Naar een ontspannen arbeidsmarkt: over een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg. (Hanne Dillen)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1: arbeid en zorg

 

1. Inleiding

 

Zoals de titel reeds doet vermoeden zijn de kernbegrippen in deze eindverhandeling ‘arbeid’ en ‘zorg’. Daarom beginnen we onze uiteenzetting met het geven van een sluitende definitie van wat wij, in het kader van deze scriptie, verstaan onder ‘arbeid’. Impliciet definiëren we daarmee ook het begrip ‘zorg(arbeid)’.

 

Voor we tot de kern van de zaak komen, staan we ook nog even stil bij het concept van de ‘transitionele arbeidsmarkt’, zoals geformuleerd door Günther Schmid (1998), en bij het concept van de ‘keuzebiografie’ of ‘nieuwe levensloop’. Beide concepten vormen samen de theoretische onderbouw van deze eindverhandeling.

 

Het concept van de ‘transitionele arbeidsmarkt’ is een dankbaar denkkader binnen deze eindverhandeling omdat er naast betaalde arbeid ook aandacht wordt geschonken aan het belang van niet-marktgebonden activiteiten en aan de combinatie van betaalde arbeid en zorgtaken. Het concept van de ‘keuzebiografie’ vormt dan weer een theoretische achtergrond bij de veranderingsprocessen die zich in de loop van het voorbije decennium hebben voltrokken in alle geïndustrialiseerde landen en die van belang zijn bij het ontstaan van de combinatieproblematiek arbeid en zorg.

 

Na deze theoretische uiteenzetting, zoeken we een antwoord op de vraag: ‘hoe en wanneer is de problematiek rond de combinatie van arbeid en zorg ontstaan’.

 

Om deze vraag te beantwoorden maken we een historische verkenning van de taakverdeling binnen gezinnen. We beginnen onze zoektocht in de 19e eeuw. Vervolgens nemen we een tijdsvlucht naar de jaren 1950, de periode van het ontstaan van de welvaartsstaat. Voor de periode 1950-2000 baseren we ons op drie empirische modellen inzake de arbeidsverdeling binnen gezinnen zoals voorgesteld door Van Dongen, Beck en Vanhaute (2001). We beëindigen het eerste deel van deze scriptie met een uitvoerige analyse van de hedendaagse taakverdeling tussen partners.

 

 

2. Theoretisch kader

 

2.1 Inleiding

 

Ieder van ons heeft wel een idee over welke activiteiten of bezigheden onder de noemer ‘arbeid’ thuishoren en welke niet. Toch is een heldere omschrijving van het begrip arbeid geen eenvoudige taak. Allereerst zoeken we in dit hoofdstuk een antwoord op de vraag: wat is arbeid?

 

Verder bespreken we in dit hoofdstuk het model van de transitionele arbeidsmarkt (TAM) en het concept van de nieuwe levensloop, dat daar nauw bij aansluit. Beide benaderingen vormen samen de theoretische onderbouw van deze eindverhandeling.

 

2.2 Definiëring van het begrip arbeid: wat is arbeid?

 

Het is geen eenvoudige opdracht om een duidelijke en heldere omschrijving te geven van het begrip ‘arbeid’. Het onderscheid tussen arbeid en niet-arbeid is namelijk niet zo eenvoudig als op het eerste zicht lijkt. (Van Ruysseveldt en Van Hoof, 1998: p. 7) Laten we dit aan de hand van een eenvoudig voorbeeld illustreren.

 

Niemand zal bijvoorbeeld ontkennen dat een leerkracht die in een school kinderen onderwijst, arbeid verricht. Maar is er ook sprake van arbeid indien ouders hun kinderen in de avonduren persoonlijk begeleiden bij de studie? De activiteiten van de leerkracht verschillen nauwelijks van die van de ouders. Het enige verschil tussen beiden is dat de leerkracht een betaalde arbeidskracht is die een arbeidsovereenkomst heeft met een werkgever en daar allerlei rechten en plichten aan ontleent, terwijl de ouders geen vergoeding ontvangen voor hun onderwijzende activiteiten en geen arbeidsovereenkomst hebben afgesloten.

 

De activiteiten van een betaalde arbeidskracht kwalificeren we doorgaans moeiteloos als arbeid. Voor activiteiten die niet worden geregeld door een arbeidsovereenkomst zijn we geneigd andere termen te gebruiken. (Van Ruysseveldt en Van Hoof, 1998: p. 7)

 

In het kader van ons voorbeeld categoriseren we de activiteiten van de leerkracht in de school bijvoorbeeld als arbeid, terwijl we de activiteiten van de ouders in dit geval onderbrengen onder de noemer opvoeding.

 

2.2.1 Een beperkte of een ruime definitie van arbeid?

 

Het begrip arbeid kan eerder beperkt of juist heel breed gedefinieerd worden. Bij een beperkende definitie wordt arbeid gelijkgesteld met betaalde arbeid. (Van Ruysseveldt en Van Hoof, 1998: p. 7)

 

Gorz (1987), bijvoorbeeld, definieert (heteronome) arbeid[4] als “een betaalde activiteit die wordt verricht voor rekening van een derde”. (Gorz, 1987: p. 220) Vanuit deze invalshoek verricht de leerkracht uit ons voorbeeld arbeid en de ouders niet.

 

Tegenover de beperkende omschrijving van arbeid, die o.a. wordt gehanteerd door Gorz, staat een erg brede visie op arbeid. Bij een ruime definitie vallen bijna alle menselijke activiteiten onder de noemer arbeid, waardoor het onderscheid tussen arbeid en vrijetijdsactiviteiten[5] vervaagt. Arbeid verwijst in dat geval bijvoorbeeld naar alle activiteiten die gepaard gaan met lichamelijke en geestelijke inspanning, die gericht zijn op het bevredigen van menselijke behoeften of die gericht zijn op de productie van goederen en diensten[6]. (Van Ruysseveldt en Van Hoof, 1998: pp. 7-8)

 

Het nadeel van een al te beperkende definitie van arbeid (bijvoorbeeld Gorz, 1987) is dat heel wat activiteiten die onbetaald verricht worden, niet als arbeid worden erkend, terwijl diezelfde activiteiten wél als arbeid gecategoriseerd worden zodra ze in de context van een arbeidsovereenkomst plaatsvinden. Een te brede definitie van arbeid slaagt er daarentegen niet meer in arbeid en niet-arbeid van elkaar te onderscheiden. Bij een te brede definitie wordt m.a.w. een te grote waaier aan activiteiten als arbeid gecategoriseerd, terwijl de voorwaarden waaronder die activiteiten worden verricht grote verschillen vertonen. (Van Ruysseveldt en Van Hoof, 1998: p. 8)

 

2.2.2 Hannah Arendt: labour, work & action

 

Hannah Arendt (1958; 1968) maakt een driedeling van wat zij het actieve leven (‘vita activa’) noemt. Zij onderscheid drie fundamentele menselijke activiteiten: arbeiden, werken en handelen.

 

Arbeid is de lichamelijke kant van het menselijke bestaan. Arbeiden is volgens Arendt een biologische activiteit die in het verlengde ligt van de biologische processen van het menselijk lichaam (groei, stofwisseling, verval). De menselijke conditie van arbeiden is het leven zelf. Arbeiden houdt de individuele mens in leven én verzekert het voortbestaan van de menselijke soort. Arbeid is in deze visie ‘door de natuur opgelegde eeuwige dwang’. Een arbeidende mens is ‘animal laborans’: een zwoegende, lichamelijk actieve mens.

 

Werk heeft volgens haar de betekenis van de instandhouding van het niet natuurlijke aspect van het menselijke bestaan: de cultuur. Werken creëert een kunstmatig milieu dat zich duidelijk onderscheid van alle natuurlijke milieus. De menselijke conditie van werken is het zijn in de wereld. Een werkende mens is ‘homo faber’: een bewerkende, makende mens.

