Warlordisme: casus Afghanistan. (Miguel Coulier)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

DEEL 1: PROBLEEMSTELLING

 

Wie zonder lang na te denken Afghanistan associeert met de Taliban en Al-Qaeda moet niet ongerust worden en is absoluut geen uitzondering. Het land staat de laatste vijftien jaar als het ware synoniem met de religieuze beweging en de terroristische organisatie. Zelfs sinds zijn val in 2001 blijven de nieuwsberichten bol staan van berichten over de strijd tegen de restanten van de Taliban en Al-Qaeda. Deze eenzijdige stroom aan informatie creëerde een automatisme die Afghanistan voortdurend linkt aan een de facto korte periode van vijf jaar uit zijn geschiedenis, van 1996 tot 2001, de periode dat de Taliban de bewindvoerders werden in het land. Deze beperkte focus vergeet een lange, maar boeiende geschiedenis die het bewind van de Taliban in een reeks van historische gebeurtenissen zet en kadert in een ruimer beeld over het land.

 

 

Een meer genuanceerde blik op het land en zijn inwoners laat een veel complexer en ruimer problemen zien: de krijgsheren. In een enquęte uitgevoerd door de Asian Foundation in 2004 vindt meer dan 40% van de Afghaanse bevolking de warlords, het arbitraire geweld en de onveiligheid in het land de meest dringende problemen. Verder worden armoede, economische ontwrichting, tekort aan onderwijs en andere technische faciliteiten als belangrijkste grote problemen ervaren. In vergelijking hiermee worden de Taliban slechts door 3% van de bevolking als probleem ervaren.[1] Met deze cijfers in het achterhoofd is het vreemd te moeten vaststellen dat een opvallende meerderheid van de journalisten, maar ook een deel van de academische en de politieke wereld vaak naast het grootste en meest acute ervaren probleem in het land kijken: het probleem van het warlords.

 

Warlordisme als de wat ongemakkelijk uit te spreken vernederlandsing van het Engelse equivalent warlordism, wordt vaak bestudeerd in de Afrikaanse context. Landen als Kongo, Sierra Leone en Liberia worden geassocieerd met het fenomeen en zijn dan ook vaak gebruikte casi voor het onderwerp. Buiten Afrika beperkt de studie van warlords zich tot de studie van de krijgsheren onder de Chinese Qing of tot landen in Zuidoost Azië als Cambodja en Birma. Afghanistan wordt vaak terloops vermeld als voorbeeld of onrechtstreeks bestudeerd via andere fenomenen als etniciteit, tribalisme, failed state of de drugsproblematiek.

 

Het aanvoelen bij de Afghaanse bevolking dat de warlords en de onveiligheidsituatie in het land het belangrijkste probleem zijn, gecombineerd met het tekort aan uitgebreide besprekingen en studies van het fenomeen van warlordisme in Afghanistan, zetten ons ertoe aan om dit fenomeen als onderwerp te kiezen van deze scriptie. We doen een poging om het fenomeen te situeren in tijd en ruimte en in een breed en genuanceerd perspectief te zetten. We ontleden het fenomeen en proberen een antwoord te vinden op de volgende deelvragen:

a) Hoe manifesteert het fenomeen zich in Afghanistan?

b) Hoe is het fenomeen kunnen ontstaan en evolueren tot op vandaag?

c) Hoe staan de Afghaanse warlords er vandaag voor?

 

We opteren voor een theoretische beschouwing en een toetsing van deze theorieën aan de praktijk. We voeren een brede analyse uit van het fenomeen aan de hand van een waaier van dimensies die vaak geassocieerd worden met de problematiek van de krijgsheren. We vragen ons af in welke mate deze facetten een invloed hebben op de historische en hedendaagse situatie van de warlords. We beperken ons niet tot een deelaspect van het probleem, maar proberen een kader aan te reiken om de ganse problematiek in Afghanistan te kunnen beschrijven en interpreteren.

 

In een eerste deel wordt Afghanistan als land besproken. We geven een noodzakelijk overzicht weer van zijn geschiedenis en van de huidige politieke, sociale, economische en geografische structuren. Dit overzicht kan door de lezer perfect overgeslagen worden als hij of zij over voldoende kennis beschikt van het land. Het is echter noodzakelijk voor diegene die het land niet kennen om een beeld te krijgen van Afghanistan en dit in het achterhoofd te houden als de rest van de scriptie gelezen wordt.

Het tweede en grootste deel van dit werkstuk bevat de analyse van het warlordisme. We distilleren eerst een definitie van respectievelijk de warlord en het warlordisme aan de hand van enkel cruciale onderzoeken. Aan de hand van deze definitie moet duidelijk worden hoe breed de studie zal gaan in de beschrijving van het fenomeen in Afghanistan. Daarna geven we een kort en accuraat overzicht weer van de warlords die vandaag nog een belangrijke speler zijn of tot op vandaag een belangrijke invloed hebben gehad. We geven een kleine biografie weer en plaatsen de warlords in hun respectievelijke facties. In een derde hoofdstuk wordt de periode in de Afghaanse geschiedenis wanneer de warlords aan de macht kwamen uitvoerig besproken. We gaan in op de aanloop naar de Afghaanse burgeroorlog en het verloop van deze oorlog en vergelijken de regionale organisatie aan het begin en op het einde van deze periode. De volgende vijf hoofdstukken behandelen de verschillende dimensies van het warlordisme die we vanuit onze definitie gekozen hebben: de politieke, militaire, economische, sociaal-culturele en geografische facetten. De hoofdstukken vertrekken uit de voorgaande definitie en zijn gekozen op basis van fenomenen die in de studies of werkstukken over warlordisme geassocieerd worden met Afghanistan of met andere landen. In het politieke hoofdstuk is dit het failed-states discours, in het militaire hoofdstuk de militievorming, in het economische luik de politieke economie van conflicten, in het sociaal-culturele hoofdstuk de noties van nationalisme, etniciteit en tribalisme en in het laatste hoofdstuk de regionale netwerking. Ieder hoofdstuk start met theoretisch luik, gaat verder met een uitvoerige toetsing aan de Afghaanse werkelijkheid en eindigt met een overzichtsconclusie. De dimensies worden apart behandeld maar lopen onvermijdelijk in elkaar over. De interactie en relaties tussen de fenomenen komen her en der in de besprekingen van de verschillende dimensies aan bod. Het onderscheid in deze vijf hoofdstukken is ondanks de verwevenheid een noodzakelijk kwaad, maar laat ons toe een duidelijk overzicht te geven en iedere dimensie uitgebreid te analyseren. Alles wordt op het einde nog es gebundeld in een samenvattend besluit.

 

 

DEEL 2: AFGHANISTAN [2]

 

1.1 Historiek

 

Een constante in de geschiedenis van Afghanistan is de beďnvloeding door verschillende volkeren vanuit alle windstreken.[3] Meer dan vijfentwintig regerende dynastieën hebben de geschiedenis van Afghanistan beďnvloed. Alexander de Grote, Cyrus de Grote, Genghis Khan, Timoer Lenk en Babur trokken allen het land door om hun imperialistische droom te verwezenlijken en lieten allen hun sporen na. Afghanistan in zijn huidige constellatie is een artificiële staat, gecreëerd als buffer tussen de twee machten Groot-Brittannië en Rusland en het kreeg zijn definitieve grenzen pas eind negentiende eeuw. Deze grenzen houden echter niet tegen dat, hoewel er altijd verschillen zullen bestaan, iedere etnische groep vaak meer gelijkenissen vertoont met zijn buren dan met elkaar. Huidige identiteiten werden gevormd uit eeuwenlange ervaringen met vreemde invloeden. De Nuristani claimen een Griekse afkomst, de Hazaren hebben duidelijke Mongoolse gelaatstrekken en de Turkmenen en Oezbeken zien hun afkomst in een bredere Turkse identiteit liggen. De smeltkroes van volkeren die het huidige Afghanistan is, verteld een boeiende en complexe geschiedenis die tot op vandaag zijn invloed heeft.

 

1.1.1 Knooppunt der beschavingen

 

Oudste Geschiedenis

Over de prehistorie van Afghanistan is zeer weinig bekend.[4] Het gebied dat nu Afghanistan heet, kende in het tweede millennium v. Chr. een Arische invasie; een groep Indo-Iraniërs breidde via deze streek zijn invloed richting Iran en India uit. In het volgende millennium vormde Afghanistan de achtergrond waarop de twee toenmalige wereldreligies zich zouden ontwikkelen. Het Zoroastrisme kende veel aanhangers voor de Islam zich in Perzië, Centraal-Azië en Afghanistan vestigde.[5] De legende vertelt dat de profeet Zarathoestra in het noorden van het huidige Afghanistan geboren en getogen was. Historici bevestigen dat hij met grote zekerheid in 522 v. Chr. in of rond Balkh is vermoord. De andere religie die zich vanuit Afghanistan naar het Verre Oosten verspreide, was het Gandhara Boeddhisme.[6] De gigantische Boeddhabeelden in Bamiyan, ten westen van Kaboel, waren tot de vernietiging door de Taliban enkele jaren geleden het meest treffende bewijs van deze invloed. Een gedeelte van het land maakte gedurende de laatste eeuw v. Chr. deel uit van het Perzische rijk onder leiding van de Achaemeniden, het koningsgeslacht van de Perzische prins Cyrus. Een ander en groter deel van Afghanistan werd voor een tijd beheerst door de Scythen, een nomadisch volk uit het huidige Oekraďne.

