| Naar een ontspannen arbeidsmarkt: over een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg. (Hanne Dillen) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL 2: internationele situatieschets: vergelijking tussen verschillende modellen van welvaartsstaten.
1. Inleiding: typologieën van welvaartsstaten
In bijna alle westerse landen werd na de Tweede Wereldoorlog gewerkt aan de uitbouw van de welvaartsstaat[45]. Het is de taak van een welvaartsstaat om ‘sociaal welzijn’ (of welvaart) te produceren en te (her)verdelen. (Esping-Andersen, 1990: p. 1)
De overheid of de staat is niet de enige actor die betrokken is bij de uitbouw van de welvaartsstaat. Naast de overheid krijgen ook de private sector (privé-bedrijven) en het gezin (of de familie) een specifieke rol toebedeeld, die verschilt van land tot land. De drie voornoemde actoren bepalen samen het totale welzijnspakket in een samenleving. (Esping-Andersen, 1997: pp. 250-252)
Ten gevolge van o.a. historische verschillen in structuur, cultuur en politiek, gebeurde de uitbouw van de welvaartsstaat in elk land verschillend. (Esping-Andersen, 1990: p. 1) Dit heeft er op zijn beurt toe geleid dat er grote verschillen zijn tussen de Europese landen wat betreft regelingen op het vlak van sociale zekerheid en arbeidsmarkt. Niettegenstaande is het mogelijk deze landen op basis van de hoofdlijnen van hun sociale zekerheidswetgeving en arbeidsmarktbeleid in te delen in een typologie. (Esping-Andersen, 1990: p. 1)
Tabel 7 Classificaties van welvaartsstaten
|
Titmuss (1974) |
Esping-Andersen (1990) |
Leibfried (1992) |
|||
|
Institutioneel |
Denemarken Zweden Noorwegen Nederland |
Sociaal-democratisch |
Denemarken Zweden Noorwegen
|
Sociaal-democratisch |
Denemarken Zweden Noorwegen |
|
Industrieel |
Duitsland Frankrijk Zwitserland
VK Australië |
Corporatistisch |
Duitsland Frankrijk Oostenrijk Zwitserland Italië België Nederland[46] |
Corporatistisch |
Duitsland Oostenrijk |
|
residueel |
Canada VS |
Liberaal |
VK Australië Canada VS |
Liberaal |
VK Australië Canada VS |
|
|
|
|
|
Rudimentair |
Spanje Portugal Griekenland |
Bron: Deleeck, 2001: p. 77
1.1 De typologie van Titmuss
Titmuss (1974) onderscheidt drie modellen van sociaal beleid: het institutionele model, het industriële model en het residuele model. (1) Het institutioneel-herverdelende model wordt gekenmerkt door universele voorzieningen die los van de markt aan sociale noden tegemoetkomen. (2) In het industrieel model (industrial achievement-performance-model) horen de sociale verzekeringen met het equivalentiebeginsel thuis (loon – bijdrage – uitkering). In dit type is de welvaartsstaat sterk geïntegreerd in het economisch bestel en zijn sociale rechten gebaseerd op verdienste, arbeidsprestatie en productiviteit. (3) Het residuele model, tot slot, steunt op het bijstandsbeginsel. In dit type van welvaartsstaat komt de overheid enkel tussen wanneer de private markt en het gezin tekortschieten. Over het algemeen wordt het eerste model geassocieerd met Scandinavische landen, vooral met Zweden, het tweede met continentaal-Europese landen, vooral met Duitsland en het derde met Angelsaksische landen, vooral met de Verenigde Staten. (Deleeck, 2001: p. 72-73)
1.2 De typologie van Esping-Andersen
De Deen Gøsta Esping-Andersen is de meest geciteerde socioloog op het gebied van het onderzoek naar de verzorgingsstaat, sinds hij ruim tien jaar geleden een typologie van verzorgingsstaten ontwikkelde. Zijn boek ‘The three worlds of welfare capitalism’ uit 1990, waarin hij schetst hoe verschillende waarden in een maatschappij zich weerspiegelen in een verschillende uitbouw van de welvaartsstaat, is reeds een klassieker geworden. (Deleeck, 2001: p. 73)
Centraal in het werk van Esping-Andersen staat de zogenaamde decommodificatiescore, die de mate van onafhankelijkheid van burgers ten opzichte van de arbeidsmarkt aangeeft. De decommodificatiescore is een soort puntenstelsel ter beoordeling van het al dan niet arbeidsprestatiegebonden karakter van sociale zekerheidsuitkeringen: hoe beter de sociale verzekeringen in een land, hoe minder individuen op de arbeidsmarkt zijn aangewezen voor het verwerven van een inkomen en hoe hoger de decommodificatiescore is. Een kapitalistische samenleving kan de welvaart van burgers onder meer onafhankelijk maken van hun positie op de arbeidsmarkt door sociale rechten of inkomens te waarborgen los van een band met de arbeid. (Esping-Andersen, 1990: p. 223; Esping-Andersen, 1997: pp. 250-252)
Binnen het geheel van de kapitalistische welvaartsstaten onderscheidt Esping-Andersen (1990) drie types of clusters die elk hun eigen logica van sociaal beleid hanteren: de sociaal-democratische, de conservatief-corporatistische en de liberale welvaartsstaat[47]. Hij doet dit op basis van drie criteria: (1) de mogelijkheid om een behoorlijke welvaartsniveau aan te houden onafhankelijk van de deelname aan de arbeidsmarkt (decommodificatiescore); (2) de rol van de bestaanszekerheidsbiedende instellingen; (3) en het behoud of de verdwijning van sociale stratificaties en ongelijkheden.
