| Burgers, boeren en soldaten. Militaire lasten in de twee steden en het Land van Aalst 1621-1648. (Tom Boterbergh) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
HOOFDSTUK III:
INKWARTIERING EN TROEPENBEWEGING IN DE STEDEN
Een heel belangrijk onderdeel van de militaire lasten was de inkwartiering. Dit gebeurde in de steden, maar ook op het platteland. We zullen daarom aandacht schenken aan beide. Het grote probleem is dat we over haast geen kwalitatieve bronnen beschikken, zoals bijvoorbeeld logementlijsten, waardoor we opnieuw een beroep hebben moeten doen op de resolutieboeken. De resultaten hebben we in tabelvorm opgesteld, wat het geheel (volgens ons inziens) overzichtelijker maakt. We zullen vervolgens enkele kanttekeningen maken bij deze tabellen. Verder richten we in dit hoofdstuk onze aandacht op de manier waarop de steden, in casu de stad Aalst, met deze last omsprong. Mogen we bijvoorbeeld de term wintergarnizoenen blindelings aanvaarden als inkwartieringen die het ganse winterseizoen, dat liep van één november tot en met dertig april, duurden? Waar werden deze soldaten gelogeerd? Bestond de mogelijkheid om te frauderen? Zo ja, wie waren deze fraudeurs? Waren deze bedriegers enkel burgers, of gooiden in sommige gevallen burgers en soldaten het op een akkoordje? Gebeurde fraude enkel op lokaal vlak, of lieten de ordonnanties betreffende de inkwartieringen van soldaten ruimte over voor gewiekste militairen om zelfs de regering te bedriegen? Op dit soort zaken zullen we proberen een antwoord te vinden, maar eerst gaan we even van naderbij onderzoeken hoe de centrale overheid het inkwartieringsprobleem aanpakte.
3.1. MAATREGELEN VAN DE CENTRALE REGERING BETREFFENDE DE INKWARTIERING
Zoals gezegd bekijken we eerst even de algemene situatie in het Zuiden in de periode 1621-1648. Vanuit deze algemene visie gaan we over naar het lokale niveau, waar we gaan trachten aan te tonen of deze ordonnanties van het centrale bestuur al dan niet in de praktijk toegepast worden. Daarvoor hebben we de ordonnanties van de stad Aalst bekeken. Een vergelijking met de reglementen uitgevaardigd door de stad Geraardsbergen zou interessant kunnen zijn, maar jammer genoeg ontbrak daartoe de nodige tijd.
Na het Twaalfjarig Bestand begonnen in 1621 de oorlogsactiviteiten opnieuw. Daarom was het nodig om opnieuw heel precies uit de doeken te doen op welke manier de soldaten dienden ingekwartierd te worden, en wat ze wel en niet konden vragen aan de particulieren bij wie ze logeerden. Het was ook belangrijk voor de stads- en dorpsbesturen om te weten wat hun opdracht was als soldaten kwamen overnachten. Of het nu een lange of korte tijdspanne was, de rol van de magistraat bleef dezelfde. De ‘basisordonnantie’ betreffende deze zaken kwam op drie oktober 1623 definitief tot stand. Latere ordonnanties van de centrale overheid zouden alleen nog maar een paar expliciete aanvullingen en beperkingen geven op deze ordonnantie.
De belangrijke ordonnantie van drie oktober 1623 vermeldt de volgende punten:
- Geen enkele troepenmacht, officier of wat dan ook zou nog mogen logeren zonder expliciete order van de cenrale regering, de Maestro de Campo generaal (de hoogste officier bij de infanterie[53]), of van de bevelhebber van de strijdkrachten. Bovendien zou elke troepenmacht vergezeld worden van een “archier”, een soort controleur/commissaris in dienst van de centrale regering. Zijn taak bestaat erin om het bestuur van de plaats waar ze zouden logeren te verwittigen van de inkwartiering, en samen met een officier moet hij erop toezien dat de verdeling van de huizen gebeurt volgens het meegebrachte (schriftelijke) bevel. Als er geen regeringscommissaris zou zijn om toezicht te houden op de inkwartiering van de troepen, zou de baljuw of meier van die plaats de huizen verdelen en toezicht houden op het correcte verloop van de inkwartiering.