 

Handelen is de enige activiteit die zich rechtstreeks, en niet via dingen en materie, tussen mensen voltrekt. De notie van handelen veronderstelt pluraliteit[7]. Actie betekent dat mensen iets op gang brengen dat er nog niet was. Actie is bovendien altijd betrokken op anderen. Handelen is communicatie, waarin mensen zich waarmaken, ‘iemand’ worden en zijn.

 

2.2.3 De definitie van arbeid volgens Mok

 

Arbeid

 

Mok definieert arbeid als “alle bezigheden die nut opleveren voor degene die arbeid verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de samenleving als geheel”. (Mok, 1994: p. 9, 37)

 

De grote verdienste van de definitie van Mok is (1) dat arbeid zowel beschouwd wordt vanuit het nut dat zij oplevert voor het individu dat arbeid verricht als vanuit het nut dat zij oplevert voor de naaste omgeving en/of maatschappij als geheel; (2) dat naast betaalde vormen van arbeid ook heel wat onbetaalde vormen van arbeid beschouwd worden als nuttig voor mens en maatschappij en bijgevolg als arbeidsactiviteiten worden erkend; (3) dat naast formele arbeid ook heel wat activiteiten die buiten de formele economie en de reguliere arbeidsmarkt vallen, beschouwd worden als nuttig voor het individu en de bredere maatschappij en bijgevolg als arbeidsactiviteiten worden erkend. (Mok, 1994: p. 29, 31-37)

 

Mok benadrukt dat ‘nut’ ruimer moet worden opgevat dan louter economisch nut (geld, loon, goederen, diensten). Ook in sociaal en psychisch opzicht kan arbeid nut opleveren. (Mok, 1994: p. 9, 37) Zo is arbeid in sociaal opzicht onder meer een middel om een positie te verwerven in de samenleving (maatschappelijke integratie[8]), om sociale contacten te ontwikkelen (kameraadschap, erbij horen) en om waardering te krijgen (achting, respect, prestige, status). In psychisch opzicht verschaft arbeid mogelijkheden tot zelfontplooiing en tot het verwerven van bijkomende kwalificaties (zelfrealisatie)[9]. (Maslow, 1970 in Mok, 1994: pp. 106-107)

 

Opdeling van het concept arbeid in 4 subcategorieën

 

Zoals we in punt 2.2.1 (p. 20) reeds stelden, is het nadeel van een brede definitie van arbeid dat een te grote waaier aan activiteiten als arbeid gecategoriseerd wordt, terwijl de voorwaarden waaronder die activiteiten worden verricht grote verschillen vertonen. Om hieraan te ontsnappen, deelt Mok arbeidsactiviteiten op in meer specifieke subcategorieën. Hij maakt een onderscheid tussen betaalde en onbetaalde arbeid enerzijds en tussen formele en informele arbeid anderzijds. (Mok, 1994: pp. 31-36)

 

Niettegenstaande er allerlei nuances bestaan tussen de vier categorieën in figuur 1, kan van alle vier vormen van arbeid worden gezegd dat ze inhoudelijk ook in loondienst kunnen worden uitgevoerd. Het is dus niet de aard of het resultaat van de activiteit die bepaalt of er sprake is van betaalde of onbetaalde, formele of informele arbeid. (Mok, 1994: p. 36) Wanneer een koppel beslist om tijdens de weekends samen het huis schoon te maken, is er bijvoorbeeld sprake van huishoudelijke arbeid (informeel onbetaalde arbeid). Zij kunnen hiervoor echter ook een poetsvrouw inschakelen (formeel betaalde arbeid) of een poetsvrouw in het zwart inzetten (informeel betaalde arbeid). Dit eenvoudige voorbeeld maakt duidelijk dat er slechts dunne scheidingslijnen zijn tussen de verschillende vormen van arbeid.

 

Figuur 1 Betaalde – onbetaalde arbeid; formele – informele arbeid

Bron: Mok, 1994: p. 36

 

 Betaalde arbeid:formeel versus informeel

 

Betaalde arbeid verwijst naar alle activiteiten die nut opleveren voor diegene die ze verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij in haar geheel én die bovendien op een of andere wijze vergoed worden. (Mok, 1994: p. 33, 36, 37) Binnen de categorie betaalde arbeid kan een tweede onderscheid gemaakt worden, namelijk tussen formele en informele betaalde arbeid.

 

· Formele betaalde arbeid: arbeid in loondienst en zelfstandige arbeid

 

Tot de categorie formele betaalde arbeid behoren alle betaalde activiteiten in de formele economie die nut opleveren voor diegene die ze verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij in haar geheel. Formele betaalde arbeid wordt administratief geregistreerd en er worden fiscale en sociale zekerheidsbijdragen betaald op de vergoeding voor de geleverde prestaties. (Mok, 1994: p. 33) Wanneer we het in het kader van deze eindverhandeling hebben over ‘arbeid’ dan hoort deze, tenzij anders vermeld, thuis in deze categorie. Een voorbeeld van formeel betaalde arbeid is de arbeid die wordt verricht door de leerkracht in ons voorbeeld (zie p. 16).

 

· Informele betaalde arbeid: zwart werk

 

Alle betaalde activiteiten in de informele (grijze of zwarte) economie die nut opleveren voor diegene die ze verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij in haar geheel behoren daarentegen tot de categorie informele betaalde arbeid (zwart werk). Kenmerkend voor informele betaalde arbeid is dat er geen belastingen en sociale zekerheidsbijdragen worden betaald op de vergoeding voor de geleverde prestaties en dat de relatie tussen zwartwerker en opdrachtgever niet formeel geregeld is. Zwart werk wordt bovendien niet opgenomen in de officiële statistieken en verschijnt bijgevolg ook niet in de nationale rekeningen. Deze vorm van betaalde arbeid wordt m.a.w onttrokken aan het oog van overheidsinstanties. (Mok, 1994: p. 33)

 

 Onbetaalde arbeid: formeel versus informeel

 

Onbetaalde arbeid verwijst naar alle activiteiten die nut opleveren voor diegene die ze verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij in haar geheel, maar waarvoor geen vergoeding in geld of in natura wordt betaald. (Mok, 1994: pp. 31-32, 34-35) Ook binnen de categorie onbetaalde arbeid kan een onderscheid gemaakt worden tussen formele (vrijwilligerswerk) en informele arbeid (huishoudelijk werk, inclusief onbetaalde zorgtaken zoals de zorg voor kinderen of voor zieke familieleden of vrienden).

 

· Onbetaalde formele arbeid

 

Niettegenstaande de inhoud van het werk niet hoeft te verschillen van die van arbeid in loondienst, wordt er bij vrijwilligerswerk geen loon uitbetaald (al wordt soms aan vrijwilligers een kleine onkostenvergoeding betaald). (Mok, 1994: p. 31) Meestal verstaat men onder vrijwilligerswerk onbetaald en onverplicht werk dat in een of ander organisatorisch verband wordt verricht ten behoeve van anderen en van de samenleving als geheel.

 

Mok waarschuwt er evenwel voor dat onderlinge hulp en bijstand niet noodzakelijk als vrijwilligerswerk gecategoriseerd kan worden. Kruijt (1955), zo stelt hij, heeft in zijn kritiek op het begrip ‘Gemeinschaft’ van Tönnies (1876) bijvoorbeeld overtuigend aangetoond dat burenhulp bepaald niet onverplicht is. (Mok, 1994: p. 32)

 

· Onbetaalde informele arbeid

 

Bij huishoudelijk werk is er noch sprake van betaling, noch van een formeel contract tot het verrichten van arbeid. (Mok, 1994: p. 34) Net als andere vormen van informele arbeid is het niet terug te vinden in de nationale rekeningen. (Mok, 1994: p. 35) Huishoudelijke arbeid kan eveneens door betaalde arbeidskrachten verricht worden (huishoudster, werkster). Het zijn vooral vrouwen die huishoudelijke arbeid verrichten. (Mok, 1994: p. 34) Wanneer wij het in het kader van deze eindverhandeling hebben over ‘zorg’ dan hoort deze, tenzij anders vermeld, thuis in deze categorie.

