| Het overlevingsvermogen of bilevinghe als pasmunt bij scheiding en/of hertrouwen in het laatmiddeleeuwse Gent. (Tom De Vos) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 1
1.1. Thema
Reeds vele jaren worstelden historici met het begrip vooruitgang. Mede onder invloed van de Verlichting dachten nogal wat mensen dat de geschiedenis bestond uit ‘vooruitgang’, die enkel maar lineair kon zijn. Of het nu ging om de stand van de rechtswetenschap, stadsgeschiedenis of de rechten van vrouwen, de geschiedenis kende een veel grilliger verloop dan gedacht. Veranderingen nemen immers veel tijd in beslag, maar eens gerealiseerd ontstaat al vlug de indruk dat ze er altijd zijn geweest. Zelfs nu lijkt het al alsof er nooit iets anders geweest is dan geëmancipeerde vrouwen of het homohuwelijk. Het geheugen van de mens is blijkbaar nogal kort en al vlug gaat iedereen ervan uit dat bepaalde zaken vanzelfsprekend zijn. Deze verhandeling tracht dan ook op een verantwoorde rechtshistorische manier de geldende rechtsregels omtrent het recht van ‘bijleving’ te toetsen aan de toenmalige praktijk. Dergelijke regel vindt zijn oorsprong binnen het erfrecht, maar speelde niettemin ook een belangrijke rol in geval van boedelverdelingen na een scheiding van tafel en bed. Wanneer een natuurlijk persoon komt te overlijden stelt zich immers de vraag wat er met zijn rechten en plichten gaat gebeuren. Al snel treden specifieke rechtsregels op die verheldering brengen. Zo bestaat de sociale functie van het erfrecht en het huwelijksvermogensrecht erin de bestaanszekerheid te verzekeren van de achtergebleven familieleden. De wijze waarop kan echter verschillend zijn. Om beide rechtstakken te kunnen begrijpen is het nodig te weten welke sociale functie deze regels in de samenleving vervulden. Samen vormen ze het familiale vermogensrecht dat moeilijk los van elkaar te onderscheiden valt. Een grondige studie van beide rechtstakken is dan ook noodzakelijk om de stap te zetten naar de studie van de scheidingen. Toch dringt tegelijkertijd ook het besef door dat rechtsregels enkel en alleen maar de normen voorschrijven. Ze informeren over straffen wanneer de regels niet worden nageleefd, maar niet over de mate waarin die regels ook effectief werden nageleefd of over de manier waarop de tijdgenoot deze interpreteerde of erover dacht. Vandaar de absolute noodzaak om de verschillende bronnen uit de rechtspraktijk te belichten teneinde zo naar de ‘mentaliteit’ te speuren in verband met het bijlevingsrecht in de context van boedelverdelingen ten gevolge van scheidingen van tafel en bed. Want net op dit gebied bleef het buiten enkele publicaties de laatste jaren opmerkelijk stilletjes.
De grote lijn doorheen dit onderzoek zal gericht zijn op de praktijk, namelijk de praktijkteksten uit de registers van de schepenen van de Keure van Gent. Over het gebruiken van primaire ‘bronnen’ werd al veel afgedebatteerd, zowel door historici, filosofen als linguïsten. Hiermee belanden we automatisch in het discussieveld of de geschiedenis wel objectief of neutraal kan zijn. Vele theoretische werken werden reeds aan dit thema opgedragen, toch willen we hier nog een kleine noot aan toevoegen. Blijft objectiviteit een ‘noble dream’ zoals Peter Norvick in 1988 reeds stelde?[1] De oudste positivistische droom van het ‘historisch realisme’ dat er een waarheid is en dat deze kennis ook nog objectief zou zijn, ligt zo goed als aan diggelen. Verschillende historici geven voor ogenschijnlijk dezelfde feiten verschillende interpretaties.[2] Vele postmoderne linguïsten als Jenkins[3], Ankersmit[4], White[5], enz. sloten zich hierbij aan. Bekende uitspraken als ‘the past is not history’ gaven Jenkins het etiket van ‘grafdelver van de geschiedenis’.[6] Geschiedschrijving was voor hem een betoog of discours bestaande uit een reeks van zo vele andere betogen over de wereld. Er is een kloof tussen het verleden en de geschiedschrijving, en die ontstane kloof kan niet worden overbrugd. Het verleden is voorbij en gedaan. Dit grondig scepticisme kwam tot uiting in wat Jenkins noemde: ‘we can never really know the past’.[7] Hiermee ontkent Jenkins dus de objectiviteit van de geschiedenis. Elke historicus bouwt zijn of haar eigen verhaal over een deel van het verleden. Dit verleden, voor Jenkins beter omschreven als ‘the before now’ hangt dan ook af van toeval, van de invalshoek van de historicus.[8] Gaat dit alles niet te ver?
Dat verschillende onderzoekers eenzelfde bron verschillend interpreteren, desnoods er een verschillende betekenis aan toekennen is op zich echter geen sluitend bewijs dat die interpretaties nergens op slaan. Meerdere visies en interpretaties dragen immers bij tot een beter begrip en inzicht. Is het niet verstandiger te accepteren dat elke onderzoeker zichzelf als subject naar voren brengt, met levensopvattingen, opleiding, lectuur, enz. in zijn of haar onderzoek? Zodoende moeten we oog hebben voor ‘subjectiviteit’ van de onderzoeker ingebed in een ideologisch-politiek denkpatroon.[9] Objectiviteit moet dan ook niet worden verward met neutraliteit, noch met onverschilligheid of gebrek aan engagement. Dit inzicht is nu grotendeels verworven dankzij de kritiek van postmodernen.[10] Telkens een onderzoeker een bron of tekst doorneemt, kan die tekst opnieuw worden ontdekt vanuit een andere, nieuwe interpretatie. Dit heeft als gevolg dat die bron nooit een vaste betekenis kan hebben. Dit werd door de postmodernen geformuleerd als het vermijden van ‘closure’, van het zich afsluiten zonder discussie. Een gematigd postmodern relativisme blijft dus voor de geschiedschrijving uiterst zinvol. Zeker wanneer het onderzoek, zoals ook hier het geval is, grotendeels gericht is op primair bronnenmateriaal. ‘Closure’ is niet wenselijk.[11] Deze geschetste situatie gaat ook vaak samen met de ‘waarheidsvraag’. Deneckere stelde zo dat de waarheidsvraag zich niet situeert in de objectieve werkelijkheid. Daarentegen wel in de eigen subjectieve positie van de onderzoeker.[12] Een logisch gevolg hiervan is, naast het vermijden van ‘closure’, de openheid van het onderzoek, voornamelijk het laten meekijken door expliciet de standpunten te gaan verwoorden. De historicus laat bijgevolg over zijn schouders meekijken.[13] Mary Fulbrook drukte dit als volgt uit: “The lay reader is most inclined to view the professional historian as the person who has been most engaged, most immersed in the material and whose judgement is thus perhaps most to be trusted; and it is precisely in this respect that the historian may explicitly insert his or her voice, rather than trying to smooth over gaps or message the evidence into a realist and unbroken account.”[14] De historicus moet niet altijd overkomen als de ‘alwetende verteller’ die het verleden weergeeft zoals het echt was. Het innoverende karakter van historisch onderzoek wordt pas duidelijk in confrontatie met onderzoeksresultaten van andere historici. Door alle verworvenheden van de ‘linguistic turn’ in de geschiedschrijving te elimineren, of door alles te gaan reduceren tot tekst en betoog komt men tot een extreem relativisme, zoals bv. Jenkins. Dit is mijns inziens nergens voor nodig. Het komt er vooral op neer om de kritieken geformuleerd uit het postmodernisme te evalueren en waar mogelijk toe te passen op de beperkingen van het modernisme.[15]
1.2. Onderzoeksvragen en methode
De Gentse schepenbank ontwikkelde zich gedurende de 15de eeuw tot een autoriteit inzake de registratie van boedelverdelingen na scheiding van tafel en bed. Talloze dossiers van boedelverdeling die zich uitstekend leenden tot historisch onderzoek werden teruggevonden. De akten voor de schepenen van de Keure in Gent zijn dan ook een godsgeschenk voor een studie naar de toenmalige laatmiddeleeuwse mentaliteit, voornamelijk omdat ze ons inlichtingen verschaffen die het louter juridische discours overstijgen.