- De bevelhebbers van een compagnie zijn aan strikte verplichtingen gebonden: zo dienen ze aan de lokale besturen schriftelijk hun namen neer te schrijven, evenals hun land van afkomst, van welk regiment of tertio ze deel uitmaken, etc. Dit dient te gebeuren telkenmale ze op een plaats gaan logeren, ook al hadden ze er vroeger al gelogeerd. Deze ordonnantie vermeldt ook nog dat, wanneer ze dit niet zouden doen, de wet zouden overtreden; officier of niet.
Elke kapitein van een compagnie moet ook nog schriftelijk verklaren hoeveel soldaten zich onder zijn commando bevinden, en wanneer er mannen bij zijn van andere compagnies, moet dit uitdrukkelijk gemeld worden, ook van welke compagnie(s) ze afkomstig zijn.
Het aantal logeringsplaatsen was strikt vastgelegd: een gewone infanterist had één plaats, de officieren hadden er meer. Blijkbaar was dit voor sommige officieren nog niet genoeg, want er wordt uitdrukkelijk vermeld dat geen enkele officier ook maar één plaats meer mag toegewezen worden als op het bevelschrift vermeld, “…up pene van het vier dobbel van d’interest ende andere pene ter arbitraige van den richter…[54]”.
Verder is het ook verboden om het logement te laten uitkopen, zowel voor officieren als soldaten. Men mag van de particulier waar men logeert geen som eisen, noch ook maar enig bedrag ontvangen — hoe gering ook — dat een uitkoop van de soldaten betekent, waardoor de particulier vrijgesteld zou zijn van zijn soldaten. De achterliggende bedoeling is de volgende: wanneer de uitkoop van logementen wel zou toegestaan worden, moeten vele soldaten ergens anders onderdak vinden. Mensen die niet over voldoende middelen beschikken om soldaten uit hun huis uit te kopen zouden dan veel meer soldaten moeten laten logeren. De administratie zou het bovendien veel moeilijker krijgen om alle soldaten te controleren, omdat de logementbiljetten moeten aangepast worden. Dit alles “...op pene van twee estrapaden ende restitutie van t'gelt d'welck hy sal ontvanghen hebben ende indien hy officiael is op priuatie van zijn officie...”.[55]
Er worden nog strikte bepalingen gesteld aan soldaten: ze mogen geen geld opeisen noch ook maar iets vernietigen bij de personen bij wie ze logeren. Indien de soldaten in een dorp zullen gelogeerd zijn, moeten ze instemmen met wat de gastheer heeft. Enkel op “visdag” mogen ze boter, kaas, eieren en andere zaken eisen, conform de mogelijkheden van hun gastheer. We zullen later nog op deze alinea terugvallen als we spreken over plunderingen.
Welke voorzieningen dienden soldaten te ontvangen wanneer ze bij mensen logeerden? In een ordonnantie daterend van elf december 1635 lezen we dat iedere soldaat van de burger waar hij ingekwartierd was een kamer, een bed en een (vet)kaars diende te krijgen, om zelf een vuurtje te kunnen aanleggen, dat hen zou verwarmen en in staat zou stellen hun eigen maaltijd te bereiden. Dit was de vereiste basisuitrusting voor iedere soldaat. Zowel soldaten als officieren mogen iets meer vragen van de stads- en dorpsbesturen, maar dit doen ze op eigen verantwoordelijkheid en in eigen naam.[56]
Desondanks waren de verschillen tussen de officieren en de gewone soldaten zeer hoog. Zelfs tussen de verschillende officieren onderling constateren we opmerkelijke verschillen. De Maestros de Campo spanden de kroon. Als voorbeeld geven we wat Maestro de Campo Benavides vroeg (en kreeg) bij zijn logement te Aalst in 1629-1630. Een huis voor hem en zijn huishouden, met hout en kaarsen evenals voedsel en haver voor zijn vierentwintig paarden. Voor zijn kapitein vroeg hij om diens paarden dezelfde behandeling te geven als de zijne. Het stadsbestuur besliste Benavides te laten logeren in het landhuis (wat een enorm voorrecht was), en hem toegang te verschaffen tot de keuken achter de zaal en de aangrenzende kamer, die een garderobe bevatte. Hij kon op de eerste verdieping ook over de op één na laatste kamer beschikken. Hij zou twee pond kaarsen per dag ontvangen en “één vijftich houts”. Zijn sergeant maior te Geraardsbergen zou per dag één pond kaarsen en “één vijfuentwintich houts” krijgen. Voor de kapiteins kon men niets garanderen.[57]
Latere ordonnanties met betrekking tot de provincie Vlaanderen leveren geen noemenswaardige vernieuwingen op. We zullen in het volgende punt ondermeer nagaan of de vorst nog bijkomende ordonnanties naar de twee steden en het Land van Aalst zond, inzake de regeling van het inkwartieren van de soldaten, om fraude trachten tegen te gaan. Maar eerst gaan we even een overzicht geven van de troepen die in de beide steden ingekwartierd zijn geweest.