(1) In het sociaal-democratische model (Denemarken, Zweden, Noorwegen, deels Nederland) staan individualisme en universalisme centraal. Iedere burger geniet individuele rechten. Het model is er op gericht marktafhankelijkheid (hoge mate van ‘decommodificatie’) en ongelijkheid te reduceren door staatsinterventie.
Inkomensbescherming en actief beleid ten aanzien van arbeidsparticipatie gaan hand in hand in dit welvaartstype. De financiële duurzaamheid van dit stelsel veronderstelt immers dat de omvang van de behoeften zo klein mogelijk wordt gehouden en dat de bijdragebasis zo groot mogelijk uitvalt. Dit stelsel is slechts mogelijk indien er veel mensen werken en tegelijk weinig uitkeringsafhankelijken zijn.
Aangezien dit model dominant is in de Scandinavische landen (uitgezonderd Finland, dat een twijfelgeval is), spreekt men ook van de Scandinavische welvaartsstaat.
(2) Aangezien de ideologische wortels van de continentaal-Europese welvaartsstaten gelegen zijn in de katholieke sociale leer en dit welvaartstype steunt op het arbeiderssyndicalisme, spreekt men van het conservatief-corporatistische model[48]. De conservatief-corporatistische welvaartsstaat (Europees continent: o.a. Frankrijk, Duitsland en België) is gebaseerd op het kostwinnersmodel en benadrukt het belang van familiariteit. De familie staat centraal in dit type van welvaartsstaat. Dit model wordt verder gekenmerkt door een ontwikkeld sociale zekerheidssysteem per beroepscategorie, aansluitend bij de arbeidsmarktpositie. Een gevolg hiervan is dat beroepsgebonden verschillen blijven bestaan. Het sociaal beleid steunt op overleg, waarbij de sociale partners institutioneel worden betrokken.
(3) De liberale welvaartsstaat, tot slot, vertrouwt op de werking van de markt. Er is slechts een minimum aan sociale voorzieningen ontwikkeld (bijstand) en de overheid grijpt enkel in wanneer de markt tekort schiet. Privé-verzekeringsstelsels spelen een grote rol in liberale welvaartsstaten en de meeste sociale voorzieningen komen tot stand in samenwerking met werkgevers. Arbeidsmarktproblemen worden opgelost door de creatie van een groot aantal laagbetaalde jobs en de rol van de sociale partners in de sociale besluitvorming en uitvoering is, in tegenstelling tot continentale welvaartsstaten, uiterst beperkt. Aangezien dit model dominant is in de Angelsaksische landen (VK, VS, Australië en Canada), spreekt men ook van de Angelsaksische welvaartsstaat. (Deleeck, 2001; Esping-Andersen, 1990; Esping-Andersen, 1997; Knijn en Kremer, 1998)
1.3 De typologie van Leibfried
Leibfried (1992) vindt dat de driedeling, zoals hierboven beschreven, geen recht doet aan het sociale zekerheidsstelsel van de Zuid-Europese landen. Aan de drie modellen van Esping-Andersen (1990) voegde hij daarom een rudimentair model toe, dat betrekking heeft op de zogenaamde ‘Latin-rim’-landen (Griekenland, Spanje, Italië en Portugal). (Deleeck, 2001: p. 75-76)
Uit het voorgaande blijkt dat er verscheidene mogelijkheden zijn om welvaartsstaten in te delen in een typologie. Hoewel Esping-Andersen (1990) zelf geen oog had voor zorg (zie o.a. Drew e.a., 1998: p. 159), leent zijn vergelijkende studie van verzorgingsstaten zich er wel toe zorg te onderzoeken. Het zijn voornamelijk vrouwelijke wetenschappers die zorg in het hart van de vergelijkende analyse van verzorgingsstaten hebben geplaatst. Voor DEEL 2 van deze eindverhandeling baseren wij ons in eerste instantie op de analyses van verzorgingsstaten die Knijn en Kremer (1998) en Gornick, Meyers en Ross (1997) maakten op basis van de typologie van Esping-Andersen (1990). Hun bevindingen vullen we aan met andere relevante bevindingen uit de vakliteratuur.