 

Niet-arbeid

 

Hoewel Mok een brede omschrijving van arbeid hanteert, laat zijn definitie toch toe arbeid en niet-arbeid te onderscheiden. Enerzijds verwijst niet-arbeid volgens de definitie van Mok naar alle activiteiten die alleen nut opleveren voor diegene die ze verricht. Een voorbeeld hiervan is het plegen van een bankoverval. Niettegenstaande de bankroof gepaard gaat met lichamelijke en geestelijke inspanning, gericht is op behoeftebevrediging en nut oplevert voor diegene die de bankoverval pleegt, valt het te betwijfelen of een dergelijke handeling nut oplevert voor de samenleving als geheel. Het plegen van een bankroof is volgens Mok bijgevolg geen arbeidsbezigheid. Anderzijds zijn ook activiteiten die enkel nut opleveren voor de omgeving of de samenleving als geheel niet als arbeidsactiviteiten te kwalificeren. Slavenarbeid, bijvoorbeeld, levert geen enkel nut op voor diegene die haar verricht, hoewel ze wél nut oplevert voor de maatschappij als geheel. (Mok, 1994: p. 37)

 

2.3 De transitionele arbeidsmarkt (TAM)

 

Het concept ‘transitionele arbeidsmarkt’ werd in het begin van de jaren 1990 bedacht door Günther Schmid, als een nieuwe werkgelegenheidsstrategie voor Europa. Het is een poging om volledige tewerkstelling opnieuw te definiëren, maar dan in een bredere maatschappelijke inbedding: in zorg, in leren, … . (Muffels e.a., 2004: p. 7)

 

2.3.1 Een gemoderniseerd begrip van volledige werkgelegenheid

 

Door processen van individualisering, flexibilisering, vergrijzing, informatisering en globalisering, zo stelt Schmid, is het ideaal van volledige werkgelegenheid (‘work for all’) niet meer mogelijk, althans niet in de traditionele betekenis van een baan voor het leven bij dezelfde werkgever gedurende 8 uur per dag, 5 dagen per week en 46 tot 50 weken per jaar[10]. (Schmid, 1998: p. 4)

 

Tegenover de traditionele betekenis van volledige werkgelegenheid zoals hierboven geschetst, stelt Schmid een gemoderniseerd begrip van volledige werkgelegenheid voor met een gemiddelde arbeidsduur die kleiner is dan de huidige standaard[11], waarbij de concrete arbeidstijd, afhankelijk van specifieke economische en individuele omstandigheden eigen aan een bepaalde fase in de levenscyclus, kan afwijken van de gemiddelde arbeidstijd[12]. (Schmid en Gazier, 2002: p. 187) Levensfasen waarin beduidend meer of minder wordt gewerkt dan de nieuwe standaard van 30 uur per week noemt Schmid fasen van ‘transitionele werkgelegenheid’[13] en institutionele maatregelen die zulke fasen mogelijk maken, noemt hij ‘transitionele arbeidsmarkten’. In dit opzicht is werkloosheid een extreme vorm van zo’n intermediaire fase. (Schmid, 1998: p. 5)

 

2.3.2 Basisprincipes van de transitionele arbeidsmarkt

 

Volgens Schmid is het concept van de transitionele arbeidsmarkt opgebouwd rond drie principes (Schmid, 1998: pp. 6-7):

 

1) Werknemers en werkgevers dienen te reageren op schokken (waarvoor arbeidsmarkten gevoelig zijn). Het kan gaan om externe schokken zoals technologische veranderingen of veranderingen in de vraag naar goederen en diensten, maar het kan ook gaan om interne schokken, zoals bijvoorbeeld demografische schommelingen, het uiteenvallen van gezinnen of het volgen van een partner naar een andere regio waardoor men van werkgever en mogelijk ook van job moet veranderen. De transitionele arbeidsmarkt moet deze schokken zo goed mogelijk opvangen.

 

2) Arbeidsmarkten zijn geen productmarkten, maar ‘sociale instituties’. De arbeidsmarkt heeft dus een sociale rol te vervullen. Traditionele arbeidsmarkten worden gekenmerkt door een geringe loonflexibiliteit. Zo bestaan er minimumlonen waardoor het loon nooit onder een bepaald peil kan zakken. De transitionele arbeidsmarkt gaat, in plaats van aanpassing via loonflexibiliteit, uit van een aanpassing via volumeflexibiliteit door middel van een aanpassing via arbeidstijden.

 

3) Periodes van inkomensdaling zijn niet noodzakelijk negatief. De gedwongen vrije tijd kan gebruikt worden voor andere zinvolle activiteiten die een waarde hebben voor persoonlijke ontplooiing of investeringen kunnen zijn voor toekomstige arbeidsmarktactiviteiten. In de periode van gedwongen vrije tijd verschaffen transitionele arbeidsmarkten de mogelijkheid tot heroriëntatie, het ‘bijtanken’ in de vorm van scholing of het vervullen van andere maatschappelijke rollen.

 

2.3.3 Kernidee achter het model van de transitionele arbeidsmarkt

 

De kernidee achter het model van de transitionele arbeidsmarkt is dat de arbeidsmarkt beter zou functioneren naarmate mensen beter in staat zijn om gedurende hun levensloop transities te maken tussen de verschillende levensdomeinen en/of verschillende posities te combineren. (Schmid, 1995) Op die manier kunnen werknemers hun ‘employability’ bewaren of zelfs verbeteren. (Schmid, 1998: p. 2)

 

In tegenstelling tot het traditionele arbeidsmarktbeleid – dat vooral aandacht schenkt aan de overgang van inactiviteit naar betaald werk – impliceert het model van de transitionele arbeidsmarkt met andere woorden dat de overheid maatregelen moet treffen en bestaande struikelblokken moet wegnemen om de overgang (transitie) van de ene levenssfeer naar de andere te vergemakkelijken en combinaties van verschillende domeinen (tewerkstelling of betaalde arbeid, werkloosheid, scholing, het private huishouden en pensionering) mogelijk te maken. Het zijn voornamelijk combinaties van en transities tussen verschillende soorten arbeid, werkloosheid en werk, private huishoudens en werk en werk en pensioen die de overheid zou moeten mogelijk maken. (Schmid en Gazier, 2002: p. 187)

 

Figuur 2 De transitionele arbeidsmarkt volgens Schmid

Bron: Schmid, 1998: p. 12

 

Zoals figuur 2 laat zien kunnen er vijf types van transities worden onderscheiden:

 

(1) transities tussen verschillende arbeidstijdregimes (voltijds, deeltijds); (2) transities tussen werkloosheid en werk; (3) transities tussen opleiding en werk; (4) transities tussen betaalde arbeid en (onbetaalde) vrije tijd en zorgarbeid; (5) transities tussen betaalde arbeid en pensioen.

 

2.4 De keuzebiografie of nieuwe levensloop

 

In de jaren 1950-1960 werd de levensloop gekenmerkt door een opeenvolging van leren, werken of zorgen en rusten (3 levensfasen). In vergelijking met toen beschikken burgers vandaag de dag over meer mogelijkheden om hun levensloop naar eigen inzichten vorm te geven. De levensloop is met andere woorden gevarieerder geworden dan vroeger. Dit proces wordt ook wel de destandaardisering van de levensloop genoemd. (Leijse en van der Wijst, 2003: pp. 75-77; Matheus 2004: p. 9; Ministerie van SZW, 2002a: p. 4, 7; Van Doorne-Huiskens, 2003: p. 57, 59, 61)

 

Achtereenvolgens bespreken we de ‘standaardbiografie’ en de ‘keuzebiografie’. We staan daarbij ook even stil bij de kenmerken van en de verschillen tussen beide benaderingen. Omdat de derde levensfase van de nieuwe levensloop en de combinatie van arbeid en zorg in hedendaagse westerse samenlevingen een belangrijk knelpunt vormt, staan we tot slot ook daar even bij stil.