3.2. SITUATIE IN DE TWEE STEDEN AALST EN GERAARDSBERGEN
A. Algemeen overzicht van de inkwartieringen in de twee steden.
Na een korte schets van de manier waarop de inkwartieringen dienden te verlopen, gaan we over naar de twee steden in onze regio. Vooraleer we overgaan tot de maatregelen die het Aalsters stadsbestuur nam inzake inkwartieringen, vinden wij het onze plicht om eerst een overzicht te geven van alle troepen die tussen 1621 en 1648 meer dan veertien dagen gelogeerd hebben in de twee steden. Het was moeilijk om de winterinkwartieringen (november-april) te onderscheiden van logementen voor een paar weken, en dit vanwege enerzijds het slechts zelden meedelen van de term wintergarnizoenen, en anderzijds door het gebrek aan data. Ik heb met opzet deze langdurige logementen gekozen, van minstens twee weken, omdat we daarbij soms iets meer informatie te weten kwamen dan bij logementen van een paar dagen, waarbij weinig of geen bruikbare informatie te vinden was. Het is trouwens quasi onmogelijk om alle overnachtingen weer te geven, omwille van de grote troepenaanwezigheid.
tabel 4: troepen in garnizoen gelegen in de twee steden tussen 1621 - 1648.
|
periode |
Aalst en Geraardsbergen |
|
1621-1622 |
|
|
1623 en 1624 |
|
|
herfst 1624 - zomer 1625 |
|
|
herfst 1625 – zomer 1626 |
|
|
herfst 1626 – zomer 1627 |
|
|
herfst 1627- zomer 1628 |
|
|
herfst 1628- zomer 1629 |
|
|
herfst 1629- zomer 1630 |
|
|
herfst 1630- zomer 1631 |
|
|
herfst 1631 –zomer 1632 |
|
|
herfst 1632- zomer 1633 |
|
|
herfst 1633- zomer 1634 |
|
|
herfst 1634- zomer 1635 |
|
|
herfst 1635- zomer 1636 |
|
|
herfst 1636- zomer 1637 |
|
|
herfst 1637- zomer 1638 |
|
|
herfst 1638- zomer 1639 |
|
|
herfst 1639- zomer 1640 |
|
|
herfst 1640- zomer 1641 |
|
|
herfst 1641- zomer 1642 |
|
|
herfst 1642- zomer 1643 |
|
|
herfst 1643- zomer 1644 |
|
|
herfst 1644- zomer 1645 |
|
|
herfst 1645- zomer 1646 |
|
|
herfst 1646- zomer 1647 |
|
|
herfst 1647-voorjaar 1648 |
|
B. Bespreking en opmerkingen
1. Nationaliteiten
Wat volgens ons onmiddellijk opvalt bij het overlopen van deze tabel, zijn de verschillende nationaliteiten die in de twee steden verbleven hebben. Het is algemeen bekend dat tijdens deze eeuw heel veel huurlingen van diverse Europese nationaliteiten in de Lage Landen gestreden hebben. Spanjaarden, Italianen, Duitsers en Walen zijn met de Spaanse vorst mee ten strijde getrokken, maar ook huurlingen van de overzijde van het kanaal werden aangetrokken om mee te vechten tegen het Noorden en vanaf 1635 tegen Frankrijk. Het is opmerkelijk dat in de tabel veel Spanjaarden voorkomen. Is dit eerder toevallig te noemen, of was de Spaanse nationaliteit bij de soldaten overwegend? In tegenstelling tot wat we zouden denken, maakten de Spaanse soldaten tijdens de beginjaren van de Opstand niet het leeuwendeel van de troepen uit. Integendeel, slechts ongeveer tien à vijftien procent van de soldaten waren rasechte Spanjaarden. De hoofdmacht van de legertroepen werd toen gevormd door eigen mensen, die meer dan de helft van het Spaanse leger vormden. Dit waren voornamelijk Walen, maar ook Vlamingen en Brabanders werden in deze legereenheden opgenomen.