Ten eerste bespreken we in dit deel de basiskenmerken van de drie types van welvaartsstaten zoals omschreven door Esping-Andersen. We doen dit omdat we daardoor beter kunnen begrijpen hoe en in welke mate deze drie types van welvaartsstaten regelingen hebben getroffen die ouders in staat stellen betaalde arbeid en zorg met elkaar te verzoenen. Daarna onderzoeken we welke instrumenten er voorhanden zijn in de verschillende welvaartsmodellen. Tot slot gaan we na of de maatregelingen die overheden nemen ook daadwerkelijk hun weerslag vinden in tewerkstellingsgraden van vrouwen, en meer bepaald van moeders.
Tabel 8 Typologie van welvaartsstaten (Esping-Andersen)
|
Scandinavisch model |
Continentaal-Europees model |
Angelsaksisch model |
|
Architect: Sociaal Democratie
Basisideologie: sociale bescherming: de overheid |
Architect: Christen Democratie
Basisideologie: sociale bescherming: de familie en een sociaal gecorrigeerde markt
|
Architect: (neo) liberalisme
Basisideologie: sociale bescherming: de markt en de familie |
|
Genderaspect: Tweeverdienersmodel * hoge tewerkstelling mannen én vrouwen * hoge vrouwelijke tewerkstelling door jobcreatie publieke sector (full employment) |
Genderaspect: Kostwinnersmodel: rol familie * vrouw = zorgarbeid → vrouwen laat op AM + lage tewerkstellings- graden * man = voltijdse kostwinner → ‘family wage’
|
Genderaspect: Tweeverdienersmodel * hoge vrouwelijke tewerkstelling op de private markt (nood 2e inkomen o.w.v. lage lonen)
|
|
Uitgebreide sociale zekerheid: Basis: universele sociale verzekeringen * universele solidariteit * burgerschap
Doel: sociale gelijkheid
Gevolgen: * sterke decommodificatie * sterke politieke legitimiteit
* weinig private sociale verzekeringen * hoge loonkosten |
Uitgebreide sociale zekerheid: Basis: professionele sociale verzekeringen (band arbeidsverleden) * Categoriale solidariteit * Sociale status (reproductie van de AM via SZ) Doel: behoud verworven levensstandaard Gevolgen: * relatieve decommodificatie * sterke politieke legitimiteit SZ (steun middenklasse) * weinig private sociale verzekeringen * hoge indirecte loonkosten
|
Uitgebreide bijstand/beperkte sociale zekerheid: Basis: middelentoetsing * selectiviteit * behoeften
Doel: minimale inkomensbescherming Gevolgen: * sterke commodificatie * zwakkere legitimiteit van bijstand * uitgebreide private (en bedrijfs)verzekeringen * lagere indirecte loonkosten |
|
Sterke ontwikkeling (non-profit) dienstensector: * centrale rol overheidsinstellingen
* zorgvoorzieningen via de overheid |
Onderontwikkeling dienstensector: * Centrale rol private gesubsidieerde non-profit instellingen * Zorgvoorzieningen via thuisarbeid (vrouwen)
|
Onderontwikkeling dienstensector: * zorgvoorzieningen via de markt (goedkope arbeid) + informele zorgverlening! |
|
Oplossing werkloosheid: * publieke tewerkstelling * activerend beleid |
Oplossing werkloosheid: * Passief aanbodsreducerend beleid * weinig actief beleid |
Oplossing werkloosheid: * flexibilisering en deregulering * (lage lonen, lage uitkeringen, sterke controle) |
|
Rol sociale partners: = belangrijk (tripartite bestuur) |
Rol sociale partners: = cruciaal (paritair bestuur)
|
Rol sociale partners: = verwaarloosbaar |
|
Verdelingsgevolgen: * lage ongelijkheid * weinig armoede |
Verdelingsgevolgen: * lage ongelijkheid * weinig armoede |
Verdelingsgevolgen: * hoge ongelijkheid * veel armoede
|
Bron: De Lathouwer, 2005a op basis van Esping-Andersen (1997) en Knijn en Kremer (1998)
2. Basiskenmerken van de drie types van welvaartsstaten zoals omschreven door Gøsta Esping-Andersen
2.1 Inleiding
In dit deel bespreken we beknopt de basiskenmerken van de sociaal-democratische, de conservatief-corporatistische en de liberale welvaartsstaat[49]. We doen dit omdat we daardoor beter kunnen begrijpen hoe en in welke mate de drie types van welvaartsstaten de combinatie van betaalde arbeid en onbetaalde zorgarbeid voor moeders (en vaders) met jonge kinderen (al dan niet) vergemakkelijken.
(1) In de eerste plaats gaan we na welke genderideologie er schuilt achter de drie clusters van welvaartsstaten zoals omschreven door Esping-Andersen. (2) Ten tweede trachten we te achterhalen of de verschillende welvaartstypes uitgebreide of slechts beperkte (enkel bijstand) sociale verzekeringen hebben. Van belang hierbij is tevens of deze rechten al dan niet universeel en/of individueel zijn.(3) Ten derde onderzoeken we of de dienstensector sterk ontwikkeld is, (4) waarna we nagaan hoe de verschillende welvaartsmodellen de werkloosheid trachten te bestrijden. (5) Vervolgens zeggen we nog iets over de rol van de sociale partners in de drie welvaartstypes. (6) We bespreken tot slot de (verdelings)gevolgen van het gevoerde beleid.
