![287] Dit verzoek wordt toegestaan, en in de loop van december vertrekken deze Italianen, maar de mensen van het platteland moeten wel nog tot en met de laatste dag van april iedere dag vier rantsoenen van vijf patars per dag uitbetalen.[288]

 

casus 2: het logement van paarden in de periode 1634-1644

Een andere, meer specifieke last voor het platteland, was het onderhouden en onderdak geven van een vrij groot aantal “limoenpaarden” zoals dit paardenras in de bronnen omschreven wordt. Aangezien het Middelnederlandse woord “limoen” in onze huidige taal citroen betekent, denken wij dat de benaming van deze paarden gegeven is omwille van hun kleur. In 1634 wordt voor de eerste maal melding gemaakt van deze last. Het was een order van markies d’Aytona die daartoe de aanleiding gaf. Ook de jaren nadien waren deze paarden van de partij, vooral tijdens het voorjaar. Er logeerden de eerste helft van het jaar 1634 (192 dagen om precies te zijn) 320 paarden op het Aalsterse platteland. Gerekend aan acht gulden per dag kostte dit onderhoud aan de generaliteit van Aalst 1536 gulden ofte 3.072 ponden parisis. Dit betekent dus dat ieder paard dagelijks tien denieren aan eten en drinken kostte.[289]

Blijkbaar was men tevreden over de behandeling van de paarden in deze regio, aangezien de vorst het jaar daarop het Land van Aalst opnieuw wil belasten met dit paardenras, ditmaal 656 dieren. Het enige verschil zit hem in het prijskaartje: men stelt vanuit Brussel één pond groten voor per paard per dag. Dit is een heel hoge som, en men besluit ieder paard anderhalve stuiver of drie schellingen parisis per dag aan voeding te geven.[290] Dit is heel wat meer (meer dan viermaal zoveel) dan de tien denieren die men aan de paarden van 1634 gegeven heeft. De totale kostprijs bedroeg 4.531 ponden en acht schellingen parisis. Ervan uitgaande dat we effectief 656 paarden te logeren hebben gehad, aan drie schellingen parisis per paard per dag, komen we tot de volgende vergelijking om het aantal doorgebrachte dagen te achterhalen,: 656.0,15.X (aantal dagen) = 4531,4. Het cijfer 0,15 slaat op de kosten van ieder paard per dag: drie schellingen komen namelijk overeen met nul komma vijftien ponden parisis. We moeten dit wel in ponden parisis zetten, omdat ook de totale kosten in ponden parisis uitgedrukt zijn. Zo komen we tot een aantal van zesenveertig dagen.

In 1636 hebben we geen weet van een dergelijk logement. De volgende mogelijke mededeling betreffende het houden van paarden tijdens het voorjaar komt er in 1637, wanneer tijdens een beperkt overzicht van de kosten van dat jaar tot dusver ook een vermelding zit van “de haudenisse van limoenpeerden”, die 4.292 pond en dertien schellingen parisis gekost hebben.[291] Over verdere gegevens in verband met dit onderhoud ontbreekt echter ieder spoor.

Het jaar 1638 brengt een nieuwigheid met zich mee. Tot deze periode spreekt men in de bronnen namelijk enkel over het platteland van Aalst. Vanaf dit jaar echter worden de Landen van Aalst en Dendermonde samen belast limoenpaarden te houden. In 1638 was het gezamenlijke aantal 390 dieren, waarvan het Land van Aalst er 334 toegewezen kreeg en het Land van Dendermonde dus de overblijvende zesenvijftig. Op bladzijde acht hebben we de percentages van beide verrekend in het Transport van Vlaanderen. Indien we naar deze verdeling kijken, merken we dat het Land van Aalst ruim vijfentachtig procent van de paarden diende te logeren (334 op 390 = 85,64 %) en onderhouden, tegenover slechts vijftien procent voor het Land van Dendermonde: dit betekent dat deze verdeling niet volgens het Transport van 1631 gebeurd is, omdat het aandeel van het Land van Aalst dan bijna 80 procent zou zijn, tegenover een kleine 20 procent voor het Land van Dendermonde. Het lastenaandeel in het Transport van 1517 bedroeg voor de twee steden en het Land van Aalst 8.65 procent, tegenover 1.45 procent voor het land van Dendermonde.[292] Dit betekent dus dat de verdeling van deze paarden in 1638 verliep volgens het lastenaandeel van beide plattelandsdistricten in het Transport van 1517. Ze zouden gelogeerd worden vanaf de eerste januari tot de twaalfde juni 1638. Dit maakt dus 163 dagen, aan een som van één schelling parisis per paard per dag. Toch hebben deze paarden dit jaar niet in het Land van Aalst verbleven, omdat hun logement en onderhoud namelijk uitgekocht werd door de gedeputeerden. Dit is volgens ons de eerste maal dat een dergelijk logement is uitgekocht geweest, en het zou niet de laatste keer zijn. Ze betaalden daarvoor 2.722 ponden en twee schellingen parisis.[293]