[147] In de periode na het Bestand vormden de Spaanse soldaten ongeveer één derde uit van het leger. Hun aantal was dus verdrievoudigd in vergelijking met de jaren 1560 en 1570. Dit had gevolgen voor de mensen van eigen bodem: waar ze tijdens de aanwezigheid van Alva nog meer dan de helft van de militairen vertegenwoordigden (zowel in de infanterie als de cavalerie), nam het aantal eigen mensen af tot “slechts” nog één vierde in 1638. In de 18de eeuw verdwenen deze huurtroepen uit het militair kader der Zuidelijke Nederlanden. De verdediging van het gebied vertrouwde men voortaan toe aan een staand beroepsleger, dat in zijn rangen uitsluitend onderdanen van de keizer telde.[148]
We kunnen uit deze tabel afleiden dat ook in de twee steden en de omringende parochies mensen aangeworven worden om mee te vechten voor Spanje. Voor zover we hebben kunnen nagaan, zijn wervingen van nieuwe soldaten uit de twee steden en uit de omliggende parochies tijdens deze periode pas vanaf 1638 gebeurd. Tot het einde van de Opstand krijgen we haast ieder jaar rekruteringen van mensen uit deze streek om dienst te doen in het leger. We moeten wel voorzichtig zijn met de term rekruten, omdat daarmee ook nieuwe lichtingen soldaten van andere naties kan bedoeld worden. Dit was bijvoorbeeld het geval met de rekruten bij het regiment van de prins van Ligne, die in het voorjaar van 1640 zes weken in de steden gelegen hebben.[149]
Deze vorm van rekruteren gebeurde voornamelijk in de winterperiode, wanneer het krijgsgebeuren ophield. Tussen november en mei kregen officieren, die zware verliezen geleden hadden tijdens de voorbije zomercampagne, de toelating om een welomschreven aantal manschappen te lichten om het troepenaantal terug op peil te brengen. Vooral de Waalse en de Nederduitse troepen hanteerden deze methode.[150] Ook zien we in de tabel dat deze aanwervingen binnen een bepaalde tijd dienden te gebeuren. Zo dienden vijf alferissen (luitenanten) met soldaten vanaf vijftien maart 1641 te beginnen met het ronselen van nieuwe soldaten in deze streek. Ze hadden veertig dagen de tijd om hun compagnie aan te vullen. Aan iedere rekruut zou vier schellingen parisis worden betaald, tot de dag van hun vertrek.[151] Deze officieren werden in afwachting van het herstel van hun compagnies ingedeeld als “reformados” of “avantajados” bij andere compagnies van het regiment waar ze deel van uitmaakten, of ze kregen een plaats in de staf van een ander regiment.[152] Ze krijgen ook minder soldij dan een officier met dezelfde rang, wiens compagnie niet uiteen is gevallen (zie hoofdstuk zes).