2.2 De sociaal-democratische welvaartsstaat
2.2.1 Genderaspect
Sociaal-democratische welvaartsstaten zijn gebaseerd op het tweeverdienersmodel. Hoge tewerkstellingsgraden van mannen én vrouwen zijn kenmerkend voor de Scandinavische landen. Omwille van het activerend beleid van de overheid (jobcreatie in de publieke sector) zijn ook vrouwen in hoge getallen aanwezig op de arbeidsmarkt. De meeste van hen zijn tewerkgesteld in een groot aantal overheidsbanen in de dienstverlenende sector. De strategie van ‘defamilialisering’ van de dienstensector is goed voor de werkgelegenheid en vormt bovendien een stimulans voor het aantal tweeverdieners. (Esping-Andersen, 1997: p. 250, 252; Leira, 1998: p. 162)
2.2.2 Uitgebreide sociale zekerheid
De doelstelling van het Scandinavische model is sociale gelijkheid. De overheid speelt een centrale rol in welzijn en sociale zekerheid. Kenmerkend voor sociaal-democratische welvaartsstaten zijn universele sociale verzekeringen, die zijn gebaseerd op burgerschap en universele solidariteit. In tegenstelling tot het liberale model, worden burgers met andere woorden beschermd tegen de grillen van de (arbeids)markt.
Omwille van de financiële duurzaamheid van dit stelsel wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke arbeidsmarktparticipatie van mannen én vrouwen en een zo klein mogelijk aantal personen dat afhankelijk is van het stelsel zonder daar iets tegenover te stellen. (Esping-Anderen, 1997: p. 250, 252; Knijn en Kremer, 1998: p. 203)
2.2.3 Dienstensector: ‘defamilialisering’ van diensten
Tweeverdienershuishoudens, de meest voorkomende gezinsvorm in Scandinavische landen, hebben bij wijze van spreke alles, behalve tijd, waardoor ze meer diensten kopen op de markt. De (non-profit) dienstensector is dan ook sterk ontwikkeld in sociaal-democratische welvaartsstaten. Hierbij speelt de overheid een voorname rol. De overheid voorziet namelijk in de traditionele dienstverlening (gezinshulp, kinderopvang), wat op zijn beurt zorgt voor meer werkgelegenheid: een groot aantal vrouwen is tewerkgesteld in een groot aantal overheidsbanen in de dienstverlenende (publieke) sector. (Esping-Andersen, 1997: p. 250, 252)
2.2.4 Oplossing werkloosheid
In sociaal-democratische welvaartsstaten tracht men de werkloosheid via twee wegen te bestrijden. (1) Enerzijds tracht men door middel van activerend beleid meer mensen aan het werk te krijgen en tegelijk minder mensen in de uitkeringsafhankelijkheid. Deze strategie is tevens noodzakelijk om het financiële draagvlak van dit stelsel te waarborgen. (2) Anderzijds is de overheid, via de creatie van een groot aantal overheidsbanen in de dienstverlenende sector (‘defamilialisering’ van diensten), een belangrijke werkgever. Het zijn voornamelijk vrouwen die tewerkgesteld zijn in de publieke sector. (Esping-Andersen, 1997: pp. 251-252)
2.2.5 Rol sociale partners
Sociaal-democratische welvaartsstaten zijn gebaseerd op een tripartiet bestuur. Beslissingen worden genomen in overleg tussen de overheid en de sociale partners, die dus een belangrijke rol krijgen toebedeeld in de Scandinavische landen.