In 1639 werd het platteland van Aalst en Dendermonde opnieuw belast om limoenpaarden te onderhouden, dit keer 240 dieren.[294] Het aandeel van het Land van Aalst bedroeg 214 paarden, bijna negentig procent, tegenover slechts een goede tien procent (of zesentwintig dieren) voor het Land van Dendermonde. Deze verdeling verliep dus niet volgens de lastenaandelen in het Transport van Vlaanderen. De gedeputeerden van het landscollege beslisten opnieuw om dit onderhoud, dat in theorie 151 dagen (van half november 1638 tot half mei 1639) zou duren, uit te kopen. De totale som bedroeg deze keer 1.615 pond en veertien schellingen parisis.[295]

In het jaar 1640 krijgen we drie verschillen met het voorgaande jaar: het platteland krijgt andere soorten paarden te logeren, en de paarden verblijven effectief in het platteland. Deze logementen worden dus dit jaar niet uitgekocht, en de paarden verbleven in volle zomer in deze regio. Deze keer gaat het om “... sadelpeerden, carrotpeerden ende muylen vande grooten stal van sijne hoocheit...[296]” die gelogeerd worden, evenals vier andere compagnies. Twee daarvan zijn van de garde van de vorst, één van prins Thomas en één staat onder leiding van de commissaris-generaal. In totaal verbleven er in deze zomer om en bij de duizend paarden bij particulieren, wat uiteraard een zware last vormde voor gans deze streek.[297] Om alle paarden te onderhouden verkreeg het Land van Aalst een octrooi van de vorst om 25.000 gulden (of 50.000 ponden parisis) te lichten.[298] Deze som leende men te Antwerpen, aan een intrestvoet van zes procent.[299]

Het jaar daarop, in 1641, wordt het platteland van Aalst en Dendermonde belast tezamen 390 paarden onderdak te geven en te onderhouden “ende dat op den voet ghelijck sij op de voorgaande jaren sijn gelogeert gheweest”, te beginnen van de eerste december 1640.[300]  De precieze verdeling van de aantallen wordt niet gegeven noch de duur van het logement of de kostprijs ervan. Aangezien ze in 1638 al eens tezamen 390 paarden hebben laten logeren, denken wij dat men de verdeling op dezelfde voet als toen heeft gemaakt, namelijk 334 krijgsrossen voor het Land van Aalst en 56 voor het Land van Dendermonde. Op het einde van datzelfde jaar kreeg men maar liefst 508 paarden te overwinteren, zonder dat daarover ook maar één reglement of order ontvangen te hebben.[301]

Het jaar 1642 was dus in het voorjaar al belast met ruim 508 paarden. Daarmee was het onderhoud van paarden nog niet afgelopen. Tussen eenendertig oktober en tweeëntwintig december logeerden nog maar eens 303 limoenpaarden in de Aalsterse en Dendermondse parochies. Vanaf tweeëntwintig december zijn er dit nog “slechts” 205.[302] De totale som voor deze logementen bedroeg voor het Land van Aalst 2.980 pond elf schellingen, en vier denieren parisis; voor het Land van Dendermonde 499 pond, twaalf schellingen en twee denieren parisis.[303] Het Land van Aalst moet dan respectievelijk ongeveer 260 en 175 paarden gelogeerd hebben; het Land van Dendermonde ongeveer 43 en 30.