Er streden echter nog een aantal andere naties mee, zoals Kroaten, Engelsen en Ieren. Bij deze laatste nationaliteit wil ik even blijven stilstaan. Wat kwamen deze mensen hier te lande uitrichten, en hoe kwam het dat deze Ierse huurlingen zo fel gegeerd werden door de Spaanse vorst? De Ieren waren zo fel gegeerd omwille van hun inzet en hun gedrevenheid om de ketters uit de Republiek te vernietigen. De religieuze factor was voor Spanje immers een zeer belangrijk aspect van de oorlog, omdat het zich opstelde als hét katholiek bastion in de Nieuwe Tijden. Voornamelijk omwille van deze reden stuurde Ierland, dat van oudsher al een katholiek bolwerk was (denken we maar aan de Ierse missionarissen in de vroege Middeleeuwen), huurlingen naar de Nederlanden. Onder het credo van het katholieke geloof behoorden ze tot de meest dappere huursoldaten die ooit voor Spanje gevochten hebben, en daardoor waren ze hun gewicht in goud waard. Dit lag in schril contrast met de waarde van een doorsnee huurling. Deze was doorgaans onbekend met het gevecht en sloeg veelal in paniek op de vlucht, of stuurde het krijgsplan door onbezonnen daden in de war. Bovendien streed een doorsnee huurling zonder toewijding en dat uitte zich in massale deserties en het overlopen naar de vijand, alsook door het al te gemakkelijk verkopen of verraden van belegerde steden.[153] Daarnaast hebben we nog het feit dat tot het einde van dit conflict Spaanse eenheden een hogere soldij dan niet-Spaanse eenheden trokken, wat uiteraard onderlinge rivaliteit met zich meebracht. Toch poogde men van hogerhand verschillende keren om de soldij tussen Spaanse en niet-Spaanse troepen gelijk te stellen. In 1639 besliste Filips IV om de Bourgondische infanterie op gelijke voet met de Spaanse infanterie te plaatsen.[154]
De Ierse huurlingen vormden dus de uitzondering op de regel, maar waren numeriek veel te zwak om alsnog het tij te doen keren in het voordeel van Spanje. Dit kwam onder andere omdat vanaf oktober 1641 tot 1650 de Ierse opstand uitbrak en op hetzelfde ogenblik in Engeland een burgeroorlog woedde, waardoor rekruteren in Ierland zeer moeilijk werd.[155] In de periode 1621-1648 kwamen namelijk slechts 11 tertios (ca. 12.000 man) in de Lage Landen aan. Het eerste daarvan, onder leiding van Owen Roe O’Neill, werd gelicht in 1623, en bestond bij de oprichting ervan uit 1.274 mannen.[156] Pas twee jaar later, in 1625, kwam een deel daarvan aan in de twee steden van dit gebied. Het is meer dan waarschijnlijk dat ook de stadsmagistraten van beide steden niet wisten met hoeveel compagnies, laat staan met hoeveel mannen ze waren, aangezien we enkel de nietsverhalende vermelding “Ieren” lezen. In de jaren 1636-1637 overwinteren opnieuw Ieren, onder het commando van Porcel. Het is ons niet duidelijk of het opnieuw om een deel van het eerdere eerste tertio gaat, of om één of meerdere compagnies van één van de pas opgerichte vier nieuwe tertios, die allen samen bestonden uit 7.000 manschappen.[157]
Verschillende compagnies van het regiment van Morphei (= Murphy) logeerden twee maanden te Geraardsbergen in het voorjaar van 1647. Een jaar later kwamen in de twee steden tien compagnies van hetzelfde tertio logeren. Het ganse tertio was gelicht in februari 1647, en bestond uit twaalf compagnies met in totaal 691 mannen[158], dus gemiddeld een goede 57 soldaten per compagnie.
2. Evolutie van de manier van oorlogvoering en het aantal soldaten per compagnie
Met voorgaande alinea zijn we bij een heel interessante, maar tegelijk een voor deze periode haast onmogelijke vraagstelling gekomen, namelijk: hoeveel mannen bevatte een legereenheid (compagnie) tijdens deze periode, en hoeveel procent maakten de militairen tijdens deze periode uit van de stadsbevolking? Vooraleer direct over te gaan naar de situatie in onze regio, moeten we eerst even de situatie van de veranderende oorlogvoering kort bespreken. We doen dit vooral om duidelijk te maken dat het quasi onmogelijk is om vanuit ons gezichtsveld en onze bronnen een beeld of overzicht te creëren van het aantal ingekwartierde soldaten ten opzichte van de plaatselijke bevolking. We kunnen enkel meedelen dat de frequentie van het aantal logementen toeneemt vanaf het einde van de jaren 1630 tot het einde van de Tachtigjarige Oorlog. Het is evenwel onmogelijk om uit te maken hoeveel procent de in de steden ingekwartierde soldaten ten opzichte van de burgerbevolking uitmaken, omdat we geen notie hebben van het totale aantal ingekwartierde soldaten. Ook indirect wil ik mij niet aan een schatting wagen, omdat de kwantiteit van de compagnies, de basiseenheden van het leger, onderling heel veel konden verschillen.