2.2.6 Verdelingsgevolgen
Sociaal-democratische welvaartsstaten worden gekenmerkt door weinig ongelijkheid en een laag armoedepeil. De oorzaak hiervan ligt voornamelijk in het groot aantal tweeverdienershuishoudens in Scandinavische landen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de kans op armoede in tweeverdienersgezinnen, waarin beide partners buitenshuis werken, twee tot drie maal kleiner is dan in traditionele kostwinnersgezinnen, waarin enkel de man betaalde arbeid verricht terwijl de vrouw instaat voor het huishouden en de zorg voor (kleine) kinderen. Ook bij kwetsbare groepen, zoals eenoudergezinnen, komt armoede, dankzij de mogelijkheid om inkomen uit arbeid en sociale uitkeringen te combineren, nauwelijks voor in Scandinavische landen. (Esping-Andersen, 1997: p. 252)
2.3 De conservatief-corporatistische welvaartsstaat[50]
2.3.1 Genderaspect
Conservatief-corporatistische welvaartsstaten zijn gebaseerd op het kostwinnersmodel, waarin de rollen van mannen en vrouwen complementair zijn. Dit model wordt gekenmerkt door een mannelijke kostwinner, die een ongewoon hoge mate van bescherming geniet, en een vrouwelijk huishoudster en/of kinderverzorgster. Ten gevolge van deze ideologische grondslag kwamen vrouwen in continentaal-Europese landen relatief laat op de arbeidsmarkt. (Esping-Andersen, 1997: p. 251) Vrouwen zijn, in vergelijking met mannen, ook nu nog ondervertegenwoordigd op de arbeidsmarkt (‘gender employment gap’). (OECD, 2002: p. 67)
2.3.2 Uitgebreide sociale zekerheid
Het conservatief-corporatistische model zit tussen het liberale model, waarin burgers sterk afhankelijk zijn van de (arbeids)markt, en het sociaal-democratische model, waarin burgers worden beschermd tegen de grillen van de (arbeids)markt, in. Het continentaal-Europese model beschermt enerzijds de zwaksten in de samenleving, maar omdat sociale rechten sterk afhankelijk zijn van het arbeidsverleden[51] en bovendien per gezin of huishouden in plaats van per individu worden toegekend, zijn de rechten anderzijds niet universeel. (Esping-Andersen, 1997: p. 251; Knijn en kremer, 1998: pp. 203-204)
2.3.3 Dienstensector: ‘familialisering’ van diensten
De dienstensector in conservatief-corporatistische welvaartsstaten is onderontwikkeld. Waar het gaat om dienstverlening wordt een sterk accent gelegd op de rol van het gezin en de familie: in de zorgbehoeften van individuen en gezinnen wordt voorzien via thuisarbeid van de (huis)vrouw.
De ‘familialisering’ van zorgtaken werkt een moeilijk te doorbreken spiraal van uitsluiting en kosten in de hand. Zolang de zorgtaken ‘geprivatiseerd’ blijven, is het voor vrouwen zeer moeilijk economische onafhankelijkheid te verwerven. Daarom moeten de gezinnen (vrouwen) bevrijd worden van de zorgtaken die arbeidsparticipatie in de weg staan. Het accent binnen conservatief-corporatistische welvaartsstaten moet bijgevolg verlegd worden van inkomensoverdracht naar dienstverlening aan huishoudens. (Esping-Andersen, 1997: p. 251-252)
2.3.4 Oplossing werkloosheid
In conservatief-corporatistische welvaartsstaten zoekt men zijn toevlucht ter ‘bestrijding’ van de werkloosheid in het voeren van een passief aanbodreducerend beleid. In continentaal-Europese landen wordt (nog te) weinig activerend beleid gevoerd. (Esping-Andersen, 1997: p. 251)
2.3.5 Rol sociale partners
De sociale partners spelen een cruciale rol in conservatief-corporatistische welvaartsstaten. Beslissingen worden genomen in overleg tussen de werkgevers en de werknemers (paritair bestuur). Zowel de individuele burger als belangengroepen (vakbonden) zien zich gedwongen de privileges van de insiders, ten koste van de outsiders, veilig te stellen. (Esping-Andersen, 1997: p. 252)
2.3.6 Verdelingsgevolgen
Omwille van de inkomens(her)verdeling van de overheid is er weinig ongelijkheid en armoede in Continentaal Europese welvaartsstaten. Negatieve effecten van de Europese aanpak zijn een tweedeling tussen ‘insiders’ en ‘outsiders’, hoge werkloosheid, vroege (door de overheid gesubsidieerde) pensionering en een geringe vrouwelijke arbeidsparticipatie.
Wanneer gezinnen afhankelijk zijn van het inkomen van de kostwinner, hangt hun een steeds zwaardere dreiging boven het hoofd bij onzekerheid over deregulering of verlaging van sociale uitkeringen. De afwezigheid van een (mannelijke) kostwinner leidt snel tot armoede. Bovendien betekent deze afhankelijkheid van hele gezinnen dat er hoge uitkeringen nodig zijn, met als resultaat een verkeerde vorm van herverdeling: een groot aandeel van de bevolking wordt onderhouden door een relatief klein aandeel werkenden.
Een ander probleem in dit type welvaartsstaat is de hoge jeugdwerkloosheid, waardoor jongeren zeer lang economisch afhankelijk blijven van hun ouders, met lage geboortecijfers tot gevolg.