Het jaar 1643 is wat betreft kosten van paarden tot nog toe onovertroffen ondanks dat er geen enkel paard komt logeren in het platteland zoals voorgaande jaren. In de zomer van 1643 logeren de paarden van het hof allemaal te Gent. Het Land van Aalst diende bij te dragen in het onderhoud:  haar lastenaandeel was bepaald op 10.903 pond en vier schellingen parisis.[304]

In 1644 worden de Landen van Aalst en Dendermonde opnieuw belast 300 limoenpaarden te laten logeren en te onderhouden, aan één schelling per paard per dag.[305] Opnieuw staat het Land van Aalst in voor ruim 85 procent van deze kosten, wat betekent dat deze verdeling gebeurde volgens het Transport van 1517. In de nazomer worden beide plattelandsdistricten belast met het onderhouden van de paarden van Don Fransisco de Melo, de markies van Castel Rodrigo en de hertog van Amalfi. Dit waren in totaal meer dan 700 dieren, waarvan het Land van Aalst opnieuw ongeveer 85 procent diende te onderhouden. De kosten voor het Land van Aalst werden geraamd op om en bij de 20.000 ponden parisis.[306] Tot het einde van de Opstand krijgen we geen meldingen meer van het logeren en/of onderhouden van dergelijke limoenpaarden. Dit komt waarschijnlijk doordat de laatste jaren van de Opstand vooral inkwartieringen van troepen op het Land van Aalst in grote getale voorkwamen, zodat de regering het platteland ontzag van daarbovenop nog eens paarden te onderhouden.

 

tabel 7: Overzicht van het onderhoud van paarden in het Land van Aalst

jaartal

aantal paarden

duur logement

(in dagen)

vergoeding per paard per dag

kostprijs (in ponden parisis)

1634

320

192

tien denieren par.

3.072

1635

656

42

drie schellingen par.

4.531 pond en 8 sch.

1637

?

?

?

4.292-13

1638

334

163

één schelling  par.

2.722-2

1639

214

151

één schelling par.

1.615-14

1640

± 1.000

? (zomer)

?

? (lichten van 50.000)

1641

334 (voorjaar)

508 (najaar)

?

?

?

?

?

?

1642

± 260

± 175

58

106

?

?

samen voor het Land van Aalst 2980-11-4

1643

geen, wel

onderhoud

/

10.903-4

1644

± 256

± 600

?

zomerperiode

één schelling par.

?

?

± 20.000

 

Deze specifieke last hebben we vrij goed kunnen weergeven. We hebben zeker al cijfers die over deze tien jaar op een gezamenlijke som duiden van meer dan vijftigduizend pond parisis. De werkelijke som moet nog een aantal duizenden ponden parisis hoger liggen, omdat we van drie logementen vrijwel niets weten. Daarom denken wij dat de reële som van deze logementen ergens tussen de 55.000 en 60.000 ponden parisis ligt, enkel voor het Land van Aalst welteverstaan. Als besluit hebben we dan ook deze specifieke overlast even in tabelvorm gegoten, waaruit we alles heel ordelijk en gemakkelijk kunnen aflezen. Omdat we meermaals gevonden hebben dat deze lastenaandelen volgens het Transport (van 1517!) verdeeld werden, kan het haast niet anders dan dat de twee steden ook hebben moeten bijdragen in deze last. Het lastenaandeel in het Transport van Vlaanderen is namelijk van de generaliteit van Aalst, dus inclusief de twee steden. We denken dan ook dat de steden Aalst en Geraardsbergen moeten bijgedragen hebben in dit onderhoud, maar we kunnen het niet met zekerheid bevestigen.