 

2.4.1 De standaardbiografie

 

Kenmerken van de standaardbiografie

 

De voornaamste kenmerken van de standaardbiografie[14] zijn:

(1) drie duidelijk te onderscheiden levensfasen;

(2) in elke levensfase staat slechts één hoofdactiviteit en/of levenssfeer centraal;

(3) de overgangen tussen de verschillende levensfasen begrenzen duidelijk wanneer de ene levensfase is afgesloten en een nieuwe begint. Bovendien doorlopen de meeste mensen doorheen hun levensloop min of meer dezelfde fasen op ongeveer hetzelfde moment als hun generatiegenoten van hetzelfde geslacht.

(4) genderspecifieke taakverdeling van arbeid en zorg.

 

Drie levensfasen

 

De standaardbiografie kende haar hoogtepunt in de jaren 1950 en 1960 en werd gekenmerkt door drie duidelijk te onderscheiden levensfasen, die in hoge mate genderspecifiek werden ingevuld:

 

(1) verzorging en scholing in de eerste fase;

(2) betaalde arbeid of zorg in de tweede fase;

(3) vrije tijd door volledige uittreding in de derde fase.

Vrouwen kenden met andere woorden een andere biografie dan mannen.

 

 Fase 1: verzorging en scholing

 

De eerste levensfase werd gekenmerkt door verzorging en scholing. In deze fase maakten mannen en vrouwen reeds andere keuzes[15]. Mannen genoten meer onderwijs dan vrouwen en dit voor een langere periode, waardoor ze een hoger diploma behaalden. Vrouwen genoten meer beroepsgerichte opleidingen dan mannen. Bovendien volgden jongens en meisjes meestal ook les in niet-gemengde scholen.

 

 Fase 2: betaalde arbeid of zorg

 

In de tweede fase namen mannen meestal de betaalde arbeid op zich, terwijl vrouwen overwegend of uitsluitend instonden voor de zorg voor partner en kinderen en het huishouden[16]. Zeker wanneer ze getrouwd waren en kinderen hadden, werden vrouwen niet geacht buitenshuis te werken. De meeste gezinnen bestonden met andere woorden uit een mannelijke kostwinner en een vrouwelijke huishoudster en/of kinderverzorgster. Het (mannelijke) kostwinnersgezin was dominant in de naoorlogse samenleving.

 

 Fase 3: vrije tijd door volledige uittreding

 

In de derde fase voerden mannen geen betaalde arbeid meer uit. Zij gingen op pensioen. Voor vrouwen bleef het huisvrouwschap realiteit. Vrouwen bleven ook in de rustfase de zorgtaken op zich nemen, zelfs tot ze de leeftijd van 65 jaar hadden bereikt of overschreden. Zowel de eerste als de derde fase zijn dus volledig afgestemd op en bepaald door de tweede fase. (Matheus, 2004: pp. 9-11, Ministerie van SZW, 2002a: p. 7; Van Doorne-Huiskens, 2003: p. 59)

 

De standaardbiografie en de welvaartsstaat

 

Tot het midden van de vorige eeuw was er sprake van een standaardbiografie. Omdat deze standaardpatronen tamelijk dominant waren in de samenleving van na de Tweede Wereldoorlog – de periode dat onze verzorgingsstaat werd gesticht – zijn veel van de instituties in onze samenleving (o.a. het sociale zekerheidsstelsel en het pensioenstelsel) gebaseerd op deze standaardpatronen. (Elchardus, 1996: p. 6, 22, 27-31; Leijse en Van der Wijst, 2003: pp. 75-77; Van Aerschot, 2004: pp. 27-28; Van Dongen, 2004c: p. 104)

 

Ook de wet- en regelgeving, het onderwijs en de verdeling van betaalde arbeid en zorg waren afgestemd op de standaardbiografie. Meer algemeen kunnen we stellen dat de welvaartsstaat werd ingericht volgens een duidelijke, genderspecifieke indeling van de individuele levensloop van burgers. (Leijse en van der Wijst, 2003: pp. 75-77; Van Aerschot, 2004: pp. 27-28)

 

Destandaardisering

 

Mensen zijn autonomie en keuzevrijheid[17] steeds belangrijker gaan vinden. Vandaag de dag willen individuen zelf hun prioriteiten bepalen, zowel in de professionele als in de private sfeer. Mensen wensen hun levensloop naar eigen inzichten en individuele behoeften vorm te geven. (Leijse en van der Wijst, 2003: p. 75; Ministerie van SZW, 2002a: p. 4, 7, 8; Van Doorne-Huiskens, 2003: p. 57, 59, 61) Geleidelijk aan brokkelde de standaardbiografie af en maakte plaats voor de keuzebiografie, waarin keuzevrijheid en verantwoordelijkheid een grote rol spelen. (Van Aerschot, 2004: p. 28)

 

De trend naar destandaardisering van de levensloop werd onder meer veroorzaakt door toenemende individualisering en autonomie[18], de toegenomen participatie van vrouwen aan het (hoger) onderwijs, de massale intrede van vrouwen op de arbeidsmarkt sinds de jaren 1980[19] (‘feminisering’ van de beroepsbevolking), de toegenomen levensverwachting[20] van de bevolking, de aanvaarding van anticonceptiva[21], het groeiend aantal tweepersoons- en eenpersoonshuishoudens[22], politieke versplintering en het wegvallen van een aantal instituties (zoals de grootfamilie en de kerk). Deze (en andere) ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat de standaardbiografie geleidelijk aan werd omgezet in een keuzebiografie. (Deleeck, 2001: p. 88-90, 132, 135, 197-200; Elchardus, 1996: p. 22, 29; Ministerie van SZW, 2002a: pp. 7-8; Vranken en Henderickx, 2001: p. 245-247, 256-262)

 

2.4.2 De keuzebiografie of nieuwe levensloop

 

Het model van de standaardbiografie met de daarop gebaseerde sociale en institutionele structuur lijkt niet meer te passen bij het gedrag van de burgers van nu. (Deleeck, 2001: p. 89) Een vijffasen model zou beter passen bij de moderne levensloop. (Elchardus, 1996: p. 22, 29)

 

In wat volgt bespreken we het ‘model van de nieuwe levensloop’[23], dat de standaardbiografie in vraag stelt.

 

Kenmerken van de keuzebiografie

 

In vergelijking met vroeger is de keuzevrijheid in de samenleving sterk toegenomen. Terwijl de levensloop in de standaardbiografie vrij vast lag, vangen de verschillende fasen in de levensloop vandaag niet meer voor iedereen op hetzelfde moment aan en doorloopt niet iedereen dezelfde fasen met dezelfde activiteiten. Vandaag de dag is er dus een grotere diversiteit in de levenslopen van individuele burgers. (Ministerie van SZW, 2002a: p. 8)

 

Dit wil echter niet zeggen dat er in de moderne levensloop geen patronen te onderscheiden zijn. De kenmerken van de keuzebiografie zijn:

(1) uitbreiding van drie naar vijf levensfasen;

(2) elke levensfase wordt gekenmerkt door een combinatie van taken en activiteiten;

(3) transities binnen levensfasen en langere en diffusere overgangen tussen levensfasen.