 

De Griekse periode

Afghanistan werd in de vierde eeuw na Christus overspoeld door het gigantische leger van Alexander de Grote. In een mum van tijd versloegen zijn manschappen de Achaemeniden, de Scythen en Bessus, de satraap van Bactrië, die zich tot koning van Perzië had uitgeroepen. Alexander had nu een gebied dat reikte van Griekenland en Egypte tot in Afghanistan en het Indische Punjab. Het gebied werd in een snel tempo gehelleniseerd en verschillende streken werden voorzien van uitgebreide irrigatienetwerken.

Na de dood van Alexander kwamen de Griekse troepen in Afghanistan uit heimwee in opstand. De opstand werd neergeslagen, maar de generaals bleven onderling een bitse strijd voeren. Van deze chaos werd handig gebruik gemaakt door de Seleuciden, die het rijk deels in handen namen. Het andere deel, het zuiden en oosten, kwam in handen van de machtige Maurya-dynastie in India. De Griekse macht verdween in 48 v. Chr. wanneer Hermaeus, de laatste koning, Kaboel verliet. De opeenvolgende vijfhonderd jaar werd Afghanistan opnieuw het toneel van invallen uit alle windstreken. Achtereenvolgens leerde het land de Tocharen, de Parthen, de Sassaniden, de Chionieten, de Hepthalieten en de Turken kennen. [7]

 

1.1.2 Vroeg-Islamitische periode

 

De komst van de Islam

Rond 650 werden de Sassaniden verslagen door de Arabieren, die onder de eerste kaliefen na de dood van de profeet Mohammed, aan een grote opmars begonnen waren. Afghanistan zelf bleef lange tijd ingesloten tussen de Arabische, Turkse, Chinese en Tibetaanse rijken. Intern kende het land het rijk van de Saffariden, gevolgd door het rijk van de Samaniden. Een belangrijk deel van het Samanidische leger bestond uit Turkse slaven en huursoldaten. In 977 werd door een van deze slaven de machtige en rijke Ghaznavidische dynastie opgericht. Het was onder de Ghaznaviden dat de islam voor het eerst vaste voet aan grond kreeg in het oosten van Afghanistan en het noorden van India. Het noorden van Afghanistan werd rond de overgang van het eerste op het tweede millennium verloren aan de Turkse Seldjoeken. In de rest van het land bleef de Ghaznavidische dynastie aan de macht tot ze in 1200 werd verslagen door de nieuwe regionale grootmacht: de Khwarazmieten.

 

De Mongolen

De macht van de Khwarazmieten was van korte duur toen de Mongolen, onder leiding van Genghis Khan met grote trom het rijk versloegen. De Mongoolse invasie was een wrede verovering die het Afghaanse grondgebied miljoenen levens kostte en grote vernielingen in de infrastructuur veroorzaakte. In Afghanistan bestonden twee Mongoolse rijken naast elkaar; de Il-khans van Iran en de Chagatayiden van Samarkand, die over het grootste deel van Afghanistan heersten. In 1370 werd de macht overgenomen door Timoer Lenk, leider van een Turks-Mongoolse stam.[8] Hij vestigde een rijk dat zich uitstrekte van Turkije tot in India. Na zijn dood in 1405 heersten eerst de Timoeriden over het land om direct daarna door de Oezbeken te worden veroverd. Afghanistan werd gedurende de volgende twee eeuwen opnieuw een betwist gebied toen zowel de Oezbeken uit het noorden, de Perzische Safaviden uit het westen als de Indiase Moghuls uit het oosten voortdurend conflicten hadden over het gebied.

 

1.1.3 Het eerste koninkrijk Afghanistan

 

Begin achttiende eeuw raakten deze grote rijken in verval en grepen de Pathanen hun kans. Het eerste verzet werd gevoerd door Mir Wais Hotak, een rijke Ghilzai-Pathaan uit Kandahar. Hij richtte met wisselend succes verschillende aanvallen tegen de Safaviden en kon ook verschillende andere Pathaanse groepen van zich af weten te slaan. Uiteindelijk riep zijn zoon, Mir Mahmoed, zich in 1722 uit tot nieuwe sjah van Perzië, maar niet voor lang. De Turkse krijger en echte koning van Perzië Nadir Shah verdreef Mahmoed in 1729 uit Iran en veroverde enkele jaren later Kandahar.

Bij de dood van Nadir Shah in 1747 trok een van zijn generaals, Ahmad Shah Durrani, samen met 4000 Abdali-Pathaanse manschappen weg uit het Perzische leger. Hij ondernam verschillende veldtochten en stichtte het eerste Afghaanse koninkrijk, dat reikte van het huidige Afghanistan tot in het noorden van India. Hij staat vandaag dan ook beter bekend als ‘de vader van de Afghanen’. Zijn beleid werd gevoerd op basis van opportunisme, omkoping met gestolen goederen en loze beloftes ten opzichte van lokale stamhoofden en huurlingen, ingrediënten die een succesvolle maar wrange opeenvolging van Afghaanse krijgsheren kenmerken over de volgende eeuwen heen. Kaboel werd gedurende de beginjaren van het koninkrijk constant geregeerd door Abdali’s. De rest van de bevolking, zelfs de andere Pathaanse stammen met de Ghilzai als belangrijkste rivalen, werden buitengesloten van het bestuur.[9]

De dood van Durrani zorgde voor een onderlinge opvolgingsstrijd tussen de vele Pathaanse stammen, waarbij de twee belangrijkste stammen, de Popolzai en de Barakzai afwisselend de macht hadden.[10] De interne strijd zorgde voor een enorme afbrokkeling van het Afghaanse rijk met verliezen aan de Oezbeken in het noorden en aan de Sikhs in het oosten. Aan het begin van de negentiende eeuw had Afghanistan geen legale regering en geen legale grenzen, het land was een virtueel niemandsland waar twisten de dagelijkse realiteit vormden. Het land zal echter in belang toenemen en het slagveld worden tussen de twee toenmalige grootmachten, Rusland en Groot-Brittannië. Hun spel van oorlog en bezetting zullen de grenzen van het huidige Afghanistan bepalen.

 

1.1.4 The Great Game: een geit tussen de twee leeuwen

 

Dost Mohammed en de eerste Anglo-Afghaanse oorlog

Dost Mohammed begon onopvallend maar werd geleidelijk aan een belangrijk en invloedrijk man in het land. Hij liet zich uitroepen tot ‘emir’ van het land wat leider betekent. Het koninkrijk Afghanistan werd echter langs beide zijden bedreigd; in Herat door de Perzen, hierin gesteund door de Russen, en in het oosten door de Britten die aan de zijde van de Sikhs stonden. Zowel de Russen als de Britten stuurden een gezant naar Kaboel om samen met Mohammed een verdrag te sluiten, maar faalden hierin. Als reactie hierop en uit vrees voor een Russische opmars bezetten de Britten het eiland Kharq in de Perzische Golf en dwongen de Perzen hun beleg op te geven.

De Britten wilden echter meer invloed in Afghanistan en zetten de verdreven Shah Shuja terug op de Afghaanse troon. Toen de Britse troepen nog es het land binnenvielen, was de eerste Anglo-Afghaanse oorlog een feit. Aanvankelijk boekten de Britten een grote overwinning en konden ze Dost Mohammed tot overgave dwingen, maar een reeks van zware rellen en opstanden zorgde voor een kering en de Britse belofte om zich terug te trekken. Deze terugtrekking veroorzaakte een brutale Afghaanse wraakreactie en slechts enkelen overleefden het. De Britten ondernamen hierop een nieuwe veldtocht en namen Kaboel opnieuw in, maar trokken zich daarna definitief terug. Dost Mohammed kon terugkeren en gedurende de rest van zijn regeerperiode hielden de Britten zich afzijdig.[11] Dost Mohammed hield zich buiten alle spelletjes van de grootmachten en concentreerde zich op de uitbreiding van de interne controle. Bij zijn dood in 1863 stond vrijwel gans het land onder het sterke Pathaanse gezag van Kaboel. De Afghanen hebben mede dankzij deze confrontatie met de Britten een geduchte vechtersreputatie opgebouwd. Afghanen kennen sindsdien een grote afkeer van vreemde bezettingstroepen of van Afghaanse bewindslieden die op de rug van het volk hun macht poogden te consolideren. Onafhankelijkheid wordt tot op vandaag als hoogste goed beschouwd.

 

Sher Ali en de tweede Anglo-Afghaanse oorlog

Een kleine opvolgingstrijd tussen de 27 zonen van Dost Mohammed bracht in 1869 uiteindelijk Sher Ali definitief aan de macht.[12] Het spel tussen de grootmachten zette zich ondertussen voort, een wereldoorlog tussen de twee grootmachten werd een acute dreiging. Het tsaristische Rusland zette zijn expansiepolitiek verder en veroverde een groot deel van Centraal-Azië, ten noorden van Afghanistan. Dit maakte bij de Britten zenuwachtige reacties los en via Afghanistan probeerden ze de Russische invloed in te dijken. In 1873 werd de noordelijke grens van Afghanistan rond de rivier Amur Daya vastgelegd in een Brits-Russisch verdrag. Dit was echter onvoldoende voor de Britten en de politiek van ‘masterly inactivity’ werd verlaten. Afghanistan is a state far too weak and barbarous to remain isolated and wholly uninfluenced, between two great military empires such as England and Russia.[13] Afghanistan moest dus in de Britse invloedssfeer gebracht worden. De spanningen met Rusland kenden hun druppel te veel toen de Russen een door de Britten verboden gezantschap naar Kaboel stuurden. De tweede Anglo-Afghaanse oorlog was ingezet. Sher Ali sloeg op de vlucht en zijn zoon Yaqub Khan werd gedwongen het Verdrag van Gandamak te ondertekenen. Hierin werd Afghanistan feitelijk een Brits protectoraat. Het land kon geen onafhankelijke buitenlandse politiek meer voeren en moest Britse troepen op zijn grondgebied toestaan. In ruil hiervoor kreeg het een jaarlijkse subsidie en bescherming tegen buitenlandse aanvallen.