Tegen deze achtergrond zou de hoofddoelstelling van dit onderzoek worden geformuleerd: het inzicht verkrijgen in de regeling van het ‘bijlevingsrecht’ ten gevolge van een scheiding van tafel en bed binnen het laatmiddeleeuwse Gent. Bij aanvang van het onderzoek rezen er dan ook al direct enkele vragen omtrent de omvang en draagwijdte van het bijlevingsrecht in geval van een boedelverdeling na scheiding van tafel en bed. Het oplossen van deze eerste vragen werd mogelijk door voort te bouwen op mijn bachelorproef waarin ‘de bijleving’ volgens het Gentse gewoonterecht werd geanalyseerd naar omvang en draagwijdte. Nadien werd een vergelijking gemaakt met de Engelse ‘dower’ om tot een vollediger inzicht te komen.
Zulke uitdaging diende wel haalbaar te blijven en daarom werden aan het onderzoeksterrein bepaalde grenzen gesteld. Mede in samenspraak met mijn promotor werd beslist om het terrein af te bakenen van 1428-1470. Door die beperking werden belangrijke vragen ingevuld maar bleven andere ook onopgelost. Aangezien dit onderwerp nog geen deel heeft uitgemaakt van eerder onderzoek bleef de eerste confrontatie moeilijk. Bij de complexe zoektocht naar de omvang van het bijlevingsrecht werden we gelukkig geholpen door enkele ervaren voorgangers. Zo had Vleeschouwers - Van Melkebeek al enkele publicaties op haar naam waarin de rol van de schepenenbank van de Keure duidelijk werd binnen hun civiele rechtspraak.[16] Mede door haar onderzoek werd het mogelijk om de verschillende soorten rechtspraak waarop de echtparen een beroep deden bij hun boedelverdeling te gaan onderscheiden. Concreet ging het binnen de civiele boedelverdelingen om vrijwillige versus contentieuze rechtspraak.[17] Bovendien was het formulier van de aanhef van boedelverdelingen voldoende geëvolueerd om bijna op het eerste gezicht akten van vrijwillige rechtspraak te onderscheiden van akten van contentieuze rechtspraak. Waar de eerste categorie akten nagenoeg steeds een aanhef kende in de aard Kenlic zij etc., begonnen de laatste categorie akten met Alse van dat, of, uitgebreider, Alse van der handelinghe ende ghedinghe.[18] Ook de formuleringen omtrent het bijlevingsrecht zelf volgden een dergelijk patroon. Veelal na het opsommen van de goederen binnen de beperkte gemeenschap van het huishouden volgde een formulering omtrent het bijlevingsrecht waarbij de geldende rechtsregels al dan niet werden gevolgd. Een tweede groot werk bij deze studie was de juridische verzamelencyclopedie van Godding.[19] Langs deze weg werd het mogelijk om het bijlevingsrecht te begrijpen in de context van een scheiding-boedelverdeling. De bijleving zelf, dus in de context van weduwschap, werd wel al grondig en veelvuldig onderzocht. Voor Gent werd een beroep gedaan op het werk van Danneel, zonder twijfel een absolute must have voor een studie naar de bijleving.[20]
De eerste stap bestond erin op zoek te gaan naar de opbouw en beschrijving van de schepenregisters van de Keure om zo eventuele bijlevingsclausules te ontdekken. Niet alle boedelverdelingen maakten immers melding van een bijlevingsclausule. Het kon daarbij relevant zijn structuren en verbanden te onderzoeken die op het eerste gezicht niet uit de akten bleken, maar rechtstreeks of onrechtstreeks wel de toenmalige echtparen hebben beïnvloed. Zo bleken eenvoudige boedelverdelingen vaak een turbulente voorgeschiedenis te hebben. Eens zicht verkregen op de frequentie van het al dan niet voorkomen van het bijlevingsrecht kwamen er al meteen enkele cruciale vragen aan de oppervlakte.[21]
In de 15de-eeuwse dossiers van scheiding van tafel en bed, gevolgd door een boedelverdeling voor de Gentse schepenen van de Keure, viel op te maken dat de meerderheid van de gescheiden koppels, indien beiden of één van hen patrimoniale goederen hebben ingebracht, deze volledig wensten te recupereren bij scheiding, vooral bij bekommernis van de respectieve families. Een belangrijke vaststelling die ook Vleeschouwers - Van Melkebeek al deed.[22] Bij een grondigere lezing van diezelfde 15de-eeuwse praktijkteksten bleek hierbij dat er zelfs echtparen waren die bij hun scheiding-boedelverdeling het ‘behouden’ van het bijlevingsrecht bedongen, in plaats van er een einde aan te stellen zoals te verwachten viel na scheiding. Deze vaststelling zou meteen dé grote vraag en probleemstelling vormen van dit onderzoek. Het bijlevingsrecht was immers een ‘overlevingsvermogen’, voorzien voor de langstlevende echtgenoot of echtgenote, niet voor een gescheiden ex-partner. Deze enigszins paradoxale vaststelling hebben we verwoord onder de noemer ‘pasmunt’: namelijk het van kracht blijven van het door huwelijk ontstane bijlevingsrecht in geval van een boedelverdeling ten gevolge van een scheiding van tafel en bed.
Om deze probleemstelling op te lossen werd een onderscheid gemaakt tussen enerzijds huwelijken waarbij beiden of één van de twee partners patrimoniale goederen hadden ingebracht - dus echtparen zonder staat van weduwschap - en anderzijds huwelijken waarbij de patrimoniale goederen net wel werden ingebracht door een weduwe of weduwnaar.[23] Het weduwschap ging vaak samen met het reeds bezitten van patrimoniale goederen verkregen door een vol recht van bijleving uit een vorig huwelijk. Niet zelden bracht een weduwe of weduwnaar goederen uit een vorig huwelijk mee bij het hertrouwen waardoor er na een nieuwe boedelverdeling na scheiding van tafel en bed weer een nieuwe specifieke regeling omtrent het bijlevingsrecht kon ontstaan. Samengevat, de eerste grote indeling vormt weduwschap versus niet-weduwschap. Binnen deze twee hoofdcategorieën zal hoofdzakelijk worden ingegaan op de rol van de patrimoniale goederen in geval van de scheiding-boedelverdeling. Zo zullen koppels met patrimoniale goederen ingebracht langs beide kanten worden onderscheiden van koppels waarbij slechts één van de partners patrimoniale goederen bleek ingebracht te hebben. Dit verschil zorgde immers voor een totaal andere uitgangspositie.
Als laatste zal er nog eens specifiek onderzocht worden of het voorkomen van een weduwe of weduwnaar binnen de akte de boedelverdeling niet grondig wijzigde, los bekeken van de patrimoniale goederen. Zo konden beide echtgenoten patrimoniale goederen inbrengen als weduwe en/of weduwnaar, steeds in geval er patrimoniale goederen langs beide kanten werden ingebracht. In plaats van een onderverdeling te maken volgens patrimoniale goederen zullen de teruggevonden resultaten gerangschikt worden volgens staat van weduwschap:
- boedelverdelingen met weduwe en weduwnaar,
- boedelverdelingen met enkel maar een weduwnaar,
- boedelverdelingen met enkel maar een weduwe.
Deze onderverdeling zal een aanvullende kijk op de feiten geven en – zo hopen wij – het bijlevingsrecht in zijn volle context weergeven.[24] Om de overzichtelijkheid te behouden werd gekozen voor het aanleggen van een databank waarin de inhoud van de akten gekoppeld werd aan hypotheses die grotendeels waren gebaseerd op enerzijds de aanwezige secundaire literatuur, en anderzijds de geldende rechtsregels. Op deze wijze werd het makkelijker om zowel formuleringen en uitkomsten aan elkaar te gaan koppelen als nieuwe vragen te formuleren in verband met de rol van de schepenen, clan of familie, status, eer, enz. binnen de boedelverdelingen. Het leek ook relevant om de schepenakten van de Keure zowel chronologisch als op naam te gaan bekijken. Zo werd het mogelijk om akten over de jaren heen te gaan groeperen en zo bepaalde leemtes op te vullen. Vaak werkte dit verhelderend en gaf dit meteen ook een nieuwe kijk op de situatie. Een simpele casus die perfect aan de juridische logica beantwoordde, werd niet zelden herleid tot een juridisch steekspel. Niettemin zorgden dergelijke voorbeelden meteen ook weer voor nieuwe onderzoeksvragen, dewelke op hun beurt weer konden leiden tot nieuwe inzichten.