Tot slot leidt het voeren van een passief beleid in Continentaal-Europese welvaartsstaten tot de onderbenutting van menselijk kapitaal. Zelfs nu vrouwen gemiddeld meer opleiding hebben genoten dan mannen, zijn ze veel minder dan mannen aanwezig op de arbeidsmarkt (‘gender employment gap’). (Esping-Andersen, 1997: pp. 251-252)
2.4 De liberale welvaartsstaat
2.4.1 Genderaspect
Liberale welvaartsstaten zijn, net als sociaal-democratische welvaartsstaten, gebaseerd op het tweeverdienersmodel. Hoge tewerkstellingsgraden van mannen én vrouwen zijn dus ook in dit type welvaartsstaat kenmerkend. Maar in tegenstelling tot Scandinavische landen, waar vrouwen voornamelijk tewerkgesteld zijn in de publieke sector, zijn vrouwen in liberale landen tewerkgesteld in de private sector. Beide partners zijn namelijk genoodzaakt om buitenshuis te gaan werken, omdat een tweede inkomen, omwille van de lage lonen noodzakelijk is. (Esping-Andersen, 1997: p. 250, 252)
2.4.2 Uitgebreide bijstand, maar beperkte sociale verzekeringen
Angelsaksische landen kennen slechts beperkte sociale verzekeringen. Men gaat er van uit dat de middenklassen in hun welzijnsbehoeften kunnen voorzien via de markt. Wel hebben deze landen een uitgebreide bijstand. Aangezien de overheid slechts een minimaal sociaal verzekeringspakket aanbiedt, zijn burgers dus in de eerste plaats aangewezen op de vrije markt om in hun welzijnsbehoeften te voorzien. Enkel wanneer de markt tekort schiet, grijpt de overheid in: de middelen komen voornamelijk terecht bij diegenen die er het meest nood aan hebben. Privé-verzekeringsstelsels, in combinatie met bedrijfs- en sectorgebonden verzekeringen, spelen dan ook een grote rol in liberale welvaartsstaten en de meeste sociale voorzieningen komen tot stand in samenwerking met werkgevers. (Esping-Andersen, 1997: p. 250; Knijn en Kremer, 1998: p. 203)
2.4.3 Dienstensector
In Angelsaksische landen zijn beide partners genoodzaakt buitenshuis te gaan werken om een voldoende hoog inkomen te genereren. In tegenstelling tot in de conservatief-corporatistische welvaartsstaten, kan men dus geen beroep doen op huisvrouwen om in de zorg voor kleine kinderen en het huishouden te voorzien. Evenmin kan men, zoals in sociaal-democratische welvaartsstaten wel het geval is, een beroep doen op door de overheid verleende diensten. In Angelsaksische landen zijn dubbelverdienersgezinnen dus aangewezen op de private markt (goedkope arbeid) om in hun zorgbehoeften te voorzien. In sociaal-democratische welvaartsstaten is de profit dienstensector dan ook sterk ontwikkeld.
2.4.4 Oplossing werkloosheid
Zoals we reeds zeiden, speelt de overheid in liberale welvaartsstaten een zo beperkt mogelijke rol. Deregulering en flexibilisering van de arbeidsmarkt, lage lonen en lage uitkeringen zijn dan ook schering en inslag in Angelsaksische landen. De kenmerkende strategie ter bestrijding van de werkloosheid is de ‘lage lonen’-strategie. Maar hoewel deregulering van de arbeidsmarkt eventueel leidt tot een verlaging van de structurele werkloosheid, staat ze hoe dan ook niet voor iedereen garant voor voldoende inkomen. (Esping-Andersen, 1997: p. 250, 252)
2.4.5 Rol sociale partners
De rol van de sociale partners is zeer beperkt in liberale welvaartsstaten. Aangezien men is aangewezen op bedrijfs- en sectorgebonden verzekeringen en de meeste sociale voorzieningen tot stand komen in samenwerking met werkgevers, hebben de vakbonden een zwakke (onderhandelings)positie. (Esping-Andersen, 1997: p. 250)
2.4.6 Verdelingsgevolgen
Enerzijds leidt deregulering en flexibilisering van de arbeidsmarkt tot grote(re) inkomensverschillen, een sterk verlaagde levensstandaard bij de lagere inkomenscategorieën en het afwentelen van de kosten van welzijn op gezinnen of op de markt. Anderzijds is deregulering niet noodzakelijk gunstig voor de werkgelegenheid: de VS heeft bijvoorbeeld een lage werkloosheidsgraad en een groeiende werkgelegenheid, maar in het VK stagneert de groei en Canada en Australië kampen zelfs met hoge werkloosheidsgraden.