 

Zowel de steden en het platteland hebben tijdens deze periode te maken gekregen met inkwartieringen van krijgsbendes. Voor beide gebieden merken we uit de desbetreffende tabellen dat vooral de jaren 1640 gekenmerkt werden door een hoge troepenaanwezigheid. Met uitzondering van de laatste drietal jaren van de Opstand, schijnt het platteland bijlange na niet het troepenaantal ingekwartierd gehad te hebben dan de steden, ondanks de veel hogere bevolking (ca. 74.000 inwoners in het Land van Aalst tegenover ca. 9.000 in de steden[307]). Het Land van Aalst werd blijkbaar wel meer belast met het onderhoud van paarden dan met het onderhoud en de inkwartiering van grote krijgsbendes. Wel blijkt uit de bronnen dat de parochies van het Land van Aalst wel veel meer getroffen werden door troepen die een aantal dagen overnachtten en toen weer verder trokken. De “Lorreinen” — dit zijn de troepen van de Hertog van Lotharingen — die verschillende malen weergegeven worden in tabel 6, hebben op die manier heel lang op het platteland van Aalst doorgebracht. Verder constateren wij voor het platteland dat ook heel wat enkelingen of een kleine groep soldaten een geruime tijd op het platteland hebben doorgebracht, in tegenstelling tot de steden, waar het veelal ging om grote troepenmachten (hoewel deze ook heel verspreid arriveerden).

Hoe sprong de lokale bevolking met deze continue stroom van militairen, soldatenvrouwen en -kinderen, bagage, paarden en andere om? Het volgende punt in ons onderzoek laat zien hoe de gedeputeerden getracht hebben de militaire lasten zo miniem mogelijk te houden.

 

 

4.2. HOE TRACHTTEN DE GEDEPUTEERDEN TE VERHINDEREN DAT DE STEDEN EN/OF HET PLATTELAND BELAST WERDEN MET WINTERGARNIZOENEN?

 

In dit onderdeel gaan we, zoals de titel laat vermoeden, kijken welke moeite de gedeputeerden deden om ontlast te worden van inkwartieringen, meer specifiek nog: hoe probeerden ze te vermijden dat wintergarnizoenen in de steden en/of op het platteland kwamen logeren? Het antwoord lijkt eenvoudig: door de wintergarnizoenen uit te kopen. Dit kon gebeuren voor aanvang van het eigenlijke winterseizoen, maar evengoed kon men bijvoorbeeld in december tot een akkoord komen dat maar vier in plaats van zes maanden van het wintergarnizoen zouden uitgekocht worden. Bovendien dienden deze soldaten dan in een ander district onderdak te vinden, en dat was natuurlijk niet evident. Deze zaken zitten dus heel complex in elkaar. Het woord uitkopen hebben we namelijk al eerder gebruikt, wanneer  het ging om logementen bij particulieren. Het was in deze periode namelijk strikt verboden voor particulieren om aan soldaten die bij hun zouden ingekwartierd worden of al waren ingekwartierd, geld te geven en hen zo als het ware letterlijk uit hun huis kopen. Deze soldaten dienden dan bij andere mensen onderdak te vinden, en dit was absoluut verboden, omdat de last van de inkwartiering zo heel ongelijkmatig verdeeld werd.

De gedeputeerden pasten deze tactiek ook toe, maar dan op een veel grotere schaal. Omdat ze uiteraard zo weinig mogelijk soldaten wilden laten logeren in hun regio, en hiermee bedoel ik zowel de twee steden als het platteland, besloten ze om de logementen van wintergarnizoenen uit te kopen. Mocht dit wel, vermits vele ordonnanties uitgevaardigd werden die het uitkopen van logementen door particulieren ten strengste verboden? Onderstaande tabel geeft het antwoord. De bedragen die het gebied moet betalen om vrij te zijn van wintergarnizoenen, worden erbij vermeld, alsook uiteraard de jaren waarin die gebeurde. Wanneer deze sommen geldig zijn voor de steden, staat de letter S erbij, voor het platteland gebruiken we de letter P.

 

tabel 8: De uitkoopsommen van wintergarnizoenen in de twee steden en het Land van Aalst

jaar

uitkoopsom (in ponden parisis)

 

1625

geen, uitkooppoging mislukt[308]

/

1626-1629

geen

/

januari 1630

voorstel tot uitkopen van wintergarnizoenen[309]

/

1630-1631

8.000 per maand gedurende zes maanden[310]

S+P

1631-1632 en 1632-1633

officieren van Maestro de Campo Zelada[311]

S

1633-1634

voorstel mislukt[312]

/

1634-1635

8.000  per maand voor zes maanden[313]