Als laatste wens ik ook even stil te staan bij het concept ‘gender’. Hoewel dit onderzoek niet als een ‘genderverhandeling’ pur sang kan worden beschouwd, leunt het in talloze opzichten wel aan bij de verworvenheden van enerzijds de vrouwengeschiedenis en anderzijds de ‘gender-history’. Het is echter vooral vanaf de jaren 1980 dat ‘gendergeschiedenis’ definitief gestalte kreeg. De definitieve aardverschuiving vond plaats met het artikel ‘Gender, a useful category of historical analysis’ in 1986 gepubliceerd door Joan Scott.[25] Het genderparadigma verkreeg hiermee enerzijds definitief wetenschappelijke autoriteit in de geschiedschrijving en anderzijds was het artikel een uitdaging voor de historiografie omdat Scott de weg van het poststructuralisme en de deconstructie koos, in navolging van filosofen als Foucault en Derrida. Identiteiten waren volgens Scott geen natuurlijk gegeven, maar worden sociaal geconstrueerd doorheen het discours.[26] Vernieuwend aan Scott’s aanpak was de nadruk op het relationele aspect. Bij het concept gender staat de sociale relatie tussen mannen en vrouwen immers centraal.[27] Dit is eveneens het geval in deze verhandeling met betrekking tot het bijlevingsrecht. Samengevat, door de introductie van gender als analysecategorie beperken historici zich niet meer tot de studie van vrouwen geïsoleerd van mannen, maar onderzoeken ze de verschillende vormen van mannelijkheid en vrouwelijkheid in relatie tot elkaar.[28] Deze theoretische ondersteuning indachtig zal 'gender' binnen dit onderzoek functioneren als een vorm van historische kritiek die zowel op het niveau van debronnen als op het niveau van de visies kan en moet worden aangewend.
1.3. Bronnen
Het ter beschikking staande bronnenmateriaal in verband met de Gentse schepenen neemt exponentieel toe vanaf de dertiende eeuw. Dit betekent dat er dus zeker voor de vijftiende eeuw in zeer ruime mate bronnenmateriaal aanwezig bleek te zijn, en o.a. daarom werd het onderzoeksterrein vastgelegd van 1428 tot 1470. In overleg met prof. dr. Vleeschouwers - Van Melkebeek werd uiteindelijk beslist om van de schepenregisters van de Keure van Gent het centrale onderwerp van dit onderzoek te maken.
De schepenbank van de Keure liet immers een heel arsenaal aan bronnenmateriaal achter. Een gedeelte werd al voor onderzoek aangewend waardoor vooral voor de 14de en 15de eeuw goede uitgaven van regesten beschikbaar zijn. In hun oudste vorm vormden schepenbanken immers een lokale afspiegeling van de vorstelijke rechtspraak, maar door de groei van de steden hadden ze al snel bestuurlijke en wetgevende bevoegdheden verworven zoals het vervaardigen van ordonnantiën en reglementen of, op meer bestuurlijk vlak, het algemeen beheer van de stad.[29] Belangrijk voor dit onderzoek is evenwel de rechterlijke bevoegdheid dewelke zijn weerslag vond in de jaarlijkse registers. Deze rechterlijke bevoegdheid kan worden opgesplitst in twee grote categorieën: criminele en civiele rechtspraak. Binnen de civiele rechtspraak maakte de vrijwillige, naast de contentieuze rechtspraak, het grootste deel uit.[30] Op de specifieke invulling van deze categorieën wordt later teruggekomen.
De vonnissen van de schepenbank van de Keure, in de criminele en civiele sfeer, waren bindende uitspraken gedaan in vierscare (openbare zitting) of in camere (gesloten zitting). Al doorheen de veertiende eeuw hadden de schepenen van de Keure een deel van deze rechterlijke bevoegdheid gedelegeerd naar lagere rechtbanken, waaronder de stedelijke vinderijen.[31] Het bronnenmateriaal van deze instituties komt binnen dit onderzoek niet aan bod. Wat wel een bod komt zijn de talloze klachten die niet zelden door de schepenen werden onderzocht. Zoals verder zal blijken werd ruim de helft van de omvangrijke schepenregisters van de Keure ingenomen door wettelijke passering van de akten van vrijwillige rechtspraak. Gentse poorters die onderling een verbintenis aangingen, konden hun akten laten overschrijven in de registers, weliswaar tegen betaling. Deze duizenden privaatrechtelijke contracten leenden zich dan ook perfect tot menige studie over de rol van het bijlevingsrecht in boedelverdelingen na scheiding van tafel en bed. Deze duizenden akten over het gewone leven belichten immers op magistrale wijze het middeleeuwse leven.[32]
Toch bestaat er ook een keerzijde aan dezelfde medaille. De schepenregisters zijn vaak ontoegankelijk en mislopen daardoor de populariteit der historici. Bewijs hiervan is mede te vinden in de lage uitgavencijfers van deze akten. Bovendien wordt het lezen vaak bemoeilijkt doordat de akten niet strikt chronologisch gerangschikt werden. De rechtshandeling voltrok zich meestal voor de optekening ervan in de registers. Meestal valt er dus wel een chronologische lijn te ontdekken, ware het niet dat er op het einde van elk jaar dikwijls akten van verschillende maanden haastig in het register werden geperst.[33] Met deze problemen werd ik gelukkig niet geconfronteerd. Het zou immers niet mogelijk zijn geweest om binnen de termijn van één jaar naar het archief te trekken, de akten te ontcijferen en er ten slotte nog eens een onderzoek aan te koppelen. Gelukkig heb ik gebruik kunnen maken van enerzijds de CD-Rom van Vleeschouwers - Van Melkebeek met nog ongepubliceerde boedelverdelingen na scheidingen van tafel en bed (15de eeuw) voor de periode na 1450, en anderzijds de reeds gepubliceerde boedelverdelingen voor de periode 1428-1450 in twee van haar artikels. Mede hierdoor werd het mogelijk om heel wat akten te onderzoeken in samenhang met het recht van bijleving: 246 boedelverdelingen in totaal. Op de uiteindelijke resultaten kom ik in hoofdstuk 4.2 terug.[34]
Een laatste kanttekening met betrekking tot de bronnen waarin ik Haemers volledig dien bij te treden, betreft de sociale positie van de oorkonder die zijn vrijwillige aktes door de schepenen liet registreren. Om tal van redenen ontsnapten de juridische activiteiten van de gewone middeleeuwer aan het oog van het Gentse schepenbestuur, waardoor deze ook voor de contemporaine historicus verborgen blijven. Onder meer bij het doornemen van de akten kwam dit duidelijk naar voren. Het was voornamelijk het welgestelde deel en de middenklasse van de Gentse bevolking die regelmatig de revue passeerde terwijl de gewone mens zelden aan bod kwam. Talloze zaken werden mondeling afgehandeld. Bovendien heeft er zich pas vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw een diepgaande verschriftelijking voltrokken op alle niveaus van de samenleving. Hun verbintenissen komen dan ook nauwelijks tot niet tot ons.[35] Deze opmerking is meteen ook belangrijk bij het raadplegen van de bijlage. Aangezien het bijlevingsrecht enkel en alleen weggelegd bleek te zijn voor echtparen die patrimoniale goederen bleken te bezitten, viel te verwachten dat dit inderdaad ook de ‘rijkere’ laag van de bevolking was. Slechts éénmaal kwam er een akte voor waarbij het echtpaar het bijlevingsrecht voorzag in geval het via de een of andere manier patrimoniale goederen zou inbrengen. Belemmeren deze oneffenheden niet als dusdanig het onderzoek? Mijns inziens niet indien men rekening gaat houden met deze beperkingen.
2. Het overlevingsvermogen of bijleving.
2.1. De oorsprong van het recht op bijleving
Om de specifieke invulling van het overlevingsvermogen of bilevinghe te begrijpen, dient teruggegrepen te worden naar de rechtsregels. Dit houdt in dat er achterhaald moet worden welke draagwijdte deze regel kon hebben. Ook de rechtspraktijk komt hierbij aan bod. Zoals reeds in de inleiding vermeld, zeggen loutere rechtsregels quasi niets over de realiteit. Ze informeren enkel over eventuele toepassingen, maar zeggen niets over de mate waarin die regels ook effectief werden nageleefd of over de manier waarop de tijdgenoot deze interpreteerde. Vandaar de noodzaak om ook de verschillende bronnen uit de rechtspraktijk te belichten.