Omdat liberale welvaartsstaten de vrije markt laten spelen en zweren bij zo weinig mogelijk staatsinterventie worden ze geconfronteerd met een hoge mate van ongelijkheid en met een hoog armoedeniveau. (Esping-Andersen, 1997: pp. 251-252)
3. Zorgdimensies in de drie types van welvaartsstaten zoals omschreven door Gøsta Esping-Andersen
3.1 Inleiding
Toen de verzorgingsstaat ontwikkeld werd, werd zorg voornamelijk gezien in het licht van familiale relaties. Het waren de gezinnen die moesten instaan voor de zorg voor kleine kinderen en ouderen. (Knijn en Kremer, 1998: p. 203) Dit was mogelijk aangezien er een seksespecifieke verdeling was tussen partners voor wat betreft betaalde arbeid en onbetaalde zorgarbeid. Het (mannelijke) kostwinnersgezin was immers de dominante gezinsvorm in de naoorlogse periode. (zie DEEL 1: 3.4.1 p. 43)
Deze ‘privatisering’ van zorgtaken heeft er echter toe geleid dat aan het geven van zorg nauwelijks sociale burgerschapsrechten ontleend kunnen worden: over het algemeen worden inkomen, pensioenen en verzekeringen verbonden aan betaalde arbeid. Informele zorgverleners – voornamelijk vrouwen[52] – hebben met andere woorden een marginale positie in een samenleving waarin sociale burgerschapsrechten ontleend worden aan arbeidsparticipatie. (Knijn en Kremer, 1998: p. 202, 204)
Ook het recht op zorg is nauwelijks als recht van burgers geformuleerd. Voor sommige van zorg afhankelijk burgers is dit geen probleem, aangezien zij goed in staat zijn om de zorg te krijgen die zij nodig hebben. Mannelijke kostwinners en welvarende burgers, bijvoorbeeld, kunnen in hun zorgbehoeften voorzien via huisvrouwen en private/particuliere verzekeraars. Daartegenover staan sociaal zwakkere groepen – zoals kinderen, zwakke(re) ouderen en gehandicapten – die minder mogelijkheden hebben om hun recht op zorg te claimen. In veel Europese landen zal deze groep in de toekomst nog groter worden door de dubbele vergrijzing[53], terwijl de mogelijkheid om terug te vallen op informele zorgverlening door vrouwelijke familieleden, buren en vrienden aan het verminderen is. Dit laatste is een gevolg van de toenemende vrouwelijke arbeidsparticipatie, ook in landen waar deze lange tijd marginaal is gebleven. Het aantal zorgbehoevenden neemt m.a.w. toe, terwijl het aantal informele zorgverstrekkers afneemt. Bovendien staan veel overheden onder druk om hun publieke uitgaven, meer bepaald hun uitgaven aan zorgvoorzieningen, te reduceren. Het gevolg hiervan is dat deze zwakkere groepen tevens minder kunnen steunen/terugvallen op de publieke voorzieningen van de staat. (Knijn en Kremer, 1998: pp. 202-203)
Nu er een ‘zorgtekort’ dreigt te ontstaan ten gevolge van de toenemende behoefte aan zorg en de afnemende zorgcapaciteit van buitenhuiswerkende vrouwen, is het van belang om zorg als een aspect van burgerschap te formuleren. Een sekseneutraal en inclusief burgerschap, waarin erkend wordt dat ieder individu ooit afhankelijk is van zorg – als men jong is, of heel oud, ziek of gehandicapt – en dat men aan die hoedanigheid rechten kan ontlenen, zou de basis kunnen vormen voor een evenwichtiger verhouding tussen arbeid en zorg, tussen mannen en vrouwen en tussen verschillende vormen (informele en formele) van zorg. De belangrijkste aspecten van zo’n burgerschapsconcept zijn het ‘recht op tijd om zelf te zorgen’ en het ‘recht om zorg te ontvangen’.
Enkel indien zowel het recht op tijd om te zorgen, als het recht om zorg te ontvangen verzekerd zijn, kunnen burgers een echte keuze maken op welke manier ze zorg willen integreren in hun leven.
Het recht op tijd om zelf te zorgen omvat de keuze om zelf te zorgen voor belangrijke anderen, zonder daarbij sociale burgerschapsrechten te verliezen. Verlofregelingen, deeltijdwerk en vrijstelling van arbeidsplicht voor ouders en andere informele zorgverleners die gebruik maken van sociale zekerheid zijn de drie te onderscheiden rechten die de tijd om te zorgen kunnen garanderen.
Het recht om zorg te ontvangen impliceert voornamelijk dat men de vrije keuze heeft tussen verschillende typen zorg. Enerzijds versterkt het recht van zorgverleners op tijd om te zorgen die vrije keuze. Omdat informele zorgverleners ook het recht moeten hebben niet te zorgen[54], horen anderzijds ook toegankelijke en kwalitatief goede openbare voorzieningen[55] bij het recht om zorg te ontvangen. Alleen wanneer er voldoende publieke voorzieningen zijn die kwalitatief hoogstaand en betaalbaar zijn, geldt het recht om (professionele) zorg te ontvangen. Enkel dan kunnen alle burgers hun rechten gebruiken. (Knijn en Kremer, 1998: p. 203) Wanneer er voldoende publieke kinderopvangvoorzieningen zijn, hebben ouders (moeders) tevens meer mogelijkheden om te participeren op de arbeidsmarkt. (Gornick e.a., 1997: p. 48)
Het ‘recht op tijd om zelf te zorgen’ en het ‘recht om zorg te ontvangen’ sluiten nauw aan bij het concept van de transitionele arbeidsmarkt van Günther Schmid. (zie DEEL 1: 2.3 p. 26) Volgens Schmid moeten burgers de mogelijkheid hebben om hun arbeidstijd aan te passen aan individuele omstandigheden eigen aan de levensfase waarin ze verkeren. Daarom zou de welvaartsstaat maatregelen moeten nemen die (1) de overgang van de ene levenssfeer naar de andere vergemakkelijken en (2) combinaties van verschillende levensdomeinen mogelijk maken.