In 1879 leek de geschiedenis zich echter te herhalen toen het Britse gezantschap in Kaboel werd vermoord en de Britten als reactie hierop Kaboel bezetten. In de slag bij Maiwand werden de Britse troepen opnieuw verslagen. Een gewijzigde regering in Groot-Brittannië zorgde voor een verandering in de Britse politiek en de troepen werden teruggetrokken. De Britten riepen uiteindelijk de zoon van Afzal Khan, Abd al-Rahman Khan uit tot ‘emir van Kaboel en omstreken’ toen die uit Russische ballingschap was teruggekeerd.

 

De latere emirs

Abdur al-Rahman Khan zorgde voor een stimulering van de centrale overheid en bouwde een moderne en uitgebreide administratie uit. Opstanden in het land werden bloedig onderdrukt en de verschillende traditionele machthebbers, de Pathaanse stammen, de koninklijke familie en de geestelijken, verloren aan invloed. Abd al-Rahman stond hierdoor bekend als de ‘ijzeren emir’. In 1893 werden na overleg met Brits India de oostelijke grenzen langs de Durand-linie vastgelegd.[14] Abd al-Rahman werd opgevolgd door zijn zoon Habibullah Khan die zonder protesten tot de nieuwe emir werd uitgeroepen. Hij draaide enkele strenge wetten van zijn vader terug, maar zette verdere stappen in de modernisering van het land ondermeer door een uitbreiding van het onderwijs en de infrastructuur. Twintig jaar later werd hij in Jalalabad vermoord en uiteindelijk opgevolgd door zijn zoon, Amanullah Khan.[15]

 

1.1.5 Onafhankelijkheid sinds 1919, monarchie sinds 1925

 

Amanullah Khan 1919-‘29

Als reactie op de dood van zijn vader eiste Amanullah de herziening van het Verdrag van Gandamak, maar toen daar geen gehoor aan gegeven werd brak de derde Anglo-Afghaanse oorlog uit. Uitgeput van die andere grote oorlog, gaven de Britten na een maand al op, kwam het tot een wapenstilstand en werd de onafhankelijkheid uitgeroepen.

In april 1923 kreeg Afghanistan zijn eerste grondwet. Het was een vooruitstrevend document die expliciet de gelijkheid van alle Afghanen ongeacht religie, etniciteit of stam invoerde. De macht van de vorst bleef absoluut. Na een reeks conservatieve protesten werden echter enkele wijzigingen teruggeschroefd. Amanullah riep zich enkele jaren later uit tot koning en zette een reeks van progressieve hervormingen in, op politiek, maatschappelijk en religieus gebied, naar voorbeeld van Kemal Ataturk in Turkije en Reza Shah in Iran. De voorstellen gingen voor vele Afghanen echter te ver en al snel braken in het land grote opstanden uit. Het grootste verzet kwam van de conservatieve ulama en de bevolkingsgroepen in de afgelegen bergstreken. De koning vluchtte in 1929 het land uit. Onder leiding van de Tadzjiek Bacha Saqao namen fundamentalistische moslims de macht in het land over. Zijn afkomst was echter voor velen inacceptabel en hij werd dan ook verslagen en geëxecuteerd door een Pathaan uit de grensstreek, Nadir Shah.

 

Nadir en Zahir Shah

Afghanistan kreeg onder Nadir Shah in 1931 opnieuw een nieuwe grondwet. Hij was vergelijkbaar met de eerste Afghaanse grondwet maar kende wijzigingen om alle groepen, zowel traditionalisten als modernisten, tevreden te stellen. Een reeks hervormingen van Amanullah werden ook terug afgeschaft. De koning werd twee jaar later doodgeschoten door een aanhanger van de vorige koning en vervangen door zijn zoon, Zahir Shah. De echte macht kwam echter te liggen bij de premier, Sardar Mohammed Hashim Khan, een broer van Nadir. Ook andere belangrijke ministeries binnen het kabinet waren in handen van de broers van Nadir. Onder het premierschap van Hashim Khan en zijn opvolger Shah Mahmud kende het land geen grote hervormingen, maar groeide de greep van de staat op de maatschappij en de economie gestaag.

 

Hervormingen

In 1953 werd de hervormingsgezinde prins Daoud Khan premier. Hij maakte slim gebruik van het spel tussen de twee grootmachten om zowel van de SU als de VSA economische en militaire hulp te krijgen. De infrastructuur en het leger werden met behulp van dit geld sterk verbeterd en uitgebreid. Daoud was echter ook niet schuw van enige provocatie en riep de Pathanen in Afghanistan op te kiezen voor een eengemaakt Pashtunistan.[16] Dit kwam het land zowel op korte als op lange termijn absoluut niet ten goede. Het kwam tot een crisis met Pakistan en beide landen sloten hun grenzen, wat Afghanistan grote economische schade toebracht. De economische en politieke isolatie dreef het land in de noordelijke invloedssfeer. Het land werd gedurende de jaren ’50, ’60 en ‘70 economisch volledig afhankelijk van de Sovjet-Unie. In 1963 stapte Daoud vrijwillig op in de hoop de relaties met Pakistan te neutraliseren. Hij werd opgevolgd door de minister van Defensie, Mohammed Yusuf, de eerste premier die geen lid was van de koninklijke familie. Pakistan matigde hierop zijn positie en opende terug de grenzen. Na ondertekening van het verdrag van Teheran werden de diplomatieke betrekkingen met Pakistan hersteld. In 1964 werd het land volgens de nieuwe en moderne grondwet een constitutionele monarchie, waarbij de macht bij het parlement kwam te liggen en niet langer meer bij de koninklijke familie. De grondwet gaf mannen en vrouwen gelijke rechten. Er werd een legaal seculier juridisch stelsel uitgebouwd dat boven de islamitische wetgeving kwam te staan. De vrijheid van pers en politieke activiteiten maakte de weg vrij voor de oprichting van politieke partijen.

Tijdens de jaren zestig werd de universiteit van Kaboel het toneel van een toenemende politieke radicalisering tegen de hervormingsgezinde politiek van de regering. Een groeiende kloof werd zichtbaar tussen het conservatieve platteland en de nieuwe middenklasse in vooral Kaboel. Deze laatste voelden zich niet verbonden met de meeste regionale en conservatieve leden van het parlement en radicaliseerden zowel naar links als naar rechts, dat leidde tot respectievelijke communistische en fundamentalistisch-islamitische stromingen.

In 1965 werd de Democratische Volkspartij van Afghanistan (PDPA) opgericht, de Sovjetgeoriënteerde communistische partij. De PDPA zal nooit een grote partij worden en wordt vier jaar later al opgesplitst in twee fracties: de Khalqis (‘het volk’) onder leiding van Nur Mohammed Taraki en de Parcham (‘de vlag’) geleid door Hafizullah Amin.[17]

 

1.1.6 Republiek 1973-‘78

 

Op 17 juli 1973 pleegde Mohammed Daoud, de vroegere premier, een staatsgreep met behulp van het leger, de PDPA en de SU. Hij zette Zahir Khan af en riep Afghanistan uit tot een republiek met zichzelf als de kersverse president. Aanvankelijk werden zijn linkse medestanders in het kabinet opgenomen, maar nadat de president de islamitische opstanden had bestreden, verwijderde hij de communisten uiteindelijk ook uit zijn kabinet. Daoud maakte vrede met Pakistan, zocht steun in het Midden-Oosten en knoopte nauwe betrekkingen aan met buurland Iran. In 1977 werd een nieuwe grondwet uitgeroepen, die weinig verschillen vertoonde met de vorige. Politieke partijen werden verboden, Afghanistan werd een eenpartijstaat en de president kreeg grote autonomie en macht. De president kreeg ook het opperbevel over het leger en de Loya Jirga werd gereduceerd tot een machteloze praatbarak.

In 1973 werd de eerste islamitische partij opgericht, de Jamiat-i-Islami of Islamitische genootschap. Burhanuddin Rabbani, professor aan de Sharia-faculteit wordt gekozen tot president; de belangrijkste studentenleider is Gulbuddin Hekmatyar, student aan de faculteit van bouwkunde; en een ander voornaam lid van de partij is Ahmad Shah Massoud, ook student bouwkunde. De partij wordt snel onderdrukt door Daoud.

 

1.1.7 Sovjetbezetting 1979-‘89

 

Hoewel president Daoud zelf een handelsverdrag met een looptijd van dertig jaar had afgesloten met de Sovjet-Unie was de samenwerking niet naar zijn zin. Hij probeerde hierop de banden met islamitische landen te versterken en die met de communisten te verbreken, tegen de zin van de Sovjet-Unie. Deze laatste riep de communisten op zich te verenigen, en op 27 april 1978 pleegden de pro-communistische militairen dan ook een machtsgreep, beter bekend als de Saur-revolutie.[18] Nur Mohammed Taraki, leider van de Khalq-fractie en secretaris-generaal van de communistische partij, werd president en bracht op deze manier een einde aan 230 jaar van Durrani-Pathaanse macht over het land. De nieuwe socialistische regering voerde enkele drastische maatregelen in: bedrijven werden genationaliseerd en landhervormingen doorgevoerd. Zijn nieuwe regering kon zich echter nauwelijks handhaven en werd overmeesterd door constante conflicten en onenigheid. Door de wrede aanhoudingen, martelingen en zuiveringen zagen veel vakmensen zich genoodzaakt het land te ontvluchten en veroorzaakten zo de eerste vluchtelingenstromen. Toen Taraki zijn tegenstanders in de communistische partij op een zijspoor zette door ze als ambassadeur naar het buitenland te sturen, werd in ‘79 de macht overgenomen door de leider van de andere fractie, Hafizullah Amin.