Verschillende compagnies, ongeveer een tiental (het konden er ook iets meer of minder zijn), vormden een regiment, ook wel tertio genaamd. Etymologisch menen sommigen dat dit woord zijn naam ontleende aan zijn drievoudige samenstelling: haakbusschutters, musketiers en piekeniers.[159] Vanaf het midden van de zestiende eeuw werd de haakbus geleidelijk vervangen door het musket als individueel vuurwapen van de infanterist, zodat van dan af een compagnie infanterie nog slechts uit twee soorten infanteristen bestond: musketiers en piekeniers.[160]
We gaan hier geen uitgebreid discours uit de doeken doen over al de veranderingen die zich op militair vlak afspelen. We gaan het wel heel kort hebben over die aspecten van het oorlog voeren, die een invloed gehad hebben op de kwantitatieve samenstelling van de legerdivisies. In de hoge en late Middeleeuwen alsook in het begin van de Nieuwe Tijden lag het accent van de oorlogvoering op grote veldslagen. De feodale adel was op het slagveld dominant, terwijl het voetvolk of infanterie slechts als aanvulling diende. Bijgevolg was het voordelig om grote eenheden te hebben, met als voornaamste en doeltreffendste middel de zware ruiterij.[161] In de loop van de zestiende eeuw kwam er echter een ommekeer in de militaire verhoudingen tot stand door verschillende redenen. We kregen de bloei van de steden, wat op militair vlak ervoor zorgde dat de feodale adel zich ging afkeren van de stedelijke burgerij. Hierdoor verheerlijkte de adel de zware ruiterij, terwijl de stedelingen van hun kant de minderwaardig geachte taak der infanteristen toebedeeld kregen.[162]
Eén van de gevolgen van deze ontwikkeling was dat de vooruitgang van de handvuurwapens in deze eeuw een tot dan toe ongekende groei kende, met name de haakbus en het musket. Vooral dit laatste wapen bezegelde met zijn doeltreffendheid het lot der zware ruiterij. Dit wapen werd voor het eerst in de Nederlanden geïntroduceerd door de hertog van Alva, in 1567, en overwon geleidelijk aan alle ongemakken van een haakbus. De musket had een draagwijdte van 200 à 300 meter en doordrong met zijn kogels, die tot zestig gram konden wegen, zelfs de zwaarste harnassen. Zodoende kwam het dat de sterkte van het leger tijdens de loop van de zestiende eeuw niet langer meer gemeten werd door de aanwezigheid van het aantal zwaar bewapende ruiters, maar door het voetvolk.[163] Ook andere, zoals economische en politieke redenen, droegen tot deze evolutie bij. De zestiende eeuw was dus op het gebied van de bewapening van het voetvolk en de verhouding tussen de wapens onderling, een ware overgangseeuw van het Middeleeuwse tijdvak — waar de blanke wapens domineerden — naar het tijdsvak van de suprematie van het vuurwapen, waarvan Marc Beyaert het begin ervan situeert in de 17de eeuw.[164]
Gans deze evolutie had uiteraard ook gevolgen voor de organisatie en verdeling van de troepen, en natuurlijk ook voor de manier van oorlogvoering. Zoals al gezegd vocht men in de Middeleeuwen en in het begin van de nieuwe tijden bij voorkeur veldslagen uit op een groot, open gebied. In de vijftiende en zestiende eeuw spreekt men dan ook van grote compagnies van om en bij de driehonderd man. De Nederlanden waren echter een sterk verstedelijkt gebied, wat de traditionele manier van oorlogvoering enorm bemoeilijkte. Alles werd veel strategischer: het inpalmen van steunpunten werd heel belangrijk in de nieuwe manier van strijden. Deze steunpunten waren uiteraard de steden, en de belegering ervan kon maanden aanslepen. Denken we bijvoorbeeld maar aan de belegering van Oostende in 1603-1605 en de belegering van Breda in 1624.