(1) Moederschap-, vaderschaps- en ouderschapsverlof zijn voorbeelden van regelingen die transities tussen arbeid en zorg mogelijk maken. Deze regelingen laten ouders toe om tijdelijk van de arbeidsmarkt te treden om te zorgen voor hun kind(eren) én na verloop van tijd weer terug te keren naar de arbeidsmarkt.
(2) Deeltijdwerk en publieke kinderopvangvoorzieningen zijn voorbeelden van regelingen die ouders toelaten betaalde arbeid en zorgtaken te combineren.
In dit hoofdstuk onderzoeken we welke maatregelen de verschillende types van welvaartsstaten genomen hebben om verantwoordelijkheden op het vlak van betaalde arbeid en onbetaalde (informele) zorgarbeid met elkaar te verzoenen. Eerst trachten we te achterhalen in hoeverre het ‘recht op tijd om te zorgen’ verwezenlijkt is in sociaal-democratische, conservatief-corporatistische en liberale welvaartsstaten, waarna we nagaan in hoeverre het ‘recht van kinderen om zorg te ontvangen’ verwezenlijkt is in deze welvaartsstaten. Burgers hebben namelijk maar een echte keuze op welke manier ze zorg willen integreren in hun leven indien beide zorgaspecten verzekerd zijn. We sluiten dit hoofdstuk af met een analyse van het totaalpakket aan beleidsmaatregelen dat welvaartsstaten kunnen samenstellen om het beroeps- en het gezinsleven met elkaar te verzoenen.
3.2 Het recht op tijd om te zorgen
3.2.1 Verlofregelingen voor jonge ouders
In Europa is zorgverlof een steeds belangrijker beleidsoptie aan het worden. Het doel van verlofregelingen is tweeledig: enerzijds hebben verlofregelingen tot doel een basisinkomen te verschaffen aan jonge ouders, en anderzijds hebben ze tot doel te voorkomen dat vrouwen zich terugtrekken van de arbeidsmarkt na de geboorte van een kind. (Gornick e.a., 1997: p. 48) Zorgverlof is een mogelijke oplossing voor ‘zorgtekorten’ en bovendien blijft de arbeidsparticipatie gewaarborgd omdat het recht op tijd om te zorgen tijdelijk is. De voordelen van zorgverlof zijn verder dat door het verlenen van (zorg)verlof tegemoet wordt gekomen aan de wens van ouders (moeders) om zelf voor jonge kinderen te zorgen en dat de werkloosheid bestreden wordt, omdat (zorg)verlof leidt tot een herverdeling van arbeid. (Knijn en Kremer, 1998: p. 206)
In dit deel bespreken we kort het moederschap-, vaderschaps- en ouderschapsverlof. We gaan na of er in de verschillende Europese welvaartsstaten mogelijkheden zijn voor burgers om deze vormen van verlof op te nemen en hoe uitgebreid deze rechten op tijd om te zorgen zijn. Belangrijk hierbij is dat we ook onderzoeken welke bijdrage ouders ontvangen wanneer ze deze vormen van zorgverlof opnemen. Immers: hoe groter het inkomensverlies van vaders en moeders, hoe groter de opportuniteitskost. (Krieger, 2004) Van belang is tevens of deze verlofregelingen toegankelijk zijn voor mannen én vrouwen. (zie o.a. Papadopoulos, 1998: p. 51) Burgers moeten namelijk ook de keuze hebben om niet te zorgen. Men kan zorg niet afdwingen op basis van genderidentiteiten. (Knijn en Kremer, 1998: p. 203)
Moederschapverlof en vaderschapsverlof
Tabel 9 Moederschap- en vaderschapsverlof in 13 OESO-landen[56]
|
WELVAARTS TYPE |
LAND |
MOEDERSCHAPVERLOF |
|
VADERSCHAPSVERLOF |
|||||
|
|
|
Wettelijke job-bescherming |
Betaald moederschapverlof |
Vervangingsratio (%) |
Dekking (% WN’rs) |
Aanwezig? |
# dagen |
Vervangings-ratio |
|
|
Sociaal-democratisch |
Denemarken |
Ja |
28 |
forfaitair bedrag |
100 |
Ja |
10 |
forfaitair bedrag |
|
|
Noorwegen |
Ja |
18 |
100 |
100 |
Ja |
? |
? |
||
|
Zweden |
Ja |
14 |
80 |
100 |
Ja |
10 |
80 |
||
|
Conservatief-corporatistisch |
België |
Ja |
15 |
82 de 1e maand, daarna 75 |
100 |
Ja |
3[57] |
100 |
|
|
Frankrijk |
Ja |
16-26[58] |
84 |
100 |
Ja |
3 |
0 |
||
|
Duitsland |
Ja |
14 |
100 |
100 |
Nee |
- |
- |
||
|
Nederland |
Ja |
12 |
100 |
100 |
|||||