(Matheus, 2004: p. 10; Ministerie van SZW, 2002a: p. 8; Ministerie van SZW, 2002b: p. 14; Van Aerschot, 2004: p. 29)

 

Kenmerk 1: uitbreiding van drie naar vijf levensfasen

 

Een eerste kenmerk van de keuzebiografie is de uitbreiding van drie naar vijf levensfasen. In de nieuwe levensloop zijn er twee fasen bijgekomen, namelijk die van ‘jongvolwassenheid’ (fase 2: 15-30 jaar) en ‘actieve ouderdom’ (fase 4: 60-75 jaar). (Van Doorne-Huiskens, 2003: p. 60)

 

Tabel 1 geeft de vijf levensfasen volgens de theorie van de nieuwe levensloop weer.

 

Tabel 1 De 5 levensfasen volgens de keuzebiografie

levensfasen

 

leeftijd

kenmerk

Fase 1:

Vroege jeugd

0-15 jaar

Opvoeding en verzorging

Fase 2:

Jongvolwassenheid

15-30 jaar

Oriëntatie en verkenning

Fase 3:

Consolidatie

30-60 jaar

Combineren, spitsuur

Fase 4:

Actieve ouderdom

60-75 jaar

Vrije tijd

Fase 5:

Passieve ouderdom

> 75 jaar

Zorg door derden

Bron: eigen bewerking op basis van Evenhuis, 2002

 

 Fase 1: vroege jeugd (0-15 jaar): opvoeding en verzorging

 

In de eerste fase, die van de vroege jeugd, vinden de primaire leerprocessen plaats. Deze processen voltrekken zich zowel binnen het gezin als daarbuiten (bijvoorbeeld in kinderopvangfaciliteiten, in scholen en in het verenigingsleven). (Matheus, 2004: p. 10)

 

 Fase 2: jongvolwassenheid (15-30 jaar): oriëntatie en verkenning

 

Eigenlijk is de fase van jongvolwassenheid een overgangsperiode tussen jeugd en volwassenheid, die door het langdurige karakter ervan is uitgegroeid tot een zelfstandige levensfase. (Van Aerschot, 2004: p. 31)

 

De tweede fase wordt gekenmerkt door een snel toenemende zelfstandigheid. In deze fase krijgen jongeren de ruimte om het leven te verkennen, zonder nog al te veel zorgverantwoordelijkheden voor anderen te dragen en nog zonder de noodzaak om tot definitieve keuzes rond het eigen levensontwerp te komen. Jongeren houden de opties open: ze leggen zich nog niet vast in een vaste baan of een duurzame relatie.

 

Dat dit een periode is van verkenning en oriëntatie komt onder meer tot uiting in gevarieerde levensstijlen, in regelmatige wisselingen van jobs en functies en in uitstel van keuzes. Pas op het einde van de tweede levensfase (± 30 jaar) worden meer definitieve keuzes vastgelegd over beroepsloopbaan en gezinsvorming. (Van Doorne-Huiskens, 2003: p. 60)

 

Fase 3: de drukke middenfase (30-60 jaar): combineren

 

De derde levensfase[24], die ook wel het spitsuur van het leven wordt genoemd, begint rond het dertigste levensjaar. Wanneer de consolidatiefase begint, hebben individuen hun opleiding afgerond en hebben ze de nodige werkervaring opgedaan. Dit is de periode waarin eerder gemaakte keuzes op het gebied van beroepsloopbaan en gezinsvorming verder worden uitgediept en verankerd.

 

In de fasen van vroege jeugd en jongvolwassenheid is er nog een zekere homogeniteit waar te nemen tussen mannen en vrouwen, maar in de derde fase neemt deze weer af.

 

In deze fase ligt de nadruk bij mannen, hoewel ook zij zich meer en meer oriënteren op zorgtaken en vrijetijdsbesteding, op betaald werk. (Matheus, 2004: pp. 10-11; Ministerie van SZW, 2002a: p. 8; Van Doorne-Huiskens, 2003: p. 60)

 

In vergelijking met de standaardbiografie is er bij vrouwen een grotere variatie ontstaan in de nieuwe levensloop. Vroeger richten vrouwen zich voornamelijk op zorgtaken, terwijl ze dit nu meer combineren met andere taken en activiteiten.

 

In de keuzebiografie zijn er bij vrouwen een drietal modellen terug te vinden:

 

(1) voltijds blijven werken, zonodig met de hulp van combinaties van verlofmogelijkheden, kinderopvang en/of zorgdeelname door de partner;

(2) deeltijds werken in combinatie met het zelf opnemen van zorgtaken; en tot slot

(3) volledige terugtrekking van de arbeidsmarkt om zelf de zorgtaken op zich te nemen.

Deze modellen gelden ook voor vrouwen boven de 40 jaar. (Ministerie van SZW, 2002a: p. 8; Van Doorne-Huiskens, 2003: p. 60)

 

Omdat de derde levensfase in hedendaagse westerse samenlevingen een belangrijk knelpunt vormt, gaan we hier bij ‘kenmerk 2: combinaties van activiteiten in alle levensfasen’ iets dieper op in.

 

 Fase 4: actieve ouderdom (60-75 jaar): vrije tijd

 

De vierde fase is als zelfstandige levensfase vrij recent. Het ontstaan van deze levensfase is voornamelijk toe te schrijven aan de toegenomen (gezonde) levensverwachting van burgers. Bovendien is de leeftijd waarop mensen uittreden uit het arbeidsproces, onder meer ten gevolge van allerlei ondersteunende vervroegde uittredingsstelsels, de laatste decennia in bijna alle West-Europese landen (drastisch) gedaald. (HRW, 2004: p. 18)

 

In de fase van actieve ouderdom – dit is de periode waarin ouderen hun leven in relatieve gezondheid doorbrengen – neemt de oriëntatie op betaalde arbeid bij zowel mannen als vrouwen af en worden vrije tijd en andere vormen van maatschappelijke participatie[25] belangrijker. (Van Doorne-Huiskens, 2003: p. 60) In tabel 1 (p. 33) wordt de fase van ‘actieve ouderdom’ ingezet op 60 jaar, maar in werkelijkheid zet de transitie naar deze fase zich al in vanaf de leeftijd van 50 jaar. (Matheus, 2004: p. 11)

 

 Fase 5: passieve ouderdom (> 75 jaar): zorg door derden

 

De vijfde fase treedt in wanneer mensen geestelijk en fysiek zo aangewezen raken op zorg van anderen, dat hun mogelijkheden om deel te nemen aan andere activiteiten minimaal wordt. De leeftijd waarop deze levensfase ingaat, verschilt bijgevolg sterk tussen individuen. (Ministerie van SZW, 2002a: p. 8; Van Aerschot, 2004: p. 30, 32)

 

Kenmerk 2: combinaties van activiteiten in alle levensfasen

 

Het tweede kenmerk van de keuzebiografie is dat elke levensfase wordt gekenmerkt door een combinatie van taken en activiteiten op het domein van leren, werken, zorgen en vrije tijd. (Matheus, 2004: pp. 10-11; Ministerie van SZW, 2002a: p. 9)

 

In de standaardbiografie stond er in elke levensfase slechts één activiteit en/of levenssfeer centraal en werden de taken die vandaag gecombineerd worden in grote mate sequentieel opgenomen of verdeeld tussen de seksen. We kunnen dus spreken van een tendens naar defasering en dedifferentiatie. (Leijse en Van der Wijst, 2003:p. 74-79)

 

Voorbeelden van het combineren van activiteiten zijn studenten die er naast hun studie een (deeltijdse) baan bijnemen, mensen die gedurende een bepaalde periode in hun leven minder werken en meer rust inbouwen en mensen die naast hun werk zorgtaken verrichten. (Elchardus, 1996: p. 6, 22, 27-31; Ghysels, 2003a: pp. 7-8; Leijse en Van der Wijst, 2003: pp. 74-79; Matheus, 2004: p. 11; Ministerie van SZW, 2002a: p. 9; Van Aerschot, 2004: pp. 30-31; Van Dongen, 2004c: p. 104; Van Dongen en Pauwels, 2000: p. 125, 129; Van Doorne-Huiskens, 2003: pp. 60-61)

 

Voornamelijk in de eerste drie levensfasen is er een ‘cultuur van combineren’.