De gevolgen voor de grootte van een compagnie waren dan ook vrij ingrijpend: in de tweede helft van de zestiende eeuw kon het aantal manschappen per compagnie variëren van 100 tot 300, al naargelang de nationaliteit van die compagnie. Zo telden Spaanse compagnies meestal 100 tot 150 manschappen. Bij de Hoogduitsers kon dit oplopen tot 300 mannen per compagnie. In de Nederlanden echter legde men het accent op enerzijds het belegeren van belangrijke vestingen en steden, en anderzijds op het controleren van het omliggende platteland. Vooral voor dit laatste aspect had men steeds meer en meer behoefte aan kleinere eenheden, die onafhankelijk konden opereren, en via schermutselingen in slaagden om het platteland te controleren. [165] Dit had onder meer tot gevolg dat vanaf het midden van de 17de eeuw de compagnies herleid werden tot ongeveer vijftig man.[166]
Wat betreft de compagnies die in de steden Aalst en Geraardsbergen gelogeerd hebben, was het moeilijk om exacte cijfergegevens te vinden. Diegene waarvan we wel exacte gegevens hebben gevonden, geven we nu: de compagnie kolonels die in de winter van 1627-1628 in de twee steden logeerden waren 120 man sterk.[167] De compagnie van de graaf van Bossu, die vanaf 1640 in de periode maart-mei te Aalst bijna een jaarlijkse “gast” was, bestond — naast de graaf — nog uit acht officieren, zeventien hommes darmes, acht “officiers mineurs” en 126 “archiers”.[168] Dit keer moeten we niet denken aan 126 regeringscommissarissen, maar aan boogschutters. Deze compagnie bestond dus in totaal uit 160 manschappen. De drie Spaanse compagnies van Don Estevan de Gamarra die logeerden in Aalst van elf tot zesentwintig mei 1640 waren samengesteld uit 115, 119 en 120 manschappen, inclusief de officiersstaf.[169] Het Engelse garnizoen dat overwinterde in 1645-1646 bestond uit tien compagnies, met in totaal 299 manschappen, dus ongeveer dertig per compagnie.[170] Zoals al gezegd kwamen in het najaar van 1647 Ieren logeren, ongeveer een zestigtal per compagnie. Deze gegevens zijn echter zeer schaars, en we kunnen dan ook moeilijk een schatting maken van het aantal soldaten in de twee steden. Het enige wat we kunnen zeggen, is dat het aantal soldaten per compagnie verschilt naargelang de nationaliteit.
Nu we bewezen hebben dat zowel Aalst als Geraardsbergen gedurende gans deze periode vele soldaten van diverse origine ingekwartierd hebben, gaan we dieper in op de manier waarop de stad Aalst met deze troepen omsprong. Hoe regelde deze stad concreet de inkwartieringen van soldaten? We hebben al kort de ordonnanties van de centrale overheid in dit verband overlopen. Nam deze stad deze over, of nam ze zelf specifieke initiatieven om een goede controle te hebben over de aanwezige troepenmacht? Waar logeerden de soldaten tijdens deze periode? Zoals ik al vernoemd heb, zullen wij enkel onze aandacht toespitsen op Aalst, omwille van de gekende redenen. We beginnen met een kritische analyse van de term wintergarnizoenen: dit is een heel belangrijk punt in ons onderzoek naar de controle op de aanwezige troepenmacht te Aalst.