Voor Gent was het Gheldolf die met zijn Coutume de la ville de Gand[36] uit 1868 voor het eerst ging speuren naar de heersende rechtsregels binnen het middeleeuwse Gent. Zijn studie vormde meteen de basis voor de rechtshistoricus Meijers.[37] Dat de studie van het privaatrecht heel wat ophelderingen kon brengen, hebben eerst Gilissen en daarna Godding in een aantal baanbrekende artikels aangetoond. Hun voorganger, Meijers, formuleerde echter al in 1923 de stelling dat het West-Europese erfrecht niet alleen door het Germaanse en het laat-Romeinse erfrecht werd beïnvloed, maar ook door een erfrecht dat van Keltische of eerdere oorsprong was en dat hij het Ligurische erfrecht noemde.[38] Dit erfrecht zou tot de Franse revolutie blijven bestaan hebben in streken die moeilijker toegankelijk waren voor Romeinse en Germaanse veroveraars, onder andere in Vlaanderen flamingant. Voor een specifiek juridische invulling en de verdeling van het erfrecht is het werk van Monballyu een absolute must.[39] Een laatste onontbeerlijk werk bij de studie van deze privaatrechtelijke rechtsregels in de Zuidelijke Nederlanden werd geschreven door Godding. Het vormt zonder enige grootspraak tot vandaag de dag dé verzamelencyclopedie van de vergaarde juridische kennis over het privaatrecht.[40] Godding ging er dan ook terecht vanuit dat binnen het laatmiddeleeuwse Gent volgende regels inzake huwelijksgoederenrecht en erfrecht golden[41]: het huwelijksgoederenrecht voorzag een beperkte gemeenschap van roerende goederen (cateilen) en van tijdens het huwelijk verworven onroerende goederen (conquesten).[42] Deze goederen waren, bij het overlijden van de huwelijkspartner, deelbaar. Eén helft ging dan in volle eigendom naar de erfgenamen, de andere helft ging in volle eigendom naar de langstlevende huwelijkspartner. Los van deze beperkte gemeenschap kon iedere echtgenoot of echtgenote ook patrimoniale goederen inbrengen. Dit omvatte de onroerende goederen die de echtgenoot/echtgenote bezat de dag van het huwelijk (propres), evenals de onroerende goederen die de echtgenoot/echtgenote verkreeg door erfenis of schenking tijdens zijn huwelijk (goed bi versterften). Bij de ontbinding van het huwelijk, door overlijden, werden de gemeenschappelijke goederen in twee gelijke delen verdeeld: de langstlevende huwelijkspartner behield dan zijn eigen patrimoniale goederen plus de helft van de beperkte gemeenschap. De erfgenamen van de eerstgestorvene ontvingen de eigen patrimoniale goederen van deze plus de andere helft van de gemeenschap, weliswaar onder voorbehoud van de “douarie”, “bilevinghe” of “bijleving”. Deze kwam de langstlevende echtgenoot of echtgenote toe.[43]
Vanaf de 10e eeuw kende het Germaanse erfrecht enkele belangrijke evoluties die tot de laat middeleeuwse invulling van de “douarie” of “bijleving” zouden leiden. Het bijlevingsrecht werd vooreerst begrensd van een volle-eigendomsrecht tot een vruchtgebruik. Dit was noodzakelijk aangezien steeds meer huwelijkscontracten bepaalden dat de ‘dos ex marito’ na het overlijden van een vrouw naar de gemeenschappelijke kinderen moest gaan, en bij gebreke daarvan naar de familie van de man. Het uiteindelijke gevolg was dat door de overname in het gewoonterecht het recht van de vrouw al tot een vruchtgebruik beperkt was. Dit vruchtgebruik werd bovendien, ook via huwelijkscontract, en later door het gewoonterecht, verminderd tot een deel van de eigen goederen van de man.[44] Hier wordt de bijleving dus als het ware echt geboren, zijnde een levenslang genotrecht van een weduwe of weduwnaar op een derde of de helft van de eigen goederen van de echtgenoot of echtgenote, in werking tredende bij de huwelijkssluiting. Met een huwelijkscontract kon deze gewoonterechtelijke bijleving ten slotte beperkt of uitgebreid worden, naargelang het gewoonterecht dat van toepassing was. Voor een echte, officiële afwijking van de costumiere rechtsregels inzake huwelijksgoederen- en erfrecht was het in Gent evenwel wachten op de homologatie van de costumen van 1563.[45]
2.2. Over het kanaal heen: het Engelse erfrecht- en huwelijksvermogenstelsel
Dit laatste is zeker niet onbelangrijk, wat blijkt uit de vergelijking met het Engelse recht. Typisch voor de Zuidelijke Nederlanden was immers dat aan de langstlevende huwelijkspartner een groot overlevingsvermogen werd toegekend, ongeacht of deze nu een man of een vrouw was. Dit overlevingsvermogen, dat minstens bestond uit een vruchtgebruik op de helft van de nalatenschap van de eerststervende partner, stond in scherp contrast met het geldende gewoonterecht in Engeland of Frankrijk. Daar werd de ‘douarie’ alleen aan een weduwe toegekend en sloeg ze slechts op een beperkt deel van de familiegoederen van haar man.[46] In Engeland maakte het recht van oudsher een fundamenteel onderscheid tussen het erfrecht van het ‘land’ (onroerend goed of real-property) en de andere goederen: ‘chattels’ (of personal-property) genaamd. Onroerend goed, met name land, bepaalde ook in het common law de verhoudingen binnen de familie. De vererving gebeurde volgens een parentelensysteem of groepen van verwanten bestaande uit een persoon en zijn afstammelingen[47]. Binnen elke parentele erfde de dichtste in graad, berekend volgens het Germaanse gradenstelsel. Primogenituur (= eerstgeboorterecht) en het mannenvoorrecht verdrongen bijna overal de oorspronkelijke gelijkberechting die gold vóór de Normandische inval. Vervolgens was er ook nog de uitsluiting van de halfbroers of zussen door de volle broers of zussen. Deze bijzondere regels inzake erfrecht met betrekking tot de onroerende goederen, waarvan er geen afwijking mogelijk was bij testament, maar daarentegen wel bij schenking onder levenden, hebben jarenlang geen geringe invloed uitgeoefend en werden pas afgeschaft in 1926.[48]
Voor de ‘chattels’ of ‘personal-property’ bestonden geen eenvormige regels. De erflater kon er zowel bij schenking onder levenden als bij testament over beschikken. Aanvankelijke beperkingen waarbij twee derden of één derde naar weduwe en kinderen moesten gaan, vielen allengs weg zodat vanaf 1724 in heel Engeland de absolute vrijheid bestond om over zijn roerende goederen te beschikken. Toch kende het recht door de fictie van ‘coverture’ enkele speciale regels.[49] Op deze rechtsgrond vormden man en vrouw één persoon. Daarenboven betekende dit dat alle goederen die een vrouw voor haar huwelijk bezat als ‘feme sole’, aan haar man toevielen. Dit gold vooral voor haar persoonlijke goederen waarover haar man volledig beheers- en beschikkingsrecht kreeg.[50] Ook de terminologie maakte het er niet gemakkelijker op: ‘dowry’ werd gebruikt voor het door haar ingebrachte deel, en ‘dower’ voor haar ‘bijleving’.[51] Indien de echtgenoot als eerste overleed, kon zijn echtgenote deze roerende goederen zelfs niet terugeisen van diegenen ten voordele van wie hij er tijdens de ‘coverture’ had over beschikt. Ingeval er een testament was opgemaakt kon de weduwe van de legataris slechts een aantal zeer persoonlijke roerende goederen, zoals haar eigen klederen en juwelen, opeisen. Zij moest zich echter wel beperken tot wat er volgens haar stand strikt nodig was en mede rekening houden met de schulden van haar man. Door de specifieke rechtspositie die de ‘coverture’ creëerde, werden ook alle voorhuwelijkse en huwelijkse onroerende goederen van een vrouw, door het huwelijk, in haarzelf en in haar man ‘gevest’. Zelfs bij de sluiting van het huwelijk werd naar de ‘bijleving verwezen.[52] Op voorhand werd het beschikbare land geselecteerd dat als overlevingsvermogen moest worden gegeven bij de huwelijkssluiting. De woorden ‘with this dower I thee endow’, uitgesproken door de echtgenoot, stonden in rechtstreeks verband tot die regeling.[53] Meteen ook iets wat in Franse en in onze gewoonterechten ook opdook: ‘Au coucher gaigne la femme son douaire’.[54] Eenmaal getrouwd kon haar echtgenoot deze goederen dan beheren en zich hierdoor de vruchten van deze goederen laten toe-eigenen, maar weliswaar niet vervreemden. Indien hij dit toch deed was er de mogelijkheid om deze onroerende goederen na zijn overlijden terug te vorderen van diegene in wiens voordeel haar echtgenoot erover had beschikt. Als de echtgenote iets wenste te vervreemden, dan was de toestemming van haar man nodig. Interessant is echter wel dat in de omgekeerde situatie de echtgenoot steeds de toestemming nodig had van zijn vrouw om zich te kunnen ontdoen van de toekomstige ‘douarie’ die op zijn eigen goederen woog.[55]