 

In de tweede fase, die van jongvolwassenheid, gaat het meestal om combinaties van leren en werken.

 

De middenfase van de levensloop wordt ook wel het ‘spitsuur van het leven’ genoemd. Deze fase wordt gekenmerkt door wisselingen van combinaties rond arbeid en zorg voor kleine kinderen, arbeid en zorg voor anderen (ouders, familieleden), arbeid en leren, arbeid en vrije tijd en zorg en leren.

 

Het hoogtepunt van de combinatiedrukte is te vinden in het begin van de derde levensfase (30-40 jaar) bij mensen met kinderen.

 

In de tweede helft van de derde levensfase (40-50 jaar) neemt de combinatiedrukte af en in de vierde levensfase is er nog maar weinig sprake van combinatiedrukte. (Van Aerschot, 2004: p. 30)

 

 Knelpunt: Groeiende tijdsdruk in de meest actieve levensfase

 

Voor een toenemend aantal mensen staat het ‘spitsuur’ in het teken van het combineren van activiteiten in verschillende levenssferen, vooral op het gebied van arbeid en zorg. (Van Hoof e.a., 2002: pp. 8-9)

 

De taken die vandaag gecombineerd worden, werden vroeger in grote mate sequentieel opgenomen of verdeeld tussen de seksen. (Ghysels, 2003a: pp. 7-8; Leijse en Van der Wijst, 2003: pp. 74-79) Vandaag worden vooral vrouwen, maar ook mannen, met beide verantwoordelijkheden belast. (Van Dongen, 2004c: p. 104; Van Dongen en Pauwels, 2000: p. 125, 129) De combinatie van zorgverantwoordelijkheden voor kinderen en betaalde arbeid wordt vaak geassocieerd met de uitdrukking ‘druk, druk, druk’.

 

Binnen paargezinnen gaan man en vrouw steeds meer samen buitenhuis werken, waardoor het tweeverdienerschap quasi veralgemeend wordt in de leeftijdscategorie 25 tot 49 jaar. Voor velen is dit tevens de gezinsopbouwfase: de periode waarin individuen een eigen huishouden moeten runnen, kinderen krijgen en moeten instaan voor hun opvoeding. Daarbovenop komt nog dat betaalde arbeid geconcentreerd is in een relatief korte periode binnen de levenscyclus als geheel. (Deleeck, 2001: p. 199)

 

Naast betaalde arbeid en zorg worden dertigers ook geconfronteerd met andere eisen waaraan men tegemoet wil komen, zoals investeren in opleiding(en) en/of loopbaan, de noodzaak om bij te blijven in het werk, een actief vrijetijdsleven, het onderhouden van sociale contacten en eventueel ouders of andere (oudere) familieleden die toenemende aandacht vragen en zorg behoeven. (Elchardus, 1996: p. 22, 29)

 

De keerzijde van deze takencombinatie is een groeiende tijdsdruk voor gezinnen in de meest actieve levensfase[26]. (Moens, 2004) Uit een recent onderzoek van Glorieux e.a. blijkt dat vooral voor gezinnen met kinderen[27] de tijdsdruk in de drukke middenfase zeer hoog is. Zij constateren dat voornamelijk de combinatie van verschillende sociale rollen i.v.m. arbeid, gezin en het sociale leven zorgt voor een hogere werklast en tijdsdruk. (Glorieux, Minnen en Vanderweyer, 2005: p. 11)

 

Kenmerk 3: Transities binnen en tussen levensfasen

 

 Transities binnen levensfasen

 

De variatie en de tijdelijkheid van de combinaties in de keuzebiografie impliceren dat mensen regelmatig overgangen moeten maken van de ene levenssfeer of combinatie naar de andere. (Matheus, 2004: pp. 11-12)

 

Er zijn een aantal knelpunten die de overstap van de ene levenssfeer naar de andere of de combinatie van een aantal levenssferen bemoeilijken.

(1) Soms moet bij het maken van transities van de ene levenssfeer naar de andere een hoge tol worden betaald in de zin van directe inkomensdaling, afname van de verdiencapaciteit of verlies van opgebouwde rechten in de sociale zekerheid.

(2) Een transitie is vaak onomkeerbaar of de weg terug is op zijn minst ingewikkeld.

(Ministerie van SZW, 2002a: p. 10; Van Doorne-Huiskens, 2003: pp. 61-62)

 

 Langere en diffusere overgangen tussen elke levensfase

 

In de standaardbiografie waren er maar twee grote overstappen, namelijk van leren naar werken of zorgen en van werken of zorgen naar inactiviteit, terwijl er vandaag de dag doorheen de levensloop heen veel vaker transities plaatsvinden. (Van Dongen, 2004c: p. 104; Van Dongen en Pauwels, 2000: p. 125, 129)

 

Bovendien zijn transities tegenwoordig veel diffuser en minder abrupt dan toen de standaardbiografie nog gold. Transities markeren minder dan vroeger dat de ene levensfase is afgesloten en een nieuwe is begonnen. Vandaag is de overgang van de ene levensfase naar de andere een iets langere periode waarin kenmerken en functies van twee opeenvolgende fasen tegelijkertijd aanwezig zijn. (Ministerie van SZW, 2002a: p. 10; Ministerie van SZW, 2002b: p. 19)

 

Tot slot vinden de transities tussen de verschillende levensloopfasen niet meer voor iedereen op hetzelfde moment plaats. Daarom moeten we de opeenvolgende levensloopfasen wat betreft het tijdstip van begin en einde (zie tabel 1 p. 33) met de nodige voorzichtigheid aanschouwen. (Van Aerschot, 2004: p. 29, 31, 32)

 

 

3. Van kostwinnermodel naar combinatiemodel

 

3.1 Inleiding

 

In dit hoofdstuk zoeken we een antwoord op de vraag hoe en wanneer het probleem van de combinatie van arbeid en zorg is ontstaan.

 

In eerste instantie bespreken we de evolutie van de mannelijke en vrouwelijke werkgelegenheid in België voor de periode 1840-2002. Vervolgens bespreken we de arbeidsverdeling tussen partners binnen gezinnen in ruim historisch perspectief. Tot slot staan we stil bij de hedendaagse arbeidsverdeling tussen volwassen mannen en vrouwen binnen gezinnen.

 

3.2 Evolutie van de werkgelegenheidsgraad in België

 

Figuur 3 illustreert de evolutie van de mannelijke en vrouwelijke werkgelegenheidsgraad voor de periode 1840-2002 in België.

 

De werkgelegenheidsgraad of tewerkstellingsgraad is de verhouding tussen de werkende bevolking (aantal personen met een betrekking/werkenden) en de bevolking op arbeidsleeftijd[28] (15-64 jaar). De werkgelegenheidsgraad geeft met andere woorden weer welk gedeelte van het potentiële arbeidsaanbod feitelijk aan het werk is. (Deleeck, 2001: p. 189; HRW, 2004: p 15, NIS, 2003a: p. 12)

 

Figuur 3 Evolutie van de vrouwelijke en mannelijke werkgelegenheidsgraad (aantal werkenden in procent van de personen op arbeidsleeftijd 15-64 jaar) in België gedurende de periode 1840-2002

Bron: Van Dongen en Danau in Catrysse, 2004: p. 17

 

Figuur 3 laat ons toe enkele belangrijke conclusies te trekken.