Naar aanleiding van de Iraanse Revolutie werd het islamitische verzet echter groter en riep Amin noodgedwongen de hulp in van de Sovjets. In werkelijkheid was het land geparalyseerd door een voortdurende bitse communistische fractiestrijd en vonden de Sovjets dat er definitief een einde moest gemaakt worden aan al deze politieke spelletjes. De SU vreesden ook dat een progressief en nationalistisch regime aan de grens van de USSR zou overslaan op de andere Centraal-Aziatische republieken. Op 26 december 1979 trokken de Russische troepen om voorgaande redenen Afghanistan binnen, bezetten Kaboel en vermoordden Amin. Ze stelden de meer gematigde Babrak Karmal aan als nieuwe leider van Afghanistan. Het islamitische en nationalistische verzet bleef groeien en diverse verzetsgroepen, mujaheddin of strijders voor het geloof, organiseerden gerichte guerrilla-aanvallen vanuit Pakistan. Ze beriepen zich op de islam en de jihadstrijd, maar hadden duidelijk verschillende interpretaties hiervan. Er waren zowel fundamentalistische, traditionele, vooruitstrevende als gematigde groepen. Naarmate de Russische troepen in sterkte stegen, steeg ook het verzet maar vluchtten ook miljoenen Afghanen het land uit, richting Pakistan en Iran. Tijdens de Sovjetbezetting werd het land in de verwoesting getrokken door mijnen, bombardementen en andere vernielingen.

Naarmate het internationale protest tegen de Russische bezetting aanzwol en de SU interne hervormingen moest ondergaan, besliste Gorbatsjov in 1985 om de zieke Karmal te vervangen en de Russische troepen langzaam maar zeker terug te trekken. In 1986 werd Mohammed Najibullah, toenmalig hoofd van de Afghaanse geheime dienst Khad, de nieuwe Afghaanse president. Inmiddels waren er tussen de 3,5 en 5 miljoen Afghaanse vluchtelingen in Pakistan. Vanuit vluchtelingenkampen in dit land stak de Pakistaanse geheime dienst geld en wapens toe om het verzet te organiseren. De VS en ook Saoedi-Arabië verleenden voor circa 250 miljoen dollar onrechtstreekse hulp aan de rebellen. In 1988 werd in Genčve een eerste raamakkoord bereikt over de terugtrekking van de Sovjetsoldaten. Aan de onderhandelingen namen de Afghaanse regering, de USSR, de VS en Pakistan deel. De mujaheddin verwierpen echter alle voorwaarden en bleven hun verzet verder zetten. Uiteindelijk vertrokken de laatste Russische troepen het land op 15 februari 1989.

 

1.1.8 De Afghaanse burgeroorlog: periode van chaos

 

Op 18 februari 1989 kozen de verzetstrijders Ahmed Shah Massoud tot het nieuwe alternatieve Afghaanse staatshoofd. De officiële president Najibullah bleef echter in tegenstelling wat internationaal vermoed werd aan de macht en versloeg de rebellen toen deze Jalalabad aanvielen in maart ’89. De president richtte de Oezbeekse Jauzjani-milities van het noorden op en zette die onder de leiding van Abdul Rashid Dostum. In 1990 veranderde de PDPA zijn naam in de Vaderlandpartij en schrapte alle verwijzingen naar het communisme en marxisme-leninisme. Na de verkiezingen poogde de president onderhandelingen aan te knopen met de mujahideen, maar deze liepen vast. De samenwerking tussen de verschillende mujahideen viel door naar de oppervlakte gekomen interne tegenstellingen geleidelijk aan uit elkaar. De groepen versplinterden en gingen elkaar onderling bestrijden om de macht. De doodsteek voor het regime viel uiteindelijk na het uiteenvallen van de SU in 1991. Een aantal commandanten uit het noorden waaronder Massoud en Dostum kwamen in opstand en vielen Kaboel binnen. Najibullah vluchtte het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in.

De rust kwam echter niet terug en Kaboel bleef het strijdtoneel van de verschillende facties. Afghanistan kreeg te maken met een burgeroorlog die zijn eigen grenzen overschreed. De verschillende regionale machten die tijdens de Sovjetbezetting hun invloed hadden, bleven hun favorieten steunen. Na een kort regeren van Sibghatullah Mujaddedi kwam er een nieuw akkoord tot stand en werd Burhanudin Rabbani voorlopig president. Met de formele machtsovername in Kaboel was de situatie nog lang niet stabiel. In werkelijkheid was het land en vooral de hoofdstad nog steeds in de ban van de warlords en hun milities die onderling slag leverden om de lokale macht. Er werd nog steeds hevig gevochten in en rond Kaboel, tussen moslimguerrilla’s, nationalisten en de vroegere regeringstroepen. In 1994 trad onverwacht maar succesvol een nieuwe groep naar voren, de Taliban. Het was een beweging die zwaar werd gesteund door Pakistan. De Taliban waren afkomstig uit de Pakistaanse madrassa’s waar ze een conservatieve islamitische opleiding hadden genoten. Ze namen de naam ‘taliban’ aan, het meervoud van het islamitische woord ‘talib’, wat ‘student’ betekent.

 

1.1.9 Taliban-bewind 1996-2001

 

De Taliban, onder leiding van Mullah Mohammed Omar, veroverden in enkele jaren gans Afghanistan, met uitzondering van de Pansjir-vallei en Badakshan in het noordoosten dat in handen bleef van Ahmed Massoud. Hij herorganiseerde zich met andere leiders in de regio en richt een tijdje later de Jibha-i-Muttahid, Eenheidsfront of Noordelijke Alliantie op. Ze zullen zich blijven verzetten tot de Taliban wordt verdreven in 2001.

Het succes van de Taliban is te verklaren door de orde en rust die ze het land brachten na decennia lang oorlog en chaos. De bevolking op het platteland die het gewoon was weinig persoonlijke vrijheid te hebben en er een traditionele levensstijl op nahield, ontvingen de Taliban met open armen. De stedelingen hadden het wat moeilijk met de strenge regels en daar moesten de Taliban dan ook wat inbinden. Het machtscentrum van de groep situeerde zich in de zuidelijke stad Kandahar, vlakbij de Pakistaanse grens, waar Mullah Omar zijn vaste verblijf had. De in meerderheid Pathaanse en conservatieve stad Kandahar was de beste uitvalsbasis van waaruit de verovering van het land kon starten. De macht van de Taliban werd uitgeoefend door de Opperste Raad of Shura. Aanvankelijk werden de beslissingen er per democratische meerderheid genomen, maar naderhand werd duidelijk dat Mullah Omar de machtigste man binnen de Raad was. In 1997 benoemde Omar zichzelf tot ‘Emir der Gelovigen’ en hulde hij zich in de mantel van de profeet Mohammed. Pakistan, de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië waren de enige landen in de wereld die de Taliban als enige legitieme heerser van Afghanistan zagen.

De Taliban vormen een religieuze conservatieve beweging die zich beroepen op het wahhabisme, een strikte en letterlijke interpretatie van de Koran en de Sunna. Sociale stabiliteit is de oplossing voor alle maatschappelijke problemen en dit kan alleen verwezenlijkt worden op basis van de shari’a. De beweging is sterk sociaal egalitair, anti-sji’itisch en streeft naar een werkelijke Islamitische staat. De Taliban geloven niet in shirk – verering en polytheďsme - en veroordelen alles wat ingaat tegen de ‘goddelijke uniekheid’ waaronder offers, grafbeden, tombes en elk onrechtstreeks gebed waarvoor een derde persoon tussen Allah en de bidder nodig is. Ze verbieden ook alle religieuze feesten, rouwceremonies en mysticisme. De Taliban zijn voornamelijk gekend om hun draconische maatregelen jegens de vrouwelijke en niet-Pathaanse bevolking en hun afkeer van westerse invloeden als populaire muziek en dans. Om de navolging van deze regels te controleren hadden de Taliban een speciaal ‘Ministerie ter Bevordering van de Deugd en Preventie van de Zedenloosheid’ opgericht.