Een weduwe had, net zoals in het Gentse gewoonterecht, ook in Engeland recht op een vruchtgebruik (“dower”) nl. een derde van de nagelaten eigen patrimoniale goederen van haar man, wat tot in de 20ste eeuw gehandhaafd zou blijven. Wel kon er sinds 1833, door de fameuze ‘Dower Act’, door middel van testament of schenking onder levenden van afgeweken worden. Pas in 1925 werd in Engeland de “douarie” volledig afgeschaft.[56]
2.3. Conclusie
Na een beknopte vergelijking van de Gentse bijleving met de Engelse ‘dower’ is de conclusie dat het recht van ‘bijleving’ of ‘douarie’ een niet te onderschatten voordeel opleverde voor de langstlevende huwelijkspartner ten opzichte van de erfgenamen, zijnde een levenslang genotrecht voor een weduwe of weduwnaar op een derde of de helft van de eigen goederen van de echtgenoot of echtgenote, in werking tredende bij de huwelijkssluiting. Weduwe en weduwnaar hadden volgens het Gentse gewoonterecht bijgevolg recht op de helft van alle opbrengsten die het erfdeel opleverde.[57] Voeg daarbij de mogelijke optelsom van erfdeel plus bijleving plus eventuele houdenisse, dan ontstond er een concrete situatie waarin de bijleving toch heel wat bezittingen genereerde.[58] Daarenboven kan deze concrete situatie zelfs als beste illustratie dienen van wat J. Gilissen in zijn artikel uit 1962 de ‘egalitaire tendens’ noemde binnen ons Vlaamse privaatrecht.[59] De Gentse weduwe beschikte over precies dezelfde materiële rechten als de Gentse weduwnaar. Het recht van ‘bijleving’ was inderdaad, in tegenstelling tot in vele andere Europese landen, geen specifiek voor weduwen uitgedokterd overlevingssysteem, maar gold voor beide echtgenoten.[60] Door te hertrouwen verloor geen van beiden dit recht. In tegenstelling tot de ‘houdenisse’, bleef het recht van ‘bijleving’ dus levenslang gelden, tenzij de weduwe er zelf van afzag.[61] De bijleving werd in de Zuidelijke Nederlanden afgeschaft door de wet van 17 nivôse, jaar II (1794) omdat de Franse revolutionairen ze beschouwden als een feodaal overblijfsel. Het Burgerlijk Wetboek van 1804 behield de afschaffing van alle overlevingsvoordelen: de langstlevende echtgenoot of echtgenote had geen andere rechten meer dan het deel in de gemeenschap en kon slechts erven bij gebrek aan erfgerechtigde familieleden of natuurlijke kinderen. Een Belgische wet van 20 november 1896 stelde, in navolging van de Franse wet van 9 maart 1891, een recht van vruchtgebruik in ten voordele van de langstlevende huwelijkspartner.[62]
3. Het bedingen van het ‘bijlevingsrecht’ voor de schepenen van de Keure van Gent na scheiding van tafel en bed
Na de hierboven geschetste ontwikkelingen en invullingen die de bijleving na weduwschap verkreeg, is haar draagwijdte duidelijk geworden. Maar vooraleer in te gaan op de specifieke invulling van het recht op bijleving bij een boedelverdeling na een scheiding van tafel en bed, is het nodig om de bevoegde schepenbank te bespreken. De schepenen van de Keure van Gent waren immers bevoegd in deze materie. Toch was dit niet de eerste stap voor een echtpaar dat wilde scheiden. Vooraleer de boedels konden worden verdeeld, bleek een vonnis van scheiding van tafel en bed aan de orde. De scheidingsbrief werd immers verleend door de kerkelijke officialiteit en bleek zijn impact op de werking van de schepenen niet gemist te hebben. Daarenboven viel uit bestaand onderzoek af te leiden dat ook de boedelverdeling zelf niet altijd even makkelijk verliep aangezien er vaak vele goederen op het spel stonden. Zo komen naast de bevoegdheden van de schepenen van de Keure ook de oorzaken en gevolgen van een scheiding van tafel en bed binnen dit hoofdstuk aan bod.
De vraag die dit alles overstijgt, de centrale vraag van dit onderzoek, blijft echter wat er zou gebeuren met het recht van bijleving indien het getrouwde echtpaar scheidde door middel van een boedelverdeling na een scheiding van tafel en bed in plaats van door het louter overlijden? Het voor de langstlevende huwelijkspartner voorziene recht bijleving zou binnen de boedelverdeling zijn plaats opeisen.
3.1. De schepenbank van de Keure te Gent
3.1.1. Instelling
De schepenen van de Keure in Gent tekenden al sinds de 14de eeuw – net zoals de schepenen van Gedele – boedelverdelingen op in hun jaarregisters ten behoeve van echtparen die in een kerkelijke rechtbank hun scheiding van tafel en bed hadden bekomen.[63] De oorsprong van deze twee Gentse schepenbanken valt te dateren in 1301, toen het bestaande Gentse schepenbestuur met negenendertig leden werd vervangen door twee schepenbanken van elk 13 leden met eigen bevoegdheden. De stadsmagistraat kreeg dus voortaan de benamingen schepenen van de Keure en raadsheren van Gedele.[64] Elke schepenbank bestond voortaan uit dertien leden met gescheiden bevoegdheden en een hiërarchische indeling. Geen van de dertien schepenen kon zijn functie tijdens een volgend jaar behouden.[65] De schepenen van beide banken konden slechts gedurende één jaar hun ambt uitoefenen, want elk jaar werd het college op 15 augustus vernieuwd na verkiezingen door acht kiesheren, waarvan vier aangesteld door de vorst en vier door de uittredende stadsmagistraat.[66] Vandaar ook dat bij het tellen van de boedels ieder schepenjaar eindigde op 15 augustus. Alhoewel het schepenambt niet open stond voor het bekleden van twee opeenvolgende jaren, was een herintrede zeker niet uitgesloten. Wanneer een schepen tijdens zijn mandaat het leven liet, werd door de in functie zijnde schepenen met goedkeuring van de baljuw een nieuwe collega gekozen.[67]
Beide schepenbanken kenden dan ook een typische hiërarchische indeling met aan het hoofd een voorschepen. Het onderzoek van Nevejans naar de administratie in de veertiende eeuw toonde aan dat sociale en politieke conflicten ertoe gingen leiden dat het Gentse politieke landschap een grondige wijziging onderging. De grote constante bestond uit kleine neringen, daar zij zowel onder revolutionaire bewinden als in vredestijd deel uitmaakten van elk regime dat de stad bestuurde na 1302. Het patroon van het stadsbestuur werd dientengevolge gevormd door de Drie Leden: dus de kleine neringen, als tweede de poorterij, die hoewel ze hun monopolie hadden verloren niettemin nog steeds belangrijke functies bezetten, en uiteindelijk de wevers of de volders. Deze laatste groepering werd echter in 1349 definitief uitgeschakeld ten voordele van de wevers. Rond 1369 werd deze indeling formeel vastgelegd en werd de verdeelsleutel die gehanteerd werd voor de toewijzing van de schepenzetels aan de drie bovengenoemde sociale groeperingen gegeneraliseerd voor alle belangrijke functies binnen de stad. Democratisch was dit echter geenszins, daar een groot deel van de bevolking uitgesloten bleef van enig aandeel in de politieke macht.[68] De verdeelsleutel werkte als volgt: drie zetels waren voor de poorterij tegenover telkens vijf voor de kleine neringen en de wevers. Dit ging tevens gepaard met een vastgelegde hiërarchie. Plaats één, vier en zeven waren voor de poorterij. Voor de wevers en de kleine neringen wisselde de rangorde om het jaar. In de pare jaren kregen de wevers plaats drie, zes, negen, elf en dertien voor de Keure, en plaats twee, vijf, acht, tien en twaalf voor Gedele. De kleine neringen vulden de resterende plaatsen in.[69]
3.1.2. Bevoegdheden