3.3. INTERPRETATIE VAN DE TERM WINTERGARNIZOENEN
Een schatting van het aantal ingekwartierde soldaten kunnen we dus door bovenstaande informatie vergeten. Toch blijven er meer dan genoeg interessante onderzoeksobjecten over, waar wij onze aandacht kunnen op toespitsen. Ons inziens één van deze heel belangrijke andere onderzoekspunten is de voorzichtigheid die moet gebruikt worden wanneer we spreken over wintergarnizoenen of winterinkwartieringen. Wanneer er sprake is van wintergarnizoenen wordt immers veelal verkeerdelijk gedacht aan inkwartieringen van soldaten die het ganse winterseizoen duurden, van november tot en met april. Mogen wij dit zomaar blindelings aanvaarden of is enige nuancering hier op zijn plaats? We beschikken niet over veel materiaal om een echt sluitend antwoord te kunnen geven op deze vraag, maar we zijn van mening dat onze bevindingen wel kunnen veralgemeend worden over gans deze periode. De beste manier om de duur van een dergelijk wintergarnizoen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen, is door de logementlijsten van de wintergarnizoenen na te gaan. Er is jammer genoeg van dit soort documenten slechts één bewaard gebleven voor de stad Aalst in deze periode. Het is een lijst met namen van de soldaten van verschillende Engelse compagnies die in 1645-1646 hun winterinkwartiering doorgebracht hebben te Aalst. Bij elke soldaat staat de datum van binnenkomst vermeld, evenals de dag waarop ze Aalst verlieten. Bij twee Engelsen wordt evenwel de data van verblijf niet vermeld en drie andere landgenoten waren enkel op doortocht. Zij zijn dan ook niet in de tabel opgenomen.
Tabel 5: aantal dagen te Aalst van het Engels wintergarnizoen, 1645- 1646[171].
|
aantal dagen doorgebracht te Aalst |
aantal Engelsen vertrokken in deze periode |
% |
|
1-20 |
47 |
15.99 |
|
21-40 |
82 |
27.89 |
|
41-60 |
5 |
1.70 |
|
61-80 |
40 |
13.61 |
|
81-100 |
21 |
7.14 |
|
101-120 |
44 |
14.97 |
|
121-140 |
55 |
18.71 |
|
TOTAAL |
294 |
100.01 |
We moeten deze tabel dus als volgt lezen: er zijn 47 Engelsen van dit wintergarnizoen tussen de één en de twintig dagen te Aalst gebleven, 82 hebben tussen de 21 en de veertig dagen doorgebracht, etcetera. Wanneer we deze tabel overlopen, is het toch wel heel verbazend dat minder dan één vijfde van de ingekwartierde Engelsen vier maanden in garnizoen bleven liggen. Geen enkele Engelsman bleef de volledige zes maanden van het winterseizoen in de stad. Ruim vijfenveertig procent hield het na nog geen twee maand voor bekeken. Eén vijfde verbleef tussen de zestig en de honderd dagen, terwijl slechts één derde van het Engels wintergarnizoen langer dan honderd dagen te Aalst bleef. Het is niet alleen de verspreide en heel verdeelde duur van dit winterlogement dat opvalt, ook de data van binnenkomst in Aalst zijn heel verspreid: tussen eind november en begin april is het een wirwar van soldaten die vertrekken en soldaten die arriveren. Zelfs einde maart en begin april komen er nog soldaten de stad binnen, die ook gecatalogeerd worden onder de winterinkwartieringen, zelfs al is het maar voor een paar dagen. We kunnen dus, zeker voor dit wintergarnizoen, concluderen dat het niet van oktober tot en met april in Aalst verbleef. Het was meer een komen en gaan van soldaten op alle tijdstippen van de “dode” periode. Bij het wintergarnizoen Spanjaarden van 1625-1626 zijn er ook al een onbepaald aantal soldaten in januari vertrokken.[172] We hebben vermoedens dat dit ook voor de andere wintergarnizoenen zo moet geweest zijn, omdat we uit tabel (van de logementen in de steden) ook al een indruk hebben dat troepen continu kwamen en voor een tijd in de steden overnachtten, en dan weer verder trokken naar een andere stad of een ander dorp. We vermoeden dat, indien we een constante bezetting van manschappen zouden hebben van oktober tot en met april, dat we dan in de bronnen geen (of toch niet zoveel) meldingen meer zouden hebben van troepen die in het voorjaar nog één of twee maanden zouden kom