De Taliban geloven niet in de politieke democratie. Een maatschappij moet georganiseerd worden naar Gods wil en woord. Een verkozen regering die zijn beleid voert als vertegenwoordiger van het volk vergeet de religieuze almacht van Allah. De Islam kan niet gebruikt worden als politiek middel. De Taliban beschuldigen de machthebbers van de laatste vijftien jaar ervan een pseudo-islam te hebben gecreëerd om hun eigen belangen te verwezenlijken en niet het woord van Allah te volgen. Deze pseudo-islam gebruikt woorden als ‘democratie’, ‘president’ en ‘verkiezingen’ en neemt de politieke gewoonte van Europa en Amerika over, maar is in tegenspraak met de Islamitische waarden en normen.[19]

Sinds 1998 werd de Taliban door de Verenigde Staten verdacht steun en onderdak te verlenen aan het Saoedische Al-Qaeda kopstuk Osama Bin Laden. Hij werd ervan beschuldigd aanslagen te hebben gepleegd tegen Amerikaanse ambassades in Afrika. De VS identificeerden enkele plaatsen met kampen waar Al-Qaeda-leden opleiding zouden gekregen hebben om zelfmoordaanslagen te plegen. Als de VS de streek Chost met kruisraketten bestookten, zette de Taliban als reactie vertegenwoordigers van een dertigtal niet-gouvernementele organisaties uit het land. De VN-veiligheidsraad nam een jaar later resolutie 1267 aan om financiële sancties tegen de Taliban mogelijk te maken omdat ze nog steeds bescherming boden aan Bin Laden.[20] Een volgende resolutie 1333 beschuldigde de Taliban van steun aan terrorisme en productie en invoer van heroďne.[21] De Taliban weigerden steeds meer uitleg te geven en verstrengden hun beleid ten opzichte van journalisten, ambassadeurs, ontwikkelingswerkers en andere buitenlanders. In maart 2001 bliezen ze de gigantische Boeddhabeelden in Bamiyan op als bewijs dat ze nog steeds alle politieke macht in het land uitoefenen. Begin september 2001 werd de rebellenleider Massoud vermoord door Al-Qaeda terroristen vermomd als journalisten en waren de Taliban aan de winnende hand nu alle verzet leek uitgeschakeld.

 

1.1.10 Sinds 11/09

 

De doodsteek voor de Taliban kwam er op 11 september toen enkele jihadstrijders van Al-Qaeda de Twin Towers in New York de grond invlogen. Al snel werden de Taliban overspoeld met beschuldigingen en eisen om de verantwoordelijke voor de aanslagen, Osama Bin Laden, uit te leveren. De Taliban verhulden zich echter in koele afwimpelende opmerkingen en weigerden enige actie te ondernemen. Een maand later viel de Verenigde Staten in samenwerking met Groot-Brittannië het land binnen met een reeks gerichte bombardementen op Al-Qaeda trainingskampen. Een tweede deel van de strategie was militaire en logistieke steun aan de Noordelijke Alliantie. De Noordelijke Alliantie bevocht de Taliban vanuit het noorden, de Amerikanen verzwakten de Taliban in de rest van het land. Na enkele weken was de hoofdstad Kaboel ingenomen en was de Taliban tot in het zuiden verdreven, rond het bolwerk Kandahar. De Noordelijke Alliantie liet het gebied met opzet liggen zodat de Pathanen zelf met de Taliban konden afrekenen. Op 7 december gaven de Taliban uiteindelijk zonder veel bloedvergieten Kandahar op en de belangrijke kopstukken vluchtten richting de woeste bergstreken rond de Pakistaanse grens waar de gevechten tot op vandaag nog steeds doorgaan.

Op 5 december is in Bonn beslist dat binnen de zes maanden na installering van de AIA door middel van het bijeenroepen van een ‘Nood-Loya Jirga’[22] een transitieregering zou worden benoemd.[23] Deze Nood-Loya Jirga werd op 11 juni 2002 ceremonieel geopend door de voormalige koning Zahir Shah, die na 29 jaar ballingschap naar Afghanistan terugkeerde. Doel van de Jirga was een nieuw staatshoofd te benoemen die dan een overgangsregering zou samenstellen. Deze regering had de taak een nieuwe grondwet op te stellen en in 2004 presidentiële verkiezingen te organiseren, opgevolgd door parlementaire verkiezingen in 2005. Hamid Karzai werd in juni 2002 benoemd tot interim-staatshoofd van Afghanistan. In oktober 2004 werd hij via nationale verkiezingen herverkozen tot president van het land voor een periode van vijf jaar. Hij heeft zich sindsdien ontpopt tot een bekwame vertegenwoordiger van zijn land in het buitenland, maar kreeg vooral in de eerste maanden van zijn regeerperiode kritiek vanuit eigen land omdat hij nauwelijks aanwezig was. Interfactionele disputen beheersen het kabinet tot op heden en Karzai heeft al verschillende kleine maar ook grote maatregelen getroffen om de eenheid in zijn kabinet te bewaren en de macht van de lokale warlords in te dammen. Vele van zijn ingrepen lokken protest uit, maar tot op heden heeft hij de gevoelige stabiliteit weten te bewaren.

Afghanistan onderhoudt de laatste jaren een haat-liefde-relatie met zijn zuiderbuur Pakistan. Er vonden al verschillende handelsconflicten plaats, maar beide landen hebben niettemin al enkele wederzijdse akkoorden gesloten. Het belangrijkste twistpunt blijft echter de steun die de Pakistaanse geheime dienst (ISI) zou verlenen aan extreem-islamitische bewegingen in het zuiden van Afghanistan met de bedoeling de regering in het land te destabiliseren. Deze bewegingen zijn gevestigd in de woeste onbereikbare grensstreek waar Amerikaanse soldaten met behulp van Pakistaanse troepen nog steeds op zoek zijn naar Osama Bin Laden en leden van Al-Qaeda.

Afghanistan is in zijn zeer nabije verleden, het heden en de toekomst een land in opbouw. Het ontwikkelt zijn juridisch systeem, zet zijn communicatie- en transportsysteem terug in werking, bouwt zijn financiële en economische systeem weer op en vormt het institutionele kader voor zijn democratische ontwikkeling. Het land probeert het fragiele evenwicht tussen de verschillende volkeren te verstevigen en te verankeren in een samenlevingsproject gebaseerd op orde en respect. Afghanistan kruipt stilletjes aan weer recht en heeft de ambitie om snel te leren lopen om zijn rol in Centraal-Azië en in de internationale wereld te kunnen spelen.

 

1.2 Demografie en sociale structuur

 

1.2.1 Demografie

 

Afghanistan is een land die zich moeilijk laat onderverdelen volgens etnische of linguďstische criteria. Het land is een lappendeken van verschillende regio’s bevolkt door een mozaďek van verschillende etnieën. Afghanistan’s grenzen lopen door de woongebieden van verschillende volkeren; dwars door die van de Turkmenen, Oezbeken, Tadzjieken, Pathanen en vele andere. Linguďstische, culturele en geografische kenmerken spelen allen een belangrijke rol in de vorming van etnisch-tribale identiteiten van het Afghaanse volk.[24] Doorheen de geschiedenis vonden er heel wat kleine of grote volksverhuizingen plaats waardoor men overal verspreid is gaan wonen. Gemixt via gemengde huwelijken en gemeenschappelijke religieuze en sociale activiteiten is er een multiculturele Afghaanse identiteit ontstaan, voornamelijk in de steden. In tegenstelling met de steden waar men dus kan spreken van een metropole Afghaanse identiteit vindt men duidelijke gescheiden etnische kenmerken vooral nog terug op het platteland.

Het strikt afbakenen van woongebieden per etnie is om voorgaande reden daarom geen te prefereren optie. Taal of religie zijn daarenboven ook geen afdoende criteria voor de opdeling van het land.[25] Een onderscheid naargelang etnische groep, taal of religie toont telkens andere cijfers, daarom behandelen we alles hier per etnie en vermelden we telkens hun respectievelijke taal en religie.[26] De grenzen blijven arbitrair en houden geen rekening met de intertribale interacties en de samenlevingsnetwerken in de stedelijke gebieden, maar dit overzicht verschaft al een nuttig kader in het ontwarren van de complexiteit en diversiteit in Afghanistan.

 

1.2.1.1 Pathanen

 

De Pathanen zijn met 42% de grootste bevolkingsgroep van Afghanistan. Ze worden ook Pashtun, Pushtun of Paktun genoemd en wonen aan de Oostelijke en Zuidelijke grens van het land, alsook in de Noordwestelijke Frontier provincie in Pakistan. Pas vanaf de Britse overheersing kregen ze de benaming “Pathans”, oorspronkelijk dezelfde betekenis als het woord ‘Afghaan’. Gezien deze etymologie worden de Pathanen soms de echte Afghanen genoemd en worden de andere volkeren als dusdanig niet aanvaard als echte Afghanen. Pathanen maken tevens voor een tiende deel uit van de Pakistaanse bevolking en tot op heden is de splitsing in 1893 van Pashtunistan, zuidelijk Afghanistan en noordelijk Pakistan, langs de Durand-linie nog steeds een twistpunt in de onderlinge relaties van beide landen.

De Afghaanse Pathanen zijn verdeeld in Durrani en Ghilzai stammen, met verschillende subtakken die een naam met de suffixen –zai of –khil dragen. De overgrote meerderheid zijn boeren en de kalay is het hart van de sociale organisatie. De kalay zijn kleine zelfvoorziende gemeenschappen van enkele families met gemeenschappelijke voorvaderen. Interactie gebeurt via strikt wederkerige relaties.

De Pathanen zijn overwegend soennitisch en spreken Pasjtoe (, Pashto of Pashtu), een kleine minderheid is sji’iet. De Taliban was in meerderheid een Pathaanse beweging. Na de val van de Taliban in 2001 werden de Pathanen dan ook het grootste slachtoffer van geweld door de warlords van de rivaliserende Noordelijke Alliantie.

De huidige president, Hamid Karzai is internationaal de bekendste Pathaan.

 

1.2.1.2 Tadzjieken

 

De Tadzjieken zijn met 27% de tweede grootste bevolkingsgroep van Afghanistan en wonen in het noordoosten van Afghanistan en rond Herat en Kaboel.[27]

Hoewel een meerderheid op het platteland woont, zijn er sinds de periode 1950-’70 een groot aantal Tadzjieken in de steden komen wonen. Ze konden ruim gebruik maken van de onderwijs- en technische faciliteiten en verkregen een hoge opleiding en levensstandaard. Hierdoor versierden ze hoge posities in de opeenvolgende regeringen en mede door hun toewijding jegens de Afghaanse cultuur en samenleving kunnen de Tadzjieken beschouwd worden als belangrijke dragers van de Afghaanse samenleving.