De schepenen oefenden het dagelijkse stadsbestuur uit, maar hoe zat het nu met hun bevoegdheden? De schepenen van de Keure verenigden in zich de traditionele machtsverdeling op wetgevend, bestuurlijk en rechterlijk vlak.[70] De reikwijdte van hun juridische bevoegdheid kende dan ook nagenoeg geen beperkingen, daar deze zich uitstrekte over het gehele grondgebied van de stad, mits uitzondering van Sint-Pieters, Sint-Baafs en het grafelijke Oudburg. Hun rechterlijke bevoegdheid omhelsde twee belangrijke takken: de criminele en civiele rechtspraak. Op crimineel en civiel vlak waren de vonnissen van de schepenen bindend, een juridische macht die de stad beweerde uit te oefenen over al haar poorters, zowel binnen als buiten de stad.[71] Wel hadden de schepenen van de Keure gedurende de 14de eeuw een deel van hun rechterlijke bevoegdheden overgedragen aan lagere rechtbanken, waaronder de stedelijke vinderijen.[72] De Gentse schepenen functioneerden immers als hogere instantie voor de lagere rechtbanken. De vinders traden vooral op bij schuldvorderingen waardoor ook hun bevindingen in de registers werden vermeld.[73] Naast nog enkele aanwezige economische rechtsorganen, zoals halleheren en vinders, kwamen de minder onschuldige burenruzies, schuldvorderingen, diefstallen, enz via een klacht voor bij de schepenbank van de Keure, die het geschil liet onderzoeken en tot een uitspraak kwam.[74]
Binnen de burgerlijke of civiele rechtspraak vormde de vrijwillige rechtspraak, in tegenstelling tot de contentieuze rechtspraak, een belangrijk element dat bijdroeg tot het aanzien van de schepenen. De vrijwillige rechtspraak was een onderdeel van de civiele rechtspraak, geen derde categorie. Binnen de vrijwillige rechtspraak van de schepenen ging het voornamelijk om akten en contracten tussen twee of meer partijen die rechtszekerheid kregen door ze tegen betaling te laten ‘passeren’ voor de schepenbank, vandaar ook de benaming ‘wettelijke passering’. Dergelijke akten, verleden voor de schepenen van de Keure, werden zo in hun registers opgenomen. Registratie door de schepenen bood onmiskenbare voordelen, zoals de officiële bekendmaking van de verbintenis en een verhoogde rechtszekerheid in latere periodes van eventuele betwisting.[75] De Gentse schepenbank van de Keure was aldus een autoriteit waaraan contracten als verkopingen, schuldbetekenissen, huwelijkscontracten en dergelijke meer konden worden voorgelegd.[76] Onder meer voor de periode 1428-1439 heeft Vleeschouwers – Van Melkebeek deze verschillende soorten rechtspraken en de gevolgen ervan ontleed.[77] De schepenen van de Keure van Gent formuleerden zelf, zo blijkt uit het dossier Bertelmeux Perchevael en Lijsbette vander Donct, twee mogelijkheden om voor een van tafel en bed gescheiden echtpaar tot een boedelverdeling te komen: dat hij ende zoe… verscheeden van haerlieder tideliken goede, waer’t bij vriendelicheden oft bij wette alsoo’t behoerde, m.a.w via vrijwillige of contentieuze rechtspraak.[78] Bij de vrijwillige rechtspraak bleken er drie opties mogelijk:
- volkomen vriendelijk en in der minne zelf de boedelverdeling regelen binnen het echtpaar,
- door vrienden en magen te betrekken bij het opmaken van de boedelverdeling,
- door te beloven zich te houden aan het appointement zoals uitgesproken door vier mannen, twee voor elke zijde.[79]
Deze vrijwillige rechtspraak bleek belangrijk voor de schepenen, maar werd ook door anderen als de erfachtige lieden (viri hereditarii), de notarissen, officialen en dekens van de christenheid bewerkstelligd.[80] Zo bezaten de erfachtige lieden voor de 14de eeuw zelfs het monopolie.[81] Pas vanaf de 15de eeuw zullen de schepenen van de Keure het alleenrecht krijgen op de vrijwillige rechtspraak.[82] Lardinois heeft in dit opzicht aangetoond dat schepenen en erfachtige lieden niet als twee gescheiden sociale groepen mogen worden aangezien. Niet enkel omdat beide groepen actief waren binnen de vrijwillige rechtspraak, maar voornamelijk omdat de erfachtige lieden akten opstelden onder de vorm van chirografen: een op perkament genoteerde overeenkomst van persoonlijke aard tussen een aantal partijen, bekrachtigd door de officiële instanties van het rechtsgebied waar deze overeenkomst tot stand kwam, doorgaans de schepenbank van een stad.[83] Publieke notarissen waren de tweede groep medespelers op het vlak van de vrijwillige rechtspraak. Hun ontplooiing werd echter geremd door de reeds goed geordende bureaucratie van de schepenbank met eigen scribenten. De Gentenaars kozen er dan ook voor om in de reeds vertrouwde omgeving, dus bij de schepenbank, hun akten te laten registreren. Zij oefenden immers het dagelijks beleid over de stad uit.[84]
De laatste door de schepenen voorziene weg, nl. ‘bij wette’ of via contentieuze rechtspraak, vormt dan de tweede mogelijkheid binnen de civiele rechtspraak, namelijk waar de schepenen zelf een vonnis vellen om de boedelverdeling te regelen. Deze handelwijze bleek echter maar in een gering aantal voor te komen.[85]
De schepenen van Gedele daarentegen kregen vanaf de hervorming van de schepenbanken aan het begin van de 14de eeuw naast hun functie als oppervoogden voor wezen ook de functie van ‘paysierders’ toebedeeld. Dit laatste vervulde de functie van een soort vredegerecht waarbij ‘zoendingen’ konden worden afgesloten. De desbetreffende akten werden geregistreerd in de zogenoemde ‘zoendingboeken’. De oppervoogdij over de wezen door deze schepenbank is bijzonder voor Gent, daar in de meeste Vlaamse steden deze functie ingevuld werd door speciaal daarvoor opgerichte wezenkamers. Allerlei akten die tijdens de uitoefening van dit ambt tot stand kwamen in verband met het beheer van de goederen van de minderjarige wezen, werden geregistreerd in de wezenboeken van de schepenen van Gedele. Samen met de zoendingboeken vormen ze de reeks registers van Gedele.[86]
3.1.3. Registratieprocedure
In de hierboven geschetste bevoegdheden die de schepenbank van de Keure van Gent toekwamen, werd reeds aangehaald dat de Gentenaars gedurende de 15de eeuw vertrouwd raakten met de manier waarop ze akten konden verlijden. Bestond er echter ook een registratieverplichting? Nevejans’ onderzoek toonde aan dat er voor de 14de eeuw zeker geen sprake kon zijn van enige registratieverplichting. Maar zoals gewoonlijk, waar het gewoonterecht maar weinig kan onthullen, geven de praktijkteksten antwoord. Deze bevestigen bovendien het vermoeden dat het optekenen wel degelijk op vrijwillige basis verliep. De oudste gevonden vermelding ging volgens Nevejans zelfs terug tot 1328. Het oudst bewaarde register dateert daarentegen van mei 1339. Nevejans vermoedde dan ook dat het eerste decennium van de 14de eeuw een aannemelijke aanvangsperiode blijkt te zijn aangezien in 1301 vrij ingrijpende wijzigingen – de splitsing van het Gentse schepenbestuur – hadden plaatsgevonden binnen de stadsadministratie. Van een registratieverplichting was er dus zeker geen sprake. De registratie gebeurde op verzoek van de partijen als bijkomende garantie tot bewaring van de akte.[87] Boone bemerkte echter dat er in de 15de eeuw een duidelijke stijging was van het aantal akten, waardoor er misschien wel een registratieverplichting opdook. Een extra bewijs voor deze stelling valt te vinden in de beschikbare normatieve teksten van de 16de eeuw. Op 22 maart 1552 werd er voor Gent een ordonnantie uitgevaardigd, die vastlegde dat vanaf heden de transacties moesten gepasseerd en geregistreerd worden.[88] Maar gold deze verplichting voor alle oorkonders? Wellicht niet. Net zoals Danneel formuleerde ook Haemers een belangrijke noot bij de sociale positie van de oorkonder. Het waren voornamelijk de middenklasse en het welgestelde deel van de bevolking die binnen de registers voorkwamen. De schepenen kunnen dan ook gezien worden als de emanatie van de gegoede boven- en middenlaag van de stedelijke bevolking. Om tal van redenen ontsnapten de juridische activiteiten van de gewone, al dan niet arme middeleeuwer aan het oog van het Gentse schepenbestuur.[89]
3.2. Officialiteit
3.2.1. De kerk