 

(1) Ten eerste kunnen we vaststellen dat de werkgelegenheidsgraad van vrouwen sinds het midden van de negentiende eeuw tot het midden van de twintigste eeuw stelselmatig is afgenomen. De restrictieve beleidsmaatregelen ten aanzien van vrouwen sinds het begin van de negentiende eeuw kunnen deze tendens verklaren (zie 3.3). We kunnen eveneens vaststellen dat de werkgelegenheidsgraad van mannen in dezelfde periode nagenoeg constant is gebleven.

 

(2) Ten tweede zien we sinds de jaren 1950 een opwaartse tendens in de vrouwelijke werkgelegenheidsgraad, terwijl de mannelijke werkgelegenheidsgraad stelselmatig afneemt tot 1998. Wel blijft de mannelijke werkgelegenheidsgraad nog steeds hoger dan de vrouwelijke, maar de verschillen worden kleiner. D’Alcantara e.a. verwachten zelfs dat de kloof tussen de werkgelegenheidsgraad van mannen en vrouwen rond 2050 nagenoeg volledig gedicht zal zijn. (Van Dongen en Pauwels, 2000, p. 125) Maar zover zijn we nog niet.

 

(3) Ten derde toont figuur 3 ons dat de globale werkgelegenheidsgraad (mannen en vrouwen samen) tussen 1960 en nu nagenoeg gelijk is gebleven.

 

3.3 De arbeidsverdeling van volwassen mannen en vrouwen binnen gezinnen tussen 1800 en 1950

 

In de pré-industriële samenleving bestond het dominante gezinstype uit een economisch geïntegreerde productie- en consumptie-eenheid. Arbeid werd overwegend verricht in familiaal verband. Ieder gezinslid droeg naar eigen vermogen bij tot de productie. Hoewel vrouwen in deze periode maatschappelijk ondergeschikt waren aan mannen, leverden ook zij een belangrijke bijdrage in dit productieproces. (Arendt, 1958: p. 35; Duby, Perrot, Farge en Davis, 1992) Aangezien de oudste kinderen in het uitgebreide gezin (‘extended family’) zorgden voor de jongste kinderen, bestond de combinatieproblematiek als dusdanig niet. (Van Haegendoren, 1998: p. 62)

 

In het verlengde van de industrialisering ontstond rond het midden van de negentiende eeuw een ruimtelijke segregatie tussen werk- en woonplaats en tussen (huishoudelijke) onbetaalde en betaalde arbeid. De productie verhuisde naar ateliers en fabrieken, waardoor de huisnijverheid langzaam aan verdween. In gezinsverband werd geleidelijk aan enkel nog huishoudelijke, onbetaalde arbeid verricht. (Arendt, 1958: p. 43; Plantenga, 1987: p. 11) Er trad met andere woorden een verschuiving op van autonome arbeid naar heteronome of vermarkte arbeid. (Gorz, 1987: p. 220)

 

Omdat de lonen té laag waren, waren alle gezinsleden genoodzaakt buitenshuis te gaan werken om in het levensonderhoud te voorzien. Mannen, vrouwen[29] én kinderen moesten actief bijdragen tot het totale inkomen van het gezin. Om te kunnen overleven moest er samen zeer hard gewerkt worden. Binnen de gezinnen bestond er met andere woorden een vrij grote gelijkheid tussen mannen en vrouwen. (Duby, Perrot en Fraisse, 1993; Van Haegendoren, 1998: p. 47)

 

Aan het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw groeide de maatschappelijk oppositie tegen vrouwenarbeid echter.

 

(1) Ten eerste hadden vrouwen en kinderen een lager verdienpotentieel dan mannen, waardoor mannen deze goedkope arbeidskrachten, vooral in periodes van hoge werkloosheid, als concurrenten ervoeren.

 

(2) Ten tweede was de vrouwenarbeid van de arbeidersklasse strijdig met het burgerlijke gezinsideaal[30], waardoor vrouwen zelf meer vragende partij waren voor het recht om thuis te blijven, dan voor het recht op betaalde arbeid. (Bosman, 1989: p. 109)

 

De lage participatiegraad van vrouwen tussen 1900 en 1970 (zie figuur 3 p. 40) was een gevolg van de maatschappelijke oppositie tegen vrouwenarbeid in combinatie met een politieke ondersteuning ervan. (Van Dongen en Pauwels, 2000: p. 125) In België ontstond er rond de eeuwwisseling een protectionistische sociale wetgeving ten aanzien van vrouwen en kinderen. Deze beschermende wetgeving betekende een rem op de intrede van vrouwen op de arbeidsmarkt. (Van Dongen, 1993: pp. 148-160)

 

De economische crisis van de jaren 1930 versterkte de maatschappelijke oppositie tegen vrouwenarbeid nog. Bovendien werd in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog vanuit de politiek (zowel in conservatieve als in progressieve kringen) aangestuurd op een demografisch herstel. Men trachtte dit te verwezenlijken door het kostwinnersmodel te promoten. (Bosman, 1989: p. 110) De nadruk van het beleid kwam te liggen bij het kerngezin (‘nuclear family’), bestaande uit vader, moeder en kinderen. (Van Dongen, 2004f: p. 21)

 

In de periode 1930-1960 werden (huis)vrouwen beschouwd als een reserveleger van arbeidskrachten dat in functie van de economische behoefte kon worden ingezet. Via een restrictief beleid werden veel vrouwen, en met name gehuwde vrouwen en moeders, uit de arbeidsmarkt gestoten of geweerd. (Van Dongen en Pauwels, 2000: p. 125) Bijgevolg zien we sinds 1930 een genderspecifieke verdeling van onbetaalde en betaalde arbeid ontstaan.

 

3.4 De arbeidsverdeling van volwassen mannen en vrouwen binnen gezinnen in de twintigste eeuw[31]

 

3.4.1 Het sterke kostwinnersmodel van de jaren vijftig en zestig

 

In de jaren 1950 en 1960 was het kostwinnersgezin[32], waarbij de man voltijds buitenshuis werkte in min of meer vast dienstverband en de vrouw voltijds instond voor het huishouden en de zorg voor de kinderen, de dominante gezinsvorm. (Deleeck, 2001: p. 130; Esping-Andersen, 2002b: p. 68) Hoewel een deel van de vrouwen beroepsactief bleef, had de meerderheid van de vrouwen in die periode geen of maar een gering aandeel in de beroepsarbeid van het gezin. (Van Dongen, 2004f: p. 15) Betaalde arbeid van de gehuwde vrouw werd immers beschouwd als en blaam voor de echtgenoot. (Van Haegendoren, 1998: p. 59)

 

De populariteit van het kostwinnersgezin, en de lage participatiegraad van vrouwen die daarmee gepaard ging, kan verklaard worden aan de hand van twee factoren.

 

(1) Ten eerste werd bij de uitbouw van de verzorgingstaat het ‘sterke kostwinnersmodel’ door de overheid als leidraad genomen voor het gezins- en arbeidsmarktbeleid, met diverse maatregelen[33] en faciliteiten ter ondersteuning van het kostwinnersgezin. (Van Haegendoren, 1998: p. 31)

 

(2) Ten tweede hebben naast deze voordelige overheidsmaatregelen ook culturele factoren een voorname rol gespeeld bij de populariteit van het kostwinnersgezin. In de jaren 1950-1960 was het kostwinnersgezin de nieuwe norm voor de dagelijkse arbeidsverdeling tussen partners. De meerderheid van de paargezinnen hebben dit rollenpatroon overgenomen. Vrouwen koesterden de wens om thuis te blijven om de zorg voor het huishouden en de opvoeding van (jonge) kinderen op zich te nemen. Voor vrouwen was de vervulling van de maatschappelijke rol als huisvrouw een voorname zingevingsfactor in hun bestaan.