De Tadzjieken zijn georganiseerd rond de deh: de basiseenheid van organisatie en samenwerking. Ze worden gevormd op basis van verwantschap en de wederkerige relaties in de lokale landbouweconomie. De regels die deze wederkerigheid teweegbrengen zijn gebaseerd op de abdurzadagi: de gevestigde gedragscode die de sociale omgang omschrijft aan de hand van concrete regels. Gecombineerd met religieuze waarden vormt dit de maatstaf voor de organisatie van de deh.

In tegenstelling tot de Pathanen gebruiken de Tadzjieken niet zozeer de namen van hun voorouders, maar regionale namen. Sociale banden kunnen als rigide en lokaal omschreven worden: de identiteit, waaronder de naam, wordt bepaald door de streek waar men woont. Tadzjieken spreken de tweede officiële taal van het land, het Dari, een Perzische taal.[28] Ze zijn overwegend soennitisch, een minderheid is sji’iet.

De bekendste Tadzjiek was de Afghaanse verzetsleider Ahmed Shah Massoud, leider van de Noordelijke Alliantie.

 

1.2.1.3 Hazaren

 

De Hazaren maken voor een 9% deel uit van de Afghaanse bevolking. Ze wonen al sinds lang in het bergachtige centrum van Afghanistan, Hazarajat, en rond de hoofdstad Kaboel.

De Hazaren zijn door hun sji’itische overtuiging al vaak slachtoffer geweest van discriminatie en vervolgingen. De zwaarste verliezen voor de populatie en hun cultuur vielen onder de Taliban: het opblazen van de gigantische Boeddhabeelden in Bamiyan is het meest gekende voorbeeld en lokte heel wat negatieve reacties in de wereld uit.

De Hazaren kennen verschillende substammen en grotere sociale eenheden op basis van verwantschap. Net zoals bij de Pathanen en de Tadzjieken zijn de clanleiders de belangrijkste autoriteit in de gemeenschap. De sociale organisatie kent een gelijkaardige structuur als de deh bij de Tadzjieken. De namen die de Hazaren krijgen kennen meestal het suffix -dai.

De Hazaren zijn van Mongoolse oorsprong. Ze spreken Hazaragi, een Dari-dialect, en zijn de grootste sji’itische minderheid in Afghanistan.

 

1.2.1.4 Oezbeken

 

De Oezbeken maken voor 9% deel uit van de Afghaanse bevolking. Ze wonen in het noorden van Afghanistan aan de grens met Oezbekistan, ingesloten via natuurlijke grenzen: in het noorden door de Oxus rivier en in het zuiden door het Hindu Kush gebergte.

Dankzij een succesvolle textiel-, gas- en olieproductie is de Oezbeekse gemeenschap zelfvoorzienend geworden en lokte ze meteen ook een belangrijke instroom van andere Afghanen uit op zoek naar werk en een betere levensstandaard. Deze zelfvoorziening en de geografische afgeslotenheid hebben altijd al een belangrijke rol gehad in de relatie tussen de centrale regering en de Oezbeken. Hoewel gouverneurs, rechters en militairen vanuit de centrale regering altijd al aanwezig zijn geweest, bleef de interactie limitatief.

Oezbeken zijn georganiseerd rond de qishlaq en bestaat net zoals de Pathaanse kalay en de Tadzjiekse en Hazara deh uit enkele families met een gemeenschappelijke voorvader. De belangrijkste figuur in de qishlaq is de arbab, de landheer, en iedereen binnen de gemeenschap is economisch, sociaal en politiek afhankelijk van deze centrale figuur, dankzij zijn invloed bij de gouvernementele instituties.

De Oezbeken spreken Oezbeeks, een Turkse taal, en zijn in meerderheid soennitisch.

 

1.2.1.5 anderen

 

Andere Afghaanse volkeren zijn de Turkmenen, de Aimaq, de Baluchen, de Nuristani en de Kuchi. De meeste onder hen zijn herders, kleine handelaars of boeren. Ze wonen in het uiterste noorden en oosten van Afghanistan en aan de grens met Iran en Pakistan. De Baluchen wonen in het zuidwesten van Afghanistan en in het noorden van Pakistan.

Ze kennen allen een gelijkaardige sociale structuur als de Pathanen, Tadzjieken, Hazaren en Oezbeken, hoewel er altijd kleine verschillen zijn. De Nuristani kennen bijvoorbeeld een gelijkwaardige positie van man en vrouw in tegenstelling tot de klassieke patriarchale organisatie bij andere stammen en volkeren.

De Kuchi zijn in meerderheid Pathaanse nomaden die in de winter in Pakistan verblijven en in de zomer Afghanistan binnentrekken. Hoewel er bewijzen zijn van kleine strubbelingen met de lokale etnische of tribale groep, leven de meeste in een harmonieuze symbiotische relatie met de lokale bevolking. Door de Sovjetbezetting en het bewind van de Taliban zijn de meeste echter hun vee verloren en zijn ze zich gaan vestigen en integreren in de bestaande clan of stam.

 

1.2.2 Sociale structuur: stam- en clancultuur

 

De sociale structuur van Afghanistan beslaat een trapstructuur.[29] De basis van de meeste sedentaire, landbouwgemeenschappen in Centraal-Azië is een instelling die mahalgaroj wordt genoemd. De familie is de belangrijkste binding, daarna komt de qawn of clan, dan de stam en daarna de etnie. De qawn is het bindmiddel bij uitstek tussen mensen van verschillende regio’s en kan heel ruim opgevat worden. Ze kan gebaseerd zijn op gemeenschappelijkheid, verwantschap of patroon-klantrelaties en beschermt de leden tegen inmenging door de staat of door een andere qawn. Het volgende niveau is dat van de stam. Tot welke stam men behoort, wordt bepaald door zijn afkomst. Een netwerk van clans uit een bepaalde streek en met een gemeenschappelijke geografische afkomst wordt mahalla genoemd. In de overkoepelende structuur is een vorm van hiërarchie aanwezig; de ene familie staat hoger aangeschreven dan de andere, de ene stam werkt enkel samen met een geprefereerde andere.[30]

De verscheiden etnieën en tribale gemeenschappen hebben ieder hun morele gedragscode, maar delen ook enkele gemeenschappelijke waarden: gastvrijheid, moed en individuele integriteit. Deze waarden lijken simpel, maar zijn zwaar en veeleisend. Wraak moet genomen worden wanneer de naasten worden beledigd of gekwetst, gastvrijheid moet verleend worden aan de hulpelozen en aan ongewapende vreemdelingen, moedigheid is cruciaal in de strijd en in het individuele handelen is openheid en oprechtheid een vereiste.[31] Dit waardepatroon vormt de basis van de morele orde en de informele sociale controle in de Afghaanse dorpen en stammen.

De belangrijkste figuur in de gemeenschap is de clanleider (malik, khan of sayed). Hij is de centrale autoriteit en heeft sociale, rechterlijke, politieke en economische bevoegdheden. Vaak is hij ook de religieuze leider van de stam, in de praktijk is hij dan ook vooral een priester, leraar en spirituele leider en interpreteert hij de religieuze wetten van de shari’a. Het is ook mogelijk dat iemand anders deze religieuze zaken op zich neemt, die heet dan de mullah. Deze autoriteitsverdeling geldt vooral op het platteland, in de steden zijn er regeringscommissarissen, rechters en ander overheidspersoneel die deze taken op zich nemen.

 

1.2.3 Vluchtelingenproblematiek

 

Afghanistan kent met zijn vijf miljoen in het buitenland en ruim een miljoen in het binnenland de grootste vluchtelingenpopulatie van heel de wereld sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. De meeste vluchtelingen wonen al generaties lang in de buurlanden Pakistan en Iran. Anderen zijn gevlucht naar Europa, Noord-Amerika en India.