Vooraleer in te gaan op de betekenis van een scheiding van tafel en bed is het noodzakelijk om de instelling te belichten die een scheiding van tafel en bed kon uitspreken: de officialiteit. Deze instelling heeft zich doorheen de middeleeuwen ontwikkeld tot een waar machtscentrum omtrent de huwelijkspolitiek. Het recht heeft sinds de vroege middeleeuwen tot 1500 dan ook een enorme omwenteling doorgemaakt.[90] De impact van de Latijnse Kerk in de maatschappij na de ineenstorting van het Karolingsche Rijk was beperkt, zelfs in het huwelijksrecht dat eeuwen het paradepaardje bij uitstek zou blijven kon de Kerk haar wil niet doordrukken. Bovendien regelde de Kerkelijke wetgeving vooral haar eigen kerkelijke aangelegenheden.[91] Pas met belangrijke transformaties omstreeks 1100, zoals de stijging van de landbouwproductie, de bevolkingsaangroei, herleving van handel en nijverheid, enz. zou deze situatie veranderen. Net zoals de ‘bureaucratische staat’ stilaan vorm kreeg, zou ook de kerk het speerpunt van hervormingen worden door in de eerste plaats zelf een efficiënte bureaucratie in te richten. Dit werd enerzijds mogelijk gemaakt door de opkomst van universiteiten, dewelke goed geschoolde juristen leverden ten dienste van de kerk, en anderzijds door de herontdekking van het Corpus Iuris Civilis. Deze twee ontwikkelingen zouden leiden tot een recht dat gemeenschappelijk was voor geheel Europa, het ius commune, en dat geleidelijk aan in de praktijk doordrong. In het kerkelijk recht ging dit zelfs zo ver dat er zich een Romano-canoniek recht zou vormen.[92] Een welgekende creatie die deze impact op de kerk aanduidt is het Decretum Gratiani, een decreet dat door Gratianus te Bologna in 1140 werd uitgevaardigd. Dit was de start van een hele reeks juridische activiteiten uit kerkelijke hoek die hier niet allemaal aan bod kunnen komen. Zo werden in 1234 de Decretales extra decretum vagantium afgekondigd als wet, en werden er steeds nieuwe decretalen uitgevaardigd tot het uiteindelijke Corpus Iuris Canonici van 1582.[93]
Belangrijk voor de door ons onderzochte periode is de uitbouw van een imponerend bureaucratisch apparaat gebleken omstreeks de veertiende eeuw om het naleven van wetten te controleren, geschillen te beslechten en misdaden te bestraffen. De kerk zag zichzelf als erfgenaam van Rome, met de paus aan het hoofd. De paus deed binnen de hiërarchische structuur een beroep op zijn ondergeschikten om de wetgeving uit Rome over heel West-Europa te gaan verspreiden. Dit is gekend onder de benaming judices delegati.[94] Langs deze weg ontstond er een rationelere bewijsprocedure met getuigenissen, zowel mondeling als schriftelijk, die kritisch dienden te worden onderzocht. Door de tussenkomst van de judices delegati evolueerde de bisschoppelijke curia van een Germaansrechtelijke rechtbank naar een moderne, romano-canonieke rechtbank. Nochtans bleef de nood aan universitair geschoolde juristen tot begin 12de eeuw groot waardoor er een wijziging plaatsvond in de samenstelling van de bisschoppelijke rechtbanken. Hierbij mag ook niet uit het oog worden verloren dat het scherpe toezicht op talloze burgerlijke zaken het aantal geschillen drastisch deed toenemen gedurende de 13de eeuw. Mede hierdoor kon de paus als hoogste gezagsdrager en opperste rechter dit alles niet meer zelf waarnemen. Hervormingen waren dus nodig. In plaats van paus en bisschop als hoogste leiders van de rechtbank te laten fungeren, werd de technische kant van de rechtspraak overgedragen aan een ad hoc aangestelde ambtenaar, een officialis. Deze rechters traden op als alter ego voor de bisschop.[95] Zo kwam het inrichten van speciale kerkelijke rechtbanken, officialiteiten, die met het Romano-canoniek recht gingen werken tot stand. Ondanks hun niet geringe macht konden zij niet rekenen op het onbeperkte zeggenschap. Want boven het niveau van het bisdom uit, kenden de grotere delen van de kerkelijke administratie eveneens rechtbanken. Zo hadden de aartsbisschoppen, ook bekend als metropolieten, rechtbanken op het niveau van hun kerkprovincie. Zij vertolkten de functie van hoger beroep. Aan de top van deze hiërarchische piramide stond nog steeds de paus. Zijn aanzien als opperste rechter binnen de Latijnse Kerk was een van de voornaamste elementen waaraan hij zijn gezag dankte. De paus oefende zowel rechtsmacht van eerste aanleg als van beroep uit in geschillen uit alle delen van het Westers christendom.[96]
3.2.2. Bevoegdheden en procedure
Deze korte schets met betrekking tot de plaats van de officiliteit binnen de kerkelijke hiërarchie laat toe haar bevoegdheden te duiden.[97] Voor deze kerkelijke rechtbanken kwamen ook heel wat leken in aanraking met het Romano-canonieke recht. De Kerk had immers gedurende eeuwen het huwelijks- en familierecht tot zich getrokken. Huwelijkszaken, zoals geldigheid of ongeldigheid van het huwelijk, wettelijkheid van de kinderen, testamenten en alle onder eed bevestigde verbintenissen werden mede opgeëist door het kerkelijk forum. Alle leken konden dus, ongeacht rang, stand of maatschappelijke status voor deze rechtbank hun recht halen of veroordeeld worden ratione materiae.[98] Onder de jurisdictie van de kerkelijke rechtbank ressorteerden ratione personae alle clerici, krachtens het privilegium fori, dat enkel de kerkelijke rechtbank toeliet om over clerici te oordelen in juridische zaken. Het privilegie ging zelfs zodanig ver dat clerici die voor lekenrechtbanken als eiser of verweerder verschenen werden veroordeeld. Kortweg, al wat het geloof, het toedienen van de sacramenten, geloften, kerkelijke straffen, enz raakte, behoorde tot de geestelijke rechtspraak. Op strafrechtelijk vlak maakte de kerkelijke rechtbank aanspraak op het vonnissen van misdrijven, gepleegd op gewijde plaatsen. Misdrijven als heiligschennis, lijfelijke aanslagen op clerici, ketterij, tovenarij, simonie, woeker, enz. werden door het kerkelijk forum behandeld. Zowat al deze niet-zuiver-geestelijke zaken werden dan ook het voorwerp van jurisdictionele conflicten tussen wereldlijke en kerkelijke rechtbanken.[99]
Ook de procedure in deze rechtbanken verschilde naargelang het een burgerlijke of strafrechterlijke procedure was. De procedure was openbaar, mondeling en met een minimum aan geschreven stukken.[100] Hier behandelen we vanwege de relevantie enkel de burgerlijke procedure. Een burgerlijke procedure bestond uit drie fasen: een voorbereidende fase waarbij de officialiteit nota nam van een klacht en waarbij de gedagvaarde partij kon beslissen zich te verdedigen. Zo kon hij of zij dilatoire en peremptoire excepties aanvragen. Eens deze excepties werden geregeld kon het uiteindelijke proces van start gaan. Door de litis contestatio (= het proces) werd het juridisch voorwerp definitief vastgelegd. De aanklager herhaalde zijn aanspraken en de verweerder herhaalde zijn specifieke ontkenning ervan. Eens de rechter de mondelinge argumenten had gehoord en hem de geschreven versies ter hand waren gesteld, legde hij een dag vast waarop partijen dienden te verschijnen om zijn vonnis te horen. De rechter sprak zijn vonnis mondeling uit. Het protocol bepaalde dat hij dit zittend deed en dat de uitspraak hoorde te gebeuren bij daglicht. Het vonnis werd op schrift gesteld en de overblijvende kladversies bevestigen wat kon worden verwacht, namelijk dat deze stukken met zorg werden opgesteld, nagelezen en verbeterd vooraleer openbaar te worden gemaakt. Voor hen die de eindbeslissing in hun proces niet konden slikken, luidde het afsluiten van de rechtsgang binnen de consistorium-rechtbank van de bisschop vaak het begin in van een nieuwe, en doorgaans duurdere, fase in het procederen. Indien de rechter in beroep de zaak aanvaardde voor herziening, bracht het indienen van een appèl mee dat de tenuitvoerlegging van de beslissing van de lagere rechtbank werd uitgesteld.[101]
4. Toestaan van een scheiding tafel en bed en een uiteindelijke boedelverdeling voor de schepenbank van de Keure van Gent
Het optekenen van boedelverdelingen ten gevolge van een scheiding van tafel en bed kwam in de 14de eeuw vooral de schepenen van de Keure toe, ondanks het feit de schepenen van Gedele ook nog enkele registraties maakten, vooral dan ten behoeve van de kinderen.[102] Het is dus op zijn minst nuttig eraan te herinneren, aangezien de werking van de schepenbank hier grondig door werd bepaald, in wat een scheiding van tafel en bed resulteerde en op welke grond ze kon worden bekomen. Sinds de 12de eeuw kreeg de christelijke leer inzake huwelijk vorm en verhief de Kerk de echtverbintenis tot een sacrament, dus werd ze onontbindbaar. Deze huwelijksband symboliseerde de unie tussen Christus en Kerk. ‘Wat God derhalve heeft verbonden, zal een mens niet scheiden.’[103] Enkel de dood, door God gewild en toegelaten, kon een einde stellen aan het huwelijk.[104]