 

Enerzijds kunnen we dus stellen dat het kostwinnersgezin, als nieuwe ideale gezinstype, de vrije keuze was van de gezinnen. Anderzijds werd de wens om zelf de kinderen op te voeden binnen het gezin in grote mate mogelijk gemaakt door de ondersteuning vanwege het beleid. (Van Dongen, Beck en Vanhaute, 2001: p. 74-75)

 

Aangezien de mogelijkheid tot deeltijds werken beperkt was en een voltijdse baan bovendien vaak nodig was om de eindjes aan elkaar te knopen, werkten beroepsactieve mensen in de jaren 1950-1960 doorgaans voltijds. De meeste beroepsactieve mannen en vrouwen besteedden vijftig uur per week of meer aan hun baan (inclusief verplaatsingen van en naar het werk, onderbrekingen en overuren). (Van Dongen, 2004f: p. 15)

 

3.4.2 Het matige kostwinnersmodel van de jaren zeventig en tachtig

 

Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw verminderde de populariteit van het kostwinnersgezin en nam het aantal combinatiegezinnen toe. (Deleeck, 2001: p. 130, 132; Van Dongen, Beck en Vanhaute, 2001: p. 80) Figuur 3 (p. 40) illustreert dit tot op zekere hoogte.

 

In de periode 1970-1980 is het aandeel beroepsactieve mannen in de totale mannelijke bevolking vrij sterk gedaald. (zie figuur 3) Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de sterke toename van de groep gepensioneerde mannen. Het aandeel beroepsactieve vrouwen is in dezelfde periode daarentegen sterk toegenomen. Bovendien vonden geleidelijk aan ook gehuwde vrouwen hun weg naar de arbeidsmarkt en zetten steeds minder vrouwen hun beroepsarbeid stil na de geboorte van een kind. (Bosman, 1989: p. 110; Callens, 1997: p. 101; Deleeck, 2001: p. 131; 198)

 

Diverse factoren liggen aan de basis van de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen[34]:

 

(1) Ten eerste werd de emancipatiegedachte – waarin het verrichten van betaalde arbeid door de vrouw een voorname plaats inneemt – sinds de jaren 1950 geleidelijk aan naar de voorgrond geschoven. (Deleeck, 2001: p. 89, ; Rosa, 2000a: p. 2-3)

 

(2) Ook het stijgend onderwijsniveau van vrouwen is een verklarende factor voor de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen. Hoogopgeleide vrouwen hebben immers meer monetaire voordelen (hogere lonen) in vergelijking met lager opgeleide vrouwen. (Callens, 1997: p. 101, 109; Cantillon e.a., 2000: p. 3; Deleeck, 2001: p. 133-135)

 

(3) Ten derde steeg de vraag naar (vrouwelijke) arbeidskrachten ten gevolge van de economische expansie in de jaren 1960-1970. In die periode onderging de arbeidsmarkt een grondige metamorfose: er was een verschuiving merkbaar van blue collars naar white collars en van productie-economie naar diensteneconomie. Het gevolg hiervan is dat naast arbeidsters ook vrouwen uit de midden en hogere sociale klassen stelselmatig hun weg vonden naar de arbeidsmarkt. (Deleeck, 2001: p. 130; Esping-Andersen, 2002b: p. 68; Van Haegendoren, 1998: p. 66, 68)

 

(4) De veranderende maatschappelijke houding ten aanzien van seksualiteit en voortplanting sinds de jaren 1960 heeft het leven van jonge vrouwen aanzienlijk veranderd. Dankzij de anticonceptiepil – die in 1962 op de markt kwam – kregen vrouwen de mogelijkheid om hun vruchtbaarheid onder controle te houden. Dit bood hen meer reële mogelijkheden om ook buiten het gezin iets op te bouwen. (Deleeck, 2001: pp. 162-163)

 

(5) De verminderde huishoudelijke arbeid door de huishoudtechnologie van stofzuigers, wasmachines, droogkasten, afwasmachines e.d.m. heeft ontegensprekelijk ook een rol gespeeld in het feit dat steeds meer vrouwen hun weg naar de arbeidsmarkt hebben gevonden. (Van Haegendoren, 1998: pp. 62-63)

 

(6) Tot slot dienen we nog te vermelden dat de consumptienormen sinds de jaren 1960 sterk veranderd zijn. Om een gemiddeld consumptieniveau te halen, zijn twee inkomens per gezin een noodzaak geworden. (Esping-Andersen, 2002b: p. 70; Jansen, 1990: p. 12, 17)

 

De stijgende arbeidsparticipatie van vrouwen ging gepaard met een toename van het aantal deeltijdwerkenden, waardoor het aantal matige kostwinners- en combinatiegezinnen toenam. Stapsgewijs maakte het ‘sterke kostwinnersmodel’ dus plaats voor het ‘matige kostwinnersmodel’.

 

Tevens verminderde ook het gemiddelde aantal uren beroepsarbeid per beroepsactieve persoon, zij het met grote verschillen tussen mannen en vrouwen. De redenen hiervoor zijn een vermindering van het aantal uren bij voltijds werkenden en de relatieve toename van het aantal deeltijds werkende vrouwen. (Van Dongen, 2004f: p. 15)

 

In dezelfde periode maakte de droom van volledige werkgelegenheid plaats voor het spookbeeld van werkloosheid. Vanaf 1970 is het aantal uitkeringsgerechtigde mannen en vrouwen sterk gestegen. Enerzijds steeg het aantal structureel werkloze mannen door de langdurige crisis en de toenemende arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. Anderzijds steeg het aantal structureel werkloze vrouwen door de zeer sterke groei van het vrouwelijke arbeidsaanbod tijdens een periode van economische crisis en tekortschietende jobgroei.

 

Tijdens de periode van het ‘matige kostwinnersmodel’ moest de vrije keuze van gezinnen voor het traditionele kostwinnersgezin wijken voor het streven naar een meer gelijke taken- en inkomensverdeling binnen het gezin. (Van Dongen, Beck en Vanhaute, 2001: p. 80-81)

 

3.4.3 Het matige of prille combinatiemodel van de jaren negentig

 

De combinatiegezinnen met een meer gelijke verdeling van de beroepsarbeid zijn stilaan de meerderheid gaan vormen. Deze evolutie ging gepaard met een meer gelijke verdeling van de gezinsarbeid en het inkomen tussen partners. Vanaf de jaren negentig kunnen we dus spreken van een ‘matig of pril combinatiemodel’.

 

De omschakeling van het ‘matige kostwinnersmodel’ naar het ‘matige combinatiemodel’ is mede tot stand gekomen door een toenemend maatschappelijk streven naar een meer gelijke tijdsverdeling tussen mannen en vrouwen binnen het gezin. Binnen gezinnen streeft men naar een efficiëntere taakverdeling tussen partners zodat een hoger welvaartsniveau kan worden bereikt. Twee banen zijn noodzakelijk om binnen het gezin een voldoende hoog welvaartspeil te bereiken. Bovendien gaat er vanuit de bezorgdheid voor het financiële draagvlak van de verzorgingsstaat meer aandacht naar de maatschappelijke kosten van het kostwinnersgezin.

 

De overgang naar het ‘matige combinatiemodel’ wijst op een systematische kentering in de verhouding tussen kostwinners- en combinatiegezinnen. Hoewel het aantal kostwinnersgezinnen nog vrij groot blijft, wordt het combinatiegezin dominant[35]. (Van Dongen, Beck en Vanhaute, 2001: p. 82-83)

 

3.5 De hedendaagse arbeidsverdeling van volwassen mannen en vrouwen binnen gezinnen

 

3.5.1 Inleiding

 

Omdat het een geslachtsspecifieke complementariteit inzake de verdeling van taken tussen mannen en vrouwen inhoudt, noemde de Nederlandse socioloog Stolk het kostwinnersmodel treffend het model van de ‘harmonieuze ongelijkheid’. (Keuzenkamp e.a., 2000, p. 1) Ten tijde van de standaardbiografie (1950-1960) bestond de combinatieproblematiek met andere woorden nog niet: de man ging buitenshuis werken om een gezinsinkomen t