Het land kende zijn eerste vluchtelingen in de jaren voor de Sovjetinval. Martelingen, zuiveringen en willekeurige aanhoudingen kenmerkten het bewind van Daoud als repressie tegen zijn eigen politieke concurrenten onder de communisten en tegen de eerste islamitische opstanden. Een conflictueuze en onstabiele regering onder Taraki bracht daar geen verandering aan. Pakistan en Iran zagen het aanvankelijk als hun religieuze plicht van gastvrijheid om hulp te bieden aan de vluchtelingen. Sinds het begin van de jaren tachtig voorzagen ze de jihadstrijders van militaire en financiële hulp. De radicale islamitische partijen vonden op deze manier hun definitieve uitvalsbasis in beide buurlanden. De inval en bezetting van de Sovjets gingen hand in hand met een repressief beleid vanuit de communistische gezinde regering. Dit was de oorzaak van een enorme exodus en midden jaren tachtig kende het land reeds 3,3 miljoen vluchtelingen in Pakistan en 2,9 miljoen in Iran. Toen de Russen in 1989 het land verlieten werd internationaal gedacht dat de zes miljoen vluchtelingen met de val van de regering Najibullah en het einde van de jihad veilig naar hun land zouden kunnen terugkeren. De VN zette een enorm steunprogramma in de steigers, maar toen de regering onverwacht aanbleef voor nog drie jaar, startte de organisatie kleinere programma’s om de landbouw in het land terug op poten te krijgen. De binnenlandse vluchtelingen en vooral de mannelijke vluchtelingen in Pakistan keerden hierop met mondjesmaat terug. Met het definitieve einde van de jihad en de vestiging van de Islamitische Staat van Afghanistan in 1992 nam ook Iran, met behulp van de VN, maatregelen om de vluchtelingen te stimuleren het land te verlaten. De creatie van stabiliteit in Herat door de warlord Ismail Khan was een extra stimulans voor zijn ontvluchte bevolking om naar hun stad terug te keren. Het terugkeerproces werd echter een halt toegeroepen door voortdurende interne conflicten binnen de mujaheddin en de opmars van de Taliban. De bevolking keerde terug naar Iran om te ontsnappen aan hun zware restricties en de verslechterende economische situatie. De situatie van de overwegend Pathaanse vluchtelingen in Pakistan was net omgekeerd. In 1995 besliste de Pakistaanse overheid om te stoppen met gratis rantsoenen en begon men geld te vragen om bij te dragen in de kosten van gezondheid-, onderwijs- en watervoorzieningen. De Taliban brachten eveneens veiligheid in de voorheen onstabiele streek rond Kandahar. Beide stimulansen zorgden voor een opvallende instroom van Pathanen naar hun thuisland. Het effect doofde echter snel uit en in 1999 kende Afghanistan vanuit het zuiden slechts een beperkte influx van honderdduizend per jaar meer.[32] Geleidelijk aan en onder invloed van de verslechterende economische situatie begonnen de positieve gevoelens van gastvrijheid jegens de vluchtelingen in Pakistan om te slaan in negatieve. Aanvankelijk werden enkel de niet-Pathanen geviseerd, maar sinds de val van de Taliban in 2001 ook de rest. Afghaanse vluchtelingen werden uitdrukkelijk gestimuleerd het land te verlaten en de Pakistaanse politie hield zich niet in hen fysiek lastig te vallen en zelfs enkelen onder hen te deporteren. Mediabelangstelling over de vele beloftes in verband met de reconstructie van het land stimuleerden de vluchtelingen om naar hun moederland terug te keren. Tegen het einde van 2002 waren al anderhalf miljoen vluchtelingen uit Pakistan teruggekeerd. De terugkeer uit Iran was echter veel beperkter en dit om twee redenen. Ten eerste waren de voorwaarden voor de boeren onder de vluchtelingen om terug hun stiel te kunnen beoefenen veel gunstiger in de Pakistaanse dan in de Iraanse grensregio’s. Ten tweede is de Iraanse grens veel strenger bewaakt en de Pakistaanse grens poreuzer zodat een eventuele terugkeer in de toekomst gemakkelijker zou kunnen in Pakistan dan in Iran.

Vandaag zijn al ongeveer twee miljoen vluchtelingen teruggekeerd naar Afghanistan. De VN-programma’s blijven doorgaan onder de vorm van financiële hulp, voor de tocht zelf en voor een eerste opstart. Voor de vluchtelingen die terugkeren wacht echter geen gemakkelijk en vanzelfsprekend leven. Afghanistan zit in een reconstructieproces van decennia en kan voorlopig geen garanties bieden op veiligheid, werk en voedsel voor iedereen. De meerderheid van de Afghaanse vluchtelingen wil zeker naar de geboortestreek terug, maar enkel als men een garantie op veiligheid heeft en men de mogelijkheden krijgt om eigen voedsel en een inkomen te voorzien, maar voorlopig kan het land daarin niet voorzien. “It is not the time, (…) I do not have a house or job to go back to. My land is under dispute. My sons do not know anything about farming. My country is heaven to me. I will definitely go back. But I am waiting till I am sure that we will not die of hunger at home.”[33]

 

1.3 Politieke structuur

 

1.3.1 Grondwet

 

Sinds het Akkoord van Bonn van 5 december 2001 heeft de overgangsregering via verschillende commissies en de loya jirga gewerkt aan de creatie van een nieuwe grondwet.[34] Via een uitgebreide consultatie van zowel invloedrijke clanleiders als de lokale bevolking werd gepoogd een document te creëren die door een ruime meerderheid van het land werd erkend.[35] Na een uitgebreide loya jirga eind 2003 werd op 16 januari 2004 de zevende grondwet van Afghanistan goedgekeurd. De grondwet is gebaseerd op die van 1964 en beoogt een mix van internationale wetgeving, de verschillende Afghaanse wettelijke tradities en lokale wetgeving.

In de nieuwe grondwet wordt het land een Islamitische republiek met de Islam als staatsgodsdienst en de waarden en moraal van de Islam als basis voor alle wetgeving.[36] Er heerst in het land godsdienstvrijheid, op voorwaarde dat dit niet indruist tegen de nationale wetten. De grondwet erkent voor de eerste maal dat het land bestaat uit verschillende nationaliteiten, en dat deze mix de nationale Afghaanse identiteit vormt. Pashto en Dari blijven de officiële talen, maar als een meerderheid een derde taal spreekt, kan deze taal de derde officiële taal in die streek worden. Het is ook mogelijk deze derde taal in die regio’s te onderwijzen. De verdediging in rechterlijke zaken kan in eigen taal gebeuren en iedere persoon heeft hierin recht op een persoonlijke tolk. Een rechter kan ook de sji’itische rechtsleer volgen als het om persoonlijke aangelegenheden gaat waarin aanhangers van deze tak van de islam betrokken zijn. Afghanistan erkent het Universeel Verdrag voor de rechten van de mens en er wordt een Onafhankelijke Mensenrechtencommissie opgericht die toeziet op het respecteren van deze mensenrechten. Mannen en vrouwen tenslotte hebben volgens de nieuwe grondwet gelijke rechten.

 

1.3.2 De verschillende machten

 

1.3.2.1 Uitvoerende Macht

 

Sinds de officiële inauguratie op 7 december 2004 is Hamid Karzai zowel het staatshoofd van Afghanistan als het hoofd van de regering. Hamid Karzai is geboren in de machtige Pathaanse Popolzai-clan. Tijdens de bezetting door de Sovjet-Unie en de daarop volgende burgeroorlog verbleef hij in Pakistan. Aanvankelijk steunde hij de Taliban, in de hoop dat die beweging de Sovjets zou kunnen verdrijven en een eind zou kunnen maken aan het onderlinge geweld tussen de verschillende stammen. Na enige tijd verloor hij echter het vertrouwen in de nieuwe regering. In 1995 weigerde hij om VN-ambassadeur te worden namens de Taliban en in 1996 vluchtte hij naar Pakistan. Hierop doodden de Taliban zijn vader, leider van de Popolzai. Karzai trok hierop met een grote groep stamhoofden en andere rouwenden door Pakistan en Afghanistan naar Kandahar. Uit angst voor een Pathaanse opstand boden de Taliban geen weerstand. Na 11 september en de geleidelijke wankel wordende positie van de Taliban begon Karzai geld en wapens in te zamelen. De door hem geleide Pathanen hielpen de Amerikanen het laatste Taliban-bolwerk in Afghanistan, Kandahar, te heroveren. In december 2001 werd hij benoemd tot leider van een overgangsregering. De Nood-Loya Jirga benoemde hem in juni 2002 tot president in aanloop naar nieuwe verkiezingen. Bij de eerste vrije presidentsverkiezingen in Afghanistan, op 9 oktober 2004, behaalde hij 55% van de stemmen en werd zo de eerste democratisch gekozen president van het land.[37]

Het kabinet bestaat uit 27 ministers die worden aangeduid door de president en goedgekeurd door het Nationaal Parlement.[38]

 

1.3.2.2 Wetgevende Macht

 

Momenteel is er geen wetgevende macht in Afghanistan en is voor de continuďteit sinds januari 2004 de regering gemachtigd bij decreet wetgeving te construeren. Onder de nieuwe grondwet zal het bicamerale Nationaal Parlement ten eerste bestaan uit de Wolesi Jirga of ‘Huis van het Volk’ met maximum 249 zetels en direct verkozen voor vijf jaar. Het tweede orgaan van het parlement is de Meshrano Jirga of ‘Huis van de Ouderen’ met maximum 102 zetels.[39] Een derde hiervan wordt verkozen uit provinciale raden voor vier jaar, een derde verkozen uit lokale districtraden voor drie jaar, en een laatste derde aangeduid door de president voor vijf jaar.[40] Verkiezingen zijn gepland in de lente van 2005, maar reeds uitgesteld tot in de maand september.

 

1.3.2.3 Rechterlijke Macht

 

Volgens de nieuwe grondwet moet een negenkoppige Stera Mahkama of Hoog Gerechtshof opgericht worden. De negen rechters worden voor tien jaar aangeduid door de president met goedkeuring van de Wolesi Jirga. Er zal ook een Ondergerechtshof en verschillende rechtbanken opgericht worden.[41] Naast deze instellingen is er reeds een aparte Afghaanse Onafhankelijke Commissie voor Mensenrechten van start gegaan die bevoegd is voor onderzoek naar oorlogsmisdaden en misbruik van mensenrechten.