De canonieke wetgeving erkende echter twee uitzonderingen op de regel van onontbindbaarheid. Een eerste uitzondering vormde het ‘Privilege van Paulus’. Dit privilege voorzag in de ontbindbaarheid van een huwelijk gesloten tussen een christen en een heiden persoon. Indien de christen in de steek gelaten was, kreeg deze het recht te hertrouwen. Een tweede uitzondering was het ongeconsumeerde huwelijk.[105] De onontbindbaarheid van het huwelijk was een ware triomf voor de kerk, met 1200 als sleutelmoment. Toen werd de Franse koning Filips II August verplicht om na twintig jaar opsluiting zijn verstoten echtgenote terug als enige echtgenote te erkennen. Nu zelfs één van de machtigste vorsten van zijn tijd niet langer kon zondigen tegen de regels bleek de echtscheiding definitief uitgesloten.[106] De middeleeuwer diende dus een beroep te doen op een scheiding van tafel en bed, ofwel trachtte hij het verbod gewoon te omzeilen. Het huwelijk was slechts volmaakt wanneer de bijslaap had plaatsgevonden. Zo was er soms een gebrekkige bekendmaking van de huwelijkssluiting, enz. Dergelijke achterpoortjes binnen het canonieke recht konden worden gebruikt om het scheidingsverbod te omzeilen. De meest frequente methode was niettemin de scheiding van tafel en bed aanvragen. De kerk erkende dat het in bepaalde gevallen weinig zinvol was om de echtgenoten te dwingen verder samen te leven.[107] In het klassieke canonieke recht werd een scheiding van tafel en bed dan ook enkel toegestaan door een kerkelijke rechtbank of officialiteit op grond van overspel en ketterij. Een derde grond, wreedheid, was een creatie van de rechtspraak zelf. De officialiteit ging dan vaak gewoon over tot het vermanen van de huwelijkspartner, door middel van het opleggen van een cautio. De man beloofde zijn vrouw niet meer te mishandelen op basis van een eed, een som geld of goederen.[108] Specifiek voor de Zuidelijke Nederlanden komt daar nog de onverenigbaarheid van karakter bij, als een ruimere notie van louter wreedheid.[109] Let wel, de echtgenoten konden niet zelf, dus eenzijdig, tot scheiding overgaan. Steeds diende er de toestemming te zijn van de kerkelijke rechter.[110] Onder meer Lefebvre-Teillard ontdekte tot haar eigen verbazing enkele opvallende elementen bij haar studie omtrent de officialiteit van Kamerijk. Zo stond de officialiteit niet enkel makkelijk een scheiding van tafel en bed toe, vaak had ze de onverenigbaarheid van karakter als scheidingsgrond. Hiermee onderscheidde Kamerijk zich van de andere kerkelijke rechtbanken in Frankrijk.[111]
Scheidingen van tafel en bed dienen wel onderscheiden te worden van al even vaak voorkomende nietigverklaringen van huwelijken of annuleringen. Een vaak voorkomende reden tot nietigverklaring in de Zuidelijke-Nederlanden was incest.[112] Na een vonnis tot scheiding van tafel en bed bleef het huwelijk bestaan.[113] Het ging dus om een loutere opheffing van de huwelijksplichten waarbij het voor de echtelieden uiteraard verboden was om opnieuw te huwen.[114] Het verschil zit er hem dus in dat bij de nietigverklaring het huwelijk werd ontbonden en verklaard nooit te hebben bestaan. Het uiteindelijke doel van de kerkelijke rechter bleef steeds het streven naar verzoening van de echtgenoten. Dit ‘weder versamen’ werd uitgesproken door beide echtgenoten en bekrachtigd door de kerkelijke rechter. Echtgenoot en echtgenote dienden dus samen hun akkoord te geven.[115]
De volgende stap was meestel de verdeling van het huwelijksvermogen na scheiding van tafel en bed via een boedelverdeling.[116] Waar de schepenen van de Keure binnen het Gentse gebied bevoegd waren voor de boedelverdeling, was de officialiteit van Doornik gemachtigd voor scheidingen van tafel en bed voor het gebied op de linkeroever van de Schelde. Voor het gebied op de rechteroever van de Schelde was dan weer de officialiteit van Kamerijk bevoegd.[117] Een scheiding van tafel en bed was het summum van een crisissituatie. Vandaar de uitgesproken voorkeur van zowel officialiteit als schepenbank om de boedelverdeling in der minne te regelen. De kerkelijke rechtbank beschouwde de boedelverdeling als een integrerend deel van het hele scheidingsproces tussen echtlieden, en moedigde derhalve deze echtlieden aan in onderlinge verstandhouding een akkoord te bereiken over de boedelverdeling, zelfs alvorens de scheiding van tafel en bed aan te vragen bij de kerkelijke rechtbank. Dit akkoord werd dan aangezien als de uitdrukking van de vaste en gemeenschappelijke wil van het echtpaar om tot een volkomen scheiding van tafel en bed over te gaan, en waarvan de materiële gevolgen dus in rekening werden genomen.[118] Vleeschouwers – Van Melkebeek stelde vast dat het vasthechten van dergelijke akten van boedelverdeling aan het vonnis van scheiding van tafel en bed regelmatig voorkwam. Zo konden de echtparen zich met een volledig dossier (voorontwerp van boedelverdeling + vonnis van scheiding van tafel en bed) wenden tot de schepenbank om een finale betrachting te bekomen.[119] Belangrijke opmerking hierbij is dat de schepenbank van de Keure van Gent nauwgezet de jurisdictie van de kerkelijke rechtbanken eerbiedigde. Echtparen die een boedelverdeling wensten, zonder reeds gescheiden te zijn van tafel en bed, werden door de schepenen onmiddellijk doorverwezen naar de officialiteit. Het wekt dan ook geen verwondering dat alle echtparen steeds vermeldden dat ze een scheiding van tafel en bed achter de rug hadden. De schepenen eisten keer op keer de voorlegging van de scheidingsbrief, die vervolgens zowel inhoudelijk als vormelijk werd onderzocht. Inhoudelijk werd nagekeken of er wel degelijk een scheiding van tafel en bed werd toegestaan, vormelijk keken de schepenen na of de scheidingsbrief de interne (formulier volgens de stillus curie) en externe (grondstof, schrift, bezegeling) kenmerken authentiek waren. Want zonder een volmaakte scheiding van tafel en bed kon er geen verdeling van het vermogen plaatsvinden.[120] Binnen het onderzochte terrein van dit onderzoek werd zo het koppel Rebau en Van Pollaer stevig aangepakt door de schepenen. Hun scheidingsbrief voldeed niet aan bovenstaande eisen waardoor er niet kon worden overgaan tot de boedelverdeling. Hiervoor diende het koppel terug te gaan naar de officialiteit en aldaar een volmaakte scheiding van tafel en bed te bekomen.[121]
Eenmaal alles in orde met de scheidingsbrief, was het de taak van de schepenbank om de scheiding van goederen en eventuele schulden goed te keuren.[122] Voor de regels in verband met het huwelijksvermogen dient teruggegrepen te worden naar het Gentse gewoonterecht. Het huwelijksgoederenrecht voorzag een beperkte gemeenschap van roerende goederen en van tijdens het huwelijk verworven onroerende goederen. Deze goederen waren, bij het overlijden van de huwelijkspartner, deelbaar. Eén helft ging dan in volle eigendom naar de erfgenamen, de andere helft ging in volle eigendom naar de langstlevende huwelijkspartner. Los van deze beperkte gemeenschap kon iedere echtgenoot of echtgenote ook patrimoniale goederen inbrengen. Dit omvatte de onroerende goederen die de echtgenoot of echtgenote inbracht op de dag van het huwelijk, evenals de onroerende goederen die de echtgenoot of echtgenote verkreeg door erfenis of schenking tijdens zijn of haar huwelijk. Bij de ontbinding van het huwelijk door overlijden verkreeg de langstlevende dan de volle eigendom van de eigen patrimoniale goederen naast een vruchtgebruik op de helft van de patrimoniale goederen van de overledene.[123] Dit laatste vruchtgebruik is gekend onder de naam ‘bilevinghe’ of ‘duwarie’. De centrale vraag die dit onderzoek nu gaat trachten te beantwoorden is wat er gebeurde met het bijlevingsrecht indien een scheidin