Een kwart eeuw oorlog heeft een onsamenhangend en in vele aspecten irrationeel rechtssysteem gecreëerd.[42] Rechtsgeleerden van zowel Islamitisch als Westers recht werden verbannen of verboden hun job uit te oefenen. Jaren van conflict hebben een complete set van diverse wetten en codes achtergelaten; rechtsbibliotheken zijn verbrand en nationale registers verloren of gemanipuleerd. Afghaanse en VN-specialisten hebben het juridische hervormingsproces gedetailleerd uitgewerkt: een herziening van de grondwet van 1964 en de bestaande wetten; het uitvaardigen van nieuwe wetten; de opleiding van juristen, advocaten en politie; het bouwen van gevangenissen en de nodige kantoren; en het strafbaar stellen van misdaden tegen de mensenrechten uit het verleden. De goede weg leek ingeslagen, maar werd prompt afgebogen richting verleden toen bleek dat de drie componenten van het juridische systeem – het Ministerie van Justitie, het Hooggerechtshof en de Chef van Justitie – gedomineerd werden door rivaliserende politieke of ideologische kampen die ongeschikt leken gezamenlijke objectieven te vormen en te realiseren. De meeste provinciale rechters zijn daarenboven aangesteld door lokale milities en zijn vaak onopgeleide mullahs uit de madrassa’s. Het oplossen van interne juridische problemen zal confronterend en gevoelig overleg vergen tussen machtige politieke actoren en moet in samenhang gebeuren met demobilisering en ontwapening. Een andere factor die een rol speelt, is het tekort aan ontwikkelingshulp om de juridische infrastructuur voor een werkzaam juridisch bestel op poten te kunnen zetten. De juridische hulp wordt veelal afgebroken als blijkt dat de fondsen in de verkeerde handen terecht komen en voor verkeerde doeleinden wordt gebruikt.[43]

 

1.3.3 Partijlandschap

 

Volgens de nieuwe grondwet mag iedereen een politieke partij oprichten, en het is toegelaten deze te organiseren op basis van religie, etniciteit, taal en regio. Er zijn wel enkele voorwaarden aan verbonden; het programma mag niet in tegenspraak zijn met de grondwet of met de beginselen van de Islam, de organisatorische en financiële structuur van de partij moet openbaar zijn, de partij mag geen banden hebben met buitenlandse politieke partijen of financiële bronnen en mag geen militaire of paramilitaire doelen en structuren hebben. Als aan deze voorwaarden zijn voldaan krijgt een partij zijn erkenning door het Ministerie van Justitie.[44]

 

1.3.4 Andere politieke structuren

 

1.3.4.1 Loya Jirga

 

De Loya Jirga is de benaming voor traditionele vergaderingen van leiders van de Pashtun-stammen en van andere etnische groepen in Afghanistan, aan wie belangrijke politieke beslissingen kunnen worden voorgelegd.

De loya jirga is een Afghaanse traditie met een grootse maar vage geschiedenis.[45] Het ontstaan van het instituut jirga is te herleiden tot de beginvormen van tribalisme, met name de traditionele jirga’s en de latere shura’s. ‘Jirga’ is afgeleid van het Turks en staat voor ‘cirkel’, ‘shura’ van het Arabische woord ‘mashwara’ en betekent in het Dari ‘comité’ of ‘raad’. De onderlinge vetes over het gebruik van grond en eigendom van vee werden via deze raden door clan- of stamoudsten op een onpartijdige, althans niet-controversiële wijze, beslecht. Sedertdien worden in Afghanistan op verschillende niveaus traditioneel geschillen bijgelegd en besluiten genomen via het bijeenroepen van kleine en grote Jirga’s (Raden). Verstrekkende beslissingen die Afghanistan als geheel raken worden genomen op Loya Jirga’s (Grote Raden). Tussen 1747 en nu zijn slechts twintig Loya Jirga’s gehouden, waarvan de laatsten dateren uit 1964 (ter bekrachtiging van de het voorstel van grondwet van 1963) en 1977 (ter bekrachtiging van de Constitutie van 1977 en verkiezing of herbenoeming van president Daoud). De anderen draaiden rond de goedkeuring van een nieuw staatshoofd, de invoering van een nieuwe grondwet en belangrijke beleidsbeslissingen als de verklaring van neutraliteit in de twee wereldoorlogen.

Het bijeenroepen van een Loya Jirga moet voldoen aan twee voorwaarden. Ten eerste dient een Joya Jirga binnen het territorium van Afghanistan te worden gehouden en dit vrij van buitenlandse inmenging. Ten tweede moet het bijeenroepen van een Loya Jirga geschieden door een door het volk gekozen hoofd van een wettige regering. Op grond van deze voorwaarden misten de machthebbers tijdens de communistische periode, de Afghaanse burgeroorlog en het Taliban-tijdperk de autoriteit om een Loya Jirga te beleggen.

 

1.3.4.2 Het leger

 

De Afghaanse regering heeft sinds de val van de Taliban een groot veiligheidsprobleem. De lokale macht en orde zijn in handen van verschillende lokale leiders en hun milities. Enkel de hoofdstad wordt gecontroleerd door de troepen van de International Security Assistance Force (ISAF). De demobilisatie en de ontwapening van de milities kende aanvankelijk weinig succes, maar kent geleidelijk aan toch positieve resultaten. Toch worden de creatie van een nationaal leger, een politiemacht en een uitgebreide grenswacht geremd door etnische en regionale belangen. De integratie van de lokale leiders en hun milities verloopt niet zonder problemen als nepotisme, discriminatie en zelfs geweld naast de gewoonlijke logistieke en technische problemen.

 

ISAF

Het ISAF is een internationaal vredescontingent bestaande uit achtduizend troepen afgevaardigd uit meer dan zesendertig verschillende landen. Het is door de Verenigde Naties in het leven geroepen in december 2001 om de hoofdstad Kaboel en zijn luchthaven te beschermen tegen Taliban- en Al-Qaedastrijders en milities van warlords zodat de transitieregering in alle veiligheid kon geďnstalleerd worden. De ISAF ondersteunt de Afghaanse regering in de uitbreiding van zijn autoriteit over de rest van het land.

Het bevel over ISAF werkte aanvankelijk via een zesmaandelijks roterend systeem. Dit veroorzaakte echter problemen van continuďteit omdat men niet snel landen vond die bereidwillig het bevel wouden overnemen. Op 11 augustus 2003 werd aan dit probleem een einde gemaakt en werd het bevel definitief overgedragen aan de NAVO die op deze manier voor het eerst buiten Europa en Noord-Amerika opereerde. In oktober 2003 keurde de VN resolutie 1510 goed die de weg opende om buiten Kaboel te opereren.[46] De NAVO heeft zijn werkgebied over het land uitgebreid via Provincial Reconstruction Teams (PRTs) en Forward Support Bases (FSBs). Deze laatste bieden logistieke ondersteuning voor de PRTs. PRTs zelf bestaan uit een veertig tot honderd officiële ontwikkelingswerkers, lokale burgers en politici en worden beschermd door een klein contingent van militairen. Deze personen moeten een band kweken met de lokale clanleiders en militieleiders en aldus de link vormen tussen de centrale regering en de lokale leiders. Er is echter veel kritiek op deze nieuwe werkingsvorm. Veel Afghanen denken dat deze teams grote lokale reconstructieprojecten zullen opstarten en de veiligheid in hun streek zullen kunnen garanderen. Hun taak is echter beperkt tot het vergaren van informatie, het aanknopen van onderhandelingen en het opstarten van kleine infrastructuurwerken. De grens tussen civiele en militaire hulpverlening is in deze structuren zeer vaag en kan leiden tot verkeerde verwachtingen en intenties. De PRTs moeten een ruimer mandaat krijgen om zich puur op de veiligheid te concentreren en minder op reconstructie, in samenspraak met de lokale leiders.[47]

 

Het Afghaanse nationale leger

Het Afghaanse nationale leger is uitgebouwd onder de auspiciën van de Verenigde Staten en heeft als doel de militaire operaties van de coalitie te ondersteunen en geleidelijk aan te vervangen als volwaardig nationaal leger. Verschillende leden van de coalitie zijn verantwoordelijke voor diverse domeinen in de globale veiligheidsstrategie. De VS zorgen voor de opleiding van het leger, Duitsland leidt de politiemacht op, Italië begeleidt het juridische proces, het Verenigd Koninkrijk is verantwoordelijk voor de drugsbestrijding en Japan tenslotte houdt zich bezig met ontwapening van de lokale warlords en hun milities. De VS voorzien in uniformen en in ander basismateriaal, wapens worden geleverd door voormalige Oostbloklanden.[48] Om Afghanen te stimuleren een opleiding te volgen wordt een soldij voorzien met een mogelijkheid tot verhoging na de training.

Oorspronkelijk had de Minister van Defensie Fahim een contingent van 250.000 manschappen in gedachten. Zijn voorstel werd echter afgeschoten door de internationale coalitie die een kleiner eliteleger van 60.000 man had voorzien. Dit zou gemakkelijker zijn om de etnische en politieke vetes te isoleren. Later bleek dat Fahim het grote cijfer had voorgesteld om meer donorhulp los te weken. Hij veranderde snel zijn voorstel naar 100.000 manschappen toen hij geen bereidheid zag bij de donorlanden om een groot leger op te bouwen. De eerste plannen voorzagen ook in de oprichting van een 8.000koppige luchtmacht, een 70.000 man sterke politiemacht en een uitgebreide grenswacht van 12.000 personen. Het leger telt momenteel meer dan 20.000 manschappen, de politiemacht 35.000.[49]

Het leger kreeg in zijn beginjaren te kampen met grote corruptie, desertering na de opleiding, het verdwijnen van budgetten en de bevoordeling en discriminatie van vooral de Pathaanse bevolking. Het bleek vooral de Minister van Defensie Fahim te zijn die zijn Tadzjiekse achterban op de hoogste posten zette en enorm veel Tadzjiekse ‘vrijwilligers’ in het leger binnenloodste. De problemen met deserterende militairen zijn in 2005 nagenoeg verdwenen, maar de andere twistpunten zijn nog lang niet van de baan.[50]

 

1.4 Economische ontwikkeling